20210628462 Verwey Jonker Kwestie van lange adem
Tekst van het document
Tabel 4.2
Gemiddeld aantal incidenten partnergeweld het afgelopen jaar op het eerste meetmoment, opgesplitst naar ernstig en minder ernstig Man
Vrouw Type partnergeweld
Perc. geweld
Gemiddeld incidenten
Perc.geweld
Gemiddeld incidenten
Slachtofferschap Totaal geweld afgelopen jaar
83,7%
70
79,0%
31
Ernstig geweld
55,0%*
37**
36,4%
15
Mild geweld
83,4%
49**
79,6%
26
Totaal geweld afgelopen jaar
76,4%
24
70,4%
15
Ernstig geweld
37,2%**
9
28,4%
6
Mild geweld
75,6%
20**
70,4%
13
Daderschap
* p<0,05 **p<0,01
Het aantal incidenten neemt gedurende de anderhalf jaar na melding eveneens af (zie figuur 4.5a en b). Het gemiddeld aantal incidenten gerapporteerd door vrouwen over hun (ex)partner daalt van 86 naar 30 incidenten. Voor mannen daalt het gemiddelde van 41 naar 15 incidenten door hun (ex) partner op de derde meting. Ook het gemiddelde aantal zelfgerapporteerde incidenten als pleger neemt af als het gaat om mild geweld. Het ernstige geweld neemt minder af als we kijken naar zelf gepleegde incidenten, zowel voor de mannen als de vrouwen. Maar deze gemiddelden liggen erg laag en worden mogelijk vertekend doordat enkele respondenten een zeer hoog aantal zelf gepleegde geweldsincidenten naar hun (ex)partner rapporteren.
57
Figuur 4.5a Gemiddeld aantal partnergeweldsincidenten voor de mannen in de onderzoekspopulatie, opgesplitst naar pleger en slachtofferschap. 60 50 40 30
26 20
20 10
15 6
5
13
12
6
5
4
10
10
T0 T1 T2
0 Zelf Partner ernstig geweld ernstig geweld
Zelf mild geweld
Partner mild geweld
Figuur 4.5b Gemiddeld aantal partnergeweldsincidenten voor de vrouwen in de onderzoekspopulatie, opgesplitst naar pleger en slachtofferschap. 60 48
50 40
36
Als we kijken naar mild en ernstig partnergeweld, dan valt op dat er zowel voor daderschap als slachtofferschap een afname is, maar dat dit voornamelijk in het eerste jaar is (zie figuur 4.6a en b). Zowel bij de mannen als de vrouwen zien we over de drie metingen van het eigen ernstige geweld een significant e afname, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (mannen: η2=.06, p<.05; vrouwen: η2=.02, p<.05) Voor beide seksen is hierbij de afname tussen T1 en T2 niet significant. De afname over de drie metingen van ernstig geweld door de (ex)partner is voor zowel mannen als vrouwen significant, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (mannen: η2=.11, p<.01; vrouwen: η2=.06, p<.001). Overigens geldt bij de vrouwen dat de afname tussen de T1 en T2 niet significant is. Ten aanzien van het milde eigen geweld is de afname over de drie metingen voor zowel mannen als vrouwen significant, waarbij sprake is van een gemiddeld tot groot effect (mannen: η 2=.17, p<.001; vrouwen:η2=.18, p<.001). Hierbij geldt dat de afname bij zowel de vrouwen als de mannen tussen alle metingen significant is. De afname van het milde geweld door de partner over de drie metingen is voor zowel mannen als vrouwen significant, waarbij sprake is van een gemiddeld tot groot effect (mannen: η2=.18, p<.001; vrouwen:η2=.22, p<.001).
Ook hier geldt dat de afname zowel bij de vrouwen als de mannen tussen alle metingen significant is. 4.3.4. Geweld door partners of ex-partners
30
23
21 17
20 10
4.3.3. Ernst van het geweld
9
7
14
8
16
14 9
T0 T1
0
T2 Zelf Partner ernstig geweld ernstig geweld
Zelf mild geweld
Partner mild geweld
Omdat in anderhalf jaar tijd mensen nieuwe relaties aangaan of verbreken is op alle drie de meetmomenten gevraagd of het partnergeweld betrekking heeft op de huidige partner, de ex-partner of dat er sprake is van een nieuwe partner. Tenslotte kan iemand ook weer zijn gaan samenwonen met een ex-partner. Het is duidelijk dat bij vrouwen partnergeweld vaker een ex-partner betreft (62%) dan de huidige partner (zie tabel 4.3). Het percentage mannen dat te maken 58
Figuur 4.6a Percentage mannen (N=161) dat zegt slachtoffer of pleger te zijn, opgesplitst naar ernstig en mild geweld. 100% 80%
80%
70% 62%
60%
53%
56% 49%
36%
40% 28% 19%
20%
23% 25%
23%
T0 T1 T2
0% Zelf Partner ernstig geweld ernstig geweld
Zelf mild geweld
Partner mild geweld
heeft met partnergeweld door de ex-partner (52%) ligt ongeveer gelijk met geweld door de huidige partner (48%). Daarnaast blijkt dat het gemiddeld aantal geweldsincidenten door de ex-partner bij vrouwen veel hoger ligt dan door de huidige partner. Bij vrouwen gaat het om 112 incidenten op jaarbasis, wat betekent dat bijna tweemaal per week geweld plaatsvond. Bij mannen is het aantal geweldsincidenten ook hoger als het gaat om ex-partners, tweemaal zo hoog in vergelijking met de huidige partners. Misschien betekent dit dat het geweld meer escaleert wanneer een relatie wordt verbroken. Duidelijk is dat het partnergeweld niet stopt als men gescheiden van elkaar leeft. Bij de derde meting (T2) zien we dat het bij vrouwen veelal gaat om de huidige partner (44%) of de ex-partner (39%). Als we kijken naar het aantal geweldsincidenten, dan zien we dat die het hoogst is als het gaat om een ex-partner waarmee de relatie pas geëindigd is (27 geweldsincidenten). Bij mannen gaat het veelal om de huidige partner (55%) en ex-partner (30%). Tabel 4.3
Figuur 4.6b Percentage vrouwen (N=472) dat zegt slachtoffer of pleger te zijn, opgesplitst naar ernstig en mild geweld.
