CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

28 Bijlage 5 Ontwerp wijzigingsbesluit omgevingsplan Waddenbuurt Haarlem

commissie Ontwikkeling 16 april 2026, gemeente HaarlemBij agendapunt: 20:55 uur Molenwijk Noord Waddenbuurt -Stedenbouwkundig plan, Beeldkwaliteitplan, Inrichtingsplan, Anterieure Overeenkomst, Omgevingsplan (FR)37.739 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Geluidbelasting 54-55 dB 55-56 dB 59-60 dB 54 dB 60-61 dB 54-56 dB 57-59 dB 59-61 dB 54-56 dB 55-57 dB 59-60 dB 54-56 dB 55-56 dB 54 dB

Kleur geel geel oranje geel oranje geel oranje oranje geel geel oranje geel geel geel

Bij de nieuwbouw van woningen in de Waddenbuurt dient rekening te worden gehouden met geluidbelasting door wegverkeer. Met name de bouwblokken 4, 5 en 7 worden blootgesteld aan verhoogde geluidsniveaus als gevolg van het wegverkeer. In dit kader moet worden bezien of bron- of overdrachtsmaatregelen mogelijk zijn. Overdrachtsmaatregelen zijn in de stedelijke context niet realistisch, omdat deze het vrije zicht aanzienlijk beperken en bovendien geen effect hebben op de hoger gelegen verdiepingen. Door toepassing van stil asfalt kan naar verwachting een geluidsreductie van circa 1 à 2 dB worden gerealiseerd, met name op de Europaweg en de Zuiderzeelaan. Daarbij geldt dat toepassing van stil asfalt op rotondes en kruispunten veelal onwenselijk is vanwege verhoogde slijtage. De haalbaarheid en doelmatigheid hiervan dienen nader te worden onderzocht. Ongeacht bovenstaande zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk om te voldoen aan het gemeentelijk beleid ten aanzien van het realiseren van geluidsluwe gevels en/of buitenruimten, zoals het aanbrengen van balkonafscherming of gesloten balkonbeglazing. In de nadere uitwerking van de bouwplannen worden de maatregelen bepaalde om bij de woningen de geluidreductie te bereiken.

In artikel 7.30 van het wijzigingsbesluit van het omgevingsplan Waddenbuurt is een voorwaardelijk verplichting opgenomen in het kader van geluid om te waarborgen dat voldoende geluidmaatregelen worden getroffen. Bij die woningen waar sprake is van een overschrijding van de standaardwaarde voor wegverkeer dient tevens getoetst te worden of wordt voldaan aan de vereiste geluidswering volgens het Bbl.

Geluid door activiteiten Behalve het wegverkeer zijn de volgende bestaande maatschappelijke voorzieningen en bedrijven actief in de wijk:  Kinderdagverblijf/BSO CompaNanny en Hero, beide aan het Zevenwoudenplantsoen 3. Hier spelen kinderen buiten op het eigen terrein.  Kerkgebouw aan de Frieslandlaan 15 met eigen parkeerterrein.  Tandartspraktijk aan de Waddenstraat 783 met eigen parkeergelegenheid. In het plangebied is ook een schoolgebouw aanwezig dat momenteel niet als zodanig in gebruik is. Het schoolgebouw ligt aanpandig aan het kinderdagverblijf, waarmee de resultaten daarvoor ook representatief zijn voor de onderwijsfunctie.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 47

Daarnaast zal er in blok 5 van de nieuwe ontwikkeling ook ruimte worden gerealiseerd voor kleinschalige horeca en kinderdagopvang. Voor omgevingsplannen is de VNG Handreiking Activiteiten en Milieuzonering 2024 beschikbaar. Omdat het hier bestaande bedrijven betreft, en als zodanig ook benoemd in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, worden, vooralsnog de richtafstanden gehanteerd uit het VNG handreiking Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Tabel 3.

Richtafstand geluid volgens VNG handreiking (bron: Akoestisch onderzoek M+P)

Aan de randen van de wijk, nabij de drukke wegen is de geluidsbelasting hoger en gelden de richtafstanden voor een gemengd gebied. Dit is met name van toepassing bij bouwblok 5. In plaats van 30 meter kan dan 10 meter worden aangehouden. Voor de bedrijven (en in het algemeen activiteiten) gelden regels voor milieubelastende activiteiten in het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van Haarlem. Voor blok 1 kan worden geconcludeerd dat het geluid vanwege parkeren ondergeschikt is aan het geluid ten gevolge van het wegverkeer over de Groningenlaan. Dit voldoet dan aan stap 2 volgens de VNG richtlijn Bedrijven en milieuzonering. Overigens geldt dit voor zowel de kerk als voor de tandartsenpraktijk. Voor blok 3 blijken de geluidspieken vanwege spelende kinderen minder dan 70 dB(A) te bedragen. Dit komt overeen met stap 3 volgens de VNG richtlijn. In dat geval moet worden afgewogen of dit geluid toelaatbaar is. Hierbij moet in overweging genomen worden dat dit al vele jaren het geval is bij de reeds aanwezige woningen en de toevoeging van deze woningen de situatie niet veranderd. Daarbij geldt dat scholen en kinderopvang in een woonwijk de leefbaarheid ten goede komen en dat deze geluidspieken alleen gedurende de dagperiode plaatsvinden. De school op het Zevenwoudenplantsoen is op dit moment niet meer in gebruik maar op grond van het bestemmingsplan is dit nog steeds mogelijk.

Voor de hoogte van de geluidspieken zal dit geen verschil uitmaken. Bij meer spelende kinderen zal wel het gemiddelde geluidsniveau stijgen maar de ervaring leert dat meestal de geluidspieken, zoals die nu berekend zijn, maatgevend zijn.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 48

Voor de uitvoering van de buitenruimten van woningen die uitkijken op de buitenspeelplaatsen wordt geadviseerd om gesloten borstweringen en een geluidsabsorberend plafond toe te passen om de hinder te beperken. Voor het toekomstig kinderdagverblijf dat is gepland in blok 5 zal in een later stadium nader onderzoek moeten plaatsvinden. Dit is namelijk pas te beoordelen als de indeling van het terrein en de woningen definitief zijn vastgesteld. De hoogste geluidbelasting zal ter plaatse van de buitenruimtes direct boven de buitenspeelruimte zijn. In het algemeen zijn dan maatregelen nodig. Gedacht kan worden aan gedeeltelijke afscherming of geheel afsluitbare balkonbeglazing om een acceptabele buitenruimte te creëren. Eventueel is extra geluidswering nodig om te zorgen dat het binnenniveau niet te hoog wordt. Al naar gelang de situatie kan het zijn dat deze maatregelen overlappend zijn met de maatregelen die ten gevolge van het wegverkeer moeten worden getroffen. Voor blok 7 waar “ruimte voor werk” wordt gecreëerd, zal en kan alleen sprake zijn van bedrijvigheid zonder noemenswaardige geluidproductie. De activiteiten binnen de Waddenbuurt leiden niet tot onaanvaardbare geluidniveaus.

