CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

7. Bijlage 6: Toelichting Ontwerp Waterschapsverordening 2023

commissie Beheer 6 april 2023, gemeente HaarlemBij agendapunt: Instemmen met de gemeentelijke zienswijze op de Waterschapsverordening van het hoogheemraadschap van Rijnland45.496 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Toelichting op artikel 11.5: Geen te grote stijging van het waterpeil Een te grote stijging van het waterpeil kan gaan zorgen voor wateroverlast.

Toelichting op paragraaf 11.2.3: Voorschriften in de vergunning Toelichting op artikel 11.6: Voorschriften in de vergunning In de vergunning komen voorschriften die ervoor zorgen dat het watersysteem goed kan blijven werken. Plaats en afmetingen Het is belangrijk dat de initiatiefnemer alles maakt zoals dat in de vergunningaanvraag staat. Bij het beoordelen van de aanvraag gaat Rijnland namelijk uit van de plaats waar de neerslag in het oppervlaktewater komt. Er kan wateroverlast ontstaan als de initiatiefnemer het lozingspunt op een andere plaats maakt. Omvang en locatie waterberging De plaats waar de initiatiefnemer de waterberging maakt is belangrijk. In de vergunning staat daarom waar de waterberging moet worden gemaakt en hoe groot deze minimaal moet zijn. Uitvoering Hoe een initiatiefnemer de activiteiten uitvoert is ook belangrijk. In de vergunning staan daarom eisen over de uitvoering van de activiteiten. Belangrijk is dat de waterberging voor of gelijk met het verwijderen wordt gemaakt. Anders ontstaat er tijdelijk minder berging in het watersysteem. En dat kan zorgen voor lokale wateroverlast.

Toelichting op hoofdstuk 12: Onttrekken, retourneren en infiltreren van grondwater Toelichting op afdeling 12.1: Algemeen Toelichting op artikel 12.1: Activiteiten met grondwater Het onttrekken, retourneren of infiltreren van grondwater kan gevolgen hebben voor de omgeving. Hoe groot de gevolgen zijn, hangt af van het gebied waar de initiatiefnemer de activiteit uitvoert. Rijnland heeft drie soorten gebieden: grondwaterbeschermingsgebieden of waterwingebieden; gebieden die kwetsbaar zijn voor grondwateronttrekkingen; gebieden waar het onttrekken van grondwater zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen. In deze gebieden gelden verschillende regels. Daarover gaat dit hoofdstuk. Of een vergunning nodig is hangt af van de hoeveelheid water waarmee wordt gewerkt, hoe lang de activiteit duurt en in welk gebied de activiteit uitgevoerd wordt.

Toelichting op afdeling 12.2: Vergunning Toelichting op paragraaf 12.2.1: Wanneer is een vergunning nodig Toelichting op subparagraaf 12.2.1.1: Gevolgen bij een waterkering Toelichting op artikel 12.2: Grondwater onttrekken, retourneren of infiltreren bij een waterkering Grondwater is al het water wat in de bodem aanwezig is. Freatisch grondwater is de bovenste laag van het grondwater. Deze laag kom je het eerst tegen als je graaft.

De grondwaterstand of het grondwaterpeil, is het peil van het water dat in de bodem zit. Het is de hoogte van het grondwater ten opzichte van een bepaald punt, meestal het maaiveld. Grondwater onttrekken, retourneren of infiltreren in de buurt van een waterkering kan invloed hebben op de freatische grondwaterstand. Dit kan grote negatieve gevolgen hebben voor de stabiliteit van de waterkering. De waterkering moet stabiel en stevig blijven. Of er een risico is hangt af van bijvoorbeeld: de afstand tussen de activiteit en de waterkering; de hoeveelheid water waar mee wordt gewerkt; hoe de kering er uit ziet. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico voor de waterkering.

Toelichting op subparagraaf 12.2.1.2: Grondwater onttrekken voor planten of vee Toelichting op subsubparagraaf 12.2.1.2.1: Algemeen Toelichting op artikel 12.3: Grondwater onttrekken voor planten of vee Soms gebruikt een initiatiefnemer grondwater voor zijn planten of als drinkwater voor zijn vee. Dit gebeurt vaak in droge periodes. Het is dan een tijdelijke maatregel. Door die droogte kan er op meerdere plekken te weinig water zijn. Rijnland wil dat het grondwater dan op een slimme manier wordt gebruikt. Daarom zijn hier regels voor.

Toelichting op subsubparagraaf 12.2.1.2.2: In een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied Toelichting op artikel 12.4: Meer dan 5 m³ per uur onttrekken In deze gebieden kan het onttrekken van meer dan 5 m³ grondwater per uur een risico zijn. Dit kan bijvoorbeeld invloed hebben op de zoetwatervoorraad in een gebied. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico. Toelichting op artikel 12.5: Meer dan 2.500 m³ per maand onttrekken In deze gebieden kan het onttrekken van meer dan 2500 m³ grondwater per maand een risico zijn. Dit kan bijvoorbeeld invloed hebben op de zoetwatervoorraad in een gebied. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico. Toelichting op artikel 12.6: Meer dan 12.000 m³ per jaar onttrekken In deze gebieden kan het onttrekken van meer dan 12.000 m³ grondwater per jaar een risico zijn. Dit kan bijvoorbeeld invloed hebben op de zoetwatervoorraad in een gebied. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico.

Toelichting op subparagraaf 12.2.1.2.3: In een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen Toelichting op artikel 12.7: Meer dan 5 m³ per uur onttrekken In deze gebieden kan het onttrekken van meer dan 5 m³ grondwater per uur een risico zijn. Bijvoorbeeld schade aan kwetsbare gebouwen of kwetsbare natuur. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico. Toelichting op artikel 12.8: Meer dan 2.500 m³ per maand onttrekken In deze gebieden kan het onttrekken van meer dan 2.500 m³ grondwater per maand een risico zijn. Bijvoorbeeld schade aan kwetsbare gebouwen of kwetsbare natuur. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het

risico. Toelichting op artikel 12.9: Meer dan 12.000 m³ per jaar onttrekken In deze gebieden kan het onttrekken van meer dan 12.000 m³ grondwater per jaar een risico zijn. Bijvoorbeeld schade aan kwetsbare gebouwen of kwetsbare natuur. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico.

Toelichting op subsubparagraaf 12.2.1.2.4: In een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen Toelichting op artikel 12.10: Meer dan 10 m³ per uur onttrekken In deze gebieden kan het onttrekken van meer dan 10 m³ grondwater per uur een risico zijn. Bijvoorbeeld schade aan gebouwen of natuur. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico. Toelichting op artikel 12.11: Meer dan 5.000 m³ per maand onttrekken In deze gebieden kan het onttrekken van meer dan 5.000 m³ grondwater per maand een risico zijn. Bijvoorbeeld schade aan gebouwen of natuur. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico. Toelichting op artikel 12.12: Meer dan 12.000 m³ per jaar onttrekken In deze gebieden kan het onttrekken van meer dan 12.000 m³ grondwater per jaar een risico zijn. Bijvoorbeeld schade aan gebouwen of natuur. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico.

Toelichting op subparagraaf 12.2.1.3: Grondwater saneren Toelichting op subsubparagraaf 12.2.1.3.1: Algemeen Toelichting op artikel 12.13: Grondwater saneren Bij een grondwatersanering wordt vervuild grondwater uit de bodem gehaald en schoon gemaakt. Vaak wordt gedurende een lange tijd veel grondwater onttrokken en geretourneerd. Omdat dit in een langzaam tempo gebeurt, zijn de gevolgen voor de omgeving vaak klein.

