4. Bijlage 3: Ontwerp Waterschapsverordening 2023
Tekst van het document
Paragraaf 7.2.3 Voorschriften in de vergunning Artikel 7.16 Voorschriften in de vergunning In de vergunning kunnen in ieder geval voorschriften staan over: a. de manier waarop de waterkerendheid en stabiliteit van de waterkering worden gegarandeerd. Dit laat een initiatiefnemer zien door stabiliteitsberekeningen en zettingsberekeningen voor de aanlegfase en de eindfase; b. het maken van zelfstandige, onafhankelijke, vervangende waterkeringen. Zowel tijdelijk als definitief; c. het volgen van eventuele zettingen.
Afdeling 7.3 Voorwaarden zonder vergunning Paragraaf 7.3.1 Voorwaarden bij de waterkering Artikel 7.17 Voorwaarden maken nieuwe bestrating, weg of pad De voorwaarden uit artikel 7.18 gelden voor het maken van nieuwe bestrating, een nieuwe weg of een nieuw pad op de kruin van de waterkering als daarbij materialen worden aangebracht op het bestaande maaiveld, zonder ingraven. Artikel 7.18 Voorwaarden maken nieuwe bestrating, weg of pad 1 De bestrating, de weg of het pad is: a. maximaal 1 meter breed; en b. maximaal 20 centimeter hoog, en; c. maximaal 500 m² totaal oppervlak.
2 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerk afwijken van lid 1 als er geen negatieve invloed is op de stabiliteit en waterkerendheid van de waterkering.
Paragraaf 7.3.2 Voorwaarden voor 500 m² tot en met 5000 m² hard oppervlak Artikel 7.19 Voorwaarden voor 500 m² tot en met 5000 m² hard oppervlak maken in hoger gelegen zandgronden De voorwaarden uit afdeling X.2 gelden voor het maken van nieuwe bestrating, een nieuwe gesloten teeltvloer, een nieuwe weg of een nieuw pad als: a. de toename aan hard oppervlak van nieuwe de bestrating, gesloten teeltvloer, wegen, paden en bouwwerken bij elkaar minimaal 500 m² is; en b. de toename aan hard oppervlak van nieuwe de bestrating, gesloten teeltvloer, wegen, paden en bouwwerken bij elkaar maximaal 5000 m² is; en c. dit in een gebied is met hoger gelegen zandgrond, en d. de neerslag afkomstig van dit hard oppervlak niet volledig in de bodem zakt. Artikel 7.20 Voorwaarden voor 500 m² tot en met 5000 m² hard oppervlak in andere gebieden De voorwaarden uit afdeling X.2 gelden bij het maken van nieuwe bestrating, een nieuwe gesloten teeltvloer, een nieuwe weg of een nieuw pad als: a. de toename aan hard oppervlak van nieuwe de bestrating, gesloten teeltvloer, wegen, paden en bouwwerken bij elkaar minimaal 500 m² is; en b. de toename aan hard oppervlak van nieuwe de bestrating, gesloten teeltvloer, wegen, paden en bouwwerken bij elkaar maximaal 5000 m² is; en c. dit is in een gebied zonder hoger gelegen zandgrond, en d. de grond nog geen hard oppervlak heeft.
Afdeling 7.4 Verdere uitwerking van de zorgplicht Artikel 7.21 Verdere uitwerking van de zorgplicht Is er geen vergunning nodig en gelden er geen voorwaarden zonder vergunning, dan is het maken van nieuwe bestrating, een nieuwe gesloten teeltvloer, een nieuwe weg of een nieuw pad in de kernzone en beschermingszone van de waterkering in ieder geval toegestaan volgens de artikelen uit deze afdeling. Artikel 7.22 Boven bestaand maaiveld De nieuwe bestrating, een nieuwe gesloten teeltvloer, een nieuwe weg of een nieuw pad wordt gemaakt boven op het bestaande maaiveld. Artikel 7.23 Materialen niet groter dan 0,25 m² De gebruikte materialen (zoals tegels) zijn niet groter dan 0,25 m². Artikel 7.24 Niet meer dan 500 m² Het totale oppervlak van nieuwe bestrating, een nieuwe gesloten teeltvloer, een nieuwe weg of een nieuw pad is niet meer dan 500 m². Artikel 7.25 Verharding maximaal 20 centimeter hoog
De nieuwe bestrating, nieuwe gesloten teeltvloer een nieuwe weg of een nieuw pad is maximaal 20 centimeter hoog. Dit wordt gemeten vanaf het maaiveld met zandpakket.
Hoofdstuk 8 Bodemonderzoek Afdeling 8.1 Wanneer geldt dit hoofdstuk Artikel 8.1 Bodemonderzoek uitvoeren De artikelen uit dit hoofdstuk gelden bij boringen of sonderingen voor bodemonderzoek.
Afdeling 8.2 Vergunning Paragraaf 8.2.1 Wanneer is een vergunning nodig Artikel 8.2 Seismisch onderzoek bij dijk-in-duin constructies Een vergunning is nodig voor seismisch onderzoek met explosies bij een dijk-in-duin constructie in de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van de zeewering. Artikel 8.3 Seismisch onderzoek bij de waterkering Een vergunning is nodig voor seismisch onderzoek met explosies in de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van de waterkering.
Paragraaf 8.2.2 Beoordelen van de vergunningaanvraag Artikel 8.4 Beoordelen van de vergunningaanvraag Bij het beoordelen van een vergunningaanvraag, gelden naast de beoordelingsregels uit afdeling 3.3 de volgende aanvullende beoordelingsregels: artikel 8.5 Artikel 8.5 Geen andere plaats mogelijk Een vergunning wordt alleen verleend als het seismisch onderzoek redelijkerwijs niet mogelijk is op een plaats buiten: a. de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van de zeewering; of b. de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone waterkering.
Paragraaf 8.2.3 Voorschriften in de vergunning Artikel 8.6 Voorschriften in de vergunning In de vergunning kunnen in ieder geval voorschriften staan over: a. de manier van uitvoeren van de werkzaamheden; en b. de volgorde van uitvoeren van de werkzaamheden.
Afdeling 8.3 Voorwaarden zonder vergunning Artikel 8.7 Wanneer gelden deze voorwaarden
De voorwaarden uit deze afdeling gelden voor boringen of sonderingen voor bodemonderzoek in: a. de kernzone en beschermingszone van de waterkering; of b. een kwetsbaar kwelgebied. Artikel 8.8 Het boren en plaatsten van (peil)buizen 1 Boorgaten maken en peilbuizen of buizen plaatsen gaat via boren of pulsen. 2 Peilbuizen en buizen voorspuiten of losspuiten mag niet. Artikel 8.9 Repareren met zwelklei 1 De initiatiefnemer repareert een beschadiging van een slecht doorlatende bodemlaag meteen met zwelklei. 2 Op de plaats van de slecht doorlatende bodemlaag vult de initiatiefnemer de ruimte tussen een peilbuis of buis en de wand van het boorgat met zwelklei. 3 De initiatiefnemer vult een boorgat met zwelklei als een boring of sondering klaar is.
Hoofdstuk 9 Bouwen Afdeling 9.1 Wanneer geldt dit hoofdstuk Artikel 9.1 Bouwen De artikelen uit dit hoofdstuk gelden voor bouwen.
Afdeling 9.2 Vergunning Paragraaf 9.2.1 Wanneer is een vergunning nodig Subparagraaf 9.2.1.1 Algemeen Artikel 9.1a Hoe tellen tuinen mee als hard oppervlak 1 Bouwt een initiatiefnemer meer dan tien woningen, dan tellen de nog niet verharde tuinen voor 75% mee als hard oppervlak. 2 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen afwijken van lid 1 wanneer dat voor een of meer belanghebbende gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beoordelingsregels te dienen doelen.