Gecumuleerd en gezamenlijk geluid Er is geen sprake van meerdere geluidsbronnen die beschouwd moeten worden volgens het Bkl. Er is dus geen sprake van gecumuleerd geluid. In dit geval is het gezamenlijk geluid gelijk aan het geluid ten gevolge van wegverkeer.

Conclusie Het aspect geluid staat de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit omgevingsplan niet in de weg.

KWALITEIT BUITENLUCHT De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2 ) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier reeds een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeenteactiviteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Het CIMLK is in opdracht van IenW in beheer bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De structuur en betekenis van gegevens in het CIMLK is vastgelegd in een Informatiemodel Monitoring Luchtkwaliteit.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 49

Wettelijk kader Luchtkwaliteitstoets De gemeente moet de luchtkwaliteit toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. Er moet worden nagegaan of de toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor de volgende activiteiten (artikel 5.51 lid 1 van het Bkl):  activiteiten die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking) of;  activiteiten waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Bal. In artikel 5.50 lid 1 van het Bkl worden enkele activiteiten aangewezen waarvoor te allen tijde een luchtkwaliteitstoets moet worden uitgevoerd door de gemeente. Dit geldt ook indien er geen aandachtsgebied in de omgeving aanwezig is. Het gaat om de volgende activiteiten:  de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter;  een wijziging van een tunnel waarbij de lengte minimaal 100 meter toeneemt;  de aanleg van een auto(snel)weg. Enkel op locaties waar mensen aanwezig zijn, vindt er een beoordeling van de luchtkwaliteit plaats door de overheid.

Indien locaties aan één van de volgende criteria voldoen, is er geen toetsing of monitoring van de luchtkwaliteit benodigd:  relatief korte verblijven (blootstellingscriterium);  arbeidsplaatsen (artikel 2.2 Bkl);  als mensen daar niet kunnen komen (toepasbaarheidsbeginsel), bestaand uit (artikel 5.52 Bkl): o locaties waar het publiek niet kan komen en waar geen vaste bewoning is; o de rijbaan en middenberm van wegen, tenzij voetgangers toegang hebben tot de middenberm. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden voor NO2 en PM10 zijn de volgende agglomeraties waarvan de locatie bij ministeriële regeling is aangewezen (artikel 5.51 uit het Bkl): 1. Amsterdam/Haarlem (gemeenten: Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beverwijk, Bloemendaal, Diemen, Haarlem, Haarlemmermeer, Heemskerk, Heemstede, Ouder-Amstel, Uithoorn, Velsen, Zaanstad en Zandvoort) 2. Den Haag/Leiden (gemeenten: Delft, Den Haag, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delftland, Oegstgeest, Rijswijk, Voorschoten, Wassenaar en Westland) 3. Rotterdam/Dordrecht (gemeenten: Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan de IJssel, Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Maassluis, Nissewaard, Papendrecht, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Sliedrecht, Vlaardingen, Zuidplas en Zwijndrecht) 4.

Utrecht (gemeenten: Houten, Nieuwegein, Utrecht en IJsselstein) 5. Eindhoven (gemeenten: Best, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Helmond, Nuenen, Gerwen en Nederwetten en Veldhoven) Niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) Toetsen aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig indien een project of activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Dan gaat het bijvoorbeeld om een ruimtelijk project of activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is maar waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Indien dit het geval is, is er geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor (NO2) en fijnstof (PM10) nodig. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In artikel 5.54 van het Bkl staan standaardgevallen niet in betekenende mate aangegeven, waaronder:  Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen;

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 50

 

Gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak en een gelijkmatige verkeersverdeling bij twee ontsluitingswegen; Zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: o één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of o twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties.

Omgevingswaarden De nadruk ligt op verbetering van de luchtkwaliteit via lokale maatregelen. Daarvoor kunnen gemeenten en provincies lokale omgevingswaarden opstellen, bijvoorbeeld een aanvullende omgevingswaarde voor roet. Decentrale overheden kunnen ook strengere omgevingswaarden stellen. Ze moeten lokale omgevingswaarden zelf monitoren en een programma opstellen bij dreigende overschrijding.

Toetsing Voor het plangebied is beschouwd in hoeverre het project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan luchtverontreiniging. De ontwikkeling bestaat uit de ontwikkeling van 545 woningen en enkele voorzieningen zoals een buurtkamer en kinderopvang. Dit betreft een toevoeging van 281 woningen ten opzichte van de huidige situatie, omdat 264 sociale huurwoningen gesloopt worden. Op basis hiervan kan gesteld worden dat de ontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Zekerheidshalve is het woon- en leefklimaat in het kader van luchtkwaliteit toegelicht. De beoogde ontwikkeling maakt de realisatie 545 woningen en per saldo 281 woningen mogelijk. Daarmee valt de ontwikkeling onder één van de standaardgevallen die niet in betekende mate bijdragen. In het kader van een gezonde fysieke leefomgeving is volledigheidshalve in kaart gebracht wat de totale concentraties van fijnstof en stikstof ten opzichte van bijbehorende grenswaarden zijn. Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) zijn de totale concentraties ter plaatse van een rekenpunt nabij het plangebied inzichtelijk gemaakt in onderstaande tabel. De grenswaarde voor stikstofdioxide en fijnstof worden niet overschreden. Daarnaast zal is met de NIBM-tool de bijdrage van het verkeer ten gevolge van de beoogde ontwikkeling in kaart gebracht.

Op basis van een verkeergeneratie van 947 mvt per etmaal (zie paragraaf 4.6) blijkt dat de verkeersbijdrage niet-in-betekenende-mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 51

Figuur 13. Uitsnede NIBM-tool

Tabel 4.

Achtergrondconcentraties luchtkwaliteit (bron: https://www.cimlk.nl/kaart)

NO2 (µg/m³) 13,7

PM10 (µg/m³) 15,6

PM2,5 (µg/m³) 8,3

Monitoringsronde 2025 Monitoringsjaar 2030

11,2

15,4

7,2

Grenswaarde

40

40

25

Monitoringsronde 2025 Monitoringsjaar 2024

Receptor wegverkeer 34369366_15675778 Receptor wegverkeer 34369366_15675778

Uit de tabel blijkt dat de concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 ruimschoots onder de grenswaarden liggen. Met optelling van de verkeersbijdrage blijft nog men steeds ruim onder de grenswaarden. Zodoende kan gesproken worden van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect kwaliteit buitenlucht niet aan vaststelling in de weg staat.

