Bijlage 1 Masterplan Centrum Definitief
Tekst van het document
Mocht tijdens de uitvoering blijken dat er historische ernstige verontreinigingen zijn, dan is de wens deze te verwijderen. Daarvoor kan financiering voor sanering vanuit het Bodemprogramma Haarlem worden aangevraagd.
Centrum Schalkwijk | Masterplan | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen
68
5.6.7 Archeologie
De gemeente is op basis van de Omgevingswet verplicht om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De drie belangrijkste uitgangspunten zijn: 1. Het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem. 2. De initiatiefnemer van het project dat tot bodemverstoring leidt, betaalt de kosten van archeologisch onderzoek. 3. Het vroegtijdig integreren van de zorg voor het archeologisch erfgoed in de procedures van de ruimtelijke ordening. Eisen 1. Bij overschrijding van de voor archeologie geldende vrijstellingsgrenzen dient een bureauen verkennend archeologisch booronderzoek worden uitgevoerd. Op basis van de resultaten van dat onderzoek bepaalt de gemeente Haarlem of archeologische vervolgstappen noodzakelijk zijn. 2. Het archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd door een gecertificeerd bedrijf (BRL SIKB 4000). Het onderzoek moet naast de eisen in het daartoe te overleggen Plan van Aanpak (PvA) voldoen aan Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en de Haarlemse Richtlijnen voor archeologisch onderzoek. 3. Als behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn, moet ernaar gestreefd worden om die in de bodem te behouden, bijvoorbeeld door planaanpassing of beschermende maatregelen. Als dat niet mogelijk is, moeten de archeologische resten worden opgegraven. Wens 1.
De resultaten van het archeologisch onderzoek meenemen in het ontwerp of als inspiratie daarvoor gebruiken, om het verhaal van de plek een rol te geven in de nieuwe ontwikkeling.
5.7 Mobiliteit In deze paragraaf worden de kaders voor de volgende mobiliteitsaspecten die gelden voor ontwikkelingen in Centrum Schalkwijk behandeld: 1. Mobiliteitsplan 2. Inclusieve, toegankelijke openbare ruimte 3. Fietsinfrastructuur 4. Fietsparkeren 5. Autoparkeren 6. Toegankelijkheid calamiteitendiensten 7. Afvalinzameling, laden & lossen, et cetera 8. Openbaar vervoer 9. Vaarwater en bruggen
5.7.1 Mobiliteitsplan
In het Masterplan zijn maatregelen verwerkt om bij te dragen aan de mobiliteitstransitie zoals beschreven in het Haarlems Mobiliteitsbeleid. Bijlage 10 geeft het mobiliteitsplan voor dit Masterplan. Per deelontwikkeling stelt de ontwikkelende partij ook een mobiliteitsplan op. Hiermee wordt onderbouwd hoe hun ontwikkellocatie voldoet aan de in deze paragraaf beschreven mobiliteitsaspecten. Eis 1. Door middel van een mobiliteitsplan onderbouwd de ontwikkelende partij hoe voor de betreffende ontwikkellocatie voldaan wordt aan de in deze paragraaf beschreven mobiliteitsaspecten.
5.7.2 Inclusieve en toegankelijke openbare ruimte toegespitst op de voetganger In het gebied zetten we langzaam verkeer centraal. Het is voor voetgangers gemakkelijk, veilig en comfortabel verblijven. Uitgangspunt bij de (her) inrichting van de openbare ruimte is dat die door iedereen te bereiken en te gebruiken is. Dat betekent dat de openbare ruimte voor iedereen toegankelijk moet zijn en ook mensen met kinderwagens, rolstoelen en rollators zich kunnen verplaatsen.
Eisen 1. Het plangebied wordt autovrij ingericht, dus alleen voetgangers en fietsers (te gast) zijn toegestaan, uitgezonderd laden en lossen gedurende venstertijden en het ophalen van afval. 2. Voetpaden hebben een effectieve breedte van minimaal 2,2m zonder obstakels van o.a. (wild-) geparkeerde fietsen, straatmeubilair, paaltjes. 3. Het hele gebied en alle bestemmingen zijn toegankelijk voor mensen met een beperking. Ook zijn er voldoende rustmogelijkheden (bankjes) voor ouderen en mindervaliden. 4. De looproutes van en naar de ingangen van de gebouwen sluiten op een logische manier aan op de doorgaande looproutes in en door het gebied. 5. Looproutes sluiten op een veilige en aantrekkelijke manier aan op OV-haltes zoals busstation Schalkwijk Centrum. 6. Looproutes zijn sociaal veilig en goed verlicht. 7. Er wordt bij de inrichting rekening gehouden met mensen met een (visuele) handicap. 8. Bij het ontwerp, uitvoering en beheer van de openbare ruimte moet nadrukkelijk aandacht worden geschonken aan doelgroepen mensen met kinderwagens, rolstoel- en rollatorgebruikers door na te denken over licht, verlichting, kleur, contrast, materiaalgebruik, hoogteverschillen, reflecties en routing. Consistentie en logica zijn daarbij essentieel.
5.7.3 Fietsinfrastructuur
Fietsen en lopen zijn de aangewezen vervoerswijzen voor de bewoners en bezoekers van Schalkwijk Centrum. De fietsroutes zijn voldoende breed om comfortabel en veilig gebruikt te worden door oud en jong met het inmiddels brede aanbod aan fietsen, waaronder bak- en elektrische fietsen en scooters. Eisen 1. Elke bestemming is goed bereikbaar vanaf de fietsroutes in het gebied en vanuit de omliggende wijken en het buitengebied. 2. Centrum Schalkwijk wordt voor fietsers vanuit de
Centrum Schalkwijk | Masterplan | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen
69
omliggende wijken en het buitengebied goed ontsloten met veilige, directe en voldoende brede fietspaden.
5.7.4 Fietsparkeren
Fietsparkeren is een integraal onderdeel van de ontwerpopgave. Voldoende en kwalitatief goede fietsparkeervoorzieningen zijn een belangrijke voorwaarde om fietsgebruik te stimuleren. Bewoners en werknemers worden gestimuleerd om de fiets inpandig te parkeren zodat de buitenruimte beschikbaar is voor andere doeleinden. Parkeervoorzieningen voor de fietsende bezoeker moeten aantrekkelijk, logisch gelegen en in voldoende mate aanwezig zijn. Algemene eisen 1. Het initiatief dient te voorzien in het meegeven fietsparkeerprogramma zoals in paragraaf 3.5. per bouwblok is aangegeven. Indien er afgeweken wordt van het voorzieningen- en woonprogramma, dan dient het fietsparkeerprogramma opnieuw berekend te worden conform onderstaande eisen. 2. Voldaan wordt aan de fietsparkeernormen de kwaliteitseisen fietsparkeren, zoals verwoord in de Nota parkeernormen. Eisen fietsparkeren bewoners 1. Uitgangspunt voor het toepassen van collectieve fietsenstallingen is de Haarlemse beleidsregel bergingen bij nieuwe woongebouwen. 2. Aanvullend op de nota parkeernormen en de beleidsregel bergingen geldt: a. De entree tot inpandig fietsparkeren intern koppelen aan de hoofdentree van woningen. b. De fietsenstalling is toegankelijk, aantrekkelijk en bereikbaar vanuit de buitenruimte waardoor bewoners en werknemers gestimuleerd worden fietsen inpandig te stallen. Eisen fietsparkeren bezoekers 1.
Bij het fietsparkeren wordt voldoende onderscheid
gemaakt tussen functies met een verschillende parkeerduur. Fietsparkeervakken (met zo min mogelijk nietjes) voor kort stallen, middellang en lang stallen vindt plaats in de stallingen. 2. Bij het fietsparkeren wordt rekening gehouden met maximale loopafstanden zoals vastgelegd in de nota parkeernormen. Daardoor moet er voldoende stallingsmogelijkheden zijn verdeeld over het plangebied. Om tot een efficiënt ruimtegebruik te komen wordt een loopafstand van 100m geaccepteerd, waar deze in de nota 75m is. In het Masterplan is een aanzet gedaan voor de locaties voor de gemeenschappelijke stallingen, zie paragraaf 3.9.3.
