7. Bijlage 6: Toelichting Ontwerp Waterschapsverordening 2023
Tekst van het document
verbinden van twee watergangen.
Toelichting op subparagraaf 14.2.2.3: Beoordelen van de vergunningaanvraag voor een kabel, leiding of mantelbuis in de zeewering Toelichting op artikel 14.11: Niet onder dijk-in-duin constructie Bij de dijk-in-duinconstructies is een harde waterkering aangebracht in het uit zand bestaande duin. Kabels en leidingen onder deze harde constructie door verstoren de stabiliteit van het zand en daarmee ook die van de harde kering. Om die reden zijn kabels en leidingen onder de dijk-in-duin constructie door, niet toegestaan. Toelichting op artikel 14.12: Boven de dijk-in-duin constructie Kabels en leidingen over de dijk-in-duinconstructie kunnen onder voorwaarden worden toegestaan. Toelichting op artikel 14.13: Leiding met meer dan 10 bar Rijnland is terughoudend met het toestaan van leidingen met een druk groter dan 10 bar bij de zeewering. Alleen als écht geen andere plaats mogelijk is, verleent Rijnland een vergunning.
Toelichting op subparagraaf 14.2.2.4: Beoordelen van de vergunningaanvraag voor een leiding in de waterkering Toelichting op artikel 14.14: Leiding met meer dan 10 bar Rijnland is terughoudend met het toestaan van leidingen met een druk groter dan 10 bar bij de waterkering. Alleen als écht geen andere plaats mogelijk is, verleent Rijnland een vergunning. Toelichting op artikel 14.15: Leiding met een druk tot en met 10 bar Door te voldoen aan NEN 3650 en NEN 3651 worden risico’s tot een minimum beperkt. Daarom toetst Rijnland aan deze normen. Er kunnen bijzondere omstandigheden zijn, waardoor het niet mogelijk is om conform de NEN 3650 en NEN 3651 te werken. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij aansluitingen op een bestaande leiding die niet, conform de NEN, buiten de veiligheidszone is aangebracht.
Toelichting op afdeling 14.4: Verdere uitwerking van de zorgplicht voor kabels en leidingen Toelichting op artikel 14.25: Verdere uitwerking van de zorgplicht Voor alle activiteiten geldt een zorgplicht. Hiermee wil Rijnland nadelen voor het watersysteem voorkomen. Meer informatie over de zorgplicht staat in afdeling 1.4 van deze waterschapsverordening. Voor een eenvoudig werk met weinig risico is geen vergunning nodig en er gelden geen voorwaarden zonder vergunning. Voor zo’n werk geldt alleen een zorgplicht. Dit betekent dat een initiatiefnemer zelf mag bedenken hoe een werk wordt uitgevoerd, zolang dat maar zorgvuldig is. De zorgplicht geeft ruimte voor eigen verantwoordelijkheid. Van Rijnland mag alles, zolang het watersysteem maar goed blijft werken. De initiatiefnemer krijgt hierbij vertrouwen en verantwoordelijkheid. Ontstaat er toch een probleem in het watersysteem, dan lost de initiatiefnemer het probleem zelf op. Dit is soms fijn, maar soms ook onzeker. Soms wil een initiatiefnemer graag zeker weten dat zijn activiteiten voldoen aan de zorgplicht. Om meer zekerheid te geven, heeft Rijnland voor een aantal activiteiten een verdere uitwerking van de zorgplicht. In deze paragraaf staat de verdere uitwerking van de zorgplicht voor het plaatsen van een kabel of leiding bij oppervlaktewater.
Werkt een initiatiefnemer volgens de voorwaarden uit deze paragraaf, dan wordt automatisch voldaan aan de zorgplicht. Het is dus een altijd goedgekeurde werkwijze. Rijnland vindt de activiteiten dan altijd goed. Maar het is niet verplicht om te werken volgens deze voorwaarden. De initiatiefnemer mag ook vanuit de eigen verantwoordelijkheid kiezen voor een andere manier van werken. Om zo op een andere manier te voldoen aan de zorgplicht. Toelichting op artikel 14.26: Kabel of leiding kruist de kernzone van belangrijk oppervlaktewater Een kabel of leiding kun je op verschillende manieren beschermen tegen beschadigingen. Bijvoorbeeld met een mantelbuis of met een plaatmat of blokkenmat op de waterbodem. Toelichting op artikel 14.27: Kabel of leiding kruist de kernzone van overig oppervlaktewater Een kabel of leiding kun je op verschillende manieren beschermen tegen beschadigingen. Bijvoorbeeld met een mantelbuis of met een plaatmat of blokkenmat op de waterbodem. Toelichting op artikel 14.28: Kabel of leiding in een dam met duiker De duiker kan beter worden onderhouden als de kabel of leiding onder de duiker ligt. Daarnaast worden de onderhoudskosten hoger als de kabel of leiding op een andere manier wordt geplaatst.
Toelichting op artikel 14.29: kabel of leiding langs oppervlaktewater De 1 meter wordt horizontaal gemeten vanaf het punt waar de schuine oever overgaat in het vlakke maaiveld.
Toelichting op hoofdstuk 15: Gebruik van voertuigen en werktuigen Toelichting op afdeling 15.1: Wanneer geldt dit hoofdstuk Toelichting op artikel 15.1: Voertuig of werktuig gebruiken bij de waterkering Soms ligt er op de waterkering een weg. Maar het komt ook regelmatig dat er geen weg is en dat er toch een voertuig of werktuig op de waterkering komt. Dan is het vaak nodig om de waterkering te beschermen tegen schade. Er zijn verschillende soorten voertuigen die op de waterkering kunnen komen. Bijvoorbeeld fietsen, brommers, personenauto’s, bestelbusjes, tractors en vrachtwagens. Er komen soms ook werktuigen op de waterkering. Dat zijn bijvoorbeeld graafmachines, hijskranen en sondeerwagens. Als er voertuigen of werktuigen op de waterkering komen, dan geldt dit hoofdstuk.
Toelichting op afdeling 15.2: Vergunning Toelichting op paragraaf 15.2.1: Wanneer is een vergunning nodig Toelichting op artikel 15.2: Voertuig of werktuig zwaarder dan 8.000 kg op een waterkering Gaat een voertuig of werktuig op de waterkering van de weg af, dan is er een risico dat: de waterkering beschadigt door het gewicht van het voertuig of werktuig een voertuig of werktuig de planten en struiken kapot rijdt, waardoor de grond van de waterkering kan wegwaaien of wegspoelen. Deze risico’s zijn groot als een voertuig of werktuig met de lading erbij meer weegt dan 8.000 kilogram. Daarom is hiervoor een vergunning nodig.
Toelichting op artikel 15.3: Voertuig of werktuig zwaarder dan 50.000 kg op een waterkering De meeste wegen op een waterkering worden gemaakt voor voertuigen en werktuigen met een gewicht tot 50.000 kg (50 ton). De meeste voertuigen en werktuigen zijn ook niet zwaarder. Voertuigen of werktuigen die zwaarder zijn dan 50.000 kg geven meer risico op schade aan de waterkering. En dat is vooral zo als ze daar staan om activiteiten uit te voeren. Daarom is hiervoor een vergunning nodig.
Toelichting op afdeling 15.3: Verdere uitwerking zorgplicht voor een voertuig of werktuig op de waterkering Toelichting op artikel 15.5: Verdere uitwerking van de zorgplicht Voor alle activiteiten geldt een zorgplicht. Hiermee wil Rijnland nadelen voor het watersysteem voorkomen. Meer informatie over de zorgplicht staat in afdeling 1.4 van deze waterschapsverordening. Voor een eenvoudig werk met weinig risico is geen vergunning nodig en er gelden geen voorwaarden zonder vergunning. Voor zo’n werk geldt alleen een zorgplicht. Dit betekent dat een initiatiefnemer zelf mag bedenken hoe een werk wordt uitgevoerd, zolang dat maar zorgvuldig is. De zorgplicht geeft ruimte voor eigen verantwoordelijkheid. Van Rijnland mag alles, zolang het watersysteem maar goed blijft werken. De initiatiefnemer krijgt hierbij vertrouwen en verantwoordelijkheid. Ontstaat er toch een probleem in het watersysteem, dan lost de initiatiefnemer het probleem zelf op. Dit is soms fijn, maar soms ook onzeker. Soms wil een initiatiefnemer graag zeker weten dat zijn activiteiten voldoen aan de zorgplicht. Om meer zekerheid te geven, heeft Rijnland voor een aantal activiteiten een verdere uitwerking van de zorgplicht. Werkt een initiatiefnemer volgens de voorwaarden uit deze paragraaf, dan wordt automatisch voldaan aan de zorgplicht. Het is dus een altijd goedgekeurde werkwijze.