Rapportage geweld huidige of ex-partner (aantal incidenten in het afgelopen jaar) Man (N=153)
Vrouw (N=434) 100%
Eerste meting (T0)
83%
Aantal incidenten
Percentage
Aantal incidenten
76%
80%
70% 61% 55%
60%
40%
Percentage
37% 28%
58% 51%
34% 32% 25%
T0
20%
T1 T2
0% Zelf Partner ernstig geweld ernstig geweld
Zelf mild geweld
Huidige partner Ex-partner
38% 62%
Derde meting (T2)
Vrouw (N=420)
Huidige partner Nieuwe andere partner Terug bij ex-partner Relatie beëindigd Ex-partner
44% 6% 4% 4% 39%
42 112
48% 52%
27 53
Man (N=135) 15 7 8 27 16
59% 4% 4% 4% 30%
7 3 11 6 9
Partner mild geweld
59
4.4. Kindermishandeling Bij de data voor kindermishandeling is een onderscheid gemaakt tussen de rapportage van ouders en die van kinderen. Volgens de zelfrapportage van de ouders hebben bijna alle kinderen op de eerste meting (mogelijk5) te maken met kindermishandeling. In totaal heeft 91,1% te maken met een vorm van kindermishandeling, dat wil zeggen fysiek en/of psychisch geweld, verwaarlozing door de ouders of het (mogelijk2) getuige zijn van partnergeweld ( zie tabel 4.4). Bij de eerste meting heeft 30% van de kinderen te maken met fysiek geweld, bijna twee op de drie kinderen heeft te maken met psychisch geweld (61%) en bijna een kwart (23%) van de kinderen heeft te maken met verwaarlozing in het afgelopen jaar. Voor deze kinderen gaat het gemiddeld om 15 incidenten van kindermishandeling gedurende het afgelopen jaar. Als we kijken naar partnergeweld, dan zien we dat kinderen veel vaker te maken krijgen met het (mogelijk) getuige zijn van partnergeweld. Gemiddeld is dit 74 maal per jaar, wat betekent dat het vaker dan wekelijks voorkomt. We zien een duidelijke daling van het percentage kinderen dat te maken heeft met kindermishandeling tussen de metingen.
De daling in de percentages van direct geweld over de drie meetmomenten zijn allemaal significant, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (fysiek: η2=.12, p<.001; psychisch: η2=.10, p<.001; verwaarlozing: η2=.05, p<.001). Het effect over de drie metingen van de afname van totaal direct geweld tegen kinderen is gemiddeld tot groot (η2=.14, p<.001). De afname van het percentage kinderen dat (mogelijk) getuige was van geweld tussen ouders over de drie metingen is significant, waarbij sprake is van een groot effect (η2=.26, p<.001). De afname van het percentage kinderen dat
5
slachtoffer was van het totaal aan kindermishandeling over de drie metingen is significant, waarbij sprake is van een gemiddeld tot groot effect (η2=.21, p<.001). Samenvattend: het percentage kinderen dat volgens de ouders te maken heeft met fysieke mishandeling daalt van 31% naar 15%, psychisch geweld daalt van 61% naar 40%, verwaarlozing daalt van 23% naar 12%, en (mogelijk) getuige zijn van partnergeweld daalt van 86% naar 54%. Tabel 4.4
Percentage kinderen en gemiddelde aantal incidenten gerapporteerd door de ouders. T0 N=894
T2 N=813
T1 N=872
Gem. Gem. Gem. aant. Perc. aant. aant. Perc. inci- kinderen inci- kinderen incidenten denten denten
Type kindermishandeling
Perc. kinderen
Fysieke mishandeling
30,6%
7
21,1%
5
14,7%
4
Psychische mishandeling
60,9%
11
49,4%
9
40,4%
7
Verwaarlozing
23,0%
8
17,6%
7
11,9%
7
Totaal direct geweld tegen kinderen
70,2%
15
57,8%
11
46,7%
9
(mogelijk) getuige fysiek partnergeweld
46,4%
33
19,0%
20
10,3%
14
(mogelijk) getuige psychisch partnergeweld 84,6%
46
67,0%
29
52,8%
19
(mogelijk) getuige seksueel partnergeweld
15,6%
28
6,0%
14
4,5%
9
Totaal (mogelijk) getuige partnergeweld
85,5%
74
67,8%
37
53,9%
23
Totaal kindermishandeling
91,1%
74
77,1%
37
65,9%
22
In deze gezinnen heeft partnergeweld plaatsgevonden volgens de ouders. Het is natuurlijk nooit helemaal zeker dat kinderen hier getuige van waren, maar de kans is groot (zeker wanneer we naar de rapportage van de kinderen kijken) dat kinderen hier in elk geval iets van meekrijgen.
60
4.4.1. Kindermishandeling gerapporteerd door de kinderen Kinderen vanaf acht jaar hebben, als zij dat wilden, ook een vragenlijst ingevuld. Twee derde van de kinderen (68%) geeft bij de eerste meting aan dat zij te maken hadden met kindermishandeling. Bij de derde meting heeft nog ruim de helft van de kinderen (58%) te maken met kindermishandeling. We zien voor kindermishandeling alleen een significante afname tussen de T0 en de T1, waarbij sprake is van een klein effect (η2=.04, p<.05). Het percentage kinderen neemt niet verder af tussen de tweede en derde meting; er is zelfs sprake van zeer lichte stijging, maar deze is niet significant. In tabel 4.5 is een onderscheid gemaakt tussen directe kindermishandeling en getuige zijn van partnergeweld. Er is sprake van een significante afname van het percentage kinderen dat zegt te maken te hebben met directe kindermishandeling over de drie metingen, waarbij sprake is van een klein effect (η2=.06, p<.05). We zien hierbij geen significant verschil tussen de tweede en derde meting. Het percentage kinderen dat bij de derde meting rapporteert dat er sprake is van fysiek geweld is 13%, tegenover 29% bij de eerste meting (η 2=.06, p<.01). Het percentage kinderen dat zegt dat er nog steeds sprake is van psychisch geweld bij de derde meting is 43% tegenover 56% bij de eerste meting (η2=.06, p<.05).
