CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Bijlage 3: Ontwerp Waterschapsverordening 2023

commissie Beheer 6 april 2023, gemeente HaarlemBij agendapunt: Instemmen met de gemeentelijke zienswijze op de Waterschapsverordening van het hoogheemraadschap van Rijnland30.928 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Artikel 12.57 Onttrekken, retourneren of infiltreren in een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen De voorwaarden uit paragraaf 12.3.3 gelden voor het onttrekken, retourneren of infiltreren van grondwater als dit: a. gebeurt voor iets anders dan vee of planten water geven; en b. gebeurt voor iets anders dan een grondwatersanering; en c. gebeurt voor iets anders dan een brandblusvoorziening; en d. gebeurt voor iets anders dan een bemalen drainage voor een agrarisch doel; en e. gebeurt in een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen; en f. minimaal drie maanden en maximaal zes maanden duurt; en g. geen gevolgen heeft voor de freatische grondwaterstand in de kernzone en beschermingszone van de waterkering; en h. gebeurt met minimaal 5 m³ per uur, of 2.500 m³ per maand of 5.000 m³ per jaar; i. gebeurt met maximaal 35 m³ per uur; en j. gebeurt met maximaal 10.000 m³ per maand; en k. gebeurt met maximaal 30.000 m³ per jaar. Artikel 12.58 Onttrekken, retourneren of infiltreren in een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen De voorwaarden uit paragraaf 12.3.3 gelden voor het onttrekken, retourneren of infiltreren van grondwater als dit: a. gebeurt voor iets anders dan vee of planten water geven; en b. gebeurt voor iets anders dan een grondwatersanering; en c. gebeurt voor iets anders dan een brandblusvoorziening; en d.

gebeurt voor iets anders dan een bemalen drainage voor een agrarisch doel; en e. gebeurt in een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen; en f. maximaal zes maanden duurt; en g. geen gevolgen heeft voor de freatische grondwaterstand in de kernzone en beschermingszone van de waterkering; en h. gebeurt met minimaal 10 m³ per uur, of 5.000 m³ per maand of 12.000 m³ per jaar; en i. gebeurt met maximaal 100 m³ per uur; en j. gebeurt met maximaal 40.000 m³ per maand; en k. gebeurt met maximaal 100.000 m³ per jaar.

Paragraaf 12.3.3 Voorwaarden onttrekken, retourneren of infiltreren van grondwater Subparagraaf 12.3.3.1 Het werk melden Artikel 12.59 Tijdstip van melden 1 In afwijking van artikel 3.2 meldt een initiatiefnemer het onttrekken, retourneren en infiltreren van grondwater minimaal zes weken voor de werkzaamheden starten. 2

Het werk moet binnen één jaar na de melding starten, anders is de melding niet meer geldig. Artikel 12.60 Wat moet de initiatiefnemer melden Bij de melding uit artikel 12.59 zit deze informatie: a. De gegevens uit artikel 3.4; en b. Een bemalingsadvies met daarin: 1. Het doel van het grondwater onttrekken; en 2. Het aantal bestaande en nieuw in te richten putten; en 3. De coördinaten van alle putten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting; en 4. Van iedere put: i. Hoe diep in de grond de onderkant en de bovenkant van de filters zitten, gemeten vanaf het maaiveld en vanaf het NAP; en ii. De diameter en de lengte van de filters; en iii. De pompcapaciteit in m³; en iv. het pompvermogen in m³/uur; en 5. De hoeveelheid grondwater in m³ die maximaal wordt onttrokken per uur, per dag, per maand en per jaar; en 6. Een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen die het onttrekken kan veroorzaken; en 7. Een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden genomen om negatieve gevolgen van het onttrekken te voorkomen of beperken; en 8. Bij het infiltreren van water bevat het bemalingsadvies ook deze informatie: i. De hoeveelheid water in m³ die maximaal wordt geïnfiltreerd per uur, per dag, per maand en per jaar; en ii. De diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht; en iii.

Een beschrijving over de samenhang tussen het onttrekken en het infiltreren; en iv. Waar het water dat in de bodem wordt gebracht vandaan komt; en v. De samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; vi. Een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden genomen om negatieve gevolgen van het infiltreren te voorkomen of beperken. c. Een technisch bemalingsplan met een monitoringsplan met, afhankelijk van de verwachte effecten, daarin: 1. aangegeven hoe de daadwerkelijke effecten van de onttrekking, infiltratie of retournering in beeld worden gebracht door middel van grondwaterstanden; en 2. Een nulmeting van: i. De grondwaterstanden; en ii. Een opname van het maaiveld; en iii. Een opname van de bouwwerken (met behulp van foto’s); en iv. Het inmeten van hoogtebouten; en 3. Een meetplan voor de grondwaterstanden (met actiewaarden); 4. Een meetplan met zakbakens of hoogtebouten; 5. Een meetplan bodemvocht met eventueel een watergiftenplan; 6. Een meetplan waterkwaliteit als water wordt geïnfiltreerd; 7. Actiewaarden wanneer de omgeving waar wordt onttrokken, geïnfiltreerd of geretourneerd daar aanleiding voor geeft.

Subparagraaf 12.3.3.2 Informeren van Rijnland Artikel 12.61 Startdatum en einddatum doorgeven 1 Minstens vijf werkdagen voordat het onttrekken of infiltreren start, informeert de initiatiefnemer Rijnland over de startdatum. 2 Maximaal vijf werkdagen nadat het onttrekken of infiltreren is gestopt, informeert de initiatiefnemer Rijnland over de einddatum. Artikel 12.63 Schade doorgeven Als er schade ontstaat door het onttrekken, retourneren of infiltreren van grondwater, dan informeert de initiatiefnemer Rijnland hier zo snel mogelijk over: a. wat de schade is; en b. welke maatregelen zijn al genomen om meer schade te voorkomen; en c. welke maatregelen worden nog genomen.

Subparagraaf 12.3.3.3 Andere voorwaarden Artikel 12.64 Volgens de beoordelingsrichtlijn SIKB werken Er wordt gewerkt volgens de Beoordelingsrichtlijn SIKB 12000 Tijdelijke grondwaterbemaling, of op een manier die daar op lijkt. Artikel 12.65 Freatische grondwaterstand of stijghoogte verlagen 1 In het eerste watervoerende pakket wordt de freatische grondwaterstand maximaal 50 centimeter verlaagd onder de ontgravingsdiepte. 2 Bij een spanningsbemaling wordt in het eerste watervoerende pakket de freatische grondwaterstand maximaal 50 centimeter verlaagd onder de benodigde stijghoogte. Artikel 12.66 Peilbuis of meetput De initiatiefnemer plaatst een peilbuis of meetput om de maximale verlaging van de grondwaterstand of stijghoogte te bepalen. Artikel 12.67 Uitwisseling grondwater voorkomen De initiatiefnemer voorkomt uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten. Artikel 12.68 Hulpmiddelen grondwateronttrekking verwijderen Aan het einde van de onttrekking of infiltratie zorgt de initiatiefnemer voor: a. het verwijderen van alle hulpmiddelen die tijdens het werk zijn gebruikt; en b. het dichtmaken van de gaten.

Artikel 12.69 Grondwater retourneren Bij het retourneren van onttrokken grondwater brengt de initiatiefnemer het grondwater terug in hetzelfde watervoerende pakket waaruit het onttrokken is. Artikel 12.70 Voorspuiten mag niet De initiatiefnemer mag een peilbuis of boorfilter niet voorspuiten in: a. een kwetsbaar kwelgebied; of b. de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van een waterkering. Artikel 12.71 Onttrekken uit een strategische voorraad zoet grondwater 1 Grondwater dat is onttrokken uit een strategische voorraad zoet grondwater moet volledig worden geretourneerd. 2 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen afwijken van lid 1 als het grondwater niet wordt onttrokken in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. Artikel 12.72 Infiltratie stoppen Een initiatiefnemer stopt met het infiltreren van water als Rijnland dat nodig vindt. Dat is om deze redenen: a. er is te weinig water om te infiltreren; of b. de kwaliteit van het grondwater wordt te slecht; of c. een waterstaatswerk wordt slechter; of d. een van de punten hierboven dreigt te gebeuren.

