20230207399 2 Bijlage 1 Kadernota 2024 en Voortgangsrapportage 2023
Tekst van het document
Ontwikkelingen: • Het aantal leerlingen was zowel in het basisonderwijs, als in het voortgezet onderwijs redelijk stabiel in de periode 2018-2022. Prognose: • De verwachting is dat het aantal leerlingen dat in Haarlem basisonderwijs volgt tot 2030 stijgt met 7,2% (t.o.v. 2022). Dit hangt samen met de verwachte bevolkingsgroei. • Het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs stijgt naar verwachting met 2,7% in de periode 2022-2030. 1.6.4 Maatstaven gemeentefonds en prognoses Per 1 januari 2023 is er een nieuw verdeelmodel voor de Algemene Uitkering van kracht. Het aantal maatstaven waarmee het uitkeringsdeel voor Haarlem wordt bepaald is vrijwel gehalveerd en ook de bedragen per (soort) maatstaf zijn gewijzigd. De (financieel) grootste maatstaf is “inwoners”, via deze maatstaf wordt ongeveer € 81 miljoen aan Haarlem toebedeeld, ongeveer 26% van de totaal door Haarlem ontvangen middelen via de Algemene Uitkering. Voorheen werd via deze maatstaf nog € 48 miljoen aan Haarlem toebedeeld. Gezien de grote financiële toename én het feit dat bij de actualisatie van hoeveelheden bij de meicirculaire ook gebruik gemaakt wordt van het geraamde aantal inwoners voor het komende jaar is de accuraatheid van deze prognoses nog belangrijker geworden. Onderstaand zijn de grootste acht maatstaven van de Algemene Uitkering voor Haarlem weergegeven (per 1 maart 2023).
Maatstaf Inwoners Huishoudens met laag inkomen (boven drempelwaarde) Regionale centrumfunctie (60km) Omgevingsadressendichtheid Inwoners jonger dan 18 jaar Bijstandsontvangers Personen met een migratieachtergrond Landelijke centrumfunctie
Bedrag (in miljoenen) € 81 € 67 € 41 € 32 € 24 € 23 € 14 € 13
Aandeel van totaal (saldo) 26% 22% 13% 10% 8% 7% 5% 4%
1.6.5 Doorontwikkeling In voorgaande paragrafen is een eerste verkenning en duiding van een aantal trends en prognoses geschetst. In de komende periode wordt een uitgebreidere aanpak ontwikkeld, gericht op het volgen en duiden van trends en ontwikkelingen in de organisatie en presentatie en duiding hiervan in de Kadernota 2024
23
P&C-cyclus. Het gerichter en systematischer volgen van trends en ontwikkelingen moet op termijn leiden tot een beter gesprek met de raad en binnen de organisatie, en beter onderbouwde afwegingen met betrekking tot de strategische keuzes, beleidsvorming, interventies en de ontwikkeling van het financieel kader. Het aanpassen van beleid (doelen en indicatoren) naar aanleiding van bepaalde maatschappelijke trends en ontwikkelingen die direct voor Haarlem merkbaar en voelbaar zijn hoort dan ook tot de mogelijkheden (zoals stijgende prijzen of arbeidsmarkttekorten). Ook trends en ontwikkelingen die een effect op langere termijn hebben (zoals een verdere verschuiving naar online winkelen, afnemend vertrouwen in de overheid, grotere verschillen tussen arm en rijk, etc.) moeten worden betrokken bij de keuzes van nu. Door systematischer trends en ontwikkelingen te volgen en analyseren wordt het lerend vermogen van de organisatie vergroot en eenduidigere betekenisgeving bevorderd. In Bijlage 5: Beschrijving en samenhang prognoses wordt een andere duiding gegeven aan hoe de verschillende in deze paragraaf gebruikte prognoses tot stand komen en samenhangen.
1.5 Doorontwikkeling Duurzaamheidsbegroting Duurzaamheid blijft een centraal thema, mede door mondiale, Europese en nationale ontwikkelingen. Voor Haarlem is dit ook zichtbaar in het Coalitieakkoord 2022-2026 Actie!, waar de duurzame stad één van de thema’s is. Het belang van integrale afweging en het meenemen van duurzaamheid als criterium in de afweging staat hierbij centraal. Afgelopen jaren zijn er stappen gezet om de duurzaamheidsbegroting te ontwikkelen. De duurzaamheidsbegroting biedt meer dan enkel een cijfermatig inzicht in de CO₂-uitstoot van de gemeente. Het is een samenstel van een begrotingsdocument en -instrumenten ten bate van effectief en kostenefficiënt klimaatbeleid ten behoeve van een leefbare stad voor Haarlemmers. De gemeente beoogt duurzaamheid te versleutelen in de haarvaten van de beleids-, investerings- en besluitvormingsprocessen. Dit wordt gedaan via onder andere het opnemen van de duurzaamheidsparagraaf in bestuurlijke nota’s, door klimaatinvesteringen te versnellen via het Revolverend Fonds Energiebesparing (RFE) en de stelpost duurzaamheid, en vooral ook door een objectieve klimaatmonitoring zoals momenteel gepresenteerd wordt in de programmabegroting in de paragraaf duurzaamheidsbegroting. Er zijn al diverse goede stappen gezet, maar er ligt nog een grote ontwikkelopgave waardoor de duurzaamheidsbegroting in ontwikkeling zal blijven.
Ook dit jaar zullen er weer acties ondernomen worden om de duurzaamheidsbegroting te verbreden met meer duurzaamheidsthema’s. Daarbij wordt beoogd dat de duurzaamheidsbegroting (programmabegroting) meer inzicht biedt in de doelstellingen voor CO₂ reductie, waarna in het jaarverslag hierover verantwoording volgt. Dit sluit bovendien beter aan op de momenten waarop de landelijke en regionale CO₂ cijfers beschikbaar zijn, waardoor er actuelere cijfers gepresenteerd kunnen worden in het jaarverslag. Verder wordt beoogd om de gerealiseerde duurzaamheid(scores) van projecten inzichtelijk te maken. In deze paragraaf worden deze ontwikkelingen nader toegelicht. Bij de duurzaamheidsbegroting hoort de Haarlemse Routekaart Duurzaamheid (2021/430881). Begin 2022 is met deze routekaart de CO₂-reductie in beeld gebracht, met daarbij de maatregelen en acties die ondernomen zullen worden om deze doelstellingen te bereiken. In het eerste kwartaal van 2023 Kadernota 2024
24
is de routekaart geactualiseerd, omdat er vanuit het Rijk hogere ambities zijn vastgesteld: 55% CO₂ reductie in 2030 in plaats van 49%. Daarbij geeft het Rijk aan te streven naar 60%, opdat het doel van 55% niet in het geding komt wanneer iets tegenzit. In het Coalitieakkoord 2022-2026 Actie! is aangegeven te streven naar 60% CO₂ reductie. Met de actualisatie van de routekaart is deze doelstelling vastgesteld door de raad (2022/1782261). Daarnaast zijn er in de update van de routekaart tussendoelstellingen toegevoegd, zodat tijdig bijgestuurd kan worden indien nodig (motie Ga niet af op gevoel, maar geef een tussendoel (2022/1617741)).
Doorontwikkeling duurzaamheidsbegroting: doelstellingen CO₂ in de programmabegroting, verantwoorden in het jaarverslag De voorgaande duurzaamheidsbegrotingen bestonden voor een groot deel uit de verantwoording op de CO₂ uitstoot in de Haarlemse transitiepaden van de energietransitie over de voorgaande jaren. Normaliter worden in een begroting de doelstellingen gepresenteerd met daarbij de realisatie van afgelopen jaar en een meerjarenperspectief van de aankomende jaren. In het jaarverslag wordt vervolgens verantwoording afgelegd ten opzichte van de begroting. Aangegeven was dat de ambitie is om op den duur de duurzaamheidsbegroting en -verantwoording op deze wijze in te richten. Naar aanleiding van de motie Ga niet af op gevoel, maar geef een tussendoel (2022/1617741) is de Routekaart Duurzaamheid “Route voor CO₂-reductie” geüpdatet. Met deze update zijn er tussendoelstellingen opgesteld voor de transitiepaden. Nu de tussendoelen vastgesteld zijn, kunnen deze opgenomen worden in de duurzaamheidsbegroting (als onderdeel van de programmabegroting) en kan hierover verantwoord worden in het jaarverslag.