Rijnland vindt de activiteiten dan altijd goed. Maar het is niet verplicht om te werken volgens deze voorwaarden. De initiatiefnemer mag ook vanuit de eigen verantwoordelijkheid kiezen voor een andere manier van werken. Om zo op een andere manier te voldoen aan de zorgplicht.
Toelichting op hoofdstuk 16: Dempen van oppervlaktewater Toelichting op afdeling 16.1: Wanneer geldt dit hoofdstuk Toelichting op artikel 16.1: Dempen van oppervlaktewater Met het dempen van oppervlaktewater bedoelen we alle activiteiten die zorgen voor een afname van het bergend wateroppervlak. Een afname van bergend wateroppervlak betekent dat er minder ruimte is voor oppervlaktewater. Voorbeelden van het dempen van oppervlaktewater: dempen van een sloot; een dam in een sloot maken; steiler maken van een talud; een stuk van het watersysteem afsluiten van de rest van het watersysteem.
Toelichting op afdeling 16.2: Vergunning
Toelichting op paragraaf 16.2.1: Wanneer is een vergunning nodig Toelichting op artikel 16.2: Dempen in de kernzone van belangrijk oppervlaktewater Dit oppervlaktewater is belangrijk voor de aanvoer en afvoer van water. Daarom is er een vergunning nodig. Toelichting op artikel 16.3: Dempen in een kernzone en beschermingszone van de waterkering Dempen van oppervlaktewater in de kernzone en beschermingszone kan negatief zijn voor de stabiliteit van de waterkering. Rijnland wil daarom vooraf het risico voor de waterkering kunnen beoordelen. Toelichting op artikel 16.4: Dempen van meer dan 100 m² oppervlaktewater Het dempen van meer dan 100 m² oppervlaktewater kan een grote invloed hebben op de aanvoer en afvoer van water. Daarom is hier een vergunning voor nodig. Toelichting op artikel 16.5: Uitzondering voor steiler optrekken talud boven de waterspiegel Het steiler optrekken van het bovenwatertalud is een demping. Maar het is meestal een hele kleine demping. Daardoor heeft dit bijna geen negatieve gevolgen voor het watersysteem. Daarom valt dit onder de zorgplicht. Het steiler optrekken van het onderwatertalud heeft wel gevolgen voor het watersysteem. Dit valt niet onder deze uitzondering. Het verschil is te zien in onderstaande afbeeldingen.
Toelichting op paragraaf 16.2.2: Beoordelen van de vergunningaanvraag Toelichting op artikel 16.6: Beoordelen van de vergunningaanvraag Deze artikelen vormen een aanvulling op de beoordelingsregels uit afdeling 3.3. Alleen wanneer aan alle beoordelingsregels uit afdeling 3.3 en de aanvullende beoordelingsregels uit deze paragraaf wordt voldaan. Toelichting op artikel 16.7: Maken van nieuwe waterberging Toelichting op artikel 16.7, eerste lid
Na het dempen van oppervlaktewater kan het oppervlaktewatersysteem minder neerslag opvangen. Het bergend vermogen neemt af. Dit kan zorgen voor wateroverlast. Daarom moet een initiatiefnemer bij een demping van oppervlaktewater ook een nieuwe waterberging maken. Dan blijft het bergend vermogen in een gebied hetzelfde. Toelichting op artikel 16.7, tweede lid De nieuwe waterberging is een nieuw oppervlaktewater dat in open verbinding staat met de rest van het oppervlaktewater. Het maken van een losse vijver is niet genoeg. Toelichting op artikel 16.7, derde lid Soms staat de oeverlijn niet goed op de kaart. Bijvoorbeeld omdat een stuk van de oever is weggespoeld. Als de initiatiefnemer de originele oeverlijn repareert, dan is dat volgens de regels een demping. Maar in deze situatie is het maken van een nieuwe waterberging niet redelijk. Als de initiatiefnemer bewijst dat de oeverlijn te veel landinwaarts ligt, dan kan Rijnland een vergunning verlenen zonder voorschriften voor een waterberging. De initiatiefnemer kan dit bijvoorbeeld bewijzen met: luchtfoto’s die Rijnland heeft; andere (lucht)foto’s waarop de plaats van originele oeverlijn staat; een oude beschoeiing die nog (gedeeltelijk) aanwezig is; een duidelijke onderbreking (inham) van de bestaande oeverlijn. Die onderbreking mag niet te groot zijn.
Toelichting op artikel 16.7, vierde lid Het komt voor dat een initiatiefnemer een oppervlaktewater maar voor een korte tijd dempt. Bijvoorbeeld voor het maken van een bouwweg. Met korte tijd bedoelen we meestal een half jaar. Soms mag het langer, maar nooit langer dan 1 jaar. Bij zo’n tijdelijke demping is het niet altijd nodig om een waterberging te maken. Toelichting op artikel 16.7, vijfde lid In sommige gebieden is genoeg waterberging aanwezig. Dan heeft een kleinere demping vaak bijna geen negatieve gevolgen voor de hoeveelheid water in dat gebied. Het is dan niet altijd nodig om een waterberging te maken. Dit geldt alleen voor een demping die bijdraagt aan het verbeteren van andere doelen voor het oppervlaktewater. Voorbeelden zijn: Het maken of repareren van een compartimenteringsdam, als daardoor de strijklengte kleiner wordt of de uitwisseling van water minder wordt. De strijklengte is de lengte waarover de wind vrij over een oppervlaktewater waait en golven maakt. Het maken van natuurvriendelijke oevers. Bijvoorbeeld als een legakker. Hierbij geldt de voorwaarde dat de demping niet groter mag zijn dan nodig is. Bijvoorbeeld: Om een waterkering stabieler te maken moet een strook van 1 meter worden gedempt. Via deze regel mag een initiatiefnemer dan niet bijvoorbeeld 3 meter gaan dempen. Wat hierboven staat geldt niet voor plassen op boezemniveau.
Het bergend vermogen van deze plassen is namelijk een heel belangrijk deel van het bergend vermogen van het hele boezemsysteem. Toelichting op artikel 16.8: Wanneer wordt de waterberging gemaakt Toelichting op artikel 16.8, eerste lid Rijnland wil voorkomen dat wateroverlast ontstaat. Daarom moet de extra waterberging eerder of tegelijk met de demping worden gemaakt.
Toelichting op artikel 16.8, tweede lid Een initiatiefnemer mag een eerder gemaakt oppervlaktewater gebruiken als waterberging. Dat mag alleen als dat oppervlaktewater tot maximaal 5 jaar voor de vergunningaanvraag is gegraven. Deze 5 jaar is belangrijk. Rijnland moet weten hoeveel waterberging aanwezig blijft in een peilgebied. We gaan ervan uit dat een waterberging na 5 jaar blijft. Toelichting op artikel 16.8, derde lid Een eerder gemaakte waterberging mag alleen worden gebruikt als extra waterberging als deze niet is gemaakt om te voldoen aan een andere verplichting. Toelichting op artikel 16.8, vierde lid Soms is het niet mogelijk om de waterberging eerder of tijdens de demping te maken. Als dit geen wateroverlast veroorzaakt, kan Rijnland toestaan dat de initiatiefnemer de extra waterberging later maakt. De extra waterberging moet wel worden gemaakt binnen 3 maanden na de demping. Toelichting op artikel 16.9: Plaats van de waterberging Het is belangrijk dat de waterberging in de buurt van de demping wordt gemaakt. Soms is het niet mogelijk om de waterberging te maken op de plaats die staat in lid 1 of lid 2. Als er geen waterloverlast ontstaat kan Rijnland toestemming geven om de waterberging op een andere plaats te maken.