5.7.5 Autoparkeren
We gaan efficiënt en duurzaam om met de schaarse openbare ruimte in Centrum Schalkwijk. Parkeren wordt uit de openbare ruimte geweerd. Parkeren voor bewoners, werknemers en bezoekers wordt in garages opgelost. Omdat verschillende functies op verschillende momenten bezoekers trekken mag van dubbelgebruik worden uitgegaan, zodat parkeerplaatsen zo efficiënt mogelijk gebruikt worden en het ruimtebeslag van de geparkeerde auto beperkt blijft. Algemene eisen 1. Het initiatief dient te voorzien in het meegeven autoparkeerprogramma zoals in paragraaf 3.5. per bouwblok is aangegeven. Indien er afgeweken wordt van het voorzieningen- en woonprogramma, dan dient het autoparkeerprogramma opnieuw berekend te worden conform onderstaande eisen. 2. Voldaan wordt aan de parkeernormen, zoals verwoord in de Nota parkeernormen. 3. De parkeerbehoefte moet in gezamenlijke garages worden opgelost. Er wordt niet geparkeerd in de openbare ruimte. 4. Naast het werknemersparkeren en bezoekersparkeren wordt ook het bewonersparkeren voor de sociale woningbouw
in de publieke garages opgelost. Hierdoor kan maximaal gebruik gemaakt worden van dubbelgebruik. Voor het bewonersparkeren van de woningen niet zijnde sociale huur, worden wel private parkeerplaatsen gerealiseerd. 5. Conform de Nota parkeernormen wordt 20% van de parkeervraag opgelost met deelauto’s. De ontwikkelaar moet aantonen dat de exploitatie van dit deelautoconcept voor de tijdsduur van tenminste 10 jaar geborgd is. De deelauto’s staan in de publieke garages. Bij overcapaciteit biedt het bewoners van buiten het centrum de mogelijkheid er gebruik van te maken. 6. Conform de Nota parkeernormen mag een reductiefactor van -10% worden toegepast vanwege de nabijheid van HOV (busstation Schalkwijk Centrum). 7. Voor de uitvoering van de parkeergarages gelden de normen uit de NEN 2443. 8. Uitritten parkeergarages dienen verkeersveilig ontworpen te worden conform de CROW-richtlijnen. 9. Adressen binnen het plangebied worden uitgesloten van openbare parkeerrechten, op deze adressen kunnen geen parkeervergunningen worden aangevraagd. Private vergunningen/abonnementen voor de garages zijn wel mogelijk. Eisen gehandicaptenparkeerplaatsen 1.
Voor ontwikkelingen waarin functies worden gerealiseerd met een sociaal-maatschappelijk karakter met een parkeerbehoefte van minimaal 15 parkeerplaatsen, moet minimaal 2% van die behoefte worden ingericht als algemene gehandicaptenparkeerplaats, met een minimum van 1. 2. Gehandicaptenparkeerplaatsen moeten binnen een loopafstand van maximaal 100 meter liggen, gemeten vanaf de parkeerplaats tot de ingang van het betreffende gebouw. Eisen oplaadpunten 1. Voor de parkeerbehoefte van het bewonersparkeren
Centrum Schalkwijk | Masterplan | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen
70
worden de parkeerplaatsen uitgevoerd met de mogelijkheid voor leidingdoorvoeren voor oplaadpunten voor ieder parkeervak. 2. Voor de parkeerbehoefte, anders dan het bewonersparkeren, worden de parkeerplaatsen uitgevoerd met de mogelijkheid voor leidingdoorvoeren voor oplaadpunten voor ten minste een op de vijf parkeerplaatsen.
5.7.6 Toegankelijkheid calamiteitendiensten Politie, ambulance en brandweer dienen te allen tijde toegang te hebben tot de openbare ruimte en de gebouwen. Het het mobiliteitsplan, het ontwerp openbare ruimte en de gebouwontwerpen zullen beoordeeld worden door de hulpdiensten. Hieronder volgen de kaders met betrekking tot toegankelijkheid op hoofdlijnen.
Eisen 1. Alle gebouwen zijn goed bereikbaar voor calamiteitendiensten, waarbij de betreffende voertuigen op minimaal 10m van de hoofdentree van de gebouwen kunnen komen. 2. Eventueel doodlopende straten dienen aan het einde een keermogelijkheid voor voertuigen van hulpdiensten te hebben. 3. Toegangen tot de entrees van gebouwen dienen altijd een vrije doorgang voor brancards te hebben (onder andere van belang bij entrees waar de mogelijkheid bestaat dat de toegang wordt belemmerd door wild geparkeerde fietsen en scooters). 4. Calamiteitendiensten kunnen met een transponder eventuele zakpalen centraal bedienen (systeem conform centrum Haarlem). 5. Calamiteitendiensten dienen met een pasje poorten en hekken tot collectieve binnenterreinen, garages en stallingen open te krijgen. 6. Bij de ingebruikname van de gebouwen (bij de sleuteloverdracht) is de openbare ruimte rond de gebouwen opgeleverd en toegankelijk voor de hulpdiensten.
5.7.7 Laden & lossen, verhuisdiensten, pakketbezorging, personenvervoer, etc.
In het plangebied worden veel woningen en voorzieningen toegevoegd. Deze functies generen logistieke stromen (afval, pakketleveringen, verhuizingen, enz.). Uitgangspunt is dat deze ‘reguliere’ logistieke stromen zo veel mogelijk aan de randen van het plangebied worden afgewikkeld en buiten het domein van voetgangers en fietsers plaatsvinden. Eisen 1. Foutief gebruik van de openbare ruimte (zoals parkeren, laden en lossen op trottoir of fietspad, enz.) dient onmogelijk gemaakt te worden op een vriendelijke manier én door het aanbieden van een goede voorziening. 2. Laden en lossen voor de commerciële en maatschappelijke functies gedurende venstertijden. 3. Verhuisdiensten dienen tot 20m van een (hoofd) entree te kunnen komen. 4. Bij elke ontwikkeling wordt aangegeven hoe de logistieke diensten (opvangen bezoek (auto en fiets), ontvangen pakketjes/thuisbezorgdiensten, ophalen afval etc.) worden georganiseerd, zonder afwenteling op de openbare ruimte.
5.7.8 Openbaar vervoer
Het vernieuwen van het busstation aan de noordzijde van Centrum Schalkwijk is onderdeel van de transformatieopgave. We zetten in op een compact busstation. Hierdoor komt de keermogelijkheid voor bussen te vervallen. Dit wordt opgelost door de lijnen die hier voorheen een eindhalte hadden om het winkelcentrum te laten rijden, zoals wordt voorgesteld in de Haarlemse lijnennetstudie, zie bijlage 10. Eisen 1. Het busstation is goed toegankelijk voor langzaam verkeer uit alle windrichtingen. Er komen voldoende oversteken, bij voorkeur ongeregeld,
over de Aziëweg. 2. Bij de inrichting van het nieuwe busstation wordt rekening gehouden met mindervaliden (zie ook paragraaf 5.7.2).
5.7.9 Vaarwater en bruggen
Voor Centrum Schalkwijk worden twee bruggen voor fietsers en wandelaars over vaarwater aangelegd. Hiervoor gelden eisen conform de Ambitiekaart Haarlemse Wateren. Eis 1. De doorvaarthoogte van bruggen over vaarwater dient minimaal 1,5m te bedragen. Indien dit om ontwerptechnische redenen niet mogelijk is, dan moet de doorvaarhoogte in ieder geval even hoog zijn als die van de bestaande bruggen over de Amerikavaart.
5.8 Openbare ruimte Deze paragraaf geeft de kaders waar de inrichting en het ontwerp van de openbare ruimte aan moeten voldoen. De kaders zijn onderverdeeld in de volgende thema’s: 1. Sociaal veilig 2. Groenkwaliteit 3. Maaiveldinrichting 4. Spelen 5. Afvalinzameling 6. Terrassen
5.8.1 Sociaal veilige openbare ruimte
Een stad dient te allen tijden zo veilig mogelijk te zijn voor verschillende gebruikers en bewoners. Op straat moet iedereen zich vrij durven te bewegen en verblijven. De openbare ruimte dient dus zo veilig mogelijk te zijn en te voelen. Bij een hoogstedelijk gebied als Centrum Schalkwijk is er het risico dat er sociale onveilige plekken ontstaan. Om die reden vragen wij hier extra aandacht voor.