Vanaf de Programmabegroting 2024-2028 zal er op de volgende wijze gerapporteerd worden over de CO₂ reductie (tussen)doelstellingen: Programmabegroting: In de programmabegroting worden de jaarlijkse doelstellingen van de transitiepaden van de energietransitie (zoals opgenomen in de actualisatie routekaart) gepresenteerd. Ook zal inzicht worden gegeven in de realisatie van de afgelopen jaren. Dit betekent dat in de Programmabegroting 2024-2028 voor de jaren 2022 en verder doelstellingen gepresenteerd worden en dat de realisatie van de jaren 2017 t/m 2021 wordt opgenomen. Jaarverslag: In het jaarverslag zal verantwoord worden over de realisatie CO₂ uitstoot ten opzichte van de in de duurzaamheidsbegroting opgenomen doelstellingen. De Regionale Klimaatmonitor is de bron van de CO₂ gegevens waarover gerapporteerd en verantwoord zal worden. Haarlem is afhankelijk van het moment waarop de Regionale Klimaatmonitor de gegevens publiceert. Het inzicht in en de verantwoording over de tussendoelen zal één jaar achterlopen t.o.v. het jaarverslag. Dit betekent dat in het Jaarverslag en jaarrekening 2023 de gerealiseerde CO₂ uitstoot t/m het jaar 2022 gepresenteerd zal worden en dat er verantwoording wordt afgelegd over de realisatie ten opzichte van de doelstellingen.
Motie ‘Duurzaamheidsbegroting’ (2021/448826) Bij de Kadernota 2023 is de eerste duurzaamheidsbegroting gepresenteerd. De raad heeft tijdens deze bespreking de motie Duurzaamheidsbegroting aangenomen. In deze motie geeft de raad aan dat duurzaamheid meer is dan alleen CO₂ uitstoot reduceren, maar ook betrekking heeft op sociale ongelijkheid, inperken en hergebruik van afvalstromen en de zorg voor de biodiversiteit. Om deze reden wordt het college gevraagd om in de duurzaamheidsbegroting ook gegevens op te nemen met betrekking tot sociale gelijkheid, biodiversiteit en afvalstromen.
Kadernota 2024
25
In de Duurzaamheidsbegroting 2023 (opgenomen in de Programmabegroting 2023-2027) wordt aangegeven dat de duurzaamheidsbegroting constant in ontwikkeling is en dat er stappen gezet zullen worden op het gebied van diverse duurzaamheidsthema’s, waaronder de onderwerpen opgenomen in de motie. Het college is zich er dan ook van bewust dat duurzaamheid verder reikt dan ‘alleen’ CO₂ en heeft de ambitie om de duurzaamheidsbegroting te verrijken. Het college gaat in de komende periode alleen elementen toevoegen aan de duurzaamheidsbegroting die bijdragen aan het sturen op de duurzaamheidsdoelstellingen van Haarlem: in 2040 aardgas vrij en een circulaire stad en in 2050 een klimaatbestendige stad zijn. Diverse onderwerpen die bijdragen aan een toekomstbestendige stad en raken aan duurzaamheid, zoals ecologie, sociale ongelijkheid en brede welvaart, hebben een plek in de P&C-documenten en/of in separate monitoren. De Haarlemse duurzaamheidsdoelstellingen hebben vooralsnog een verschillende mate van concreetheid. Voor de energietransitie wordt gebruik gemaakt van landelijke databases op basis waarvan inzicht wordt gegeven in CO₂ uitstoot. Het meten en monitoren van circulariteit en klimaatbestendigheid is een ontwikkelopgave waar momenteel over nagedacht wordt; dit zal stapsgewijs uitgebreid worden.
In deze stapsgewijze ontwikkeling van de duurzaamheidsbegroting zal beoordeeld worden welke financiële middelen en/of formatie nodig is en eventueel toegevoegd moet worden. Onderstaand wordt toegelicht op welke manier er wordt voorgesteld om invulling te geven aan de strekking van de motie en op welke wijze de raad over de gevraagde onderwerpen op de hoogte zal worden gehouden. Biodiversiteit De motie stelt voor om een drietal indicatoren op te nemen in de duurzaamheidsbegroting: het aantal m2 ecologisch beheerd groen, het gemiddeld aantal bomen per huishouden en het aantal kritische soorten. Haarlem werkt aan een groene en klimaatbestendige stad. Een gezonde natuurlijke omgeving is goed voor de gezondheid. Bomen en planten zorgen voor een fijne leefomgeving en zijn nodig om een gezonde stad te blijven. Een gevarieerd planten- en dierenleven in de stad bevordert de biodiversiteit. Daarom wordt de raad jaarlijks geïnformeerd over een aantal indicatoren opgenomen in de programmabegroting: -
Het groenoppervlak van de openbare ruimte in ha Het oppervlak ecologisch beheerd groen in ha Het oppervlak aan buurtgroen in ha
-
Aantal bomen in de openbare ruimte, sportcomplexen en schoolpleinen Het aantal extra geplante bomen Het aantal soorten wilde bijen (tweejaarlijks)
Deze parameters geven inzicht in de status van de biodiversiteit in de gemeente Haarlem. De raad wordt op gezette tijden op de hoogte gesteld hierover. Om invulling te geven aan het verzoek in de motie Duurzaamheidsbegroting om informatie te geven over biodiversiteit wordt er verwezen naar bovenstaande indicatoren, waarover weer wordt gerapporteerd in de Programmabegroting 20242028, aangezien deze indicatoren in lijn zijn met de gevraagde aanvullingen vanuit de motie. Op kaart.haarlem.nl en haarlem.incijfers.nl is ook kaartmateriaal en data over bomen en (ecologisch) groen te vinden. In het Groenbeleidsplan (2022/606659) wordt aangegeven dat beoogd wordt de monitoring van sleutelsoorten uit te breiden (bijv. vleermuizen). Als aanvulling op de op dit moment opgenomen indicatoren wordt er in de komende tijd onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om de maatschappelijke baten van groen in Haarlem in kaart te brengen en in waarde uit te drukken. Dit is
Kadernota 2024
26
in lijn met de ambitie uit het Groenbeleidsplan en een eerste stap richting de beoogde groenbalans, waarin de verandering van de hoeveelheid en het soort groen zichtbaar wordt. Afvalstromen De raad heeft verzocht om de duurzaamheidsbegroting uit te breiden met aanvullende informatie aangaande afvalstromen en hergebruikt afval. Om hieraan invulling te geven wordt aangesloten bij de reeds bestaande momenten van rapporteren. Ieder jaar wordt over het huishoudelijk afval gerapporteerd in de Benchmark Huishoudelijk Afval, deze rapportage wordt jaarlijks aan de raad aangeboden (2022/1617926). In de Benchmark Huishoudelijk Afval is informatie opgenomen over onder andere: -
Scheidingspercentage afval (gemiddeld %) Restafval en huishoudelijk afval (kg per inwoner) Grondstoffen in het restafval (kg per inwoner) Volume gescheiden grondstoffen (kg per inwoner)
-
-
-
CO₂ uitstoot gereduceerd als gevolg van het recyclen van grondstoffen (kg CO₂ per inwoner) Kosten van afvalbeheer, -scheiding en verwerking Dienstverlening t.b.v. afvalinzameling (score)
Naast de jaarlijkse rapportage waarmee de raad wordt geïnformeerd over het huishoudelijk afval, wordt in de Programmabegroting 2023-2027 gerapporteerd over het volume huishoudelijk restafval en percentage afval dat gescheiden wordt aangeleverd. Bij de herziening van de programmastructuur van de begroting is gekozen om over afvalscheiding te rapporteren door middel van de volgende drie indicatoren (onder ‘Beleidsveld 5.3 Circulariteit’), ter vervanging van eerder genoemde twee indicatoren: -
Omvang huishoudelijk restafval (kg per persoon) Omvang huishoudelijk restafval incl. nascheiding (kg per persoon) herbruikbaar afval dat gescheiden is ingezameld incl. nascheiding (gemiddeld %)
Door middel van de jaarlijkse rapportering op huishoudelijk afval en indicatoren uit de doelenboom wordt de raad op de hoogte gehouden van de resultaten van Haarlem betreffende onder andere huishoudelijke afvalstromen, het scheidingspercentage afval en het herbruikbaar afval dat gescheiden is ingezameld. Sociale ongelijkheid In de motie Duurzaamheidsbegroting is het verzoek opgenomen om sociale ongelijkheid op te nemen in de duurzaamheidsbegroting. De raad heeft als mogelijke indicator hiervoor het verschil tussen de rijkste en armste wijk in euro’s geopperd. Sociale ongelijkheid is een breed onderwerp, dat niet makkelijk in een eenduidig cijfer te vatten is. Het kent zowel objectieve als subjectieve elementen. Er kan onder andere gedacht worden aan de ongelijke verdeling van zaken die belangrijk worden geacht in een samenleving, zoals status, inkomen en vermogen en kennis. Het versmallen van dit onderwerp door alleen te kijken naar het verschil tussen arme en rijke wijken is niet wenselijk, omdat dit de blik beperkt tot de verdeling van materiële welvaart. Daarnaast treedt slechts langzaam verandering op in sociale ongelijkheid, waardoor het opnemen van een indicator hiervoor en jaarlijks monitoren hiervan geen directe meerwaarde heeft.