Afdeling 12.4 Verdere uitwerking van de zorgplicht Paragraaf 12.4.1 Het werk melden Artikel 12.73 Het werk melden Is er geen vergunning nodig en gelden er geen voorwaarden zonder vergunning, dan meldt een initiatiefnemer het onttrekken, retourneren of infiltreren van grondwater. Artikel 12.74 Wat moet de initiatiefnemer melden Bij de melding zit de informatie uit artikel 12.60. Artikel 12.75 Het werk starten binnen één jaar na melding Het werk moet binnen één jaar na de melding starten, anders is de melding niet meer geldig.

Paragraaf 12.4.2 Verdere uitwerking van de zorgplicht Subparagraaf 12.4.2.1 Algemeen Artikel 12.76 Verdere uitwerking van de zorgplicht Is er geen vergunning nodig en gelden er geen voorwaarden zonder vergunning, dan is het onttrekken, retourneren of

infiltreren van grondwater in ieder geval toegestaan volgens de artikelen uit deze paragraaf. Artikel 12.77 Manier van werken Er wordt gewerkt volgens de Beoordelingsrichtlijn voor Tijdelijke grondwaterbemaling, Beoordelingsrichtlijn SIKB 12000.

Subparagraaf 12.4.2.2 bouwputbemaling bij waterkering of kwetsbare bebouwing Artikel 12.78 Monitoringsbuis plaatsen 1 De initiatiefnemer plaatst een monitoringsbuis tussen de bouwput en een waterkering of kwetsbaar gebouw. 2 De initiatiefnemer controleert deze monitoringsbuis iedere dag. 3 De initiatiefnemer vergelijkt de metingen met de berekende of de geïnterpoleerde contourlijnen uit het bemalingsadvies. Artikel 12.79 Hoeveelheid onttrokken grondwater controleren De initiatiefnemer vergelijkt iedere dag de gemeten hoeveelheid onttrokken grondwater met de berekende hoeveelheden uit het bemalingsadvies. Artikel 12.80 Niet voorspuiten bij plaatsen van peilbuis of boorfilter De initiatiefnemer mag niet voorspuiten bij het plaatsen van een peilbuis of boorfilter in: a. een kwetsbaar kwelgebied; of b. de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van een waterkering.

Hoofdstuk 13 Graven Afdeling 13.1 Wanneer geldt dit hoofdstuk Artikel 13.1 Graven De artikelen uit dit hoofdstuk gelden voor graven.

Afdeling 13.2 Vergunning Paragraaf 13.2.1 Wanneer is een vergunning nodig Subparagraaf 13.2.1.1 Graven van en in oppervlaktewater Artikel 13.2 Oppervlaktewater dieper graven dan 2,5 meter Een vergunning is nodig voor graven van oppervlaktewater dat dieper is dan 2,5 meter. Artikel 13.3 Belangrijk oppervlaktewater

1 Een vergunning is nodig voor graven van belangrijk oppervlaktewater. 2 Een vergunning is nodig voor graven in de kernzone van belangrijk oppervlaktewater. Artikel 13.4 Overig oppervlaktewater in kwetsbaar kwelgebied 1 Een vergunning is nodig voor graven van overig oppervlaktewater in een kwetsbaar kwelgebied. 2 Een vergunning is nodig voor het graven in de kernzone van overig oppervlaktewater in een kwetsbaar kwelgebied.

Subparagraaf 13.2.1.2 Graven in de zeewering Artikel 13.5 Graven om delfstoffen of specie te winnen Een vergunning is nodig voor graven om delfstoffen of specie te winnen bij een dijk-in-duin-constructie in de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van een zeewering. Artikel 13.6 Meer dan 3 m³ graven binnen bebouwde deel zeewering 1 Een vergunning is nodig voor graven van meer dan 3 m³ in het bebouwde deel van de kernzone en beschermingszone van een zeewering. 2 In uitzondering op lid 1 is er geen vergunning nodig voor graven op het strand. Artikel 13.7 Graven buiten bebouwde deel zeewering 1 Een vergunning is nodig voor graven buiten het bebouwde deel van de kernzone en beschermingszone van de zeewering. 2 In uitzondering op lid 1 is er geen vergunning nodig voor graven op het strand. Artikel 13.8 Uitzondering voor plaatsen kabel, leiding of mantelbuis In uitzondering op artikel 13.6 en artikel 13.7 is er geen vergunning nodig voor het graven als: a. dit gebeurt voor het plaatsen van een kabel, leiding en/of mantelbuis; en b. tot een diepte van maximaal 80 centimeter wordt gegraven; en c. tot een breedte van maximaal 50 centimeter wordt gegraven; en d. de gegraven sleuf voor maximaal 5 dagen achter elkaar open ligt; en e. aan het einde van het werk de gegraven sleuf wordt gevuld met grond met dezelfde samenstelling en/of verdichting.

Subparagraaf 13.2.1.3 Graven in een waterkering Artikel 13.9 Graven om delfstoffen of specie te winnen Een vergunning is nodig voor graven om delfstoffen of specie te winnen in de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van een waterkering. Artikel 13.10 Graven in de kruin van een waterkering Een vergunning is nodig voor graven in de kernzone van de waterkering als dit gebeurt in de kruin. Artikel 13.11 Meer dan 3 m³ graven in een waterkering Een vergunning is nodig voor meer dan 3 m³ graven in de kernzone en beschermingszone van een waterkering. Artikel 13.12 Diepte van graven in een waterkering Een vergunning is nodig voor dieper dan 30 centimeter graven in de kernzone en beschermingszone van een waterkering. Artikel 13.13 Uitzondering voor plaatsen kabel, leiding of mantelbuis In uitzondering op artikel 13.10, artikel 13.11 en artikel 13.12 is er geen vergunning nodig voor het graven als: a. dit gebeurt voor het plaatsen van een kabel, leiding en/of mantelbuis; en b. tot een diepte van maximaal 80 centimeter wordt gegraven; en c. tot een breedte van maximaal 50 centimeter wordt gegraven; en d. niet binnen 2 meter van de oeverlijn wordt gegraven; en e. het horizontale deel van de waterkering minstens 4 meter breed is; en f. de gegraven sleuf voor maximaal 5 dagen achter elkaar open ligt; en g.

aan het einde van het werk de gegraven sleuf wordt gevuld met grond met dezelfde samenstelling en/of verdichting.

Subparagraaf 13.2.1.4 Graven in kwetsbaar kwelgebied Artikel 13.14 Dieper dan 1,5 meter graven in kwetsbaar kwelgebied Een vergunning is nodig voor dieper dan 1,5 meter onder het maaiveld graven in een kwetsbaar kwelgebied.

Paragraaf 13.2.2 Beoordelen van de vergunningaanvraag Subparagraaf 13.2.2.1 Beoordelen van de vergunningaanvraag algemeen Artikel 13.15 Beoordelen van de vergunningaanvraag Bij het beoordelen van een vergunningaanvraag, gelden naast de beoordelingsregels uit afdeling 3.3 de volgende aanvullende beoordelingsregels: artikel 13.16 artikel 13.17 artikel 13.18 artikel 13.19 artikel 13.20 artikel 13.21

artikel 13.22 artikel 13.23 artikel 13.24 artikel 13.25 artikel V.2 artikel V.3 artikel V.4

Subparagraaf 13.2.2.2 Beoordelen van de vergunningaanvraag voor graven van en in oppervlaktewater Artikel 13.16 Nieuw belangrijk oppervlaktewater graven Een nieuw belangrijk oppervlaktewater wordt alleen gegraven als dat nodig is voor de aanvoer en afvoer van water. Artikel 13.17 Belangrijk oppervlaktewater breder of dieper maken Een water in de kernzone van belangrijk oppervlaktewater wordt alleen breder of dieper gemaakt als dat nodig is voor: a. het aanvoeren en afvoeren van water; of b. het bergen van water. Artikel 13.18 Talud belangrijk oppervlaktewater flauwer maken Het talud in de kernzone en beschermingszone van belangrijk oppervlaktewater wordt alleen flauwer gemaakt als dat nodig is voor: a. het goed blijven werken van het watersysteem; of b. het bergen van water.