GEUR Algemeen Het Bkl (paragraaf 5.1.4.6) bepaalt dat in een omgevingsplan ervoor moet worden gezorgd dat de geur die door activiteiten wordt veroorzaakt op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Om aan deze eis te voldoen stelt het Bkl instructieregels voor drie categorieën milieubelastende activiteiten die geur produceren, waarvoor in ieder geval in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen. Het gaat hier om het exploiteren van zuiveringstechnische werken (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf en andere agrarische activiteiten. Voor elk van deze verschillende categorieën wordt in het Bkl aangegeven op welke manier in een omgevingsplan in ieder geval sprake is van een aanvaardbare situatie. Voor andere geurveroorzakende activiteiten moet de gemeente zelf bepalen en verantwoorden of en welke geurregels in het omgevingsplan nodig zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om industrie, horeca-activiteiten, dierenpensions en -klinieken, maneges en het hobbymatig houden van dieren. Hierbij bepaalt de gemeente zelf welke mate van geurhinder aanvaardbaar is, en in hoeverre daarvoor waarden, afstanden en/of

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 52

gebruiksregels in het omgevingsplan nodig zijn. De locatie van (in het omgevingsplan toegelaten) geurveroorzakende activiteiten enerzijds en geurgevoelige gebouwen anderzijds is daarbij bepalend. In de instructieregels in het Bkl is bepaald dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. De formulering van de instructieregel geeft aan dat voor dit aspect ruimte bestaat om op lokaal niveau een afweging te maken. De belangrijkste afweging die het bevoegd gezag op het gebied van geur dient te maken is het aanwijzen van de bebouwingscontour(en) geur. Binnen deze gebieden wordt de emissie van geur minder snel aanvaardbaar geacht omdat andere kwaliteiten en functies in deze gebieden een hogere prioriteit hebben dan het belang van het emitteren van geur als gevolg van activiteiten. Gebieden die, volgens het bevoegd gezag, beschermd dienen te worden tegen geuroverlast kunnen met behulp van een contour worden aangewezen.

Toetsing Het plan voorziet in woningbouw en enkele voorzieningen. Er worden geen activiteiten voorzien die geurhinder veroorzaken. Daarnaast zijn er geen bedrijven in de omgeving van het plangebied gelegen die geurhinder veroorzaken. De dichtstbijzijnde bedrijven liggen op een aanzienlijke afstand van het plangebied.

Conclusie Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een belemmering voor wat betreft het aspect geur.

BODEMKWALITEIT Algemeen De chemische bodemkwaliteit heeft gevolgen voor de gezondheid en het milieu. Verontreinigingen kunnen het gebruik van een locatie beperken of tot hoge saneringskosten leiden. Het Aanvullingsspoor bodem (bestaande uit de Aanvullingswet bodem, het Aanvullingsbesluit bodem en de Aanvullingsregeling bodem) voegt het thema 'bodem en ondergrond' toe aan de Omgevingswet. De instrumenten van de Omgevingswet zijn daarmee toepasbaar op het thema bodem en ondergrond. De nieuwe regels komen in de plaats van de bestaande regels voor het beheer van bodemkwaliteit, zoals de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit uniforme saneringen. Bodemkwaliteit wordt een onderdeel bij een afweging van aspecten van de fysieke leefomgeving. Deze afweging is onder andere nodig bij het opstellen van een omgevingsvisie en een omgevingsplan.

Toetsing Historische informatie Op basis van informatie van de gemeente Haarlem en gegevens van de opdrachtgever zijn in het verleden ter plaatse van de locatie de onderstaande bodemonderzoeken uitgevoerd:  

Ingenieursbureau gemeente Haarlem, kenmerk 1703967 d.d. 08-04-2005; Ingenieursbureau gemeente Haarlem, kenmerk 805452 d.d. 17-11-2009.

Uit bovengenoemde bodemonderzoeken blijkt dat er bij onderzoek aan verschillende wegen in en rond het gebied alleen een lichte verhoging met kwik is aangetroffen in de in bodem. Verder zijn er geen verhogingen van de getoetste parameters in de boden en het grondwater. 

Van dijk Geotechniek en Milieu, kenmerk 153725, d.d. 16-06-2023.

Dit onderzoek is als bijlage bij de motivering gevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat er in de bovengrond sporadisch een zwakke bijmenging met baksteen is aangetroffen. In de boven- en ondergrond zijn geen

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 53

verontreinigingen aangetroffen. In het grondwater is een lichte verhoging met xylenen en dichloorethenen aangetoond. Verkennend bodemonderzoek Kwinfra, kenmerk M25172-RAP-01, d.d. 19 januari 2026 Er is een verkennend bodemonderzoek door Kwinfra B.V. uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij de motivering gevoegd. Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten kan een oordeel worden gegeven over de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van onderhavige onderzoekslocatie. De zintuiglijk zeer weinig baksteen houdende bovengrond ter plaatse van boring 58 (deelgebied 4) is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit met PAK. De overige zeer weinig baksteen houdende bovengrond is niet verontreinigd tot boven de interventiewaarden bodemkwaliteit. Verder is de zintuiglijke schone boven- en ondergrond eveneens niet verontreinigd boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Uit een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit blijkt dat de sterk met PAK verontreinigde bovengrond (MM12, deelgebied 4) wordt ingedeeld in kwaliteitsklasse sterk verontreinigd. Uit een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit blijkt dat de overige grond als kwaliteitsklasse landbouw/natuur, wonen en industrie wordt geclassificeerd. Het grondwater is niet verontreinigd boven de maximale waarden signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering.

Gezien de plaatselijke aangetoonde overschrijding van de interventiewaarde voor PAK wordt de hypothese onverdacht niet bevestigd. In verband met de aangetoonde sterke verontreiniging met PAK in de bovengrond boring 58 en de voorgenomen herontwikkeling van de locatie is een nader bodemonderzoek overeenkomstig de NTA5755 benodigd. Middels de uitvoering van een nader bodemonderzoek wordt inzicht verkregen in de aard en omvang van de aangetoonde bodemverontreiniging. Nader bodemonderzoek Kwinfra, kenmerk M25172-BRFRAP-01, d.d. 27 januari 2026 Er is een nader bodemonderzoek door Kwinfra B.V. uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij de motivering gevoegd. Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat er in de bovengrond van boring 58 een sterke verontreiniging met PAK is aangetoond. Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten is inzicht verkregen in de aard en omvang van de eerder aangetoonde sterke verontreiniging met PAK in de grond. De zintuiglijk schone boven- en ondergrond is niet verontreinigd boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. De ondergrond van M01 en bijbehorende boring 101 valt in bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur. Hiermee is de PAK verontreiniging voldoende verticaal afgeperkt. De overige monsters vallen in bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur en wonen. De PAK verontreiniging is hiermee voldoende horizontaal afgeperkt.

Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten is er naar verwachting maximaal 6 m3 grond boven de interventiewaarde verontreinigd met PAK. Daar ter plaatse van de PAK verontreinigde grond geen duurzame afdeklaag aanwezig is wordt geadviseerd sanerende maatregelen te nemen. Sanerende maatregelen kunnen bestaan uit:  Het afdekken van de verontreiniging middels het aanbrengen van een aaneengesloten afdeklaag (b.v. beton, asfalt, klinkers, tegels) of het aanbrengen van een leeflaag met een minimale dikte van 1 meter;  het verwijderen en afvoeren van de aanwezige bodemverontreiniging tot de vastgestelde bodemfunctieklasse van de locatie. Voor de uitvoering van sanerende maatregelen is een melding saneren van de bodem benodigd bij het bevoegd gezag (termijn is 4 weken). Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 54

Conclusie Het plangebied is voldoende onderzocht. Ter plaatse van de PAK verontreinigde grond worden sanerende maatregelen getroffen. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem niet leidt tot een belemmering voor de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan.

WEGEN, VERKEER EN PARKEREN Algemeen Bij mobiliteit en ruimtelijke planvorming dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Nieuwe ontwikkelingen mogen namelijk niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Mobiliteit speelt op alle schaalniveaus (Rijk, provincie, regio en gemeente). Zo bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verschillende rijksinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. In de omgevingsvisies, de omgevingsverordening en het omgevingsplan komt het aspect mobiliteit ook terug. Op het moment dat de gemeente of provincie specifieke ambities heeft voor mobiliteit kan dit uitgewerkt worden in een programma, zoals bijvoorbeeld een Regionaal mobiliteitsprogramma (RMP). In deze RMP’s wordt hoofdzakelijk gefocust op verbetering van de duurzame mobiliteit middels een regionale aanpak. Parapluplan behoud Omgevingskwaliteiten Het bestemmingsplan Parapluplan behoud Omgevingskwaliteiten is een samenvoeging van verschillende bestemmingsplannen, waaronder het Parapluplan Parkeernormen Haarlem 2018. Dit plan had twee doelen: Het eerste doel is zorgen voor een toetsingskader om te kunnen bepalen of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid bij nieuwe bouwontwikkelingen en/of gewijzigd gebruik. Het tweede doel is komen tot een uniforme regeling voor parkeren, stallen, laden en lossen in Haarlemse bestemmingsplannen.

Nota parkeernormen Haarlem 2025 De Nota parkeernormen beschrijft het beleid van de gemeente Haarlem over hoe fiets- en autoparkeren in ruimtelijke ontwikkelingen moet worden opgelost. De Nota parkeernormen vervangt de Beleidsregels parkeernormen 2015. Mobiliteitsbeleid gemeente Haarlem Op 23 september 2021 stelde de gemeenteraad het ‘Mobiliteitsbeleid’ vast. Haarlem wil een aantrekkelijke, gezonde en goed bereikbare stad blijven, ondanks de groei. Om de bereikbaarheid te waarborgen, kiest de gemeente voor een mobiliteitsaanpak die duurzame en ruimte-efficiënte vervoersmiddelen voorrang geeft. Binnen de stad wordt lopen en fietsen gestimuleerd; voor reizen van en naar Haarlem gaat de voorkeur uit naar het openbaar vervoer of de fiets. De auto is daarbij de minst gewenste optie.

Relatie tot ontwikkeling Parkeerbehoefte auto Op basis van de parkeernormen uit de Nota parkeernormen 2025 is een parkeerbalans opgesteld op de parkeerbehoefte in kaart te brengen. Er zijn twee parkeerbalansen als bijlage bij deze motivering gevoegd, één voor blokken 1 t/m 6 en één voor blok 7. Uit de parkeerbalans van blokken 1 t/m 6 volgt dat er een parkeerbehoefte is aan 715,7 parkeerplaatsen. Er wordt in totaal voorzien in 350 parkeerplaatsen op eigen terrein en 462 parkeerplaatsen in het openbaar gebied (deze zijn alleen beschikbaar voor sociale woningen). Na verrekening met frictie komt het aantal beschikbare parkeerplaatsen uit op 744,4 parkeerplaatsen, waardoor een overmaat is aan 28,8 parkeerplaatsen in de omgeving. Hiermee wordt voldoende voorzien in de parkeerbehoefte voor auto’s. In parkeerbalans voor blok 7 is bepaald dat, uitgaande van de invulling van een makelaarskantoor in het gebouw, een parkeereis geldt van afgerond 71 parkeerplaatsen. Blok 7 krijgt een parkeergarage voor

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 55

bezoekers en bewoners, met circa 80 parkeerplaatsen. Hiermee wordt voldoende voorzien in de parkeerbehoefte voor auto’s. Fietsparkeerbehoefte In het kader van fietsparkeren is tevens een berekening gemaakt voor de fietsparkeerbehoefte. De berekening is opgenomen in een fietsparkeerbalans, dat als bijlage bij de motivering is opgenomen. In de fietsparkeerbalans is berekend dat voor de beoogde ontwikkeling 1217,4 fietsparkeerplaatsen benodigd zijn. Dit aantal wordt gerealiseerd voor de beoogde ontwikkeling. In blok 7 is een fietsparkeerbehoefte bepaald van 299 fietsparkeerplaatsen. Deze fietsparkeerplaatsen worden voorzien in het gebouw. Verkeersintensiteiten Door Goudappel is mobiliteitsstudie opgesteld voor het plangebied. Het onderzoek is als bijlage bij de motivering gevoegd. Onderstaand zijn de resultaten integraal weergegeven. Het nieuwbouwprogramma is op basis van de CROW kencijfers publicatie 744 doorgerekend. Op dit moment zijn er 264 sociale huurwoningen. Deze woningen zullen worden gesloopt. Dit leidt met de nieuwbouw tot een onderstaande verkeersgeneratie. Figuur 14. Prognose verkeersgeneratie o.b.v. CROW publicatie 744 (motorvoertuigbewegingen per week- en werkdagetmaal) (bron: Goudappel)

Op basis van de CROW-normen publicatie 744 leidt de ontwikkeling tot een (gesaldeerde) generatie van 1.034 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal en 947 per weekdagetmaal. Voor de beoordeling van de verkeerskundige effecten van de ruimtelijke ontwikkelingen in de Waddenbuurt in Haarlem is gebruikgemaakt van het regionale verkeersmodel Noord-Holland Zuid (prognosejaar 2040). Dit strategische model brengt de huidige en toekomstige verkeersstromen in beeld en is daarmee een geschikt instrument om de gevolgen van woningbouw en functiemenging in en rond de Waddenbuurt te analyseren. Met het vigerende verkeersmodel Noord-Holland Zuid (2040) is het (sloop-/nieuwbouw) programma doorgerekend. Het woningbouwprogramma is toegevoegd aan het verkeersmodel. Het verkeersmodel heeft vervolgens het extra verkeer toegedeeld aan het omliggende / regionale wegennet. Het verkeersmodel geeft inzicht in de verkeersintensiteiten voor de ochtendspits-, avondspits- en etmaalperiode. Tevens wordt inzicht gegeven in de mate van doorstroming op de kruispunten tijdens de ochtend- en avondspits.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 56

Tabel 5.