Toelichting op artikel 16.10: Waterberging afschrijven van de Berging Rekening Courant Verschillende gemeenten, en een paar andere partijen, hebben een saldo van gedempt en gegraven water. Dit saldo wordt bijgehouden in een Berging Rekening Courant (BRC). Als de eigenaar van de BRC in een peilvak een positief saldo heeft, dan mag zij andere organisaties of personen toestemming geven dit saldo te gebruiken. Een initiatiefnemer die hard oppervlak maakt en de extra waterberging wil regelen via de BRC, heeft daarvoor toestemming nodig van de eigenaar van de BRC. Wanneer deze toestemming is gegeven, is geen nieuw oppervlaktewater nodig.
Toelichting op paragraaf 16.2.3: Voorschriften in de vergunning Toelichting op artikel 16.11: Voorschriften in de vergunning Minimale breedte van het oppervlaktewater (a) Wordt door de demping een bestaand oppervlaktewater smaller, dan is het belangrijk dat dit oppervlaktewater het water goed kan blijven aanvoeren en afvoeren. Het oppervlaktewater moet daarvoor een minimale breedte houden. Hiervoor komt een voorschrift in de vergunning. De nieuwe waterberging (b en c) Het is belangrijk dat het oppervlaktewater voldoende water kan opslaan. Dat noemen we water bergen. In de vergunning komen daarom voorschriften over: de plaats van de waterberging. de minimale grootte van de waterberging. Het uitvoeren van de demping (d en e) Hoe een initiatiefnemer de activiteiten uitvoert is ook belangrijk. In de vergunning staan daarom in ieder geval voorschriften over: de volgorde van het dempen en het maken van de waterberging. het dempen van een doodlopend oppervlaktewater.
Toelichting op afdeling 16.3: Voorwaarden zonder vergunning Toelichting op artikel 16.12: Wanneer gelden deze voorwaarden? Er is geen vergunning van Rijnland nodig als de demping voldoet aan allebei de voorwaarden. Voor de demping gelden dan wel de voorwaarden uit deze afdeling. Toelichting op artikel 16.13: Uitzondering voor steiler optrekken talud boven de waterspiegel Het steiler optrekken van het bovenwatertalud is een demping. Maar het is meestal een hele kleine demping. Daardoor heeft dit bijna geen negatieve gevolgen voor het watersysteem. Daarom valt dit onder de zorgplicht. Het steiler optrekken van het onderwatertalud heeft wel gevolgen voor het watersysteem. Dit valt niet onder deze uitzondering. Het verschil is te zien in onderstaande afbeeldingen.
Toelichting op artikel 16.16: Werkzaamheden melden Een initiatiefnemer moet het dempen van oppervlaktewater melden. De demping veroorzaakt namelijk een wijziging in het watersysteem. Rijnland zet deze wijziging in de legger oppervlaktewateren van Rijnland. Toelichting op artikel 16.18: Nieuwe waterberging Toelichting op artikel 16.18, eerste lid Na het dempen van oppervlaktewater kan het oppervlaktewatersysteem minder neerslag opvangen. Het bergend vermogen neemt af. Dit kan zorgen voor wateroverlast. Daarom moet een initiatiefnemer bij een demping van oppervlaktewater ook een nieuwe waterberging maken. Dan blijft het bergend vermogen in een gebied hetzelfde. Toelichting op artikel 16.18, tweede lid De nieuwe waterberging is een nieuw oppervlaktewater dat in open verbinding staat met de rest van het oppervlaktewater. Het maken van een losse vijver is niet genoeg. Toelichting op artikel 16.18, derde lid
Soms staat de oeverlijn niet goed op de kaart. Bijvoorbeeld omdat een stuk van de oever is weggespoeld. Als de initiatiefnemer de originele oeverlijn repareert, dan is dat volgens de regels een demping. Maar in deze situatie is het maken van een nieuwe waterberging niet redelijk. Als de initiatiefnemer bewijst dat de oeverlijn te veel landinwaarts ligt, dan kan Rijnland een vergunning verlenen zonder voorschriften voor een waterberging. De initiatiefnemer kan dit bijvoorbeeld bewijzen met: luchtfoto’s die Rijnland heeft. andere (lucht)foto’s waarop de plaats van originele oeverlijn staat; een oude beschoeiing die nog (gedeeltelijk) aanwezig is; een duidelijke onderbreking (inham) van de bestaande oeverlijn. Die onderbreking mag niet te groot zijn. Toelichting op artikel 16.18, vierde lid Het komt voor dat een initiatiefnemer een oppervlaktewater maar voor een korte tijd dempt. Bijvoorbeeld voor het maken van een bouwweg. Met korte tijd bedoelen we meestal een half jaar. Soms mag het langer, maar nooit langer dan 1 jaar. Bij zo’n tijdelijke demping is het niet altijd nodig om een waterberging te maken. Toelichting op artikel 16.18, vijfde lid In sommige gebieden is genoeg waterberging aanwezig. Dan heeft een kleinere demping vaak bijna geen negatieve gevolgen voor de hoeveelheid water in dat gebied. Het is dan niet altijd nodig om een waterberging te maken.
Dit geldt alleen voor een demping die bijdraagt aan het verbeteren van andere doelen voor het oppervlaktewater. Voorbeelden zijn: Het maken of repareren van een compartimenteringsdam, als daardoor de strijklengte kleiner wordt of de uitwisseling van water minder wordt. De strijklengte is de lengte waarover de wind vrij over een oppervlaktewater waait en golven maakt. Het maken van natuurvriendelijke oevers. Bijvoorbeeld als een legakker. Hierbij geldt de voorwaarde dat de demping niet groter mag zijn dan nodig is. Bijvoorbeeld: Om een waterkering stabieler te maken moet een strook van 1 meter worden gedempt. Via deze regel mag een initiatiefnemer dan niet bijvoorbeeld 3 meter gaan dempen. Wat hierboven staat geldt niet voor plassen op boezemniveau. Het bergend vermogen van deze plassen is namelijk een heel belangrijk deel van het bergend vermogen van het hele boezemsysteem. Toelichting op artikel 16.19: Wanneer wordt de waterberging gemaakt Toelichting op artikel 16.19, eerste lid Rijnland wil voorkomen dat wateroverlast ontstaat. Daarom moet de extra waterberging eerder of tegelijk met de demping worden gemaakt. Toelichting op artikel 16.19, tweede lid Een initiatiefnemer mag een eerder gemaakt oppervlaktewater gebruiken als waterberging. Dat mag alleen als dat oppervlaktewater tot maximaal 5 jaar voor de vergunningaanvraag is gegraven. Deze 5 jaar is belangrijk.
Rijnland moet weten hoeveel waterberging aanwezig blijft in een peilgebied. We gaan ervan uit dat een waterberging na 5 jaar blijft. Toelichting op artikel 16.19, derde lid Een eerder gemaakte waterberging mag alleen worden gebruikt als extra waterberging als deze niet is gemaakt om te voldoen aan een andere verplichting.
Toelichting op artikel 16.19, vierde lid Soms is het niet mogelijk om de waterberging eerder of tijdens de demping te maken. Als dit geen wateroverlast veroorzaakt, kan Rijnland toestaan dat de initiatiefnemer de extra waterberging later maakt. De extra waterberging moet wel worden gemaakt binnen 3 maanden na de demping. Toelichting op artikel 16.20: Plaats van de waterberging Het is belangrijk dat de waterberging in de buurt van de demping wordt gemaakt. Soms is het niet mogelijk om de waterberging te maken op de plaats die staat in lid 1 of lid 2. Als er geen waterloverlast ontstaat kan Rijnland met een maatwerkvoorschrift toestemming geven om de waterberging op een andere plaats te maken. Een maatwerkvoorschrift is een besluit dat u aanvraagt bij Rijnland. Een maatwerkvoorschrift lijkt op een mini-vergunning. Toelichting op artikel 16.21: Waterberging afschrijven van de Berging Rekening Courant Verschillende gemeenten, en een paar andere partijen, hebben een saldo van gedempt en gegraven water. Dit saldo wordt bijgehouden in een Berging Rekening Courant (BRC). Als de eigenaar van de BRC in een peilvak een positief saldo heeft, dan mag zij andere organisaties of personen toestemming geven dit saldo te gebruiken. Een initiatiefnemer die hard oppervlak maakt en de extra waterberging wil regelen via de BRC, heeft daarvoor toestemming nodig van de eigenaar van de BRC.