Subparagraaf 13.2.2.3 Beoordelen van de vergunningaanvraag voor graven in de zeewering Artikel 13.19 Weggehaalde grond blijft aanwezig Weggehaalde grond blijft aanwezig binnen het deel van de kernzone of de beschermingszone van de zeewering waaruit het is weggegraven. Artikel 13.20 Niet graven in het grensprofiel Er wordt niet gegraven in het grensprofiel. Artikel 13.21 Graven om delfstoffen of specie te winnen Graven om delfstoffen of specie te winnen bij een dijk-in-duin-constructie in de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van de zeewering, mag alleen als er een goede reden is waarom graven op een plek buiten deze zones niet mogelijk is.

Subparagraaf 13.2.2.4 Beoordelen van de vergunningaanvraag voor graven in de waterkering Artikel 13.22 Graven in het profiel van vrije ruimte Graven binnen het profiel van vrije ruimte mag alleen bij zwaarwegende belangen. Artikel 13.23 Tijdelijk graven

1 Bij tijdelijk graven wordt de grond weer tot aan het maaiveld aangevuld als de graafwerkzaamheden klaar zijn. 2 Het aanvullen gebeurt met grond met dezelfde samenstelling en/of verdichting. Artikel 13.24 Verplaatsen van de waterkering Rijnland verplaatst de kernzone, beschermingszone of buitenbeschermingszone van de waterkering alleen als: a. er een schriftelijke toestemming is van personen of organisaties voor wie de plaats van de waterkering belangrijk is; en b. de andere plaats van de waterkering niet zorgt voor te veel extra kosten, zoals onderhoudskosten. Artikel 13.25 Graven om delfstoffen of specie te winnen Graven om delfstoffen of specie te winnen in de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van een waterkering, mag alleen als er een goede reden is waarom graven op een plek buiten deze zones niet mogelijk is.

Paragraaf 13.2.3 Voorschriften in de vergunning Artikel 13.26 Algemene voorschriften in de vergunning In de vergunning kunnen in ieder geval voorschriften staan over: a. de manier van graven; b. het gebied waar in mag worden gegraven; c. hoe diep maximaal mag worden gegraven; d. de volgorde van de graafwerkzaamheden; e. het monitoren van de mogelijke gevolgen van het graven; f. het repareren van ondoorlatende grondlagen die beschadigd zijn. Artikel 13.27 Extra voorschriften voor graven in waterkering In de vergunning kunnen in ieder geval voorschriften staan over: a. het maken van een vervangende waterkering; b. hoe de initiatiefnemer laat zien dat de bodem verticaal stevig en stabiel blijft; c. de kosten van het verplaatsen van een waterkering; d. een berekening om te laten zien dat: 1º. de waterkering het water kan blijven tegenhouden; 2º. de bodem niet opbarst. Artikel 13.28 Extra voorschriften voor graven van en in oppervlaktewater In de vergunning kunnen in ieder geval voorschriften staan over: a. de plaats waar het oppervlaktewater wordt gegraven; b. de grootte van het te graven oppervlaktewater; c. de vorm van het te graven oppervlaktewater;

d. het talud van het oppervlaktewater; e. de gevolgen van het graven voor de omgeving.

Afdeling 13.3 Voorwaarden zonder vergunning Paragraaf 13.3.1 Voorwaarden graven in een waardevolle oever Artikel 13.29 Voorwaarden graven in een waardevolle oever 1 De voorwaarden uit afdeling V.2 gelden als door het graven meer dan 2 m² waardevolle oever verdwijnt die met subsidie van Rijnland is aangelegd bij de tuin van een woning. 2 De voorwaarden uit afdeling V.2 gelden als door het graven meer dan 2 m² waardevolle oever verdwijnt op een plek die niet bij een tuin van een woning hoort.

Paragraaf 13.3.2 Voorwaarden graven van oppervlaktewater Artikel 13.30 Wanneer gelden deze voorwaarden De voorwaarden uit deze paragraaf gelden voor graven: a. van overig oppervlaktewater buiten een kwetsbaar kwelgebied; en b. tot 2,5 meter onder het winterpeil; en c. waarbij de werkzaamheden niet alleen bestaan uit: 1. het flauwer maken van het talud boven de waterspiegel; en/of 2. het dieper maken van bestaand oppervlaktewater. Artikel 13.31 Werkzaamheden melden De initiatiefnemer meldt het graven van oppervlaktewater bij Rijnland. Artikel 13.32 Wat moet de initiatiefnemer melden In de melding staan de gegevens uit artikel 3.4 en deze informatie: a. een dwarsprofiel van het te graven oppervlaktewater; en b. de oude breedte van het oppervlaktewater op de waterspiegel bij winterpeil; en c. de nieuwe breedte van het oppervlaktewater op de waterspiegel bij winterpeil; en d. een berekening van het oppervlak van het te graven oppervlaktewater; en e. een situatietekening met de plaats van het te graven oppervlaktewater, op een schaal van minimaal 1:2000. Artikel 13.33 Minimale maten van een nieuw oppervlaktewater 1 De diepte van het nieuwe oppervlaktewater is minimaal 60 centimeter. 2 De breedte van de waterbodem van het nieuwe oppervlaktewater is minimaal 40 centimeter.

3 De breedte van het nieuwe oppervlaktewater is op de waterspiegel bij winterpeil minimaal 2,5 meter. 4 De helling van het talud is 1:3 of flauwer. 5 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1, lid 2, lid 3 of lid 4 als een kleiner oppervlaktewater voldoende water kan aanvoeren en afvoeren. Artikel 13.34 Oppervlaktewater breder maken voor een waterberging Een bestaand oppervlaktewater moet minimaal 50 centimeter breder worden, als een initiatiefnemer dat oppervlaktewater gaat gebruiken als nieuwe waterberging om zo te voldoen aan de verplichting uit hoofdstuk X.

Paragraaf 13.3.3 Voorwaarden graven bij de zeewering Artikel 13.35 Wanneer gelden deze voorwaarden De voorwaarden uit deze paragraaf gelden voor het graven van maximaal 3 m³ in het bebouwde deel van de kernzone en beschermingszone van de zeewering. Artikel 13.36 Grond niet weghalen De afgegraven grond blijft liggen in het deel van de kernzone en beschermingszone van de zeewering waar wordt gegraven.

Paragraaf 13.3.4 Voorwaarden graven bij de waterkering Artikel 13.37 Wanneer gelden deze voorwaarden De voorwaarden uit deze paragraaf gelden voor het graven in de kernzone en beschermingszone van de waterkering als: a. maximaal 3 m3 wordt gegraven; en b. maximaal 30 centimeter diep wordt gegraven; en c. niet in de kruin wordt gegraven. Artikel 13.38 Grond niet weghalen De afgegraven grond blijft liggen in het deel van de kernzone en beschermingszone van de waterkering waar wordt gegraven.

Paragraaf 13.3.5 Voorwaarden graven in kwetsbaar kwelgebied Artikel 13.39 Wanneer gelden deze voorwaarden De voorwaarden uit deze paragraaf gelden voor het graven tot maximaal 1,5 meter diep in een kwetsbaar kwelgebied. Artikel 13.40 Niet meer kwel Het graven zorgt niet voor meer kwel. Artikel 13.41 Geen verzilting

Het graven zorgt niet voor verzilting. Artikel 13.42 Verticale stabiliteit van de bodem 1 Op elk ontgravingsdiepte is de bodem verticaal stabiel. 2 Tijdens het graven laat de initiatiefnemer met metingen zien wat de verticale stabiliteit van de bodem is. Artikel 13.43 Informeren Rijnland Als tijdens het uitvoeren van het werk blijkt dat niet kan worden voldaan aan artikel 13.40, artikel 13.41 of artikel 13.42, dan moet de initiatiefnemer Rijnland hier gelijk over informeren. Artikel 13.44 Sleufloze technieken 1 Een sleufloze techniek zoals een boring of een boogzinker, mag niet dieper dan 2,5 meter boven de onderkant van de afsluitende laag plaatsvinden. 2 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1, als het doorboren van de afsluitende laag gebeurt via een horizontaal gestuurde boring, waarbij: a. zo veel mogelijk verticaal wordt geboord; en b. een omhullende mantelbuis wordt gebruikt; en c. het diepste punt van de boring minimaal 2,5 meter onder de afsluitende laag komt. 3 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen afwijken van lid 1 wanneer dat voor een of meer belanghebbende gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de lid 1 te dienen doelen.