Deze percentages van de kinderen over fysieke en psychische kindermishandeling komen overeen met de percentages die door de ouders genoemd worden. Kinderen die te maken hebben met kindermishandeling rapporteren wel meer incidenten dan de ouders rapporteren. Het gemiddelde aantal incidenten bij de eerste meting voor het totale directe geweld is volgens de kinderen 22 tegenover 15 volgens de ouders, terwijl bij ouders daarin verwaarlozing meegenomen is. Er is een afname van het percentage kinderen dat getuige was van fysiek partnergeweld van 29% tijdens de eerste meting naar 6% bij de derde meting, waarbij er sprake is van een gemiddeld tot groot effect (η2=.22, p<.001). Ten aanzien van de afname van het percentage dat getuige is van psychisch partnergeweld en getuige is van totaal partnergeweld over de drie metingen, is er sprake van een klein tot gemiddeld effect (beide η2=.09, p<.01). Op de eerste
meting gaf 56% van de kinderen aan dat er sprake was van psychisch partnergeweld, wat afneemt naar 40% bij de derde meting. Duidelijk is wel dat, hoewel kinderen toch het nodige meekrijgen van het geweld tussen hun ouders/ opvoeders, zij niet alles zien. Ouders rapporteren beduidend meer en vaker partnergeweld dan de kinderen. We kunnen uit deze cijfers constateren dat er anderhalf jaar na melding bij Veilig Thuis een afname is van zowel kindermishandeling als partnergeweld. Tegelijkertijd blijkt dat bij ruim de helft van de kinderen (57%) er nog steeds sprake is van kindermishandeling, waarvan 44% te maken heeft met direct geweld tegen henzelf en 40% met indirect geweld, namelijk het partnergeweld tussen de ouders. Ook kan men concluderen dat als er nog steeds sprake is van kindermishandeling, dit veelal structureel is, aangezien het vaker dan eenmaal per maand voorkomt. Tabel 4.5 Percentage kinderen en gemiddelde aantal incidenten gerapporteerd door de kinderen T0 N=200
T2 N=211
T1 N=200
Gem. Gem. Gem. aant. aant. aant. Perc. Perc. inci- kinderen inci- kinderen incidenten denten denten
Type kindermishandeling
Perc. kinderen
Fysieke mishandeling **
28,9%
12
18,7%
16
13,2%
4
Psychische mishandeling*
55,7%
16
42%
15
43,4%
10
Totaal direct geweld tegen kinderen *
57%
22
42,4%
18
44,2%
11
Getuige fysiek partnergeweld ***
29,3%
13
9,6%
12
6,3%
4
Getuige psychisch partnergeweld**
56,1%
24
43,4%
15
40,3%
13
Totaal getuige partnergeweld **
56,8%
30
44,9%
17
40,3%
13
Totaal kindermishandeling
65,1%
46
55,4%
28
57,4%
18
p<.05, ** p<.01, ***p<001
61
Figuur 4.7 T0, T1 en T2: Overlap tussen de verschillende soorten geweld in de gezinnen (N=576)
T0
6,5% 18,6%
56,6% 18,4%
T1 19,1% 42,9% 21,3%
16,7%
T2 30,7%
16,5%
29,5%
23,3%
geen geweld alleen kindermishandeling alleen partnergeweld zowel kindermishandeling als partnergeweld
4.5. Partnergeweld gaat vaak samen met geweld tegen kinderen Nagegaan is of er sprake is van een overlap tussen partnergeweld en kindermishandeling in de gezinnen. Voor deze analyse zijn de gegevens van alle volwassen respondenten en alle kinderen per gezin meegenomen, om zo een compleet beeld van de overlap van het geweld binnen de gezinnen te kunnen geven. Bij de meeste gezinnen (57%) was bij de eerste meting sprake van zowel partnergeweld als direct geweld tegen kinderen. Bij 18% was alleen sprake van partnergeweld en bij 19% van de gezinnen was alleen sprake van direct geweld tegen kinderen, zonder dat (ex-)partners gewelddadig naar elkaar waren (zie figuur 4.7 T0). We zien dat in de loop van de tijd het aantal gezinnen toeneemt waar sprake is van geen geweld (zie figuur 4.7 T1 en T2). Het percentage gezinnen waar alleen sprake is van partnergeweld blijft nagenoeg gelijk. Het percentage gezinnen waar alleen sprake is van kindermishandeling neemt echter toe, van 19% bij de eerste meting naar 23% bij de derde meting, waarbij is sprake van een klein effect (η2=.02, p<.001). Met name de overlap neemt significant af van 57% bij de eerste meting naar 31% bij de derde meting, waarbij sprake is van een gemiddeld tot groot effect (η2=.18, p<.001). Er blijft echter sprake van een duidelijke overlap tussen partnergeweld en kindermishandeling.
Een groot deel van de kinderen (68%) in deze onderzoekspopulatie heeft dus te maken met meerdere vormen van kinderhandeling bij de eerste
meting. Het betreft niet alleen een overlap tussen kindermishandeling en partnergeweld, maar de meeste kinderen hebben te maken met psychisch geweld, veelal in combinatie met fysiek geweld of verwaarlozing, of getuige zijn van partnergeweld. Het percentage kinderen dat te maken heeft met meer soorten geweld neemt significant af bij de tweede en de derde meting, naar 52% bij de tweede meting en 38% bij de derde meting. Hierbij is sprake van een gemiddeld tot groot effect (η2=.19, p<.001).
4.6.
