CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Bijlage 3: Ontwerp Waterschapsverordening 2023

commissie Beheer 6 april 2023, gemeente HaarlemBij agendapunt: Instemmen met de gemeentelijke zienswijze op de Waterschapsverordening van het hoogheemraadschap van Rijnland30.928 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Ontwerp Waterschapsverordening Rijnland Deel 1 Regels die met of zonder Omgevingswet in werking treden Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Afdeling 1.1 Algemeen Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen Dit is de uitleg van de in deze verordening gebruikte begrippen: Aanmeervoorziening Een plek in het oppervlaktewater voor het vastleggen van boten of andere vaartuigen. Het is gemaakt van palen met een horizontale balk ertussen. Aanvoeren Water vanuit een oppervlaktewater naar een ander oppervlaktewater halen met een werk. Of het water op een natuurlijke manier daar naartoe laten stromen. Afrastering Bijvoorbeeld een hek, muurtje of schrikdraad. Afslag Het losslaan, wegwaaien of wegspoelen van een deel van de duinen bij een harde storm. Afvalwaterzuivering Een installatie waar Rijnland het stedelijk afvalwater schoonmaakt. Afvoeren Water vanuit een oppervlaktewater naar een ander oppervlaktewater brengen met een werk. Of het water op een natuurlijke manier daar weg laten stromen. Archeologische monumenten In de Omgevingswet staat: Archeologische monumenten zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Belangrijk oppervlaktewater Dit zijn de belangrijkste sloten, vaarten, plassen en meren binnen Rijnland. Ze hebben een belangrijke rol bij de aanvoer en afvoer van water, de waterberging en het onderhoud aan een waterkering. Ze zijn ook belangrijk als leefgebied voor planten en dieren.

Bemalen drainage Een horizontale bemaling of drainage. Het grondwater wordt met een pomp afgevoerd via horizontaal geplaatste zuigbuizen. Er worden geen verticale filters gebruikt. Bergen van water Opslaan van water. Berging rekening courant (BRC) Een saldo van gedempt en gegraven oppervlaktewater. Dit saldo wordt bijgehouden in een Berging Rekening Courant (BRC). Beschoeiing Een bescherming van de oever. Een beschoeiing staat in het oppervlaktewater langs de waterkant. Het voorkomt dat de oever wegspoelt in het water. Binnentalud Het schuin aflopende deel van een dijk aan de kant van het land.

Bodemonderzoek Een geotechnisch en milieukundig onderzoek van de bodem. Hierbij worden boringen en/of sonderingen gebruikt. Bij het bodemonderzoek wordt ook gekeken naar de gevolgen van de verankering van een sondeerwagen in de bodem op de stabiliteit van een waterkering. Boezem Oppervlaktewater bedoeld voor het opvangen van water uit de polders en voor het aanvoeren en afvoeren van water uit Rijnlands gebied. Boogzinker Met gekromde buizen wordt een gat gespoten. Met een boogzinker kan de initiatiefnemer kabels en leidingen bijvoorbeeld onder een sloot of weg door aanbrengen. Bouwen In de Omgevingswet staat: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten. Bouwwerk In de Omgevingswet staat: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart. Brandblusvoorziening Hiermee wordt grondwater uit de bodem onttrokken en gebruikt als bluswater. Brug Een vaste of beweegbare verbinding tussen twee percelen die gescheiden zijn door oppervlaktewater.

Buitentalud Het schuin aflopende deel van een dijk aan de kant van het water.

Casing Een holle stalen buis. Chemische kwaliteit van het water De kwaliteit van de samenstelling van het water en welke stoffen en verontreinigingen daarin zitten. Chemische toestand De chemische toestand van het oppervlaktewater zoals bedoeld in de Kaderrichtlijn Water.

Coupure Een gedeelte van een waterkering dat lager is dan de rest van de waterkering. Bijvoorbeeld omdat dwars door de waterkering een weg is gemaakt. De lagere plek kan bij hoogwater worden afgesloten. Cultureel erfgoed In de Omgevingswet staat: monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Cunet De kuil die ontstaat bij het weggraven van een gedeelte van een grondlaag. Het cunet wordt daarna weer gevuld met bijvoorbeeld zand. Dit wordt gedaan om een ondergrond te maken die stevig genoeg is voor een bepaalde activiteit. Damwand Een constructie die grond of water keert. Het is gemaakt van bijvoorbeeld beton, steen, hout, kunststof of staal. De basis van het basisveen De onderkant van een afsluitende laag basisveen. Delfstoffen Een goed te gebruiken materiaal dat uit de grond kan worden gehaald. Bijvoorbeeld zand, schelpen, grind, klei, kalksteen en zout. Dempen Het verkleinen van het bergend oppervlak van een oppervlaktewater. Het bergend oppervlak is de ruimte die beschikbaar is voor water.

Dijkgraaf en hoogheemraden Het dagelijks bestuur van Rijnland, bedoeld in artikel 8 van het Reglement van bestuur voor het hoogheemraadschap van Rijnland en artikel 40 van de Waterschapswet. Doelmatige bemonstering Op een goede en handige manier een hoeveelheid water opvangen voor laboratoriumonderzoek. Dragende functie van het watersysteem Dit gaat over de draagkracht van de bodem. Het geeft aan hoeveel gewicht een bodem aankan zonder dat bijvoorbeeld een bouwwerk verzakt. Drijvend voorwerp Een voorwerp dat zelfstandig blijft drijven en een vaste ligplaats heeft aan de waterkant. Bijvoorbeeld: woonboten, woonschepen, woonarken, drijvende steigers, drijvende botenhuizen Drooglegging De afstand tussen het waterpeil en het gemiddeld/ de mediaan van de hoogte van het maaiveld. Duiker Een buis, koker of andere constructie onder bijvoorbeeld een dam, dijk of weg die oppervlaktewateren met een zelfde waterpeil met elkaar verbindt. Duinvoet De onderste rand van een duin, waar een duin overgaat naar het strand.

Ecologische kwaliteit van het water De kwaliteit van de structuur en het functioneren van het ecosysteem van het oppervlaktewater. Denk hierbij aan de planten en dieren, maar ook aan de schimmels en de algen die in het oppervlaktewater en in de waterbodem leven. Ecologische toestand De ecologische toestand van het oppervlaktewater zoals bedoeld in de Kaderrichtlijn Water. Emissiebeheersingsmaatregelen Emissiebeheersingsmaatregelen zoals bedoeld in de Kaderrichtlijn water (KRW). Erosie Slijtage door wind, ijs en water. Erosiebestendig materiaal Materiaal dat zorgt dat de grond van het talud niet wegwaait, wegspoelt of op een andere manier verdwijnt. Freatische grondwaterstand De hoogte van de bovenste laag grondwater gemeten vanaf het maaiveld. Deze bovenste laag grondwater komt de initiatiefnemer het eerst tegen bij graven en boren. Fysische kenmerken De fysische kenmerken van het oppervlaktewater zoals bedoeld in de Kaderrichtlijn Water. Gesloten teeltvloer Een ondergrond met een gesloten systeem voor het telen van planten. Deze systemen worden ook wel gesloten Pot Container Teelt (PCT) genoemd. Bijvoorbeeld een speciale betonvloer. Grondwater In de Omgevingswet staat: water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met de bodem of ondergrond staat.