Centrum Schalkwijk | Masterplan | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen
71
Eisen 1. De openbare ruimte wordt sociaal veilig ontworpen en voldoet aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen Nieuwbouw. 2. ’s Avonds en ‘s nachts worden de openbare ruimte en collectieve ruimten voldoende verlicht. Dit wordt aangetoond met een verlichtingsplan en lichtberekening. Zie voor specifieke richtlijnen Beleidsplan Openbare Verlichting. 3. Neem verlichtingsontwerp integraal op en niét pas als standaardtoets in het Beleidsplan Openbare Verlichting. 4. Streef in het centrale gebied gelijkmatigheid van verlichting na. 5. Schijnveiligheid dient voorkomen te worden. Een landschappelijke dagroute (als door het Wil Merkiespark) dient een equivalent als veilige avondroute aan te bieden. Te denken valt aan het fietspad aan de Europaweg. 6. Alle plekken in de openbare ruimte, waaronder de plekken tussen de gebouwen zijn goed zichtbaar vanaf de openbare ruimte en vanuit de omliggende bebouwing (voldoende zichtrelaties, ‘ogen op straat’). 7. Indien semi-openbare binnenterreinen worden ontwikkeld, dan zijn deze goed toegankelijk voor de beoogde gebruikers en worden deze gerespecteerd door derden. Dit laatste kan door de binnenterreinen de uitstraling van privéruimten te geven. Zet o.a. in op onder architectuur ontworpen hekwerken en poorten. Bij binnenterreinen geldt: open waar het kan en dicht waar het moet. Praktijkvoorbeelden zijn opgenomen in de VeiligheidEffectRapportage. 8.
Bij verdere uitwerking worden oplossingen getoetst aan het Handboek Veilig Ontwerp en Beheer. Wensen 1. Stel BLVC-plan op (bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie), met bij de V ook aandacht voor sociale veiligheid. 2. Maak bij de verdere uitwerking een beheerplan per fase, afgestemd op eigenaarschap.
5.8.2 Groenkwaliteit
In paragraaf 5.5.1 staan de relevante eisen voor de ecologische waarde van toe te voegen beplanting. Dit hoofdstuk richt zich op de beeld- en belevingswaarde van het groen in het nieuwe centrum. Beleefbaar en zichtbaar groen in de stad is onmisbaar en van groot belang voor een leefbare toekomst. Eisen 1. Er ontstaat een zo groen mogelijke openbare ruimte. Inrichting openbare ruimte volgens het ‘groen, tenzij’-principe: groen, tenzij dit in afweging met andere belangen zoals verkeersfunctie, ondergrond, toegankelijkheid of sociale veiligheid niet de beste oplossing is. 2. Er dient voldoen te worden aan de beplantingseisen in H7 van het HIOR. 3. Het ontwerp van het groen moet afgestemd zijn op het beheerniveau. 4. Schalkwijk Centrum groeit uit tot een samenhangend stadsdeel met een kenmerkende openbare ruimte waar een ‘eigen’ kenmerkend beplantingsplan een belangrijk onderdeel van uit maakt. De beplanting bepaalt in belangrijke mate de uitstraling, eigenheid en herkenbaarheid van het centrum van Schalkwijk. Het gekozen principe hierbij is ‘groen op rood’ als herkenbare tegenhanger van Stad tussen de bomen. Dit principe bestaat eruit dat Centrum Schalkwijk als basis de stadsvloer heeft met een grote hoeveelheid groene plekken met herkenbare (bloei, kleur) beplanting. 5.
Toe te voegen beplanting in de openbare ruimte van Schalkwijk-Centrum moet dan ook in samenhang worden gezien met het groenconcept voor de openbare ruimte in fase 1 en 2 met bloeiende bomen, heesters en vaste planten. 6. Nieuwe bomen: om het herkenbare beeld van bloeiende bomen te realiseren wordt gekozen voor een diversiteit aan bloeiende soorten. Het assortiment zal op verschillende momenten bloeien zodat het een beeldkenmerk wordt van Centrum
Schalkwijk. 7. Bijzondere pleinen en plekken onderscheiden zich met een eigen beplanting binnen dit concept (zie hoofdstuk 4). 8. De groenstructuren aan de oostrand (kade), westzijde (stadsstaat Europaweg) vertonen een sterke samenhang (ongeacht verschillen in fasering).
5.8.3 Maaiveldinrichting
Er wordt ingezet op een openbare ruimte met veel diversiteit en karakter (zie de vijf domeinen in hoofdstuk 4). Ook wordt gestreefd naar een centrumgebied met een openbare ruimte met een herkenbare samenhang en een eigen signatuur. Voor de (gefaseerde) inrichting van het centrum geldt een gelimiteerde materiaal- en objectencatalogus. Karakteristieke afwijkingen per plek of domein worden verkregen door het ontwerp, wisselende ruimteclaims (verkeer, logistiek, fiets parkeren, afval, etc.) en variatie in beplantingskeuze. Specifieke materialen of objecten zijn dan toegestaan, terwijl er altijd vanuit een gemeenschappelijke basismaterialisatie wordt gewerkt. Eisen 1. Alle materialen, formaten, standaarddetails, objecten, meubilair en armaturen, kleuren en verbanden zijn eenduidig voor het gehele gebied in aansluiting op de materialen in fase 1 en 2. Waar het gebruik erom vraagt, kan vanuit de basis terughoudend worden gevarieerd met toe te voegen materialen, kleuren en elementen. Ook bij bijzondere plekken en pleinen kunnen afwijken. Objecten, materialen en details buiten dit visiedocument voldoen aan het HIOR. 2. Toe te voegen beplanting in de openbare ruimte van Schalkwijk-Centrum moet in samenhang worden beschouwd met het groenconcept voor de openbare ruimte in fase 1 en 2 met bloeiende bomen, heesters en vaste planten. Zie hoofdstuk 4. 3.
Bestaande doorgaande structuren langs de randen van het centrum, en ook verbindingsstraten, worden
Centrum Schalkwijk | Masterplan | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen
72
bomen/ fietsenrekken/ meubilair
obstakelvrije zone (afvalinzameling, nood- & hulpdiensten)
doorgetrokken conform het principeprofiel vanuit fase 1 en 2. De Winkel-T kent binnen het geheel van de samenhangende openbare ruimte van Schalkwijk-Centrum een afwijking hierop, zie paragraaf 4.3.4. 4. Boomspiegels en plantvakken liggen verlaagd/aniveau conform het HIOR, waarbij hemelwater kan afstromen in het groenvak. In overleg met de gemeente kan hiervan eventueel worden afgeweken als het gaat om bomen op een parkeergarage, die voor voldoende wortelruimte in boombakken worden geplaatst.
5.8.4 Spelen 1 uitstal/ margestrook
3
4
3
vrije loopzone
groeiruimte wortels (20 m3)
vrije loopzone
4
4
1 uitstal/ margestrook
4
min. 90 mm waterberging 2,5% afschot
WKO hoofdleiding
warmte
koude
slokop & drainage ondergrondse containers 1,5
2,2
1,6
K&L zone
riool
wadi / raingarden
1,6
2,7
hwa
K&L zone
Principeprofiel van een winkel- of aanloopstraat in Centrum Schalkwijk waarbij zowel boven- als ondergronds voldoende ruimte is voor groen, kabels & leidingen, afvalinzameling, etc. NB symmetrie is geen vereiste en in veel straten niet wenselijk.
Buiten spelen is goed voor de sociale en fysieke ontwikkeling van kinderen. De gemeente zet zich in voor meer speelruimte en een betere spreiding over de stad. Schoolpleinen en sportvelden moeten waar mogelijk openbaar toegankelijk worden. Ook stimuleert Haarlem het natuurlijk spelen: speelplekken zonder vaste inrichting waar kinderen kunnen ontdekken. Ook de routes tussen de speelvoorzieningen in een wijk wil de gemeente verbeteren. Randvoorwaarden 1. Veiligheid en inrichting dienen te voldoen aan Warenwetbesluit Attractie- en Speeltoestellen: Speelplekken moeten veilig en aantrekkelijk zijn. 2. Speeltoestellen en speelconstructies dienen te voldoen aan NEN 1176 en valondergronden aan de NEN1177. Eisen 1. Het speelruimtebeleid zoals beschreven in de nota Speelruimtebeleid en in het HIOR, is de basis voor het maken van uitwerkingsplannen samen met de betrokkenen uit de verschillende wijken. 2. Voldoen aan de NUSO-norm: drie procent van de beschikbare openbare ruimte is bestemd voor speelruimte. 3. ‘Natuurlijk spelen’ bevorderen: groene
speelplekken zonder vaste inrichting waar kinderen kunnen ontdekken. 4. Spelaanleidingen opnemen in het ontwerp openbare ruimte. Wens 1. Schoolpleinen en sportvelden waar mogelijk openbaar toegankelijk maken.