Wanneer deze toestemming is gegeven, is geen nieuw oppervlaktewater nodig. Toelichting op artikel 16.22: Wateraanvoer en waterafvoer Wanneer een overig oppervlaktewater een functie heeft in de aanvoer of afvoer van water, zal het (gedeeltelijk) dempen van dat water in veel gevallen leiden tot vermindering van de doorstroming. Hierdoor vermindert het functioneren van het watersysteem. Het is niet acceptabel om oppervlaktewateren te dempen, als achterliggende of aangrenzende gebieden daardoor niet meer voldoende kunnen worden voorzien van water. Dempingen zijn ook niet acceptabel als het water van achterliggende of aangrenzende gebieden niet meer voldoende kan worden afgevoerd. Dit kan worden voorkomen door een vervangende watergang aan te leggen of door een duiker in de demping te plaatsen. Toelichting op artikel 16.23: Dempen van doodlopend oppervlaktewater Wanneer doodlopend oppervlaktewater wordt gedempt, is het belangrijk dat de demping vanaf de kopse kant wordt uitgevoerd. Met deze werkwijze wordt de in het water aanwezige fauna een kans geboden om zich te verplaatsen naar het deel dat niet wordt gedempt. Toelichting op artikel 16.24: Versmallen oppervlaktewater Een oppervlaktewater moet na demping minimaal 4 meter breed zijn. In uitzonderlijke gevallen is deze voorwaarde echter onredelijk.
In deze gevallen kunnen dijkgraaf en hoogheemraden via een maatwerkvoorschrift toestaan dat een oppervlaktewater na demping smaller is. Een maatwerkvoorschrift is een besluit dat u aanvraagt bij Rijnland. Een maatwerkvoorschrift lijkt op een mini-vergunning. Toelichting op artikel 16.25: Dempen in veengronden en kleigronden op veen Klei op veen en veengronden zijn zettingsgevoelige gronden. Klink (zetting), krimp en oxidatie (vertering) zijn de processen hiervoor zorgen. Een belangrijke factor hierin is de grondwaterstand (ontwateringsdiepte). De grondwaterstand in een perceel wordt mede bepaald door het waterpeil en de afstand tussen oppervlaktewateren. Vooral in veengebieden kunnen door dempingen dusdanig brede percelen ontstaan, dat daardoor de grondwaterspiegel in de zomer/droge periode vooral midden in het perceel te veel daalt. Hierdoor wordt verdroging en versnelde maaivelddaling veroorzaakt. Tegelijk moet worden voorkomen dat een te grote breedte van percelen ook de ontwatering te zeer beïnvloedt, waardoor bij regenval juist vernatting van het perceel kan ontstaan. In de bebouwde delen zijn percelen al veel breder dan 80 meter. Om die reden geldt deze beperking alleen bij dempingen buiten de bebouwde delen.
Door maatregelen (infiltratiedrains, beregening, grondverbetering, etc.) te treffen, kan het negatieve effect op de grondwaterhuishouding worden beperkt. Wanneer door het treffen van maatregelen de maximale grondwaterdiepte zeker niet meer wordt dan bij een perceelbreedte van 80 meter, kunnen dijkgraaf en hoogheemraden via een maatwerkvoorschrift een breder perceel toestaan. Een maatwerkvoorschrift is een besluit dat u aanvraagt bij Rijnland. Een maatwerkvoorschrift lijkt op een mini-vergunning.
Toelichting op hoofdstuk 17: Plaatsen van een drijvend voorwerp Toelichting op afdeling 17.1: Wanneer geldt dit hoofdstuk Toelichting op artikel 17.1: Plaatsen van drijvend voorwerp op een vaste plek Er zijn in Rijnlands oppervlaktewater veel drijvende voorwerpen die op een vaste plek liggen. Zo’n drijvend voorwerp blijft zonder hulp drijven en het is vastgemaakt aan een plaats aan de waterkant. Bijvoorbeeld: woonboten, woonschepen, woonarken, drijvende steigers, drijvende botenhuizen. Deze regel geldt niet voor bijvoorbeeld pontons Pontons worden vaak tijdelijk gebruikt bij het uitvoeren van een werk. Ze drijven op het oppervlaktewater en zijn niet vastgemaakt aan een plaats aan de waterkant. Soms zijn pontons vast gaan zitten aan de waterbodem en dan drijven ze niet meer. Dan wordt een demping en gelden de regels voor dempen uit deze waterschapsverordening.
Toelichting op afdeling 17.2: Voorwaarden zonder vergunning Toelichting op artikel 17.3: Drijvend voorwerp ligt in de lengte langs de oeverlijn Een drijvend voorwerp ligt evenwijdig, of in de lengterichting langs de oever. Dus parallel aan de oever. Het drijvende voorwerp heeft dan de minste invloed op de stroming van het water. Toelichting op artikel 17.4: Drijven voorwerp is maximaal 8 meter breed Toelichting op artikel 17.4, eerste lid Een drijvend voorwerp mag niet te groot zijn. Want dan kan het teveel invloed hebben op de doorstroming van het oppervlaktewater. Toelichting op artikel 17.4, tweede lid Soms kan een drijvend voorwerp wel breder zijn dan 8 meter, zonder dat het de stroming van het water teveel vermindert. Bijvoorbeeld als het drijvende voorwerp niet zo diep in het water ligt en een gestroomlijnde vorm heeft. Maar ook als het oppervlaktewater zo breed is dat een breder drijvend voorwerp ook mogelijk is. Rijnland kan dan met een maatwerkvoorschrift een andere maximale breedte vaststellen. Toelichting op artikel 17.5: Minimaal 2/3 van het oppervlaktewater blijft leeg Toelichting op artikel 17.5, eerste lid Het is belangrijk dat een drijvend voorwerp niet te ver naar het midden van het oppervlaktewater wordt geplaatst. Want dan heeft het teveel invloed op de stroming van het water.
Daarom wil Rijnland dat 2/3 van het oppervlaktewater zonder onderbreking leeg blijft.
Toelichting op artikel 17.5, tweede lid Soms kan de aaneengesloten lege ruimte minder zijn dan 2/3 van de breedte van het oppervlaktewater. Bijvoorbeeld als het drijvende voorwerp niet zo diep in het water ligt en een gestroomlijnde vorm heeft. Of als het oppervlaktewater zo breed is dat er genoeg lege ruimte overblijft. Rijnland kan dan met een maatwerkvoorschrift een nieuwe minimaal aaneengesloten lege ruimte vaststellen.
Toelichting op afdeling 17.3: Verder uitwerking van de zorgplicht Toelichting op artikel 17.6: Verdere uitwerking van de zorgplicht Voor alle activiteiten geldt een zorgplicht. Hiermee wil Rijnland nadelen voor het watersysteem voorkomen. Meer informatie over de zorgplicht staat in afdeling 1.4 van deze waterschapsverordening. Voor een eenvoudig werk met weinig risico is geen vergunning nodig en er gelden geen voorwaarden zonder vergunning. Voor zo’n werk geldt alleen een zorgplicht. Dit betekent dat een initiatiefnemer zelf mag bedenken hoe een werk wordt uitgevoerd, zolang dat maar zorgvuldig is. De zorgplicht geeft ruimte voor eigen verantwoordelijkheid. Van Rijnland mag alles, zolang het watersysteem maar goed blijft werken. De initiatiefnemer krijgt hierbij vertrouwen en verantwoordelijkheid. Ontstaat er toch een probleem in het watersysteem, dan lost de initiatiefnemer het probleem zelf op. Dit is soms fijn, maar soms ook onzeker. Soms wil een initiatiefnemer graag zeker weten dat zijn activiteiten voldoen aan de zorgplicht. Om meer zekerheid te geven, heeft Rijnland voor een aantal activiteiten een verdere uitwerking van de zorgplicht. In deze paragraaf staat de verdere uitwerking van de zorgplicht voor het op een vaste plek plaatsen van een drijvend voorwerp.
Werkt een initiatiefnemer volgens de voorwaarden uit deze paragraaf, dan wordt automatisch voldaan aan de zorgplicht. Het is dus een altijd goedgekeurde werkwijze. Rijnland vindt de activiteiten dan altijd goed. Maar het is niet verplicht om te werken volgens deze voorwaarden. De initiatiefnemer mag ook vanuit de eigen verantwoordelijkheid kiezen voor een andere manier van werken. Om zo op een andere manier te voldoen aan de zorgplicht. Toelichting op artikel 17.7: Drijvend voorwerp is maximaal 8 meter breed Een drijvend voorwerp mag niet te groot zijn. Want dan kan het teveel invloed hebben op de doorstroming van het oppervlaktewater. Toelichting op artikel 17.8: Minimaal 2/3 van het oppervlaktewater blijft leeg Het is belangrijk dat een drijvend voorwerp niet te ver naar het midden van het oppervlaktewater wordt geplaatst. Want dan heeft het teveel invloed op de stroming van het water. Daarom wil Rijnland dat 2/3 van het oppervlaktewater zonder onderbreking leeg blijft.