Artikel 9.2 Meer dan 5000 m² hard oppervlak maken in hoger gelegen zandgrond Een vergunning is nodig voor het maken van één of meerdere bouwwerken, als: a. de toename aan hard oppervlak van de nieuwe bestrating, gesloten teeltvloeren, wegen, paden en bouwwerken bij elkaar groter is dan 5000 m²; en b. dit in een gebied is met hoger gelegen zandgrond; en c. de neerslag afkomstig van dit hard oppervlak niet volledig in de bodem zakt. Artikel 9.3 Meer dan 5000 m² hard oppervlak maken in een ander gebied Een vergunning is nodig voor het maken van één of meerdere bouwwerken, als: a. de toename aan hard oppervlak van de nieuwe bestrating, gesloten teeltvloeren, wegen, paden en bouwwerken bij elkaar groter is dan 5000 m²; en b. dit is in een gebied zonder hoger gelegen zandgrond; en c. de grond nog geen hard oppervlak heeft. Artikel 9.4 Waterberging niet in oppervlaktewater Een vergunning is nodig voor het maken van een bouwwerk als er een verplichting is om extra waterberging te maken en deze waterberging niet plaatsvindt in oppervlaktewater.
Subparagraaf 9.2.1.2 Bouwen bij de zeewering Artikel 9.5 Bouwen binnen bebouwde deel van de zeewering 1 Een vergunning is nodig voor het maken van een nieuw bouwwerk binnen bebouwde deel van de kernzone en beschermingszone van de zeewering. 2 In uitzondering op lid 1 is er geen vergunning nodig als de initiatiefnemer het nieuwe bouwwerk maakt van hout, kunststof of een ander licht materiaal. Artikel 9.6 Bouwen buiten bebouwde deel van de zeewering Een vergunning is nodig voor het maken of veranderen van een bouwwerk buiten het bebouwde deel van de kernzone en beschermingszone van de zeewering. Artikel 9.7 Bouwen op het strand Een vergunning is nodig voor het maken van een bouwwerk in de kernzone en beschermingszone van de zeewering, als dit bouwwerk tussen 1 november en 1 februari op het strand staat. Artikel 9.8 Bouwwerk met explosiegevaar bouwen Een vergunning is nodig voor het bouwen van een bouwwerk met explosiegevaar bij een dijk-in-duin-constructie in de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van de zeewering.
Subparagraaf 9.2.1.3 Bouwen bij de waterkering Artikel 9.9 Bouwen op de kruin van de waterkering
Een vergunning is nodig voor het maken van een bouwwerk in de kernzone van de waterkering, als dit gebeurt op de kruin. Artikel 9.10 Bouwenwerken groter dan 20 m² op de waterkering Een vergunning is nodig voor het maken van een bouwwerk met een oppervlak groter dan 20 m² in de kernzone en beschermingszone van de waterkering. Artikel 9.11 Bouwen op een waterkering, zware materialen Een vergunning is nodig voor het maken van een bouwwerk in de kernzone en beschermingszone van de waterkering, als dit bouwwerk niet is gemaakt van hout, kunststof of een ander licht materiaal. Artikel 9.12 Beschoeiing of damwand maken in het binnentalud van de waterkering Een vergunning is nodig voor het maken van een beschoeiing of damwand in de kernzone en beschermingszone van de waterkering, als dit gebeurt in het binnentalud. Artikel 9.13 Beschoeiing of damwand maken in het buitentalud of op de kruin van de waterkering 1 Een vergunning is nodig voor het maken van een beschoeiing of damwand in de kernzone en beschermingszone van de waterkering, als dit gebeurt in het buitentalud of de kruin. 2 In uitzondering op lid 1 is geen vergunning nodig voor een beschoeiing of damwand gemaakt van: a. houten palen met gronddicht, waterdoorlatend doek; of b. houten palen met houten planken of schotten.
Artikel 9.14 Beschoeiing of damwand maken, met ankers in het leggerprofiel van de waterkering Een vergunning is nodig voor het maken van een beschoeiing of damwand in de kernzone en beschermingszone van de waterkering, als ankers worden aangebracht binnen het leggerprofiel. Artikel 9.15 Bouwwerk met explosiegevaar bouwen Een vergunning is nodig voor het bouwen van een bouwwerk met explosiegevaar in de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van de waterkering.
Subparagraaf 9.2.1.4 Bouwen bij oppervlaktewater Artikel 9.16 Bouwen bij een belangrijk oppervlaktewater 1 Een vergunning is nodig voor het maken van een bouwwerk in de kernzone en beschermingszone van belangrijk oppervlaktewater. 2 In uitzondering op lid 1 is geen vergunning nodig als: a. onderhoud van het oppervlaktewater vanaf de oever al niet mogelijk was; of b. het bouwwerk een straatmeubel is.
Artikel 9.17 Brug of ander bouwwerk met ondersteunende constructie Een vergunning is nodig voor het maken van een brug of een ander bouwwerk dat het hele oppervlaktewater overdekt in de kernzone van belangrijk oppervlaktewater, als er een ondersteunende constructie in het oppervlaktewater wordt geplaatst. Artikel 9.18 Brug of ander bouwwerk lager dan 1 meter van de waterspiegel Een vergunning is nodig voor het maken van een brug of een ander bouwwerk dat het hele oppervlaktewater overdekt in de kernzone van belangrijk oppervlaktewater, als de afstand van de waterspiegel bij zomerpeil tot de onderkant van het bouwwerk minder dan 1 meter is.
Paragraaf 9.2.2 Beoordelen van de vergunningaanvraag Subparagraaf 9.2.2.1 Beoordeling van de vergunningaanvraag algemeen Artikel 9.19 Beoordelen van de vergunningaanvraag Bij het beoordelen van een vergunningaanvraag, gelden naast de beoordelingsregels uit afdeling 3.3 de volgende aanvullende beoordelingsregels: artikel 9.20 artikel 9.21 artikel 9.22 artikel 9.23 artikel 9.24 artikel 9.25 artikel 9.26 artikel 9.27 artikel 9.28 artikel 9.29 artikel 9.30 artikel 9.31 artikel 9.32 artikel 9.33 artikel 9.34 artikel 9.35 artikel 9.36 artikel V.2 artikel V.3 artikel V.4 artikel W.2 artikel X.2a artikel X.3 artikel X.4 artikel X.5 artikel X.6 artikel X.6a
artikel X.7 artikel X.8 artikel X.9 artikel X.10 artikel X.11 artikel X.12
Subparagraaf 9.2.2.2 Beoordelen van de vergunningaanvraag bouwen bij de zeewering Artikel 9.20 Bouwwerk en afslag van de kust Het bouwwerk houdt tijdens zware stormen de normale afslag van de kust niet tegen. Artikel 9.21 Bouwwerk valt bij afslag uit elkaar Bij afslag van de kust valt het bouwwerk in delen uit elkaar. Artikel 9.22 Nieuw bouwwerk binnen bebouwde deel zeewering Een nieuw bouwwerk binnen het bebouwde deel van de kernzone en beschermingszone van de zeewering komt op of achter de voorgevelrooilijn van al bestaande bouwwerken. Artikel 9.23 Nieuw bouwwerk buiten bebouwde deel zeewering Een nieuw bouwwerk buiten het bebouwde deel van de kernzone en beschermingszone van de zeewering heeft een belangrijke maatschappelijke functie. Artikel 9.24 Bouwwerk vervangen buiten bebouwde deel zeewering Een initiatiefnemer bouwt buiten het bebouwde deel van de kernzone en beschermingszone van de zeewering een vervangend bouwwerk op een bestaande fundering. Artikel 9.25 Aanbouwen buiten bebouwde deel zeewering 1 Buiten het bebouwde deel van de kernzone en beschermingszone van de zeewering mag een initiatiefnemer één keer een aanbouw aan een bestaand bouwwerk maken. 2 De aanbouw is maximaal 10 procent van het al bestaande bouwwerk. Artikel 9.26 Bouwwerk op het strand 1 Zand beweegt vrij tussen de palen en onder de vloerbalken van het bouwwerk.
2 Het bouwwerk staat minimaal 8 meter van de duinvoet af. Artikel 9.27 Bouwwerk op het strand tussen 1 november en 1 februari 1 De afstand tussen twee bouwwerken die tussen 1 november en 1 februari op het strand staan, is minimaal twee keer
de breedte van het onderheide deel van deze bouwwerken. 2 De ruimte tussen het bouwwerk en het hek langs de duinen blijft tussen 1 november en 1 februari leeg. Artikel 9.28 Bouwwerk met explosiegevaar bouwen Rijnland staat een bouwwerk met explosiegevaar alleen toe bij een dijk-in-duin-constructie in de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van de zeewering, als bouwen op een plaats buiten deze zones redelijkerwijs niet mogelijk is.