Toelichting op subsubparagraaf 12.2.1.3.2: In een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied Toelichting op artikel 12.14: Langer dan zes maanden onttrekken Bij een grondwatersanering wordt vervuild grondwater uit de bodem gehaald en schoon gemaakt. In een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied kan het langer dan zes maanden onttrekken van grondwater een risico zijn. Dit kan bijvoorbeeld invloed hebben op de zoetwatervoorraad in een gebied. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico. Toelichting op artikel 12.15: Meer dan 10 m³ per uur onttrekken Bij een grondwatersanering wordt vervuild grondwater uit de bodem gehaald en schoon gemaakt. In een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied kan het onttrekken van meer dan 10 m³ grondwater per uur een risico zijn. Dit kan bijvoorbeeld invloed hebben op de zoetwatervoorraad in een gebied. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico. Toelichting op artikel 12.16: Meer dan 5.000 m³ per maand onttrekken Bij een grondwatersanering wordt vervuild grondwater uit de bodem gehaald en schoon gemaakt. In een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied kan het onttrekken van meer dan 5.000 m³ grondwater per maand

een risico zijn. Dit kan bijvoorbeeld invloed hebben op de zoetwatervoorraad in een gebied. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico. Toelichting op artikel 12.17: Meer dan 20.000 m³ per jaar onttrekken Bij een grondwatersanering wordt vervuild grondwater uit de bodem gehaald en schoon gemaakt. In een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied kan het onttrekken van meer dan 20.000 m³ grondwater per jaar een risico zijn. Dit kan bijvoorbeeld invloed hebben op de zoetwatervoorraad in een gebied. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico.

Toelichting op subsubparagraaf 12.2.1.3.3: In een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen Toelichting op artikel 12.18: Langer dan vier jaar onttrekken Bij een grondwatersanering wordt vervuild grondwater uit de bodem gehaald en schoon gemaakt. In een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen kan het langer dan vier jaar onttrekken van grondwater een risico zijn. Bijvoorbeeld schade aan kwetsbare gebouwen of kwetsbare natuur. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico. Toelichting op artikel 12.19: Meer dan 15 m³ per uur onttrekken Bij een grondwatersanering wordt vervuild grondwater uit de bodem gehaald en schoon gemaakt. In een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen kan het onttrekken van meer dan 15 m³ grondwater per uur een risico zijn. Bijvoorbeeld schade aan kwetsbare gebouwen of kwetsbare natuur. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico. Toelichting op artikel 12.20: Meer dan 10.000 m³ per maand onttrekken Bij een grondwatersanering wordt vervuild grondwater uit de bodem gehaald en schoon gemaakt. In een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen kan het onttrekken van meer dan 10.000 m³ grondwater per maand een risico zijn. Bijvoorbeeld schade aan kwetsbare gebouwen of kwetsbare natuur. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico.

Toelichting op artikel 12.21: Meer dan 200.000 m³ per jaar onttrekken Bij een grondwatersanering wordt vervuild grondwater uit de bodem gehaald en schoon gemaakt. In een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen kan het onttrekken van meer dan 200.000 m³ grondwater per jaar een risico zijn. Bijvoorbeeld schade aan kwetsbare gebouwen of kwetsbare natuur. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico.

Toelichting op subsubparagraaf 12.2.1.3.4: In een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen Toelichting op artikel 12.22: Langer dan vier jaar onttrekken Bij een grondwatersanering wordt vervuild grondwater uit de bodem gehaald en schoon gemaakt. In een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen kan het langer dan vier jaar onttrekken van grondwater een risico zijn. Bijvoorbeeld schade aan gebouwen of natuur. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico. Toelichting op artikel 12.23: Meer dan 25 m³ per uur onttrekken Bij een grondwatersanering wordt vervuild grondwater uit de bodem gehaald en schoon gemaakt. In een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen kan het onttrekken van meer dan 25 m³ grondwater per uur een risico zijn. Bijvoorbeeld schade aan gebouwen of natuur. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico.

Toelichting op artikel 12.24: Meer dan 15.000 m³ per maand onttrekken Bij een grondwatersanering wordt vervuild grondwater uit de bodem gehaald en schoon gemaakt. In een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen kan het onttrekken van meer dan 15.000 m³ grondwater per maand een risico zijn. Bijvoorbeeld schade aan gebouwen of natuur. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico. Toelichting op artikel 12.25: Meer dan 300.000 m³ per jaar onttrekken Bij een grondwatersanering wordt vervuild grondwater uit de bodem gehaald en schoon gemaakt. In een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen kan het onttrekken van meer dan 300.000 m³ grondwater per jaar een risico zijn. Bijvoorbeeld schade aan gebouwen of natuur. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico.

Toelichting op subparagraaf 12.2.1.4: Grondwater onttrekken of infiltreren voor een andere reden Toelichting op subsubparagraaf 12.2.1.4.1: Algemeen Toelichting op artikel 12.26: Grondwater onttrekken of infiltreren voor een andere reden In subparagraaf 12.2.1.2 en subparagraaf 12.2.1.3 zijn regels opgenomen over het onttrekken en retourneren van grondwater om aan planten of vee te geven of een grondwatersanering uit te voeren. In deze subparagraaf zijn regels opgenomen over het onttrekken en infiltreren van grondwater voor andere redenen. Een andere reden is bijvoorbeeld het drooghouden van een bouwput, kabelsleuf of leidingsleuf.

Toelichting op subsubparagraaf 12.2.1.4.2: In een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied Toelichting op artikel 12.28: Langer dan zes maanden onttrekken of infiltreren In een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied kan het langer dan zes maanden onttrekken of infiltreren van grondwater een risico zijn. Dit kan bijvoorbeeld invloed hebben op de zoetwatervoorraad in een gebied. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico. Toelichting op artikel 12.29: Meer dan 10 m³ per uur onttrekken of infiltreren In een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied kan het onttrekken of infiltreren van meer dan 10 m³ grondwater per uur een risico zijn. Dit kan bijvoorbeeld invloed hebben op de zoetwatervoorraad in een gebied. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico. Toelichting op artikel 12.30: Meer dan 5.000 m³ per maand onttrekken of infiltreren In een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied kan het onttrekken of infiltreren van meer dan 5.000 m³ grondwater per maand een risico zijn. Dit kan bijvoorbeeld invloed hebben op de zoetwatervoorraad in een gebied. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico.

Toelichting op artikel 12.31: Meer dan 20.000 m³ per jaar onttrekken of infiltreren In een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied kan het onttrekken of infiltreren van meer dan 20.000 m³ grondwater per jaar een risico zijn. Dit kan bijvoorbeeld invloed hebben op de zoetwatervoorraad in een gebied. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico.

Toelichting op subparagraaf 12.2.1.4.3: In een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen

Toelichting op artikel 12.32: Langer dan zes maanden onttrekken of infiltreren In een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen kan het langer dan zes maanden onttrekken of infiltreren van grondwater een risico zijn. Dit kan bijvoorbeeld invloed hebben op kwetsbare bebouwing of kwetsbare natuur. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico. Toelichting op artikel 12.33: Meer dan 35 m³ per uur onttrekken of infiltreren In een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen kan het onttrekken of infiltreren van meer dan 35 m³ grondwater per uur een risico zijn. Dit kan bijvoorbeeld invloed hebben op kwetsbare bebouwing of kwetsbare natuur. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico. Toelichting op artikel 12.34: Meer dan 10.000 m³ per maand onttrekken of infiltreren In een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen kan het onttrekken of infiltreren van meer dan 10.000 m³ grondwater per maand een risico zijn. Dit kan bijvoorbeeld invloed hebben op kwetsbare bebouwing of kwetsbare natuur. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico. Toelichting op artikel 12.35: Meer dan 30.000 m³ per jaar onttrekken of infiltreren In een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen kan het onttrekken of infiltreren van meer dan 30.000 m³ grondwater per jaar een risico zijn.

Dit kan bijvoorbeeld invloed hebben op kwetsbare bebouwing of kwetsbare natuur. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico.

