CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

28 Bijlage 5 Ontwerp wijzigingsbesluit omgevingsplan Waddenbuurt Haarlem

commissie Ontwikkeling 16 april 2026, gemeente HaarlemBij agendapunt: 20:55 uur Molenwijk Noord Waddenbuurt -Stedenbouwkundig plan, Beeldkwaliteitplan, Inrichtingsplan, Anterieure Overeenkomst, Omgevingsplan (FR)37.739 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

De maximale bouwhoogte van de ontwikkeling valt onder de 62 meter. De ligging in dit gebied vormt geen randvoorwaarde of belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 91

Figuur 31. Kaart maatgevende toetshoogtes, plangebied globaal aangeduid met rood kader (bron: Hoogtebeperkingen luchtvaart)

Toetszone windturbines en lasers Deze toetszone betreft het gebied waarin het niet is toegestaan om windturbines van een bepaalde hoogte en/of (vaste) laserinstallaties te plaatsen. De beoogde ontwikkeling ziet niet op het realiseren van windturbines of laserinstallaties, daardoor is toetsing niet noodzakelijk.

Conclusie Het aspect vliegverkeer vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling op het plangebied.

BEZONNING Algemeen Voldoende zonlicht en schaduw zijn aspecten van de fysieke leefomgeving. Voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw op bijvoorbeeld gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is belangrijk. Zo draagt voldoende zon bij aan een aangenaam verblijfsklimaat, maar geldt eveneens dat men in de steeds hetere zomers ook de schaduw moet kunnen opzoeken. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Daarbij kan de gemeente gebruikmaken van alle mogelijkheden van het instrument omgevingsplan. Gemeenten kunnen door regels aan bouwwerken te stellen in het omgevingsplan voorkomen dat er te veel of te weinig schaduw ontstaat. Hierbij kan gedacht worden aan: voldoende afstanden tussen (hoge) bebouwing, bouwhoogten, fysieke vorm van de gebouwen, ligging openbare ruimte en speelplekken ten opzichte van bebouwing en zongericht verkavelen. Naast stedenbouwkundige oplossingen kunnen gemeenten ook kiezen voor het vastleggen van een omgevingsvergunningplicht in het omgevingsplan of vastleggen van een meldingsplicht voor bouwen van hoge gebouwen in het omgevingsplan. Daarnaast kan in het omgevingsplan worden opgenomen dat bij een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling een bezonningsonderzoek op basis van de TNO-norm dan wel gemeentelijke norm dient te worden uitgevoerd

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 92

TNO-norm Voor het beoordelen of sprake is van voldoende zonlicht op de gevels van omliggende woningen, hanteren veel gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen de (niet wettelijk verplichte) TNO-norm. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm:  de 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam;  de 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht. In sommige gevallen kan het echter wenselijk zijn om ook de bezonningssituatie voor deze woningen inzichtelijk te maken. Doorgaans wordt een bezonningsstudie aanbevolen bij een bouwhoogte van meer dan 25 meter.

Relatie tot ontwikkeling Er is door Peutz een bezonningsonderzoek opgesteld. Het bezonningsonderzoek is als bijlage bij deze motivering opgenomen. Wegens het ontbreken van een wettelijke normstelling heeft een globale toetsing plaatsgevonden volgens een veel gebruikte richtlijn, de lichte TNO-norm. Volgens de lichte TNO-norm is er sprake van voldoende bezonning van een woning bij tenminste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari t/m 21 oktober. De resultaten van het onderzoek zijn onderstaand integraal weergegeven. Voor alle bestaande te behouden woningen rond het plan geldt dat als er schaduw optreedt ten gevolge van het plan, dat nergens leidt tot een situatie die niet voldoet aan de gestelde criteria. Ten gevolge van de geplande bebouwing neemt de bezonning op de gevels van de woningen aan Amelandstraat 15 op alle drie de toetsingsdata op één of twee locaties af tot minder dan 2 uren. Door de vorm van het gebouw, en de oriëntatie van de gevel, ligt deze gevel slecht op de zon. De geplande bebouwing geeft relatief kortstondig schaduw. De bezonning van het grootste deel van de gevel voldoet. Op basis van plattegronden is vastgesteld dat dit op de begane grond om een gedeelde keuken en woonkamer gaat.

