28 Bijlage 5 Ontwerp wijzigingsbesluit omgevingsplan Waddenbuurt Haarlem
Tekst van het document
Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL
Pagina | 67
Figuur 16. Kaart resultaten habitatscan (bron: QuickScan Wet natuurbescherming)
De verwachte effecten op soorten en functies zijn onderverdeeld in geen, tijdelijke en permanente effecten. Geen effecten Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd aan woonblokken met potentieel broedbiotoop voor gierzwaluw en huismus; negatieve effecten op deze soorten worden daarom niet verwacht. Ook zijn er geen effecten te verwachten op kleine marterachtigen, boombewonende vleermuizen of broedvogels met jaarrond beschermde nesten, mits geen struweel en geen bomen met holtes of nesten worden verwijderd. Tijdelijke effecten Tijdens de werkzaamheden kunnen geluid en trillingen leiden tot tijdelijke verstoring van algemene amfibieën, (broed)vogels en zoogdieren. Nachtelijke verlichting in de actieve periode van vleermuizen kan mogelijk vliegroutes en foerageergebieden verstoren. Permanente effecten Sloopwerkzaamheden kunnen leiden tot verlies van vleermuisverblijfplaatsen en sterfte van individuen. Het kappen van bomen met holtes of nesten kan verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen en jaarrond beschermde vogelnesten aantasten. Verwijdering van struweel kan verblijfplaatsen van kleine marterachtigen doen verdwijnen. Bij grondverzet kunnen algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Hiervoor is een melding bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord vereist en moeten mitigerende maatregelen worden getroffen.
Nader onderzoek (inventarisatierapport) In 2023 is door Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. een verkennend ecologisch onderzoek (quickscan) uitgevoerd. Hieruit bleek dat het plangebied mogelijk geschikt is voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten, kleine marterachtigen en vleermuizen. Vervolgens heeft IDDS aanvullend vleermuisonderzoek uitgevoerd voor negen gebouwen. In opdracht van de gemeente Haarlem is aanvullend onderzoek gedaan
Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL
Pagina | 68
naar broedvogels met jaarrond beschermde nesten, kleine marterachtigen, gebouwbewonende vleermuizen in drie niet eerder onderzochte gebouwen en boombewonende vleermuizen in vier holle bomen. Broedvogels met jaarrond beschermende nesten Binnen het plangebied zijn 20 potentiële jaarrond beschermde nestlocaties in bomen onderzocht. Op vier daarvan zijn broedgevallen van de ekster vastgesteld; de overige nesten waren onbezet of verdwenen. Eksternesten vallen onder categorie 5 en zijn alleen jaarrond beschermd bij gebrek aan uitwijkmogelijkheden. In de directe omgeving, onder andere in het Romolen Heempark en omliggende woonwijken, zijn voldoende alternatieve nestlocaties aanwezig. De aangetroffen eksternesten zijn daarom niet jaarrond beschermd. Daarnaast is geen protocolonderzoek uitgevoerd naar gebouwbewonende vogelsoorten uit categorie 1–4, omdat geen werkzaamheden aan geschikte gebouwen plaatsvinden. Tijdens de inventarisaties zijn wel broedgevallen vastgesteld. In de gebouwrij aan de Zuiderzeelaan zijn vier nestlocaties van de huismus aangetroffen, waarvan drie bezet (Zuiderzeelaan 2, 8 en 20). Verder zijn in de bebouwing broedgevallen van kauw, koolmees en pimpelmees waargenomen. Kleine marterachtigen In het plangebied zijn geen individuen van de beschermde marterachtigen waargenomen.
Er zijn tijdens het onderzoek met cameravallen individuen van de gewone bosmuis, bruine rat, egel, huiskat, huisspitsmuis, merel, roodborst en de zanglijster vastgesteld. Vleermuizen In het plangebied zijn tijdens het onderzoek de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis waargenomen. In het plangebied en de directe omgeving zijn vier boomholtes vastgesteld, die geschikt worden geacht als mogelijke zomer-, kraam-, paar- of winterverblijfplaatsen voor met name de ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis. Er zijn geen kraamverblijfplaatsen vastgesteld. Wel zijn twee zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aangetroffen in gebouwen aan de Texelhof 389 en 399, telkens door één individu onder de dakrand. In de onderzochte boomholtes zijn geen zomer- of kraamverblijfplaatsen aangetroffen. Tijdens het onderzoek zijn wel foeragerende en passerende individuen van meerdere soorten waargenomen. Binnen het plangebied zijn geen paarverblijfplaatsen vastgesteld. Buiten het plangebied is één paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis aangetroffen aan de Waddenstraat 142. Daarnaast zijn drie baltsterritoria buiten het plangebied waargenomen (twee van de gewone dwergvleermuis en één van de ruige dwergvleermuis), wat wijst op de nabijheid van paarverblijfplaatsen.
In boomholtes zijn geen paarverblijfplaatsen vastgesteld. In het plangebied zijn geen winterverblijfplaatsen aangetroffen. Buiten het plangebied zijn twee massawinterverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld aan de Waddenstraat 293 en 777A. In de onderzochte boomholtes zijn geen vleermuizen of sporen aangetroffen. Er zijn geen vaste vliegroutes vastgesteld. De gebouwen in en rond het plangebied worden beperkt gebruikt als foerageergebied door enkele individuen. In de omgeving zijn voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig, waardoor het plangebied niet essentieel is voor de instandhouding van lokale vleermuispopulaties. Aanbevelingen De werkzaamheden kunnen leiden tot aantasting of vernietiging van zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en tot verstoring of sterfte van individuen. Om overtreding van de natuurwetgeving te voorkomen is daarom een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten vereist op grond van artikel 11.46 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Aan deze vergunning kunnen voorwaarden worden verbonden, waaronder het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen. Werkzaamheden worden bij voorkeur uitgevoerd buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart tot en met augustus). Deze periode is indicatief; elk actief broedgeval is beschermd en mag niet worden verstoord.
Indien werkzaamheden toch binnen het broedseizoen plaatsvinden, is een voorafgaande inspectie door een deskundig ecoloog noodzakelijk.
Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL
Pagina | 69
Bij grondverzet en het snoeien of kappen van groenstructuren kunnen algemene amfibieën en zoogdieren worden geschaad. Daarom dienen werkzaamheden richting het te behouden groen in één richting te worden uitgevoerd, zodat fauna kan uitwijken. Wanneer groenstructuren worden aangetast, is het opstellen van een ecologisch werkprotocol verplicht. Hoewel voor het verwijderen van bomen en struweel geen vergunning nodig is, wordt geadviseerd deze elementen in de toekomstige situatie te compenseren door herplant. De benodigde mitigerende maatregelen worden vastgelegd in het ecologisch werkprotocol. Stikstofdepositieonderzoek Tauw Door het bureau Tauw is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Het stikstofonderzoek is als een integraal onderdeel van de passende beoordeling als bijlage bij de motivering gevoegd. Uit de voortoets is gebleken dat het project een projectbijdrage kent hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projectbijdrage zijn significant negatieve effecten binnen de omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand uit te sluiten, en dus dient er een passende beoordeling opgesteld te worden. Passende beoordeling Tauw heeft een passende beoordeling geschreven. Omdat er aan de voorwaarden voor interne saldering wordt voldaan, is deze als mitigerende maatregel toegepast.