Afdeling 13.4 Verdere uitwerking van de zorgplicht voor graven Paragraaf 13.4.1 Verdere uitwerking zorgplicht voor graven in een peilgrens Artikel 13.45 Verdere uitwerking van de zorgplicht Is er geen vergunning nodig en gelden er geen voorwaarden zonder vergunning, dan mag een initiatiefnemer in ieder geval gaan graven in een peilgrens volgens de artikelen in deze paragraaf. Artikel 13.46 Geen verbinding tussen de peilvakken Het graven in een peilgrens voldoet in ieder geval aan de zorgplicht, als er geen verbinding tussen beide peilvakken komt.

Hoofdstuk 14 Kabels, leidingen en mantelbuizen Afdeling 14.1 Wanneer geldt dit hoofdstuk

Artikel 14.1 Kabel, leiding of mantelbuis De artikelen uit dit hoofdstuk gelden voor het plaatsen, vervangen of hebben van een kabel, leiding of mantelbuis.

Afdeling 14.2 Vergunning Paragraaf 14.2.1 Wanneer is een vergunning nodig Subparagraaf 14.2.1.1 Leiding waardoor water van hoog naar laag oppervlaktewater kan stromen Artikel 14.2 Leiding waardoor water van hoog naar laag oppervlaktewater kan stromen 1 Een vergunning is nodig voor het plaatsen van een leiding waardoor water van een hoger liggend oppervlaktewater naar een lager liggend oppervlaktewater kan stromen. 2 In uitzondering op lid 1 is er geen vergunning nodig als deze leiding: a. wordt gebruikt voor de aanvoer van water voor een op grond van hoofdstuk 6 toegestane verhoging van het waterpeil; en b. niet in de kernzone en beschermingszone van de waterkering wordt geplaatst.

Subparagraaf 14.2.1.2 Kabel, leiding of mantelbuis in de zeewering Artikel 14.3 Kabel, leiding of mantelbuis in de dijk-in-duin constructie Een vergunning is nodig voor het plaatsen en hebben van een kabel, leiding of mantelbuis in de dijk-in-duin constructie. Artikel 14.4 Leiding met meer dan 10 bar Een vergunning is nodig voor het plaatsen en hebben van een leiding met een druk groter dan 10 bar in de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van de zeewering.

Subparagraaf 14.2.1.3 Leiding of mantelbuis in de waterkering Artikel 14.5 Leiding met diameter groter dan 500 mm Een vergunning is nodig voor het plaatsen en hebben van een leiding met een diameter groter dan 500 mm in de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van de waterkering. Artikel 14.6 Drukloze leiding Een vergunning is nodig voor het plaatsen en hebben van een drukloze leiding met een diameter groter dan 160 mm in de kernzone en beschermingszone van de waterkering. Artikel 14.7 Drukhoudende leiding 1 Een vergunning is nodig voor het plaatsen en hebben van een drukhoudende leiding met een diameter groter dan 63 mm in de kernzone en beschermingszone van de waterkering.

2 Een vergunning is nodig voor het plaatsen en hebben van een leiding met een druk groter dan 10 bar in de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van de waterkering. Artikel 14.8 Mantelbuis met diameter groter dan 160 mm Een vergunning is nodig voor het plaatsen en hebben van een mantelbuis met een diameter groter dan 160 mm in de kernzone en beschermingszone van de waterkering.

Paragraaf 14.2.2 Beoordelen van de vergunningaanvraag Subparagraaf 14.2.2.1 Beoordelen van de vergunningaanvraag algemeen Artikel 14.9 Beoordelen van de vergunningaanvraag Bij het beoordelen van een vergunningaanvraag voor graven, gelden naast de beoordelingsregels uit afdeling 3.3 de volgende aanvullende beoordelingsregels: artikel 14.10 artikel 14.11 artikel 14.12 artikel 14.13 artikel 14.14 artikel 14.15

Subparagraaf 14.2.2.2 Beoordelen van de vergunningaanvraag voor een leiding om oppervlaktewater een gebied in te laten Artikel 14.10 Er is geen andere manier om water van hoog naar laag oppervlaktewater te laten stromen Het is echt nodig dat water van een hoger liggend oppervlaktewater naar een lager liggend oppervlaktewater gaat stromen, en er is geen redelijke andere manier om dat te doen dan via een leiding.

Subparagraaf 14.2.2.3 Beoordelen van de vergunningaanvraag voor een kabel, leiding of mantelbuis in de zeewering Artikel 14.11 Niet onder dijk-in-duin constructie De kabel, leiding of mantelbuis mag niet onder de dijk in duin constructie worden aangelegd. Artikel 14.12 Boven de dijk-in-duin constructie De kabel, leiding of mantelbuis mag boven de dijk in duin constructie worden aangelegd, als deze niet op een andere plaats kan komen. Artikel 14.13 Leiding met meer dan 10 bar Een leiding met een druk boven de 10 bar mag in de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van de zeewering worden geplaatst, als deze niet op een andere plaats kan komen.

Subparagraaf 14.2.2.4 Beoordelen van de vergunningaanvraag voor een leiding in de waterkering

Artikel 14.14 Leiding met meer dan 10 bar Een leiding met een druk boven de 10 bar mag in de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van de waterkering worden geplaatst, als deze niet op een andere plaats kan komen. Artikel 14.15 Leiding met een druk tot en met 10 bar Als het kan, moet een leiding in de kernzone en beschermingszone van de waterkering met een druk niet groter dan 10 bar voldoen aan NEN 3650 en NEN 3651, de richtlijn boortechnieken van RWS en VTV 2006.

Paragraaf 14.2.3 Voorschriften in de vergunning Artikel 14.16 Voorschriften in de vergunning In de vergunning kunnen in ieder geval voorschriften staan over: a. de constructie van de kabel, leiding of mantelbuis; b. het in- en uittredepunt van de kabel, leiding of mantelbuis; c. het eventueel verwijderen van de kabel, leiding of mantelbuis; d. de plaats van de kabel, leiding of mantelbuis; e. noodzakelijke maatregelen in de uitvoeringsfase; f. eventuele voorzieningen die nodig zijn om de waterkerendheid van de waterkering te waarborgen; en g. het gebruiken en het bedienen van de leiding waardoor water van een hoger liggend oppervlaktewater naar een lager liggend oppervlaktewater kan stromen.

Afdeling 14.3 Voorwaarden zonder vergunning Paragraaf 14.3.1 Wanneer gelden deze voorwaarden Artikel 14.17 Drukloze leiding in waterkering De voorwaarden uit deze afdeling gelden voor het plaatsen en hebben van een drukloze leiding met een maximale diameter van 160 mm in de kernzone en beschermingszone van de waterkering. Artikel 14.18 Drukhoudende leiding in waterkering 1 De voorwaarden uit deze afdeling gelden voor het plaatsen en hebben van een drukhoudende leiding in de kernzone en beschermingszone van de waterkering, als: a. de diameter maximaal 63 mm is; en b. de druk maximaal 10 bar is. 2 De voorwaarden uit deze afdeling gelden voor het plaatsen en hebben van een drukhoudende leiding in de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van de waterkering, als: a. dit niet gebeurt in de kernzone en beschermingszone van de waterkering; en b. de diameter maximaal 500 mm is; en c. de druk maximaal 10 bar is.

Artikel 14.19 Mantelbuis in waterkering De voorwaarden uit deze afdeling gelden voor het plaatsen en hebben van een mantelbuis met een maximale diameter van 160 mm in de kernzone en beschermingszone van de waterkering. Artikel 14.20 Kabel in waterkering De voorwaarden uit deze afdeling gelden voor het plaatsen en hebben een kabel in de kernzone en beschermingszone van de waterkering. Artikel 14.21 Renoveren of vervangen De voorwaarden uit deze afdeling gelden voor het renoveren of vervangen van een kabel, leiding of mantelbuis in de kernzone en beschermingszone van de waterkering.