Toelichting op subsubparagraaf 12.2.1.4.4: In een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen Toelichting op artikel 12.36: Langer dan zes maanden onttrekken of infiltreren In een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen kan het langer dan zes maanden onttrekken of infiltreren van grondwater een risico zijn. Dit kan bijvoorbeeld invloed hebben op bebouwing of natuur. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico. Toelichting op artikel 12.37: Meer dan 100 m³ per uur onttrekken of infiltreren In een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen kan het onttrekken of infiltreren van meer dan 100 m³ grondwater per uur een risico zijn. Dit kan bijvoorbeeld invloed hebben op bebouwing of natuur. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico. Toelichting op artikel 12.38: Meer dan 40.000 m³ per maand onttrekken of infiltreren In een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen kan het onttrekken of infiltreren van meer dan 40.000 m³ grondwater per maand een risico zijn. Dit kan bijvoorbeeld invloed hebben op bebouwing of natuur. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico.

Toelichting op artikel 12.39: Meer dan 100.000 m³ per jaar onttrekken of infiltreren In een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen kan het onttrekken of infiltreren van meer dan 100.000 m³ grondwater per jaar een risico zijn. Dit kan bijvoorbeeld invloed hebben op bebouwing of natuur. Bij het verlenen van een vergunning beoordeelt Rijnland het risico.

Toelichting op paragraaf 12.2.2: Beoordelen van de vergunningaanvraag Toelichting op artikel 12.41: Zo min mogelijk water onttrekken Als een initiatiefnemer zo min mogelijk grondwater onttrekt, dan blijft de invloed op de omgeving ook zo klein als mogelijk. Hoeveel water kan of moet worden onttrokken is elke keer anders. Dat hangt af van de omgeving en het doel

van de onttrekking. Toelichting op artikel 12.42: De voorraad zoet grondwater beschermen De voorraad zoet grondwater in de bodem is belangrijk voor: het in stand houden van de natuur; de drinkwatervoorziening, voedselproductie en andere industrie. Daarom is het belangrijk dat niet al het zoete grondwater uit de bodem wordt onttrokken. Toelichting op artikel 12.43: Negatieve gevolgen voorkomen Negatieve gevolgen Rijnland beoordeelt een vergunningaanvraag op mogelijke negatieve gevolgen. We verlenen geen vergunning als: een onttrekking of infiltratie zorgt voor wateroverlast of waterschaarste. één of meer van deze onderwerpen belangrijker zijn: 1º. het beschermen en het verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van het grondwater; 2º. de maatschappelijke functies van het grondwater; 3º. de kosten, de sociaaleconomische gevolgen, de effecten op het milieu, de volksgezondheid en de natuur. Rijnland kijkt ook naar de doelstellingen van de grondwaterrichtlijn van de Kader Richtlijn Water. Hierin staat dat een onttrekking of infiltratie niet mag zorgen voor het slechter worden van: de kwaliteit van het grondwater; de kwaliteit van de bodem; * de ecologische situatie in de bodem. Dit beoordelen we zo: Onttrekken of infiltreren mag alleen als het risico van het verspreiden van een verontreiniging die in de bodem zit niet te groot wordt.

Infiltreren van hemelwater mag alleen als de kwaliteit van het grondwater niet slechter wordt. Maatregelen Een initiatiefnemer neemt maatregelen om negatieve gevolgen voor de bodem of het grondwater te voorkomen of kleiner te maken. Bijvoorbeeld deze maatregelen: Minder grondwater onttrekken door bijvoorbeeld: werken binnen damwanden, werken in den natte, onderwaterbeton gebruiken, de bodem injecteren. Dit zijn de civieltechnische of geohydrologische maatregelen. Grondwater retourneren om zo het grondwaterpeil zo min mogelijk te verlagen; Grondwater op zo’n manier onttrekken dat de gevolgen zo klein mogelijk zijn. Bijvoorbeeld door het grondwaterpeil omhoog te laten komen als er niet wordt gewerkt; Constructies maken die de fundering vervangen of ondersteunen; De natuur beregenen; Isolatie van bodemverontreiniging met schermen; Infiltratie met hemelwater om dit water daarna weer te onttrekken. In bijzondere situaties kan een schaderegeling ook een maatregel zijn. Maar eerst moet een initiatiefnemer kijken of negatieve gevolgen kunnen worden voorkomen.

Rijnland verleent geen vergunning als onttrekken of infiltreren een verontreiniging van de bodem of het grondwater veroorzaakt. Het maakt niet uit of de verontreiniging al aanwezig is, of dat het een gevolg is van de onttrekking of infiltratie. Toelichting op artikel 12.45: Grondwater gebruiken voor laagwaardige doelen Een laagwaardig gebruik is bijvoorbeeld grondwater gebruiken als koelwater of proceswater. Een initiatiefnemer onderzoekt eerst of het laagwaardig gebruik op een andere manier kan worden bereikt, dus zonder grondwater te onttrekken. Rijnland staat het onttrekken van grondwater alleen toe als blijkt dat een andere manier van werken veel duurder is of minder duurzaam. Toelichting op artikel 12.46: Strategische voorraad zoet grondwater beschermen De provincie wil de strategische voorraad zoet grondwater zo veel mogelijk behouden. Het onttrekken van zoet grondwater kan er namelijk voor zorgen dat zilt grondwater wordt aangetrokken. Zilt grondwater heeft een hoog zoutgehalte. Rijnland en de provincie willen verzilting van de bodem en het grondwater zoveel mogelijk voorkomen. Dus voorkomen dat het zoutgehalte in de bodem en het grondwater te hoog wordt. Daarom moet een initiatiefnemer het grondwater dat uit de strategische voorraad zoet grondwater wordt onttrokken ook weer retourneren in de bodem.

Toelichting op artikel 12.47: Gevolgen beschrijven van het onttrekken en infiltreren van grondwater Het onttrekken en infiltreren van grondwater heeft gevolgen voor: de natuurlijke grondwaterstand; de stijghoogte in het watervoerende pakket; de horizontale en verticale stroming van het grondwater. Gevolgen voor de grondwaterstand en de stijghoogte De initiatiefnemer beschrijft de gevolgen van de onttrekking en infiltratie voor de grondwaterstand en de stijghoogte. De initiatiefnemer beschrijft wat de gevolgen zijn in en hoe groot die zijn. Hierbij gelden deze grenzen: De grens van het gebied waar een onttrekking invloed op heeft is de 5 centimeter verlagingslijn. De grens van het gebied waar een infiltratie invloed heeft is de 5 centimeter verhogingslijn. In een bijzondere situatie kan een initiatiefnemer andere waarde dan 5 cm gebruiken. Gevolgen voor de kwaliteit van het grondwater De initiatiefnemer beschrijft de aard en de omvang van de gevolgen van de onttrekking of infiltratie. Daarnaast beschrijft de initiatiefnemer de samenstelling en de kwaliteit van het grondwater dat wordt onttrokken of geïnfiltreerd. Het grondwater wordt daarvoor bijvoorbeeld onderzocht op de gehalten chloride, sulfaat, ijzer, zwevende stof, CZV en BZV. Rijnland wil voorkomen dat de kwaliteit van het grondwater in de bodem slechter wordt door een infiltratie.