De passende beoordeling, inclusief de salderingssituatie, is als bijlage bij deze motivering gevoegd. Deze passende beoordeling is betrokken bij de beoordeling of het plan niet evident onuitvoerbaar is. In de stikstofberekeningen is intern gesaldeerd met de emissies verbonden aan de bestaande elf woongebouwen die stikstofemissies uit verkeersgeneratie en gasverbruik hebben. In de passende beoordeling is geconcludeerd dat het additionaliteitsvereiste niet in de weg staat om dit gebruik dat onderdeel uitmaakt van de referentiesituatie als interne salderingsmaatregel in de passende beoordeling te betrekken. Uit de stikstofberekeningen volgt dat in de gebruiksfase per saldo geen sprake is van een toename in de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in omliggende Natura 2000-gebieden (de berekende stikstofdepositie is op geen enkel relevant hexagoon hoger dan 0,00 mol/ha/jaar). Ten opzichte van de referentiesituatie is in de gebruiksfase geen sprake van een toename in de stikstofdepositie waardoor is uitgesloten dat de natuurlijke kenmerken van deze Natura 2000-gebieden worden aangetast. In de aanlegfase is gebleken dat er tijdelijk een potentieel effect optreedt in vergelijking met de referentiesituatie.
Hiervoor wordt een nadere ecologische beoordeling uitgevoerd om te bepalen of dit potentiële effect leidt tot een significatie negatieve aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied. Op basis hiervan kan gesteld worden dat in het kader van de gebruiksfase sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat het plan niet evident onuitvoerbaar is. Indien de nadere ecologische beoordeling heeft plaatsgevonden, kan geconcludeerd worden of het plan in overeenstemming met het gebiedsbeschermingsrecht (artikel 10.24 lid 1 Bkl) kan worden vastgesteld. Deze ecologische beoordeling wordt in de procedure van het omgevingsplan nog aangevuld.
Conclusie In het kader van soortenbescherming is onderzoek gedaan naar de effecten van het bouwplan op beschermde diersoorten. Hieruit volgt dat de beoogde ingreep kan leiden tot overtreding van een verbodsbepaling van de Omgevingswet. Hiervoor wordt een omgevingsvergunning voor flora- en faunaactiviteiten aangevraagd. In het kader van de gebiedsbescherming is een voortoets uitgevoerd, waaruit volgt dat significant negatieve effecten binnen de omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand uit te sluiten zijn. Als gevolg hiervan zijn de effecten betrokken in een passende beoordeling. In de passende beoordeling is als mitigerende maatregelen interne saldering toegepast, waardoor in de gebruiksfase per saldo geen sprake is van een toename in de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in omliggende Natura 2000gebieden. Uitgesloten is dan ook dat de natuurlijke kenmerken van deze Natura 2000-gebieden door het plan worden aangetast. In de aanlegfase is gebleken dat er tijdelijk een potentieel effect optreedt in vergelijking met de referentiesituatie. Hiervoor wordt een nadere ecologische beoordeling uitgevoerd om te bepalen of dit
Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL
Pagina | 70
potentiële effect leidt tot een significatie negatieve aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied. Indien de nadere ecologische beoordeling heeft plaatsgevonden, kan geconcludeerd worden of het plan in overeenstemming met het gebiedsbeschermingsrecht (artikel 10.24 lid 1 Bkl) kan worden vastgesteld. Deze ecologische beoordeling wordt in de procedure van het omgevingsplan nog aangevuld.
GROENPARAGRAAF Algemeen Groenvoorziening speelt een belangrijke rol binnen de gemeente Haarlem. Er wordt zorgvuldig omgegaan met het kappen van bomen en de daarbij behorende compensatie. De gemeenteraad heeft, in samenwerking met de gemeente Haarlem, een interactieve bomenkaart vastgesteld. Hierin is vastgelegd welke bomen extra bescherming verdienen binnen de stedelijke omgeving. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen reguliere bomen en bomen met een monumentale of bijzondere waarde. De gemeente zet daarnaast actief in op het vergroenen van het dorp. Bomen dragen immers in belangrijke mate bij aan de leefbaarheid, biodiversiteit, klimaatregulatie en klimaatadaptatie. Het is daarom niet alleen van belang om monumentale bomen te beschermen, maar ook om tijdig ziekten en aantastingen te signaleren en effectief te bestrijden.
Toetsing Robuuste groenstructuur De Waddenbuurt draagt met robuust groen bij aan de stedelijke biodiversiteit met een veelheid aan insecten, vogels en kleine zoogdieren. Het groen in de buurt is goed verbonden met de groenstructuren in de omgeving, in het bijzonder het Molenburgpark, de Groene Zoom en het heempark Romolenpark. Het Waddenpark is binnen de buurt de hoofdas voor flora en fauna, die in contact staat met het overig groen in de wijk en omgeving. Het park krijgt beplanting die bijdraagt aan de biodiversiteit, de wateropgave (met verlaagde delen voor wateropvang en -infiltratie) en tegelijkertijd bijdraagt aan de leefkwaliteit voor bewoners. Daarnaast is het nodig de verbinding met het Romolenpark te verbeteren door middel van een faunatunnel onder de Europaweg door. Ook barrièrevorming door de Zuiderzeelaan en de Zwemmerslaan (aansluiting op de Groene Zoom) worden zoveel mogelijk beperkt.
Vergroting biodiversiteit Binnen het plangebied worden hoogwaardige habitats gerealiseerd voor vier soortcategorieën: gebouwbewonende soorten (gierzwaluw, huismus, spreeuw en huiszwaluw, vleermuizen); boombewonende soorten (bijvoorbeeld gaai, grote bonte specht, boomklever en boombewonende vleermuizen); aan struweel gebonden soorten (vogels als merel, mezen, heggenmus; insecten als boomblauwtje, citroenvlinder en ligusterpijlstaart; zoogdieren als egel, muizen, spitsmuizen en kleine marters); aan bloemrijk grasland gebonden soorten (wilde bijen, vlinders, zweefvliegen, insecteneters). Daarnaast bevat de bebouwing in het plangebied voldoende nest- en verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vogels (gierzwaluw, huismus, spreeuw en huiszwaluw) en vleermuizen. Natuurinclusief en diervriendelijk bouwen In de Waddenbuurt worden natuurinclusieve maatregelen, zoals nestelvoorzieningen en groene daken bij de gebouwen voorzien om natuurinclusief en diervriendelijk te bouwen. Daarnaast wordt de Waddenbuurt klimaatbestendig ingericht, waarbij water wordt geborgen via wadi’s en open water, en infiltratie vermindert piekbelasting op het riool. De wijk draagt bij aan hittestressreductie door schaduwrijke bomen, minder verharding en voldoende doorwaadbaar groen.
Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL
Pagina | 71
Groen Binnen het plangebied is het uitgangspunt dat de openbare ruimte met groen aansluit bij de vuistregel 3-30300. Dat wil zeggen dat vanuit iedere woning zicht is op ten minste drie bomen, minimaal dertig procent van de openbare ruimte onverhard en groen is en het vanuit elke woning op maximaal 300 meter een groengebied van voldoende formaat (park of groter plantsoen) te bereiken is. Dit wordt o.a. bereikt door het realiseren van binnenhoven bij de woonblokken. Bomen Er zijn geen monumentale bomen in de Waddenbuurt, wel is de rij platanen bij de entree van de wijk aan de Zuiderzeelaan ouder dan 50 jaar, en daarmee wordt deze beschouwd als “gemeentelijk waardevol”. Ook zijn er bomen die tussen 45 en 50 jaar oud. Bomen ouder dan 50 jaar worden in beginsel gehandhaafd op de bestaande locatie. Daarnaast worden waardevolle boomstructuren zoveel mogelijk behouden. Het oogpunt is om zoveel mogelijk bestaande bomen te behouden. Bij de uitwerking van het ontwerp wordt bepaald welke bomen eventueel niet behouden kunnen worden vanwege bijvoorbeeld plaatsing gebouwen, nutsvoorzieningen, etc. Figuur 17. Waardevolle bomen en waardevolle boomstructuren (bron: PvEL Waddenbuurt)
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect groen niet aan vaststelling in de weg staat.
WATER EN WATERSYSTEMEN Algemeen Op grond van de Omgevingswet is het wegen van het waterbelang noodzakelijk bij het vaststellen van het omgevingsplan. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan (artikel 5.37 van het Bkl). De regeling voor weging van het waterbelang is geformuleerd als instructieregel. De betekenis van deze instructieregel moet gezien worden in het licht van de belangenafweging die plaatsvindt in het omgevingsplan. Art. 5.37 lid 1 verplicht de gemeente bij die belangenafweging om in het omgevingsplan met de relevante waterbelangen rekening te houden en daarbij de opvattingen van de waterbeheerder te
Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL
Pagina | 72
betrekken. Daarnaast is de weging ook noodzakelijk bij bijvoorbeeld een buitenplanse omgevingsactiviteit (paragraaf 8.1.1.2 Bkl). Het beleid van het Hoogheemraadschap is reeds behandeld in paragraaf 3.3 en daardoor wordt hier niet nader op ingegaan in deze paragraaf.
Relatie tot ontwikkeling Het plangebied is gelegen in het beheergebied van het Hoogheemraadschap Rijnland. Het Hoogheemraadschap heeft de Waterschapsverordening de Rijnlandse Keur vastgelegd. Door BOOT is een weging van het waterbelang opgesteld. De rapportage is als bijlage bij deze motivering gevoegd. Onderstaand volgt een samenvatting van de resultaten uit de weging van het waterbelang. 4.10.2.1 Beschrijving plangebied Inrichting plangebied In het plangebied zijn verschillende type woningen en appartementencomplexen aanwezig. De openbare ruimte is relatief groen met veel onverharde gebieden. Figuur 18. Overzicht oppervlakten huidige situatie (bron: BOOT)
In totaal kent het plangebied een oppervlakte van circa 127.340 m2, waarvan 79.920 m2 verhard of bebouwd is.
Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL
Pagina | 73
Figuur 19. Overzicht oppervlakten huidige situatie (bron: BOOT)
Maaiveldhoogte Binnen het plangebied is het maaiveld vlak gelegen. Het wegpeil is over het algemeen NAP +0,3 m. Het maaiveld voor de ingangen van de appartementencomplexen ligt 0,2 à 0,3 m hoger dan het wegpeil. De omliggende straten zijn op vergelijkbare hoogtes gelegen. Grondwater Door Aveco de Bondt is een grondwaterplan opgesteld voor de Waddenbuurt. In het grondwaterplan is op basis van het grondwatermodel van de gemeente Haarlem de Representatieve hoge en lage grondwaterstand bepaald. Figuur 20. Representatieve hoge en lage grondwaterstand o.b.v. het grondwatermodel van de gemeente Haarlem (bron: Grondwaterplan door Aveco de Bondt)
Volgens het Landelijk Hydrologische Model (LHM4.1) ligt de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand op circa 1,2 m-mv. De Gemiddelde Laagste Grondwaterstand ligt volgens het LHM op 2,0 m-mv. Op basis van hiervoor genoemde bronnen wordt de Representatieve Hoge Grondwaterstand ingeschat op NAP - 0,3 m à NAP -0,6 m (0,6 à 0,9 m-mv).
Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL
Pagina | 74
Kwel/wegzijging Op basis van het Landelijk Hydrologisch Model is binnen het plangebied sprake van lichte wegzijging (maximaal 1,0 mm/dag). Op basis peilbuis 16-105/16-205 ligt de stijghoogte over het algemeen onder de freatische grondwaterstand. De verwachting is dus dat er sprake is van wegzijging. Grondwaterbeschermingsgebied Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Oppervlaktewater In onderstaand figuur is een uitsnede van de legger van Hoogheemraadschap van Rijnland weergegeven. Ten noorden van de Europalaan is een primaire watergang gelegen. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Het plangebied ligt in peilgebied PBS_RIJNLANDSBOEZEM. Dit peilgebied kenmerkt zich met een zomerpeil van NAP -0,61 m en een winterpeil van NAP -0,64 m. Figuur 21. Uitsnede legger Hoogheemraadschap van Rijnland (bron: Hoogheemraadschap Rijnland)
Waterkering Het plangebied ligt niet binnen een kern- of beschermingszone van een primaire of regionale waterkering. Klimaateffectatlas Op de klimaateffectatlas is zichtbaar dat op de straten binnen het plangebied waterdiepte van 20 à 30 cm kan ontstaan bij een neerslag situatie van 70 mm in 2 uur.
Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL
Pagina | 75
Figuur 22. Waterdiepte bij hevige bui, 70mm/2 uur (bron: Klimaateffectatlas)
Riolering In het plangebied is een gemengd rioolstelsel aanwezig, zie onderstaand figuur. Figuur 23. Overzicht huidig gemengd stelsel
4.10.2.2 Toekomstige inrichting Het plangebied is opgedeeld in verschillende bouwpercelen, te handhaven percelen en de openbare ruimte. Binnen de bouwpercelen en te handhaven percelen is het verhard oppervlak 31.775 m². Hiervan is 10.500 m² bestaand verhard oppervlak dat gehandhaafd blijft.
Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL
Pagina | 76
Figuur 24. Overzicht oppervlakken toekomstige situatie (bron: BOOT)
Figuur 25. Overzicht oppervlakken toekomstige situatie incl. de te handhaven gebieden (bron: BOOT)
Wateropgave Om de huidige afvoersituatie ter plaatse van het plangebied te verbeteren, dient voor het toekomstig verhard oppervlak watercompensatie gerealiseerd te worden. Daarbij dient de openbare ruimte te voldoen aan de Basisveiligheid vanuit het MRA. Vanuit het Hoogheemraadschap Van Rijnland geldt dat over de toename van verhard oppervlak 55 tot 90 mm berging gerealiseerd dient te worden. Binnen de ontwikkeling is sprake van een afnemend verhard oppervlak (75.160 m² in de toekomstige situatie vergeleken met 79.920 m² in de huidige situatie). Met het vigerende beleid van het hoogheemraadschap hoeft geen waterberging binnen plangebied gerealiseerd te worden.
Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL
Pagina | 77
Binnen de bouwpercelen (particulier terrein) dient vanuit de gemeente Haarlem over het totaal toekomstig verhard oppervlak 70 mm berging gerealiseerd te worden. Het verharde oppervlak en benodigde berging per bouwperceel is weergegeven in figuur 26. Figuur 26. Benodigde waterberging per bouwperceel (bron: BOOT)
Ter plaatse van de te handhaven percelen (verhard oppervlak 10.500 m²) veranderen de oppervlakken niet. Daarom hoeft, conform de hemelwaterverordening, geen waterberging op het eigen terrein gerealiseerd te worden. Voor de openbare ruimte geldt dat bij een neerslagsituatie van 70 mm (over de verharding in het hele plangebied) geen water in de panden mag stromen. Dit resulteert in de onderstaande benodigde waterberging: 75.160 m² * 70 mm = 5.261 m³. Opgemerkt dient te worden dat deze waterbergingsopgave incl. water-op-maaiveld betreft. Van deze benodigde waterberging incl. water-op-straat dient 1.488 m³ (figuur 26) binnen de bouwpercelen gerealiseerd te worden. Dit resulteert in een openstaande bergingsopgave van 3.773 m³ (5.261 m³ - 1.488 m³). Watercompensatie Bouwpercelen Per bouwperceel dient 70 mm berging over het verharde oppervlak gerealiseerd te worden. Waterbergende voorzieningen die binnen bouwpercelen toegepast kunnen worden zijn: Waterberging op de daken; Wadi’s; Waterbergende fundering met een maximale dikte van 0,5 meter. In onderstaand figuur is een overzicht opgenomen van de mogelijke waterbergende voorzieningen bij de bouwpercelen.
Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL
Pagina | 78
Figuur 27. Overzicht mogelijke waterbergende voorzieningen bouwpercelen (bron: BOOT)
Binnen de bouwpercelen 3b en 6a is geen ruimte voor waterberging op maaiveldniveau binnen de bouwpercelen. Tevens is het binnen de bouwpercelen niet wenselijk om groenblauwe daken toe te passen in verband met de voorgenomen constructie. Daarom wordt de waterberging van de bouwpercelen 3b en 6a respectievelijk gerealiseerd binnen bouwperceel 3a en 6b. Al deze bouwpercelen zijn in eigendom van Pré Wonen. Het water van de bouwpercelen 3b en 6a kan middels HWA-strengen worden verzameld en getransporteerd worden naar de waterberging (waterbergende fundering in het huidige voorstel) binnen het andere bouwperceel. Figuur 28. Samenvatting mogelijke waterbergende voorzieningen binnen bouwpercelen (bron: BOOT)
Openbare ruimte Binnen de openbare ruimte worden in een deel van de groenzones wadi’s, verdiepte velden en regentuinen gerealiseerd.
Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL
Pagina | 79
Naast de waterberging in de voorzieningen mag binnen de openbare ruimte ook water-op-straat meegerekend worden voor de toetsing van de MRA. De openbare ruimte binnen de Waddenbuurt is vlak gelegen op circa NAP +0,3 m. De openbare ruimte heeft een totaal oppervlak van circa 85.000 m2. Voor de openbare ruimte is de volgende berekening voor de waterberging opgenomen. Figuur 29. Samenvatting waterberging in de openbare ruimte (bron: BOOT)
Wijze van afwatering Binnen de bouwpercelen dient het hemelwater naar de voorzieningen binnen het bouwperceel te stromen. Bouwpercelen 3b en 6a dienen af te stromen richting bouwpercelen 3a en 6b. Binnen de bouwpercelen zal het hemelwater deels infiltreren. In verband met de beperkte ruimte voor infiltratievoorzieningen in combinatie met de verwachte veenlaag vanaf circa 2,0 m-mv is het aanbevolen om vanuit de bouwpercelen vertraagde afvoeren, bijvoorbeeld doormiddel van drainage onder de wadi’s en waterbergende fundering en geknepen afvoeren vanaf de waterbergende daken, te realiseren. Aanbevolen is om op basis van het bodemonderzoek de infiltratiemogelijkheden op eigen terrein nader te onderzoeken. De vertraagde afvoeren kunnen aangesloten worden op het aan te leggen hemelwaterstelsel in de openbare ruimte. Via het hemelwaterstelsel stroomt het water richting de waterbergende voorzieningen in de openbare ruimte. Daarbij is het voornemen conform het rioolplan Molenwijk om vanuit het hemelwaterstelsel een vrije uitstroomvoorziening richting de watergang parallel aan de Europaweg te realiseren. De werking van de uitstroomvoorziening in combinatie met de waterbergende voorzieningen in de openbare ruimte dient in een later stadium nader te worden uitgewerkt.
Waterkwaliteit De Europese Kaderrichtlijn water (KRW), de Nota Waterhuishouding (NW4) en de Omgevingswet stellen eisen aan de kwaliteit van het oppervlaktewater. Schoon water draagt bij aan een aantrekkelijke leefomgeving, ook voor ruimtelijke plannen is waterkwaliteit daarom een aandachtspunt. Om vervuiling van het hemelwater te beperken, wordt het gebruik van uitlogende bouwmaterialen voorkomen conform beleid gemeente en waterschap. Grondwater n het grondwaterplan is het aanbevolen om met de riolering in de openbare ruimte tevens drainage mee aan te leggen. Het aanlegniveau (b.o.b.) van de drainage in het openbaar gebied wordt geadviseerd op minimaal NAP -1,35 m. De leidingen liggen daarmee permanent onder de grondwaterstand. Het instelniveau van de drainage is aanbevolen op NAP -0,6 m (RHG, net boven oppervlaktewaterpeil). Door het aanleggen van de drainage wordt grondwaterpieken afgevlakt. Door middel van de drainage blijft het huidige maaiveldniveau geschikt voor de ontwikkeling. Vuilwater Het vuilwater dient aangesloten te worden op de gemeentelijke riolering. Het nieuwe gemengde rioolstelsel dient nog aangelegd te worden. De vuilwater productie zal binnen het plangebied toenemen met 4,21 l/s (10,91 l/s – 6,70 l/s). Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL
Pagina | 80
Conclusie Het waterbelang is voldoende afgewogen, waardoor er vanuit dit aspect geen belemmering ontstaat voor de vaststelling van het plan.
MER-BEOORDELING Algemeen Onder de Omgevingswet geldt een plan-mer-plicht wanneer een besluit wordt voorbereid dat het kader schept voor een mer-(beoordelings)plichtige activiteit of wanneer een besluit wordt voorbereid waarvoor een zogenaamde passende beoordeling is vereist. Het planMER brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt het planMER ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie. In artikel 16.36, eerste lid, van de Omgevingswet is opgenomen dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan een milieueffectrapport wordt opgesteld als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten, Of sprake is van een kaderstellend plan voor een mer(beoordelings)plichtige activiteit blijkt uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Tevens maak het bevoegd gezag een milieueffectrapport als bij de voorbereiding van het plan een passende beoordeling moet worden gemaakt (artikel 16.36, tweede lid).