Verkeersintensiteiten (motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal) (bron: Goudappel)

Tabel 6.

Verkeersintensiteiten (motorvoertuigbewegingen per ochtendspits 2 uur) (bron: Goudappel)

Tabel 7.

Verkeersintensiteiten (motorvoertuigbewegingen per avondspits 2 uur) (bron: Goudappel)

Tevens zijn in de mobiliteitsstudie de intensiteiten per ochtendspits en avondspits onderzocht. Uit de vergelijking tussen de 2040-referentiesituatie en de 2040-plansituatie blijkt dat de toename van de verkeersintensiteiten op de omliggende wegen (Europaweg, Zwemmerslaan, Zuiderzeelaan en Groningenlaan) relatief gering is, zowel in het etmaal als in de ochtend- en avondspits. Het extra verkeer verspreidt zich over meerdere aansluitende wegen, waardoor nergens sprake is van een sprongsgewijze of onevenredig grote toename van de intensiteiten. Het planeffect op netwerkniveau kan daarmee als beperkt en beheersbaar worden aangemerkt. Kruispuntenanalyse Voor de kruispunten in de omgeving is de verzadigingsgraad en het effect van het plan in kaart gebracht.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 57

Tabel 8.

Verzadigingsgraad kruispunten (ochtendspits) (bron: Goudappel)

Tabel 9.

Verzadigingsgraad kruispunten (avondspits) (bron: Goudappel)

De analyse van de verzadigingsgraden laat zien dat er nauwelijks verschil optreedt tussen de 2040-referentie en de 2040-plansituatie. De ontwikkeling in de Waddenbuurt veroorzaakt dus geen structurele verslechtering van de doorstroming op de onderzochte kruispunten. De meeste kruispunten blijven, zowel in de ochtend- als avondspits, binnen aanvaardbare verzadigingsgraden. Aandachtspunt is het kruispunt Europaweg – Zwemmerlaan. Zowel in de referentie- als plansituatie in 2040 is er sprake van een te hoge verzadigingsgraad. Een andere kruispuntvorm (meerstrooksrotonde of kruispunt met verkeerslichten) kan ervoor zorgen dat de verzadigingsgraad lager wordt.

Conclusie Concluderend kan worden gesteld dat de herontwikkeling van de Waddenbuurt verkeerskundig inpasbaar is in het omliggende wegennet, mits speciale aandacht wordt besteed aan het optimaliseren van het kruispunt Europaweg – Zwemmerslaan. Het aspect wegen, verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

OMGEVINGSVEILIGHEID Algemeen Bij externe veiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Externe veiligheidsbeleid biedt de kaders waarmee een gebied zo ingericht kan worden dat mensen die er wonen of werken voldoende zijn beschermd bij ongevallen met gevaarlijke stoffen. Door vooraf na te denken over bescherming en doeltreffende maatregelen te nemen, kunnen mensen die in het gebied wonen of werken worden beschermd. Dit kan bijvoorbeeld door afstand te houden of mensen in het gebied de

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 58

mogelijkheid te bieden om te vluchten of schuilen. Het 'plaatsgebonden risico' en 'aandachtsgebieden' zijn instrumenten van het externe veiligheidsbeleid waarmee invulling gegeven wordt aan het beschermen van de omgeving. Het wettelijk kader m.b.t. externe veiligheid is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het besluit staan instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij de beoordeling van de externe veiligheid zijn twee begrippen van belang:  Plaatsgebonden risico (PR): de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

 Aandachtsgebieden: aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: o Brandaandachtsgebied o Explosieaandachtsgebied o Gifwolkaandachtsgebied Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico.

Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Dit artikel biedt de gemeenteraad een eigen afwegingsruimte bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een aandachtsgebied. Dat wil zeggen: zolang het gaat om een locatie buiten de afstand waar de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico geldt. Het noemen van het aantal van tien personen betekent niet dat de kans berekend moet worden. De vraag of van een groepsrisico sprake is, kan de gemeente ook beantwoorden met demografische gegevens of onderbouwde schattingen. Maatregelen Het bevoegd gezag kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden. Deze gereedschapskist bestaat uit de volgende maatregelen:  afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied  aanvullende risicocommunicatie  beperken van personendichtheden in de omgeving van de risicobron  vlucht- en schuilmogelijkheden  omgevingsmaatregelen  aanvullende bouwmaatregelen in een voorschriftengebied. Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 59

Voorschriftengebied Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. De gemeente wijst in dat geval een locatie binnen een (brand- of explosie) aandachtsgebied als (brand- of explosie) voorschriftengebied aan in het omgevingsplan. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Zij hebben tot doel om mensen in een gebouw beter te beschermen tegen de effecten van een brand of explosie. Voor gedeelten van het bouwwerk buiten het voorschriftengebied gelden geen aanvullende bouweisen uit het Bbl. Als de gemeente geen brand- of explosievoorschriftengebied in het omgevingsplan heeft aangewezen, gelden binnen het aandachtsgebied geen aanvullende bouweisen. Zeer kwetsbare gebouwen Locaties voor zeer kwetsbare gebouwen in een brand- of explosieaandachtsgebied moeten altijd worden aangewezen als voorschriftengebied. Voor deze gebouwen zijn de aanvullende bouweisen na aanwijzing van het voorschriftengebied in het omgevingsplan dus altijd van toepassing. Het gaat dan om bijvoorbeeld ziekenhuizen, basisscholen en kinderdagverblijven.

De aanvullende bouweisen gelden niet voor bestaande gebouwen die binnen een voorschriftengebied liggen. Deze gelden alleen in geval van nieuwbouw of vervangende nieuwbouw. Groepsrisico Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

Relatie tot ontwikkeling Door AVIV is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij de motivering gevoegd. Onderstaand zijn de resultaten integraal weergegeven. Quickscan AVIV Het plangebied ligt buiten het brand- en explosieaandachtsgebied van het LPG-tankstation. Het plaatsgebonden risico 10-6 (PR) van het LPG-tankstation is niet groter dan de aandachtsgebieden, waardoor het PR geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Een nadere EV-beschouwing van deze risicobron is niet van toepassing. Het plangebied ligt tevens buiten het brandaandachtsgebied van de buisleiding (W-532-01). Het plaatsgebonden risico 10-6 (PR) van de buisleiding is niet groter dan de aandachtsgebieden, waardoor het PR geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Een nadere EV-beschouwing van deze risicobron is niet van toepassing. AVIV meldt daarnaast in het onderzoek het volgende over de PAV-kaart: “Informatie over de omvang van de aandachtsgebieden zijn afkomstig van de PAV-kaart. Uit navraag bij de Gasunie blijkt echter dat het BAG van de hier beschouwde buisleiding niet correct wordt weergegeven op de PAV-kaart. Onderstaand figuur geeft de juiste weergave van het BAG van deze buisleiding, zoals aangegeven door de Gasunie”.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 60

Figuur 15. Aandachtsgebieden na info Gasunie (bron: Quick scan externe veiligheid AVIV).