Dit is ook terug te zien in landelijke rapportages over sociale ongelijkheid, deze worden namelijk om de paar jaar geactualiseerd/uitgebracht. Tot slot, voor sociale ongelijkheid geldt dat het vooral zinvol is om dit op een lager schaalniveau (wijk of buurt) in kaart te brengen, zodat ongelijkheid binnen en tussen wijken vergeleken kan worden. Kadernota 2024
27
In de programmabegroting staan thema’s die raken aan sociale ongelijkheid in programma 3. Hierin wordt gerapporteerd over indicatoren en doelen met betrekking tot werk, inkomen en schulden. Gezien factoren zoals de trage veranderingen en het schaalniveau, past het opnemen van een (smalle uitwerking) van sociale ongelijkheid niet in de jaarlijkse P&C-cyclus. Er is via verschillende kanalen uitgebreide informatie over sociale ongelijkheid te vinden. Zo is er aanvullende informatie op haarlem.incijfers.nl over thema’s die een onderdeel vormen van sociale ongelijkheid. Op haarlem.incijfers.nl is onder andere informatie te vinden over: -
Aantal mensen per sociaaleconomische categorie; Huishoudens met een laag inkomen; % mensen in de bijstand.
Verder is het mogelijk om door middel van de ‘gebiedsanalyse’ in te zoomen op specifieke wijken. In landelijke databases is ook data te vinden op gemeentelijke schaal. Het CBS publiceert cijfers over inkomensongelijkheid naar wijk/buurt en het Pon & Telos publiceerde in februari 2022 de meervoudige achterstandsindex met cijfers over Nederlandse gemeenten. Deze publicaties hebben gemeen dat beide (gedeeltelijk) gedateerde data gebruiken. Sociale ongelijkheid is een gelaagd thema, waardoor informatie over alleen inkomen en materiele welvaart niet voldoende inzicht geeft en moet worden aangevuld met data over onder andere het sociale netwerk en onderwijs. Daarom is het voorstelbaar dat de aandacht voor sociale ongelijkheid en brede welvaart hand in hand gaan. Er wordt invulling gegeven aan het duiden van welzijn van inwoners bij de ontwikkeling van een Haarlemse brede welvaartsmonitor. Hierin worden indicatoren meegenomen die nauw raken aan het effect op welzijn door sociale ongelijkheid. Deze monitor is op termijn gericht op het inzichtelijk krijgen van uitdagingen in de maatschappij en de keuzes die hierbij horen, waarbij er ook wordt gekeken naar eventuele inpassing in de P&C cyclus. De volgende paragraaf geeft inzicht over hoe er invulling gegeven zal worden aan brede welvaart in de komende periode.
Met het bovenstaande (proces)voorstel wordt de motie Duurzaamheidsbegroting (2021/448826) als afgedaan beschouwd.
Besluit (college) 1.
De komende periode alleen elementen toe te voegen aan de duurzaamheidsbegroting die bijdragen aan het sturen op de duurzaamheidsdoelstellingen van Haarlem: 2040 aardgas vrij en een circulaire stad, en in 2050 een klimaatbestendige stad.
Brede welvaart: ontwikkelen van een monitor Haarlemse Brede Welvaart Al decennialang bepaalt economische groei de staat van een land, regio en gemeente: groeit de economie dan gaat het goed. In de afgelopen jaren is er echter een verandering in narratief te zien. Met een aanzwellende klimaatcrisis, hoge inflatie en groeiende economische onzekerheid komt er steeds meer aandacht voor een alternatieve kijk op wat de gezondheid en voorspoed van een regio bepaald. Deze ontwikkelingen vinden plaats onder de noemer ‘brede welvaart’. Brede welvaart wordt gedefinieerd als “de kwaliteit van het leven hier en nu, rekening houdend met de mate waarin die invloed heeft op de kwaliteit van leven van toekomstige generaties en mensen ergens anders in de
Kadernota 2024
28
wereld” (CBS). Streven naar brede welvaart betekent dat er gezocht wordt naar wegen om economische, sociale en ecologische dimensies te integreren en in balans te brengen. Er wordt beoogd niet onder een sociaal fundament te komen en om binnen de grenzen van het ecologisch plafond te blijven, opdat er wordt voorzien in ieders behoefte binnen de mogelijkheden van de aarde. Keuzes binnen brede welvaart vragen om een constante afweging tussen de effecten op sociaal, ecologisch en financieel kapitaal. De Gemeente Haarlem omarmt het brede welvaart ideaal. In de komende periode wordt beoogd om inzicht te krijgen in wat de huidige staat van brede welvaart is van de gemeente Haarlem. Om dit te kunnen realiseren zal er worden aangesloten bij de ontwikkeling van de Monitor Brede Welvaart van het CBS. De ambitie is om uiterlijk eind 2023 een eerste beeld van de staat van Haarlemse Brede Welvaart gereed te hebben. In de periode daarna zal gekeken worden op welke manier deze inzichten gebruikt kunnen worden.
Duurzaamheid(scores) van investeringen in de gebouwde omgeving en grootonderhoud openbare ruimte Om een toekomstbestendige stad te zijn, is het naast het aanpassen aan het veranderende klimaat ook nodig om de klimaatimpact van Haarlem te verkleinen en de uitstoot van CO₂ te verminderen. Duurzame ontwikkeling dient hierbij het standaard uitgangspunt te zijn, er dient rekening te worden gehouden met alle relevante milieueffecten wanneer investeringen gedaan worden. Het duurzaam herinrichten van de openbare ruimte wordt steeds belangrijker. Haarlem kan hier als opdrachtgever invloed op uitoefenen door een breder scala aan milieueffecten mee te wegen in de opdrachten en projecten, opdat milieukosten gereduceerd worden. Hiermee daagt Haarlem zichzelf en haar partners uit om te verduurzamen en te innoveren. Tegelijkertijd ondersteunt dit de duurzaamheidsdoelstellingen van Haarlem ten aanzien van CO₂-reductie en de circulaire stad. Duurzaamheid van projecten inzichtelijk maken De impact die Haarlem op het klimaat heeft door het realiseren van investeringen en projecten is breder dan alleen CO₂ uitstoot. Daarom wordt er gekeken naar mogelijkheden om alle relevante milieueffecten inzichtelijk te maken, hiervoor zijn reeds enkele bestaande methodieken, afhankelijk van het type project.
Haarlem is voornemens de score op het gebied van duurzaamheid van de gerealiseerde investeringen/projecten in de gebouwde omgeving en openbare ruimte inzichtelijk te maken en dit te registreren. In de Haarlemse Routekaart Duurzaamheid (2021/430881) wordt aangegeven dat materiaalverbruik verminderd dient te worden en dat hergebruik verhoogd dient te worden. Een grondstoffenplan, het berekenen van de hergebruik coëfficiënt en het navolgen van materiaalstromen (d.m.v. een materiaalpaspoort) geeft inzicht hierin. Voor de openbare ruimte zal er gebruik gemaakt worden van de Milieu Kosten Indicator (MKI), die wordt gebruik om de grote hoeveelheid aan milieueffecten onder te brengen in één indicator. In totaal wordt er naar elf relevante milieueffecten gekeken (waaronder CO₂), waardoor in één berekening de milieu-impact van een bepaald project gekwantificeerd kan worden. De indicator vertegenwoordigt hiermee de maatschappelijke kosten die gemaakt moeten worden om de milieuschade van materialen, een bouwwerk of een project te compenseren. Voor de gebouwde omgeving zijn de Milieu Prestatie Gebouwen (MPG), de Gemeentelijke Praktijk Richtlijn (GPR) en/of de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC) passender om de milieu-impact te meten. Er wordt nog onderzocht wat voor de gemeente een passende meetmethode is.