Grondwater onttrekken Grondwater uit de bodem halen met een onttrekkingsinrichting. Dit is een inrichting of werk bedoeld om grondwater uit de bodem te halen. Vaak is dit een pomp. Grondwater retourneren Onttrokken grondwater terugbrengen in de bodem. Grondwaterlichaam In de Omgevingswet staat: Afzonderlijke grondwatermassa in een of meer watervoerende lagen. Grondwatersanering

Het Besluit activiteiten leefomgeving zegt: het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater. Grondwaterstand De hoogte van het grondwater in de bodem. Haaks Loodrecht Hard oppervlak Een bedekking van de bodem waardoor neerslag niet of maar heel weinig in de bodem kan komen. Bijvoorbeeld bestrating, gesloten teeltvloeren en bouwwerken. Huisaansluiting Een kabel of leiding waarmee een woning of woongebouw een aansluiting krijgt op een netwerk. Bijvoorbeeld het netwerk voor elektriciteit, gas, drinkwater, warmte of media/(tele)communicatie. Infiltreren Water in de bodem brengen om de grondwaterstand aan te vullen. Dit gebeurt naast het onttrekken van grondwater. Infrastructuur In de Omgevingswet staat: wegen en vaarwegen, waaronder routenetwerken voor wandelen, fietsen en varen, spoorwegen, havens, luchthavens, energie-infrastructuur, telecommunicatie-infrastructuur, buisleidingen, openbare hemelwater- en ontwateringsstelsels en vuilwaterriolen, infrastructuur voor watervoorzieningswerken als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet en andere vitale infrastructuur. Ingreepmaat De waterdiepte die minimaal nodig is voor een oppervlaktewater. Deze diepte staat in de legger oppervlaktewateren. Initiatiefnemer De persoon die een werk of de activiteit wil gaan uitvoeren en hiervoor verantwoordelijk is.

Een initiatiefnemer kan het werk of de activiteit zelf uitvoeren of hiervoor een opdracht geven aan een andere partij. Insteek Het punt waar de schuine oever overgaat in het vlakke maaiveld of een beschoeiing.

Inwerkingtreding Moment waarop de regels uit deze verordening gaan gelden. Kernzone Het centrale deel van het waterstaatswerk. De kernzone staat in de werkingsgebieden. Kruin Een zone met het bovenste gedeelte van een waterkering. Deze zone staat in de legger regionale waterkeringen.

Krw-oppervlaktewaterlichaam In het Besluit kwaliteit leefomgeving staat: oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 2, onder 10, van de Kaderrichtlijn Water. Kunstwerk Een civieltechnisch werk dat nodig is om het netwerk van wegen, water, spoorbanen, waterkeringen, en/of leidingen goed te laten werken. Zo’n kunstwerk is niet bedoeld voor permanent verblijf door mensen. Kwantitatieve toestand De kwantitatieve toestand van een grondwaterlichaam zoals bedoeld in de Kaderrichtlijn Water. Kwel Grondwater dat onder drukverschil vanuit de bodem omhoog komt. Landinwaarts Vanaf de waterkant verder het land in. Legger In de Omgevingswet staat: legger als bedoeld in artikel 2.39 Omgevingswet. Leggerprofiel Een profiel met de richting, vorm, maten en constructie van een waterkering die aan de veiligheidsnormen voldoet. Een profiel is vaak een zijaanzicht, maar kan ook bijvoorbeeld 3D zijn. Het leggerprofiel is te vinden in: de Legger primaire keringen; of de Legger regionale keringen. Lijnvormig Lang en smal. Losspuiten Het spuiten van water rondom bijvoorbeeld een heipaal of damwand die uit de grond moet. Zo komt de paal makkelijker los uit de grond. Maaiveld De bovenkant van de grond van een terrein. Ook de bestrating hoort bij het maaiveld. Bij het maaiveld hoort niet: een kunstmatige verhoging zoals een talud of een berm; en een kunstmatige verlaging.

Maatschappelijke functies De maatschappelijke functies van het watersysteem zijn bijvoorbeeld natuurbeleving, varen, of het goed houden van funderingen van bouwwerken. Het is een maatschappelijke functie als veel gebruikers regelmatig gebruik maken van een functie. Bij een paar gebruikers gaat het niet om een maatschappelijk functie. Maatwerkvoorschrift In de Omgevingswet staat: maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 Omgevingswet. Mantelbuis Beschermingsbuis voor kabels en leidingen.

Meerpaal Een paal in het oppervlaktewater om bijvoorbeeld een boot of ander vaartuig aan vast te maken. Moerige grond Moerig betekent dat de grondlaag voor minimaal 15% uit organisch stof bestaat. Moerige grond heeft een moerige laag van 5 tot 40 centimeter dik. De bovenkant van de moerige laag zit niet dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld. NAP Normaal Amsterdams Peil. Alle hoogtes in Nederland worden gemeten ten opzichte van met het NAP. Natuurbeheer Het zorgen voor de natuur. Niet versneld Niet sneller dan de snelheid waarmee neerslag op een natuurlijke manier in de bodem zakt en via de bodem naar oppervlaktewater stroomt. Oever Het gebied tussen de waterbodem en het maaiveld. Oeverbescherming Een bescherming van de oever tegen losslaan en wegspoelen van de grond. Oeverlijn De grens tussen oppervlaktewater en land. Omgevingswaarde In de Omgevingswet staat: omgevingswaarde als bedoeld in afdeling 2.3 Ondersteunend kunstwerk Een kunstwerk dat nodig is voor het goed laten werken van het watersysteem. Bijvoorbeeld een stuw om het waterpeil op goede hoogte te houden, zodat een dijk niet uitdroogt. Of een damwand die het water tegenhoudt. Ontgrondingskuil Het gat in de bodem dat ontstaat wanneer een boom of struik omvalt. Onttrekkingsinrichting Een inrichting of werk bedoeld om grondwater uit de bodem te halen. Vaak is dit een pomp.

Rijnland ziet meerdere inrichtingen of werken als één onttrekkingsinrichting als ze zijn geplaatst in opdracht van één opdrachtgever en/of vanwege één project en samen één geheel vormen. Rijnland ziet meerdere inrichtingen of werken niet als één onttrekkingsinrichting als: de invloedsgebieden van onttrekkingen of infiltraties elkaar niet raken; en/of er een periode van minstens zes maanden zit tussen de beëindiging van een onttrekking en de start van een volgende onttrekking; en/of is aangetoond dat de grondwaterstand en de stijghoogte in de diepere watervoerende pakketten zich hebben hersteld tot het natuurlijk niveau voordat de volgende onttrekking begint. Opbarsten Het omhoog komen en scheuren van bodemlagen die slecht water doorlaten. Bijvoorbeeld lagen klei, leem of veen. Door de scheuren in de bodem komt water omhoog. Mogelijke oorzaken zijn: Een daling van de gronddruk door bijvoorbeeld een ontgraving. Een stijging van de waterdruk in een watervoerende zandlaag die eronder ligt. Oppervlaktewater De sloten, vaarten, plassen, meren, rivieren, kanalen. En ook droogstaande greppels die wel in verbinding staan met ander oppervlaktewater. Oppervlaktewaterlichaam

In de Omgevingswet staat: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem en oevers, alsmede flora en fauna. Oppervlaktewatersysteem Oppervlaktewateren die met elkaar in verbinding staan. Peilbesluit In dit document staat: het waterpeil in een gebied, of de bandbreedten waarbinnen het waterpeil kan variëren. in welke periode en in welke situatie dit waterpeil zo veel mogelijk in stand wordt gehouden. Het peilbesluit is door de verenigde vergadering vastgesteld. Peilbuis Een buis in de bodem waarmee de hoogte van het grondwater in de bodem kan worden gemeten. Peilgrens De grens tussen peilvakken. Peilvak Een bepaald gebied dat is vastgesteld in een peilbesluit. In dit gebied probeert Rijnland één waterpeil te houden. In het peilbesluit staat welk peil dat is. Perceel Een stuk grond of een terrein met vaste grenzen die door het Kadaster zijn bepaald. Primaire waterkering In de Omgevingswet staat: waterkering die bescherming biedt tegen overstroming door water van een oppervlaktewaterlichaam waarvan de waterstand direct invloed ondergaat van hoge stormvloed, hoog water van een van de grote rivieren, hoog water van het IJsselmeer of het Markermeer, of een combinatie daarvan, en van het Volkerak-Zoommeer, het Grevelingenmeer, het getijdedeel van de Hollandsche IJssel en de Veluwerandmeren.