5.8.5 Afvalinzameling
Voor alle gebruikers dienen op loopafstand voldoende containers aanwezig te zijn om op een duurzame manier afval te deponeren. Afvalinzameling leidt niet tot gevaarlijke verkeerssituaties. In de openbare ruimte worden de grondstoffen centraal ingezameld. Dit gebeurt in een vijftal stromen: restafval, papier en karton, verpakkingsglas, PBD (plastic, blik en dranken¬kartons) en GFT (groente-, fruit- en tuinafval). Dit geldt zowel voor particulier- als voor bedrijfsafval. Eisen 1. Om te komen tot een doelmatig afvalstoffenbeheer en bescherming van het milieu, moet voldaan moet worden aan het Uitvoeringsbesluit afvalstoffenverordening. 2. Locatiebepaling van (semi)ondergrondse containers en van opstelplaatsen voor mini(rol)containers, dient plaats te vinden in overleg met Spaarnelande en de gemeente. Hierbij geldt dat iedere locatie optimaal toegankelijk is voor inzamelwagen als voor bewoners. De gebruikelijke plaats is in de parkeer-/ voorzieningenstrook. 3. De richtlijn voor de loopafstand naar een container voor restafval is maximaal 250m (artikel 4 lid 8 Uitvoeringsbesluit). 4. Het plaatsen van een ondergrondse vuilcontainer (OGVC) dient te voldoen aan de eisen in Richtlijnen inzamelmiddelen en -voorzieningen afval. 5. Het inrichten van aanbiedplaatsen voor particulier afval gebeurt volgens de richtlijnen uit het HIOR om de ruimtelijke impact van deze containers te beperken:
Centrum Schalkwijk | Masterplan | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen
73
a. Containers staan nooit dominerend of te zichtbaar in de openbare ruimte, maar worden met overige nutsvoorzieningen, meubilair en fietsparkeerplekken gegroepeerd geplaatst in groenblauwe voorzieningenstroken. b. Containers worden geplaatst buiten (potentiële) boomkronen. 6. Bedrijfsafval wordt op eigen terrein en niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte, gestald. Voor commerciële en maatschappelijke voorzieningen die niet beschikken over een achterterrein, betekent dit dat deze een inpandige opslagruimte voor bedrijfsafval hebben. 7. Alleen de toegangen tot deze ruimten zijn zichtbaar vanaf de openbare ruimte.
5.8.6 Terrassen
In Centrum Schalkwijk zal er op specifieke plekken en pleinen ruimte worden geboden voor terrassen. In de ontwerpfase maakt de gemeente het ontwerp van de openbare ruimte. Als onderdeel hiervan zal ook een terrasseninrichtingsplan worden opgesteld met daarin de voor terrassen geschikte zones. Daarnaast zijn de Algemene regels terrassen van toepassing. Eisen 1. Terrassen in de openbare ruimte worden geplaatst conform het op te stellen terrasseninrichtingsplan. 2. De Algemene regels terrassen zijn van toepassing op Centrum Schalkwijk.
5.9 Gebouwen Deze paragraaf geeft de algemene kaders waar de gebouwontwerpen aan moeten voldoen. De kaders zijn onderverdeeld in de volgende thema’s: 1. Sociaal veilig 2. Gebouwplinten 3. Woongebouwen en entreepartijen 4. Bergingen en stallingsruimten fietsen 5. Parkeergarages
6. Technische ruimten en installaties 7. Vergroenen daken en gevels Hoofdstuk 6 geeft de beeldkwaliteitscriteria voor de vormgeving van de gebouwen. Samen met onderstaande randvoorwaarden, eisen en wensen worden gebouwontwerpen hieraan getoetst.
5.9.1 Sociaal veilig
Gebouwen dienen zo ontworpen te worden, dat ze bijdragen aan een sociaal veilige leefomgeving. Gebouwen dienen voor iedereen goed toegankelijk te zijn. Gebouwen worden zo ontworpen dat bewoners en gebruikers elkaar kunnen ontmoeten. Dit draagt bij aan het tegengaan van anonimiteit en vereenzaming. Randvoorwaarde 1. Gebouwen zijn toegankelijk voor personen met een handicap en voldoen aan de betreffende eisen in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving. Eisen 1. Gebouwen worden sociaal veilig ontworpen en voldoen aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen Nieuwbouw. 2. Gebouwen worden zo ontworpen dat bewoners en gebruikers elkaar op een prettige (informele) manier kunnen ontmoeten. Dit draagt bij aan het voorkomen van anonimiteit. 3. Gebouwen worden zo ontwerpen dat overlastsituaties (geluid, stank) en aantasting van privacy zo veel mogelijk wordt voorkomen. 4. Mengen van wooncategorieën niet op gebouwniveau; bewoners van verschillend typologieën ontmoeten elkaar in de openbare ruimte en de collectieve buitenruimten; 5. Meergezinswoningen hebben een zodanige omvang dat bewoners elkaar herkennen en kunnen leren kennen, zie paragraaf 5.9.3. 6. Briefkasten frustreren de zichtbaarheid van de entreehal vanaf de openbare ruimte niet. Zie ook de beeldkwaliteitscriteria in paragraaf 6.3.3.
Wensen 1. Afwijken van een rechte rooilijn op maaiveld kan met de formule: de breedte is twee keer de diepte. Bij die verhouding wordt een nis niet als sociaal onveilig ervaren. 2. Opstellers voor liften zijn net als traplopers goed zichtbaar vanaf de openbare ruimte; dat betekent dat bijvoorbeeld briefkasten niet de zichtlijnen blokkeren of dat de lift uit het directe zicht ligt om mensen te stimuleren de trap te nemen.
5.9.2 Gebouwplinten
De juiste programmering en vormgeving van de begane grond gericht op de openbare ruimte – de zogenoemde gebouwplint – draagt bij aan sociale interactie en een prettige leefomgeving, waar het zowel overdag als ’s avonds sociaal veilig is. Dit geldt ook voor plinten die grenzen aan collectieve buitenruimten. Voor de beeldkwaliteitscriteria zie paragraaf 6.3.4. Algemene eisen gebouwplinten 1. Plinten met doods programma zijn niet toegestaan. Denk hierbij aan bergingen, autoparkeren, magazijnen, etc. 2. Plinten met te veel technische ruimten naast elkaar zijn niet toegestaan. Denk hierbij aan ruimten voor trafo’s en WKO’s. 3. Eventuele overstekken of arcades zijn overzichtelijk en worden in de avonduren goed verlicht, zodat overlast en sociale onveiligheid voorkomen wordt. Eisen voorzieningenplinten 1. Voorzieningen op de begane grond hebben een rechtstreekse ontsluiting op de openbare ruimte, zodat deze direct geactiveerd wordt. 2. Privacygevoelige voorzieningen die door de gebruiker afgedekt gaan worden met folie of lamellen, zijn niet toegestaan in de plint. Denk hierbij bijvoorbeeld aan (medische) behandelkamers.
Centrum Schalkwijk | Masterplan | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen
74
Eisen woonplinten 1. Woningen aan de woonstraatjes krijgen een semiprivate zone van 1m (een ‘Delftse stoep’). 2. Woningen aan de hofjes en de Amerikavaart krijgen een terras van minimaal 2m met een brede heesterstrook als erfafscheiding, zie ook paragraaf 4.3.7. 3. Woningen op de begane grond krijgen een eigen ontsluiting op de openbare ruimte zodat deze direct geactiveerd wordt. 4. Aan de kant van de openbare ruimte alleen levendige functies. Denk hierbij aan keuken, kantoor of woonkamer. Slaapkamers zijn geen levendige functies en zijn hier niet toegestaan.