Toelichting op hoofdstuk 18: Ophogen maaiveld Toelichting op afdeling 18.2: Vergunning Toelichting op paragraaf 18.2.1: Wanneer is een vergunning nodig Toelichting op subparagraaf 18.2.1.1: Ophogen maaiveld bij de zeewering Toelichting op artikel 18.3: Maaiveld ophogen buiten bebouwde deel van de zeewering Rijnland wil dat de zeewering buiten het bebouwde deel zoveel mogelijk op een natuurlijke manier beweegt. Dit
betekent dat het zand zich op een natuurlijke manier moet kunnen verplaatsen. Daarom is er altijd een vergunning nodig voor ophogen van het maaiveld buiten het bebouwde deel van de zeewering.
Toelichting op subparagraaf 18.2.1.2: Ophogen maaiveld bij een waterkering Toelichting op artikel 18.4: Maaiveld meer dan 50 centimeter ophogen in een waterkering Als de initiatiefnemer het maaiveld van een waterkering meer dan 0,5 meter ophoogt, dan dat geeft een risico. De waterkering kan namelijk minder stevig en stabiel worden omdat het maaiveld te zwaar wordt. Met als gevaar dat de waterkering het water niet meer goed kan tegenhouden. De initiatiefnemer moet met stabiliteits- en zettingsberekeningen laten zien of het ophogen van het maaiveld een risico kan zijn voor de waterkering. Toelichting op artikel 18.5: Maaiveld ophogen op kruin van waterkering De kruin is een heel belangrijk deel van de waterkering. Daarom moet de initiatiefnemer de kruin met goede materialen ophogen. Andere materialen dan klei zijn niet altijd geschikt.
Toelichting op paragraaf 18.2.2: Beoordelen van de vergunningaanvraag Toelichting op subparagraaf 18.2.2.1: Beoordelen van de vergunningaanvraag algemeen Toelichting op artikel 18.7: Beoordelen van de vergunningaanvraag Deze artikelen vormen voor het ophogen een aanvulling op de beoordelingsregels uit afdeling 3.3. Alleen wanneer aan alle beoordelingsregels uit afdeling 3.3 en de aanvullende beoordelingsregels uit deze paragraaf wordt voldaan verleent Rijnland de vergunning.
Toelichting op subparagraaf 18.2.2.2: Beoordelen van de vergunningaanvraag voor maaiveld ophogen bij de waterkering Toelichting op artikel 18.8: Neerslag stroomt van waterkering af Als neerslag niet van de waterkering af kan stromen, dan kan de waterkering zacht en slap worden. Dit maakt de waterkering minder stevig en minder stabiel. Met als risico dat de waterkering het water niet meer goed kan tegenhouden.
Toelichting op afdeling 18.3: Verdere uitwerking van de zorgplicht Toelichting op artikel 18.11: Verdere uitwerking zorgplicht voor ophogen maaiveld bij waterkering Voor alle activiteiten geldt een zorgplicht. Hiermee wil Rijnland nadelen voor het watersysteem voorkomen. Meer informatie over de zorgplicht staat in afdeling 1.4 van deze waterschapsverordening. Voor een eenvoudig werk met weinig risico is geen vergunning nodig en er gelden geen voorwaarden zonder vergunning. Voor zo’n werk geldt alleen een zorgplicht. Dit betekent dat een initiatiefnemer zelf mag bedenken hoe een werk wordt uitgevoerd, zolang dat maar zorgvuldig is. De zorgplicht geeft ruimte voor eigen verantwoordelijkheid. Van Rijnland mag alles, zolang het watersysteem maar goed blijft werken. De initiatiefnemer krijgt hierbij vertrouwen en verantwoordelijkheid. Ontstaat er toch een probleem in het watersysteem, dan lost de initiatiefnemer het probleem zelf op. Dit is soms fijn, maar soms ook onzeker. Soms wil een initiatiefnemer graag zeker weten dat zijn activiteiten voldoen aan de zorgplicht. Om meer zekerheid te geven, heeft Rijnland voor een aantal activiteiten een verdere uitwerking van de zorgplicht. In deze paragraaf staat de verdere uitwerking van de zorgplicht.
Werkt een initiatiefnemer volgens de voorwaarden uit deze paragraaf, dan wordt automatisch voldaan aan de zorgplicht. Het is dus een altijd goedgekeurde werkwijze. Rijnland vindt de activiteiten dan altijd goed. Maar het is niet verplicht om te werken volgens deze voorwaarden. De initiatiefnemer mag ook vanuit de eigen verantwoordelijkheid kiezen voor een andere manier van werken. Om zo op een andere manier te voldoen aan de zorgplicht. Toelichting op artikel 18.12: Waterkering na ophogen van maaiveld beschermen tegen erosie Door neerslag kan de grond die de initiatiefnemer gebruikte om het maaiveld op te hogen weer wegspoelen. Het is daarom belangrijk om de waterkering te beschermen tegen het wegspoelen en ook wegwaaien van de grond. Dit kan bijvoorbeeld door de waterkering in te zaaien met gras. Toelichting op artikel 18.13: Schoon materiaal gebruiken voor ophogen maaiveld op waterkering Als de initiatiefnemer het maaiveld wil ophogen met bagger, dan gelden er eisen voor de kwaliteit van de bagger. Dit staat in het landelijk Besluit bodemkwaliteit en in de Regeling bodemkwaliteit. Gemeenten kunnen in hun bodembeheernota’s ook eisen stellen aan het verplaatsen van grond.
Toelichting op hoofdstuk 19: Boom of struik planten of hebben Toelichting op afdeling 19.1: Wanneer geldt dit hoofdstuk Toelichting op artikel 19.1: Boom of struik planten of hebben Een boom of struik herplanten is hetzelfde als het planten van een nieuwe boom of struik. Dezelfde regels gelden.
Toelichting op afdeling 19.2: Vergunning Toelichting op paragraaf 19.2.1: Wanneer is een vergunning nodig Toelichting op artikel 19.2: Boom of struik hoger dan 2 meter in de kruin van waterkering Een boom of struik kan risico’s geven voor de waterkering. De waterkering kan minder stabiel en stevig worden. Hoe hoger de boom of struik, hoe groter het risico. Een paar voorbeelden: Wanneer een boom omvalt, ontstaat een ontgrondingskuil. Dit ‘gat’ ontstaat omdat de wortels uit de waterkering worden getrokken. Als een boom meebeweegt met de wind kunnen er ‘lege’ ruimtes ontstaan rond de wortels en boomstam. (Afgestorven) wortels kunnen voor lekkage in de waterkering zorgen. Of de zetting van de waterkering wordt groter. Hoe groot het risico voor de waterkering is, hangt af van de plek waar de boom of struik wordt geplant. De kruin van de waterkering is het meest kwetsbaar. Daarom is een vergunning nodig voor een boom of struik in de kruin van de waterkering, als die boom of struik volgroeid groter kan worden dan 2 meter. Toelichting op artikel 19.3: Boom of struik hoger dan 2 meter in buitentalud van waterkering Een boom of struik kan risico’s geven voor de waterkering. De waterkering kan minder stabiel en stevig worden. Hoe hoger de boom of struik, hoe groter het risico. Een paar voorbeelden: Wanneer een boom omvalt, ontstaat een ontgrondingskuil.
Dit ‘gat’ ontstaat omdat de wortels uit de waterkering worden getrokken. Als een boom meebeweegt met de wind kunnen er ‘lege’ ruimtes ontstaan rond de wortels en boomstam.