Op 21 juni en 21 augustus voldoet de bezonning aan minimaal 2 uren zon, omdat de ruimte meerdere ramen heeft, en zeker een van deze ramen voldoende zon krijgt. Op 21 oktober zorgt de geplande bebouwing voor een afname van de bezonning tot minder dan 2 uren in deze ruimte. Figuur 32. Bezonningsduur woningen Amelandstraat 15 (bron: Bezonningsonderzoek Peutz)

Het verplaatsen van de toren in de variant heeft geen verandering van de beoordeling van de bezonning in de omgeving tot gevolg.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 93

Het vervallen van de appartementen aan het Texelhof heeft geen tot een gunstig effect op de bezonning in de omgeving. Uit het bezonningsonderzoek blijkt dat de bestaande woningen voor het merendeel voldoen aan de criteria zoals gesteld in de lichte TNO-norm, waarbij sprake is van voldoende bezonning per dag op de gevel van de woningen. Bij de woningen aan de Amelandstraat 15 voldoet de bezonning op 21 juni en 21 augustus aan minimaal 2 uren zon, omdat de ruimte meerdere ramen heeft, en zeker een van deze ramen voldoende zon krijgt. Op 21 oktober zorgt de geplande bebouwing voor een afname van de bezonning tot minder dan 2 uren in deze ruimte. Om deze reden vindt in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij deze herontwikkeling een integrale belangenafweging plaats. In de belangenafweging is beoordeeld dat met de herontwikkeling óók andere kwaliteiten worden geboden. De kwaliteiten van het plan zitten voornamelijk in het toevoegen van ruimtelijke kwaliteit in de vorm van leefbaarheid, nieuwe openbare ruimte, extra voorzieningen en het toevoegen van extra woningen om te voldoen aan de grote woningbouwbehoefte in de gemeente Haarlem. Het realiseren van deze kwaliteiten in het plangebied Waddenbuurt draagt bij aan het realiseren van een duurzame en toekomstbestendige wijk.

Bij de afweging van de belangen is daarom geconcludeerd dat de afname van bezonningsuren voor bestaande woningen de omgeving als aanvaardbaar wordt geacht, temeer de afname in bezonningsuren grotendeels voldoet aan de criteria zoals opgenomen in de lichte TNO-norm en de afname bij de woningen aan de Amelandstraat 15 slechts op 21 oktober plaatsvindt bij een deel van de gevel, waar het grootste deel van de gevel voldoet.

Conclusie Uit het bezonningsonderzoek is gebleken dat voor alle bestaande te behouden woningen rond het plan voldaan wordt aan de criteria van de lichte TNO-norm. Aangezien op 21 oktober bij de woningen aan de Amelandstraat 15 slechts sprake van een afname in bezonningsuren die niet voldoet aan de lichte TNO-norm bij een deel van de gevel en voor bij alle andere woningen wordt voldaan aan de lichte TNO-norm, wordt geacht dat er geen sprake is voor de belemmering van de vaststelling van het omgevingsplan.

HOOGBOUW Algemeen Een belangrijke stap naar realisatie van de beoogde ontwikkeling is een gedegen motivering van de hoogbouw in het initiatief en zal zoals opgenomen in de notitie ‘Hoogbouwprincipes, kansen voor hoogbouw in Haarlem’ getoetst moeten worden aan de hoogbouwprincipes op omgevingsniveau. Binnen deze principes zijn drie thema’s opgenomen:  Cultuurhistorie  Stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing  Technische omgevingsaspecten Deze thema’s vormen de leidraad voor de Hoogbouw Effect Rapportage. Daarin is onderzocht wat de effecten zijn van deze hoogbouw op de omgeving. De HER is als bijlage opgenomen bij deze motivering.

Relatie tot ontwikkeling Er is door Peutz een Hoogbouweffectrapportage (hierna: HER) opgesteld. Deze rapportage is als bijlage bij de motivering gevoegd. Onderstaand zijn de resultaten opgenomen. Er is sprake van een voorgenomen ontwikkeling in de Waddenbuurt te Haarlem, op de hoek van de Europaweg en Zwemmerslaan, waarbij een woongebouw met een bouwhoogte van circa 40 meter wordt gerealiseerd. Conform het gemeentelijk hoogbouwbeleid dient voor bouwwerken hoger dan 30 meter een hoogbouweffectrapportage (HER) te worden opgesteld, waarmee de effecten van het hoogbouwplan op de directe omgeving inzichtelijk worden gemaakt.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 94

Uit de ingediende HER blijkt dat de geplande hoogbouw op deze locatie ruimtelijk, cultuurhistorisch en stedenbouwkundig als aanvaardbaar wordt beschouwd. De beoogde ontwikkeling is gesitueerd op een locatie die zich goed leent voor hoogbouw en past binnen de kenmerken van de omgeving. Daarnaast zorgt het nieuwe woongebouw voor een duidelijk markeringspunt aan deze kant van de wijk, dat bijdraagt aan een duidelijke stedelijke structuur. Daarnaast worden de effecten van de hoogbouwontwikkeling op de omgeving eveneens acceptabel geacht. Mede vanwege de stedelijke ligging en afstand tot omliggende woningen blijven hinder en negatieve invloeden beperkt.