Indien sprake is van een klein gebied op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen van een plan maakt het bevoegd gezag een milieueffectrapport als dat plan aanzienlijke milieueffecten kan hebben (artikel 16.36, derde lid). In de jurisprudentie is bepaald dat van een klein gebied sprake is bij projecten die kleiner zijn dan 1% van het totale grondgebied van een gemeente (zie bijvoorbeeld Bestemmingsplan N65 Vught, ABRvS 21 december 2022, ECLI:NL: RVS:2022:39100). Om tot deze conclusie te komen beoordeelt het bevoegd of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, in een zogeheten plan-mer-beoordeling. Het bevoegd gezag houdt bij het besluit over de beoordeling van de milieueffecten rekening met de criteria van bijlage II van de smb-richtlijn (artikel 16.36, vijfde lid). Daarnaast raadpleegt het bevoegd gezag de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister voor Natuur en Stikstof, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of in plaats van de betrokken minister een door hem aangewezen bestuursorgaan.
Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject ja, categorie J.11. Derhalve is het doorlopen van de project-mer-beoordeling noodzakelijk. Vanwege de noodzaak om een passende beoordeling te doorlopen, is in principe een plan-mer noodzakelijk. Het plangebied omvat circa een omvang van 127.000 m2 ten opzichte van grondgebied gemeente Haarlem 32.120.000 m2 en daarmee is het plangebied circa 0,40% van het totale grondgebied van de gemeente Haarlem en daarmee klein te noemen in verhouding tot het totale grondgebied. Vanwege het feit dat het plangebied kleiner is dan 1% van het gemeentelijke grondgebied, is het doorlopen van de plan-mer-beoordeling noodzakelijk. Deze plan-merbeoordeling is doorlopen aan de hand van de criteria van bijlage II van de smb-richtlijn. Daarnaast moet op grond van artikel 16.36, lid 5 Omgevingswet, het bevoegd gezag bij het besluit over de beoordeling van de milieueffecten de minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister voor Natuur en Stikstof, de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (of in plaats van de betrokken minister een door hem aangewezen bestuursorgaan) raadplegen. Bij het besluit over de beoordeling raadpleegt het bevoegd gezag de wettelijke adviseurs. De plan-mer-beoordeling is opgenomen als bijlage bij de motivering van omgevingsplan.
Uit de plan-merbeoordeling volgt dat er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn als gevolg van het plan. Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL
Pagina | 81
Conclusie De raad van de gemeente Haarlem is, op basis van het gestelde in de aanmeldnotitie, van mening dat het plan niet leidt tot een aanzienlijk milieueffect. Daarom is het niet nodig om voor dit plan een plan-MER op te laten stellen. Het besluit wordt voorgelegd aan de wettelijke adviseurs op grond van artikel 16.36, lid 5 Omgevingswet.
LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING Algemeen De toets voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, ook wel de ‘laddertoets’ genoemd, moet gedaan worden voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen die 'voldoende substantieel’ zijn. Het doel van de laddertoets is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in (niet-) stedelijke gebieden. Wettelijk kader Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stede- lijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 8.0b Besluit kwaliteit leefomgeving 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, zijn op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing: a. de regels van hoofdstuk 5;
Relatie tot ontwikkeling Het plangebied maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. Om te beoordelen of de stedelijke ontwikkeling als ‘voldoende substantieel’ gekwalificeerd kan worden, moet de jurisprudentie geanalyseerd worden. Zie hiervoor de overzichtsuitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL: RVS: 2017:1724). Zo ligt bijvoorbeeld bij wonen de grens op het op het toevoegen van 11 woningen of meer en / of bij detailhandel op het toevoegen van een brutovloeroppervlak van 500 m2 of meer. Er worden elf woongebouwen gesloopt met 264 sociale huurwoningen. De 264 te slopen sociale huurwoningen worden teruggebouwd in de sociale huur. Het voornemen is om maximaal 545 woningen te realiseren verdeeld over zes bouwblokken en gefaseerd uitgevoerd in drie fases. De 545 woningen bestaan
Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL
Pagina | 82
maximaal uit 410 sociale huurwoningen, maximaal 100 woningen in het middensegment en 35 woningen in de vrije sector. Onderhavige ontwikkeling zorgt per saldo voor een toevoeging van 281 woningen. De behoefte aan het plan van 545 woningen en per saldo een toevoeging van 281 woningen in verschillende segmenten is aangetoond op basis van provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders (zie paragrafen 3.2, 3.4 en 3.5). Op basis van het Woonakkoord voor de regio Zuid-Kennemerland/IJmond blijkt dat er een groot actueel tekort is aan voldoende woningen, specifiek sociale huurwoningen. De provinciale prognoses laten bovendien zien dat het aantal huishoudens blijft groeien, zeker tot 2040. Om aan de toekomstige groei te voldoen is het nodig dat we de woningvoorraad uitbreiden met 13.150 woningen in de periode 2019-2030. Dat betekent een uitbreiding (netto) van tenminste 1.200 woningen per jaar. In het voortgangsbericht (29 november 2023) is opgenomen dat de ambities flink zijn verhoogd naar een woningbouwproductie van 18.350 woningen, conform de opgenomen aantallen in de MRA Woondeal. Om te zorgen dat alle doelgroepen in de regio kunnen (blijven) wonen, wordt bijzondere aandacht gegeven aan het bouwen van die woningen waar zich de grootste tekorten (zullen gaan) voordoen. Dat zijn met name betaalbare woningen (sociale huur, betaalbare koop).
Daarnaast sluit het plan goed aan bij de uitgangspunten van de Volkshuisvestingprogramma Haarlem 20262030 van de gemeente. De herontwikkeling van de Waddenbuurt draagt bij aan een groter en gevarieerder woningaanbod in Haarlem door 545 woningen en per saldo 281 nieuwe woningen te realiseren in verschillende segmenten. Daarbij worden 410 sociale huurwoningen gerealiseerd, waardoor starters meer kansen krijgen op een betaalbare woning. Daarnaast worden ook woningen in het midden- en hogere segment toegevoegd, wat zorgt voor een diverse en evenwichtige samenstelling van bewoners in de wijk. Vervolgens krijgt de buurt een open en verbindend karakter, met tal van ontmoetingsplekken in de vorm van openbare ruimten en groene parken die de sociale samenhang versterken. Bij de bouw van de wooncomplexen wordt klimaatadaptief en natuurinclusief gewerkt, met aandacht voor duurzaamheid en een toekomstbestendige leefomgeving.
Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking is wel van toepassing. Op basis van beleid blijkt dat er behoefte is aan de ontwikkeling.
MILIEUZONERING Algemeen Met de invoering van de Omgevingswet heeft de VNG een nieuwe handreiking gepubliceerd voor milieuzonering met als titel ‘Activiteiten en milieuzonering’. Zolang het Omgevingsplan van de gemeente Haarlem nog niet is omgezet kan met de oude systematiek van ‘Bedrijven en milieuzonering’ worden gewerkt voor ruimtelijke procedures. Om deze reden wordt in deze rapportage nog aangesloten bij de oude systematiek. Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt.
Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL
Pagina | 83
In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Tabel 11. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering.
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk / rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor.
Relatie tot ontwikkeling Het plangebied is gelegen in een gemengd gebied waar naast woonfuncties ook veel bedrijfsfuncties en gemengde functies aanwezig zijn. Om deze reden kan gesproken worden van een gemengd gebied. Om deze reden mag de afstandstrap met één stap verlaagd worden. In paragraaf 4.2.2 zijn reeds de omliggende bedrijfsactiviteiten in kaart gebracht. Hieruit volgt dat de activiteiten niet leiden tot onaanvaardbare geluidniveaus. Voor de overige deelaspecten, zoals geur, wordt voldaan aan de richtafstanden.
Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
TRILLINGSHINDER Algemeen Onder de Omgevingswet worden trillinggevoelige gebouwen – zoals gebouwen voor woongebruik, onderwijs of kinderopvang – beschermd tegen trillingen veroorzaakt door activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn hiervoor in paragraaf 5.1.4.4 instructieregels opgenomen. Instructieregels zijn bindende regels voor bestuursorganen. De instructieregels in paragraaf 5.1.4.4 Bkl zijn van toepassing op het toelaten van: a. een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit; of b. een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz plaatsvinden die veroorzaakt worden door een activiteit, anders dan het wonen, die is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit.
Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL
Pagina | 84
De paragraaf is in beginsel niet van toepassing op: a. een trillinggevoelige ruimte in een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk is gelegen op een industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder; b. met uitzondering van artikel 5.82 en 5.83, op een trillinggevoelig gebouw dat in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Trillinggevoelige gebouwen en ruimten Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Bovenstaande geldt niet voor een gedeelte van een gebouw als het omgevingsplan in dat gedeelte geen trillinggevoelige ruimten toelaat. Ook zijn woonwagens en drijvende woonfuncties geen trillinggevoelige gebouwen. Een trillinggevoelige ruimte is een verblijfsruimte of verblijfsgebied van de functies die in sub a t/m d zijn beschreven. Aanvaardbaarheid Het Bkl bepaalt dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw.
Het omgevingsplan dient er daarnaast in te voorzien dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Van deze aanvaardbaarheid is sprake wanneer in het omgevingsplan toepassing is gegeven aan de waarden zoals benoemd in artikel 5.87, eerste en tweede lid, artikel 5.87, vierde lid, artikel 5.88 of 5.89 Bkl. Of aan deze waarden kan worden voldaan, dient te blijken uit een onderzoek naar trillingshinder. Beoordeling trillingshinder De meet- en beoordelingsrichtlijn voor trillingen van Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR-richtlijn) vormt de basis voor het bepalen van trillingen. De SBR-richtlijn heet voluit: Meet- en Beoordelingsrichtlijn, deel B, 'Hinder voor personen in gebouwen 2006'. Deze richtlijn is ook het uitgangspunt voor de Beleidsregel trillinghinder spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. Het beoordelingskader voor trillinghinder door activiteiten is overgenomen uit deze richtlijn. Dit beoordelingskader staat in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Relatie tot ontwikkeling Met de wijziging van het omgevingsplan worden trillinggevoelige gebouwen mogelijk gemaakt, omdat de ontwikkeling van een gebouwen met een woonfunctie is beoogd. In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse activiteiten die trillingen veroorzaken niet aanwezig. Het plangebied is gelegen op 2,7 kilometer afstand tot de spoorlijn Haarlem/Leiden. Gezien de afstand en de aanwezige bebouwing is geen nader onderzoek noodzakelijk.
Conclusie In het kader van trillingen is sprake van een belemmering voor het plan.
Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL
Pagina | 85
DUURZAAMHEID EN ENERGIE Algemeen Beleid Rijk In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI, zie paragraaf 3.1.1.1 van deze motivering) zijn de ambities van het Rijk opgenomen die onder andere betrekking hebben op de fysieke leefomgeving in Nederland. Onderdeel hiervan is het beleidsdoel om ruimte te bieden voor klimaatadaptatie en energietransitie. Hiervoor heeft het Rijk de volgende beleidsdoelen:
Nederland is in 2050 klimaatbestendig en water robuust. Bij (her)ontwikkelingen wordt voorkomen dat het risico op schade en slachtoffers door overstromingen of extreem weer toeneemt, voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is. Om de klimaatdoelstellingen voor 2050 te behalen is ervoor gekozen dat het grootste gedeelte van de energieproductie wordt gerealiseerd door middel van windparken op de Noordzee. Ook de ruimte op zee is schaars: naast de vraag om ruimte voor energie, is er ruimte nodig voor scheepvaart, visserij, natuur(herstel), luchtvaart, defensieoefengebieden, zandwinning, olie- en gaswinning en recreatie. De opgave is om de juiste maatschappelijke balans te vinden in de ruimtelijke ontwikkeling van de Noordzee binnen de randvoorwaarden van een gezond ecosysteem. Dit is uitgewerkt in het Programma Noordzee 2022-2027. De energie-infrastructuur wordt geschikt gemaakt voor duurzame energiebronnen. De opgave van duurzame energie wordt gerealiseerd met het oog voor de kwaliteit van de omgeving en zo veel mogelijk gecombineerd met een andere functie.
Gemeentelijk beleid Het gemeentelijke duurzaamheids- en klimaatbeleid is reeds besproken in paragraaf 3.5 van deze motivering. Onderstaand volgt een samenvatting van de belangrijkste uitgangspunten. Richtlijn Duurzaam Bouwen De Haarlemse gemeenteraad heeft op 25 februari 2020 de Richtlijn Duurzaam Bouwen vastgesteld. Het doel van de richtlijn is om de beleidsdoelstellingen op het gebied van duurzaamheid te bundelen en te vertalen naar concrete uitgangspunten voor bouwontwikkelingen binnen de stad. De richtlijn vertaalt het Haarlemse duurzaamheidsbeleid naar specifieke uitgangspunten op projectniveau, die zijn onderverdeeld in vijf hoofdthema’s: 1. Energie en warmte 2. Klimaatadaptatie 3. Groen en ecologie 4. Circulariteit 5. Mobiliteit Strategisch plan Klimaatadaptatie (2022) In 2050 wil de gemeente Haarlem volledig klimaatbestendig zijn, zodat de stad de gevolgen van klimaatverandering goed kan opvangen. Dit Strategisch Plan Klimaatadaptatie beschrijft hoe Haarlem dat doel wil bereiken. Het uitvoeringsplan is opgebouwd rondom vier hoofdthema’s:
Klimaatbestendige nieuwbouw Klimaatbestendige openbare ruimte Klimaatbestendige particuliere ruimte Handelen bij en na calamiteiten
Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL
Pagina | 86
Relatie tot ontwikkeling De gebouwen worden duurzaam, efficiënt en flexibel ontworpen, met aandacht voor kosten, materiaalgebruik en toekomstig aanpasbaar wonen. De woningen worden gasloos uitgevoerd. De casco’s zijn gebouwd voor de lange termijn, terwijl de inbouw eenvoudig te vervangen en te hergebruiken is. Alle onderdelen worden demontabel ontworpen, zodat materialen hoogwaardig hergebruikt of gerecycled kunnen worden. Waar mogelijk worden hernieuwbare en circulaire materialen toegepast om de uitputting van grondstoffen te beperken. Daarnaast draagt De Waddenbuurt met haar robuuste groenstructuur bij aan de stedelijke biodiversiteit, met ruimte voor insecten, vogels en kleine zoogdieren. Het Waddenpark vormt de groene hoofdas voor flora en fauna en sluit aan op het omliggende groen. De beplanting versterkt de biodiversiteit en draagt bij aan de wateropvang en -infiltratie, terwijl het park tegelijk de leefkwaliteit voor bewoners verhoogt. Bomen, hagen, kruidenrijke bermen, heesters en binnentuinen vormen een aaneengesloten groen netwerk door de hele buurt. Vervolgens wordt met de Waddenbuurt een klimaatbestendig wijk gerealiseerd, omdat onder andere water wordt geborgen via wadi’s en open water, en infiltratie vermindert piekbelasting op het riool. Tevens draagt de wijk bij aan hittestressreductie door schaduwrijke bomen, minder verharding en voldoende doorwaadbaar groen.