5.9.3 Woongebouwen en entreepartijen
De juiste afmeting, vormgeving, inrichting en verlichting van een entreepartij is een belangrijk aandachtspunt. Niet alleen voor de sociale veiligheid, maar ook voor het bevorderen van (informele) contacten tussen bewoners en gebruikers, waardoor anonimiteit wordt verminderd. Het aantal woningen in een woongebouw moet niet te groot worden; buren moeten elkaar kunnen herkennen en (op een informele manier) contacten kunnen leggen. Voor eisen woonprogramma zie paragraaf 5.4.4, voor de beeldkwaliteitscriteria zie paragraaf 6.3.5. Eisen entreepartijen 1. Een entreepartij is vanaf de openbare ruimte goed vindbaar en toegankelijk. 2. Maximaal 50 woningen ontsluiten op één entreepartij en bij voorkeur niet meer dan 35. Als niet aan deze eis voldaan kan worden, bijvoorbeeld bij de torens, dan dient het gebouw gecompartimenteerd te worden en/of voorzien van voldoende collectieve ruimten, zie Overige eisen woongebouwen. 3. Afzonderlijke ruimte bij entree voor stallen scootmobielen: 1 opstelplaats per 10 woningen. 4. Bij gemengde doelgroepen in een bouwblok (sociale huur, middenhuur, vrije sector); scheiden
van verschillende eigendomssituaties; elke doelgroep krijgt een eigen entree. 5. Bij de entreepartij extra ruimte creëren voor ontmoeting met een inrichting die daartoe uitnodigt. Afmeting is afhankelijk van de grootte van het gebouw. Het kan bijvoorbeeld een huiselijk ingerichte ruimte naast de entree zijn met een leestafel en stoelen. 6. Extra aandacht voor het functioneren van entreepartijen bij dubbelgebruik voor woningen, voorzieningen en/of bedrijven. Overige eisen woongebouwen 1. Maximaal 80-100 sociale huurwoningen in één gebouw. 2. Maximaal 40 woningen op één lift en maximaal 20 woningen op één gang of galerij. 3. Elke woning beschikt over een eigen buitenruimte van minimaal 5m². 4. Bij het wonen in de eerste vijf lagen voel je nog aansluiting met het maaiveld. Voor de verdiepingen daarboven is het van belang om te ontwerpen met aandacht voor ontmoeting op de verdieping. 5. Hoe hoger je woont, hoe groter ook de behoefte aan bergruimte in de eigen woning of op de gang, omdat de tijd en moeite om naar beneden te gaan steeds groter wordt. 6. Hoe hoger je woont, hoe groter het belang van een goede individuele of collectieve buitenruimte, omdat de afstand, tijd en moeite tot de openbare ruimte steeds groter wordt. 7.
Een directe verbinding tussen de collectieve daktuin en de hoofdontsluiting van het gebouw (trap- en liftkern) + zichtlijn vanaf entreepartij naar de collectieve daktuin.
5.9.4 Bergingen en stallingsruimten fietsen
Fietsenstallingen voor bewoners worden inpandig bij de (hoofd)entrees geplaatst, zie paragraaf 5.7.4. Deze stallingsruimten domineren de plint van het gebouw niet. Als bergingen worden toegepast, dan zijn deze niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte.
Eis bergingen 1. Bergingen zijn vanaf de openbare buitenruimte niet zichtbaar en leiden niet tot een dode plint. Eisen collectieve en openbare stallingsruimten fietsen 1. Overdekte stallingsruimten voor fietsen worden bij de (hoofd)entrees geplaatst. 2. Stallingsruimten voor fietsen worden zodanig gepositioneerd en ontworpen dat ze de gebouwplint niet domineren en niet tot een dode plint leiden. 3. Openbare en collectieve stallingsruimten worden sociaal veilig ontworpen; zijn overzichtelijk ingericht en bij gebruik goed verlicht. Wens openbare stallingsruimten fietsen 1. De openbare stalling voorzien van een openbaar toilet toegankelijk vanaf de openbare ruimte.
5.9.5 Parkeergarages
In Centrum Schalkwijk vindt het parkeren in een aantal parkeergebouwen plaats. Deze parkeerfaciliteiten mogen de leefomgeving van de bewoners en omwonenden niet domineren of negatief beïnvloeden ten gevolge van geluid-, stank- en lichtoverlast. Voor de beeldkwaliteitscriteria zie paragraaf 6.4.8. Eisen 1. Een parkeergebouw domineert de omgeving niet en veroorzaakt geen geluid-, stank- en lichtoverlast voor omwonenden. 2. De plint van een parkeergebouw krijgt actieve, levendige voorzieningen. 3. Hellingbanen en noodzakelijke trafo’s worden binnen de schil van het parkeergebouw geplaatst. 4. Parkeergarages worden sociaal veilig ontworpen: zijn overzichtelijk ingericht en bij gebruik goed verlicht. 5. Daken van parkeergebouwen worden in beginsel uitgevoerd met zonnepanelen. 6. Geen rechtstreekse toegang vanuit de parkeergarage naar de aangrenzende woningen; ontsluiting via de straat en (centrale) entreepartij.
Centrum Schalkwijk | Masterplan | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen
75
5.9.6 Technische ruimten en installaties
Noodzakelijke ruimten voor trafo’s, WKO-installaties, afvalcontainers e.d. worden op privaat terrein opgelost. Vanaf de openbare ruimte zijn deze ruimten zo min mogelijk zichtbaar. Ook installaties en liftopbouwen op het dak zijn vanaf de openbare ruimte niet zichtbaar of krijgen een schil passend bij de architectuur van het gebouw. Voor de beeldkwaliteitscriteria zie paragraaf 6.2.2. Randvoorwaarden 1. Traforuimten dienen zodanig ontworpen en gepositioneerd te worden dat het jaargemiddelde magneetveld op de omliggende verblijfsruimten voldoet aan de betreffende wet- en regelgeving. 2. Brandwerendheid van traforuimten dient te voldoen aan de wet- en regelgeving. Eisen technische ruimten op de begane grond 1. De ontwikkelende partij inventariseert zo vroeg mogelijk in het ontwerpproces bij de verschillende nuts- en telecombedrijven de behoefte aan technische ruimten voor trafostations, WKOinstallaties, etc. en bijbehorende technische randvoorwaarden, waaronder toegankelijkheid. 2. Technische ruimten voor trafostations, WKOinstallaties (exclusief bronputten), loading docks, opstelruimten voor (bedrijfs)-afvalcontainers, etc., worden in de gebouwen opgelost. 3.
Ruimten voor trafo’s worden met een zodanige overmaat ontworpen dat de beperkte openbare ruimte ook in de toekomst gevrijwaard blijft van plaatsing van extra trafo’s (dit geldt met name voor de verdere elektrisering van auto’s en andere vervoersmiddelen). 4. Toegangen tot technische ruimten voldoen aan de toegankelijkheidscriteria van de verschillende nutsbedrijven. Let hierbij op of dit de eisen betreffen, niet de wensen. 5. Toegangen tot technische ruimten veroorzaken geen onveilige situaties of overlast van onderhoudsvoertuigen op fiets- en wandelpaden.
Eis stroomvoorzieningen en ogen gevels 1. Ten behoeve van feest-, evenement- en seizoensaankleding en verlichting worden er stroomvoorzieningen en ogen aangebracht in de gevels aan winkelstraten, verbindingsstraten en de Europaweg en Azieweg. Eisen installaties en andere opbouwen op het dak 1. De ontwikkelende partij inventariseert zo vroeg mogelijk in het ontwerpproces wat de omvang van de installaties en ander opbouwen op het dak gaat worden. Denk hierbij aan liftopbouwen, klimaatinstallaties en duurzame energieopwekking. 2. Voor de goedkeuring van het voorlopig en definitief gebouwontwerp dient er een integraal dakontwerp aangeleverd te worden, waarbij alle benodigde installaties, opbouwen, etc. in beeld zijn gebracht.*
5.9.7 Vergroenen daken en gevels
Zoals in paragraaf 5.5.1 beschreven staat, wordt Centrum Schalkwijk natuurinclusief ontwikkeld. Voor platte of licht hellende daken betekent dit dat deze als natuurdak uitgevoerd worden. Voor de gevels wordt de ontwikkelaar gevraagd naar vergroeningsmogelijkheden te zoeken en nest- en rustplekken te maken voor de gewenste soortencategorieën. Voor de pakketdikten en beeldkwaliteitscriteria daken, zie paragraaf 6.3.8. Eisen daken 1. Platte en licht hellende daken worden minimaal als natuurdak uitgevoerd, ook als dit samengaat met de plaatsing van zonnepanelen, zie paragraaf 5.5.4.
* Indien na goedkeuring van het definitief
gebouwontwerp door het Q-team en de AOK nog installaties aan het dak worden toegevoegd, dan is dit grond om de vergunningsaanvraag te weigeren.
2. Daken die moeten bijdragen aan de opvang van hemelwater krijgen een dakopbouw die voldoet aan de betreffende waterbergingseisen, zie paragraaf 5.5.3. Eis gevels 1. Gevels en dakranden worden voorzien van voldoende nestkasten en rustplekken. Aantal en type nestkasten en rustplekken afstemmen op de diersoorten van de gewenste soortencategorieën. Wensen gevels 1. Daar waar mogelijk gevels minimaal voorzien van een grondgebonden groensysteem met klimmende plantsoorten passend bij de te bedienen soortencategorieën, zie paragraaf 5.5.1. 2. Integreren van bloembakken aan de balustraden van balkons en galerijen. Dit vergroot niet alleen het groene beeld, maar heeft ook een gunstig effect op verkoeling, individuele expressie en geborgenheid. Bij voorkeur bewateren met collectief bewateringssysteem gevoed vanuit de vereiste hemelwaterberging, zie paragraaf 5.5.3.