De primaire waterkeringen binnen Rijnland staan in de legger primaire keringen. Profiel van vrije ruimte Een ruimte (lengte, breedte, hoogte) in de grondmassa aan beide kanten van een regionale waterkering. Het is een reservering voor toekomstige versterking of uitbreiding van de waterkering. Het profiel van vrije ruimte staat in de legger regionale waterkeringen. Pulsen Een manier van boren. Regionale waterkering Beschermt de polders binnen Rijnland tegen overstroming vanuit hoger gelegen oppervlaktewater dat daaromheen ligt. De regionale waterkeringen staan in de legger regionale waterkeringen. Rijnland Het hoogheemraadschap van Rijnland. Seismisch onderzoek Bij dit onderzoek worden geluidsgolven de grond ingestuurd. De aardlagen kaatsen deze golven terug. Dit geeft veel informatie over hoe de bodemlagen eruitzien. Seizoensgebouwen Bouwwerken die alleen tussen 1 februari en 1 november op het strand staan. Bijvoorbeeld een strandtent of surfpaviljoen. Sleuf Een in de grond gegraven geul. Sleufloze techniek Een manier om een kabel, leiding of mantelbuis in de bodem te brengen zonder een sleuf te graven. Sondering

Het in de bodem drukken van een conus loodrecht op het maaiveld. Het doel is de draagkracht van de bodem bepalen. Spanningsbemaling Het wegpompen van dieper grondwater om de grondwaterdruk kleiner te maken. Het doel is het opbarsten van de bodem voorkomen. Specie Materiaal dat de initiatiefnemer krijgt bij graven of baggeren Steiger Een bouwwerk in het oppervlaktewater dat bestaat uit palen en een gedeelte waar mensen op kunt lopen. Stijghoogte Hoe hoog het grondwater maximaal zou kunnen staan. Dit wordt gemeten vanaf een bepaald niveau, meestal het NAP. Stoffen Chemische elementen en verbindingen. Straatmeubel Bijvoorbeeld straatverlichting, naamborden, wegwijzers, bankjes en vuilnisbakken. Strand Het deel van de kuststrook tussen de duinvoet en de zee. Strategische voorraad zoet grondwater Een voorraad van zoet grondwater die beschikbaar moet blijven voor de toekomst. Bijvoorbeeld voor drinkwater. De Kaderrichtlijn Water (KRW) noemt dit de zoete grondwaterlichamen. Stuw Een constructie die water tegenhoudt en waarmee het waterpeil in een oppervlaktewater wordt geregeld. Talud Dit is het schuine deel van een dijk, of de schuine oever tussen de waterbodem en het maaiveld. Verenigde vergadering het algemeen bestuur van Rijnland, bedoeld in artikel 8 van het Reglement van bestuur voor het hoogheemraadschap van Rijnland en artikel 12 van de Waterschapswet.

Verzilting Het zouter worden van de bodem en het water. Voorspuiten Het spuiten van water rondom bijvoorbeeld een boorfilter, heipaal of peilbuis die al in de grond zit. Zo kan de buis of paal verder in de grond zakken. Waterbodem De grond van een oppervlaktewater onder de waterspiegel. Waterkerendheid Hoe goed de waterkering het water kan tegenhouden. Waterkering Een waterkering houdt water tegen en beschermt tegen een overstroming. Het zijn waterscheidingen, kunstmatige hoogten en (gedeelten van) natuurlijke hoogten of hooggelegen gronden. Vaak wordt dit een dijk genoemd. Bij de waterkering horen ook sommige kunstwerken die daarin of daaraan zijn gemaakt. Het gaat om kunstwerken die (ook) een waterkerende functie hebben. Bijvoorbeeld een sluis. Waterlichaam In de Omgevingswet staat: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem en oevers, alsmede flora en fauna. Watermonster Een kleine hoeveelheid water. Dit wordt vaak verzameld voor laboratoriumonderzoek.

Waterpeil De hoogte van de bovenkant van het oppervlaktewater. De hoogte wordt gemeten ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP). Het waterpeil gaat dus niet om de diepte van het water. Waterspiegel Het grensvlak tussen water en lucht. Een ander woord is wateroppervlak. Waterstaatswerk In de Omgevingswet staat: Oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk. Watersysteem In de Omgevingswet staat: Samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken. Watervoerende pakket Een laag in de bodem (bijvoorbeeld zand) waar langzaam grondwater doorheen stroomt. Deze bodemlaag heeft aan de bovenkant en de onderkant een ondoorlatende laag (bijvoorbeeld klei) of een vrije waterspiegel. Werkingsgebied Het deel van het beheergebied van Rijnland waar bepaalde regels gelden. Winterpeil Het waterpeil dat in de winter wordt gebruikt. Het juiste winterpeil staat in het peilbesluit. Zeewering De waterkeringen die ons beschermen tegen overstroming door de zee. Denk hierbij aan de duinen, dijken en duin-in-dijk-constructies. Zetting Water en lucht wordt uit de grond geperst door het samendrukken van de grond. Zomerpeil Het waterpeil dat in de zomer wordt gebruikt. In het peilbesluit staat wat het zomerpeil is.

Meestal geldt het zomerpeil van ongeveer maart/april tot ongeveer september/oktober. Zwelklei Een bodemsoort die redelijk veel water kan opnemen en daardoor opzwelt. Bentoniet is een bekend voorbeeld van zwelklei. Artikel 1.2 Meet- en rekenbepalingen In bijlage II staan de meet- en rekenbepalingen die worden gebruikt in deze verordening.

Afdeling 1.2 Doelen Artikel 1.3 Doelen 1 De doelen van deze waterschapsverordening gelden voor het beheergebied van Rijnland. De doelen zijn: a. Overstromingen, wateroverlast en waterschaarste voorkomen en als het nodig is beperken. b. De chemische kwaliteit van het water en de ecologische kwaliteit van het water beschermen en verbeteren. c. De goede werking van de afvalwaterzuiveringen en transportleidingen beschermen en verbeteren. d. De maatschappelijke functies voor watersystemen waarmaken. e. Meewerken aan een duurzaam en goed beheer en gebruik van het grondwater. 2 Een ander doel van deze waterschapsverordening is het beschermen van de goede werking van vaarwegen die Rijnland beheert.

Afdeling 1.3 Toepassingsgebied Artikel 1.4 Toepassingsgebied Deze verordening geldt voor het beheergebied van Rijnland.

Afdeling 1.4 Zorgplicht Artikel 1.5 Zorgplicht Iedereen die een activiteit uitvoert en weet of kan vermoeden dat deze activiteit nadelen kan hebben voor het watersysteem, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen om deze nadelen te voorkomen, voor zover het redelijk is om dit van deze persoon te vragen; en b. voor zover deze nadelen niet zijn te voorkomen, de nadelen zo klein mogelijk te houden en zoveel mogelijk terug te draaien; en c. de activiteit niet uit te voeren als de nadelen te groot worden, onder de voorwaarde dat het redelijk is om dit van deze persoon te vragen. Artikel 1.6 Nadelen voor het watersysteem Nadelen voor het watersysteem, zoals staat in artikel 1.5, zijn in ieder geval: a. een waterkering wordt zwakker of raakt beschadigd; b. een zeewering wordt zwakker of raakt beschadigd; c. de kans op wateroverlast wordt groter; d. de kans op waterschaarste of een tekort aan zoet water wordt groter; e. de kans op overlast door grondwater wordt groter; f. de kans op schaarste van grondwater wordt groter; g. de doorstroming in oppervlaktewater wordt kleiner; h. controle of onderhoud aan het watersysteem worden moeilijker; i. de chemische kwaliteit van het oppervlaktewater wordt slechter; j. de ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater wordt slechter; k. de waterbodemkwaliteit wordt slechter l. meer kwel; m. verzilting; n. het verzakken van de bodem; o.

de uitwisseling van grondwater tussen grondwaterlagen die niet met elkaar zijn verbonden; p. het verstoren van het proces in een afvalwaterzuivering en transportleiding; q. een polderscheiding of peilvakscheiding wordt zwakker of raakt beschadigd; r. de uitvoering van de maatschappelijke functies van het watersysteem is niet meer mogelijk. Artikel 1.7 Algemene maatregelen om te voldoen aan de zorgplicht De zorgplicht uit artikel 1.5 betekent dat bij het uitvoeren van een activiteit in ieder geval de volgende maatregelen worden genomen: a. Onderhoud de installaties en voorzieningen goed;

b. Zorg dat de plaats van de activiteit, installaties en voorzieningen goed toegankelijk is voor Rijnland; c. Meld onverwachte nadelige gevolgen voor het watersysteem direct bij Rijnland; d. Verwijder tijdelijke aanpassingen na afronden van de activiteit. Breng de situatie zo veel mogelijk terug naar zoals het was; e. Voer metingen representatief uit; f. Registreer, verwerk en presenteer meetresultaten op een goede manier.