Natuurinclusieve maatregelen, zoals nestelvoorzieningen en groene daken, vergroten biodiversiteit. In alle woonstraten van de Waddenbuurt is de auto ondergeschikt aan groen, fietsers en voetgangers. De rijwegen worden versmald, met langsparkeren aan één zijde. Dankzij een centrale route en diverse dwarspaden ontstaat een logisch netwerk van langzaamverkeersroutes.
Conclusie Het plan is in lijn met de beleidskaders die gesteld zijn voor de aspecten duurzaamheid en energie.
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Algemeen Onderdeel van de fysieke leefomgeving is het cultureel erfgoed en werelderfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen, namelijk monumenten (dit kunnen gebouwde monumenten zijn maar bijvoorbeeld ook tuinen en parken), archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschap en roerend of immaterieel erfgoed (dit kan bijvoorbeeld een haven met historische schepen zijn). Alle wettelijke regelingen rond de omgang met cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving zijn in de Omgevingswet terecht gekomen. Artikel 5.130 en Artikel 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat de instructieregels voor het cultureel erfgoed. Het beschermingsregime in het omgevingsplan moet ertoe strekken om in een vroeg stadium inzicht te verschaffen in het cultureel erfgoed dat binnen het desbetreffende gebied aanwezig is en om dit cultureel erfgoed voldoende te beschermen als een activiteit wordt ontplooid. De Omgevingswet vormt samen met de Erfgoedwet (2016) het fundament voor de bescherming van het erfgoed.
Relatie tot ontwikkeling Archeologie In de eerste helft van 2024 is de nieuwe Nota Erfgoed vastgesteld. Een van de onderdelen van de nota is archeologie. De beleidskaart Archeologie is geactualiseerd. De kaart geeft aan welke archeologische verwachtingswaarde een gebied heeft. Om potentiële archeologische waarden in het gebied te beschermen bevatten de bestemmingsplannen regels. Deze regels moeten in acht genomen worden bij bouw- en graafwerkzaamheden. Het Parapluplan Behoud Omgevingskwaliteiten heeft de nieuwe beleidskaart verwerkt in de verbeelding en de daarbij behorende regels.
Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL
Pagina | 87
Figuur 30. Uitsnede Archeologische verwachtingskaart Haarlem (bron: gemeente Haarlem)
Op basis van de beleidsadvieskaart blijkt dat het plangebied gelegen is in de categorie 2b en 5b. Dit is in het Parapluplan Behoud Omgevingskwaliteiten omgezet in de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2b’ en ‘Waarde – Archeologie 5b’.
Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL
Pagina | 88
Waarde – Archeologie 5b en 2b Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' dient de aanvrager van een omgevingsvergunning waarvan bodemverstorende bouwwerkzaamheden deel uitmaken, in geval de oppervlakte van het project meer dan 50 m2 betreft en de bouwwerkzaamheden dieper dan 1,50 m onder het maaiveld plaatsvinden, een waardestellend archeologisch rapport te overleggen. Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5b' dient de aanvrager van een omgevingsvergunning waarvan bodemverstorende bouwwerkzaamheden deel uitmaken, in geval de oppervlakte van het project meer dan 2.500 m2 betreft en de bouwwerkzaamheden dieper dan 1,50 m onder het maaiveld plaatsvinden, een waardestellend archeologisch rapport te overleggen. Met de sloop-nieuwbouw van de elf woongebouw, de realisatie van het woongebouw in blok 5 en de herinrichting van de openbare ruimte worden de uitzonderingsmogelijkheden overschreden. Om deze reden is een nader archeologisch onderzoek uitgevoerd. Transect archeologisch onderzoek Er is door Transect een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage bij deze motivering gevoegd. Onderstaand zijn de resultaten integraal weergegeven. Op basis van het bureauonderzoek is een archeologische verwachting opgesteld.
De archeologische verwachting verschilt per periode en is afhankelijk van de landschappelijke ondergrond en de aanwezigheid van cultuurhistorische elementen:
Het plangebied maakt deel uit van een strandvlakte die in het Midden-Neolithicum is ontstaan. Het plangebied is in het Laat-Neolithicum met veen overgroeid geraakt. Op strandwallen in de omgeving zijn archeologische resten uit het Vroeg-tot Midden-Neolithicum en de Midden Bronstijd bekend. In de strandvlakten kunnen echter ook kleine duintjes voorkomen, die iets hoger liggen dan de strandvlakte. In het onderzoeksgebied zijn dergelijke duintjes nog niet aangetroffen, maar hun aanwezigheid in het plangebied is vooralsnog niet uit te sluiten. Ter plaatse van eventuele duintjes in de strandvlakte geldt een middelhoge archeologische verwachting op archeologische resten en/of sporen uit het Midden-Neolithicum tot mogelijk de Bronstijd. Als er geen duintjes aanwezig zijn, is de archeologische verwachting voor de strandvlakte laag. De strandvlakte was immers vanwege zijn natheid en lage ligging niet aantrekkelijk voor bewoning. Gezien de diepteligging van de aangetroffen getijdeafzettingen (Wormer Laagpakket) in het plangebied, zullen afzettingen onder -3,25 à -3,66 m NAP te nat voor bewoning zijn geweest. Eventuele duintjes op de strandvlakte zullen dus hoger moeten liggen dan dat om aantrekkelijk voor bewoning te zijn. De strandvlakte in het plangebied is met geologische boringen vanaf -3,3 m NAP (3,9 m -Mv) aangetroffen.