De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. De GPR Kadernota 2024
29
beoordeeld een gebouw aan de hand van gemaakte ontwerpkeuzes, waarbij gekeken wordt naar vijf thema's: energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. De EPC geeft inzicht in hoe zuinig een gebouw is. Het actief registreren van duurzaamheidsscores geeft Haarlem de mogelijkheid om bij te houden wat de gerealiseerde scores zijn. Een kanttekening hierbij is dat het vervolgens (nog) niet mogelijk is om de scores te duiden (is de behaalde score goed of slecht?). Het registreren van de informatie heeft vooralsnog een ander doel. Het opbouwen van deze informatie geeft Haarlem namelijk de mogelijkheid om op termijn bij gelijkwaardige projecten na te gaan in hoeverre verbetering wordt bewerkstelligd. Op den duur zal de opgebouwde informatie inzicht geven in de verwachte duurzaamheidsscore voordat een project van start gaat, waardoor (een benadering van de) scores op termijn meegenomen kunnen worden bij de afweging/prioritering van investeringen. Daarnaast is de verwachting dat ook andere gemeenten op den duur dergelijke scores gaan bijhouden, wat onderling vergelijken mogelijk maakt. Ontwikkelpad Sinds begin 2023 zijn de nieuwe samenwerkingsovereenkomsten met de partners beheer openbare ruimte afgesloten. Momenteel wordt met deze partners besproken wat de mogelijkheden zijn: welke informatie over duurzaamheid kan berekend en opgeleverd worden.
Op basis van deze gesprekken zal helder worden welke duurzaamheidsinformatie per project berekend en geregistreerd kan worden. Op basis van deze inzichten zal in de komende periode beoogd worden om de duurzaamheidsscore te berekenen van de gerealiseerde projecten in de gebouwde omgeving en openbare ruimte, uitgevoerd door de nieuwe partners. Verwacht wordt dat in de Programmabegroting 2024-2028 een helder beeld staat van welke inzichten (duurzaamheidsscores) de partners kunnen delen met de gemeente en welke informatie gerapporteerd kan worden aan de raad. Vervolgens zal de raad door middel van het jaarverslag geïnformeerd worden over de gerealiseerde duurzaamheidscores van projecten in de gebouwde omgeving en openbare ruimte. Materialenhub Vanuit de nieuwe samenwerkingsovereenkomsten wordt ook ingezet op een gezamenlijke secundaire materialenhub. Tot op heden hebben de partijen elk op een andere locatie ruimte om herbruikbare vrijkomende materialen tijdelijk op de slaan. Doordat de materialen op verschillende locaties in de regio worden opgeslagen is de kans van hergebruik laag. Met een centraal circulair centrum is het voor alle partijen zichtbaarder welke materialen beschikbaar zijn, anders dan digitaal (materialenpaspoort). Met de partijen wordt momenteel gezocht naar een oplossing.
Na de zomer 2023 zouden de eerste contouren zichtbaar moeten worden: omvang in m2, verdeling van de kosten, beheer en (her)inrichten van processen.
213a onderzoek Kernindicatoren Milieuactieprogramma Het college heeft besloten om naast de twee aangekondigde 213a onderzoeken, een extra toepassingsgericht 213a onderzoek uit te voeren in 2023 in het kader van duurzaamheid (2022/1747982). Er zal onderzocht worden in hoeverre de 26 kernindicatoren uit het Milieuactieprogramma, die gebruikt kunnen worden om de vooruitgang van de milieu- en klimaatdoelstellingen uit de Green Deal te meten, toepasbaar zijn op de gemeente Haarlem. Het onderzoek start in april 2023.
Kadernota 2024
30
Besluit 1. Met de beantwoording zoals opgenomen onder 1.7 de motie Duurzaamheidsbegroting (2021/448826) als afgedaan te beschouwen.
1.6 Gebiedsgericht werken Met het gebiedsgericht werken wil de gemeente nog beter aansluiten op wat nodig is in de stad. Hiertoe wordt per gebied, iedere vier jaar, een gebiedsopgave opgesteld. Dit is een document dat de opgaven van de stad en het bestuur samenbrengt en geeft de prioriteiten en doelstellingen voor de gebieden weer voor de periode 2023 t/m 2026. De gebiedsopgaven zijn tot stand gekomen door een cijfermatige analyse, “beleving” uit het gebied en het huidige coalitieakkoord. Ook externe partners als de scholen, wijkraden, politie, jongerenorganisaties, woningcorporaties, etc. hebben een bijdrage geleverd aan de gebiedsopgave. Bij de kadernota stemt het college in met de gebiedsopgaven (Bijlage 11: Gebiedsopgaven 20232026), zodat met de partners in de stad jaarlijks afspraken gemaakt kunnen worden over de gezamenlijke uitvoering en een vertaling naar concrete acties. Daaropvolgend worden jaarlijks de opgaven vertaald naar jaarplannen. Deze jaarplannen zijn onderdeel van de begrotingscyclus. Daarnaast is er een budget voor onder meer bevorderen (aanjagen) van samenwerking, onderzoek, organisatie en advies per gebied aangevraagd.
Diversiteit van de opgaven per gebied De thema's uit de opgaven zijn divers. Van het stimuleren van initiatieven tot grote bouwopgaven, van vergroeningswensen tot het bestrijden van armoede en sociale cohesie. De integrale uitvoering draagt bij aan een groter effect. De doelen zijn meerjarig en alle gebieden kennen vergelijkbare thema’s, als ook een aantal gebiedsspecifieke speerpunten. Zo krijgt in alle gebiedsplannen de groei van de stad aandacht. Leefbaarheid staat eveneens in alle gebieden centraal. Hoewel de gebieden levendig en karakteristiek zijn, is de onderlinge diversiteit groot. In Schalkwijk en in Oost ervaren sommige inwoners belemmeringen op het gebied van gezondheid en bestaanszekerheid. In de speerpunten van deze gebieden komen dan ook kwetsbare Haarlemmers en de jeugd als aandachtspunt naar voren. Er komen veel initiatieven uit Noord en Zuid-West; de focus ligt hier vooral op kansen (programma versterken lokale democratie), verkeer en duurzaamheid. Overigens zonder oog te verliezen voor de sociale problematiek in bepaalde buurten van deze wijken. Het Centrum, als huiskamer van de stad, richt zich op de samenwerking met ondernemers en het vinden/houden van een balans tussen leefbaarheid en toerisme en het toevoegen van groen. Het gebiedsplan richt zich op de speerpunten uit de opgaven en beschrijft de acties, welke bijdragen aan de realisatie van deze doelen.
Gebiedsprogramma 2024-2028 In alle gebieden wordt echter meer uitgevoerd. Denk bijvoorbeeld aan projecten uit het Detailhandel actieplan, het Strategisch Huisvestingsplan Onderwijs, het Programma Onderhouds Werken voor de Openbare Ruimte en het Integraal Veiligheid- en Handhavingsplan. Het college stelt normaal gesproken bij de kadernota het Concept Gebiedsprogramma 2024-2028 vast. Omdat het niet mogelijk is gebleken om de voorliggende besluitvorming, onder andere op het Investeringsplan, te Kadernota 2024
31
verwerken in het gebiedsprogramma kiest het college ervoor vaststelling hiervan door te schuiven naar de Programmabegroting 2024-2028.
Kadernota 2024
32
2 Ontwikkelingen meerjarenraming en financiële positie 2.1 Financiële ontwikkeling en meerjarenraming Inleiding De laatste vastgestelde meerjarenraming van de gemeenteraad is de Programmabegroting 20232027. In de meerjarenbegroting zijn de financiële gevolgen verwerkt van moties en amendementen, het coalitieakkoord Actie! en van de aanvullende voorstellen bij de begroting. Dit is het startpunt van het financieel kader van de Kadernota 2024. Sinds de vaststelling is er een aantal ontwikkelingen geweest die buiten de invloedssfeer liggen van de gemeente. Een belangrijk aspect zijn de inflatieontwikkelingen en de indexatie naar 2024, de effecten worden bij het financieel kader toegelicht. In de kadernota wordt het financieel kader geactualiseerd naar de huidige inzichten. Incidentele en structurele ruimte Vanaf 2026 is de (structurele) ruimte beperkt. Dit is het directe gevolg van het voornemen van het kabinet om een nieuwe financieringssystematiek voor gemeenten in te voeren. In de recente Voorjaarsnota 2023 van het Rijk wordt aangegeven dat de nieuwe financieringssystematiek (in plaats van 2026) pas vanaf 2027 zal worden ingevoerd. In aanloop hiernaar is in de Septembercirculaire 2022 incidenteel € 1 miljard beschikbaar gesteld voor gemeenten om het ‘’ravijn’’ in 2026 te verzachten. In de recente Voorjaarsnota 2023 van het Rijk wordt deze € 1 miljard structureel gemaakt.