Afdeling 1.5 Algemene verplichtingen Artikel 1.9 Coupure De eigenaar van een coupure in de kernzone en beschermingszone van een waterkering moet deze coupure meteen sluiten als dijkgraaf en hoogheemraden dit eisen. Artikel 1.10 Verbod bij calamiteiten 1 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen bij een calamiteit deze activiteiten verbieden, ook als in een verleende vergunning of het geldende peilbesluit iets anders staat: a. water afvoeren naar een oppervlaktewater; of b. water aanvoeren uit een oppervlaktewater; of c. water lozen in oppervlaktewater; of d. water onttrekken aan oppervlaktewater; of e. grondwater onttrekken; of f. water infiltreren. 2 Een calamiteit zoals bedoelt in lid 1 kan ontstaan door deze situaties of de dreiging daarvan: a. veel te weinig water; en/of b. veel te veel water; en/of c. veel slechter worden van de chemische kwaliteit van het water; en/of d. veel slechter worden van de ecologische kwaliteit van het water; en/of e. het niet meer kunnen gebruiken van een waterstaatswerk. 3 Op het moment dat dijkgraaf en hoogheemraden vinden dat het verbod uit lid 1 niet meer nodig is, maken zij meteen bekend dat het verbod niet meer geldt.

Hoofdstuk 2 Werkingsgebieden Afdeling 2.1 Beheergebied Rijnland Artikel 2.1 Beheergebied van Rijnland Dit is de kaart van het werkingsgebied: beheergebied van Rijnland.

Afdeling 2.2 Oppervlaktewater Artikel 2.2 Belangrijk oppervlaktewater 1 Dit is de kaart van het werkingsgebied: kernzone van belangrijk oppervlaktewater. 2 Dit is de kaart van het werkingsgebied: kernzone en beschermingszone van belangrijk oppervlaktewater. Artikel 2.3 Overig oppervlaktewater 1 Dit is de kaart van het werkingsgebied: kernzone van overig oppervlaktewater. 2 Dit is de kaart van het werkingsgebied: kernzone en beschermingszone van overig oppervlaktewater. 3 Dit is de kaart van het werkingsgebied: kernzone van breed overig oppervlaktewater. 4 Dit is de kaart van het werkingsgebied: kernzone van smal overig oppervlaktewater. 5 Dit is de kaart van het werkingsgebied: kernzone van overig oppervlaktewater in een kwetsbaar kwelgebied. Artikel 2.4 Oppervlaktewater met een belangrijke doorstroming Dit is de kaart van het werkingsgebied: oppervlaktewater met een belangrijke doorstroming. Artikel 2.5 Waardevolle oever Dit is de kaart van het werkingsgebied: waardevolle oever. Artikel 2.6 Vaarwegen 1 Dit is de kaart van het werkingsgebied: vaarwegen. 2 Dit is de kaart van het werkingsgebied: vaarweg de Drecht. 3 Dit is de kaart van het werkingsgebied: overige vaarwegen.

Afdeling 2.3 Kust Artikel 2.7 Zeewering 1

Dit is de kaart van het werkingsgebied: kernzone van de zeewering 2 Dit is de kaart van het werkingsgebied: kernzone en beschermingszone van de zeewering. 3 Dit is de kaart van het werkingsgebied: kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van de zeewering. 4 Dit is de kaart van het werkingsgebied: bebouwde deel van de kernzone en beschermingszone van de zeewering. 5 Dit is de kaart van het werkingsgebied: buiten het bebouwde deel van de kernzone en beschermingszone van de zeewering. Artikel 2.8 Dijk in duin 1 Dit is de kaart van het werkingsgebied: dijk in duin. 2 Dit is de kaart van het werkingsgebied: dijk-in-duin constructie in de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van de zeewering. Artikel 2.9 Niet dynamische kustgebieden Dit is de kaart van het werkingsgebied: niet dynamische kustgebieden.

Afdeling 2.4 Waterkeringen Artikel 2.10 Waterkeringen 1 Dit is de kaart van het werkingsgebied: kernzone van de waterkering. 2 Dit is de kaart van het werkingsgebied: kernzone en beschermingszone van de waterkering. 3 Dit is de kaart van het werkingsgebied: kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van de waterkering. 4 Dit is de kaart van het werkingsgebied: bebouwde deel kernzone en beschermingszone van de waterkering. 5 Dit is de kaart van het werkingsgebied: buiten het bebouwde deel van de kernzone en beschermingszone van de waterkering. Artikel 2.11 Profiel van vrije ruimte Dit is de kaart van het werkingsgebied: profiel van vrije ruimte.

Afdeling 2.5 Overige gebieden Artikel 2.12 grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied Dit is de kaart van het werkingsgebied: grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. Artikel 2.13 Grondwateronttrekking 1 Dit is de kaart van het werkingsgebied: gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen. 2 Dit is de kaart van het werkingsgebied: gebied zonder extra risico’s voor grondwateronttrekkingen. Artikel 2.14 Kwelgebied 1 Dit is de kaart van het werkingsgebied: kwetsbaar kwelgebied. 2 Dit is de kaart van het werkingsgebied: buiten een kwetsbaar kwelgebied. Artikel 2.15 Hoogwatervoorzieningen 1 Dit is de kaart van het werkingsgebied: gebieden met hoogwatervoorziening. 2 Dit is de kaart van het werkingsgebied: gebieden waar Rijnland terughoudend is met hoogwatervoorziening. Artikel 2.16 Veengronden en kleigronden op veen Dit is de kaart van het werkingsgebied: veengronden en kleigronden op veen. Artikel 2.17 Zandgronden 1 Dit is de kaart van het werkingsgebied: hoger gelegen zandgrond. 2 Dit is de kaart van het werkingsgebied: gebied zonder hoger gelegen zandgrond. Artikel 2.18 Manieren voor extra waterberging 1 Dit is de kaart van het werkingsgebied: door Rijnland aangewezen gebied met andere manieren voor extra waterberging. 2 Dit is de kaart van het werkingsgebied: gebied zonder andere manieren voor extra waterberging.

Artikel 2.19 gebied dat niet kwetsbaar is voor kwel en niet bestaat uit veengrond of kleigrond op veen Dit is de kaart van het werkingsgebied: gebied buiten een kwetsbaar kwelgebied dat niet bestaat uit veengrond of kleigrond op veen

Hoofdstuk 3 Activiteiten algemeen Afdeling 3.1 Wanneer geldt dit hoofdstuk Artikel 3.1 Wanneer geldt dit hoofdstuk 1 De artikelen uit afdeling 3.2 gelden voor het uitvoeren van een activiteit, als in deze verordening staat dat een initiatiefnemer een activiteit bij Rijnland moet melden. 2 De artikelen uit afdeling 3.3 gelden bij de beoordeling van een op grond van deze waterschapsverordening aangevraagde vergunning.

Afdeling 3.2 Werkzaamheden melden Artikel 3.2 Tijdstip van melden Meld de activiteit uiterlijk twee weken voor de start van de werkzaamheden bij Rijnland. Artikel 3.3 Hoe kan de initiatiefnemer melden De initiatiefnemer meldt een activiteit schriftelijk of digitaal. Artikel 3.4 Wat moet de initiatiefnemer melden Een initiatiefnemer meldt deze informatie: a. Naam en adres van de persoon, het bedrijf of de organisatie die de activiteit gaat uitvoeren; b. Naam en adres van de opdrachtgever; c. Adres of de plaats van de activiteit; d. De verwachte startdatum van de activiteit; e. De verwachte einddatum van de activiteit; f. Welke activiteit wordt uitgevoerd.