Ouders in het verleden zelf ook slachtoffer
Veel ouders hebben zelf een jeugdtrauma meegemaakt of zijn opgegroeid in een gezin waar sprake was van huiselijk geweld in de eigen jeugd. Dit is een belangrijke risicofactor voor het opnieuw optreden van huiselijk geweld in de huidige situatie. We hebben de gegevens van de ouders in de onderzoeksgroep vergeleken met die van de ouders uit de referentiegroep (een steekproef onder de algemene Nederlandse bevolking6). We hebben alleen ouders meegenomen in de referentiegroep, dat wil zeggen dat zij allen kinderen hebben. Opmerkelijk is dat de ouders uit de onderzoeksgroep veel meer jeugdtrauma’s hebben meegemaakt dan de ouders in de referentiegroep. Zoals in tabel 4.6 te zien is, liggen die percentages veel hoger dan gemiddeld in de referentiegroep. Binnen onderzoek wordt vooral gekeken naar vier of meer ACES, omdat de gevolgen in je latere leven veelal groot zijn als er sprake is van het meemaken van vier of meer jeugdtrauma’s. Deze groep krijgt in hun volwassen leven significant meer problemen zoals traumaklachten, suïcide, maar ook lichamelijke klachten zoals diabetes en longkanker (Felitti e.a., 1998; Dekker, 2010). De onderzoeksgroep heeft 5.5 maal meer dan 4 ACES meegemaakt dan de referentiegroep (27% versus 5%).
6
TNO heeft in 2010 het ACE onderzoek uitgevoerd onder een steekproef in de Nederlandse bevolking.
62
Op alle jeugdtrauma’s scoort de onderzoeksgroep significant veel hoger dan de referentengroep (p<.01). Het meest voorkomende jeugdtrauma is het meemaken van een scheiding van de ouders, 44% van de onderzoekspopulatie tegenover 14% in de referentiegroep. Als het gaat om kindermishandeling meemaken in je jeugd heeft bijna de helft van de ouders (46%) in de eigen jeugd één van de verschillende vormen van huiselijk geweld meegemaakt (kindermishandeling of getuige zijn van partnergeweld). Dat is veel hoger dan de referentiegroep (10%). Psychische mishandeling komt als geweldsvorm het meest voor (32%) bij de deelnemers. Een op de vier respondenten geeft aan geeft aan in hun jeugd te maken hebben gehad met fysieke mishandeling, dat is vijf keer zo hoog als in de referentiegroep. Fysieke verwaarlozing komt relatief het minst vaak voor (10%). Tabel 4.6
Het percentage ouders uit de onderzoekspopulatie en referentiepopulatie die te maken hebben gehad met jeugdtrauma’s Onderzoekspopulatie Referentiepopulatie N=167 N=623
1.
Psychische mishandeling
31,5%
7,2%
2.
Fysieke mishandeling
24,7%
4,8%
3.
Seksueel misbruik
25,8%
9,0%
4.
Psychische verwaarlozing
28,9%
3,6%
5.
Fysieke verwaarlozing
9,8%
2,4%
6.
Gescheiden ouders
43,6%
14,4%
7.
Mishandeling van de moeder (getuige IPV)
16,9%
2,5%
8.
Probleemdrinker, alcoholist of drugsgebruiker in het huishouden
21,1%
8,4%
9.
Depressief gezinslid (zelfmoordpoging)
24,5%
10,2%
10,8%
2,4%
Zelf huiselijk geweld meegemaakt (Aces 1 t/m 5)
45,6%
9,6%
Vier of meer aces meegemaakt
26,6%
4,7%
10. Gezinslid gedetineerd
4.7.
Regionale verschillen
Een vraag die in veel regio’s speelt, is of de gezinnen die gemeld zijn bij Veilig Thuis in de regio, anders zijn en afwijken van de overige regio’s. De veronderstelling is dat er een verschil in problematiek is bij de gezinnen als zij uit de grote steden komen ten opzichte van de meer rurale gebieden. Dit blijkt niet het geval te zijn; er zijn geen verschillen tussen de regio’s in de mate van het geweld en het welzijn van ouders en kinderen. In het onderzoek is tevens geanalyseerd of er een significant verschil is tussen de regio’s als het gaat om de afname van het geweld. We zien dat er twee regio’s zijn waarbij er sprake is van een verschil ten opzichte van de andere regio’s. Maar dit heeft er vooral mee te maken dat er voor beide regio’s sprake is van een hogere startscore van het geweld, waardoor hierin ook een sterkere daling te zien is. Bij alle andere regio’s zien we geen verschil met de rest.
4.8.
Conclusie
We kunnen concluderen dat het geweld na melding bij Veilig Thuis enorm afneemt. Het aantal gezinnen waar het geweld daadwerkelijk gestopt is, neemt toe van 6% bij de eerste meting naar 29% van de gezinnen bij de derde meting (anderhalf jaar na melding bij Veilig Thuis). Ook het ernstige en veelvuldige geweld in gezinnen is afgenomen van 82% van de gezinnen bij eerste meting tot 53% van de gezinnen bij de derde meting. Ondanks deze afname van het geweld, is er nog steeds in meer dan de helft van de gezinnen sprake van veel of ernstig geweld anderhalf jaar na de melding bij Veilig Thuis. In bijna alle gezinnen (90%) die meededen aan het onderzoek komt partnergeweld voor. Bij twee derde van de vrouwen gaat het om partnergeweld door de ex-partner. Bij mannen ligt dat ongeveer gelijk. Het partnergeweld is in de loop van de drie metingen afgenomen. Het percentage gezinnen waar nog sprake is van frequent of ernstig partnergeweld is afgenomen van twee derde naar een derde. Daarnaast is het aantal gezinnen waar geen sprake meer is van partnergeweld toegenomen van één op de vijf naar de helft. De data laten 63
zien dat alle vormen van partnergeweld zijn afgenomen. Toch rapporteert op de derde meting nog de helft van de vrouwen psychisch geweld (51%) en een op de negen vrouwen (11%) fysiek geweld, ook letsel (6%) en seksueel misbruik (4%) komen nog voor. De mannen in het onderzoek zeggen op de derde meting ook nog steeds slachtoffer te zijn van psychisch geweld (46%), wat vergelijkbaar is met de vrouwen. Wat betreft de ernstiger vormen van geweld zijn de mannen minder vaak slachtoffer dan de vrouwen. We zien bij daderschap hetzelfde patroon als bij slachtofferschap; er is een duidelijke afname van daderschap tussen het moment van melding en anderhalf jaar daarna. Als het gaat om partnergeweld bevestigen de data dat er veelal sprake is van wederzijds partnergeweld; agressief geweld is niet alleen voorbehouden aan mannen. Zowel mannen als vrouwen gebruiken (ernstig) geweld in hun relatie. Maar er zijn wel duidelijke verschillen in het soort en de ernst van geweld. Vrouwen zijn vaker slachtoffer van ernstig geweld en hebben vaker letsel en verwondingen, en vrouwen zijn ook vaker slachtoffer van seksueel geweld. Bijna alle kinderen hebben ten tijde van de eerste meting te maken met kindermishandeling, dat wil zeggen fysiek en/of psychisch geweld, verwaarlozing door de ouders of getuige zijn van partnergeweld.