(Afgestorven) wortels kunnen voor lekkage in de waterkering zorgen. Of de zetting van de waterkering wordt groter. Hoe groot het risico voor de waterkering is, hangt af van de plek waar de boom of struik wordt geplant. De kruin van de waterkering is het meest kwetsbaar. Daarom is een vergunning nodig voor een boom of struik in de kruin van de waterkering, als die boom of struik volgroeid groter kan worden dan 2 meter. Toelichting op artikel 19.4: Boom of struik hoger dan 5 meter Een boom of struik kan risico’s geven voor de waterkering. De waterkering kan minder stabiel en stevig worden. Hoe hoger de boom of struik, hoe groter het risico. Een paar voorbeelden: Wanneer een boom omvalt, ontstaat een ontgrondingskuil. Dit ‘gat’ ontstaat omdat de wortels uit de waterkering worden getrokken. Als een boom meebeweegt met de wind kunnen er ‘lege’ ruimtes ontstaan rond de wortels en boomstam. (Afgestorven) wortels kunnen voor lekkage in de waterkering zorgen. Of de zetting van de waterkering wordt groter. Hoe groot het risico voor de waterkering is, hangt af van de plek waar de boom of struik wordt geplant. De kruin en het buitentalud van de waterkering zijn het kwetsbaarst. De andere delen van de waterkering zijn wat minder kwetsbaar. Daarom is een vergunning nodig voor elke boom of struik in de waterkering die volgroeid groter kan worden dan 5 meter.
Toelichting op paragraaf 19.2.2: Beoordelen van de vergunningaanvraag Toelichting op artikel 19.6: Nieuwe boom of struik in de kruin van waterkering Het planten van een boom of struik op de kruin van een waterkering geeft een duidelijk risico. De waterkering kan minder stabiel en stevig worden. Rijnland heeft daarom als uitgangspunt dat er geen nieuwe bomen of struiken mogen komen op dit deel van de waterkering. Toelichting op artikel 19.7: Nieuwe boom of struik in buitentalud van waterkering Het planten van een boom of struik in het buitentalud van een waterkering geeft een duidelijk risico. De waterkering kan minder stabiel en stevig worden. Rijnland heeft daarom als uitgangspunt dat er geen nieuwe bomen of struiken mogen komen op dit deel van de waterkering. Toelichting op artikel 19.8: Boom of struik in andere delen van de waterkering In de legger Regionale waterkeringen staat het profiel van vrije ruimte. Deze legger is te vinden op onze website. Het profiel van vrije ruimte is een ruimte in de grond aan beide kanten van een waterkering, met een bepaalde lengte, breedte en hoogte. Het is gereserveerd voor het versterken of uitbreiden van een waterkering. Toelichting op artikel 19.8, eerste lid Bij het bepalen van de ontgrondingskuil wordt ook rekening gehouden met de zettingen die naar verwachting plaatsvinden zo lang de beplanting aanwezig is.
Toelichting op afdeling 19.3: Voorwaarden zonder vergunning Toelichting op artikel 19.10: Wanneer gelden deze voorwaarden? Een boom of struik kan risico’s geven voor de waterkering. De waterkering kan minder stabiel en stevig worden. Hoe hoger de boom of struik, hoe groter het risico. Een paar voorbeelden:
Wanneer een boom omvalt, ontstaat een ontgrondingskuil. Dit ‘gat’ ontstaat omdat de wortels uit de waterkering worden getrokken. Als een boom meebeweegt met de wind kunnen er ‘lege’ ruimtes ontstaan rond de wortels en boomstam. (Afgestorven) wortels kunnen voor lekkage in de waterkering zorgen. Of de zetting van de waterkering wordt groter. Het is vaak lastig om vooraf te bepalen hoe hoog een boom kan worden. Hiemstra et al. heeft voor veel soorten bomen informatie verzameld over hoe hoog ze kunnen worden. Dit staat in het rapport: Gebruikswaardeonderzoek laanbomen. Praktijkonderzoek Plant en Omgeving, Wageningen University and Research centre. Volgens dit rapport zijn dit struiken en bomen die lager blijven dan 5 meter: Cornus mas – gele kornoelje Magnolia x loebneri ‘Merrill’ – magnolia variëteit Malus baccata ‘Street parade’ – sierappel variëteit Malus ‘Evereste’ – sierappel variëteit Malus ‘Rudolph’ – sierappel variëteit Sorbus – lijsterbessen en meelbessen Cercis siliquastrum – judasboom Craetagus – meidoorn Amelanchier lamarckii – krentenboom Toelichting op artikel 19.11: Geen erosie aan de waterkering Onder een boom of struik is schaduw. Soms kunnen door die schaduw andere planten daar niet meer groeien. Dit kan zorgen voor erosie, waarbij grond wegwaait of wegspoelt. Rijnland wil geen erosie van een waterkering, want dat maakt de waterkering minder stevig en stabiel.
De initiatiefnemer kan dit bijvoorbeeld voorkomen door bomen en struiken op tijd te snoeien. Toelichting op artikel 19.12: Controle van de waterkering blijft mogelijk Rijnland moet de waterkering kunnen controleren op scheuren of lekkages. Het is dus belangrijk dat Rijnland de waterkering goed kan bekijken. Bomen en struiken mogen niet in de weg staan. De initiatiefnemer kan hiervoor zorgen door bomen en struiken goed te snoeien en uit te dunnen.
Toelichting op afdeling 19.4: Verdere uitwerking van de zorgplicht Toelichting op artikel 19.13: Verdere uitwerking van de zorgplicht Voor alle activiteiten geldt een zorgplicht. Hiermee wil Rijnland nadelen voor het watersysteem voorkomen. Meer informatie over de zorgplicht staat in afdeling 1.4 van deze waterschapsverordening. Voor een eenvoudig werk met weinig risico is geen vergunning nodig en er gelden geen voorwaarden zonder vergunning. Voor zo’n werk geldt alleen een zorgplicht. Dit betekent dat een initiatiefnemer zelf mag bedenken hoe een werk wordt uitgevoerd, zolang dat maar zorgvuldig is. De zorgplicht geeft ruimte voor eigen verantwoordelijkheid. Van Rijnland mag alles, zolang het watersysteem maar goed blijft werken. De initiatiefnemer krijgt hierbij vertrouwen en verantwoordelijkheid. Ontstaat er toch een probleem in het watersysteem, dan lost de initiatiefnemer het probleem zelf op. Dit is soms fijn, maar soms ook onzeker. Soms wil een initiatiefnemer graag zeker weten dat zijn activiteiten voldoen aan de zorgplicht. Om meer zekerheid te geven, heeft Rijnland voor een aantal activiteiten een verdere uitwerking van
de zorgplicht. In deze paragraaf staat de verdere uitwerking van de zorgplicht. Werkt een initiatiefnemer volgens de voorwaarden uit deze paragraaf, dan wordt automatisch voldaan aan de zorgplicht. Het is dus een altijd goedgekeurde werkwijze. Rijnland vindt de activiteiten dan altijd goed. Maar het is niet verplicht om te werken volgens deze voorwaarden. De initiatiefnemer mag ook vanuit de eigen verantwoordelijkheid kiezen voor een andere manier van werken. Om zo op een andere manier te voldoen aan de zorgplicht. Toelichting op artikel 19.14: Geen erosie van het gras op de waterkering Onder een boom of struik is schaduw. Door die schaduw kan gras daar soms niet meer groeien. Dit kan zorgen voor erosie, waarbij grond wegwaait of wegspoelt. Rijnland wil geen erosie van een waterkering, want dat maakt de waterkering minder stevig en stabiel. De initiatiefnemer kan dit bijvoorbeeld voorkomen door bomen en struiken op tijd te snoeien. Toelichting op artikel 19.15: Controle van de waterkering blijft mogelijk Rijnland moet de waterkering kunnen controleren op scheuren of lekkages. Het is dus belangrijk dat Rijnland de waterkering goed kan bekijken. Bomen en struiken mogen niet in de weg staan. De initiatiefnemer kan hiervoor zorgen door bomen en struiken goed te snoeien en uit te dunnen.