Subparagraaf 9.2.2.3 Beoordelen van de vergunningaanvraag bouwen bij de waterkering Artikel 9.29 Niet op de kruin bouwen Het bouwwerk komt niet op de kruin. Artikel 9.30 Aanbouwen bij bestaand bouwwerk 1 De aanbouw is maximaal 50 procent van het al bestaande bouwwerk. 2 De aanbouw is maximaal 20 m². 3 Een nieuwe aanbouw wordt: a. met uitzondering van eventuele heipalen buiten het leggerprofiel geplaatst, of; b. voorzien van een vervangende waterkering als de aanbouw binnen het leggerprofiel wordt geplaatst. Artikel 9.31 Nieuw bouwwerk binnen bebouwde deel waterkering Binnen het bebouwde deel kernzone en beschermingszone van de waterkering wordt een nieuw bouwwerk: a. met uitzondering van eventuele heipalen buiten het profiel van vrije ruimte geplaatst, of; b. voorzien van een vervangende waterkering als het bouwwerk binnen het profiel van vrije ruimte wordt geplaats. Artikel 9.32 Nieuw bouwwerk buiten bebouwde deel waterkering Buiten het bebouwde deel van de kernzone en beschermingszone van de waterkering wordt een nieuw bouwwerk: a. met uitzondering van eventuele heipalen buiten het profiel van vrije ruimte geplaatst, of; b. alleen binnen het profiel van vrije ruimte geplaats als: 1º. het bouwwerk een belangrijke maatschappelijke functie vervult; en 2º. het bouwwerk redelijkerwijs niet op een andere plaats of op een andere manier kan worden gebouwd; en 3º.
een vervangende waterkering wordt aangelegd. Artikel 9.33 Verplaatsen van de waterkering voor een bouwwerk Rijnland verplaatst de kernzone, beschermingszone of buitenbeschermingszone van de waterkering alleen als:
a. er een schriftelijke toestemming is van personen of organisaties voor wie de plaats van de waterkering belangrijk is; en b. de andere plaats van de waterkering niet zorgt voor te veel extra kosten, zoals onderhoudskosten. Artikel 9.34 Bouwwerk met explosiegevaar bouwen Rijnland staat een bouwwerk met explosiegevaar alleen toe in de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van de waterkering, als bouwen op een plaats buiten deze zones redelijkerwijs niet mogelijk is.
Subparagraaf 9.2.2.4 Beoordelen van de vergunninaanvraag bouwen bij oppervlaktewater Artikel 9.35 Afstand tussen de waterspiegel en een brug of ander bouwwerk Alleen als een hoogte van 1 meter tussen de onderkant van de brug of een ander bouwwerk dat het hele oppervlaktewater overdekt en de waterspiegel bij zomerpeil niet realistisch of technisch moeilijk realiseerbaar is, kan een lagere hoogte worden toegestaan. Artikel 9.36 Ondersteunende constructie brug of ander bouwwerk De in het oppervlaktewater geplaatste constructies voor de ondersteuning van een brug of een ander bouwwerk dat het hele oppervlaktewater overdekt, worden in aantal en omvang tot het minimum beperkt.
Paragraaf 9.2.3 Voorschriften in de vergunning Subparagraaf 9.2.3.1 Voorschriften voor bouwen bij de zeewering Artikel 9.37 Voorschriften in de vergunning In de vergunning kunnen in ieder geval voorschriften staan over: a. het funderen van het bouwwerk; b. hoe de vloer van het bouwwerk wordt gemaakt; c. de vorm van het bouwwerk; d. de maximale grootte van het bouwwerk; e. waar het bouwwerk ligt vergeleken met de duinvoet; f. waar het bouwwerk ligt vergeleken met het NAP; g. het duurzaam terugbrengen van weggegraven zand binnen dezelfde kernzone of beschermingszone; h. het verplaatsen van het bouwwerk; i. wanneer verplaatsen van het bouwwerk nodig is.
Subsubparagraaf 9.2.3.2 Voorschriften voor bouwen bij de waterkering Artikel 9.38 Voorschriften in de vergunning In de vergunning kunnen in ieder geval voorschriften staan over: a. het funderen van het bouwwerk; b. de vorm van het bouwwerk; c. de maximale grootte van het bouwwerk; d. de constructie van de vervangende waterkering;
e. de manier van bouwen van de vervangende waterkering; f. het monitoren van zettingen; g. de manier van uitvoeren van de bouwactiviteiten.
Subparagraaf 9.2.3.3 Voorschriften voor bouwen bij oppervlaktewater Artikel 9.39 Voorschriften in de vergunning In de vergunning kunnen in ieder geval voorschriften staan over: a. de plaats van het bouwwerk; b. de vorm van het bouwwerk; c. de maximale grootte van het bouwwerk; d. het aantal ondersteunende constructies in het oppervlaktewater; e. de hoogte van een brug of een ander bouwwerk dat het hele oppervlaktewater overdekt; f. de bescherming van de bodem en de oever.
Afdeling 9.3 Voorwaarden zonder vergunning Paragraaf 9.3.1 Algemeen Artikel 9.40 Tussen 500 m² en 5000 m² hard oppervlak maken in hoger gelegen zandgronden De voorwaarden uit afdeling X.2 gelden voor het maken van één of meer bouwwerken, als: a. de toename aan hard oppervlak van nieuwe de bestrating, gesloten teeltvloeren, wegen, paden en bouwwerken bij elkaar minimaal 500 m² is; en b. de toename aan hard oppervlak van nieuwe de bestrating, gesloten teeltvloer, wegen, paden en bouwwerken bij elkaar maximaal 5000 m² is; en c. dit in een gebied is met hoger gelegen zandgrond; en d. de neerslag afkomstig van dit hard oppervlak niet helemaal in de bodem zakt. Artikel 9.41 Tussen 500 m² en 5000 m² hard oppervlak maken in andere gebieden De voorwaarden uit afdeling X.2 gelden voor het maken van één of meer bouwwerken, als: a. de toename aan hard oppervlak van nieuwe de bestrating, gesloten teeltvloeren, wegen, paden en bouwwerken bij elkaar minimaal 500 m² is; en b. de toename aan hard oppervlak van nieuwe de bestrating, gesloten teeltvloer, wegen, paden en bouwwerken bij elkaar maximaal 5000 m² is; en c. dit is in een gebied zonder hoger gelegen zandgrond; en d. de grond nog geen hard oppervlak heeft.
Paragraaf 9.3.2 Voorwaarden bouwen in de zeewering Subparagraaf 9.3.2.1 Seizoensgebouwen op het strand Artikel 9.42 Wanneer gelden deze voorwaarden
De voorwaarden uit deze subparagraaf gelden voor het plaatsen en het hele jaar liggen of achterlaten van paalconstructies, niet-onderheide funderingsplaten, vloeren en terrassen als dit gebeurt: a. binnen de kernzone en beschermingszone van de zeewering; en b. op het strand; en c. voor seizoensgebouwen. Artikel 9.43 Funderingspalen 1 De afstand tussen funderingspalen is minimaal 3 meter. 2 Als alleen de funderingspalen tussen 1 november en 1 februari op het strand blijven, dan liggen de paalkoppen minimaal 1 meter onder het zand. Artikel 9.44 Funderingsplaten 1 De funderingsplaten bestaan uit losse onderdelen. 2 Het oppervlak van de losse onderdelen van de funderingsplaten is maximaal 4 m². 3 De hoogte van de losse onderdelen van de funderingsplaten is maximaal 20 centimeter. Artikel 9.45 Zand niet weghalen Zand dat tussen 1 november en 1 februari boven op de fundering komt, wordt tijdens deze periode niet weggehaald. Artikel 9.46 Geen bouwwerken plaatsen Tussen 1 november en 1 februari staan er geen bouwwerken op de beplating of de fundering.
Subparagraaf 9.3.2.2 Binnen bebouwde deel zeewering Subsubparagraaf 9.3.2.2.1 Nieuw bouwwerk van licht materiaal Artikel 9.47 Wanneer gelden deze voorwaarden De voorwaarden uit deze subsubparagraaf gelden voor het in het bebouwde deel van de kernzone en beschermingszone van de zeewering plaatsen van een bouwwerk als: a. het bouwwerk is gemaakt van hout, kunststof of een ander licht materiaal; en b. het oppervlak van het bouwwerk maximaal 20 m² is. Artikel 9.48 Vloer De vloer bestaat uit losse onderdelen van maximaal 2 meter x 2 meter x 20 centimeter. Artikel 9.49 Dijk-in-duin-constructies
Bij de dijk-in-duin-constructies mogen de palen van een bouwwerk maximaal 50 centimeter de grond in, gemeten vanaf het maaiveld.