5.10 Slotbepalingen Dynamische verwijzing 1. Waar in de randvoorwaarden, eisen en wensen wordt verwezen naar wetgeving, regelgeving, beleid(sregels) of gelijk te stellen documenten waaraan moet worden voldaan, geldt dat met inbegrip van latere wijzigingen. Hardheidsclausule 2. Er kan door de gemeente gemotiveerd worden afgeweken van eisen vastgelegd in het masterplan indien een eis leidt tot gevolgen die onevenredig zijn in verhouding tot de met deze eis of ander eisen te dienen doelen.
Centrum Schalkwijk | Masterplan | 5. Randvoorwaarden, eisen en wensen
76
6. Beeldkwaliteit 6.1 Inleiding
deze trends vorm gekregen.
Dit hoofdstuk beeldkwaliteit geldt ter vervanging van de criteria die in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit zijn opgenomen voor dit welstandsgebied.
Het risico van een te eenzijdige beeldkwaliteit is dat we iets bouwen wat we nu mooi vinden, maar over dertig jaar weer gedateerd zal voelen. Een centrumgebied dat interessant blijft kent een gelaagdheid in de tijd; gebouwen worden getransformeerd, vervangen of blijven juist honderden jaren staan. De bruisende stad is altijd in ontwikkeling en loopt nooit helemaal synchroon. Het nieuwe Centrum Schalkwijk wordt dan wel in grote lijnen planmatig opgezet, toch willen we de kwaliteit van deze gelaagdheid in de gefaseerde herontwikkeling bereiken.
Verbonden, veerkrachtig, vriendelijk en verrassend – deze ambities staan centraal in fase 3 en verder. Het streven is Centrum Schalkwijk als karaktervol stadsdeelcentrum te ontwikkelen dat ruimte biedt aan uiteenlopende activiteiten en uitnodigt tot ontmoeten. Het gebied maakt zichtbaar verbinding met omliggende wijken en bouwt voort op fase 1 en 2. Maar dit voorzieningencentrum vraagt ook om extra verfijning en detail, bijvoorbeeld in de gebouwplinten en de openbare ruimte. Daarbij streven we bovenal naar een open en inspirerend gebied dat niet beantwoordt aan één esthetiek, maar ruimte biedt voor stedelijke dynamiek en diversiteit. Een plek waar iedereen zich op zijn eigen manier thuis kan voelen. Eén van de grootste uitdagingen ligt in het creëren van een centrum dat gelaagd aanvoelt. Nederland kent heel wat planmatig ontworpen winkelcentra, gebouwd op één moment en voor één functie. Vaak is de tijdsgeest duidelijk te herkennen. In de jaren ‘60 zijn veel centra volgens modernistische principes opgezet; een luw voetgangersgebied met binnenstraten en pleinen contrasteert met de buitenkant, die vooral uit achterkanten en logistiek bestaat. In de jaren ‘90 worden veel van de dan gedateerde winkelcentra aangepakt voor meer comfort, met luifels en overkappingen. Eromheen komt nog meer ruimte voor verkeer en parkeren om alle bezoekers te kunnen ontvangen.
Centrum Schalkwijk is hierop geen uitzondering en heeft precies door
Het oorspronkelijke winkelcentrum zonder overkapping.
Het beeldkwaliteitsplan geeft op bovenstaande ambities antwoord met een splitsing in twee concepten: ‘de zachte stad’ en ‘de experimentele stad’.
6.1.1 De zachte stad als solide basis
De ‘zachte stad’ is de verzamelnaam voor het gros van de gebouwen in Centrum Schalkwijk: gebouwen met een woonfunctie bovenop een voorzieningenplint. Dit betreft het merendeel van de gebouwen. De beoogde beeldkwaliteit van de zachte stad is subtiel en ‘zacht’. Door de nadruk te leggen op een architectuur met zorgvuldige detaillering en afwerking, krijgt de zachte stad een hoge beeldkwaliteit die zijn waarde over tijd zal behouden. Tegelijkertijd biedt dit beeldkwaliteitsplan vrijheid door een breed materialenpalet en ruimte voor voortschrijdend inzicht, bijvoorbeeld om te kiezen voor nieuwe (duurzame en biobased) materialen. Over de duur van de herontwikkeling kan Centrum Schalkwijk zich
Centrum Schalkwijk | Masterplan | 6. Beeldkwaliteit
Aanzicht vanaf de Europaweg, foto uit 1978.
Het winkelcentrum met overkapping, begin jaren ‘90.
77
zo differentiëren en verrijken. De zachte stad voegt zich in de context van Schalkwijk en fase 1 en 2, strevend naar een verrijking en een verzachting van de architectuur. Centrum Schalkwijk moet zich enerzijds verhouden tot het na-oorlogse stadsdeel waar het het hart van vormt, maar zich ook ontplooien als centrumgebied. Het wordt daarmee in de basis anders dan de rest van Schalkwijk. Het beeldkwaliteitsconcept van fase 1 en 2 geeft als uitgangspunt het verwijzen naar het modernisme van Schalkwijk en de Haarlemse binnenstad door het gebruik van een gevelgrid (modernisme) en baksteen (binnenstad). In fase 3 vullen we deze relatie verder aan. In Schalkwijk valt op dat in wijk verschillende korrelgroottes zichtbaar zijn; grondgebonden rijwoningen staan naast portiekflats en torens. Waar vooral de portiekflats een abstracter en rationeler gevelontwerp hebben, is bij de laagbouw juist de vorm meer zichtbaar. De baksteengevel gaat de hoek om, het gevelvlak is veel vrijer ingedeeld en de rijen liggen vaak onder hoekverdraaiingen ten opzichte van elkaar - wat goed te zien is op de straathoeken. Dit principe van schaalsprongen, waarbij de gevels van de lagere bebouwing de menselijke maat zoeken en de hogere gebouwen abstracter zijn vormgegeven, neemt dit beeldkwaliteitsplan over.
De materialisering in Schalkwijk is divers maar valt op door baksteen in verschillende tinten gecombineerd met gele, groene, witte, grijze en lichtroze accentkleuren. Hedendaagse architectuur, met uiteraard een hogere bouwkwaliteit waarbij vol wordt ingezet op mooie veroudering, kan hierop aansluiten door het materiaal en kleurenpalet op te pakken, te verrijken en in textuur en detaillering te verzachten. De relatie met de binnenstad zien we niet in baksteen alleen, maar vooral in hoe het gebied wordt gebruikt; als centrum. Omdat men in een
centrumgebied vertraagt en veel detail ervaart is een goed ontworpen en visueel rijke plint van groot belang. De korrelmaat van het pand is eigen aan centrumgebieden en is ook beeldbepalend in fase 3 en verder, al wordt er nadrukkelijk niet historiserend of te kleinschalig ontworpen. De gebouwmaat is eerlijk en past bij zijn programma. Als laatste wordt, net als in een binnenstad, contextafhankelijk ontworpen. Gebouwen zijn niet alleen vormgegeven vanuit de logica achter de gevel, maar reageren op hun plaatsing en oriëntatie in het gebied. Gebouwen staan echt in verbinding met de straat of het plein waar ze aan staan en maken gezamenlijk de stedelijke ruimte.