Als het grondwater in het oppervlaktewater wordt geloosd, dan gebruikt Rijnland de samenstelling van het grondwater om de lozing te beoordelen. Monitoringsplan en meetplan Een monitoringsplan kan een onderdeel zijn van het beschrijven van de effecten. In de vergunning staat of de initiatiefnemer een monitoringsplan moet maken en wat daar in moet staan. Een meetplan met actiewaarden kan een onderdeel van het monitoringsplan zijn. Dat is vooral als er kwetsbare objecten in het gebied aanwezig zijn. Dit zijn civieltechnische werken zoals bebouwing, kunstwerken, waterkeringen en wegen. In zo’n meetplan staat bijvoorbeeld een:

Nulmeting: grondwaterstanden, inmeten van hoogtepunten, opname maaiveld en bebouwing (door middel van fotografische vooropnamen); Meetplan grondwaterstanden, met actiewaarden; Meetplan zakbakens (om maaiveldhoogten en maaiveldzakkingen te meten) en/of hoogtebouten (voor bebouwing); Meetplan bodemvocht (met name voor monumentale natuur (meestal bomen) om te bepalen wanneer watergiften nodig zijn (watergiftenplan); Meetplan waterkwaliteit. Rapport bij tijdelijke bemalingen De initiatiefnemer maakt een rapport voor de onderbouwing van een aanvraag om een watervergunning, bemalingsplan en monitoringsplan voor tijdelijke bemalingen. Het gaat om een rapport zoals dat staat in de ‘Beoordelingsrichtlijn Tijdelijke bemalingen BRL SIKB 12010 en BRL SIKB 1202’. Het mag ook een rapport zijn van dezelfde kwaliteit. Toelichting op artikel 12.48: Stoppen of minder grondwater gaan onttrekken of infiltreren Stoppen van een lang durende onttrekking of infiltratie van grondwater kan negatieve gevolgen hebben voor de omgeving. Dit geldt ook voor minder grondwater gaan onttrekken of infiltreren. De omgeving kan zich aan de situatie aanpassen. Stoppen of minder onttrekken of infiltreren kan dan bijvoorbeeld invloed hebben op de grondwaterstand en het grondwaterstromingspatroon in de omgeving.

Dit kan zorgen voor: grondwater overlast; zakkingen; rijzingen van het maaiveld; zettingsschade; waterkeringen worden minder stabiel; slechter wordende kwaliteit van het oppervlaktewater. Daarom beschrijft een initiatiefnemer de gevolgen van stoppen of minder onttrekken en infiltreren. Toelichting op artikel 12.49: Grondwater onttrekken voor planten Een initiatienemer onderzoekt eerst of hij oppervlaktewater kan gebruiken om planten water te geven. Soms kan dat niet omdat er bijvoorbeeld niet genoeg oppervlaktewater in de buurt aanwezig is, of als de kwaliteit van het oppervlaktewater niet goed genoeg is. Dan mag de initiatiefnemer grondwater onttrekken om planten water te geven. Dit mag alleen grondwater zijn uit het eerste watervoerende pakket. Alleen in bijzondere situaties mag een initiatiefnemer grondwater uit het tweede watervoerende pakket onttrekken. Ook voor glastuinbouw geldt dat een initiatiefnemer eerst onderzoekt of hij oppervlaktewater aan de planten kan geven. Als dat niet mogelijk is, kijkt de initiatiefnemer of hij opgeslagen hemelwater kan gebruiken. Pas als dat ook niet mogelijk is, mag grondwater worden gebruikt. Ook hierbij geldt dat het grondwater moet zijn uit het eerste watervoerende pakket. Alleen in bijzondere situaties mag een initiatiefnemer grondwater uit het tweede watervoerende pakket onttrekken

Toelichting op paragraaf 12.2.3: Voorschriften in de vergunning Toelichting op artikel 12.50: Voorschriften in de vergunning In de vergunning kunnen verschillende voorschriften worden opgenomen. Dit kunnen bijvoorbeeld voorschriften zijn over het doen van een startmelding en eindmelding. In principe doet een initiatiefnemer minimaal vijf dagen voor de start van de activiteiten een startmelding en vijf dagen na het einde van de werkzaamheden een eindmelding.

De initiatiefnemer geeft bij de eindmelding ook op: de hoeveel grondwater is onttrokken, geretourneerd of geïnfiltreerd; de kwaliteit van het geïnfiltreerde water. Rijnland heeft hiervoor een formulier jaaropgave grondwateronttrekking. Dit formulier kan de initiatiefnemer online invullen, of downloaden en handmatig invullen. Het formulier is te vinden op onze website: Jaaropgave grondwateronttrekking

Toelichting op afdeling 12.3: Voorwaarden zonder vergunning Toelichting op paragraaf 12.3.1: Grondwater saneren Toelichting op artikel 12.51: Wanneer gelden deze voorwaarden Bij het saneren van grondwater wordt vervuild grondwater uit de bodem gehaald, schoon gemaakt en weer terug in de bodem gebracht. Er wordt vaak voor een lange tijd veel grondwater onttrokken en weer geretourneerd. Dit gebeurt met een lage snelheid. Daarom zijn de gevolgen voor de omgeving vaak klein. Retourneren betekent dat het grondwater weer wordt teruggebracht in de bodem. Toelichting op artikel 12.52: Saneren in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied In een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied kan het onttrekken en retourneren van grondwater vanaf bepaalde hoeveelheden negatieve gevolgen hebben. Bijvoorbeeld voor de voorraad zoetwater in zo’n gebied. Het risico op negatieve gevolgen is klein als een initiatiefnemer zich houdt aan de voorwaarden van Rijnland. Er is een vergunning nodig voor het onttrekken en retourneren van meer dan 10 m³ grondwater per uur, 5.000 grondwater m³ per maand en 20.000 m³ grondwater per jaar. De zorgplicht geldt voor het onttrekken en retourneren van minder dan 5 m³ grondwater per uur, of 2.500 m³ grondwater per maand of 5.000 m³ grondwater per jaar.

Toelichting op artikel 12.53: Saneren in een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen In een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen kan het onttrekken en retourneren van grondwater vanaf bepaalde hoeveelheden negatieve gevolgen hebben. Bijvoorbeeld voor kwetsbare bebouwing of kwetsbare natuur in zo’n gebied. Het risico op negatieve gevolgen is klein als een initiatiefnemer zich houdt aan de voorwaarden van Rijnland. Er is een vergunning nodig voor het onttrekken en retourneren van meer dan 15 m³ grondwater per uur, 10.000 grondwater m³ per maand en 200.000 m³ grondwater per jaar. De zorgplicht geldt voor het onttrekken en retourneren van minder dan 5 m³ grondwater per uur, of 2.500 m³ grondwater per maand of 5.000 m³ grondwater per jaar. Toelichting op artikel 12.54: Saneren in een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen In een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen kan het onttrekken en retourneren van bepaalde hoeveelheden grondwater toch negatieve gevolgen hebben. Bijvoorbeeld voor de bebouwing of de natuur. Het risico op negatieve gevolgen is klein als een initiatiefnemer zich houdt aan de voorwaarden van Rijnland. Er is een vergunning nodig voor het onttrekken en retourneren van meer dan 25 m³ grondwater per uur, 15.000 grondwater m³ per maand en 300.000 m³ grondwater per jaar.

De zorgplicht geldt voor het onttrekken en retourneren van minder dan 10 m³ grondwater per uur, of 5.000 m³ grondwater per maand of 12.000 m³ grondwater per jaar.

Toelichting op paragraaf 12.3.2: Grondwater onttrekken, retourneren of infiltreren voor een andere reden Toelichting op artikel 12.55: Wanneer gelden deze voorwaarden In deze paragraaf staan de regels voor het onttrekken, retourneren en infiltreren van grondwater voor andere redenen dan vee of planten water geven of grondwater saneren. Zo’n andere reden is bijvoorbeeld het drooghouden van een bouwput, kabelsleuf of leidingsleuf. Retourneren betekent dat het onttrokken grondwater weer wordt teruggepompt in de bodem. Infiltreren betekent dat er na het onttrekken van grondwater weer water in de bodem wordt gebracht om het grondwaterniveau aan te vullen. Dit is ander water dan is onttrokken. Toelichting op artikel 12.56: Onttrekken, retourneren of infiltreren in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied In een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied kan het onttrekken, retourneren of infiltreren van bepaalde hoeveelheden grondwater negatieve gevolgen hebben. Bijvoorbeeld voor de voorraad zoetwater in zo’n gebied. Het risico op negatieve gevolgen is klein als een initiatiefnemer zich houdt aan de voorwaarden van Rijnland. Er is een vergunning nodig voor het onttrekken en retourneren van meer dan 10 m³ grondwater per uur, 5.000 grondwater m³ per maand en 20.000 m³ grondwater per jaar.