Conclusie Er kan worden geconcludeerd dat de voorgestelde hoogbouwontwikkeling binnen de relevante beleidskaders past en een positieve bijdrage levert aan zowel de ruimtelijke inrichting als de leefkwaliteit in de omgeving.

WINDHINDER Algemeen Windhinder is een aspect van de fysieke leefomgeving, zoals bedoeld in artikel 2.1 Omgevingswet. Hiermee is windhinder ook een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties in het omgevingsplan. De gemeente heeft hier wel een ruime mate van beleidsvrijheid in, nu voor het aspect windhinder instructieregels van het Rijk ontbreken. Beoordelingskader NEN-norm voor windhinder De NEN 8100 is een norm voor de beoordeling van het windklimaat. De norm werkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. In een tabel is voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) aangegeven of het windklimaat slecht, matig of goed is. In deze norm zit een beslismodel dat aangeeft wanneer een windonderzoek nodig kan zijn:  gebouwen hoger dan 30 meter: windonderzoek is nodig  beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is  onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is De NEN 8100 is vanuit de wet niet verplicht, maar wordt wel algemeen gebruikt om te beoordelen of de ontwikkeling in overeenstemming is met een veilige en gezonde fysieke leefomgeving (voorheen: een goede ruimtelijke ordening).

Relatie tot ontwikkeling Er is door Peutz een windklimaatonderzoek opgesteld. Het onderzoek is als bijlage bij de motivering gevoegd. Onderstaand zijn de resultaten integraal weergegeven. In het windklimaatonderzoek zijn twee situaties onderzocht: 1. De oorspronkelijk geplande situatie met de bestaande omgevingsbebouwing; 2. Een variant waarin de toren 3 meter verschoven is naar het zuiden, en zonder de aanwezigheid van de te slopen omgevingsbebouwing. Uit de resultaten van het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden:  In beide onderzochte situaties is rond de planlocatie overwegend sprake van een goed windklimaat voor de activiteit doorlopen. Dit komt overeen met kwaliteitsklassen A t/m C.  Bij de hogere bebouwing, zowel van het plan als van de bestaande omgeving, is lokaal windklasse D vastgesteld. Dit wordt beoordeeld als een matig windklimaat voor de activiteit doorlopen. Het Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 95

 

windklimaat kan op deze locatie verbeteren door een setback aan de westzijde van het hoogbouwdeel te creëren, zodat de wind op een grotere hoogte weg kan stromen. De onderzochte setback aan de noordzijde van het plan heeft een zeer beperkt effect op het windklimaat. Er is geen risico op windgevaar vastgesteld. In het plangebied is bij de geplande gevels overwegende een goed windklimaat voor de activiteit slenteren vastgesteld, uitgezonderd bij een aantal gebouwhoeken. Deze locaties zijn op voorhand minder geschikt voor windgevoelige functies zoals gebouwentrees en verblijfsgebieden.

In artikel 7.29 van het omgevingsplan is een voorwaardelijk verplichting windhinder opgenomen. Er dient met een windhinderonderzoek aangetoond te worden dat sprake is van een aanvaardbaar windklimaat. Van een aanvaardbaar winklimaat is sprake indien voor windhinder het kwaliteitsniveau ‘goed’ of ‘matig’ wordt behaald. Een ‘slecht’ windklimaat is in principe niet toegestaan. Als gevolg van het onderzoek zijn de volgende keuzes genomen. Het realiseren van een setback aan de westzijde is niet een wenselijke optie, aangezien dit gevolgen heeft voor het programma en het totaal aantal parkeerplaatsen op de begane grond. Bij blok 7 treft men een looproute en oversteek van de Europaweg aan, waar sprake zal zijn van de activiteit doorlopen. Binnen het windklimaat D geldt voor de activiteit doorlopen het kwaliteitsniveau ‘matig’. Aangezien er daarnaast geen sprake is van een windgevaar, wordt het matige windklimaat nabij blok 7 aanvaardbaar geacht, specifiek in relatie tot de mogelijkheid om het beoogde woonprogramma te realiseren gezien de grote woningbouwbehoefte in de gemeente Haarlem. Ten slotte wordt met de positionering van de entree van het gebouw bij blok 7 rekening gehouden met het windklimaat en de entree buiten de contour van windklimaat D geplaatst.