Paragraaf 14.3.2 De voorwaarden Artikel 14.22 Kwaliteit leiding of mantelbuis De leiding of mantelbuis is minimaal gemaakt van PE 100 SDR 11. Artikel 14.23 Manier van plaatsen leiding of mantelbuis 1 De initiatiefnemer plaatst een leiding of mantelbuis: a. met een open ontgraving in de vorm van een tijdelijke sleuf; of b. met een ondiepe gestuurde boring, als: i. deze boring maximaal 2,5 meter boven de basis van het basisveen wordt uitgevoerd; en ii. de plekken waar deze boring in en uit de waterkering komt niet in de kernzone en beschermingszone van de waterkering liggen. 2 Bij het plaatsen van een leiding of mantelbuis wordt voldaan aan NEN 3650 en NEN 3651. 3 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1 en lid 2, als de waterkering stabiel blijft en water kan blijven tegenhouden. Artikel 14.24 Manier van plaatsen kabel 1 De initiatiefnemer plaatst de kabel: a. met een open ontgraving in de vorm van een tijdelijke sleuf; of b. door een bestaande mantelbuis heen, die voldoet aan NEN 3650 en NEN 3651; of c. met een ondiepe gestuurde boring, als: i. deze boring maximaal 2,5 meter boven de basis van het basisveen wordt uitgevoerd; en ii. het intredepunt en uittredepunt niet in de kernzone en beschermingszone van de waterkering liggen. 2

Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1 als de waterkering stabiel blijft en water kan blijven tegenhouden.

Afdeling 14.4 Verdere uitwerking van de zorgplicht voor kabels en leidingen Artikel 14.25 Verdere uitwerking van de zorgplicht Als voor het plaatsen van een kabel of leiding geen vergunning nodig is en er geen voorwaarden zonder vergunning gelden, dan mag een initiatiefnemer een kabel of leiding in ieder geval volgens de artikelen in deze afdeling plaatsen in de: a. kernzone en beschermingszone van belangrijk oppervlaktewater; of b. kernzone en beschermingszone van overig oppervlaktewater. Artikel 14.26 Kabel of leiding kruist de kernzone van belangrijk oppervlaktewater Een kabel of leiding mag de kernzone van belangrijk oppervlaktewater kruisen: a. op minimaal 2 meter onder de ingreepmaat; of b. op minimaal 50 centimeter onder de ingreepmaat als de kabel of leiding wordt beschermd tegen beschadigen. Artikel 14.27 Kabel of leiding kruist de kernzone van overig oppervlaktewater Een kabel of leiding mag de kernzone van overig oppervlaktewater kruisen: a. op minimaal 1,3 meter onder de ingreepmaat; of b. op minimaal 50 centimeter onder de ingreepmaat als de kabel of leiding wordt beschermd tegen beschadigen. Artikel 14.28 Kabel of leiding in een dam met duiker De initiatiefnemer plaatst de kabel of leiding onder de duiker. Artikel 14.29 kabel of leiding langs oppervlaktewater De initiatiefnemer plaatst een kabel of leiding minimaal 1 meter uit de insteek van het oppervlaktewater.

Hoofdstuk 15 Gebruik van voertuigen en werktuigen Afdeling 15.1 Wanneer geldt dit hoofdstuk Artikel 15.1 Voertuig of werktuig gebruiken bij de waterkering De artikelen uit dit hoofdstuk gelden voor het gebruiken van een voertuig of werktuig in de kernzone en beschermingszone van de waterkering.

Afdeling 15.2 Vergunning Paragraaf 15.2.1 Wanneer is een vergunning nodig Artikel 15.2 Voertuig of werktuig zwaarder dan 8.000 kg op een waterkering Een vergunning is nodig voor een voertuig of werktuig in de kernzone van de waterkering als: a. het voertuig of werktuig met de lading erbij meer weegt dan 8.000 kilogram; en

b. het voertuig of werktuig niet op een weg blijft. Artikel 15.3 Voertuig of werktuig zwaarder dan 50.000 kg op een waterkering Een vergunning is nodig voor een voertuig of werktuig in de kernzone van een waterkering als: a. het voertuig of werktuig met de lading erbij meer weegt dan 50.000 kilogram; en b. het voertuig of werktuig wordt neergezet en gebruikt voor het uitvoeren van activiteiten.

Paragraaf 15.2.2 Voorschriften in de vergunning Artikel 15.4 Voorschriften in de vergunning In de vergunning kunnen in ieder geval voorschriften staan over: a. het maximale gewicht van het voertuig of werktuig met de lading erbij; en b. maatregelen die nodig zijn om nadelige gevolgen voor de waterkering te voorkomen.

Afdeling 15.3 Verdere uitwerking zorgplicht voor een voertuig of werktuig op de waterkering Artikel 15.5 Verdere uitwerking van de zorgplicht Als voor een voertuig of werktuig in de kernzone en beschermingszone van de waterkering geen vergunning nodig is, dan mag een initiatiefnemer in ieder geval met een voertuig of werktuig in de kernzone en beschermingszone van de waterkering komen als wordt voldaan aan de artikelen in deze afdeling. Artikel 15.6 Maximaal gewicht voor rijden over weg op waterkering Rijden over een weg op een waterkering mag alleen als het gewicht van het voertuig of werktuig met de lading erbij, niet zwaarder is dan het maximale gewicht waarmee over die weg mag worden gereden. Artikel 15.7 Planten niet kapot rijden De voertuigen en werktuigen rijden de planten op de waterkering niet kapot. Artikel 15.8 Voertuig of werktuig neerzetten en gebruiken voor activiteiten 1 Een voertuig of werktuig staat alleen in de kernzone en beschermingszone van de waterkering als het niet op een andere plek kan. 2 Door het neerzetten en gebruiken van het voertuig of werktuig wordt de waterkering niet minder stabiel. Dit heeft de initiatiefnemer voor de start van de activiteiten vastgesteld.

Hoofdstuk 16 Dempen van oppervlaktewater Afdeling 16.1 Wanneer geldt dit hoofdstuk Artikel 16.1 Dempen van oppervlaktewater

De artikelen uit dit hoofdstuk gelden voor het dempen van oppervlaktewater.

Afdeling 16.2 Vergunning Paragraaf 16.2.1 Wanneer is een vergunning nodig Artikel 16.2 Dempen in de kernzone van belangrijk oppervlaktewater Een vergunning is nodig voor het dempen van oppervlaktewater in de kernzone van belangrijk oppervlaktewater. Artikel 16.3 Dempen in een kernzone en beschermingszone van de waterkering Een vergunning is nodig voor het dempen van oppervlaktewater in de kernzone en beschermingszone van de waterkering. Artikel 16.4 Dempen van meer dan 100 m² oppervlaktewater Een vergunning is nodig voor het dempen van meer dan 100 m² oppervlaktewater in de kernzone van overig oppervlaktewater. Artikel 16.5 Uitzondering voor steiler optrekken talud boven de waterspiegel In uitzondering op artikel 16.2, artikel 16.3 en artikel 16.4 is geen vergunning nodig als de initiatiefnemer alleen het talud boven de waterspiegel steiler optrekt.

Paragraaf 16.2.2 Beoordelen van de vergunningaanvraag Artikel 16.6 Beoordelen van de vergunningaanvraag Bij het beoordelen van een vergunningaanvraag, gelden naast de beoordelingsregels uit afdeling 3.3 de volgende aanvullende beoordelingsregels: artikel V.2 artikel V.3 artikel V.4 artikel W.2 artikel 16.7 artikel 16.8 artikel 16.9 artikel 16.10 Artikel 16.7 Maken van nieuwe waterberging 1 De initiatiefnemer maakt een nieuwe waterberging. 2 De nieuwe waterberging is nieuw oppervlaktewater dat minimaal net zo groot is als het oppervlak van de demping. 3 Dijkgraaf en hoogheemraden wijken af van lid 1 en lid 2 als; a. de demping wordt uitgevoerd om de oever te repareren; en

b. de initiatiefnemer kan bewijzen dat de oeverlijn op de kaart te veel landinwaarts is getekend. 4 Dijkgraaf en hoogheemraden wijken af van lid 1 en lid 2 als de demping tijdelijk is. 5 Dijkgraaf en hoogheemraden wijken af van lid 1 en lid 2 als: a. de demping voordelen heeft voor een ander doel van het waterbeheer; en b. de demping gebeurt in: i. de Nieuwkoopse plassen; of ii. de Reeuwijkse plassen; of iii. de Langeraarse plassen; of iv. de Amstelveense poel. Artikel 16.8 Wanneer wordt de waterberging gemaakt 1 De waterberging moet eerder dan of tegelijk met de demping worden gemaakt. 2 De waterberging is maximaal 5 jaar voor de vergunningaanvraag voor de demping gemaakt. 3 De waterberging is niet gemaakt om te voldoen aan een andere verplichting. 4 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen afwijken van lid 1 als: a. het technisch niet mogelijk is de nieuwe waterberging eerder dan of tegelijk met de demping te maken, en; b. er geen wateroverlast ontstaat als de nieuwe waterberging op een later tijdstip wordt gemaakt. Artikel 16.9 Plaats van de waterberging 1 Bij een demping in een polder wordt de waterberging gemaakt binnen het peilvak waarin wordt gedempt. 2 Bij een demping in de boezem wordt de waterberging gemaakt in de boezem binnen 5 kilometer van de demping. 3 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen afwijken van lid 1 of lid 2 als: a.