Afdeling 3.3 Beoordelen van de vergunningaanvraag Paragraaf 3.3.1 Algemeen Artikel 3.5 Beoordelen van de vergunningaanvraag 1 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen een vergunning verlenen wanneer een activiteit voldoet aan: a. de beoordelingsregels uit deze afdeling; en b. de aanvullende beoordelingsregels voor de activiteit die de initiatiefnemer gaat uitvoeren.

2 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen afwijken van de in lid 1 genoemde beoordelingsregels wanneer dat voor een of meer belanghebbende gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beoordelingsregels te dienen doelen. Artikel 3.6 Rekening houden met Dijkgraaf en hoogheemraden houden bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning in ieder geval rekening met: a. het waterbeheerprogramma; b. de regionale waterprogramma’s; c. de stroomgebiedsbeheerplannen; d. de overstromingsrisicobeheerplannen; en e. het nationale waterprogramma. Artikel 3.7 Controle en onderhoud van een waterstaatswerk 1 Het controleren van een waterstaatswerk wordt niet te lastig en de kosten voor dit controleren stijgen niet te veel. 2 Het onderhouden van een waterstaatswerk wordt niet te lastig en de kosten voor dit onderhoud stijgen niet te veel. Artikel 3.8 Verzakken van de bodem De bodem verzakt niet te veel. Artikel 3.9 Maatschappelijke functies van het watersysteem Het watersysteem blijft geschikt voor het uitvoeren van de maatschappelijke functies.

Paragraaf 3.3.2 Zeewering Artikel 3.10 De zeewering De zeewering blijft voldoende beschermen tegen overstroming.

Paragraaf 3.3.3 Waterkering Artikel 3.11 De waterkering De waterkering blijft het water goed tegenhouden.

Paragraaf 3.3.4 Oppervlaktewater Artikel 3.12 Wateroverlast Er ontstaat geen grotere kans op wateroverlast. Artikel 3.13 Hoeveelheid zoet water Er ontstaat geen grotere kans op te weinig zoet water.

Artikel 3.14 Aanvoer en afvoer van water De aanvoer en afvoer van water blijft goed mogelijk. Artikel 3.15 De chemische kwaliteit van het water 1 De chemische kwaliteit van het water wordt niet slechter. 2 Rijnland weigert de vergunning in ieder geval als de activiteit ervoor zorgt dat een krw-oppervlaktewaterlichaam: a. niet voldoet aan de omgevingswaarde voor een goede chemische toestand, en er geen minder strenge doelstelling is vastgesteld in het regionale of nationale waterprogramma; of b. niet voldoet aan een minder strenge doelstelling voor een goede chemische toestand, zoals die is vastgesteld in het regionale of nationale waterprogramma. 3 Rijnland weigert de vergunning in ieder geval als de activiteit ervoor zorgt dat de chemische toestand van een krwoppervlaktewaterlichaam minder goed wordt. 4 In afwijking van lid 3 kan Rijnland de vergunning toch verlenen als: a. wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid van de kaderrichtlijn water; en b. de motivering voor het waterlichaam bij rijkswateren wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, of bij regionale wateren wordt opgenomen in het regionale waterprogramma; en c. de vergunningaanvraag gaat over: i. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam; of ii. wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of iii.

nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling die de oorzaak zijn van het niet kunnen voorkomen van het achteruit gaan van een krw-oppervlaktewaterlichaam van een zeer goede toestand naar een goede toestand. Artikel 3.16 De ecologische kwaliteit van het water 1 De ecologische kwaliteit van het water blijft voldoende. 2 Rijnland weigert de vergunning in ieder geval als de activiteit ervoor zorgt dat een krw-oppervlaktewaterlichaam: a. niet voldoet aan de omgevingswaarde voor een goede ecologische toestand, en er geen minder strenge doelstelling of goed ecologisch potentieel is vastgesteld in het regionale of nationale waterprogramma; of b. niet voldoet aan: i. een minder strenge doelstelling voor een goede kwantitatieve toestand, zoals die is vastgesteld in het regionale of nationale waterprogramma; of ii. het goed ecologisch potentieel zoals die is vastgesteld in het regionale of nationale waterprogramma.

3 Rijnland weigert de vergunning in ieder geval als de activiteit ervoor zorgt dat de ecologische toestand van een krwoppervlaktewaterlichaam minder goed wordt. 4 In afwijking van lid 3 kan Rijnland de vergunning toch verlenen als: a. wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid van de kaderrichtlijn water; en b. de motivering voor het waterlichaam bij rijkswateren wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, of bij regionale wateren wordt opgenomen in het regionale waterprogramma; en c. de vergunningaanvraag gaat over: i. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam; of ii. wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of iii. nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling die de oorzaak zijn van het niet kunnen voorkomen van het achteruit gaan van een krw-oppervlaktewaterlichaam van een zeer goede toestand naar een goede toestand. Artikel 3.17 De waterbodemkwaliteit De kwaliteit van de waterbodem wordt niet slechter. Artikel 3.18 Verbinding tussen polders Als er geen verbinding is tussen polders, dan blijft dat zo. Artikel 3.19 Verbinding tussen peilvakken Als er geen verbinding is tussen peilvakken, dan blijft dat zo. Artikel 3.20 Waterwinlocatie De vergunning wordt in ieder geval geweigerd wanneer de activiteit ervoor zorgt dat in een krwoppervlaktewaterlichaam: a.

niet wordt voldaan aan de omgevingswaarde voor een waterwinlocatie en er geen minder sterenge doelstelling is vastgesteld in het regionale of nationale waterprogramma; of b. niet wordt voldaan aan een minder sterenge doelstelling voor een waterwinlocaite zoals die zijn vastgesteld in het regionale of nationale waterprogramma.

Paragraaf 3.3.5 In kwetsbaar kwelgebied Artikel 3.21 Kwel Er ontstaat geen extra kwel. Artikel 3.22 Verzilting Er ontstaat geen extra verzilting . Artikel 3.23 Opbarsten van de bodem De bodem of de waterbodem zal niet opbarsten.

Paragraaf 3.3.6 Grondwater

Artikel 3.24 Overlast door te veel grondwater 1 De kans op overlast door te veel grondwater wordt niet groter. 2 Rijnland weigert de vergunning in ieder geval als de activiteit ervoor zorgt dat een grondwaterlichaam: a. niet voldoet aan de omgevingswaarde voor een goede kwantitatieve toestand, en er geen minder strenge doelstelling is vastgesteld in het regionale of nationale waterprogramma; of b. niet voldoet aan een minder strenge doelstelling voor een goede kwantitatieve toestand, zoals die is vastgesteld in het regionale of nationale waterprogramma. 3 Rijnland weigert de vergunning in ieder geval als de activiteit ervoor zorgt dat de kwalitatieve toestand van een grondwaterlichaam minder goed wordt. 4 In afwijking van lid 3 kan Rijnland de vergunning toch verlenen als: a. wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid van de kaderrichtlijn water; en b. de motivering voor het waterlichaam bij rijkswateren wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, of bij regionale wateren wordt opgenomen in het regionale waterprogramma; en c. de vergunningaanvraag gaat over: i. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam; of ii. wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of iii.

nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling die de oorzaak zijn van het niet kunnen voorkomen van het achteruit gaan van een krw-oppervlaktewaterlichaam van een zeer goede toestand naar een goede toestand. Artikel 3.25 De kans op schaarste van grondwater 1 De kans op schaarste van grondwater wordt niet groter. 2 Rijnland weigert de vergunning in ieder geval als de activiteit ervoor zorgt dat een grondwaterlichaam: a. niet voldoet aan de omgevingswaarde voor een goede kwantitatieve toestand, en er geen minder strenge doelstelling is vastgesteld in het regionale of nationale waterprogramma; of b. niet voldoet aan een minder strenge doelstelling voor een goede kwantitatieve toestand, zoals die is vastgesteld in het regionale of nationale waterprogramma. 3 Rijnland weigert de vergunning in ieder geval als de activiteit ervoor zorgt dat de kwalitatieve toestand van een grondwaterlichaam minder goed wordt.