Er is daarmee geen sprake van een windklimaat ‘slecht’ rondom de nieuwbouwlocaties, omdat de activiteit ‘slenteren’ en/of ‘zitten’ niet binnen de zone met windklimaat D plaatsvinden of worden gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaardelijke verplichting van artikel 7.29 van het omgevingsplan.

Conclusie In het kader van windklimaat is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

KABELS, LEIDINGEN STRAALPADEN EN ANDERE BELEMMERINGEN Algemeen De Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon) bevat regels ter bescherming van bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken. In het omgevingsplan kunnen de locaties en kenmerken van kabels en leidingen staan om de omgeving te beschermen tegen de risico’s van deze kabels en leidingen. Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon) De Wibon gaat niet op in de Omgevingswet. Doel van de Wibon is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen te voorkomen. Het gaat dan om water-, elektriciteit-, gasen telecomleidingen. Netbeheerders zijn door deze wet verplicht om informatie te geven over de ligging van hun kabels en leidingen. Mechanisch graven of heien mag in de openbare ruimte pas als er bij het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) van het Kadaster een KLIC-melding is gedaan. Deze verplichting geldt voor elke graafdiepte. Degene die de mechanische graafwerkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren, is de grondroerder. Een grondroerder is verplicht informatie over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie op te vragen. Dit moet gebeuren vóór de graafwerkzaamheden beginnen.

Het Kadaster regelt dat de melder informatie krijgt over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 96

Omgevingsplan – (toelaten van) buisleidingen en hoogspanningsleidingen Bij het toelaten van buisleidingen en hoogspanningsleidingen gaat het erom dat er een veilige omgeving rondom ondergrondse kabels en leidingen aanwezig is. Deze leidingen moeten opgenomen worden in het omgevingsplan. Voor andere ondergrondse kabels en leidingen kan de gemeente zelf bepalen of deze opgenomen worden in het omgevingsplan. Bijvoorbeeld leidingen die belangrijk zijn voor de energievoorziening, zoals de stadsverwarming. Als maatregelen nodig zijn, dan moeten deze geborgd worden in de omgevingsvergunning of het omgevingsplan. Deze bouwregels zijn gericht op het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Denk bijvoorbeeld aan de situering en afstand van ondergrondse kabels en leidingen ten opzichte van omliggende woningen. Daarnaast bepaalt een gemeente in haar omgevingsvisie welke ondergrondse leidingen of kabels relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en of deze relevant zijn om op te nemen in het omgevingsplan. In het omgevingsplan staan geen of zeer beperkt gebruiksregels voor ondergrondse kabels en leidingen. Deze regels richten zich op de ligging, het type leiding en de gebruikskenmerken.

Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om de volgende kenmerken:  soort stof (bij buisleidingen)  maximale druk (bij gas in buisleidingen)  maximaal vermogen (bij ondergrondse hoogspanningsleidingen) Hoogspanningsverbindingen en magneetveldzones Op 21 april 2023 is het herijkte voorzorgbeleid magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen in werking getreden. Het doel van het voorzorgbeleid magneetvelden is om, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te voorkomen dat burgers (volwassenen en kinderen) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden die afkomstig zijn van de elektriciteitsinfrastructuur. Niet omdat dit om gezondheidsredenen noodzakelijk is, maar uit voorzorg. Het voorzorgbeleid voor magneetvelden bestaat uit:  bronmaatregelen, die de netbeheerders bij alle netcomponenten treffen;  afstandsmaatregelen bij bovengrondse hoogspanningslijnen, die het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening op basis van de berekening van de magneetveldzone kan treffen. Door de minister voor Klimaat en Energie (KE) en de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) is, in afstemming met de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), besloten om voor andere netcomponenten dan bovengrondse hoogspanningslijnen geen afstanden ten opzichte van gevoelige bestemmingen te adviseren.

Dat betekent dat er ook geen magneetveldzone bij deze netcomponenten bepaald wordt. Het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening heeft de mogelijkheid om de magneetveldzone van een bovengrondse hoogspanningslijn vast te leggen in een ruimtelijk plan (bestemmingsplan, omgevingsplan of projectbesluit). Door het verbinden van planregels aan de magneetveldzone kan voorkomen worden dat er nieuwe gevoelige bestemmingen in de magneetveldzone gerealiseerd kunnen worden.