Toelichting op hoofdstuk V: Activiteiten in waardevolle oevers Toelichting op afdeling V.1: Beoordelen vergunningaanvraag op verdwijnen van waardevolle oever Toelichting op artikel V.1: Beoordelen van de vergunningaanvraag In de hoofdstukken over activiteiten die het verdwijnen van waardevolle oevers kunnen veroorzaken, verwijzen we naar dit hoofdstuk. Toelichting op artikel V.2: Verlies van waardevolle oever compenseren Een waardevolle oever is belangrijk voor de waterkwaliteit en de biodiversiteit. Er groeien veel oeverplanten en onderwaterplanten. En voor vissen, vogels, kikkers, padden, insecten en kleine zoogdieren is zo'n oever een belangrijke plek. Daarom wil Rijnland voorkomen dat er waardevolle oevers verdwijnen. Verdwijnt door de activiteit van een initiatiefnemer een waardevolle oever, dan moet de initiatiefnemer dat verlies helemaal compenseren met de aanleg van een andere waardevolle oever: een oever die nieuw wordt aangelegd, of een oever die al eerder vrijwillig is aangelegd. Er zijn drie belangrijke voorwaarden: 1. de waardevolle oever is niet aangelegd om te voldoen aan een wettelijke verplichting 2. de waardevolle oever is niet aangelegd met subsidie van Rijnland . 3. de al bestaande waardevolle oever mag maximaal drie jaar eerder zijn aangelegd dan het moment waarop de te compenseren oever verdwijnt.
Toelichting op artikel V.3: Tijdstip waarop de nieuwe waardevolle oever is aangelegd Het gaat hierbij om de activiteit die ervoor heeft gezorgd dat er een waardevolle oever is verdwenen. Toelichting op artikel V.4: Hoe ziet een nieuwe of al eerder aangelegde waardevolle oever er uit
Het is belangrijk dat de initiatiefnemer de waardevolle oever op de juiste wijze aanlegt. De oever mag niet te steil mag zijn en heeft onder water een minimale breedte. Lees meer over het aanleggen van een natuurvriendelijke oever op onze website. Hier vindt een initiatiefnemer ook een dwarsdoorsnedetekening. Een initiatiefnemer die de oever aanlegt als compensatiemaatregel komt niet in aanmerking voor een subsidie.
Toelichting op afdeling V.2: Voorwaarden zonder vergunning voor een activiteit in een waardevolle oever Toelichting op artikel V.6: Werkzaamheden melden: aanvullende informatie Voor Rijnland is belangrijk dat er geen waardevolle oevers verdwijnen. Daarom wil Rijnland kunnen controleren of de nieuwe of al eerder aangelegde waardevolle oever ook echt is aangelegd. Toelichting op artikel V.7: Verlies van waardevolle oever compenseren Een waardevolle oever is belangrijk voor de waterkwaliteit en de biodiversiteit. Er groeien veel oeverplanten en onderwaterplanten. En voor vissen, vogels, kikkers, padden, insecten en kleine zoogdieren is zo'n oever een belangrijke plek. Daarom wil Rijnland voorkomen dat er waardevolle oevers verdwijnen. Verdwijnt door uw activiteit een waardevolle oever, dan moet initiatiefnemer dat verlies helemaal compenseren met de aanleg van een andere waardevolle oever: een oever die nieuw wordt aangelegd; of een oever die al eerder vrijwillig is aangelegd. Er zijn drie belangrijke voorwaarden: 1. de waardevolle oever is niet aangelegd om te voldoen aan een wettelijke verplichting; 2. de waardevolle oever is niet aangelegd met subsidie van Rijnland; 3. de al bestaande waardevolle oever mag maximaal drie jaar eerder zijn aangelegd dan het moment waarop de te compenseren oever verdwijnt.
Toelichting op artikel V.8: Tijdstip waarop de nieuwe waardevolle oever is aangelegd Het gaat hierbij om de activiteit die ervoor heeft gezorgd dat er waardevolle oever is verdwenen. Toelichting op artikel V.9: Hoe ziet een nieuwe of al eerder aangelegde waardevolle oever er uit Het is belangrijk dat de waardevolle oever op de juiste wijze wordt aangelegd. De oever mag niet te steil mag zijn en heeft onder water een minimale breedte. Lees meer over het aanleggen van een natuurvriendelijke oever op onze website. Hier vindt een initiatiefnemer ook een dwarsdoorsnedetekening. Omdat een initiatiefnemer de oever aanlegt als compensatiemaatregel komt een initiatiefnemer niet in aanmerking voor een subsidie.
Toelichting op hoofdstuk W: Activiteiten in vaarwegen Toelichting op afdeling W.1: Beoordelen vergunningaanvraag op goed en veilig varen in een vaarweg Toelichting op artikel W.1: Beoordelen van de vergunningaanvraag
In de hoofdstukken over activiteiten die invloed kunnen hebben op het varen in een vaarweg, verwijzen we naar dit hoofdstuk. Toelichting op artikel W.2: Varen blijft mogelijk Een vaarweg moet bevaarbaar blijven. Dit betekent: het oppervlaktewater en waterbodem blijven breed genoeg; het oppervlaktewater blijft diep genoeg; boven het wateroppervlak is niks wat het doorvaren in de vaarweg tegenhoudt.
Toelichting op afdeling W.2: Voorwaarden zonder vergunning voor een activiteit in vaarweg Toelichting op artikel W.4: Activiteit in de Drecht In de Drecht moet een route bevaarbaar blijven. Dit betekent: de Drecht en waterbodem blijven breed genoeg; de Drecht blijft diep genoeg; boven het wateroppervlak is niks wat het doorvaren in de vaarweg tegenhoudt. De provincie stelde minimale afmetingen vast voor de Drecht. Rijnland gebruikt die ook. Toelichting op artikel W.5: Activiteit in overige vaarwegen In deze vaarwegen moet een route bevaarbaar blijven. Dit betekent: de vaarweg en waterbodem blijven breed genoeg; de vaarweg blijft diep genoeg; boven het wateroppervlak is niks wat het doorvaren in de vaarweg tegenhoudt. Bijvoorbeeld voorwerpen. De provincie stelde minimale afmetingen vast voor de vaarwegen. Rijnland gebruikt die ook.
Toelichting op hoofdstuk X: Waterberging bij het maken van hard oppervlak Toelichting op afdeling X.1: Vergunning Toelichting op paragraaf X.1.2: Beoordelen van de vergunningaanvraag Toelichting op subparagraaf X.1.2.1: Beoordelen vergunningaanvraag algemeen Toelichting op artikel X.2a: Minimaal 90 millimeter neerslag opvangen Toelichting op artikel X.2a, eerste lid Het is belangrijk om bij nieuwe ontwikkelingen een plangebied meteen goed in te richten. Dan wordt de kans op wateroverlast beperkt. Voldoende waterberging is daarbij belangrijk. Daarom geldt dat binnen het plangebied in 24 uur minimaal 90 millimeter neerslag kan worden opgevangen. Het plangebied is het gebied waarbinnen een initiatiefnemer de verharding maakt.
De inrichting van het plangebied bepaalt hoe die 90 millimeter neerslag wordt opgevangen. Dat is een samenspel van: hoeveel oppervlak aan open water er aanwezig is; de mogelijkheden om water te infiltreren in de bodem. Rijnland wil graag dat dit zoveel mogelijk gebeurt; de mogelijkheden om water te bergen op eigen terrein en/of de openbare ruimte. De initiatiefnemer moet altijd nieuwe waterberging maken. Dat kan door het graven van nieuw oppervlaktewater of het aanleggen van een andere manier om water te bergen. Deze nieuwe waterberging kan de initiatiefnemer gebruiken om (voor een deel) te voldoen aan de eis om minimaal 90 millimeter neerslag op te vangen in 24 uur. Als de verplichting waterberging aan te leggen ervoor zorgt dat er binnen het plangebied meer dan 90 millimeter neerslag kan worden opgevangen, dan geldt deze hogere waarde als ondergrens. Met andere woorden: kan er 100 millimeter waterberging in het gebied worden gerealiseerd, dan geldt deze 100 millimeter als ondergrens. Toelichting op artikel X.2a, tweede lid Een plangebied kan beter tegen droge periodes als neerslag in de bodem wordt geïnfiltreerd. Neerslag wordt dan langer vastgehouden in het plangebied. Of het redelijk is om het infiltreren van neerslag te eisen, hangt af van de lokale situatie. Rijnland beoordeelt dit per situatie.