De opschalingskorting wordt in de Voorjaarsnota 2023 van het Rijk echter (nog steeds) niet geschrapt. Hiernaast zullen er naar verwachting minder structurele middelen ontvangen worden voor loon en prijscompensatie dan in de Najaarsnota 2022 aangekondigd voor 2023 en verder, bedoeld om maatschappelijke instellingen in Haarlem te compenseren. De Meicirculaire 2023 zal inzicht bieden in de precieze effecten hiervan voor de Gemeente Haarlem. In aanloop naar de Kadernota 2024 is in de commissie bestuur de opinienota ‘Richting meegeven aan besteding incidentele middelen t.b.v. afweging Kadernota 2024’ (2022/1730332) besproken. Na actualisatie van het financieel kader in de Kadernota 2024 blijkt dat er meer incidentele ruimte is dan eind verleden jaar ingeschat. Aannamen structurele middelen In Haarlem zijn al eerder aannamen gemaakt op structureel hogere baten. Deze worden meegewogen bij het bepalen van het financiële effect. Dat betreft aannamen die eerder zijn gemaakt op de middelen jeugd en de opschalingskorting. Bij het maken van de aannamen op de opschalingskorting en de bezuiniging op jeugdzorg is uitgegaan van gemiddelde scenario’s, om te voorkomen dat de inschatting te pessimistisch is maar ook om te voorkomen dat er te optimistisch geraamd wordt.
Met inachtneming van deze eerdere gemaakte afspraken en het structureel opnemen van € 1 miljard (in afwachting van een nieuw financieringssystematiek) is vanaf 2026 € 3,2 miljoen opgenomen in het
Kadernota 2024
33
financieel kader. Deze is opgebouwd uit € 8,6 miljoen voordelig (aandeel Haarlem in € 1 miljard) minus de gemaakte aannamen op de middelen jeugd van € 2,1 miljoen en de opschalingskorting van € 3,1 miljoen. Opschalingskorting In 2015 is de opschalingskorting geïntroduceerd. Deze korting is door het Rijk opgelegd omdat gemeenten moesten opschalen naar grotere en efficiëntere gemeenten en daardoor kosten kunnen besparen. De efficiencykorting voor gemeenten loopt op tot € 975 miljoen in 2025. De ambitie en beleidswijziging van het opschalen is niet gerealiseerd, op dit moment zijn er 345 gemeenten, maar de korting voor gemeenten is wel blijven staan. In het regeerakkoord wordt de korting niet geschrapt, maar opnieuw bevroren tot en met 2025. In 2026 wordt de opschalingskorting weer effectief en vervalt het voordeel voor de gemeenten. Dit beperkt de structurele mogelijkheden van gemeenten. Gezien de bevriezing van de opschalingskorting in het regeerakkoord tot 2025 loopt en daarmee de gehele coalitieperiode bestrijkt, is het niet de verwachting dat een volgend kabinet de gehele opschalingskorting effectief maakt in 2026. Des te meer omdat de ambitie van het Rijk om gemeenten verder op te schalen er niet meer is.
Om deze verwachting te kwantificeren maar tegelijkertijd prudent te blijven ramen is in het financieel kader van de Kadernota 2023 gerekend met het terugdraaien van de (extra) opschalingskorting met 50% vanaf 2026. Een structureel voordeel van € 3,2 miljoen vanaf 2026 is reeds bij de Kadernota 2023 verwerkt. In het financieel kader is de aanname uit de Kadernota 2023 dat minstens de helft van de opschalingskorting in 2026 bevroren blijft teruggedraaid. Nadat het kabinet € 1 miljard in 2026 heeft toegekend voor gemeenten is het minder waarschijnlijk dat voor 2026 nog extra middelen ontvangen worden. Dit voordeel is reeds verwerkt in de septembercirculaire.
Kadernota 2024
34
2.2 Financieel kader
1 2 3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16 17
Begrotingskader Meerjarenraming Programmabegroting 2023-2027 Amendement begroting 2023 Saldo Septembercirculaire 2022 Decembercirculaire 2022 Aanpassen aanname opschalingskorting 2026 Aannamen structurele middelen Saldo indexatie, CAO en bijstelling gemeentefonds Autonoom Autonoom IP Ontwikkelingen sociaal domein Jeugd Wmo Wetsvoorstel aanpassing abonnementstarief Wmo Minimabeleid en bijzondere bijstand BUIG Hervormingsagenda jeugd Reserve ontwikkelzones Opheffen reserve groei Opheffen reserve steunmaatregelen corona Voorstel rekenkamercommissie Subtotaal Aanvullend IP (incl. verwijderd en lagere prioriteit) Structurele voorstellen Incidentele voorstellen Meerjarenraming
2023
2024
2025
2026
2027
-12.889
v
-15.958
v
-16.262
v
1.256
n
3.925
n
685 -12.204 -6.884 -248
n v v v
525 -15.433 -3.488 -44
n v v v
525 -15.737 -1.150 -50
n v v v
525 1.781 -6.062 -45
n n v v
3.925 5.521 -40
n n v
3.209
n -3.223
v
156
n
756
n
551
n
362
n
-70
v
-2.391 -38
v v
-527 97
v n
57 -654
n v
1.040 -424
n v
681 -1.096
n v
-3.000 -500
v v
-2.500 -100
v v
-2.500 575
v n
-2.500 575
v n
-2.500 575
v n
-675
v
-675
v
-675
v
n v
n v
400 -525 pm pm
n v
n
400 -525 pm pm 819
6.734
n
n v
n v
400 -525 pm pm -143
v
400 -525 pm pm 368
11.100 -1.577 -4.671
v
869
n
150
n
150
n
-13.523
v
pm -20.638
v
pm -19.190
v
pm -1.895
v
pm 2.973
n
500
n
1.000
n
1.500
n
2.000
n
n
500 14.757
n n
1.000 14.390
n n
1.000 7.311
n n
1.000 4.088
n n
1.000
n
1.734
n
-4.748
v
-9.879
v
4.693
n
5.973
n
Het geactualiseerde financiële kader biedt tot en met 2027 een ruimte beschikbaar voor afweging van ruim € 52 miljoen. Het structurele beeld 2027 beschikbaar voor afweging is echter bijna € 3 miljoen negatief. Het college stelt voor deze ruimte in te vullen door € 1 miljoen structureel beschikbaar te stellen voor intensiveringen in dienstverlening en bedrijfsvoering. Daarnaast is in het kader ruimte gemaakt voor kapitaallasten van nieuwe investeringen € 0,5 miljoen oplopend tot € 2 miljoen in 2027. Dit biedt ruimte om voor circa € 30 miljoen aan nieuwe en hogere investeringen in het investeringsplan op te nemen. Daarnaast wordt voorgesteld om voor circa € 40 miljoen aan incidentele voorstellen in de begroting op te nemen tot en met 2026. Het beeld tot en met 2027 na afweging is ruim € 2,2 miljoen positief. Het structurele beeld 2027 na afweging is bijna € 6 miljoen negatief. 1. Amendementen begroting 2023 Bij de vaststelling van de Programmabegroting 2023-2027 zijn twee amendementen die effect op het financieel kader hebben aangenomen. Dit betreft de motie ‘’Geef Triple Threat rust’’ en “Versterk de griffie en de lokale democratie’’.