Subsubparagraaf 9.3.2.2.2 Verbouwen of herbouwen Artikel 9.50 Wanneer gelden deze voorwaarden De voorwaarden uit deze subsubparagraaf gelden voor verbouwen of herbouwen van een bestaand bouwwerk in het bebouwde deel van de kernzone en beschermingszone van de zeewering. Artikel 9.51 Op bestaande fundering plaatsen Een initiatiefnemer plaatst het bouwwerk op een bestaande fundering.
Subparagraaf 9.3.2.2.3 Aanbouw Artikel 9.52 Wanneer gelden deze voorwaarden De voorwaarden uit deze subsubparagraaf gelden voor aanbouwen aan een bestaand bouwwerk in het bebouwde deel van de kernzone en beschermingszone van de zeewering. Artikel 9.53 Maximaal 10% aanbouwen De aanbouw is maximaal 10 procent van het oppervlak van het al bestaande bouwwerk.
Paragraaf 9.3.3 Voorwaarden voor bouwen bij waterkering Subparagraaf 9.3.3.1 Nieuw bouwwerk van licht materiaal Artikel 9.54 Wanneer gelden deze voorwaarden De voorwaarden uit deze subparagraaf gelden voor bouwen van een nieuw bouwwerk binnen de kernzone en beschermingszone van een waterkering als: a. het bouwwerk niet op de kruin komt; en b. het bouwwerk is gemaakt van hout, kunststof of een ander licht materiaal; en c. het oppervlak van het bouwwerk maximaal 20 m² is; en d. het bouwwerk geen beschoeiing of damwand is. Artikel 9.55 Werkzaamheden melden De initiatiefnemer meldt het bouwen bij Rijnland. Artikel 9.56 Wat moet de initiatiefnemer melden In de melding staan de gegevens uit artikel 3.4 en een bouwtekening met daarin de technische beschrijving. Artikel 9.57 Palen van een fundering 1 De diameter van de palen is maximaal 10 centimeter. 2 De inheidiepte van de palen is maximaal 2 meter. 3
De afstand tussen de palen is maximaal 50 centimeter. 4 De fundatie is voor iedere paal maximaal 30 liter. 5 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1, lid 2, lid 3 en lid 4 als er geen groot risico is dat de waterkering minder stevig wordt door de palen van de fundering. Artikel 9.58 Steiger boven land 1 Onder de steiger is een oeverbescherming op de doorgaande waterlijn. 2 De diameter van ronde palen is maximaal 25 centimeter. 3 De maat van andere palen is maximaal 20 x 20 centimeter. 4 De afstand tussen de palen is minimaal 5 keer de diameter van de palen.
Subparagraaf 9.3.3.2 Beschoeiing of damwand Artikel 9.59 Wanneer gelden deze voorwaarden De voorwaarden uit deze subparagraaf gelden voor het maken van een beschoeiing of damwand binnen de kernzone en beschermingszone van een waterkering als: a. de beschoeiing of damwand in het buitentalud of op de kruin van de waterkering komt; en b. er geen (schot)ankers in het leggerprofiel komen; en c. de beschoeiing of damwand bestaat uit: 1º. houten palen met een gronddicht, waterdoorlatend doek; en/of 2º. houten palen met houten planken of schotten. Artikel 9.60 Werkzaamheden melden De initiatiefnemer meldt het maken van een beschoeiing of damwand bij Rijnland. Artikel 9.61 Wat moet de initiatiefnemer melden In de melding staan de gegevens uit artikel 3.4 en een bouwtekening met daarin de technische beschrijving. Artikel 9.62 Waterdiepte 1 Direct naast de beschoeiing is het water maximaal 30 centimeter diep. 2 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1, als er geen groot risico is dat de
waterkering minder stevig wordt door het maken en het aanwezig zijn van de beschoeiing. Artikel 9.63 Het deel van het talud onder water 1 Onder water is de helling van het talud is 1:3 of kleiner. 2 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1, als er geen groot risico is dat door het maken en het aanwezig zijn van de beschoeiing de waterkering minder stevig wordt. Artikel 9.64 Beschoeiing naast een weg 1 De afstand tussen de beschoeiing en een weg, parkeervak of andere bestrating is minimaal 1 meter. 2 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1, als er geen groot risico is dat de waterkering minder stevig wordt door het maken en het aanwezig zijn van de beschoeiing.
Paragraaf 9.3.4 Voorwaarden voor bouwen in oppervlaktewater Subparagraaf 9.3.4.1 Algemeen Artikel 9.65 Voorwaarden bouwen in waardevolle oever 1 De voorwaarden uit afdeling V.2 gelden als er door het maken van een bouwwerk meer dan 2,00 m² waardevolle oever verdwijnt die met subsidie van Rijnland is aangelegd bij de tuin van een woning. 2 De voorwaarden uit afdeling V.2 gelden als er door het maken van een bouwwerk meer dan 2,00 m² waardevolle oever verdwijnt op een plek die niet bij een tuin van een woning hoort. Artikel 9.66 Voorwaarden voor bouwen in een vaarweg De voorwaarden uit afdeling W.2 gelden voor bouwen in vaarwegen.
Subparagraaf 9.3.4.2 Steiger, meerpaal of aanmeervoorziening bouwen Artikel 9.67 Steiger, meerpaal of aanmeervoorziening bouwen De voorwaarden uit deze subparagraaf gelden voor het plaatsen van een steiger, meerpaal of aanmeervoorziening in een oppervlaktewater met een belangrijke doorstroming. Artikel 9.68 Afmetingen 1 De breedte van de steiger of aanmeervoorziening is maximaal 10% van het oppervlaktewater. 2
De breedte van de steiger of aanmeervoorziening is maximaal 5 meter. 3 De diameter van ronde palen is maximaal 25 centimeter. 4 De maat van andere palen is maximaal 20 x 20 centimeter. 5 De afstand tussen de waterspiegel bij zomerpeil en de onderkant van een steiger of aanmeervoorziening is minimaal 20 centimeter. 6 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1, lid 2, lid 3, lid 4 en/of lid 5 als: a. het aanvoeren en afvoeren van water goed mogelijk blijft, en; b. onderhoud van het oppervlaktewater mogelijk blijft. Artikel 9.69 Afmeren De steiger, meerpaal of aanmeervoorziening moet zo worden gebouwd, dat een boot of ander vaartuig in de lengte kan worden vastgelegd.
Paragraaf 9.3.5 Voorwaarden bouwen in een kwetsbaar kwelgebied Artikel 9.70 Wanneer gelden deze voorwaarden De voorwaarden uit deze paragraaf gelden voor het plaatsen van een heipaal of damwand in een kwetsbaar kwelgebied. Artikel 9.71 Heipaal 1 Een heipaal heeft de vorm van een grondverdringende paal. 2 Een heipaal heeft geen verzwaarde punt. 3 Een heipaal wordt door heien, boren, schroeven of trillen in de grond gebracht. 4 Voorspuiten mag niet. Artikel 9.72 Damwand 1 Een damwand wordt door heien, boren, schroeven of trillen in de grond gebracht. 2
Voorspuiten mag niet. 3 De bovenkant van de damwand van een gesloten bouwkuip blijft minimaal 50 centimeter boven de stijghoogte van het diepere grondwater.
Afdeling 9.4 Verdere uitwerking van de zorgplicht voor bouwen Paragraaf 9.4.1 Verdere uitwerking zorgplicht voor bouwen in de zeewering Artikel 9.73 Verdere uitwerking van de zorgplicht Is er geen vergunning nodig en gelden er geen voorwaarden zonder vergunning, dan mag een initiatiefnemer een bouwwerk in de kernzone en beschermingszone van de zeewering in ieder geval gaan bouwen volgens de artikelen uit deze paragraaf. Artikel 9.74 Seizoensgebouwen op het strand Een bouwwerk dat tussen 1 februari en 1 november aanwezig is op het strand in een gebied met seizoensgebouwen, voldoet in ieder geval aan de zorgplicht met deze manier van bouwen: a. de afstand tussen het bouwwerk en het hek langs de duinen is minimaal 3 meter; of b. als er geen hek is: de afstand tussen het bouwwerk en de duinvoet is minimaal 3 meter. Artikel 9.75 Voorwerpen op het strand plaatsen Het plaatsen van voorwerpen op het strand voldoet in ieder geval aan de zorgplicht met deze manier van werken: a. de afstand tussen het voorwerp en het hek langs de duinen is minimaal 8 meter, of als er geen hek is: de afstand tussen het voorwerp en de duinvoet is minimaal 8 meter; en b. Het voorwerp staat niet in de vrije ruimte tussen een bouwwerk en de duinvoet; en c. Meer voorwerpen naast elkaar staan minimaal 2 meter uit elkaar.