Conclusie Voor de herontwikkeling van de Waddenbuurt in Haarlem is een EV-onderzoek (quickscan) uitgevoerd; de relevante risicobronnen zijn in kaart gebracht en getoetst aan de Omgevingswet. Uit het onderzoek is gebleken dat het plangebied volledig buiten de aandachtsgebieden en PR 10-6-contouren van de nabijgelegen risicobronnen ligt. Nader EV-onderzoek naar deze risicobronnen is daardoor niet van toepassing. In het kader van externe veiligheid is sprake van een ETFAL.

NATUUR Algemeen De Omgevingswet regelt per 1 januari 2024 het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Bescherming gebieden De Omgevingswet bevat instrumenten om natuurgebieden te beschermen. Hierbij gaat het om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en bijzondere natuurgebieden en landschappen. Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd aan de hand van een aanwijzingsbesluit. Instandhoudingsdoelstellingen Instandhoudingsdoelstellingen zoals bedoeld in artikel 2.43 Omgevingswet geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in een gunstige staat te brengen. Herstel in geval van habitattypen kan zowel uitbreiding oppervlakte als verbetering kwaliteit

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 61

betreffen. In het geval van een herstelopgave voor soorten kan het gaan om uitbreiding van de omvang van het leefgebied en om verbetering van de kwaliteit van het leefgebied voor uitbreiding van de populatie.

Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk en is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van aanwezige dier- en plantsoorten, natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. Bijna alle aangewezen Natura 2000gebieden zijn onderdeel van het NNN. De provincie wijst in de omgevingsverordening de NNN-gebieden aan. Naast de Natura 2000-gebieden kan de minister van LNV bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet). De provincie kan in de omgevingsverordening bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (artikel 2.44 lid 5 Omgevingswet). Bescherming soorten Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Hierbij gaat het om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen en om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Hier zijn als eerste de provincies verantwoordelijk voor. Ook andere overheden kunnen actief beleid voeren, zo is het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid.

Bescherming houtopstanden Bomen en bossen vallen onder houtopstanden en vervullen een belangrijke en unieke functie in de fysieke leefomgeving. Bescherming van houtopstanden is derhalve onderdeel van de Omgevingswet. Door de lange ontwikkelingstijd van bossen is deze bescherming van groot belang. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) De Omgevingswet regelt in het Besluit activiteiten leefomgeving activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. De activiteiten met betrekking tot de planologie zijn onder te verdelen in: -

Natura 2000-activiteiten; Geen Natura 2000-activiteit, wel nadelig voor Natura 2000-gebied; Flora- en fauna-activiteit (activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild) Vellen en beheren van houtopstanden

Omgevingswaarden natuurgebieden Depositie van zwaveldioxide (SO2) en stikstofdioxiden (NO2) kan schade veroorzaken aan natuurgebieden. Om kwetsbare vegetatie te beschermen gelden omgevingswaarden (besluit kwaliteit leefomgeving, 2018, paragraaf 2.2.1, art. 2.3 lid 1; art. 2.4 lid 2). Deze omgevingswaarden gelden enkel voor natuurgebieden met een oppervlakte van 1.000 m2 of meer. Bovendien moet het natuurgebied liggen binnen;  20 km van een aangewezen aaneenschakeling van steden en dorpen;  5 km van bebouwing, een IPPC- installatie of een andere milieubelastende installatie, of een autosnelweg of autoweg waarvan per dag meer dan 50.000 motorvoertuigen gebruik maken.

Toetsing Gebouwen Pré Wonen Door IDDS Ruimte & Ontwikkeling B.V. is voor de sloop van de elf gebouwen van Pré Wonen een QuickScan Wet natuurbescherming uitgevoerd (IDDS Ruimte & Ontwikkeling B.V., kenmerk: A3831-03/JHO/qs1, d.d. 22 maart 2023) en een nader onderzoek Wet natuurbescherming (IDDS Ruimte & Ontwikkeling, kenmerk: A3831-03/DME/no1, d.d. 24 oktober 2023) uitgevoerd.

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 62

QuickScan Wet natuurbescherming IDDS Bescherming gebieden Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden, zoals Natura 2000-gebieden of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De voorgenomen ingreep leidt niet tot een fysieke afname van de oppervlakte van aangewezen habitattypen binnen Natura 2000-gebieden (afstand circa 3,340 meter) of het NNN (afstand circa 950 meter), en veroorzaakt geen significant verstorend effect op beschermde habitatsoorten. Daarnaast zijn verstorende effecten op habitattypen en -soorten — zoals trillingen, verdroging, verlichting en/of optische verstoring — uitgesloten, gezien de ligging van het plangebied tussen bestaande bebouwing en de ruime afstand tot beschermde natuurgebieden. Gelet op de kleinschalige en lokale aard van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde natuurgebieden, kunnen negatieve effecten op deze gebieden op voorhand grotendeels worden uitgesloten. In het kader van de planvorming is tevens onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling een aantasting veroorzaakt van de kernkwaliteiten van het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL). Het plan betreft de herontwikkeling van de Waddenbuurt. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het BPL (afstand circa 310 meter), waardoor geen sprake is van een oppervlaktevermindering of aantasting van dit landschap.

Wel geldt dat effecten van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid op voorhand niet kunnen worden uitgesloten. Bescherming soorten Op grond van de uitgevoerde quickscan kan het merendeel van de soorten die, op basis van verspreidingsgegevens, potentieel binnen het plangebied voorkomen, worden uitgesloten. Voor een beperkt aantal soorten is aanvullend ecologisch onderzoek noodzakelijk om de aanwezigheid met zekerheid vast te stellen. Voor overige soorten kan worden volstaan met het treffen van mitigerende maatregelen ter voorkoming van negatieve effecten. Een overzicht van de te treffen maatregelen en de eventueel vereiste vervolgonderzoeken is weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 10. Overzicht van de onderzochte soort(groepen) en onderzoeksresultaten in relatie tot het vervolgtraject (bron: Quickscan IDDS)

Soortgroep Amfibieën

Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest Broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is (categorie 1 t/m 4)

Broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is (categorie 5) Flora

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Soort (wetenschappelijke Soortnaam) Alpenwatersalamander (Ichtyosaura alpestris) Rugstreeppad (Epidalea calamita) Diverse algemene soorten

vervolgtraject

Boomvalk (Falco subbuteo) Buizerd (Buteo buteo) Gierzwaluw (Apus apus) Grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea) Havik (Accipiter gentilis) Huismus (Passer domesticus) Ooievaar (Ciconia ciconia) Ransuil (Asio otus) Slechtvalk (Falco peregrinus) Sperwer (Accipiter nisus) Steenuil (Athene noctua) Wespendief (Pernis apivorus) Ekster (Pica pica)

Nee Nee Nee Nee

Akkerboterbloem (Ranunculus arvensis)

Nee

Nee Nee Mitigerende maatregelen

Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Mitigerende maatregelen

Pagina | 63

Libellen Reptielen Vleermuizen

Vlinders

Weekdieren Zoogdieren

Blaasvaren (Cystopteris fragilis) Blauw guichelheil (Lysimachia foemina) Dreps (Bromus secalinus) Groot spiegelklokje (Specularia speculum) Grote bosaardbei (Fragaria moschata) Honingorchis (Herminium monorchis) Kartuizer anjer (Dianthus carthusianorum) Muurbloem (Erysimum cheiri) Naakte lathyrus (Lathyrus aphaca) Ruw parelzaad (Lithospermum arvense) Schubvaren (Asplenium ceterach) Wilde ridderspoor (Consolida regalis) Rivierrombout (Gomphus flavipes) Ringslang (Natrix natrix) Zandhagedis (Lacerta agilis) Baardvleermuis (Myotis mystacinus) Franjestaart (Myotis nattereri) Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) Grijze grootoorvleermuis (Plexotus austriacus) Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus) Laatvlieger (Eptesicus serotinus) Meervleermuis (Myotis dasycneme) Rosse vleermuis (Nyctalus noctula) Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus) Watervleermuis (Myotis daubentonii) Duinparelmoervlinder (Argynnis niobe) Grote vos (Nymphalis polychloros) Platte schijfhoren (Anisus vorticulus) Boommarter (Martes martes) Bunzing (Mustela putorius) Damhert (Dama dama) Eekhoorn (Sciurus vulgaris) Hermelijn (Mustela erminea) Noordse woelmuis (Alexandromys oeconomus arenicola) Steenmarter (Martes foina) Waterspitsmuis (Neomys fodiens) Wezel (Mustela nivalis)

Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nader onderzoek Nee Nee Nader onderzoek Nader onderzoek Nader onderzoek Nee Nader onderzoek Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee

Mitigerende maatregelen Vogels zonder jaarrond beschermd nest Binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden bevinden zich bomen die geschikt zijn als broedlocatie voor algemene vogelsoorten. Deze soorten zijn tijdens de broedperiode beschermd (globaal van 15 februari tot 15

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 64

augustus). Ook buiten deze periode zijn actief gebruikte nesten beschermd. Het is daarom aan te bevelen om werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien dit niet mogelijk is, dient vooraf een broedvogelinventarisatie te worden uitgevoerd door een deskundig ecoloog. Wanneer tijdens dit onderzoek broedende vogels worden aangetroffen, dienen de werkzaamheden te worden uitgesteld totdat de nesten zijn verlaten. Ekster De ekster (Pica pica) bouwt zelf een bolvormig nest in bomen rondom de te slopen bebouwing. Deze soort is, net als andere broedvogels, beschermd gedurende het broedseizoen (circa 15 februari tot 15 augustus). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, of vóór aanvang van het broedseizoen te starten en ononderbroken door te werken tijdens deze periode, zodat eksters geen nestgelegenheid vinden binnen het plangebied. Zorgplicht Op grond van de Omgevingswet geldt een algemene zorgplicht. Dit houdt in dat zorgvuldig moet worden omgegaan met alle aanwezige planten en dieren, ook met algemeen voorkomende en vrijgestelde soorten, zoals de huisspitsmuis. Ter invulling van deze zorgplicht worden de volgende maatregelen geadviseerd:  Voer werkzaamheden uit tussen zonsopgang en zonsondergang, zodat vleermuizen en andere nacht actieve dieren niet worden verstoord.

 Indien werkzaamheden na zonsondergang onvermijdelijk zijn, beperk lichtverstoring door gebruik van gerichte en afgeschermde lichtbronnen.  Wees tijdens de uitvoering alert op de aanwezigheid van (beschermde) soorten en geef dieren de tijd en ruimte om te vluchten.  Schakel een deskundige ecoloog in bij het aantreffen van beschermde soorten. Nader onderzoek IDDS Op basis van de uitgevoerde quickscan kan de aanwezigheid van enkele beschermde soorten niet op voorhand worden uitgesloten. Omdat bij uitvoering van de werkzaamheden mogelijk sprake is van overtreding van de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet, is nader ecologisch onderzoek noodzakelijk om vast te stellen of negatieve effecten kunnen worden uitgesloten en of mitigerende maatregelen vereist zijn. Vleermuizen De binnen het plangebied aanwezige opstallen bieden potentieel geschikte verblijfplaatsen voor verschillende gebouwbewonende vleermuissoorten, waaronder de tweekleurige vleermuis, meervleermuis, laatvlieger, kleine dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Deze soorten kunnen het plangebied benutten als zomer-, winter-, paar- of kraamverblijfplaats. Nader onderzoek moet uitwijzen of en in welke mate het plangebied daadwerkelijk door vleermuizen wordt gebruikt.

Omdat vleermuizen hun leefgebied gedurende het jaar op verschillende manieren benutten, dient het onderzoek op meerdere momenten binnen het actieve seizoen plaats te vinden. Het onderzoek wordt uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2021 (Netwerk Groene Bureaus). Dit, door de Omgevingsdiensten voorgeschreven, protocol waarborgt een juridisch en ecologisch verantwoorde aanpak om de aanwezigheid van vleermuizen en hun verblijfplaatsen zorgvuldig vast te stellen. Tijdens de veldbezoeken voor het vleermuisonderzoek zijn drie verschillende soorten vleermuizen waargenomen, dit waren de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. In totaal zijn in vier woonblokken verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Het gaat hier om twee zomerverblijven van de gewone dwergvleermuis en drie paarverblijven van de ruige dwergvleermuis. Voor het verstoren en vernietigen van deze verblijfplaats is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig. De omgevingsvergunning dient aangevraagd te worden voor de vier woonblokken waar verblijfplaatsen in zijn aangetroffen. De werkzaamheden aan de overige woonblokken kunnen aanvangen zonder omgevingsvergunning. Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 65

Het slopen van deze woningblokken leidt tot overtreding van de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet, aangezien hierdoor voortplantings- en rustplaatsen worden vernietigd en de betreffende individuen worden verstoord. Om deze werkzaamheden rechtmatig te kunnen uitvoeren, is het daarom noodzakelijk een omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet aan te vragen voor beide soorten. Voor de overige woningblokken zijn geen beschermde functies of verblijfplaatsen vastgesteld. Deze blokken liggen bovendien op voldoende afstand van de aangetroffen verblijfplaatsen, waardoor zij buiten de verstoringsinvloedsfeer vallen. De werkzaamheden aan deze blokken kunnen derhalve zonder omgevingsvergunning flora- en fauna van de Omgevingswet worden uitgevoerd. Plangebied inclusief openbare ruimte Voor het gehele plangebied inclusief de openbare ruimte is door Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is in het plangebied een QuickScan Wet natuurbescherming (Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V., projectcode: GHNA2205, d.d. 14 maart 2023) en nader onderzoek Wet natuurbescherming (Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V., projectcode: GHNA2401, d.d. 14 januari 2025) uitgevoerd. Quickscan Adviesbureau E.C.O. Logisch Bescherming gebieden Het plangebied is niet gelegen in beschermde natuur. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op ruim drie kilometer van het plangebied en betreft Kennemerland-Zuid.