6.1.2 De tijd verbeeld in de experimentele stad
De ‘experimentele stad’ is de naam voor een verzameling gebouwen die zich in functie, aansluiting op de openbare ruimte en architectuurtaal onderscheiden van de ‘zachte stad’. De gebouwen van de experimentele stad hebben uiteenlopende sociaalmaatschappelijke en commerciële functies, maar kenmerken zich door een brede publieksfunctie. Als ankerpunten in het stedelijk weefsel en door hun centrale positie aan de grotere openbare ruimtes, fungeren ze als herkennings- en oriëntatiepunten. Hun architectuurtaal zoekt bewust het contrast met de omliggende gebouwen; ze brengen verfrissing en verrassing; ze geven lucht aan de zachte stad. In de experimentele stad wordt naar verschillende tijdslagen gezocht. Dat kan door: • Het experimenteren met het verwerken en vertalen van het bestaande, zoals door het zichtbaar hergebruiken van materialen en constructie of door te spelen met toevalligheden die ontstaan wanneer de oude en gewenste situatie over elkaar worden gelegd. • Het neerzetten van een monumentaal gebouw of monumentale drager én het experimenteren met adaptatie in de toekomst. Delen van het gebouw kunnen vervangbaar of aanpasbaar worden
Centrum Schalkwijk | Masterplan | 6. Beeldkwaliteit
Ontwerpen voor tijdslagen in de beeldkwaliteit
+
De zachte stad
De experimentele stad
• Beeldkwaliteit zelf is subtiel en ‘zacht’; gefocust op goede detaillering en afwerking (tijdloosheid)
• Hergebruik en het gebruiken van het bestaande: spelen met toevalligheden en verrassingen door creatief gebruik van ‘oudere’ tijdslagen (identiteitsdragers)
• Er wordt vrijheid geboden voor het gebruik van diverse materialen binnen een palet, waardoor de beeldkwaliteit zich tijdens de bouwtijd kan ontwikkelen.
• Een gebouw of gebouwdeel met een kortere levensduur is zichtbaar adaptief of (deels) demontabel. • Een gebouw of gebouwdeel met een lange levensduur is juist zo bijzonder dat deze ‘monumentaal’ is, en zo de tijd stil laat staan.
Schaalsprongen in Schalkwijk.
78
gemaakt en later worden getransformeerd, terwijl de gebouwen toch hun identiteit behouden. De experimentele stad kent een grote ontwerpvrijheid, maar gebeurt wel in nauw overleg met de supervisor en zijn Q-team.
6.1.3 Leeswijzer en status
Dit hoofdstuk geeft eerst de algemene beeldkwaliteitscriteria geldend voor alle gebouwen in Centrum Schalkwijk fase 3 en verder. Daarna worden in paragraaf 6.3 de criteria voor de zachte stad beschreven. Paragraaf 6.4 geeft de criteria voor de experimentele stad. Dit hoofdstuk eindigt met een eerste aanzet voor de beoogde beeldkwaliteit van de openbare ruimte. Dit wordt verder uitgewerkt in het ontwerp van de openbare ruimte. De criteria in dit hoofdstuk zijn beeldkwaliteitseisen waar de ontwerpen aan moeten voldoen. Afwijken van een criterium kan alleen als er een gelijkwaardige oplossing voor gevonden wordt of dat het om goed onderbouwde redenen niet mogelijk is om eraan te voldoen. De criteria in dit hoofdstuk moeten altijd samen met de randvoorwaarden, eisen en wensen uit hoofdstuk 5 worden toegepast. Toetsing of een ontwerp aan de relevante kaders en criteria voldoet wordt in eerste instantie door de supervisor met zijn Q-team gedaan, zie paragraaf 1.6. Bij aanvraag omgevingsvergunning gebruikt de Adviescommissie Omgevingskwaliteit (AOK) de criteria voor het uiteindelijke welstandsadvies. Zie voor het planproces paragraaf 7.5.
*
Functieafhankelijk: In het geval dat op deze locatie een IKC of hotel wordt gerealiseerd (zie paragraaf 3.5), dan worden dit gebouwen met een meer openbaar karakter behorend tot de experimentele stad. Bij (voornamelijk) woonprogramma voegen de gebouwen zich in de zachte stad.
* * Gebouwen behorend tot de zachte stad
* * Gebouwen behorend tot de experimentele stad
Centrum Schalkwijk | Masterplan | 6. Beeldkwaliteit
79
6.2 Algemene criteria Voor de gebouwen van de zachte stad en de experimentele stad gelden verschillende specifieke beeldkwaliteitscriteria. Desalniettemin wordt over het gehele plan gestreefd naar een kwalitatieve basis; een architectuur die bestendig is, mooi veroudert en waarin eventueel verstorende elementen zoals techniek en reclame integraal zijn mee-ontworpen. Onderstaande criteria gelden daarom voor het hele plangebied.
6.2.1 Hoogwaardige materialisering en detaillering
Voor alle gebouwen geldt dat de materialisering en detaillering hoogwaardig is. Gebouwen verouderen mooi. Vervuiling en verkleuring wordt door kwalitatieve materiaalkeuze en goed ontwerp voorkomen. Criteria 1. Kwetsbare materialen of kleuren die gevoelig zijn voor vernielingen of graffiti niet toepassen op plekken bereikbaar vanaf de openbare of collectieve ruimte. 2. Alleen materialen toepassen die kleurvast zijn en weersinvloeden zoals UV-straling van de zon, goed doorstaan. 3. Alleen materialen en detaillering toepassen die bijdragen dat de gebouwen op een mooie manier verouderen. Materialen die dit niet in zich hebben, bijvoorbeeld beton en kunststoffen zoals pvc, worden niet toegepast of aan het zicht onttrokken door materialen die wel mooi verouderen. 4. Beton in de gevel wordt alleen als accent gebruikt, tenzij architectonisch beton wordt toegepast waar vuil minimaal aan hecht en de hoge onderhoudseisen kunnen worden geborgd zodat ook het beton mooi veroudert. 5. Het gebruik van duurzame en bio-based materialen wordt toegejuicht. Hout in de gevel wordt echter alleen toegepast met een afwerking
die mooi veroudert. Ongelijke verwering van hout wordt vermeden.
6.2.2 Techniek
Technische ruimtes en installaties zijn integraal meeontworpen met de architectuur en zijn zo weggewerkt dat deze het beeld zo min mogelijk verstoren. Criteria trafo- en WKO-ruimtes 1. Technische ruimten voor trafo's, WKO-installaties, etc., worden in de gebouwen geplaatst en zo veel mogelijk aan het zicht vanaf de openbare ruimte onttrokken. Eerst wordt onderzocht of ze binnen de blokken geplaatst kunnen worden, bijvoorbeeld aan een interne loading-dock of parkeergarage. Als dit niet mogelijk is, belanden ze aan de 'luwe zijde' van het gebouw, de gevelzijde met de minste voetgangersstromen en buiten lange zichtlijnen. Er liggen niet meer dan twee technische ruimtes op een rij. Wanneer de trafo- of WKO-ruimte in de gevel terechtkomt, vormt deze een integraal onderdeel van de gevelarchitectuur. 2. In de functieplattegrond in paragraaf 3.5 is een indicatie gegeven van de posities. In de ontwerpfase zal met het Q-team de definitieve posities in de gebouwen worden bepaald, nadat alle noodzakelijke ruimten zijn geïnventariseerd. 3. De toegangsdeuren worden mee-ontworpen en zijn tussen de gebouwen in het gehele gebied op elkaar afgestemd. 4. Het groen in het openbare gebied draagt zo mogelijk bij aan het zicht onttrekken van de trafo in het gevelbeeld. Criteria installaties en daken 1. Het dak wordt gezien als vijfde gevel en is integraal onderdeel van het gebouwontwerp. 2.
Benodigde installaties moeten bekend zijn bij het voorlopig ontwerp middels een installatieplan. In nauw overleg met de architect en installateur maakt de landschapsarchitect het dakontwerp. 3. Klimaat- en glazenwasinstallaties dienen op niet
Centrum Schalkwijk | Masterplan | 6. Beeldkwaliteit
Beton wordt aan het zicht onttrokken door materialen die wel mooi verouderen.
Trafo’s worden in de gebouwen geplaatst en waar mogelijk ook inpandig ontsloten, bijvoorbeeld bij parkeergarages.
Toegangen tot technische ruimtes zijn beperkt in omvang en worden meegenomen in het gevelontwerp.
80
zicht-locaties te worden opgesteld. 4. Installaties van winkels, diensten en horeca zijn geintegreerd in de architectuur in een passende kleur en zijn niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte. Geluidsoverlast naar bovenliggende woningen wordt zoveel mogelijk beperkt. 5. De positionering, materialisering en kleur van roosters in de gevel vormen onderdeel van de architectuur. 6. Voor de regels omtrent installaties, zonnepanelen en ventilatie specifiek voor collectieve daktuinen, pand- en torendaken, zie 6.3.8. Criteria hemelwaterafvoer 1. HWA’s zijn niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte, maar worden binnen de buitengevel opgelost. Ter plaatse van de (architectonische) plint betekent dit dat ze weggewerkt worden in de spouw. Voor de rest van de gevels die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, betekent dit dat ze in ieder geval integraal onderdeel zijn van de architectonische uitwerking (geen zichtbaar pvc, ingekast in het metselwerk met aansluitende kleurstelling, etc.) 2. Een kwalitatieve detaillering is vereist in de overgangen naar de hemelwaterafvoer (dak, balkon, galerij etc). Bochten zijn niet zichtbaar.