er te weinig ruimte is om de waterberging op de voorgeschreven plaats te maken, en; b. het maken van de waterberging op een andere plaats niet zorgt voor wateroverlast. Artikel 16.10 Waterberging afschrijven van de Berging Rekening Courant

1 Er hoeft geen nieuw oppervlaktewater te worden gemaakt als het oppervlak wordt afgeschreven van een Berging Rekening Courant. 2 In uitzondering op artikel 16.8, lid 2 mag ook een tegoed dat langer dan 5 jaar op de Berging Rekening Courant staat, worden afgeschreven.

Paragraaf 16.2.3 Voorschriften in de vergunning Artikel 16.11 Voorschriften in de vergunning In de vergunning kunnen in ieder geval voorschriften staan over: a. de breedte van een oppervlaktewater dat smaller wordt gemaakt; en b. de plaats van de nieuwe waterberging; en c. de maten van de nieuwe waterberging; en d. de volgorde van het dempen en het maken van de waterberging; en e. het uitvoeren van de demping.

Afdeling 16.3 Voorwaarden zonder vergunning Artikel 16.12 Wanneer gelden deze voorwaarden? De voorwaarden uit deze afdeling gelden voor dempen als: a. de demping gebeurt in de kernzone van overig oppervlaktewater; en b. de demping niet in de kernzone en beschermingszone van de waterkering gebeurt; en c. maximaal 100 m² oppervlaktewater wordt gedempt. Artikel 16.13 Uitzondering voor steiler optrekken talud boven de waterspiegel In uitzondering op artikel 16.12 gelden de voorwaarden uit deze afdeling niet als de initiatiefnemer alleen het talud boven de waterspiegel steiler optrekt. Artikel 16.14 Voorwaarden voor dempen in waardevolle oever 1 De voorwaarden uit afdeling V.2 gelden wanneer door het dempen meer dan 2,0 m² waardevolle oever verdwijnt die met subsidie van Rijnland is aangelegd bij de tuin van een woning. 2 De voorwaarden uit afdeling V.2 gelden wanneer door het dempen meer dan 2,0 m² waardevolle oever verdwijnt op een plaats die niet bij een tuin van een woning hoort. Artikel 16.15 Voorwaarden voor dempen een vaarweg De voorwaarden uit afdeling W.2 gelden voor dempen in vaarwegen. Artikel 16.16 Werkzaamheden melden De initiatiefnemer meldt de demping bij Rijnland voor het werk start.

Artikel 16.17 Wat moet de initiatiefnemer melden 1 In de melding staan de gegevens uit artikel 3.4. 2 Bij de melding zit een situatietekening met een schaal van ten minste 1:200. Op deze situatietekening staat de volgende informatie: a. de plaats en het aantal m² van de demping, en; b. de plaats en het aantal m² van het nieuwe oppervlaktewater. 3 Maakt de initiatiefnemer gebruikt van de Berging Rekening Courant, dan zit bij de melding: a. een bewijs dat water is overgedragen, of: b. een toestemming van de eigenaar van de Berging Rekening Courant. 4 Gebruikt de initiatiefnemer eerder gegraven oppervlaktewater, dan zit bij de melding toestemming van de eigenaar van het eerder gegraven oppervlaktewater. Artikel 16.18 Nieuwe waterberging 1 De initiatiefnemer maakt een nieuwe waterberging. 2 Deze nieuwe waterberging is nieuw oppervlaktewater dat minimaal net zo groot is het oppervlak van de demping. 3 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1 en lid 2 als: a. de demping wordt uitgevoerd om de oever te repareren; en b. de initiatiefnemer kan bewijzen dat de oeverlijn op de kaart te veel landinwaarts is getekend. 4 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1 en lid 2 als: a. de dempingtijdelijk is; en b. de aanvoer en afvoer van water goed mogelijk blijft; c. en er voldoende waterberging aanwezig blijft.

5 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1 en lid 2 als: a. de demping voordelen heeft voor een ander doel van het waterbeheer; en

b. de demping gebeurt in: i. de Nieuwkoopse plassen; of ii. de Reeuwijkse plassen; of iii. de Langeraarse plassen; of iv. de Amstelveense poel. Artikel 16.19 Wanneer wordt de waterberging gemaakt 1 De waterberging moet eerder dan of tegelijk met de demping worden gemaakt. 2 De waterberging is maximaal 5 jaar voor de vergunningaanvraag voor de demping gemaakt. 3 De waterberging is niet gemaakt om te voldoen aan een andere verplichting. 4 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1 als: a. het technisch niet mogelijk is de nieuwe waterberging eerder dan of tegelijk met de demping te maken, en; b. er geen wateroverlast ontstaat als de nieuwe waterberging op een later tijdstip wordt gemaakt. Artikel 16.20 Plaats van de waterberging 1 Bij een demping in een polder wordt de waterberging gemaakt binnen het peilvak waarin wordt gedempt. 2 Bij een demping in de boezem wordt de waterberging gemaakt in de boezem binnen 5 kilometer van de demping. 3 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1 of lid 2 als: a. er te weinig ruimte is om de waterberging op de voorgeschreven plaats te maken, en; b. het maken van de waterberging op een andere plaats niet zorgt voor wateroverlast.

Artikel 16.21 Waterberging afschrijven van de Berging Rekening Courant 1 Er hoeft geen nieuw oppervlaktewater te worden gemaakt als het oppervlak wordt afgeschreven van een Berging Rekening Courant. 2 In uitzondering op artikel 16.19, lid 2 mag ook een tegoed dat langer dan 5 jaar op de Berging Rekening Courant staat, worden afgeschreven. Artikel 16.22 Wateraanvoer en waterafvoer

De aanvoer en afvoer van water blijft goed mogelijk. Artikel 16.23 Dempen van doodlopend oppervlaktewater Doodlopend oppervlaktewater wordt vanaf de kopse kant gedempt. Artikel 16.24 Versmallen oppervlaktewater 1 Als een oppervlaktewater smaller wordt gemaakt, is dit oppervlaktewater na de demping op de waterspiegel bij winterpeil minimaal 4 meter breed. 2 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1 en een kleinere breedte toestaan als de aanvoer en afvoer van water goed mogelijk blijft. Artikel 16.25 Dempen in veengronden en kleigronden op veen 1 Bij een demping buiten het bebouwde deel van veengronden en kleigronden op veen mogen nieuwe percelen maximaal 80 meter breed worden. 2 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1 en een breder perceel toestaan, als de maximale grondwaterdiepte niet meer is dan bij een perceel van 80 meter breed.

Hoofdstuk 17 Plaatsen van een drijvend voorwerp Afdeling 17.1 Wanneer geldt dit hoofdstuk Artikel 17.1 Plaatsen van drijvend voorwerp op een vaste plek De artikelen uit dit hoofdstuk gelden voor het op een vaste plek plaatsen van een drijvend voorwerp.

Afdeling 17.2 Voorwaarden zonder vergunning Artikel 17.2 Wanneer gelden deze voorwaarden De voorwaarden uit deze afdeling gelden voor het op een vaste plek plaatsen van een drijvend voorwerp in de kernzone van belangrijk oppervlaktewater. Artikel 17.3 Drijvend voorwerp ligt in de lengte langs de oeverlijn 1 Het drijvende voorwerp ligt in de lengte langs de oeverlijn. 2 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1 als: a. de aanvoer en afvoer van water goed mogelijk blijft; en b. onderhoud van het oppervlaktewater mogelijk blijft.