Op circa één kilometer van het plangebied ligt een gedeelte van het NNN. Dit betreft een kerngebied. Tijdens de ontwikkeling van het gebied wordt een tijdelijke toename van stikstofemissie verwacht, zowel door verkeer als het gebruik van mobiele werktuigen tijdens sloop, nieuwbouw en herinrichting. In de gebruiksfase wordt geen toename van stikstofemissie verwacht. De nieuwe gebouwen worden energieneutraal en beter geïsoleerd dan de huidige portiekflats (energielabel G), wat een netto afname van stikstofemissie oplevert. Vanwege de omvang van het project kunnen significante effecten op het nabijgelegen Natura 2000-gebied “Kennemerland Zuid” niet volledig worden uitgesloten. Berekeningen met de AERIUS Calculator zijn nodig om te bepalen of de werkzaamheden daadwerkelijk invloed hebben. Soortenbescherming Zoogdieren In de omgeving van het plangebied komen de boommarter, steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, damhert en eekhoorn voor. Voor boommarter en steenmarter zijn geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig: er zijn geen boomholtes, ondergrondse holen of takkenhopen in het plangebied. De groenstroken met dicht struikgewas in het plangebied liggen geïsoleerd en staan derhalve niet in verbinding met elkaar. Hierdoor is het plangebied suboptimaal geschikt voor verblijfplaatsen van kleine marterachtigen.

Damherten zijn bekend in de duingebieden van Kennemerland, maar het plangebied biedt geen geschikte functies voor deze soort. Eekhoorns bevinden zich circa 1 km westelijk; beschermde functies voor deze soort zijn in het plangebied afwezig. De bebouwing kan verblijfplaatsen bieden voor gebouwbewonende vleermuizen (zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis) in spouwmuren, onder dakpannen, achter daklijsten of gevelbeplating. Sommige gebouwen (Frieslandlaan 1, 3 en 5) zijn echter suboptimaal door gladde metalen gevels. Voor boombewonende vleermuizen (rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis) zijn vier bomen met geschikte holtes aanwezig. Groenstructuren en lijnvormige elementen van de bebouwing kunnen als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen dienen. Vogels Een aantal gebouwen in het plangebied biedt potentieel voor jaarrond beschermde nestlocaties van gierzwaluw en huismus. Bij Zuiderzeelaan 20 is een huismussenest onder de kantpannen bij de zuidelijke

Mees Ruimte & Milieu | 25227.OMPL

Pagina | 66

kopgevel vastgesteld. Deze ruimtes zijn ook geschikt voor gierzwaluwen. Woonblokken met dakpannen bieden potentieel broedbiotoop voor gierzwaluw, huismus en spreeuw. Boeren- en huiszwaluwen nestelen vooral in open schuren of onder brede dakoverstekken en in de nabijheid van foerageergebied met veel vliegende insecten. Het plangebied biedt hiervoor geen geschikt broedbiotoop en suboptimaal foerageergebied. Er zijn geen nesten of sporen van deze soorten aangetroffen. In het plangebied zijn 20 potentieel jaarrond beschermde nesten in bomen aangetroffen, mogelijk gebruikt door boomvalk, buizerd, ransuil of sperwer, waaronder één boom met twee nesten. Daarnaast is één bezet eksternest aanwezig. De bomen bieden ook geschikt broedbiotoop voor algemene broedvogels zoals ekster, houtduif en zwarte kraai. Amfibieën In de omgeving van het plangebied komen Alpenwatersalamander en rugstreeppad voor. Het plangebied zelf biedt echter geen geschikt voortplantingswater, overwinteringsbiotoop of landbiotoop voor deze beschermde amfibieën, waardoor hun aanwezigheid hier niet wordt verwacht. Wel kunnen in de groenstructuren in of nabij het plangebied algemene amfibieën zoals bruine kikker en gewone pad voorkomen. Reptielen In de omgeving van het plangebied komt de zandhagedis voor, voornamelijk in duin- en heidegebieden, zoals in Nationaal Park Zuid-Kennemerland ten westen van het plangebied.

Het plangebied zelf biedt echter geen geschikte schuil- of zonplaatsen, waardoor hier geen beschermde functies voor de zandhagedis worden verwacht. Vissen In de omgeving van het plangebied zijn er geen beschermde vissoorten bekend voor te komen. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Het voorkomen van beschermde vissoorten in het plangebied kan worden uitgesloten Ongewervelden De onderzochte ongewervelden omvatten onder andere dagvlinders, libellen en weekdieren. In de omgeving komen soorten voor zoals aardbeivlinder, bruine eikenpage, duinparelmoervlinder, gevlekte witsnuitlibel, grote vos en platte schijfhoren. De aardbeivlinder, bruine eikenpage en duinparelmoervlinder worden niet verwacht in het plangebied vanwege het ontbreken van hun waardplanten (respectievelijk tormentil en dauwbraam, jonge zomereiken en duinviooltje). De grote vos kan als zwervende soort incidenteel voorkomen, maar het plangebied biedt suboptimaal foerageergebied. Beschermde functies worden daarom niet verwacht. Gevlekte witsnuitlibel en platte schijfhoren worden uitgesloten door het ontbreken van oppervlaktewater. Vaatplanten In de omgeving van het plangebied komen diverse beschermde planten voor, zoals blaasvaren, schubvaren, muurbloem, bokkenorchis, glad biggenkruid, kleine ereprijs, kluwenklokje, dreps, stofzaad, wilde ridderspoor en andere soorten.

De meeste van deze planten groeien op specifieke kalkrijke muren, zandgronden, open zonnige plekken of voedselarme bodems. Het plangebied bestaat voornamelijk uit gazons, heggen, wintergroen struweel en bomen, waarbij open plekken intensief worden beheerd. Door het ontbreken van geschikte standplaatsen worden geen groeiplaatsen van beschermde vaatplanten verwacht in het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16788225/1