Het veengebied dat vanaf het Laat-Neolithicum ontstond, was onaantrekkelijk voor bewoning tot aan de ontginning in de Late-Middeleeuwen. In de omgeving van het plangebied zijn geen vindplaatsen in het veen bekend, alleen een akkerlaag uit de Late-Middeleeuwen-Nieuwe Tijd. Daarnaast is de top van het veen in de omgeving grotendeels aangetast met de aanleg van de woonwijk in de 20e eeuw en het bijbehorende ophogingspakket. De archeologische verwachting voor de top van het veen, voor de periode Laat-Neolithicum-Late-Middeleeuwen, is daarom laag. Mocht toch veraard veen aanwezig zijn, dan is dit een indicatie voor lokale ontwatering van het veen, en geldt een middelhoge verwachting op vindplaatsen uit de periode Laat-Neolithicum-Late Middeleeuwen. Wel zal de aanwezigheid van een recent ophoogpakket (2,0 tot 3,0 m dik op basis van geologische boringen in het plangebied) voor zetting in het veen gezorgd hebben, wat de conservering van archeologische resten hierin negatief beïnvloedt. De top van het veen ligt op basis van geologische boringen in het plangebied rond -2,4 m NAP (2,8 m -Mv). Voor wat betreft de Nieuwe Tijd is de archeologische verwachting laag. Gezien de historische kaarten vond bewoning vooral plaats langs het Spaarne, en het plangebied ligt niet direct aan het Spaarne. Op historische kaarten vanaf 1590 na Chr.
is het plangebied onbebouwd en in gebruik geweest als weiland. De archeologische verwachting op huisplaatsen uit de Nieuwe Tijd is daarom laag.
Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL
Pagina | 89
Of nog daadwerkelijk archeologische resten en/of sporen aanwezig kunnen zijn is mede afhankelijk van de mate van intactheid van de ondergrond. In het plangebied is een woonwijk aanwezig. De funderingen en kabels en leidingen zijn vermoedelijk in het ophogingspakket gelegen, maar eventuele heipalen kunnen tot in de archeologische niveaus (veen, duintje op strandvlakte) reiken. Advies Een deel van de bestaande bebouwing in het plangebied zal worden gesloopt om plaats te maken voor een nieuwe woonwijk. Er zijn ingrepen gepland in een zone van ongeveer 8,2 ha. Details over de funderingsdiepte en het heipalenplan zijn nog niet bekend. In de buitenruimte zullen graafwerkzaamheden plaatsvinden tot 1,2 à 2,5 m -Mv (-2,0 m NAP) voor wadi’s en riolering. De graafwerkzaamheden voor de funderingen en de inrichting van de openbare grond reiken zeer waarschijnlijk niet tot in de archeologische niveaus. Mogelijk dat alleen met de riolering de top van het veen geraakt wordt. De heipalen gaan echter dwars door alle archeologische niveaus heen (top veen, top van een eventueel duintje op de strandvlakte). Afhankelijk van hun aantal en de tussenafstand tussen de heipalen, kan een eventuele vindplaats hierdoor worden aangetast. Name clusters van heipalen, waarbij de tussenafstand tussen de heipalen minder dan 4,0 m bedraagt, zijn verstorend voor eventuele archeologische resten en/of sporen.
Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de wijziging van een omgevingsplan. Met betrekking tot de wijziging van het omgevingsplan zijn er twee opties voor wat betreft wanneer de gespecificeerde archeologische verwachting getoetst kan worden. Dit kan in het kader van het uitvoeren van een booronderzoek (optie 1), of in het kader van de hierna aan te vragen omgevingsvergunning(en) (optie 2). In het omgevingsplan is de keuze gevallen op optie 2, waar een omgevingsvergunningplicht in het kader van de archeologische verwachtingswaarde voor het plangebied is opgenomen. Hiermee is de bescherming van de archeologische verwachtingswaarden voldoende ondervangen. Cultuurhistorie In het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Daarnaast is het plangebied niet onderdeel van een beschermd stadsgezicht. In het kader van cultuurhistorie ontstaat er geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan.
VLIEGVERKEER Algemeen Wet luchtvaart De Wet luchtvaart betreft luchtverkeer, luchtvaartuigen en luchthavens. De wet is zowel verkeersrechtelijk als omgevingsrechtelijk van aard. De hoofdstukken 8, 8A en 10 van de Wet luchtvaart bevatten (voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet) omgevingsrechtelijke aspecten, namelijk regels over (externe) veiligheid, geluidbelasting en lokale luchtverontreiniging. De hoofdstukken bevatten op elkaar afgestemde regels voor het luchtverkeer (gebruik van het luchtruim, luchtverkeerswegen, luchthavens) en regels voor de ruimtelijke beperkingen op de grond (vooral bouwbeperkingen). Samenhang Omgevingswet De fysieke leefomgeving staat centraal in de Omgevingswet. De regels uit de Wet luchtvaart die leiden tot beperkingen ten aanzien van de aan gronden toe te kennen functie en het toegestane gebruik van gronden worden daarom overgebracht naar de instructieregels. Het gaat daarbij in ieder geval om regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid rond luchthavens, het behoeden
Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL
Pagina | 90
van de staat en werking van luchthavens en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de directe omgeving daarvan. Luchthaven(indelings)besluit Schiphol Luchthavenbesluiten vormen het kerninstrument voor de regulering van luchthavens. Luchthavenbesluiten bevatten aan de ene kant regels over het luchthavenverkeer en aan de andere kant regels over de ruimtelijke indeling in de nabijheid van de luchthaven. Omdat de Omgevingswet alle regels over de fysieke leefomgeving bundelt, vallen deze laatste regels onder de reikwijdte van de Omgevingswet. Het luchthavenbesluit bevat uitsluitend regels over het luchthavenverkeer en een aanwijzing van de beperkingengebieden. Dit kunnen beperkingengebieden zijn in verband met de (vlieg)veiligheid, geluidhinder, externe veiligheid, laserstraalvrije gebieden of vogelbeperkingsgebieden. De ruimtelijke beperkingen die in de verschillende beperkingengebieden gelden, zijn opgenomen als instructieregels voor omgevingsplannen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarmee ligt de doorwerking van de ruimtelijke beperkingen naar omgevingsplannen vast.
Relatie tot ontwikkeling Het plangebied is gelegen buiten de beperkingengebied bebouwing van het LIB. De locatie is gelegen binnen het beperkingengebied voor het aantrekken van vogels, maatgevende toetshoogtes en de toetszone windturbines en laser. Beperkingsgebied voor het aantrekken van vogels Binnen dit beperkingengebied mogen geen nieuwe functies met vogelaantrekkende werking worden gerealiseerd, deze categorieën zijn opgesomd in artikel 2.2.3 van het LIB. De beoogde ontwikkeling ziet op de herontwikkeling van een woonwijk. De beoogde ontwikkeling behoort niet tot een van de categorieën die een vogelaantrekkende werking heeft. Hierdoor zijn er geen beperkingen in het kader van het aantrekken van vogels van toepassing op het plangebied. Het gebied voor maatgevende toetshoogtes Onderstaande kaart geeft de toetshoogtes aan voor ontwikkelingen rondom Schiphol. De kaart is opgenomen in onderstaande figuur, hierop is het plangebied middels een witte stip aangewezen. Als een object de aangegeven maximale toetshoogtes overschrijdt, wordt er alleen toestemming gegeven als er een advies is van de Inspectie Leefomgeving en Transport. Uit dit advies moet volgen dat het object geen belemmering vormt voor het functioneren van de randapparatuur. Voor het plangebied geldt een maatgevende toetshoogte van 64, 63 en 62 meter NAP.