Kadernota 2024
35
2. Septembercirculaire Ten opzichte van de Meicirculaire 2022 zijn er tot en met jaar 2026 budgettaire voordelen. Voor 2027 is er echter sprake van een budgettair nadeel. De belangrijkste oorzaken van de voordelen zijn de accresontwikkeling en de eenmalige extra rijksbijdrage in 2026. Het nadeel voor 2027 is het gevolg van ontwikkelingen in de uitkeringsbasis en de nominale ontwikkeling. Al deze oorzaken liggen buiten de invloedssfeer van de gemeente. De verwerking conform informatienota ‘Gevolgen van de septembercirculaire 2022 Gemeentefonds' (2022/1448114) is per onderwerp als volgt verdeeld over de programma’s: Pr. Septembercirculaire 2022 omschrijving
B/L
2023
6
Septembercirculaire 2022 (lasten): Beschermd wonen Maatschappelijke opvang en OGGz (DU) Uitstapprogramma prostituees (DU) Uitvoeringskosten SVB PGB Trekkingsrechten Vrouwenopvang Asiel (inburgering) Participatie IPS Regeling Wet kwaliteitsborging bouw (Wkb)
L L L L L L L L
-118 -69 96 -235 14 407 -87 63
7
Algemene uitkering mutatie in baten:
B
-6.955 v
-3.665
-6.884 v
-3.488 v
2
3
Budgettair effect septembercirculaire 2022:
2024
v v n v n n v n
-69 96 -242 14 315
2025
v n v n n
63 n v
-69 96 -249 14
2026
v n v n
63 n -1.005
v
-1.150 v
-69 96 -231 13
2027
v n v n
-69 96 -232 13
v n v n
62 n -5.933
v
5.713 n
-6.062 v
5.521 n
3. Decembercirculaire Ten opzichte van de Septembercirculaire 2022 volgen uit de Decembercirculaire 2022 kleine voordelige budgettaire effecten voor alle jaren. De verwerking conform informatienota ‘Gevolgen Decembercirculaire 2022 Gemeentefonds' (2023/97209) is per onderwerp als volgt verdeeld over de programma’s: Pr. Decembercirculaire 2022 omschrijving
B/L
2023
2024
2025
2026
2027
4 6
Decembercirculaire 2022 (lasten): Wet Goed Verhuurderschap Wet kwaliteitsborging bouw (DU)
L L
105 n 27 n
108 n 27 n
109 n 27 n
103 n 27 n
100 n
7
Algemene uitkering mutatie in baten:
B
-380 v
-179 v
-186 v
-175 v
-140 v
-248 v
-44 v
-50 v
-45 v
-40 v
Budgettair effect decembercirculaire 2022:
4. Aanpassen aanname opschalingskorting In het financieel kader is de aanname uit de Kadernota 2023 dat minstens de helft van de opschalingskorting in 2026 bevroren blijft teruggedraaid. Nadat het kabinet € 1 miljard in 2026 heeft toegekend voor gemeenten en in de Voorjaarsnota 2023 van het Rijk wordt aangekondigd deze structureel te maken is het minder waarschijnlijk dat voor 2026 en daarop volgende jaren nog extra middelen ontvangen worden. Dit voordeel is reeds verwerkt in de septembercirculaire. 5. Aannamen structurele middelen Vanaf 2026 is de (structurele) ruimte beperkt. Dit is het directe gevolg van het voornemen van het kabinet om een nieuwe financieringssystematiek voor gemeenten in te voeren. In de recente Voorjaarsnota 2023 van het Rijk wordt aangegeven dat de nieuwe financieringssystematiek (in plaats van 2026) pas vanaf 2027 zal worden ingevoerd. In aanloop hiernaar is in de Septembercirculaire Kadernota 2024
36
2022 incidenteel € 1 miljard beschikbaar gesteld voor gemeenten om het ‘’ravijn’’ in 2026 te verzachten. In de recente Voorjaarsnota 2023 van het Rijk wordt deze € 1 miljard structureel gemaakt. Haarlem heeft reeds bij de Kadernota 2023 aannamen gemaakt op extra structurele middelen in afwachting van een nieuwe financieringssystematiek. Dit is gedaan op de opschalingskorting en de bezuiniging op de jeugdmiddelen. Deze worden meegenomen in de aanname van de structurele middelen. E.e.a betekent dat het aandeel van Haarlem in de € 1 miljard gecorrigeerd wordt voor de bij de Kadernota 2023 nog geraamde opschalingskorting en middelen jeugd. Aannamen structureel Aandeel Haarlem van € 1 miljard
-8.557
Reeds geraamd opschalingskorting
3.209
Reeds geraamd middelen jeugd
2.125
Extra aannamen structurele middelen
-3.223
6. Indexatie en prijsstijgingen Prijsstijgingen Gezien de onzekerheden ten aanzien van toekomstige prijsstijgingen is op verschillende onderdelen van de begroting maatregelen genomen om de verwachte financiële consequenties op te kunnen vangen. 1. In eerste instantie is in de Kadernota 2023 de verwachte inflatie voor materiele budgetten uit de richtlijn van de Programmabegroting 2023-2027 verhoogd van 2,2% naar 4,5%. 2. Gezien de onzekerheden in de augustusraming 2022 van het CPB is ten aanzien van toekomstige prijsstijgingen op de onderdelen materieel en personeel en de eventuele structurele doorwerking van de verschillen tussen geraamde en werkelijke inflatie in 2022 een stelpost van € 5,5 miljoen opgenomen bij de Programmabegroting 2023-2027. 3. Om prijsstijgingen van investeringen op te kunnen vangen is een oplopende stelpost, gelijk aan het investeringstempo, opgenomen bij de Programmabegroting 2023-2027. Hierbij is rekening gehouden met onderrealisatie alsook de veronderstelling dat de niet gerealiseerde investeringen doorschuiven naar daarop volgende jaren. Bij de Programmabegroting 2023-2027 is besloten om claims met betrekking tot prijsstijgingen bij de Voortgangsrapportage 2023 en de Kadernota 2024 af te wegen.
Inflatie ontwikkelingen Verhoging energielasten Exploitatievergoeding SRO Extra indexering VRK Beschut werk Spaarne Werkt Prijseffect leerlingenvervoer Saldo inflatie
2023 1.035 171 1.456
n n n
118 2.780
n n
2024 517 171 1.254 440 118 2.500
n n n n n n
2025 517 171 1.254 440 118 2.500
n n n n n n
2026 517 171 1.254 440 118 2.500
n n n n n n
2027 517 171 1.254 440 118 2.500
CAO, indexatie en gemeentefonds Op 21 februari is er een principeakkoord gesloten over de nieuwe CAO voor de gemeentelijke sector. De salarissen zullen vanaf 2 januari 2023 stijgen met € 240 en daarna met 2%. Voor Haarlem Kadernota 2024
37
n n n n n n
betekent dit een nadeel t.o.v. de geraamde indexatie van 3,5% op basis van het Centraal Economisch Plan (CEP) uit maart 2022. Voor 2024 is nog geen CAO akkoord bereikt en wordt gebruik gemaakt van het CEP uit maart 2023 waar de verwachte loonontwikkeling 5,2% is. Een deel van de hogere loonkosten worden doorbelast naar investeringen en daarmee geactiveerd. Op basis van het CEP worden ook de materiele uitgaven belastingen en overige eigen inkomsten geïndexeerd. Het indexpercentage hiervoor is 3,9%, zoals ook opgenomen in de richtlijn begroting. Onder materiele uitgaven vallen onder andere de sociale uitkeringen, subsidies en uitbesteed werk zoals Spaarnelanden. Naast de indexatie de uitgaven en overige eigen inkomsten wordt de uitkering van het gemeentefonds naar prijspeil 2024 geijkt. Per saldo volgt een nadeel van € 5,4 miljoen structureel. Indexatie en CAO CAO en loonindexatie Doorbelasting lonen naar investeringen Indexatie materiele uitgaven Gemeentefonds prijspeil 2024 Saldo indexatie
2023
2024
2.876
n
2.876
n
2025
2026
2027
9.198
n
8.990
n
8.962
n
8.880 n
-400
v
-400
v
-400
v
-400
9.358 -11.900 6.256
n v n
9.361 -11.900 6.051
n v n
9.200 -11.900 5.862
n v n
8.850 n -11.900 v 5.430 n
v
Naast het aanpassen van het prijspeil van het gemeentefonds naar 2024 heeft het Rijk aangekondigd om gemeenten te compenseren voor de prijsstijgingen bij de Meicirculaire 2023. Daar op vooruitlopend heeft de gemeenten middels een subsidieregeling compensatie energieprijzen maatschappelijke instellingen ingesteld voor 2023 (2023/368011). Uit de Voorjaarsnota 2023 van het Rijk blijkt dat deze compensatie lager zal uitvallen dan waarmee eerder rekening gehouden. De verwachting uit de Najaarsnota 2022 wordt in de Voorjaarsnota 2023 bijgesteld van € 2,5 miljoen naar ongeveer € 1,2 miljoen voor Haarlem. De Meicirculaire 2023 zal inzicht bieden in het precieze effect hiervan voor de Gemeente Haarlem. Tegen die tijd zal ook bekend zijn wat het effect voortvloeiend uit het beroep op de regeling is. Deze effecten zullen samen met andere effecten voorvloeiende uit de meicirculaire verwerkt worden bij het opstellen van de Programmabegroting 2024-2028. Het saldo van het effect voor indexatie en inflatie is in onderstaande tabel weergegeven: Totaal inflatie en indexatie Inflatieontwikkelingen Saldo indexatie en CAO Stelpost prijsstijgingen Compensatie energieprijzen maatschappelijke instellingen Prijscompensatie te verwachte in meicirculaire Totaal
Kadernota 2024
2023 2.780 2.876 -5.500
2024 2.500 6.256 -5.500
n n v
2.500
n
-2.500 156
n n v
2025 2.500 6.051 -5.500
v n
n n v
2026 2.500 5.862 -5.500
-2.500
v
756
n
n n v
2027 2.500 5.430 -5.500
n n v
-2.500
v
-2.500
v
-2.500
v
551
n
362
n
-70 v
38
7. Autonome ontwikkelingen
a. b. c. d. e. f. g. h.