De zorgplicht geldt voor het onttrekken en retourneren van minder dan 5 m³ grondwater per uur, of 2.500 m³ grondwater per maand of 5.000 m³ grondwater per jaar. Toelichting op artikel 12.57: Onttrekken, retourneren of infiltreren in een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen In een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen kan het onttrekken, retourneren of infiltreren van grondwater negatieve gevolgen hebben. Bijvoorbeeld voor kwetsbare bebouwing of kwetsbare natuur. Het risico op negatieve gevolgen is klein als een initiatiefnemer zich houdt aan de voorwaarden van Rijnland. Er is een vergunning nodig voor het onttrekken, retourneren of infiltreren van meer dan 35 m³ grondwater per uur, 10.000 grondwater m³ per maand en 30.000 m³ grondwater per jaar. De zorgplicht geldt voor het onttrekken en retourneren van minder dan 5 m³ grondwater per uur, of 2.500 m³ grondwater per maand of 5.000 m³ grondwater per jaar. Toelichting op artikel 12.58: Onttrekken, retourneren of infiltreren in een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen In een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen kan het onttrekken, retourneren en infiltreren van bepaalde hoeveelheden grondwater toch negatieve gevolgen hebben. Bijvoorbeeld voor de bebouwing of de natuur.

Het risico op negatieve gevolgen is klein als een initiatiefnemer zich houdt aan de voorwaarden van Rijnland. Er is een vergunning nodig voor het onttrekken en retourneren van meer dan 100 m³ grondwater per uur, 40.000 grondwater m³ per maand en 100.000 m³ grondwater per jaar. De zorgplicht geldt voor het onttrekken en retourneren van minder dan 10 m³ grondwater per uur, of 5.000 m³ grondwater per maand of 12.000 m³ grondwater per jaar.

Toelichting op paragraaf 12.3.3: Voorwaarden onttrekken, retourneren of infiltreren van grondwater Toelichting op subparagraaf 12.3.3.1: Het werk melden Toelichting op artikel 12.59: Tijdstip van melden In artikel 3.2 van deze verordening staat dat de initiatiefnemer een activiteit twee weken voor de start van het werk bij Rijnland meldt. Voor het onttrekken, retourneren en infiltreren van grondwater is dit anders. Dit moet zes weken van tevoren worden gemeld. Toelichting op artikel 12.60: Wat moet de initiatiefnemer melden Bemalingsadvies Het bemalingsadvies moet verschillende informatie bevatten. Hieronder worden een aantal punten verder toegelicht. De te verwachten gevolgen Voor het werk start, moeten de te verwachten negatieve gevolgen van het onttrekken duidelijk zijn. Wat deze gevolgen kunnen zijn, hangt af van de omgeving en de hoeveelheid water waar mee gewerkt wordt. Het gaat hierbij onder andere om gevolgen voor: De grondwaterstanden; De grondwaterstijghoogten; De kwaliteit van het grondwatersysteem en het oppervlaktewatersysteem.

Bijvoorbeeld de verandering van kwel en de infiltratiesituatie; De plaats van het grensvlak tussen zoet water en zout water; Archeologisch erfgoed; Natuur, landbouw en openbaar groen buiten het perceel waar de activiteit plaatsvindt; De zetting van het maaiveld; Waterkeringen; Funderingen en gebouwen (bijvoorbeeld het droogvallen van houten palen of het optreden van verschilzettingen); Andere infrastructuur zoals wegen, spoor of waterleidingen; Andere grondwateronttrekkingen in de omgeving; Verplaatsing van grondwaterverontreinigingen; De grondwaterkwaliteit. In het bemalingsadvies maakt de initiatiefnemer de gevolgen van de activiteiten duidelijk: Tot de 5 centimeter verlagingslijn of verhogingslijn van de freatische grondwaterstand; Tot de 5 centimeter stijghoogte in het watervoerende pakket bij een spanningsbemaling; De initiatiefnemer)houdt rekening met bestaande onttrekkingen en infiltraties. Negatieve gevolgen voorkomen of kleiner maken De initiatiefnemer neemt maatregelen om mogelijke negatieve gevolgen te voorkomen of de gevolgen minder groot te maken. Dit kan bijvoorbeeld door: Civieltechnische of geohydrologische maatregelen. Denk daarbij aan werken binnen damwanden, werken in den natte, onderwaterbeton gebruiken of de bodem injecteren;

Het retourneren van onttrokken grondwater om zo de (gevolgen van) grondwaterpeilverlaging te verminderen; Het grondwater zo efficiënt mogelijk onttrekken. Bijvoorbeeld door het grondwaterpeil omhoog te laten komen tijdens onderbrekingen in het werk; Constructies toepassen waarbij de fundering wordt vervangen of ondersteund; Hemelwater infiltreren met het doel om dit water later weer te onttrekken. Andere maatregelen. Bijvoorbeeld het beregenen van de natuur, of een bodemverontreiniging isoleren met schermen; Een schaderegeling. Dit kan in een bijzondere situatie een mogelijkheid zijn. Maar eerst kijkt de initiatiefnemer of schade kan worden voorkomen; Bemalingsplan met monitoringsplan De omgeving kan aanleiding geven voor het opnemen van actiewaarden wanneer er bijvoorbeeld kwetsbare bebouwing, kunstwerken, waterkeringen, wegen of grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn. Onderbouwen met een rapportage De initiatiefnemer onderbouwt de melding van een grondwateronttrekking met een rapportage volgens de ‘Beoordelingsrichtlijn Tijdelijke bemalingen BRL SIKG 12010 en BRL SIKB 12020’. Of op een vergelijkbare manier. De BRL SIKG 12010 is te zien via deze link: Grond uit baggerspecie; bewaking van de bewerkingsprocessen zandscheiding, rijping en landfarming.

GVCD (sikb.nl) De BRL SIKB 12020 is te zien via deze link: Grond uit baggerspecie; bewaking van de bewerkingsprocessen zandscheiding, rijping en landfarming. GVCD (sikb.nl)

Toelichting op subparagraaf 12.3.3.3: Andere voorwaarden Toelichting op artikel 12.64: Volgens de beoordelingsrichtlijn SIKB werken Rijnland sluit zich aan bij de Beoordelingsrichtlijn SIKB 12000 Tijdelijke grondwaterbemaling en Besluitvorming uitvoeringsmethode Tijdelijke grondwaterbemalingen (BUM TM). Zo wil Rijnland eenheid brengen in het toetsingskader. De beoordelingsrichtlijn SIKB 12000 is te zien via deze link: Grond uit baggerspecie; bewaking van de bewerkingsprocessen zandscheiding, rijping en landfarming. GVCD (sikb.nl) Toelichting op artikel 12.65: Freatische grondwaterstand of stijghoogte verlagen Freatisch grondwater is de bovenste laag van het grondwater. Deze laag kom je het eerst tegen als je graaft. Toelichting op artikel 12.68: Hulpmiddelen grondwateronttrekking verwijderen De gaten moeten worden dichtgemaakt zodat er geen uitwisseling tussen verschillende watervoerende pakketten kan plaatsvinden. Toelichting op artikel 12.71: Onttrekken uit een strategische voorraad zoet grondwater In beleid van de provincie staat dat de strategische voorraad zoet grondwater zo veel mogelijk moet blijven zoals die nu is. De provincie wil voorkomen dat deze zoetwatervoorraad zouter wordt door activiteiten in het bodem systeem of het grondwatersysteem.

Daarom moet een initiatiefnemer grondwater dat is onttrokken uit de strategische voorraad zoet grondwater ook weer helemaal retourneren.

Toelichting op afdeling 12.4: Verdere uitwerking van de zorgplicht Toelichting op paragraaf 12.4.1: Het werk melden

Toelichting op artikel 12.73: Het werk melden Ook als het werk onder de zorgplicht valt, meldt de initiatiefnemer het werk bij Rijnland. Deze meldplicht is daarmee een uitzondering omdat er normaal geen meldplicht geldt als een activiteit onder de zorgplicht valt.