4 In afwijking van lid 3 kan Rijnland de vergunning toch verlenen als: a. wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid van de kaderrichtlijn water; en b. de motivering voor het waterlichaam bij rijkswateren wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, of bij regionale wateren wordt opgenomen in het regionale waterprogramma; en c. de vergunningaanvraag gaat over: i. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam; of ii. wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of iii. nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling die de oorzaak zijn van het niet kunnen voorkomen van het achteruit gaan van een krw-oppervlaktewaterlichaam van een zeer goede toestand naar een goede toestand. Artikel 3.26 Uitwisseling van grondwater Er ontstaat geen uitwisseling van grondwater tussen grondwaterlagen die niet met elkaar zijn verbonden. Artikel 3.27 De grondwaterkwaliteit 1 Rijnland weigert de vergunning in ieder geval als de activiteit ervoor zorgt dat een grondwaterlichaam: a. niet voldoet aan de omgevingswaarde voor een goede chemische toestand, en er geen minder strenge doelstelling is vastgesteld in het regionale of nationale waterprogramma; of b. niet voldoet aan een minder strenge doelstelling voor een goede chemische toestand, zoals die is vastgesteld in het regionale of nationale waterprogramma.

2 Rijnland weigert de vergunning in ieder geval als de activiteit ervoor zorgt dat de chemische toestand van een grondwaterlichaam minder goed wordt. 3 In afwijking van lid 2 kan Rijnland de vergunning toch verlenen als: a. wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid van de kaderrichtlijn water; en b. de motivering voor het waterlichaam bij rijkswateren wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, of bij regionale wateren wordt opgenomen in het regionale waterprogramma; en c. de vergunningaanvraag gaat over: i. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam; of ii. wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of iii. nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling die de oorzaak zijn van het niet kunnen voorkomen van het achteruit gaan van een krw-oppervlaktewaterlichaam van een zeer goede toestand naar een goede toestand. 4 Rijnland weigert de vergunning in ieder geval als de activiteit ervoor zorgt dat in een grondwaterlichaam de doelstelling van ombuiging van significante en aanhoudend stijgende trends, zoals bedoeld in artikel 4.17 van het

Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt. 5 Rijnland weigert de vergunning in ieder geval als de activiteit ervoor zorgt dat in een grondwaterlichaam de doelstelling van het voorkomen van de achteruitgang en het streven naar verbetering van de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie, zoals bedoeld in artikel 4.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.

Paragraaf 3.3.7 Afvalwaterzuivering of transportleiding Artikel 3.28 Goede werking van een afvalwaterzuivering of transportleiding De goede werking van een afvalwaterzuivering of transportleiding wordt niet verstoord.

Afdeling 3.4 Vrijstellingen Artikel 3.29 Vrijstelling voor onderhoud De regels uit de hoofdstukken 4 tot en met 19 en hoofstukken V tot en met X gelden niet voor herstelactiviteiten, onderhoud of buitengewoon onderhoud aan waterstaatswerken en werken volgens de Onderhoudsverordening.

Hoofdstuk 4 Duiker plaatsen Afdeling 4.1 Wanneer geldt dit hoofdstuk Artikel 4.1 Duiker plaatsen De artikelen uit dit hoofdstuk gelden voor het plaatsen van een duiker.

Afdeling 4.2 Vergunning Paragraaf 4.2.1 Wanneer is een vergunning nodig Artikel 4.2 Duiker in belangrijk oppervlaktewater Een vergunning is nodig voor het plaatsen van een duiker in de kernzone van belangrijk oppervlaktewater. Artikel 4.3 Duiker in een overig oppervlaktewater Een vergunning is nodig voor het plaatsen van een duiker in de kernzone van breed overig oppervlaktewater. Artikel 4.4 Duiker langer dan 15 meter Een vergunning is nodig voor het plaatsen van een duiker die langer is dan 15 meter. Artikel 4.5 Duiker met bocht of knik Een vergunning is nodig voor het plaatsen van een duiker met een bocht of een knik.

Paragraaf 4.2.2 Beoordelen van de vergunningaanvraag Artikel 4.6 Beoordelen van de vergunningaanvraag Bij het beoordelen van een vergunningaanvraag, gelden naast de beoordelingsregels uit afdeling 3.3 de volgende aanvullende beoordelingsregels:

artikel V.2 artikel V.3 artikel V.4 artikel W.2 artikel 4.7 artikel 4.8 Artikel 4.7 Duiker met bocht of knik Er is geen redelijk alternatief voor een duiker met een bocht of knik. Artikel 4.8 De duiker is nodig De (dam met) duiker is nodig voor: een verkeersfunctie; of de toegang naar een perceel; of het verbinden van oppervlaktewater.

Paragraaf 4.2.3 Voorschriften in de vergunning Artikel 4.9 Voorschriften in de vergunning In de vergunning kunnen in ieder geval voorschriften staan over: a. de plaats van de duiker; b. de hoogteligging van de duiker; c. hoe de duiker ligt vergeleken met het oppervlaktewater; d. de lengte van de duiker; e. de diameter van de duiker; f. de vorm van de duiker; en g. de bochten in de duiker.

Afdeling 4.3 Voorwaarden zonder vergunning Artikel 4.10 Wanneer gelden deze voorwaarden De voorwaarden uit deze afdeling gelden voor het plaatsen van een duiker: a. met een maximale lengte van 15 meter; en b. zonder bocht of knik; en c. in de kernzone van smal overig oppervlaktewater. Artikel 4.11 Werkzaamheden melden De initiatiefnemer meldt het plaatsen van een duiker bij Rijnland voor de start van de werkzaamheden. Artikel 4.12 Wat moet de initiatiefnemer melden In de melding zit de informatie uit artikel 3.4 en een situatietekening van de (dam met) duiker.

Artikel 4.13 Voorwaarden voor duiker in waardevolle oever 1 De voorwaarden uit afdeling V.2 gelden wanneer: door het plaatsen van de duiker meer dan 2,0 m² waardevolle oever verdwijnt die met subsidie van Rijnland is aangelegd bij de tuin van een woning. 2 De voorwaarden uit afdeling V.2 gelden wanneer: door het plaatsen van de duiker meer dan 2,0 m² waardevolle oever verdwijnt op een plaats die niet bij een tuin van een woning hoort. Artikel 4.14 Maximale lengte van de duiker 1 De duiker is maximaal 10 meter lang. 2 Met een maatwerkvoorschrift kunnen dijkgraaf en hoogheemraden afwijken van lid 1. Dit kan voor: een verkeersfunctie; of de toegang tot een perceel; of het met elkaar verbinden van twee verschillende oppervlaktewateren. 3 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen in het maatwerkvoorschrift een lengte van maximaal 15 meter toestaan. Artikel 4.15 Minimale inwendige diameter van de duiker 1 Bij oppervlaktewater tot 4 meter breed, is de inwendige diameter van de duiker minimaal Ø 600 millimeter. 2 Bij oppervlaktewater vanaf 4 meter tot en met 6 meter breed, is de inwendige diameter van de duiker minimaal Ø 800 millimeter. 3 Bij oppervlaktewater van meer dan 6 meter tot en met 8 meter breed, is de inwendige diameter van de duiker minimaal Ø 1000 millimeter. 4 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1, lid 2 of lid 3 als: a.

het technisch niet mogelijk is om een duiker met de daar voorgeschreven diameter aan te leggen; en b. de aanvoer en afvoer van water goed mogelijk blijft. Artikel 4.16 Afstand tot andere objecten 1 Een initiatiefnemer plaatst de duiker op minimaal 5 meter afstand van een brug, duiker of stuw die ernaast ligt.