Autonoom Aanpassen gemeentelijke bijdrage GR Cocensus Vervroegd vervangen van sporttechnische onderlagen en toplagen Areaal uitbreidingen openbare ruimte Huurbaten Bijstelling Budget huur onderwijshuisvesting Actualisatie aantallen gemeentefonds Aansluiting Meicirculaire 2022 Afronding-en technische verschillen begroting Saldo autonoom
2023
130
-2.511
2024
n
v
2025
-51
v
552
n
152
2026
2027
-51
v
-51
v
-51
v
n
152
n
152
n
152
n
319
n
281
n
281
n
281
n
1.180
n
1.435
n
1.572
n
1.127
n
-2.582
v
-1.760
v
-890
v
-141
v
-684
v
-10
v
-97
v
-2.391
v
-527
v
57
n
-24
v
-3
v
1.040
n
681
n
a. Aanpassen gemeentelijke bijdrage GR Cocensus De Kadernota 2024-2028 is opgesteld in lijn met eerdere besluiten en de meerjarenraming. De gemeentelijke bijdrage wordt voor 2024 geïndexeerd met afgerond 3,4%. Dit betekent dat de structurele bijdrage van de gemeente Haarlem vanaf 2024 wordt verhoogd met € 141.000 naar € 3.204.000. De hoogte van de gemeentelijke bijdrage GR Cocensus wordt hier structureel op aangepast. Dit levert een structureel voordeel op € 51.000 ten gunste van de algemene middelen. b. Sporttechnische onderlagen en toplagen Nieuwe Europese wetgeving leidt tot vervroegde vervanging van één toplaag en van twee sporttechnische onderlagen. Bij twee verenigingen (DSS en Kinheim) zijn de toplagen op dit moment voorzien van TPE infill. TPE staat op de ‘lijst’ van infill materialen die met ingang van begin 2023 verboden worden door de Europese commissie (wet) om te verkopen als infill voor kunstgrassystemen. De huidige toplaag en sporttechnische laag voldoen niet aan de sportvloerenlijst. Er mogen geen wedstrijden meer worden gespeeld op deze velden sinds deze nieuwe wet. Daarom moet de sporttechnische laag eerder vervangen worden dan dat deze financieel is afgeschreven. De versnelde afschrijvingen komen in 2024 ineens ten laste van de exploitatie sport. Deze kosten zijn niet voorzien. c.
Areaal uitbreidingen openbare ruimte Jaarlijks zijn er wijzigingen in de kosten van het onderhoud van de openbare ruimte doordat de stad groeit en (beperkt) door een actualisatie van het bestaande areaal dat in onderhoud is. Hierdoor stijgen de kosten van onderhoud. De kosten van deze areaaluitbreiding worden jaarlijks bij de Kadernota verzameld, afgewogen en verwerkt in het budgettaire kader. d. Huurbaten Een onderdeel van de exploitatie van vastgoed en gronden is het beëindigen en aangaan van nieuwe huurcontracten, grondverhuringen, erfpachten, gebruiksvergoedingen en voorschotten servicekosten. In verband met verkopen (Wouwermansstraat 49A) en aflopen huurcontracten (Jan Sluyterslaan 11 en Molijnstraat 1A/Hedastraat 1) zijn er in 2023 € 90.000 minder huurbaten. In combinatie met andere kleinere mutaties (€ 40.000) leidt dit per saldo tot een nadeel van € 130.000 in 2023.
Kadernota 2024
39
De verkoop en de aflopende huurcontracten hebben in 2024 en verder een nadelig effect van € 140.000 en doordat ook een herijking van de huurbaten plaats vindt (€ 179.000) is het nadeel voor 2024 € 319.000. Voor de daaropvolgende jaren bedraagt het nadeel structureel € 281.000. e. Bijstelling Budget huur onderwijshuisvesting Het investeringsplan voor onderwijshuisvesting kent een uitvoeringplanning die regelmatig onderhevig is aan wijzigingen. Enerzijds komt dit door de tijdspanne tussen vaststellen van het investeringsplan en de uitvoeringsplanning. Anderzijds doen zich regelmatig situaties voor die buiten de invloedsfeer van de gemeente liggen. Tijdens de uitvoeringswerkzaamheden maken scholen gebruik van tijdelijke huisvesting waarvan de kosten zijn opgenomen in de exploitatie. Als de uitvoeringsplanning wijzigt bewegen de kosten voor tijdelijke huisvesting mee. Voor de meerjarenbegroting betekent dit voor de komende jaren een bijraming ten laste van de algemene middelen. f. Actualisatie aantallen gemeentefonds Eenmaal per jaar worden de aantallen waarop de algemene uitkering is gebaseerd geactualiseerd. Dit geeft een budgettair voordelig, maar sterk aflopend effect. g.
Aansluiting meicirculaire Bij de verwerking van de meicirculaire in het financieel kader van de Programmabegroting 2023-2026 is de korting aan de lastenkant (budget WSW) van de middelen pas later administratief verwerkt. Dit geeft een nog te verwerken voordeel van € 684.000 op de algemene middelen in 2027. h. Afronding en technische mutaties Betreft een aantal afrondingsverschillen en technische mutaties. 8. Autonoom IP Het subtotaal aan geactualiseerde kapitaallasten geeft tot en met 2027 lagere lasten dan was begroot bij de Programmabegroting 2023-2027. Dit is het gevolg van de ten opzichte van de programmabegroting afgenomen investeringsvolumes in de jaren 2023, 2025 en de daaropvolgende jaren. Ook is meer sprake van investeringen die over een periode van meerdere jaren worden gerealiseerd, waardoor de afschrijvingslasten in een later jaar starten dan eerder was begroot. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 4.1. 9. Ontwikkelingen sociaal domein Net als voorgaande jaren zijn ook voor deze kadernota de ontwikkelingen Jeugd en Wmo financieel vertaald. De trend van de verwachte volumegroei in het zorggebruik voor de Wmo en Jeugd is in beeld gebracht. Deze ontwikkeling, gecombineerd met de structurele effecten uit de jaarrekening 2022 en de autonome (prijs)effecten vormen samen het effect op het financiële kader.
Jeugd Uit de jaarrekening 2022 blijkt dat er sprake is van een klein structureel voordeel op de uitgaven Jeugd. De uitgaven zijn lager dan begroot, maar er is nog altijd sprake van groei. Het voordeel wordt voornamelijk veroorzaakt door lagere productie bij de aanbieder (vacatures, hoog ziekteverzuim en nog steeds vraaguitval als gevolg van Corona). Een deel van die onderproductie wordt als structureel beschouwd (financieel voordeel € 500.000), de aanname is dat personele krapte en verzuim nog geruime tijd aanhouden. De prijsontwikkeling in de sector is fors en daarmee hoger dan de Kadernota 2024
40
gemeentelijke indexatie (financieel nadeel van € 1,5 miljoen. En de trend laat nog steeds 4% groei zien, de zorgvraag blijft dus stijgen, een nadeel van € 1,4 miljoen). In de begroting 2023 is de verwachte volumegroei als opgenomen. In regionaal verband zijn in het aanbestedingsdocument voor Perceel 1 afspraken vastgelegd over de wijze waarop het voorlopige lumpsum budget vastgesteld wordt, daar is gerekend met andere uitgangspunten dan in de gemeentelijke begroting is opgenomen. Ook is het budgetplafond voor het -beoogde- perceel 2 beperkt verhoogd. Die uitgangspunten zorgen voor ruimte in de begroting, de beschikbare budgetten zijn hoger dan de verwachte uitgaven. Het saldo van alle bovenstaande effecten leidt tot een voordeel in 2024 van € 2.500.000 structureel. Risico’s De financiële ontwikkeling volgt het vaste stramien. Dat betekent dat de groei voor 2025 en verder constant geraamd is, geen toename ten opzichte van 2024. De trend laat tot nu toe een stijging zien. Daardoor ontstaat er een financieel risico van € 4,4 miljoen in 2027 als de groei zich doorzet. De prijsontwikkelingen zijn risicovol. De gemeente is contractueel gebonden aan landelijke indexatieafspraken (OVA, met nacalculatie). Als die ontwikkeling groter is dan de toename van het budget, is er sprake van een flinke (autonome) toename van de budgetten.