Paragraaf 9.4.2 Verdere uitwerking zorgplicht voor bouwen bij de waterkering Artikel 9.76 Verdere uitwerking van de zorgplicht Is er geen vergunning nodig en gelden er geen voorwaarden zonder vergunning, dan mag een initiatiefnemer een bouwwerk in de kernzone en beschermingszone van een waterkering in ieder geval gaan bouwen volgens de artikelen uit deze paragraaf. Artikel 9.77 Losse palen, hekken en andere voorwerpen plaatsen Het plaatsen van losse palen, hekken en andere voorwerpen voldoet in ieder geval aan de zorgplicht met deze manier van werken: a. De diameter van ronde palen is maximaal 10 centimeter. b. De maat van andere palen is maximaal 10 x 10 centimeter. c. De palen mogen de grond in tot een diepte van 75 centimeter, gemeten vanaf het maaiveld. d. De afstand tussen de palen is minimaal 50 centimeter. e. De fundering is voor iedere paal maximaal 30 liter.
Paragraaf 9.4.3 Verdere uitwerking zorgplicht voor bouwen in oppervlaktewater Subparagraaf 9.4.3.1 Algemeen Artikel 9.78 Verdere uitwerking van de zorgplicht Is er geen vergunning nodig en gelden er geen voorwaarden zonder vergunning, dan mag een initiatiefnemer een bouwwerk in de kernzone en beschermingszone van belangrijke oppervlaktewater of de kernzone en beschermingszone van overig oppervlaktewater in ieder geval gaan bouwen volgens de artikelen uit deze paragraaf.
Subparagraaf 9.4.3.2 Brug of ander bouwwerk over het oppervlaktewater bouwen Artikel 9.79 Bouwen over belangrijk oppervlaktewater Het bouwen van een brug of een ander bouwwerk in de kernzone van belangrijk oppervlaktewater, voldoet in ieder geval aan de zorgplicht met deze manier van bouwen: a. de afstand van de brug of het bouwwerk tot een dam, brug, duiker of stuw die ernaast ligt is minimaal 5 meter; en b. de brug of het bouwwerk is maximaal 15 meter breed; en c. het talud onder de brug of het bouwwerk wordt bedekt met erosiebestendig materiaal. Artikel 9.80 Bouwen over een overig oppervlaktewater Het bouwen van een brug of een ander bouwwerk in de kernzone van overig oppervlaktewater, voldoet in ieder geval aan de zorgplicht met deze manier van werken: a. de afstand tussen de waterspiegel bij zomerpeil en de onderkant van de brug of het bouwwerk en is minimaal 20 centimeter; en b. er wordt niet gevaren in dit overig oppervlaktewater; en c. de afstand van de brug of het bouwwerk tot een dam, brug, duiker of stuw die ernaast ligt is minimaal 5 meter; en d. de brug of het bouwwerk is maximaal 10 meter breed; en e. er zijn geen ondersteunende bouwwerk in het oppervlaktewater; en f. het talud onder de brug of het bouwwerk wordt bedekt met erosiebestendig materiaal.
Subparagraaf 9.4.3.3 Steiger, meerpaal of aanmeervoorziening bouwen Artikel 9.81 Steiger bouwen Het bouwen van een steiger voldoet in ieder geval aan de zorgplicht met deze manier van bouwen: a. de diameter van ronde palen is maximaal 25 centimeter; en b. de maat van andere palen is maximaal 20 x 20 centimeter; en c. de afstand tussen de waterspiegel bij zomerpeil en de onderkant van de steiger is minimaal 20 centimeter; en d. de afstand tot een steiger die ernaast ligt is minimaal 2,5 meter; en e. de steiger is maximaal 5 meter breed; en f. de steiger is niet breder dan 20% van de breedte van het oppervlaktewater. Dit wordt haaks op de oeverlijn gemeten; en g. de steiger moet zo worden gebouwd, dat een boot of ander vaartuig in de lengte kan worden vastgelegd. Artikel 9.82 Meerpaal bouwen
Het bouwen van een meerpaal voldoet in ieder geval aan de zorgplicht met deze manier van bouwen: a. de diameter van ronde palen maximaal 60 centimeter is; en b. de maat van andere palen is maximaal 50 x 50 centimeter; en c. er staan maximaal twee meerpalen in het water, haaks op de oeverlijn gemeten; en d. de afstand tot een meerpaal die ernaast staat is minimaal 2,5 meter; en e. Er staan geen voorwerpen in een aaneengesloten breedte van minimaal 67% van het oppervlaktewater; en f. de meerpaal moet zo worden gebouwd, dat een boot of ander vaartuig in de lengte kan worden vastgelegd. Artikel 9.83 Aanmeervoorziening bouwen Het bouwen van een aanmeervoorziening voldoet in ieder geval aan de zorgplicht met deze manier van bouwen: a. er zijn maximaal 4 palen; en b. de diameter van ronde palen is maximaal 25 centimeter; en c. de maat van andere palen is maximaal 20 x 20 centimeter is; en d. de afstand tussen de waterspiegel bij zomerpeil en de onderkant van de aanmeervoorziening is minimaal 20 centimeter; en e. de afstand tot een aanmeervoorziening die ernaast ligt is minimaal 2,5 meter; en f. de aanmeervoorziening moet zo worden gebouwd, dat een boot of ander vaartuig in de lengte kan worden vastgelegd.
Subparagraaf 9.4.3.4 Ander bouwwerk maken Artikel 9.84 Voorwerp plaatsen Het plaatsen van een voorwerp voldoet in ieder geval aan de zorgplicht met deze manier van werken: a. de afstand tussen het nieuwe voorwerp en de voorwerpen of planten die daar al staan, is minimaal 10 meter; en b. gemeten vanaf de insteek blijft er een strook grond vrij van minimaal 2 meter. Artikel 9.85 Andere bouwwerken maken Het maken van een ander bouwwerk voldoet in ieder geval aan de zorgplicht met deze manier van werken: a. gemeten vanaf de insteek blijft er een strook grond vrij van minimaal 2 meter; en b. deze strook grond blijft bereikbaar voor het gereedschap dat Rijnland gebruikt bij het onderhoud van het oppervlaktewater.
Hoofdstuk 10 Slopen en verwijderen Afdeling 10.1 Wanneer geldt dit hoofdstuk Artikel 10.1 Slopen en verwijderen De artikelen uit dit hoofdstuk gelden voor het verwijderen van een bouwwerk of onderdelen van een bouwwerk.
Afdeling 10.2 Algemeen Artikel 10.2 Opdracht voor tijdelijk verwijderen bouwwerk of voorwerp
1 De eigenaar of gebruiker verwijdert tijdelijk een bouwwerk of voorwerp als dat nodig is voor het onderhoud van een waterstaatswerk. 2 De eigenaar of gebruiker van het bouwwerk krijgt hierover minimaal een week van tevoren een brief van dijkgraaf en hoogheemraden. 3 Bij een spoedsituatie kunnen dijkgraaf en hoogheemraden eisen dat de eigenaar of gebruiker een bouwwerk of voorwerp direct tijdelijk verwijdert.
Afdeling 10.3 Vergunning Paragraaf 10.3.1 Wanneer is een vergunning nodig Artikel 10.3 Heipaal verwijderen Een vergunning is nodig voor het verwijderen van een heipaal uit de kernzone en beschermingszone van de waterkering. Artikel 10.4 Damwand verwijderen Een vergunning is nodig voor het verwijderen van een damwand uit de kernzone en beschermingszone van de waterkering. Artikel 10.5 Leiding verwijderen 1 Een vergunning is nodig voor het verwijderen van een leiding uit de kernzone en beschermingszone van een waterkering. 2 In uitzondering op lid 1 is geen vergunning nodig voor het verwijderen van een huisaansluiting.