Toelichting op artikel X.2a, derde lid Rijnland wil het oppervlaktewater in de juiste verhouding aan een plangebied geven. Dit betekent dat Rijnland kijkt hoe groot het plangebied is, vergeleken met het peilvak. Hierbij geldt: Het oppervlaktewater van het peilvak wordt in de juiste verhouding aan het plangebied gegeven. Het oppervlaktewater van het plangebied wordt in de juiste verhouding aan een plan gegeven. Toelichting op artikel X.3: Maken van extra waterberging Toelichting op artikel X.3, eerste lid Neerslag die niet in de bodem kan wegzakken komt sneller in het oppervlaktewater terecht. Extra waterberging is dan nodig om deze neerslag op te vangen. Zo’n waterberging is een nieuw oppervlaktewater dat in open verbinding staat met de rest van het oppervlaktewater. Het maken van een losse vijver is niet genoeg. Toelichting op artikel X.3, tweede lid Soms is het maken van extra waterberging niet nodig. Of de extra waterberging kan kleiner zijn dan standaard nodig is. Hard oppervlak is maximaal 1 jaar aanwezig Blijft het harde oppervlak maximaal 1 jaar aanwezig, dan kan Rijnland toestemming geven om geen of minder extra waterberging te maken. Die toestemming geeft Rijnland alleen als er geen wateroverlast ontstaat in de rest van het peilgebied. Lijnvormig hard oppervlak Fietspaden en wandelpaden zijn voorbeelden van een lijnvormig hard oppervlak.
Als die paden geen afvoer voor het hemelwater hebben, dan stroomt de neerslag vaak in de bodem. Rijnland kan in dat geval toestemming geven om geen of minder extra waterberging te maken. Er moet dan wel genoeg grond naast het pad zijn om het de neerslag in te laten wegzakken. Daarom moet de afstand van het pad tot het oppervlaktewater naast het pad groot genoeg zijn. Meestal is 1 meter voldoende. Het is wel belangrijk dat die strook grond geen hard oppervlak heeft. Hard oppervlak waarvan neerslag de bodem in zakt
Soms kan de neerslag dat op een hard oppervlak valt toch helemaal in de bodem zakken. Bijvoorbeeld bij een halfopen hard oppervlak. Die wordt vaak gemaakt zonder afvoer voor hemelwater. De neerslag stroomt dan af naar de bodem. Of alle neerslag in de bodem zakt hangt af van: de grondsoort; en de afstand tot het oppervlaktewater dat naast het harde oppervlak ligt. Als alle neerslag in de bodem zakt, is extra waterberging niet nodig. Toelichting op artikel X.4: Wanneer wordt de waterberging gemaakt Toelichting op artikel X.4, eerste lid Rijnland wil voorkomen dat wateroverlast ontstaat. Daarom moet de extra waterberging eerder of tegelijk met de aanleg van het harde oppervlak worden gemaakt. Toelichting op artikel X.4, tweede lid Een initiatiefnemer mag een eerder gemaakt oppervlaktewater gebruiken als extra waterberging. Dat mag alleen als dat oppervlaktewater tot maximaal 5 jaar voor de vergunningaanvraag is gegraven. Deze 5 jaar is belangrijk. Rijnland moet weten hoeveel waterberging aanwezig blijft in een peilgebied. We gaan ervan uit dat een waterberging na 5 jaar blijft. Toelichting op artikel X.4, derde lid Een eerder gemaakte waterberging mag alleen worden gebruikt als extra waterberging als deze niet is gemaakt om te voldoen aan een andere verplichting.
Toelichting op artikel X.4, vierde lid Soms is het niet mogelijk om de waterberging eerder of tijdens het aanleggen van het harde oppervlak te maken. Als dit geen wateroverlast veroorzaakt, kan Rijnland toestaan dat de initiatiefnemer de extra waterberging later maakt. De extra waterberging moet wel worden gemaakt binnen 3 maanden na het maken van het harde oppervlak. Toelichting op artikel X.5: Plaats van de waterberging De waterberging moet de neerslag opvangen die van een hard oppervlak naar het oppervlaktewater stroomt. Daarom is het belangrijk dat de waterberging in de buurt van het harde oppervlak wordt gemaakt. Soms is het niet mogelijk om de waterberging te maken op de plaats die staat in lid 1, lid 2 of lid 3. Als er geen waterloverlast ontstaat kan Rijnland toestemming geven om de waterberging op een andere plaats te maken.
Toelichting op subparagraaf X.1.2.2: Oppervlaktewater als waterberging Toelichting op artikel X.6: Nieuw oppervlaktewater als waterberging Rijnland wil het liefst nieuw oppervlaktewater als waterberging. Het nieuwe water moet in open verbinding staan met de rest van het oppervlaktewater. Het maken van een losse vijver is niet genoeg. Het is belangrijk dat we voldoende water bergen. Daarom moet het nieuwe oppervlaktewater minimaal even groot zijn als 15% van het extra te maken hard oppervlak. Hard oppervlak dat verwijderd is mag de initiatiefnemer gebruiken om minder nieuw oppervlaktewater te maken. Soms kan een initiatiefnemer een hard oppervlak dat tussen de 5 en 10 jaar geleden is verwijderd gebruiken om minder nieuw oppervlaktewater te maken. Of dat kan hangt af van de verwachte peilstijging in het oppervlaktewater door de neerslag van het nieuwe harde oppervlak. Toelichting op artikel X.6a: Flexibel waterpeil
Een plangebied kan beter tegen droge periodes als neerslag langer wordt vastgehouden in het oppervlaktewater. Een flexibel waterpeil helpt daarbij, omdat een tijdelijk hoger waterpeil dan mogelijk is. Of het redelijk is om een wisselend waterpeil te eisen, hangt af van de lokale omstandigheden. Rijnland beoordeelt dit per situatie. Toelichting op artikel X.7: Waterberging afschrijven van de Berging Rekening Courant Verschillende gemeenten, en een paar andere partijen, hebben een saldo van gedempt en gegraven water. Dit saldo wordt bijgehouden in een Berging Rekening Courant (BRC). Als de eigenaar van de BRC in een peilvak een positief saldo heeft, dan mag zij andere organisaties of personen toestemming geven dit saldo te gebruiken. Een initiatiefnemer die hard oppervlak maakt en de extra waterberging wil regelen via de BRC, heeft daarvoor toestemming nodig van de eigenaar van de BRC. Wanneer deze toestemming is gegeven, is geen nieuw oppervlaktewater nodig.
Toelichting op subparagraaf X.1.2.3: Andere manier om waterberging te maken Toelichting op artikel X.8: Neerslag komt niet in oppervlaktewater Soms maken initiatiefnemers waterbergingen die geen afvoer hebben naar oppervlaktewater. Bijvoorbeeld een kratjessysteem onder een parkeerterrein, of wadi’s in een gebied op zandgrond. Als deze systemen niet direct op oppervlaktewater uitkomen, kan Rijnland ze toestaan. In de vergunning kunnen wel eisen komen over de manier waarop een initiatiefnemer voorkomt dat de systemen toch nog afvoeren naar het oppervlaktewater. Een voorbeeld van zo’n eis is een (iets) verhoogd grondlichaam rondom een parkeerterrein. Toelichting op artikel X.10: Binnen aangewezen gebied meer dan 50.000 m² Bij grote projecten waarbij een initiatiefnemer meer dan 5 hectare nieuw hard oppervlak maakt, kan bijna altijd nieuw oppervlaktewater worden gegraven. Daarom moet de nieuwe waterberging bij deze grote oppervlakken voor minimaal 80% nieuw oppervlaktewater zijn. Zo maken en houden we een robuust watersysteem. Toelichting op artikel X.11: Buiten aangewezen gebied In sommige peilvakken is weinig oppervlaktewater. Daar staat Rijnland geen andere manier van waterbergen toe. Zo zorgen we dat er voldoende oppervlaktewater aanwezig blijft in het hele watersysteem.
Er is een uitzondering: Alleen als het graven van oppervlaktewater écht niet mogelijk is, staan we een andere manier van waterbergen toe. Toelichting op artikel X.12: Grootte van de waterberging Toelichting op artikel X.12, eerste lid De snelheid waarmee de neerslag naar het oppervlaktewater stroomt, bepaalt hoe groot de extra waterberging moet zijn. Toelichting op artikel X.12, tweede lid Een extra waterberging voorkomt dat neerslag van het harde oppervlak te snel in het oppervlaktewater stroomt. Daarom is er een eis voor de maximale afvoersnelheid vanuit de extra waterberging. Toelichting op artikel X.12, derde lid Door verwijderd hard oppervlak af te halen van het nieuwe harde oppervlak, hoeft een initiatiefnemer minder waterberging te maken. Toelichting op artikel X.12, vierde lid Door verwijderd hard oppervlak af te halen van het nieuwe harde oppervlak, hoeft een initiatiefnemer minder waterberging te maken.