Bij de eerste meting heeft ongeveer een derde van de kinderen in het onderzoek te maken met fysiek geweld, bijna twee op de drie kinderen heeft te maken met psychisch geweld en bijna een kwart van de kinderen heeft te maken met verwaarlozing in het afgelopen jaar. Voor deze kinderen gaat het gemiddeld om 15 incidenten van totale kindermishandeling in het afgelopen jaar. Als we kijken naar het getuige zijn van partnergeweld, dan zien we dat de meeste kinderen (86%) in gezinnen opgroeien waar wekelijks partnergeweld voorkomt (gemiddeld 74 incidenten per jaar). Zowel de kinderen als de ouders geven aan dat er sprake is van een duidelijke afname van het percentage kinderen dat te maken heeft met kindermishandeling anderhalf jaar na de melding bij Veilig Thuis. Fysieke kindermishandeling neemt af van één op de drie kinderen tot één op de zes kinderen.
Psychische kindermishandeling neemt af van drie op de vijf kinderen naar twee op de vijf. Wat betreft het getuige zijn van partnergeweld blijkt dat ruim de helft van de kinderen partnergeweld bewust meemaakt. Het gaat daarbij om een kwart van de kinderen die fysiek partnergeweld rapporteren en ruim de helft van de kinderen die psychisch geweld rapporteren tussen de ouders of opvoeders bij de eerste meting. Met name het fysieke partnergeweld neemt volgens de kinderen af na de melding. Waar drie op de vijf kinderen op de eerste meting zegt dat er psychisch partnergeweld is, neemt dat af tot twee op de vijf kinderen. Hoewel blijkt dat kinderen toch het nodige meekrijgen van het geweld tussen hun ouders/opvoeders, zien zij niet alles. Ouders rapporteren beduidend meer en vaker partnergeweld dan de kinderen. We kunnen concluderen dat kindermishandeling duidelijk afneemt in de anderhalf jaar na de melding bij Veilig Thuis. Maar de cijfers laten ook zien dat er bij ruim de helft van de kinderen (57%) nog steeds sprake is van kindermishandeling, waarvan 44% te maken heeft met direct geweld tegen henzelf en 40% met indirect geweld, namelijk het partnergeweld tussen de ouders. Een belangrijke conclusie is dat het aantal kinderen dat te maken heeft met meerdere vormen van kindermishandeling in de loop der tijd afneemt.
Niet alleen is er overlap tussen kindermishandeling en partnergeweld, maar de meeste kinderen hebben te maken met psychisch geweld, veelal in combinatie met fysiek geweld of verwaarlozing, of partnergeweld. Ruim twee derde van de kinderen (68%) in deze onderzoekspopulatie heeft te maken met een overlap bij de eerste meting. Maar een op de drie kinderen heeft op de derde meting nog te maken met meerdere vormen van kindermishandeling. Tenslotte blijkt uit de data dat bijna de helft van de ouders (46%) in deze onderzoekspopulatie zelf in hun jeugd te maken heeft gehad met kindermishandeling. Het meegemaakt hebben van huiselijk geweld in de jeugd van ouders heeft een duidelijke relatie met het huidige geweld. Op alle drie de meetmomenten zijn de geweldsscores voor de groep ouders die zelf huiselijk geweld hebben meegemaakt significant hoger dan bij ouders die geen geweld hebben meegemaakt in hun jeugd. 64
5
Relatie tussen het geweld en welzijn van de ouders en ouderschap
Tenslotte wordt gekeken wat de relatie is tussen het geweld en de traumaklachten, de opvoedcompetenties, kwaliteit van leven en veiligheidsbeleving van de ouders op de drie verschillende momenten. Met andere woorden: leidt een afname van het geweld tot een afname van de traumaklachten en een toename van ouderschapscompetenties, kwaliteit van leven en veiligheidsbeleving?
5.2. 5.1.
Inleiding
Een onderzoekvraag is of er sprake is van een verbetering van het welbevinden en persoonlijk functioneren van de ouders. Hierbij wordt gekeken naar de psychische problemen van de ouders, hun ouderschapscompetenties en kwaliteit van leven. Uit de eerste cohortstudie bleek dat geweld in gezinnen een duidelijke relatie heeft met het ouderschap en welzijn van ouders (Tierolf e.a., 2014). De geweldservaringen dragen ertoe bij dat het meer psychische inspanning kost om een goede ouder te zijn. Ze dragen ook bij aan een verminderd eigen welzijn van ouders. In dit hoofdstuk beschrijven we het welzijn van de ouders en hun ouderschapscompetentie en de eventuele verbetering in de anderhalf jaar na de melding. In dit hoofdstuk wordt eerst de algemene problematiek van de gezinnen die gemeld zijn bij Veilig Thuis weergegeven op basis van de aanwezigheid van de verschillende soorten problematiek die we hebben gemeten. Daarna gaan we in op de afzonderlijke probleemcategorieën, waarbij als eerste de psychotrauma’s van de ouders worden besproken op de drie meetmomenten. Vervolgens gaan we in op de opvoedcompetenties van de ouders. Ten opzichte van de eerste studie is nieuw in deze cohortstudie, dat we kijken naar de kwaliteit van leven van ouders en hun veiligheidsbeleving.