Toelichting op paragraaf 12.4.2: Verdere uitwerking van de zorgplicht Toelichting op subparagraaf 12.4.2.1: Algemeen Toelichting op artikel 12.76: Verdere uitwerking van de zorgplicht Voor alle activiteiten geldt een zorgplicht. Hiermee wil Rijnland nadelen voor het watersysteem voorkomen. Meer informatie over de zorgplicht staat in afdeling 1.4 van deze waterschapsverordening. Voor een eenvoudige activiteiten met weinig risico geldt alleen een zorgplicht. Er is dus geen vergunning nodig en er gelden geen voorwaarden zonder vergunning. Dit betekent dat de initiatiefnemer zelf mag bedenken hoe hij een werk uitvoert. Van Rijnland mag alles, zolang het watersysteem maar goed blijft functioneren. De initiatiefnemer krijgt hierbij vertrouwen en verantwoordelijkheid. Ontstaat er toch een probleem in het watersysteem, dan lost de initiatiefnemer het probleem zelf op. Soms wil een initiatiefnemer graag zeker weten dat zijn activiteiten voldoen aan de zorgplicht. Om een initiatiefnemer meer zekerheid te geven heeft Rijnland voor een aantal activiteiten een verdere uitwerking van de zorgplicht. In deze paragraaf staat deze verdere uitwerking van de zorgplicht voor het onttrekken, retourneren of infiltreren van grondwater. Wordt gewerkt volgens de artikelen in deze paragraaf, dan vindt Rijnland de activiteiten altijd goed.

Toelichting op subparagraaf 12.4.2.2: bouwputbemaling bij waterkering of kwetsbare bebouwing Bij een bouwputbemaling onttrekt de initiatiefnemer: grondwater uit een bouwput; of grondwater uit de bodem naast en onder een bouwput. Dit noemen we een spanningsbemaling.

Toelichting op hoofdstuk 13: Graven Toelichting op afdeling 13.2: Vergunning Toelichting op paragraaf 13.2.1: Wanneer is een vergunning nodig Toelichting op subparagraaf 13.2.1.1: Graven van en in oppervlaktewater Toelichting op artikel 13.2: Oppervlaktewater dieper graven dan 2,5 meter De diepte van het water wordt gemeten vanaf de waterspiegel. Oppervlaktewater dat dieper is dan 2,5 meter is meestal een diepe plas. Zo’n diepe plas wordt vaak gebruikt voor zandwinning. Er zijn risico’s bij het graven van een diepe plas: de kwelsituatie en infiltratiesituatie in de omgeving kan veranderen; grondwaterstromen van verschillende kwaliteit kunnen bij elkaar komen. Het is belangrijk dat het talud van een diepe plas stabiel is. En niet zal wegzakken in de diepe plas. Dit is extra belangrijk voor een diepe plas in de buurt van een waterkering.

Daarom is er voor het graven van oppervlaktewater dieper dan 2,5 meter een vergunning nodig. Toelichting op artikel 13.3: Belangrijk oppervlaktewater Binnen Rijnland hebben we belangrijke oppervlaktewateren. Die noemen we zo omdat ze extra belangrijk zijn voor de aanvoer en de afvoer van water in een groot gebied. Voor deze oppervlaktewateren is het belangrijk dat ze zo groot worden dat de aanvoer en afvoer van al het water goed mogelijk is. Rijnland onderhoudt de belangrijke oppervlaktewateren zelf. We willen het onderhoud goed kunnen uitvoeren én de kosten voor het onderhoud zo laag mogelijk houden. Daarom noemen we een oppervlaktewater alleen ‘belangrijk’ als dat oppervlaktewater nodig is voor de aanvoer en afvoer van water voor een groter gebied. Daarom is er een vergunning nodig voor: graven van een nieuw belangrijk oppervlaktewater; graven om een belangrijk oppervlaktewater aan te passen. Bijvoorbeeld: 1º. breder of dieper maken; 2º. flauwer maken van het talud. Toelichting op artikel 13.4: Overig oppervlaktewater in kwetsbaar kwelgebied Graven in de bodem van gebieden met sterke (zilte) kwel kan zorgen voor nog meer (zilte) kwel. Dit verstoort het evenwicht in het water en de kwaliteit van het oppervlaktewater kan slechter worden. Door het graven van water in een kwetsbaar kwelgebied kan de bodem opbarsten.

Daarom controleren we in zo’n gebied goed of de diepte van een overig oppervlaktewater kan zorgen voor het opbarsten van de bodem. Vaak is het in kwetsbaar kwelgebied niet mogelijk om een oppervlaktewater te maken dat diep is of een brede bodem heeft. Daarom is een vergunning nodig voor: graven van een nieuw overig oppervlaktewater in een kwetsbaar kwelgebied, of graven om een overig oppervlaktewater in een kwetsbaar kwelgebied aan te passen. Bijvoorbeeld: 1º. breder of dieper maken; 2º. het flauwer maken van het talud.

Toelichting op subparagraaf 13.2.1.2: Graven in de zeewering Toelichting op artikel 13.5: Graven om delfstoffen of specie te winnen De zeewering moet stabiel en stevig blijven. Graven voor het winnen van delfstoffen kan een groot risico zijn voor de stabiliteit van de zeewering bij de dijk-in-duinconstructies van Noordwijk en Katwijk. Daarom is er hiervoor een vergunning nodig. Toelichting op artikel 13.7: Graven buiten bebouwde deel zeewering Rijnland wil dat de zeewering buiten de bebouwde contouren van een kustplaats op een natuurlijke manier beweegt. Dit betekent dat zand zich zo veel mogelijk op een natuurlijke manier kan verplaatsen. Daarom is altijd een vergunning nodig voor graven buiten de bebouwde contouren van een kunstplaats.

Toelichting op subparagraaf 13.2.1.3: Graven in een waterkering Toelichting op artikel 13.9: Graven om delfstoffen of specie te winnen Een waterkering moet stabiel en stevig blijven. Graven voor het winnen van delfstoffen kan een groot risico zijn voor de

stabiliteit van een waterkering. Daarom is er hiervoor een vergunning nodig.

Toelichting op subparagraaf 13.2.1.4: Graven in kwetsbaar kwelgebied Toelichting op artikel 13.14: Dieper dan 1,5 meter graven in kwetsbaar kwelgebied Graven in een kwetsbaar kwelgebied kan zorgen voor meer kwel of het opbarsten van de bodem. Daarom is hiervoor een vergunning nodig.

Toelichting op paragraaf 13.2.2: Beoordelen van de vergunningaanvraag Toelichting op subparagraaf 13.2.2.1: Beoordelen van de vergunningaanvraag algemeen Toelichting op artikel 13.15: Beoordelen van de vergunningaanvraag Deze artikelen vormen voor het graven een aanvulling op de beoordelingsregels uit afdeling 3.3. Alleen wanneer aan alle beoordelingsregels uit afdeling 3.3 en de aanvullende beoordelingsregels uit deze paragraaf wordt voldaan.

Toelichting op subparagraaf 13.2.2.2: Beoordelen van de vergunningaanvraag voor graven van en in oppervlaktewater Toelichting op artikel 13.16: Nieuw belangrijk oppervlaktewater graven Rijnland onderhoudt de belangrijke oppervlaktewateren zelf. We willen het onderhoud goed kunnen uitvoeren én de kosten voor het onderhoud zo laag mogelijk houden. Daarom noemen we een oppervlaktewater alleen ‘belangrijk’ als dit nodig is voor de aanvoer en afvoer van water voor een groter gebied. Dit betekent dat een initiatiefnemer alleen een nieuw belangrijk oppervlaktewater mag graven voor bijvoorbeeld: bij het inrichten van een nieuw watersysteem; of, bij dempen van een bestaand belangrijk oppervlaktewater. Het gaat dan om het verplaatsen van een oppervlaktewater.