6.2.3 Reclame en gebouwnamen
Voor het reclamebeleid worden de principes van fase 1 en 2 doorgezet. Het uitgangspunt hierbij is dat er rust, eenheid en kwaliteit ontstaat. Criteria reclame, bedrijfsnamen en logo’s 1. Gevels en omgeving worden nooit door reclameuitingen gedomineerd; ze dienen ondergeschikt aan en geïntegreerd in de architectuur van de gebouwen te zijn. 2. Reclame-uitingen mogen alleen geplaatst mogen in ‘reclamezones’ die in de puien mee-ontworpen zijn en als zodanig zichtbaar zijn. Deze zones ligt altijd hoger dan 3m en zijn zelf niet hoger dan
75cm. De reclamezone is zo breed als de pui van de betreffende voorziening. Buiten deze zones, bijvoorbeeld aan balkons of op borstweringen van bovenliggende woningen, zijn reclame-uitingen niet toegestaan. De reclamezone wordt per pand vastgelegd in het gevelontwerp. 3. Transparantie van de plint is essentieel. Gevels en ramen mogen niet worden beplakt. 4. Opbouw-(licht)bakken die buiten de gevel steken, evenals vlaggen, banieren en opgespannen doek in frame en plakkaten zijn niet toegestaan. 5. De vorm, kleur en afmeting van de reclame moet passen bij het uiterlijk van het gebouw en niet ontsierend zijn in het straat- of pleinbeeld. 6. De reclame-uiting heeft een eigen kwaliteit qua vormgeving, typografie, kleurstelling, lay-out en materiaalgebruik. 7. Verlichting van reclame-uitingen is toegestaan, maar mag geen hinder voor omliggende woningen opleveren. Dus geen verlichting naar boven of aan de zijkanten van de reclame-uiting. Leidingen voor elektriciteit en dergelijken, zijn volledig geïntegreerd en uit het zicht. 8. De reclame-uiting dient te worden goedgekeurd door de supervisor en de AOK. Criteria gebouwnamen 1. Overige uitingen beperken zich in principe tot de naamgeving van het gebouw. 2. De uiting is passend in de architectuur en er worden losse letters gebruikt. 3.
De plaatsing en grootte van gebouwnamen en huisnummers van woongebouwen is gekoppeld aan de woonentree. 4. In de gebouwen binnen ‘de experimentele stad’ mogen gebouwnamen of de naam van het publieke programma (bijv. het verscluster of cultuurpodium) meer expliciet naar voren komen met een bijzondere vormgeving. Zie hiervoor paragraaf 6.4.
Reclamebeleid: fase 1 dient als uitgangpunt.
Reclame-uitingen zijn ondergeschikt aan en geïntegreerd in de architectuur van de gebouwen.
Vormgeving gebouwnamen is passend in de architectuur en er worden losse letters gebruikt.
Centrum Schalkwijk | Masterplan | 6. Beeldkwaliteit
81
6.3 De zachte stad
Randen grote korrel
6.3.1 Vorm, volume en differentiatie
Middengebied middelgrote korrel
Woonhoven kleine korrel
De ‘zachte stad’ bestaat uit samengestelde bouwblokken opgebouwd uit panden, torens en stadswoningen. Het principe en de maatvoering hiervan wordt geintroduceerd in paragraaf 3.3. Onderstaande beeldkwaliteitscriteria bouwen hierop voort. De korrelgrootten sluiten aan op de ontwerpkeuzes, stedenbouwkundige opbouw, basisprincipes en structuur van de openbare ruimte.
Panden
Panden hebben een eigen afleesbare architectuur, organisatie en structuur. De panden geven een gedifferentieerd gevelbeeld aan de straat, binnen het palet van de zachte stad. Panden zijn zichtbaar meer dan een ‘gevel’; namelijk een gebouw met constructieve en organisatorische eenheid.
torens
Criteria 1. De stadspanden hebben een breedte tussen 16 en 32m. In de regel liggen aan de randen van het plan (Europaweg, Aziëweg en de kade) bredere panden, en in de binnenwereld (binnenstraten) smallere. 2. De hoogte van een pand mag maximaal 1,5 keer de breedte zijn en de breedte maximaal 2 keer de hoogte. Naastgelegen panden zijn in verhouding met elkaar en verspringen niet plots extreem in schaal en maat. 3. Tussen de panden verspringt de bouwhoogte. Wanneer de hoogte van het pand in lagen gelijk is met het naastgelegen pand wordt in de gevelbeëindiging een verschil in hoogte gemaakt dat op ooghoogte te ervaren is. 4. Panden zijn aan de randen van het gebied maximaal 7 lagen hoog en in het binnengebied maximaal 6 lagen. De hoogte van panden verspringt en is niet overal maximaal, zodat er licht en lucht in de straten van het binnengebied kan komen. 5. Buurpanden moeten subtiel maar zichtbaar in plinthoogten van elkaar verschillen waardoor ook de bovengelegen lagen van elkaar gaan verschillen. Panden aan de rand
torens
panden
stadswoningen
Differentiatie tussen panden is zichtbaar, maar niet overheersend.
Schaalsprongen - groot, middel en klein in één beeld.
Panden in het binnengebied
max. 1,5xb
h b
panden
max. 2xh
Aan de randen zijn panden gemiddeld 5-7 lagen hoog met een maximale breedte van 32m. De daklijn verspringt per pand.
max. 1,5xb
h b
max. 2xh
Panden in het binnengebied zijn met gemiddeld 4-6 lagen iets lager en zijn smaller dan de panden aan de rand.
Verschil tussen plint en gebouw is ondergeschikt. Hogere panden met verspringende daklijn.
Centrum Schalkwijk | Masterplan | 6. Beeldkwaliteit
82
Dit om te voorkomen dat balkons en kozijnen allemaal op één hoogte komen te liggen. 6. Panden hebben een eenlaagse setback van minimaal 2m op de vijfde, zesde of zevende bouwlaag. 7. De panden aan de stadsranden hebben elk een eigen afleesbare woningbouwentree en ontsluiting. In de binnenstraten, waar panden kleiner zijn en een flexibele indeling op de begane grond belangrijk is, is een woningentree per twee panden toegestaan, zie ook paragraaf 5.9.3. 8. Er is een zichtbare differentiatie tussen de panden onderling in ritmiek, structuur en materialisering. De volledige uitdrukking van de zachte stad, en ook van de panden, blijft echter zacht en subtiel. Er worden geen grote contrasten gezocht. De differentiatie tussen de panden onderling is ondergeschikt aan de verschillen tussen de zachte stad en de experimentele stad. 9. De geleding van de gevel reageert op de context en is ontworpen vanuit de ervaring vanaf de straat. De gevel van panden is niet een strak ‘grid’, maar zoekt meer vrijheid. De indeling van de gevel past de vorm van het pand en diens ligging in het stedelijk weefsel, zeker wanneer deze op een hoek ligt.
Knikken in de straat blijven zichtbaar in het gebouw. Eénlaagse setback.
Torens
Torens zijn wat betreft architectuur en materialisering één herkenbaar element, ‘landen’ op de grond en zijn onderdeel van de straat. Tegelijkertijd krijgen ze menselijke maat en schaal met een verbijzonderde plint en setbacks aan meerdere zijden. Criteria 1. Torens landen aan de straat waarbij de architectuur van de toren zichtbaar is in de plint. De toren is leesbaar als helder element aan de straat en bevindt zich niet ‘ergens achter’. 2. De architectuurdifferentiatie tussen de verschillende delen van de toren is ondergeschikt aan die tussen de verschillende panden en de toren. De toren is een geheel, en niet een opstapeling van architectonische eenheden. 3. Setbacks worden gebruikt om de hoge torenwand niet te koud te laten landen aan de straat. Er zijn één tot drie setbacks per gebouw, aan verschillende zijden. Setbacks zijn nooit symmetrisch maar liggen op verschillende verdiepingshoogtes, om het gevoel van de toren als verticale eenheid te behouden. 4. Aan een plein of aan de rand van het gebied kan een zijde ook zonder setback landen aan de straat, wanneer dit het ensemble in vormuitdrukking versterkt; mits het niet tot verslechtering van het windklimaat op maaiveld leidt. 5. Setbacks liggen op dezelfde hoogte als setbacks van de panden, namelijk op de zesde of zevende bouwlaag.