Relatie tot ontwikkeling In het omgevingsplan “Gemeente Haarlem” zijn geen regels opgenomen over buisleidingen / hoogspanningsleidingen met een bijbehorende beschermingszone. Het plangebied is gelegen nabij de 50 kVkabel genaamd ’50-10 kV Schalkwijk’. Er wordt (door de GGD) afgeraden om binnen 10 meter van een 50 kV hoogspanningskabel gevoelige functies, zoals woningen of kinderdagverblijven (op de begane grond) te huisvesten. De woonfuncties zijn echter buiten de 10 meter grens van de kabel gevestigd, zie hiervoor onderstaand figuur. Om deze reden ontstaat er geen knelpunt voor de realisatie van de woonfuncties.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 97

Figuur 33. Locatie 50kv hoogspanningskabels nabij plangebied (bron: Antea Group)

Conclusie In het kader van kabels en leidingen is geen sprake van een belemmering voor het plan.

MOLENBIOTOOP Algemeen In artikel 7.72, lid 1 (Bescherming molenbiotoop) is opgenomen dat een omgevingsplan voor gronden gelegen binnen de molenbiotoop van traditionele windmolens, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 23 in bijlage II, in voldoende mate de vrije windvang en het zicht op de molen garandeert en voldoet aan de volgende voorwaarden: a. binnen een straal van 100 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, wordt geen nieuwe bebouwing opgericht of beplanting aangebracht, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek; b. binnen een straal van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting: 1. voor zover dit gebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek; 2. voor zover dit gebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek.

In afwijking van het eerste lid is op grond van lid 2 het oprichten van nieuwe bebouwing mogelijk ten behoeve van: a. een ontwikkeling binnen een molenbiotoop waarin vrije windvang en het zicht op de molen al zijn beperkt door bebouwing, zolang de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt, of zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zicht op de molen door maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd; of

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 98

b. een ontwikkeling binnen een bijzondere molenbiotoop, waarvan de plaats geometrisch is begrensd en verbeeld op kaart 15 in bijlage II, mits de molen en de molenbiotoop op een goede manier ruimtelijk worden ingepast.

Relatie tot ontwikkeling De dichtstbijzijnde molen bevindt zich op een afstand van ongeveer 600 meter van het plangebied. Deze afstand is zodanig dat de aanwezigheid van de molen geen enkele belemmering of hinder oplevert voor de voorgenomen ontwikkeling. Figuur 34. Molenkaart (bron: allemolenskaart.nl)

Conclusie Het aspect molenbiotoop vormt geen belemmering voor het plan.

NIET-GESPRONGEN EXPLOSIEVEN Algemeen Niet gesprongen explosieven zijn ontplofbare oorlogsresten, bijvoorbeeld uit de Eerste of de Tweede Wereldoorlog. Wanneer deze verplaatst of geraakt worden bij werkzaamheden in de grond, kunnen ze een gevaar opleveren. Conform Arbowetgeving dient het terrein daarom voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden onderzocht te worden op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Hiermee wordt voorkomen dat tijdens werkzaamheden in de bodem ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen die een gevaar voor de werknemers en de openbare orde en veiligheid kunnen vormen. In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot ontplofbare oorlogsresten. Gemeenten dienen hierin een eigen afweging te maken. Voor zover gemeenten in de Algemene Plaatselijke Verordening / Verordening van de fysieke leefomgeving regels hebben opgenomen met betrekking tot dit onderwerp, blijven die regels onverkort van kracht zolang ze niet actief worden meegenomen in het gemeentelijk omgevingsplan. De Omgevingswet heeft daarnaast geen invloed op gemeentelijk beleid ten aanzien van ontplofbare oorlogsresten.

Relatie tot ontwikkeling Binnen de gemeenten Haarlem en Zandvoort is vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. De resultaten van dit onderzoek zijn verwerkt in de interactieve kaart 'Haarlem-

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 99

Zandvoort'. Uit deze kaart blijkt dat het plangebied zich bevindt in een gebied dat als onverdacht wordt aangemerkt, wat betekent dat er geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van explosieven uit de oorlog. Figuur 35. Niet gesprongen explosievenkaart (bron: gemeente Haarlem)

Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor het plan.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16788225/1