Toelichting op subparagraaf 13.2.2.3: Beoordelen van de vergunningaanvraag voor graven in de zeewering Toelichting op artikel 13.19: Weggehaalde grond blijft aanwezig De weggehaalde grond blijft liggen binnen de zone waaruit het is weg gegraven. Dus: graven in de kernzone: de grond moet binnen de kernzone blijven. graven in een beschermingszone: de grond moet binnen die beschermingszone blijven. Toelichting op artikel 13.20: Niet graven in het grensprofiel De zeewering bestaat uit verschillende zones. Om een overstroming te voorkomen moet in elke zone van de zeewering een minimale hoeveel zand aanwezig zijn. Dit is de hoeveelheid zand die minstens aanwezig blijft na een storm met een vastgestelde windkracht. We noemen deze minimale hoeveelheid zand het grensprofiel.

Toelichting op subparagraaf 13.2.2.4: Beoordelen van de vergunningaanvraag voor graven in de waterkering Toelichting op artikel 13.24: Verplaatsen van de waterkering Soms moeten de zones of de waterkering zelf worden verplaatst. Bijvoorbeeld voor het plaatsen van een bouwwerk. Rijnland onderzoekt dan eerst: is het verplaatsen van de waterkering echt nodig; zijn personen en organisaties voor wie dit belangrijk is het hiermee eens. Want bij ontwikkelingen in de toekomst kunnen zij hierdoor met strengere eisen te maken krijgen; worden de kosten voor bijvoorbeeld het onderhoud niet te hoog.

Toelichting op paragraaf 13.2.3: Voorschriften in de vergunning Toelichting op artikel 13.28: Extra voorschriften voor graven van en in oppervlaktewater Plaats van het oppervlaktewater (a) De plaats waar een nieuw oppervlaktewater wordt gegraven is belangrijk. Daarom beoordeelt Rijnland de plaats die in de vergunningaanvraag staat. Daarom wordt voorgeschreven dat de initiatiefnemer het water graaft op de plek die Rijnland heeft onderzocht. Grootte en vorm van het oppervlaktewater (b + c) De grootte van een oppervlaktewater is belangrijk: de breedte van de bodem en de diepte van het water zegt iets over het risico op het ontstaan van kwel en het opbarsten van de waterbodem; de breedte van de bodem, en de diepte en breedte van het oppervlaktewater zijn belangrijk voor de aanvoer- en afvoercapaciteit van het oppervlaktewater; De breedte van de bodem, en de diepte en breedte van het oppervlaktewater zijn belangrijk voor de ontwikkelingskans van planten en dieren.

Rijnland bekijkt bij elk oppervlaktewater welke grootte nodig is. Voor een belangrijk oppervlaktewater gaan we hierbij uit van deze maten: 1º. de aanlegdiepte is minimaal 1,10 meter; 2º. de breedte van de waterbodem is minimaal 40 centimeter; 3º. de breedte van het oppervlaktewater is minimaal 7 meter, gemeten op de waterspiegel bij winterpeil. Voor een overig oppervlaktewater gaan wij hierbij uit van de maten uit artikel 13.33. Stevigheid van het talud (d) Vooral voor dieper water is het belangrijk dat het talud stevig en stabiel is. Zo wordt gezorgd dat de oevers niet kunnen afschuiven in het water. Daarom kan hierover een voorschrift staan in de vergunning. Gevolgen voor de omgeving (e) Diepe plassen en zandwinplassen kunnen een negatieve invloed hebben het grondwater en waterkeringen in de buurt. Daarom kunnen hierover voorschriften staan in de vergunning. initiatiefnemer moet vooraf laten zien wat de gevolgen zijn van het graven van een diepe plas of zandwinplas. Die gevolgen kunnen bijvoorbeeld zijn: wijzigingen van de grondwaterstand, grondwaterstijghoogte, grondwaterstroming en waterkwaliteit; het minder stevig en stabiel worden van waterkeringen in de buurt.

Toelichting op afdeling 13.3: Voorwaarden zonder vergunning Toelichting op paragraaf 13.3.2: Voorwaarden graven van oppervlaktewater Toelichting op artikel 13.33: Minimale maten van een nieuw oppervlaktewater Het is belangrijk dat een nieuw oppervlaktewater bepaalde minimale maten heeft, omdat: het oppervlaktewater groot genoeg moet zijn om het water goed te kunnen aanvoeren en afvoeren; onderhoud van het oppervlaktewater goed mogelijk moet zijn; een natuurlijke inrichting van het oppervlaktewater dan mogelijk is. Daardoor ontstaat ook een goed leefgebied voor planten en dieren. Soms zijn de minimale maten voor een oppervlaktewater of helling van het talud niet mogelijk. Bijvoorbeeld door de samenstelling van de bodem op een bepaalde plek, zoals bij loopzand. Dan kan Rijnland met een maatwerkvoorschrift een kleinere maat voor het oppervlaktewater toestaan. Toelichting op artikel 13.34: Oppervlaktewater breder maken voor een waterberging In theorie zou 10 vierkante meter oppervlaktewater over een lengte van 1 kilometer met 1 centimeter worden gemaakt. Dit is niet goed te controleren. Daarom bepaalt Rijnland dat het oppervlaktewater minimaal 50 centimeter breder moet worden.

Toelichting op paragraaf 13.3.3: Voorwaarden graven bij de zeewering Toelichting op artikel 13.36: Grond niet weghalen De weggehaalde grond blijft liggen in de zone waaruit het is weg gegraven. Dus: graven in de kernzone: de grond moet binnen de kernzone blijven.

graven in een beschermingszone: de grond moet binnen die beschermingszone blijven.

Toelichting op paragraaf 13.3.4: Voorwaarden graven bij de waterkering Toelichting op artikel 13.38: Grond niet weghalen De weggehaalde grond blijft liggen in de zone waaruit het is weg gegraven. Dus: graven in de kernzone: de grond moet binnen de kernzone blijven. graven in een beschermingszone: de grond moet binnen die beschermingszone blijven.

Toelichting op paragraaf 13.3.5: Voorwaarden graven in kwetsbaar kwelgebied Toelichting op artikel 13.40: Niet meer kwel Graven in een kwetsbaar kwelgebied kan negatieve gevolgen hebben voor de waterhuishouding. Zo kan meer kwel de waterbalans verstoren. Als dat gebeurt, dan moet er extra water uit het gebied worden afgevoerd. Toelichting op artikel 13.41: Geen verzilting Graven in een kwetsbaar kwelgebied kan negatieve gevolgen hebben voor de waterhuishouding. Zo kan het graven een toename aan zilte kwel veroorzaken. Een eventuele toename aan zilte kwel kan een verslechtering van de waterkwaliteit veroorzaken. Toelichting op artikel 13.42: Verticale stabiliteit van de bodem Bij graven in kwetsbaar kwelgebied is er altijd een risico dat de (water)bodem opbarst. Bij opbarsten wordt de druk omhoog van het diepere grondwater te groot, waardoor de bodem kan gaan scheuren. Het grondwater komt dan omhoog. Dat mag niet gebeuren. Daarom moet de initiatiefnemer bepalen hoe groot het risico is dat de bodem gaat opbarsten. Dit gebeurt door de verticale stabiliteit van de bodem te meten. De initiatiefnemer moet dit doen voordat de werkzaamheden beginnen, en volgens de methode NEN-6740. Ook tijdens het graven moet de verticale stabiliteit steeds worden gecontroleerd met metingen.

Toelichting op artikel 13.44: Sleufloze technieken Rijnland verleent alleen een maatwerkvoorschrift als het geen risico’s geeft op meer kwel, meer verzilting, of het opbarsten van de bodem. Een omhullende mantelbuis wordt gebruikt om te zorgen dat er niet meer kwel ontstaat.