Paragraaf 10.3.2 Voorschriften in de vergunning Artikel 10.6 Voorschriften in de vergunning voor beschermen waterkering In de vergunning kunnen in ieder geval voorschriften staan over: a. de manier waarop van een heipaal, damwand of leiding wordt verwijderd; b. maatregelen om de waterkering stabiel te houden; c. maatregelen om te zorgen dat de hoeveelheid kwel niet stijgt.
Afdeling 10.4 Voorwaarden zonder vergunning Paragraaf 10.4.1 Op de waterkering Artikel 10.7 Voorwaarden verwijderen paal
1 De voorwaarden uit deze paragraaf gelden voor het verwijderen van een paal uit de kernzone en beschermingszone van de waterkering. 2 In uitzondering op lid 1 gelden de voorwaarden uit deze paragraaf niet voor het verwijderen van een heipaal. Artikel 10.8 Vullen van gat in grond na verwijderen paal De initiatiefnemer vult het gat in de grond dat ontstaat na het verwijderen van een paal met zwelklei.
Paragraaf 10.4.2 In kwetsbaar kwelgebied Artikel 10.9 Voorwaarden verwijderen heipaal of damwand De voorwaarden uit deze paragraaf gelden voor het verwijderen van een heipaal of damwand uit een kwetsbaar kwelgebied. Artikel 10.10 Manier van verwijderen heipaal 1 Verwijder de heipaal door trillend trekken of heiend trekken. 2 Losspuiten van de heipaal mag niet. 3 Verwijder de heipaal met hulp van een casing. Artikel 10.11 Repareren van afsluitende bodemlaag bij verwijderen heipaal 1 Herstel de afsluitende bodemlaag met zwelklei na het verwijderen van een heipaal. 2 Breng de zwelklei aan vanaf 1 meter onder de afsluitende bodemlaag tot minimaal 1 meter boven de afsluitende bodemlaag. 3 De laag zwelklei is minimaal 2,5 meter dik. Artikel 10.12 Manier van verwijderen damwand 1 Verwijder de damwand door trillend trekken of heiend trekken. 2 Losspuiten van de damwand mag niet. Artikel 10.13 Repareren afsluitende bodemlaag bij verwijderen damwand
1 Repareer de afsluitende bodemlaag door het injecteren van zwelklei tegelijk met het heiend trekken. 2 Breng de zwelklei aan vanaf 1 meter onder de afsluitende bodemlaag tot aan het maaiveld.
Hoofdstuk 11 Waterberging niet meer gebruiken Afdeling 11.1 Algemeen Artikel 11.1 Waterberging niet meer gebruiken De artikelen uit dit hoofdstuk gelden als een door Rijnland verplichte waterberging niet meer wordt gebruikt.
Afdeling 11.2 Vergunning Paragraaf 11.2.1 Wanneer is een vergunning nodig Artikel 11.2 Waterberging niet meer gebruiken Een vergunning is nodig voor het niet meer gebruiken van een door Rijnland verplichte waterberging.
Paragraaf 11.2.2 Beoordelen van de vergunningaanvraag Artikel 11.3 Beoordelen van de vergunningaanvraag Bij het beoordelen van een vergunningaanvraag, gelden naast de beoordelingsregels uit afdeling 3.3 de volgende aanvullende beoordelingsregels: artikel 11.4 artikel 11.5 Artikel 11.4 Een vervangende waterberging maken 1 Een initiatiefnemer maakt een vervangende waterberging volgens de regels uit hoofdstuk X. 2 De vervangende waterberging kan minstens evenveel water bergen als de te verwijderen waterberging. 3 In uitzondering op lid 1 hoeft een initiatiefnemer geen vervangende waterberging te maken als het hard oppervlak waarvoor de waterberging was gemaakt wordt verwijderd. Artikel 11.5 Geen te grote stijging van het waterpeil Er ontstaat geen te grote stijging van het waterpeil door het verwijderen van de waterberging.
Paragraaf 11.2.3 Voorschriften in de vergunning Artikel 11.6 Voorschriften in de vergunning
In de vergunning kunnen in ieder geval voorschriften staan over: a. de plaats waar de neerslag in het oppervlaktewater stroomt; b. de plaats, afmeting, constructie en bediening van de vervangende waterberging; c. de volgorde in het maken van de vervangende waterberging en het verwijderen van de waterberging.
Hoofdstuk 12 Onttrekken, retourneren en infiltreren van grondwater Afdeling 12.1 Algemeen Artikel 12.1 Activiteiten met grondwater De artikelen uit dit hoofdstuk gelden voor: a. het onttrekken van grondwater; en b. het retourneren van grondwater; en c. het infiltreren van grondwater.
Afdeling 12.2 Vergunning Paragraaf 12.2.1 Wanneer is een vergunning nodig Subparagraaf 12.2.1.1 Gevolgen bij een waterkering Artikel 12.2 Grondwater onttrekken, retourneren of infiltreren bij een waterkering Een vergunning is nodig voor het onttrekken, retourneren of infiltreren van grondwater bij een waterkering, als de activiteit invloed kan hebben op de freatische grondwaterstand in de kernzone of beschermingszone van een waterkering.
Subparagraaf 12.2.1.2 Grondwater onttrekken voor planten of vee Subsubparagraaf 12.2.1.2.1 Algemeen Artikel 12.3 Grondwater onttrekken voor planten of vee De artikelen uit deze subparagraaf gelden voor het onttrekken van grondwater om planten of vee water te geven.
Subsubparagraaf 12.2.1.2.2 In een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied Artikel 12.4 Meer dan 5 m³ per uur onttrekken Een vergunning is nodig voor het onttrekken van meer dan 5 m³ grondwater per uur in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied, als dat grondwater wordt gebruikt om planten of vee water te geven. Artikel 12.5 Meer dan 2.500 m³ per maand onttrekken Een vergunning is nodig voor het onttrekken van meer dan 2.500 m³ grondwater per maand in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied, als dat grondwater wordt gebruikt om planten of vee water te
geven. Artikel 12.6 Meer dan 12.000 m³ per jaar onttrekken Een vergunning is nodig voor het onttrekken van meer dan 12.000 m³ grondwater per jaar in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied, als dat grondwater wordt gebruikt om planten of vee water te geven.
Subparagraaf 12.2.1.2.3 In een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen Artikel 12.7 Meer dan 5 m³ per uur onttrekken Een vergunning is nodig voor het onttrekken van meer dan 5 m³ grondwater per uur in een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen, als dat grondwater wordt gebruikt om planten of vee water te geven. Artikel 12.8 Meer dan 2.500 m³ per maand onttrekken Een vergunning is nodig voor het onttrekken van meer dan 2.500 m³ grondwater per maand in een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen, als dat grondwater wordt gebruikt om planten of vee water te geven. Artikel 12.9 Meer dan 12.000 m³ per jaar onttrekken Een vergunning is nodig voor het onttrekken van meer dan 12.000 m³ grondwater per jaar in een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen, als dat grondwater wordt gebruikt om planten of vee water te geven.
Subsubparagraaf 12.2.1.2.4 In een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen Artikel 12.10 Meer dan 10 m³ per uur onttrekken Een vergunning is nodig voor het onttrekken van meer dan 10 m³ grondwater per uur in een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen, als dat grondwater wordt gebruikt om planten of vee water te geven. Artikel 12.11 Meer dan 5.000 m³ per maand onttrekken Een vergunning is nodig voor het onttrekken van meer dan 5.000 m³ grondwater per maand in een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen, als dat grondwater wordt gebruikt om planten of vee water te geven. Artikel 12.12 Meer dan 12.000 m³ per jaar onttrekken Een vergunning is nodig voor het onttrekken van meer dan 12.000 m³ grondwater per jaar in een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen, als dat grondwater wordt gebruikt om planten of vee water te geven.
Subparagraaf 12.2.1.3 Grondwater saneren Subsubparagraaf 12.2.1.3.1 Algemeen Artikel 12.13 Grondwater saneren De artikelen uit deze subparagraaf gelden voor het onttrekken en retourneren van grondwater voor een grondwatersanering.
Subsubparagraaf 12.2.1.3.2 In een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied Artikel 12.14 Langer dan zes maanden onttrekken Een vergunning is nodig voor het onttrekken en retourneren van grondwater in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied, als de onttrekking langer duurt dan zes maanden en dit gebeurt voor een grondwatersanering.