Problematiek van de gezinnen bij de aanmelding bij Veilig Thuis
Nagegaan is welke problematiek er speelde in de gezinnen bij de aanmelding bij Veilig Thuis. Hierover is een aparte publicatie verschenen (zie de pdf VeiligThuis-Beleidsinstrument. Duidelijk is dat er in veel gezinnen sprake is van multiproblematiek. Daarnaast is er maar een zeer kleine groep van gezinnen waar geen sprake is van problemen of geweld. Wanneer we de verschillende onderzochte problemen die we meten in dit onderzoek mee laten wegen, gebruikmakend van de cut-off scores om te bepalen of iets problematisch in de gezinnen voorkomt of niet, kunnen we laten zien hoeveel gezinnen zonder grote problemen worden aangemeld bij Veilig Thuis. Hiermee is niet gezegd dat deze gezinnen geen problemen hebben, maar het overschrijdt nergens de grens die wij als ‘problematisch’ hebben gedefinieerd. Op deze manier berekend vinden wij bij 3,4% van de gezinnen bij melding bij VT geen problematische scores op de door ons meegenomen variabelen (partnergeweld, kindermishandeling, emotionele veiligheid, veiligheid in de hechting, opvoedstress, psychotrauma, cumulatie van risicofactoren). Bij de rest van de gezinnen (96,8%) vinden we dus wel aantoonbare problemen, waarbij vooral het geweld vaak een grote rol speelt.
65
5.3.
Psychotrauma’s van de ouders
In het onderzoek is voor de drie meetmomenten met repeated measures (M)ANOVA nagegaan of ouders last hebben van traumaklachten en of deze klachten in de tijd afnemen. We zien bij aanvang van de studie, als de gezinnen gemeld worden bij Veilig Thuis, dat 16% van de ouders last heeft van traumaklachten (zie figuur 5.1). Het percentage ouders dat klachten heeft neemt af in de tijd naar 9,2%; de afname is significant maar er is sprake van een klein effect (η2=.04, p<.01). Dat is echter nog steeds hoger dan het percentage van ouders met traumaklachten in een steekproef onder de algemene Nederlandse bevolking (de referentiegroep), dat ligt op 6,7%. Figuur 5.1
Percentage getraumatiseerde ouders per meting (N=633), referentiepopulatie (N=636)
20% * 16%
* 11% 10%
* 9% 7%
Voor de groep van ouders geldt dat de traumaklachten op het eerste meetmoment voor verschillende traumaklachten significant hoger liggen dan bij de referentiepopulatie. Alleen voor seksuele zorgen en disfunctioneel seksueel gedrag is het lager dan bij de referentiegroep, en voor verstoord zelfbeeld is het verschil niet significant (zie figuur 5.2). Maar voor de andere categorieën, dissociatie, defensieve vermijding, herbeleving, woede, depressie, angstige opwinding en spanningsverminderend gedrag komt ten tijde van de melding (T0) een hogere score vaker voor dan in de referentiegroep. De resultaten van de analyse laten zien dat alle traumaklachten significant afnemen in de tijd, maar hierbij is over het algemeen sprake van een klein effect: (seksuele zorgen: η2=.02, p<.01; disfunctioneel seksueel gedrag: η2=.02, p<.01; spanningsverminderend gedrag: η 2=.04, p<.001). Het aantal traumaklachten neemt af met een klein tot gemiddeld effect (depressie: η2=.12, p<.001; herbeleving: η2=.12, p<.001; dissociatie: η2=.09, p<.001), of een gemiddeld effect (angstige opwinding: η2=.13, p<.001; woede: η2=.13, p<.001), en een gemiddeld tot groot effect (defensieve vermijding: η2=.14, p<.001: verstoord zelfbeeld: : η2=.14, p<.001). Alleen bij de derde meting zijn defensief vermijdingsgedrag, herbeleving en depressie nog significant groter dan de referentiegroep.
We kunnen echter constateren dat er een duidelijke afname is van zowel het percentage ouders dat te maken heeft met klinische klachten en de gemiddelde score op de verschillende soorten traumaklachten.
Percentage getraumatiseerde ouders Referentiepopulatie
0% T0
T1
T2
* p < 0,05 . In de grafiek duiden de sterretjes op respectievelijk het verschil tussen T0 enT1, T1 en T2 en T2 en de referentiegroep
66
Figuur .5.2 Traumaklachten van ouders in de onderzoeksgroep (N=633) en de referentiegroep (N=636)
*
*
verstoord zelfbeeld
disfunctioneel seksueel gedrag * * seksuele zorgen * * *
dissociatie
* defensieve vermijding
*
*
*
*
herbeleving
* * *
woede
*
41 T1
T2
*
*
angstige opwinding
T0
*
*
depressie
42
43
44
45
46
47
48
49
Opvoedingsvaardigheden van de ouders
Zoals in hoofdstuk 2 is beschreven, zijn er in het onderzoek verschillende vormen van opvoedingsvaardigheden onderzocht, te weten: de mate van stress die ouders ervaren in de opvoeding; het gevoel van de ouders over voldoende vaardigheden en handigheid te beschikken in de omgang met het kind; ouderlijke warmte en betrokkenheid naar hun kind; en de mate waarin ouders de behoefte aan autonomie ondersteunen bij hun kinderen. Voor opvoedstress betekent een lagere score minder stress, voor opvoedcompetentie geldt dat hoe lager de scores is, hoe meer competentie ouders hebben. Voor ouderlijke warmte en betrokkenheid geldt dat hoe hoger de score is, hoe groter de betrokkenheid is. Een hogere score voor autonomie betekent meer steun (zie tabel 5.1). Alleen voor opvoedstress hebben we de gegevens van een vergelijkbare referentiegroep. Ouders uit de onderzoekspopulatie ervaren meer stress in de opvoeding dan ouders uit de referentiegroep. Hoewel er een significante verbetering is in de zin dat de opvoedstress in de loop van de tijd afneemt, is deze nog steeds groter dan in de referentiepopulatie. De afname over de drie metingen is weliswaar significant, maar er is sprake van een klein effect (η2=.02, p<.01). Voor alle drie de andere opvoedcompetenties geldt dat er geen verschil is voor de drie verschillende meetmomenten.