2 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1 als: a. de aanvoer en afvoer van water goed mogelijk blijft; en b. het redelijk mogelijk blijft om het oppervlaktewater te onderhouden. Artikel 4.17 Hoogteligging van de duiker 1 Een initiatiefnemer plaatst de duiker op zo’n manier dat in de duiker 1/3 deel lucht en 2/3 deel water aanwezig is. Dit is ten opzichte van het zomerpeil. Door goed onderhoud blijft die verdeling zo. 2 Een initiatiefnemer plaatst de duiker horizontaal. 3 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1 als: a. het technisch niet mogelijk is om in de duiker te voldoen aan de verhouding 1/3 en 2/3; en b. met een andere verhouding in de duiker de aanvoer en afvoer van water goed mogelijk blijft. Artikel 4.18 Plaats in het oppervlaktewater De duiker moet in het midden van het oppervlaktewater liggen.

Hoofdstuk 5 Vee houden Afdeling 5.1 Wanneer geldt dit hoofdstuk Artikel 5.1 Vee houden De artikelen uit dit hoofdstuk gelden voor het houden van vee.

Afdeling 5.2 Vee houden algemeen Artikel 5.2 Afrastering groot vee bij waterkering Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen de grondeigenaar opdracht geven om op of langs de waterkering een afrastering te maken, als groot vee wordt gehouden in de kernzone en beschermingszone van een waterkering.

Afdeling 5.3 Vergunning Paragraaf 5.3.1 Wanneer is een vergunning nodig Artikel 5.3 Vee houden in een waardevolle oever Een vergunning is nodig voor het houden van vee als dit vee in een waardevolle oever kan komen. Artikel 5.4 Grootvee houden in de zeewering Een vergunning is nodig voor het houden van grootvee in niet dynamische kustgebieden.

Paragraaf 5.3.2 Beoordelen van de vergunningaanvraag Artikel 5.5 Beoordelen van de vergunningaanvraag Bij het beoordelen van een vergunningaanvraag, gelden naast de beoordelingsregels uit afdeling 3.3 de volgende aanvullende beoordelingsregels: artikel 5.6 artikel 5.7 Artikel 5.6 Vee houden in een waardevolle oever Rijnland staat het houden van vee in een waardevolle oever alleen toe als: a. het vee wordt gebruikt voor natuurbeheer; en b. er zo weinig vee is, dat het vee niet alle planten in de oever kan vertrappen of opeten. Artikel 5.7 Grootvee houden in de zeewering Rijnland staat het houden van grootvee in niet dynamische kustgebieden alleen toe in bijzondere situaties.

Paragraaf 5.3.3 Voorschriften in de vergunning Artikel 5.8 Voorschriften in de vergunning In de vergunning kunnen in ieder geval voorschriften staan over: a. de ligging en de afmetingen van de strook grond waar het vee mag komen; en b. hoeveel vee mag worden gehouden; en c. de te nemen maatregelen om schade te voorkomen.

Hoofdstuk 6 Waterpeil veranderen Afdeling 6.1 Wanneer geldt dit hoofdstuk Artikel 6.1 Waterpeil veranderen De artikelen uit dit hoofdstuk gelden als het waterpeil anders wordt dan het waterpeil dat in een peilbesluit is vastgesteld.

Afdeling 6.2 Waterpeil veranderen algemeen Artikel 6.2 Opdracht om het waterpeil te veranderen De eigenaar of gebruiker van een kunstwerk waarmee het waterpeil wordt geregeld, stelt een bepaald waterpeil in als dijkgraaf en hoogheemraden hier opdracht voor geven.

Afdeling 6.3 Vergunning Paragraaf 6.3.1 Wanneer is een vergunning nodig Artikel 6.3 Waterpeil verlagen in een kwetsbaar kwelgebied

Een vergunning is nodig voor het verlagen van het waterpeil in een kwetsbaar kwelgebied. Artikel 6.4 Waterpeil verlagen in gebied met veengronden of kleigronden op veen Een vergunning is nodig voor het verlagen van het waterpeil in een gebied met veengronden of kleigronden op veen. Artikel 6.5 Waterpeil verhogen Een vergunning is nodig voor het verhogen van het waterpeil in een gebieden waar Rijnland terughoudend is met hoogwatervoorziening.

Paragraaf 6.3.2 Beoordelen van de vergunningaanvraag voor verlagen waterpeil Artikel 6.6 Beoordelen van de vergunningaanvraag Bij het beoordelen van een vergunningaanvraag, gelden naast de beoordelingsregels uit afdeling 3.3 de volgende aanvullende beoordelingsregels: artikel 6.7 artikel 6.8 artikel V.2 artikel V.3 artikel V.4 artikel W.2 Artikel 6.7 Nadeel door Rijnlands waterpeil 1 Het verlagen van het door Rijnland gebruikte waterpeil, mag alleen als dat waterpeil voor te veel nadeel zorgt. 2 Bij deze situaties is in ieder geval teveel nadeel door het Rijnlandse waterpeil: a. De mediaanhoogte van het maaiveld binnen het gebied met het verlaagde waterpeil ligt lager dan de mediaanhoogte of de gemiddelde hoogte van het maaiveld in het peilvak. Hierbij geldt: 1º. het hoogteverschil is bij grasland op een veengrond minimaal 10 centimeter lager, of; 2º. het hoogteverschil is bij grasland op een kleigrond of moerige grond minimaal 15 centimeter lager, of; 3º. het hoogteverschil is bij akkerbouw op een kleigrond of moerige grond minimaal 20 centimeter lager, en; b. het maaiveld ligt niet lager door afgraven van de bodem, en; c. de lagere ligging kan redelijkerwijs niet worden voorkomen door de bodem op te hogen. 3 Bij deze situaties is in ieder geval teveel nadeel door het Rijnlandse waterpeil: a.

De grond binnen het gebied met het verlaagde waterpeil wordt anders gebruikt dan in de rest van het peilvak, of; b. Voor het gebruik van de grond is een grotere drooglegging nodig, zoals dat staat in de Rijnlandse richtlijnen in de vastgestelde Nota Peilbeheer. Artikel 6.8 Overlast niet afschuiven

Overlast door veel neerslag wordt niet teveel afgeschoven naar een ander gebied.

Paragraaf 6.3.3 Beoordelen van de vergunningaanvraag voor verhogen waterpeil Artikel 6.9 Beoordelingsregel Bij het beoordelen van een vergunningaanvraag, gelden naast de beoordelingsregels uit afdeling 3.3 de volgende aanvullende beoordelingsregels: artikel 6.10 artikel 6.11 artikel V.2 artikel V.3 artikel V.4 artikel W.2 Artikel 6.10 Nadeel door Rijnlands waterpeil Het waterpeil verhogen mag alleen als het door Rijnland gebruikte waterpeil voor te veel nadeel zorgt. Artikel 6.11 Overlast niet afschuiven Overlast door veel neerslag wordt niet te veel afgeschoven naar een ander gebied.

Paragraaf 6.3.4 Voorschriften in de vergunning Artikel 6.12 Voorschriften in de vergunning In de vergunning kunnen in ieder geval voorschriften staan over: a. de manier van bouwen van de kunstwerken en werken die het waterpeil regelen; b. de plaats van de kunstwerken en werken die het waterpeil regelen; c. de capaciteit van de pomp; d. het nieuwe waterpeil.

Afdeling 6.4 Voorwaarden zonder vergunning voor waterpeil verlagen Artikel 6.13 Wanneer gelden deze voorwaarden De voorwaarden uit deze afdeling gelden voor het verlagen van het waterpeil in een gebied buiten een kwetsbaar kwelgebied dat niet bestaat uit veengrond of kleigrond op veen. Artikel 6.14 Werkzaamheden melden Meld het verlagen van het waterpeil bij Rijnland voor de start van de werkzaamheden. Artikel 6.15 Wat moet de initiatiefnemer melden In de melding zit de informatie uit artikel 3.4 en deze informatie: a. De plaats van het gebied waarin het waterpeil wordt verlaagd; b. De plaats van de pomp; c. De capaciteit van de pomp.