Artikel 17.4 Drijven voorwerp is maximaal 8 meter breed 1 Het drijvende voorwerp is maximaal 8 meter breed. 2 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1 als: a. de aanvoer en afvoer van water goed mogelijk blijft; en b. onderhoud van het oppervlaktewater mogelijk blijft. Artikel 17.5 Minimaal 2/3 van het oppervlaktewater blijft leeg 1 Na plaatsen van het drijvende voorwerp is minimaal 2/3 van het oppervlaktewater aaneengesloten leeg. 2 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1 als: a. de aanvoer en afvoer van water goed mogelijk blijft; en b. onderhoud van het oppervlaktewater mogelijk blijft.

Afdeling 17.3 Verder uitwerking van de zorgplicht Artikel 17.6 Verdere uitwerking van de zorgplicht Is er geen vergunning nodig en gelden er geen voorwaarden zonder vergunning, dan mag een initiatiefnemer een drijvend voorwerp op een vaste plek plaatsen volgens de artikelen uit deze afdeling. Artikel 17.7 Drijvend voorwerp is maximaal 8 meter breed Het drijvende voorwerp is maximaal 8 meter breed. Artikel 17.8 Minimaal 2/3 van het oppervlaktewater blijft leeg Na plaatsen van het drijvende voorwerp is minimaal 2/3 van het oppervlaktewater aaneengesloten leeg.

Hoofdstuk 18 Ophogen maaiveld Afdeling 18.1 Wanneer geldt dit hoofdstuk Artikel 18.1 Ophogen maaiveld 1 De artikelen uit dit hoofdstuk gelden voor ophogen van het maaiveld. 2 In uitzondering op lid 1 gelden de artikelen uit dit hoofdstuk niet voor: a. verspreiden van bagger met een baggerspuit bij het onderhoud van oppervlaktewater; en

b. als daardoor het maaiveld tot maximaal 10 centimeter wordt opgehoogd.

Afdeling 18.2 Vergunning Paragraaf 18.2.1 Wanneer is een vergunning nodig Subparagraaf 18.2.1.1 Ophogen maaiveld bij de zeewering Artikel 18.2 Maaiveld met meer dan 3 m³ ophogen binnen bebouwde deel van de zeewering 1 Een vergunning is nodig voor het ophogen van het maaiveld met meer dan 3 m³ binnen het bebouwde deel van de kernzone en de beschermingszone van de zeewering. 2 In uitzondering op lid 1 is er geen vergunning nodig voor ophogen op het strand. Artikel 18.3 Maaiveld ophogen buiten bebouwde deel van de zeewering 1 Een vergunning is nodig voor ophogen van het maaiveld buiten het bebouwde deel van de kernzone en de beschermingszone van de zeewering. 2 In uitzondering op lid 1 is er geen vergunning nodig voor ophogen op het strand.

Subparagraaf 18.2.1.2 Ophogen maaiveld bij een waterkering Artikel 18.4 Maaiveld meer dan 50 centimeter ophogen in een waterkering Een vergunning is nodig voor het meer dan 50 centimeter ophogen van het maaiveld in de kernzone en beschermingszone van de waterkering. Artikel 18.5 Maaiveld ophogen op kruin van waterkering 1 Een vergunning is nodig voor ophogen van het maaiveld op de kruin in de kernzone van de waterkering. 2 In uitzondering op lid 1 is er geen vergunning nodig voor ophogen met klei. Artikel 18.6 Maaiveld ophogen met natte bagger in kernzone van waterkering Een vergunning is nodig voor ophogen van het maaiveld met natte bagger in de kernzone van de waterkering.

Paragraaf 18.2.2 Beoordelen van de vergunningaanvraag Subparagraaf 18.2.2.1 Beoordelen van de vergunningaanvraag algemeen Artikel 18.7 Beoordelen van de vergunningaanvraag Bij het beoordelen van een vergunningaanvraag, gelden naast de beoordelingsregels uit afdeling 3.3 de volgende

aanvullende beoordelingsregels: artikel 18.8 artikel 18.9 artikel V.2 artikel V.3 artikel V.4

Subparagraaf 18.2.2.2 Beoordelen van de vergunningaanvraag voor maaiveld ophogen bij de waterkering Artikel 18.8 Neerslag stroomt van waterkering af Neerslag moet van de waterkering af kunnen stromen. Artikel 18.9 Maaiveld op de kruin ophogen met klei 1 Op de kruin wordt opgehoogd met klei. 2 In uitzondering op lid 1 kan Rijnland een ander materiaal op de kruin toestaan, maar alleen in een heel bijzondere situatie.

Paragraaf 18.2.3 Voorschriften in de vergunning Artikel 18.10 Voorschriften in de vergunning In de vergunning kunnen in ieder geval voorschriften staan over: a. hoe de initiatiefnemer het maaiveld mag ophogen; b. het gebied waarin de initiatiefnemer het maaiveld mag ophogen; c. het controleren van de mogelijke gevolgen van het ophogen van het maaiveld.

Afdeling 18.3 Verdere uitwerking van de zorgplicht Artikel 18.11 Verdere uitwerking zorgplicht voor ophogen maaiveld bij waterkering Als voor het ophogen van het maaiveld geen vergunning nodig is, dan mag een initiatiefnemer het maaiveld in de kernzone en beschermingszone van de waterkering ieder geval ophogen volgens de artikelen in deze afdeling. Artikel 18.12 Waterkering na ophogen van maaiveld beschermen tegen erosie De initiatiefnemer beschermt de waterkering na het ophogen van het maaiveld tegen erosie. Artikel 18.13 Schoon materiaal gebruiken voor ophogen maaiveld op waterkering De initiatiefnemer gebruikt schoon materiaal voor het ophogen van het maaiveld bij de waterkering. In het materiaal komt in ieder geval geen steen, puin, stronken of andere vervuiling voor.

Hoofdstuk 19 Boom of struik planten of hebben

Afdeling 19.1 Wanneer geldt dit hoofdstuk Artikel 19.1 Boom of struik planten of hebben De artikelen uit dit hoofdstuk gelden voor het planten of hebben van een boom of struik in de kernzone en beschermingszone van de waterkering.

Afdeling 19.2 Vergunning Paragraaf 19.2.1 Wanneer is een vergunning nodig Artikel 19.2 Boom of struik hoger dan 2 meter in de kruin van waterkering Een vergunning is nodig voor het planten of hebben van een boom of struik in de kernzone en beschermingszone van de waterkering in deze situaties: a. de boom of struik komt of staat in de kruin; en b. de boom of struik wordt volgroeid hoger dan 2 meter. Artikel 19.3 Boom of struik hoger dan 2 meter in buitentalud van waterkering Een vergunning is nodig voor het planten of hebben van een boom of struik in de kernzone en beschermingszone van de waterkering in deze situaties: a. de boom of struik komt of staat in het buitentalud; en b. de boom of struik wordt volgroeid hoger dan 2 meter. Artikel 19.4 Boom of struik hoger dan 5 meter Een vergunning is nodig voor het planten of hebben van een boom of struik in de kernzone en beschermingszone van de waterkering als de boom of struik volgroeid hoger wordt dan 5 meter.

Paragraaf 19.2.2 Beoordelen van de vergunningaanvraag Artikel 19.5 Beoordelen van de vergunningaanvraag Bij het beoordelen van een vergunningaanvraag, gelden naast de beoordelingsregels uit afdeling 3.3 de volgende aanvullende beoordelingsregels: artikel 19.6 artikel 19.7 artikel 19.8 Artikel 19.6 Nieuwe boom of struik in de kruin van waterkering Rijnland staat alleen een nieuwe boom of struik toe op de kruin van een waterkering, als er een zwaarwegend maatschappelijk belang is. Artikel 19.7 Nieuwe boom of struik in buitentalud van waterkering Rijnland staat alleen een nieuwe boom of struik toe in het buitentalud van een waterkering, als er een zwaarwegend maatschappelijk belang is. Artikel 19.8 Boom of struik in andere delen van de waterkering

1 Rijnland staat een boom of struik toe in de kernzone en beschermingszone van de waterkering als: a. de boom of struik buiten de kruin en het buitentalud staat; en b. de ontgrondingskuil buiten het profiel van vrije ruimte ligt. 2 De ontgrondingskuil uit lid 1: a. wordt gemeten vanuit het hart van de boom of struik; en b. is een cirkel met een straal van 2 meter; en c. is 1 meter dik. 3 In uitzondering op lid 2, sub b en c is een kleinere ontgrondingskuil toegestaan, als de initiatiefnemer aantoont dat dit voor de boom of struik voldoende is. 4 In afwijking van lid 1 is een bestaande boom toegestaan als de waterkering stabiel is en blijft.