Artikel 12.15 Meer dan 10 m³ per uur onttrekken Een vergunning is nodig voor het onttrekken en retourneren van grondwater wanneer meer dan 10 m³ grondwater per uur wordt onttrokken in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied, als dit gebeurt voor een grondwatersanering. Artikel 12.16 Meer dan 5.000 m³ per maand onttrekken Een vergunning is nodig voor het onttrekken en retourneren van grondwater wanneer meer dan 5.000 m³ grondwater per maand wordt onttrokken in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied, als dit gebeurt voor een grondwatersanering. Artikel 12.17 Meer dan 20.000 m³ per jaar onttrekken Een vergunning is nodig voor het onttrekken en retourneren van grondwater wanneer meer dan 20.000 m³ grondwater per jaar wordt onttrokken in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied, als dit gebeurt voor een grondwatersanering.
Subsubparagraaf 12.2.1.3.3 In een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen Artikel 12.18 Langer dan vier jaar onttrekken Een vergunning is nodig voor het onttrekken en retourneren van grondwater in een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen als de onttrekking langer duurt dan vier jaar en gebeurt voor een grondwatersanering. Artikel 12.19 Meer dan 15 m³ per uur onttrekken Een vergunning is nodig voor het onttrekken en retourneren van grondwater wanneer meer dan 15 m³ grondwater per uur wordt onttrokken in een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen, als dit gebeurt voor een grondwatersanering. Artikel 12.20 Meer dan 10.000 m³ per maand onttrekken Een vergunning is nodig voor het onttrekken en retourneren van grondwater wanneer meer dan 10.000 m³ grondwater per maand wordt onttrokken in een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen, als dit gebeurt voor een grondwatersanering. Artikel 12.21 Meer dan 200.000 m³ per jaar onttrekken Een vergunning is nodig voor het onttrekken en retourneren van grondwater wanneer meer dan 200.000 m³ grondwater per jaar wordt onttrokken in een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen, als dit gebeurt voor een grondwatersanering.
Subsubparagraaf 12.2.1.3.4 In een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen Artikel 12.22 Langer dan vier jaar onttrekken Een vergunning is nodig voor het onttrekken en retourneren van grondwater in een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen als de onttrekking langer duurt dan vier jaar en gebeurt voor een grondwatersanering. Artikel 12.23 Meer dan 25 m³ per uur onttrekken Een vergunning is nodig voor het onttrekken en retourneren van grondwater wanneer meer dan 25 m³ grondwater per uur wordt onttrokken in een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen, als dit gebeurt voor een grondwatersanering. Artikel 12.24 Meer dan 15.000 m³ per maand onttrekken
Een vergunning is nodig voor het onttrekken en retourneren van grondwater wanneer meer dan 15.000 m³ grondwater per maand wordt onttrokken in een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen, als dit gebeurt voor een grondwatersanering. Artikel 12.25 Meer dan 300.000 m³ per jaar onttrekken Een vergunning is nodig voor het onttrekken en retourneren van grondwater wanneer meer dan 300.000 m³ grondwater per jaar wordt onttrokken in een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen, als dit gebeurt voor een grondwatersanering.
Subparagraaf 12.2.1.4 Grondwater onttrekken of infiltreren voor een andere reden Subsubparagraaf 12.2.1.4.1 Algemeen Artikel 12.26 Grondwater onttrekken of infiltreren voor een andere reden De artikelen uit deze subparagraaf gelden voor het onttrekken of infiltreren van grondwater voor een andere reden dan planten of vee water geven of een grondwatersanering. Artikel 12.27 Uitzondering: Brandblusvoorziening en bemalen drainage voor agrarisch doel De artikelen uit deze paragraaf gelden niet voor het onttrekken of infiltreren van grondwater voor een: a. brandblusvoorziening; of b. bemalen drainage voor een agrarische doel.
Subsubparagraaf 12.2.1.4.2 In een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied Artikel 12.28 Langer dan zes maanden onttrekken of infiltreren 1 Een vergunning is nodig voor het langer dan zes maanden onttrekken of infiltreren van grondwater in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied, als dit voor een ander doel is dan vee of planten water geven of een grondwatersanering. 2 Lid 1 geldt niet voor het onttrekken of infiltreren van grondwater voor het maken van een sleuf waarin een kabel of leiding komt. Artikel 12.29 Meer dan 10 m³ per uur onttrekken of infiltreren Een vergunning is nodig voor het onttrekken of infiltreren van grondwater wanneer meer dan 10 m³ grondwater per uur wordt onttrokken of geïnfiltreerd in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied als dit voor een ander doel is dan vee of planten water geven of een grondwatersanering. Artikel 12.30 Meer dan 5.000 m³ per maand onttrekken of infiltreren Een vergunning is nodig voor het onttrekken of infiltreren van grondwater wanneer meer dan 5.000 m³ grondwater per maand wordt onttrokken of geïnfiltreerd in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied als dit voor een ander doel is dan vee of planten water geven of een grondwatersanering.
Artikel 12.31 Meer dan 20.000 m³ per jaar onttrekken of infiltreren Een vergunning is nodig voor het onttrekken of infiltreren van grondwater wanneer meer dan 20.000 m³ grondwater
per jaar wordt onttrokken of geïnfiltreerd in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied als dit voor een ander doel is dan vee of planten water geven of een grondwatersanering.
Subparagraaf 12.2.1.4.3 In een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen Artikel 12.32 Langer dan zes maanden onttrekken of infiltreren 1 Een vergunning is nodig voor het langer dan zes maanden onttrekken of infiltreren van grondwater in een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen, als dit voor een ander doel is dan vee of planten water geven of een grondwatersanering. 2 Lid 1 geldt niet voor het onttrekken of infiltreren van grondwater voor het maken van een sleuf waarin een kabel of leiding komt. Artikel 12.33 Meer dan 35 m³ per uur onttrekken of infiltreren Een vergunning is nodig voor het onttrekken of infiltreren van grondwater wanneer meer dan 35 m³ grondwater per uur wordt onttrokken of geïnfiltreerd in een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen als dit voor een ander doel is dan vee of planten water geven of een grondwatersanering. Artikel 12.34 Meer dan 10.000 m³ per maand onttrekken of infiltreren Een vergunning is nodig voor het onttrekken of infiltreren van grondwater wanneer meer dan 10.000 m³ grondwater per maand wordt onttrokken of geïnfiltreerd in een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen als dit voor een ander doel is dan vee of planten water geven of een grondwatersanering.
Artikel 12.35 Meer dan 30.000 m³ per jaar onttrekken of infiltreren Een vergunning is nodig voor het onttrekken of infiltreren van grondwater wanneer meer dan 30.000 m³ grondwater per jaar wordt onttrokken of geïnfiltreerd in een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen als dit voor een ander doel is dan vee of planten water geven of een grondwatersanering.
Subsubparagraaf 12.2.1.4.4 In een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen Artikel 12.36 Langer dan zes maanden onttrekken of infiltreren 1 Een vergunning is nodig voor het langer dan zes maanden onttrekken of infiltreren van grondwater in een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen, als dit voor een ander doel is dan vee of planten water geven of een grondwatersanering. 2 Lid 1 geldt niet voor het onttrekken of infiltreren van grondwater voor het maken van een sleuf waarin een kabel of leiding komt. Artikel 12.37 Meer dan 100 m³ per uur onttrekken of infiltreren Een vergunning is nodig voor het onttrekken of infiltreren van grondwater wanneer meer dan 100 m³ grondwater per uur wordt onttrokken of geïnfiltreerd in een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen als dit voor een ander doel is dan vee of planten water geven of een grondwatersanering.
Artikel 12.38 Meer dan 40.000 m³ per maand onttrekken of infiltreren Een vergunning is nodig voor het onttrekken of infiltreren van grondwater wanneer meer dan 40.000 m³ grondwater per maand wordt onttrokken of geïnfiltreerd in een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen als dit voor een ander doel is dan vee of planten water geven of een grondwatersanering. Artikel 12.39 Meer dan 100.000 m³ per jaar onttrekken of infiltreren Een vergunning is nodig voor het onttrekken of infiltreren van grondwater wanneer meer dan 100.000 m³ grondwater per jaar wordt onttrokken of geïnfiltreerd in een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen als dit voor een ander doel is dan vee of planten water geven of een grondwatersanering.