Alleen ouderlijke competenties lijkt iets toegenomen, maar dit is niet significant. Voor ouderlijke warmte en betrokkenheid en het steunen van de behoefte aan autonomie van hun kind is er geen verschil. Waarbij opgemerkt moet worden dat het voor beide uitkomsten een zeer hoge waarde betreft. Ouders rapporteren voor zowel ouderlijke warmte en betrokkenheid zeer hoog, 4,5 op een schaal die loopt van 1 tot 5; voor ondersteuning van de autonomie van hun kind rapporteren ze 3,3 op een schaal die loopt van 1-4.
* *
spanningsverminderend gedrag
5.4.
50
referentiepopulatie
* p < 0,05 . In de grafiek duiden de sterretjes op het verschil tussen T0 en T1, T1 en T2, T2 en de referentiegroep
67
Tabel 5.1
De scores voor ouderschapscompetenties op drie meetmomenten T0
T1
T2
Referentiepopulatie
range
Figuur 5.3 De gemiddelde score voor het veiligheidsgevoel van de ouders en hun kwaliteit van leven (N=633) 10
N=636
N=633 Opvoedstress
50,7*
47,7*
46,3*
Ouderlijke competenties
24,2
23,2
22,9
40,4
25-150
8
7,5
* 7,8 7,0
* 7,2
* 8,1
* 7,3
13-78 6
*
Warmte & betrokkenheid.
4,5
4,5
4,5
1-5
Autonomie & steun
3,2
3,3
3,3
1-4
p < 0,05. In de tabel duiden de sterretjes op het verschil tussen T0 en T1, T1 en T2, en T2 en de referentiegroep.
4
2
Veiligheidsgevoel onderzoeksgroep Kwaliteit van Leven
1
5.5.
Kwaliteit van leven en veiligheidsbeleving
In het onderzoek is gekeken naar hoe de ouders hun kwaliteit van leven en veiligheidsgevoel beoordelen. Kwaliteit van leven en het veiligheidsgevoel worden beide weergegeven als rapportcijfers van 1 tot 10 (zie figuur 5.3). De data laten zien dat de ouders voor de veiligheid een 7,5 geven, wat in de derde meting oploopt tot een 8,1. Gezien het geweld dat toch nog een rol speelt in de meeste gezinnen is dat opmerkelijk hoog. De toename over de drie metingen is hierbij significant, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (η2=.08, p<.001). Ook voor de kwaliteit van leven scoren deze gezinnen redelijk hoog: een 7.0 bij de eerste meting, wat bij de tweede (7.2) en derde meting oploopt tot een 7,3. De toename over de drie metingen is significant, maar het effect is klein (η2=.03, p<.001).
T0
T1
T2
* p < 0,05 . In de grafiek duiden de sterretjes op het verschil tussen T0 enT1, T1 en T2, T2 en de referentiegroep
5.6.
Relatie tussen geweld en het welbevinden van ouders
Met behulp van repeated measures (M)Anova is nagegaan wat de relatie is tussen de afname van het geweld en de afname van traumaklachten, opvoedstress, kwaliteit van leven en veiligheidsbeleving. Relatie tussen de afname van het geweld en de traumaklachten van de ouders Wat betreft de ouders zien we dat de afname van het percentage ouders met traumaklachten significant samenhangt met de afname van het totaalgeweld in de gezinnen, waarbij sprake is van een gemiddeld tot groot effect (η2=.23, p<.001). De afname van het percentage getraumatiseerde ouders tussen de tweede en derde meting is hier overigens niet (meer) significant, het totaal over de drie metingen dus wel. Wanneer we hier naar het sekseverschil tussen mannen en vrouwen kijken, zien we geen significant effect. Wanneer we naar de afzonderlijke traumasymptomen kijken, zien we bij alle traumasymptomen een significante samenhang over de drie metingen tussen 68
de afname van het geweld en de afname van de traumascores, waarbij overal sprake is van een gemiddeld tot groot effect (η2=.22 en η2=.27, p<.001). Alleen bij ‘seksuele zorgen’ is de afname tussen de tweede en derde meting niet significant. Hierbij zien we geen onderscheid tussen mannen en vrouwen, behalve bij ‘defensieve vermijding’, waar wel een significant verschil tussen mannen en vrouwen bestaat. Daarbij vindt zowel bij mannen als bij vrouwen weliswaar een significante afname van de traumascores plaats, maar de mannen scoren op alle drie de meetmomenten significant (p<.05) lager dan de vrouwen. Relatie tussen geweld en opvoedingsvaardigheden Ten aanzien van de opvoedstress van ouders zien we dat de afname van het geweld over drie metingen significant samenhangt met de afname van de opvoedstress van ouders over de drie metingen. Hierbij is sprake van een gemiddeld tot groot effect (η2=.25, p<.001), en de afname van de opvoedstress tussen de tweede en derde meting is niet meer significant. Er is geen verschil tussen mannen en vrouwen. Relatie tussen het geweld en de kwaliteit van leven en veiligheidsbeleving Bij de ouders zien we een significante samenhang tussen de toename van de kwaliteit van leven over drie metingen en de afname van het totaalgeweld in gezinnen over drie metingen, waarbij sprake is van een gemiddeld tot groot effect (η2=.22, p<.001).
Hierbij valt op dat binnen deze samenhang de toename van de kwaliteit van leven tussen de tweede en derde meting niet significant is. We zien hierbij geen (significant) verschil tussen mannen en vrouwen. Ten aanzien van de veiligheidsbeleving zien we over de drie metingen een significante samenhang tussen de toename van de veiligheidsbeleving en de afname van het totale geweld in het gezin over de drie metingen. Hierbij is sprake van een gemiddeld tot groot effect (η2=.24, p<.001). We zien geen verschil tussen mannen en vrouwen.
5.7.