Paragraaf 19.2.3 Voorschriften in de vergunning Artikel 19.9 Voorschriften in de vergunning In de vergunning kunnen in ieder geval voorschriften staan over: a. het controleren van de waterkering; b. de gevolgen van bomen en struiken op de waterkering; c. het onderhoud van de bomen en struiken.

Afdeling 19.3 Voorwaarden zonder vergunning Artikel 19.10 Wanneer gelden deze voorwaarden? De voorwaarden uit deze afdeling gelden voor het planten van een boom of struik in de kernzone en beschermingszone van de waterkering, als de boom of struik: a. niet in de kruin komt; en b. niet in het buitentalud komt; en c. volgroeid hoger wordt dan 2 meter; en d. volgroeid niet hoger wordt dan 5 meter. Artikel 19.11 Geen erosie aan de waterkering De boom of struik veroorzaakt geen erosie aan de waterkering. Artikel 19.12 Controle van de waterkering blijft mogelijk De boom of struik wordt zo geplant en onderhouden, dat Rijnland de waterkering altijd goed kan controleren.

Afdeling 19.4 Verdere uitwerking van de zorgplicht Artikel 19.13 Verdere uitwerking van de zorgplicht Is er geen vergunning nodig en gelden er geen voorwaarden zonder vergunning, dan mag een initiatiefnemer een boom of struik in ieder geval in de kernzone en beschermingszone van de waterkering planten of hebben volgens de artikelen uit deze afdeling. Artikel 19.14 Geen erosie van het gras op de waterkering Er ontstaat geen erosie van het gras op de waterkering. Artikel 19.15 Controle van de waterkering blijft mogelijk De boom of struik wordt zo geplant en onderhouden, dat Rijnland de waterkering altijd goed kan controleren.

Hoofdstuk V Activiteiten in waardevolle oevers Afdeling V.1 Beoordelen vergunningaanvraag op verdwijnen van waardevolle oever Artikel V.1 Beoordelen van de vergunningaanvraag De artikelen uit deze afdeling gelden voor het uitvoeren van een activiteit, als dat in deze verordening is aangegeven bij de artikelen voor die activiteit. Artikel V.2 Verlies van waardevolle oever compenseren 1 Een initiatiefnemer legt een nieuwe waardevolle oever aan die minimaal even groot is als het stuk waardevolle oever dat verdwijnt. 2 In afwijking van lid 1 kan een initiatiefnemer gebruik maken van een waardevolle oever die al eerder is aangelegd en minimaal even groot is. Deze oever mag maximaal drie jaar eerder zijn aangelegd dan het moment waarop het stuk waardevolle oever verdwijnt. Artikel V.3 Tijdstip waarop de nieuwe waardevolle oever is aangelegd Een nieuwe waardevolle oever moet zijn aangelegd binnen een maand nadat de activiteit klaar is. Artikel V.4 Hoe ziet een nieuwe of al eerder aangelegde waardevolle oever er uit 1 Het talud van een nieuw aan te leggen waardevolle oever heeft een helling van 1:3 of flauwer. 2 De helling van het talud van een nieuw aan te leggen waardevolle oever is onder water minimaal 1,5 meter breed.

Afdeling V.2 Voorwaarden zonder vergunning voor een activiteit in een waardevolle oever Artikel V.5 Wanneer gelden deze voorwaarden

De voorwaarden uit deze afdeling gelden voor een activiteit, als dat staat in het hoofdstuk over die activiteit. Artikel V.6 Werkzaamheden melden: aanvullende informatie In een melding staan de gegevens uit artikel 3.4 en de plaats van de nieuwe of al eerder aangelegde waardevolle oever. Artikel V.7 Verlies van waardevolle oever compenseren 1 Leg een nieuwe waardevolle oever aan die minimaal even groot is als het stuk waardevolle oever dat verdwijnt. 2 In afwijking van lid 1 kan gebruik worden gemaakt van een waardevolle oever die al eerder is aangelegd en minimaal even groot is. Deze oever mag maximaal drie jaar eerder zijn aangelegd dan het moment waarop het stuk waardevolle oever verdwijnt. Artikel V.8 Tijdstip waarop de nieuwe waardevolle oever is aangelegd Een nieuwe waardevolle oever moet zijn aangelegd binnen een maand nadat de activiteit klaar is. Artikel V.9 Hoe ziet een nieuwe of al eerder aangelegde waardevolle oever er uit 1 Het talud van een nieuw aan te leggen waardevolle oever heeft een helling van 1:3 of flauwer. 2 De helling van het talud van een nieuw aan te leggen waardevolle oever is onder water minimaal 1,5 meter breed.

Hoofdstuk W Activiteiten in vaarwegen Afdeling W.1 Beoordelen vergunningaanvraag op goed en veilig varen in een vaarweg Artikel W.1 Beoordelen van de vergunningaanvraag De artikelen uit deze afdeling gelden voor het uitvoeren van een activiteit, als dat in deze verordening is aangegeven bij de artikelen voor die activiteit. Artikel W.2 Varen blijft mogelijk 1 Boten moeten goed en veilig door de vaarwegen kunnen blijven varen. 2 Als de maten van de vaarweg voldoen aan de voorwaarden uit artikel W.4 lid 1 of artikel W.5 lid 1, kunnen boten goed en veilig door de vaarwegen.

Afdeling W.2 Voorwaarden zonder vergunning voor een activiteit in vaarweg Artikel W.3 Wanneer gelden deze voorwaarden

De voorwaarden uit deze afdeling gelden voor een activiteit, als dat staat in het hoofdstuk over die activiteit. Artikel W.4 Activiteit in de Drecht 1 In en boven vaarweg de Drecht moet voldoende vaarruimte zijn. Daarom gelden al deze voorwaarden: a. het oppervlaktewater is minimaal 1,7 meter diep; b. de waterbodem is minimaal 17 meter breed; c. er is een zone van minimaal 3 meter hoog waar niks is wat het doorvaren tegenhoudt; d. er is een zone op de waterspiegel waar niks is wat het doorvaren tegenhoudt. Dat kan op 2 manieren: 1. één zone van minimaal 17 meter breed, of 2. twee zones van ieder minimaal 8,5 meter breed; e. bij een beweegbare brug is er op de waterspiegel een zone van minimaal 7 meter breed waar niks is wat het doorvaren tegenhoudt. 2 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1 als varen op vaarweg de Drecht mogelijk blijft. Artikel W.5 Activiteit in overige vaarwegen 1 In en boven de overige vaarwegen moet voldoende vaarruimte zijn. Daarom gelden al deze voorwaarden: a. het oppervlaktewater is minimaal 1,3 meter diep; b. de waterbodem is minimaal 15 meter breed ; c. er is een zone van minimaal 2,6 meter hoog waar niks is wat het doorvaren tegenhoudt; d. er is een zone op de waterspiegel waar niks het doorvaren tegenhoudt. Dat kan op 2 manieren: 1. één zone van minimaal 15 meter breed, of 2.

twee zones van ieder minimaal 7 meter breed; e. bij een beweegbare brug is er op de waterspiegel een zone van minimaal 5,5 meter breed waar niks is wat het doorvaren tegenhoudt. 2 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1 als varen op de overige vaarwegen mogelijk blijft.

Hoofdstuk X Waterberging bij het maken van hard oppervlak Afdeling X.1 Vergunning Paragraaf X.1.1 Informatie bij de vergunningaanvraag Artikel X.1 Informatie bij de vergunningaanvraag

Als een initiatiefnemer eerder verwijderd hard oppervlak gebruikt, dan moet deze informatie bij de vergunningaanvraag zitten: a. een bewijs van het verwijderen van dit hard oppervlak, en; b. een bewijs van toestemming van de eigenaar. Dit hoeft alleen als hard oppervlak is verwijderd van een perceel waarvan de initiatiefnemer niet de eigenaar is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12599923/2