Paragraaf 12.2.2 Beoordelen van de vergunningaanvraag Artikel 12.40 Beoordelen van de vergunningaanvraag Bij het beoordelen van een vergunningaanvraag, gelden naast de beoordelingsregels uit afdeling 3.3 de volgende aanvullende beoordelingsregels: artikel 12.41 artikel 12.42 artikel 12.43 artikel 12.44 artikel 12.45 artikel 12.46 artikel 12.47 artikel 12.48 artikel 12.49 Artikel 12.41 Zo min mogelijk water onttrekken De initiatiefnemer onttrekt zo min mogelijk grondwater om zijn doel te bereiken. Artikel 12.42 De voorraad zoet grondwater beschermen De beschikbare voorraad zoet grondwater raakt niet op door de grondwateronttrekking. Artikel 12.43 Negatieve gevolgen voorkomen 1 De initiatiefnemer voorkomt dat het onttrekken of infiltreren van grondwater negatieve gevolgen heeft in de bodem of in het grondwater. 2 Als het redelijk is dat negatieve gevolgen niet zijn te voorkomen, dan houdt de initiatiefnemer deze negatieve gevolgen zo klein mogelijk. 3 Als het redelijk is dat de negatieve gevolgen niet klein kunnen blijven, dan neemt de initiatiefnemer compenserende maatregelen. 4
De initiatiefnemer voorkomt dat het onttrekken of infiltreren van grondwater leidt tot verontreiniging van de bodem of het grondwater. Artikel 12.44 Blijvend onttrekken om bouwwerk droog te houden Grondwater onttrekken om een bouwwerk droog te houden mag alleen tijdelijk. Artikel 12.45 Grondwater gebruiken voor laagwaardige doelen Grondwater onttrekken voor laagwaardig doelen mag alleen als het duidelijk minder duurzaam of veel duurder is om op een andere manier dat laagwaardig gebruik te bereiken. Artikel 12.46 Strategische voorraad zoet grondwater beschermen 1 Grondwater dat is onttrokken uit de strategische voorraad zoet grondwater wordt helemaal geretourneerd. 2 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen afwijken van lid 1 als retourneren van al het onttrokken grondwater niet redelijk is om te eisen. Artikel 12.47 Gevolgen beschrijven van het onttrekken en infiltreren van grondwater 1 De initiatiefnemer beschrijft de gevolgen van het onttrekken en infiltreren van grondwater tot aan de 5 centimeter verlagings-/verhogingslijn van de freatische grondwaterstand. Bij een spanningsbemaling gebeurt dit tot aan de 5 centimeter van de stijghoogte in het watervoerende pakket. 2 Bij het beschrijven gaat de initiatiefnemer in op onttrekkingen en infiltraties die al worden uitgevoerd.
Artikel 12.48 Stoppen of minder grondwater gaan onttrekken of infiltreren Duurt het onttrekken van grondwater een lange tijd, dan beschrijft een initiatiefnemer de gevolgen van: a. het stoppen van het onttrekken of infiltreren; en b. het minder grondwater gaan onttrekken of infiltreren. Artikel 12.49 Grondwater onttrekken voor planten 1 Rijnland staat het onttrekken van grondwater om planten water te geven alleen toe, als het niet redelijk is om hier oppervlaktewater voor te gebruiken. 2 De onttrekking uit lid 1 gebeurt uit het eerste watervoerende pakket. 3 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen in een bijzondere situatie afwijken van lid 2 en een onttrekking uit het tweede watervoerende pakket toestaan.
Paragraaf 12.2.3 Voorschriften in de vergunning
Artikel 12.50 Voorschriften in de vergunning In de vergunning kunnen in ieder geval voorschriften staan over: a. De grondwaterstand en stijghoogte; b. De kwaliteit van het oppervlaktewatersysteem (verandering in de situatie van kwel en infiltratie); c. De ligging van het grensvlak tussen zoet en zout; d. Archeologische monumenten en cultureel erfgoed; e. Gevolgen buiten het eigen terrein op natuur, landbouw en openbaar groen; f. De zetting van het maaiveld; g. Waterkeringen; h. Funderingen en gebouwen; i. Overige infrastructuur; j. Andere grondwateronttrekkingen in de omgeving; k. Verplaatsen van grondwaterverontreiniging; l. Het moment van melden van de start van de activiteiten; m. Het moment van melden van het einde van de activiteiten; n. De kwaliteit van het in de bodem te brengen water; o. Het onder controle houden van de hydrologische situatie; p. Het stoppen van het in de bodem brengen van het water; q. Het controleren van de kwaliteit van het grondwater.
Afdeling 12.3 Voorwaarden zonder vergunning Paragraaf 12.3.1 Grondwater saneren Artikel 12.51 Wanneer gelden deze voorwaarden De artikelen uit deze paragraaf gelden voor het onttrekken en retourneren van grondwater voor een grondwatersanering. Artikel 12.52 Saneren in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied De voorwaarden uit paragraaf 12.3.3 gelden voor het onttrekken en retourneren van grondwater als dit: a. gebeurt voor een grondwatersanering; en b. gebeurt in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied; en c. minimaal drie maanden tot maximaal zes maanden duurt; en d. geen invloed heeft op de freatische grondwaterstand in de kernzone en beschermingszone van de waterkering; en e. gebeurt met minimaal 5 m³ per uur, of 2.500 m³ per maand of 5.000 m³ per jaar; en f. gebeurt met maximaal 10 m³ per uur; en g. gebeurt met maximaal 5.000 m³ per maand; en h. gebeurt met maximaal 20.000 m³ per jaar. Artikel 12.53 Saneren in een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen De voorwaarden uit paragraaf 12.3.3 gelden voor het onttrekken en retourneren van grondwater als dit:
a. gebeurt voor een grondwatersanering; en b. gebeurt in een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen; en c. minimaal drie maanden tot maximaal vier jaar duurt; en d. geen invloed heeft op de freatische grondwaterstand in de kernzone enbeschermingszone van de waterkering; en e. gebeurt met minimaal 5 m³ per uur, of 2.500 m³ per maand of 5.000 m³ per jaar; en f. gebeurt met maximaal 15 m³ per uur; en g. gebeurt met maximaal 10.000 m³ per maand; en h. gebeurt met maximaal 200.000 m³ per jaar. Artikel 12.54 Saneren in een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen De voorwaarden uit paragraaf 12.3.3 gelden voor het onttrekken en retourneren van grondwater als dit: a. gebeurt voor een grondwatersanering; en b. gebeurt in een gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen; en c. minimaal drie maanden en maximaal vier jaar duurt; en d. geen invloed heeft op de freatische grondwaterstand in de kernzone en beschermingszone van de waterkering; en e. gebeurt met minimaal 10 m³ per uur, of 5.000 m³ per maand of 12.000 m³ per jaar; en f. gebeurt met maximaal 25 m³ per uur; en g. gebeurt met maximaal 15.000 m³ per maand; en h. gebeurt met maximaal 300.000 m³ per jaar.
Paragraaf 12.3.2 Grondwater onttrekken, retourneren of infiltreren voor een andere reden Artikel 12.55 Wanneer gelden deze voorwaarden De artikelen uit deze paragraaf gelden voor het onttrekken, retourneren of infiltreren van grondwater, wanneer dit gebeurt om een andere reden dan vee of planten water geven of grondwater saneren. Artikel 12.56 Onttrekken, retourneren of infiltreren in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied De voorwaarden uit paragraaf 12.3.3 gelden voor het onttrekken, retourneren of infiltreren van grondwater als dit: a. gebeurt voor iets anders dan vee of planten water geven; en b. gebeurt voor iets anders dan een grondwatersanering; en c. gebeurt voor iets anders dan een brandblusvoorziening; en d. gebeurt voor iets anders dan een bemalen drainage voor een agrarisch doel; en e. gebeurt in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied; en f. minimaal drie maanden en maximaal zes maanden duurt; en g. geen invloed heeft op de freatische grondwaterstand in de kernzone en beschermingszone van de waterkering; en h. gebeurt met minimaal 5 m³ per uur, of 2.500 m³ per maand of 5.000 m³ per jaar; en i. gebeurt met maximaal 10 m³ per uur; en j. gebeurt met maximaal 5.000 m³ per maand; en k. gebeurt met maximaal 20.000 m³ per jaar.