De aanbesteding voor perceel 2 Jeugdhulp loopt nog, dit aanbestedingsproces brengt mogelijk hogere prijzen met zich mee. De definitieve lumpsum afspraken met de 4 consortia leiden nog tot aanpassingen in de budgetten, waarbij nog steeds discussie met een aantal consortia (of aanbieders binnen de consortia) is over de toereikendheid van het budget. Daarnaast is het taakgerichte model (perceel 1) met 4 grote consortia een nieuw construct dat nog flinke uitvoeringsvraagstukken met zich meebrengt. Belangrijk kenmerk van een taakgerichte bekostiging is, dat aanbieders met het beschikbare budget de taak uitvoeren en niet voor elke extra client extra kosten in rekening brengen. Het vaste budget is leidend. Echter, de consortia geven aan dat de budgetten (te) krap zijn. Er worden gesprekken met de consortia gevoerd over de mogelijkheden om de ontwikkelingen en groei binnen de afgesproken budgetten op te vangen. Tenslotte is er een aantal grotere jeugdzorgaanbieders in zwaar weer; dat kan leiden tot vormen van financiële steun aan deze partijen. Wmo Uit de jaarrekening 2022 blijkt dat er sprake is van een klein structureel voordeel op de uitgaven Wmo. De uitgaven zijn lager dan begroot, maar er is nog altijd sprake van groei.
Het voordeel wordt enerzijds veroorzaakt door lagere productie bij de aanbieder (vacatures, hoog ziekteverzuim en nog steeds vraaguitval als gevolg van Corona) en anderzijds door de maatregelen Huishoudelijke Ondersteuning en de effecten van de aanbestedingen. Het structurele voordelige effect hiervan bedraagt € 3.000.000. Net als bij Jeugd is de prijsontwikkeling fors. Dit leidt met name bij het vervoer en door de aanpassing van de PGB-tarieven (in lijn gebracht met reële tarieven Zorg in Natura), tot een financieel nadeel van € 2,1 miljoen, oplopend naar € 2,8 miljoen in 2025. Tenslotte laat de trend nog steeds groei zien, de zorgvraag blijft stijgen, een nadeel van € 850.000. Het saldo van alle ontwikkelingen leidt tot een voordeel in 2024 van € 100.000, dat vanaf 2025 omslaat in een nadeel van € 575.000. Een effect dat vrijwel volledig is toe te rekenen aan de uitname door het Rijk voor de aanpassingen in het abonnementstarief. Dit effect wordt hierna (Wetsvoorstel aanpassing abonnementstarief Wmo) verder toegelicht.
Kadernota 2024
41
Risico’s De financiële ontwikkeling volgt het vaste stramien. Dat betekent dat de groei voor 2025 en verder constant geraamd is, geen toename ten opzichte van 2024. De trend laat tot nu toe een stijging zien. Daardoor ontstaat er een financieel risico van € 2,2 miljoen in 2027 als de groei zich doorzet. De prijsontwikkelingen in de sector blijven risicovol. De gemeente is in veel gevallen contractueel gebonden aan landelijke indexatie-afspraken (vervoer, OVA) en uiteindelijk aan het betalen van reële tarieven. Als de indexatie hoger ligt dan de toename van eigen budgetten gaat het al snel om flinke bedragen (zie het effect in 2023). Tenslotte is in het financiële kader de taakstelling voor Buurts van € 1,9 miljoen al verwerkt. Dat betekent een stevige opgave in een nieuw construct voor Buurts om deze taakstelling ook te realiseren. Wetsvoorstel aanpassing abonnementstarief Wmo In de Meicirculaire 2022 is het coalitie-akkoord van het nieuwe kabinet financieel vertaald voor gemeenten. Een van de elementen in het akkoord is de aanpassing van het abonnementstarief Wmo. In de Meicirculaire 2022 is hiervoor met ingang van 2025 een korting op de Algemene Uitkering van (macro) € 95 miljoen opgenomen. Voor Haarlem een nadelig effect van € 680.000 structureel vanaf 2025, dat al is verwerkt in de begroting.
Eind 2022 is het wetsvoorstel passende eigen bijdrage huishoudelijke hulp in consultatie gegaan. De financiële drempels in het wetsvoorstel zijn zodanig hoog dat hier (naar verwachting) geen groot vraag afnemend effect vanuit gaat of tot een grote toename van de eigen bijdrage gaat leiden (extra baten gemeente). In de Voorjaarsnota 2023 van het Rijk is -tamelijk onverwacht- een nieuw voorstel gedaan, de huidige concept-wet wordt ingetrokken en er komt een nieuwe wet eigen bijdrage Wmo, die voor alle Wmo voorzieningen gaat gelden. Op 8 mei 2023 heeft de staatssecretaris van VWS gemeld dat een nieuw wetsvoorstel moet worden voorbereid en de beoogde invoeringsdatum van de inkomensafhankelijke eigen bijdrage met het oog hierop een jaar gaat opschuiven (van 1/1/2025 naar 1/1/2026) Het is niet duidelijk wat dit nu gaat betekenen: zowel in inhoudelijk als in financiële zin. Vooralsnog wordt in het financiële kader de uitname vanaf 2025 financieel neutraal opgenomen, met als aanname dat wetgeving door het Rijk niet tot financiële nadelen bij gemeenten mag leiden. Over de uitvoering van de wetgeving wordt binnen het rijk nog gesprek gevoerd. De financiële effecten van de nieuwe wet (en de effecten van het intrekken van de bestaande wet) worden zichtbaar gemaakt als er meer duidelijkheid is over de aangekondigde aanpassing in de wet.
Minimabeleid en bijzondere bijstand In deze kadernota wordt voor 2 specifieke budgetten binnen de bijzondere bijstand voorgesteld de budgetten structureel te verhogen. Het gaat om de uitgaven voor woninginrichting en bewindvoering. Binnen het totaal van de bijzondere bijstand zijn dit al de budgetten waarop het meest wordt uitgeven. De kosten voor woninginrichting stijgen door een drietal oorzaken: 1. De verwachte instroom van statushouders, waarvoor veelal een volledige woninginrichting vergoed moet worden. 2. De vergoeding voor alleenstaanden is verhoogd. 3. Prijsstijgingen van woninginrichting werken door in de uitgaven. Het budget wordt daarom met € 300.000 bijgesteld.
Kadernota 2024
42
De uitgaven voor beschermingsbewind blijven ook verder stijgen. De landelijke stijging van de tarieven (vastgesteld door het Ministerie van JenV), zijn daarop van grote invloed. Ondanks een stabilisering van het aantal onderbewindgestelden en versnelde uitstroom uit schuldenbewind, nemen de kosten toch toe met € 100.000. Omdat het Rijk deze tariefsverhogingen vaststelt, is op dit prijseffect door de gemeente geen invloed uit te oefenen. Per saldo leiden beide ontwikkelingen tot een bijstelling met € 400.000 vanaf 2024. BUIG In de kadernota wordt de ontwikkeling van baten en lasten van de Bundeling Uitkeringen Inkomensvoorziening Gemeenten (BUIG) aangepast voor het lopende jaar (2023) en voor t+1 (2024). Omdat het meerjarig realistisch begroten van de BUIG gezien de vele onzekerheden aan zowel lasten- als batenkant niet mogelijk is worden de baten en lasten voor die jaren gelijkgesteld aan 2024. De verwachte ontwikkelingen op de arbeidsmarkt hebben een grote betekenis voor de ontwikkeling van de BUIG. De Macro Economische Verkenning (MEV) 2023 (gepubliceerd in september 2022) biedt op hoofdlijnen inzicht in die ontwikkelingen. In 2022 is de werkgelegenheid fors gegroeid in zowel de marktsector als bij de overheid en in de zorg.
De intensiveringen bij de overheid en de zorg houden de arbeidsmarkt krap, onder meer hierdoor hebben bedrijven en instellingen moeite om personeel te vinden. De verwachting is dat de werkgelegenheid bij de overheid en de zorg nog flink doorgroeit in 2023, maar dat de werkgelegenheid in de marktsector daalt. Ondanks een lichte stijging in 2023 blijft de werkloosheid op een laag niveau en de arbeidsmarkt krap. In 2022 was de werkloosheidsvoet historisch laag en de vacaturegraad historisch hoog. Daarmee is de arbeidsmarkt buitengewoon krap, vergeleken met de afgelopen vijftig jaar. In 2023 neemt de werkloosheid naar verwachting licht toe, waarbij de krapte weer licht daalt. Dit zal zich naar verwachting niet direct vertalen in een groei van het aantal bijstandsgerechtigden en als gevolg daarvan een toename van het macro-budget. In oktober 2022 heeft het Rijk het macro-budget BUIG voor 2023 naar beneden bijgesteld. Voor Haarlem betekent dit dat de baten, op grond van deze eerste voorlopige beschikking 2023, met ruim € 5,2 miljoen afnemen. De begrote lasten 2023 zijn nu € 53,77 miljoen. Dat is op basis van de werkelijke uitgaven 2022 en de prognose 2023, te laag. Daarom worden de lasten (BUIG/BBZ/IOAZ/IOAW) met € 1,5 miljoen verhoogd. Het effect van beide mutaties leidt per saldo tot een nadeel van € 6,7 miljoen in 2023.