Toelichting op afdeling 13.4: Verdere uitwerking van de zorgplicht voor graven Toelichting op paragraaf 13.4.1: Verdere uitwerking zorgplicht voor graven in een peilgrens Toelichting op artikel 13.45: Verdere uitwerking van de zorgplicht Voor alle activiteiten geldt een zorgplicht. Hiermee wil Rijnland nadelen voor het watersysteem voorkomen. Meer informatie over de zorgplicht staat in afdeling 1.4 van deze waterschapsverordening. Voor een eenvoudige activiteiten met weinig risico geldt alleen een zorgplicht. Er is dus geen vergunning nodig en er gelden geen voorwaarden zonder vergunning. Dit betekent dat de initiatiefnemer zelf mag bedenken hoe hij een werk uitvoert. Van Rijnland mag alles, zolang het watersysteem maar goed blijft functioneren. De initiatiefnemer krijgt hierbij vertrouwen en verantwoordelijkheid. Ontstaat er toch een probleem in het watersysteem, dan lost de initiatiefnemer het probleem zelf op.

Soms wil een initiatiefnemer graag zeker weten dat zijn activiteiten voldoen aan de zorgplicht. Om een initiatiefnemer meer zekerheid te geven heeft Rijnland voor een aantal activiteiten een verdere uitwerking van de zorgplicht. In deze paragraaf staat deze verdere uitwerking van de zorgplicht voor graven in een peilgrens. Wordt gewerkt volgens de artikelen in deze paragraaf, dan vindt Rijnland de graafactiviteiten altijd goed.

Toelichting op hoofdstuk 14: Kabels, leidingen en mantelbuizen Toelichting op afdeling 14.2: Vergunning Toelichting op paragraaf 14.2.1: Wanneer is een vergunning nodig Toelichting op subparagraaf 14.2.1.1: Leiding waardoor water van hoog naar laag oppervlaktewater kan stromen Toelichting op artikel 14.2: Leiding waardoor water van hoog naar laag oppervlaktewater kan stromen In de meeste situaties gaan het over een leiding waardoor water van de hoger liggende boezem naar een lager liggende polder stroomt. Maar het kan ook gaan om een leiding van een hoger naar een lager liggende polder. Of van de tussenboezem naar een polder. Hier geven we een toelichting op de meest voorkomende situatie, waarbij water van de boezem naar een polder stroomt. In de polders zorgt Rijnland dat het oppervlaktewater op de juiste hoogte blijft. Dat doen wij door het water met gemalen uit de polder naar de boezem te pompen. Rijnland wil eigenlijk niet dat er nieuwe plekken komen waar water in een polder kan stromen. Want dat betekent dat wij ook meer water uit de polder moeten wegpompen. Voor Rijnland is dit rondpompen van water vaak niet gewenst om deze redenen: Een gemaal kan een bepaalde maximale hoeveelheid water wegpompen. In tijden met veel neerslag moet een gemaal al veel water wegpompen en daarbij komt dan nog het extra binnengestroomde water.

Als het gemaal hiervoor niet groot genoeg is, dan kan dit leiden tot wateroverlast. Het wegpompen van al dat water kost ook veel energie. Het binnenstromende water kan een slechtere kwaliteit hebben. Hierdoor wordt de kwaliteit van het oppervlaktewater ook slechter.

Toelichting op subparagraaf 14.2.1.2: Kabel, leiding of mantelbuis in de zeewering Toelichting op artikel 14.3: Kabel, leiding of mantelbuis in de dijk-in-duin constructie In Katwijk en Noordwijk bestaat een deel van de zeewering uit een dijk-in-duin constructie. Hierbij is een harde waterkering aangelegd onder het zandige duin. Om deze harde constructie te beschermen is een vergunning nodig voor het plaatsen van een kabel, leiding of mantelbuis. Toelichting op artikel 14.4: Leiding met meer dan 10 bar Het grootste risico van een leiding is een mogelijk lek in deze leiding. Wanneer gas of vloeistof uit de leiding lekt, kan zand mee stromen. Hierdoor kan een erosiekrater ontstaan in de zeewering (duinen). De mogelijke gevolgen zijn sterk afhankelijk van het type leiding en de druk in deze leiding. Om die reden is voor het plaatsen van een leiding met een druk van meer dan 10 bar een vergunning nodig.

Toelichting op subparagraaf 14.2.1.3: Leiding of mantelbuis in de waterkering

Toelichting op artikel 14.5: Leiding met diameter groter dan 500 mm Het grootste risico van een leiding is een mogelijk lek in deze leiding. Wanneer gas of vloeistof uit de leiding lekt, kan grond mee stromen. Hierdoor kan een erosiekrater ontstaan in de waterkering. De mogelijke gevolgen zijn sterk afhankelijk van het type leiding. Om die reden is voor het plaatsen van een leiding met een diameter groter dan 500 mm een vergunning nodig. Toelichting op artikel 14.6: Drukloze leiding Het grootste risico van een leiding is een mogelijk lek in deze leiding. Wanneer gas of vloeistof uit de leiding lekt, kan grond mee stromen. Hierdoor kan een erosiekrater ontstaan in de waterkering. De mogelijke gevolgen zijn sterk afhankelijk van het type leiding. Om die reden is voor het plaatsen van een leiding met een diameter groter dan 160 mm een vergunning nodig. Toelichting op artikel 14.7: Drukhoudende leiding Het grootste risico van een leiding is een mogelijk lek in deze leiding. Wanneer gas of vloeistof uit de leiding lekt, kan grond mee stromen. Hierdoor kan een erosiekrater ontstaan in de waterkering. De mogelijke gevolgen zijn sterk afhankelijk van het type leiding en de druk in deze leiding. Om die reden is voor het plaatsen van een leiding met een druk van meer dan 10 bar een vergunning nodig.

Toelichting op paragraaf 14.2.2: Beoordelen van de vergunningaanvraag Toelichting op subparagraaf 14.2.2.1: Beoordelen van de vergunningaanvraag algemeen Toelichting op artikel 14.9: Beoordelen van de vergunningaanvraag Deze artikelen vormen een aanvulling op de beoordelingsregels uit afdeling 3.3. Alleen wanneer aan alle beoordelingsregels uit afdeling 3.3 en de aanvullende beoordelingsregels uit deze paragraaf wordt voldaan.

Toelichting op subparagraaf 14.2.2.2: Beoordelen van de vergunningaanvraag voor een leiding om oppervlaktewater een gebied in te laten Toelichting op artikel 14.10: Er is geen andere manier om water van hoog naar laag oppervlaktewater te laten stromen De meeste situaties gaan over een leiding waardoor water van de hoger liggende boezem naar een lager liggende polder stroomt. Maar het kan ook gaan om een leiding van een hoger naar een lager liggende polder. Of van de tussenboezem naar een polder. Hier geven we een toelichting op de meest voorkomende situatie, waarbij water van de boezem naar een polder stroomt. Rijnland wil eigenlijk niet dat er nieuwe plekken komen waar water in een polder kan stromen. Want dat betekent dat wij ook meer water uit de polder moeten wegpompen. Voor Rijnland is dit rondpompen van water vaak niet gewenst om deze redenen: Een gemaal kan een bepaalde maximale hoeveelheid water wegpompen. In tijden met veel neerslag moet een gemaal veel water wegpompen en daarbij komt dan nog het extra naar binnen gestroomde water. Als de capaciteit van het gemaal hiervoor niet groot genoeg is, dan kan dit leiden tot wateroverlast. Het wegpompen van al dat water kost ook veel energie. Het binnenstromende water kan een slechtere kwaliteit hebben. Hierdoor wordt de kwaliteit van het oppervlaktewater ook slechter.

Daarom zal Rijnland een nieuwe leiding om water van hoger naar lager liggend oppervlaktewater te laten stromen niet zomaar toestaan. Het mag alleen als het niet mogelijk is om dit op een andere manier te doen. Bijvoorbeeld door het

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12599943/2