Artikel 6.16 Wateraanvoer en waterafvoer De aanvoer en afvoer van water in en uit het achterliggend of aangrenzend gebied of een gemaal blijft goed mogelijk. Artikel 6.17 maximale afvoersnelheid 1 De maximale afvoer is 10 m³ per minuut per 100 hectare. 2 Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 1 als dit geen negatieve gevolgen heeft voor de omgeving. Artikel 6.18 Waterkering blijft stabiel De waterkering op de plaats van de peilverlaging blijft stabiel. Artikel 6.19 Geen wateroverlast in het peilvak Door het verlagen van het waterpeil in een gebied, ontstaat geen wateroverlast in het peilvak waar het gebied in ligt.

Afdeling 6.5 Verdere uitwerking van de zorgplicht verhogen waterpeil Artikel 6.20 Verdere uitwerking van de zorgplicht verhogen waterpeil In gebieden met hoogwatervoorziening mag een initiatiefnemer in ieder geval het waterpeil verhogen volgens de artikelen uit deze afdeling. Artikel 6.21 Niet vergroten van de afvoer tijdens en na neerslag Tijdens en na een moment van neerslag wordt de afvoer van overtollig water niet groter gemaakt door de bediening van, of een aanpassing aan het kunstwerk waarmee het water wordt afgevoerd. Artikel 6.22 Goede constructie kunstwerk Het kunstwerk wordt op zo’n manier gebouwd en gehouden dat: het kunstwerk stevig en duurzaam is; en er geen water langs of onder het kunstwerk stroomt. Artikel 6.23 Waterpeil is niet onnodig hoog Het waterpeil wordt niet hoger dan nodig is voor het doel waarvoor het wordt verhoogd. Artikel 6.24 Niet onnodig water inlaten Water wordt niet onnodig in het gebied binnen gelaten.

Hoofdstuk 7 Bestrating, teeltvloer, weg of pad maken of onderhouden Afdeling 7.1 Wanneer geldt dit hoofdstuk Artikel 7.1 Bestrating, teeltvloer, weg of pad maken

De artikelen uit dit hoofdstuk gelden voor het maken of onderhouden van bestrating, een gesloten teeltvloer, een weg of een pad.

Afdeling 7.2 Vergunning Paragraaf 7.2.1 Wanneer is een vergunning nodig Artikel 7.2 Nieuw in de zeewering Een vergunning is nodig voor het maken van nieuwe bestrating, een nieuwe gesloten teeltvloer, een nieuwe weg of een nieuw pad in de kernzone van de zeewering. Artikel 7.3 Nieuw op de waterkering Een vergunning is nodig voor het maken van nieuwe bestrating, een nieuwe gesloten teeltvloer, een nieuwe weg of een nieuw pad in de kernzone van een waterkering, als: a. dit gebeurt op de kruin van de waterkering; en b. de ophoging meer dan 20 centimeter is. Artikel 7.4 Uitzondering voor tuinen In uitzondering op artikel 7.2 en artikel 7.3 is er geen vergunning nodig voor het maken van de bestrating, de weg of het pad in een tuin. Artikel 7.5 Cunet in de waterkering vervangen Een vergunning is nodig voor het vervangen van het cunet in de kernzone en beschermingszone van een waterkering. Artikel 7.6 Nieuwe of hogere verkeersdrempels op een waterkering Een vergunning is nodig voor het maken van nieuwe of hogere verkeersdrempels in de kernzone en beschermingszone van een waterkering. Artikel 7.7 Opknappen op de kruin van een waterkering Een vergunning is nodig voor het opknappen van bestrating, een weg of een pad op de kruin in de kernzone van een waterkering.

Artikel 7.8 Meer dan 5000 m² hard oppervlak maken in hoger gelegen zandgronden Een vergunning is nodig voor het maken van nieuwe bestrating, een nieuwe gesloten teeltvloer, een nieuwe weg of een nieuw pad, als: a. de toename aan hard oppervlak van nieuwe de bestrating, gesloten teeltvloer, wegen, paden en bouwwerken bij elkaar groter is dan 5000 m²; en b. dit in een gebied is met hoger gelegen zandgronden; en c. de neerslag afkomstig van dit hard oppervlak niet volledig in de bodem zakt. Artikel 7.9 Meer dan 5000 m² hard oppervlak maken in andere gebieden Een vergunning is nodig voor het maken van nieuwe bestrating, een nieuwe gesloten teeltvloer, een nieuwe weg of een nieuw pad, als: a. de toename aan hard oppervlak van de nieuwe bestrating, gesloten teeltvloer, wegen, paden en bouwwerken bij elkaar groter is dan 5000 m²; en

b. dit is in een gebied zonder hoger gelegen zandgrond; en c. de grond nog geen hard oppervlak heeft. Artikel 7.10 Waterberging niet in oppervlaktewater Een vergunning is nodig voor het maken van nieuwe bestrating, een nieuwe gesloten teeltvloer, een nieuwe weg of een nieuw pad als er een verplichting is om extra waterberging te maken en deze waterberging niet plaatsvindt in oppervlaktewater.

Paragraaf 7.2.2 Beoordelen van de vergunningaanvraag Subparagraaf 7.2.2.1 Beoordeling van de vergunningaanvraag algemeen Artikel 7.11 Beoordelen van de vergunningaanvraag Bij het beoordelen van een vergunningaanvraag, gelden naast de beoordelingsregels uit afdeling 3.3 de volgende aanvullende beoordelingsregels: artikel 7.12 artikel 7.13 artikel 7.14 artikel 7.15 artikel X.2a artikel X.3 artikel X.4 artikel X.5 artikel X.6 Artikel X.6a artikel X.7 artikel X.8 artikel X.9 artikel x.10 artikel x.11 artikel x.12

Subparagraaf 7.2.2.2 Beoordelen van de vergunningaanvraag voor de zeewering Artikel 7.12 Nieuwe bestrating, teeltvloer, weg of pad Alleen bij uitzondering staat Rijnland in de kernzone van de zeewering nieuwe bestrating, een nieuwe gesloten teeltvloer, een nieuwe weg en een nieuw pad toe die haaks op de zeewering (van strand naar landzijde) komt. Artikel 7.13 Verbreden van bestrating, teeltvloer, weg of pad Alleen bij uitzondering staat Rijnland in de kernzone van de zeewering verbreden van bestrating, een gesloten teeltvloer, een weg of een pad toe die haaks op de zeewering (van strand naar landzijde) loopt.

Subparagraaf 7.2.2.3 Beoordelen van de vergunningaanvraag voor de waterkering Artikel 7.14 Nieuwe bestrating, teeltvloer, weg of pad

Nieuwe bestrating, een nieuwe gesloten teeltvloer, een nieuwe weg of een nieuw pad maken mag in deze situaties: a. er is een scheiding tussen de functie verkeer en de functie waterkeren. De initiatiefnemer zorgt daarom voor een complete vervanging van de waterkerende constructie. De initiatiefnemer bewijst daarbij dat de levensduur van de vervangende kering voldoende is, of b. de bestrating, de weg of het pad en het funderingsmateriaal komt op de kruin in de kernzone van de waterkering en buiten het profiel van vrije ruimte van regionale waterkeringen. De initiatiefnemer houdt hierbij rekening met de zettingen die in de komende dertig jaar worden verwacht, of c. bij een primaire waterkeringen. De initiatiefnemer houdt hierbij rekening met de zettingen die in de komende dertig jaar worden verwacht. Artikel 7.15 Verbreden, aanpassen of vervangen van een weg Een weg op de kruin in de kernzone van de waterkering verbreden, aanpassen of vervangen mag in deze situaties: a. de waterkering kan het water blijven tegenhouden, of; b. de initiatiefnemer houdt rekening met de zettingen die in de komende dertig jaar worden verwacht en de weg met het funderingsmateriaal komt: 1º. buiten het profiel van vrije ruimte van de regionale waterkering; of 2º. op een primaire waterkering.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12599923/2