Conclusie
De data laten zien dat het welzijn van de ouders toeneemt in de periode na de melding bij Veilig Thuis. Er is een duidelijke afname van zowel het aantal ouders dat te maken heeft met klinische traumaklachten als van de verschillende soorten traumaklachten. Het percentage ouders dat op de derde meting nog klnische traumaklachten heeft is echter nog steeds groter dan dat van de referentiegroep. Wat betreft de traumascores zijn alleen defensief vermijdingsgedrag, herbeleving en depressie nog significant groter dan in de referentiegroep op de derde meting. Duidelijk is dat er een relatie is tussen de afname van het geweld in het gezin en de afname van de traumaklachten van de ouders. Vooral in het eerste jaar is deze relatie zichtbaar. Wat betreft de opvoedingsvaardigheden zien we dat de opvoedstress bij de melding veel groter is dan in de referentiegroep. De opvoedstress neemt duidelijk af in de loop der tijd, maar is bij de derde meting nog steeds hoger dan in de referentiegroep. De data laten zien dat de afname van het geweld met name in het eerste jaar een relatie heeft met een afname van de opvoedstress van ouders. Het geweld in het gezin heeft zijn weerslag op de sfeer in huis en de opvoeding van de kinderen. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat ouders die te maken hebben met geweld in hun relatie het vaak moeilijk vinden om hun kinderen emotionele steun te bieden.
Ze kunnen de kinderen niet altijd de aandacht geven die zij - juist ook in de geweldscontext - nodig hebben. Toch geven ouders in deze studie zichzelf hoge scores voor opvoedcompetenties zoals ouderlijke warmte of het ondersteunen van de autonomie van hun kinderen. Hierin is geen verschil te zien in de loop der tijd. Wat betreft de veiligheidsbeleving van ouders en de kwaliteit van leven geven de ouders eveneens een redelijk hoge score, die in de loop van de tijd ook hoger wordt. Ook hier is sprake van een duidelijke relatie met een afname van het geweld.
69
6 6.1.
Relatie tussen het geweld en de ontwikkeling van het kind Inleiding
De resultaten van de eerste cohortstudie lieten zien dat het partnergeweld dat de kinderen meemaken een relatie heeft met emotionele onveiligheid en traumasymptomen (Tierolf e.a., 2014). Verder bleek dat de toename van emotionele veiligheid en de afname van traumasymptomen samenhingen met de afname van het partnergeweld. In dit hoofdstuk gaan we in op de ontwikkeling en het welzijn van kinderen ten tijde van de melding bij Veilig Thuis en hoe het in de anderhalf jaar daarna met hen ging. Net als bij de vorige cohortstudie zullen de emotionele veiligheid en traumasymptomen van kinderen worden gerapporteerd. Daarnaast bespreken we de hechting van kinderen met zowel de moeder als de vader en gaan we in op het probleemgedrag en de kwaliteit van leven van deze kinderen. Het verloop van bovenstaande factoren is getoetst met repeated measures (M)ANOVA’s en Chi kwadraattesten. Bij alle factoren gaan we ook in op de verschillen tussen jongens en meisjes, hetgeen getoetst is met one sample t-toetsen. Tot slot gaan we in op de relatie tussen het geweld in het gezin dat deze kinderen hebben ervaren en bovengenoemde factoren op de drie meetmomenten; hangt een afname van het geweld samen met een afname van traumaklachten en probleemgedrag en een verbetering van hechting, emotionele veiligheid en kwaliteit van leven? Dit is getoetst met repeated measures (M) ANOVA’s.
In de data kunnen per gezin meerdere kinderen voorkomen. We hebben een check uitgevoerd of er sprake is van afhankelijkheid in onze dataset en dat bleek niet zo te zijn. Daarom is besloten om bij de analyses van dit hoofdstuk alle kinderen mee te nemen, wat betekent dat broertjes en zusjes worden meegenomen. Daarnaast worden in dit hoofdstuk alleen de kinderen meegenomen waar gegevens over bekend zijn voor alle drie de meetmomenten.
6.2.
Hechtingsproblematiek
Op alle drie de meetmomenten is de veiligheid in de hechting tussen ouders en kinderen van 3 tot 18 jaar onderzocht. Hechting is zowel gevraagd aan de ouders als aan de kinderen vanaf 8 jaar, waarbij kinderen de vragenlijst over hun vader en moeder apart invulden. Eerst hebben we gekeken naar het percentage kinderen dat veilig gehecht is per meting. Het blijkt dat ruim 60% van de kinderen veilig gehecht is en dit niet verschilt per meting (zie figuur 6.1). Figuur 6.1
Percentage veilig gehechte kinderen per meting vanuit ouders en kinderen
100%
80% 64%
64%
64%
T0
T1
T2
60%
40%
20%
0%
70
Ook de gemiddelde hechtingsscores laten geen significante verschillen zien tussen de drie meetmomenten, zowel voor rapportage door de vader, de moeder als het kind zelf (zie figuur 6.2). We hebben geen referentiegroep voor hechting gerapporteerd door de ouders. Voor de rapportage door kinderen kunnen we de scores vergelijken met een groep kinderen die waren aangemeld bij twee poliklinische behandelcentra vanwege emotionele- en gedragsproblemen (Bastiaansen, Koot, Ferdinand, & Verhulst, 2004). Bastiaansen et al. (2004) onderscheiden twee groepen in dat onderzoek, namelijk een klinische (Child Behaviour Checklist score boven de klinische grens) en niet-klinische groep (Child Behaviour Checklist score onder de klinische grens). Wij vergelijken de kinderen uit onze onderzoeksgroep met de niet-klinische groep (zie figuur 6.2). De kinderen uit onze onderzoeksgroep scoren significant lager (onveiliger) dan de niet-klinische groep op alle meetmomenten voor zowel hechting met de vader als met de moeder.
Als we naar de verschillende informanten (vaders, moeders en kinderen) kijken, zien we dat kinderen een significant veiligere hechting rapporteren met de moeder dan met de vader op alle drie de meetmomenten, waarbij sprake is van een gemiddeld tot groot effect (Cohen’s d tussen .38 en .54; p<.001). Hetzelfde verschil tussen hechting met de moeder en hechting met de vader zien we ook in de referentiegroep. Ditzelfde zien we opnieuw bij de ouderrapportage over hechting; moeders rapporteren gemiddeld een significant veiligere hechting met hun kinderen dan vaders op alle drie de meetmomenten, waarbij sprake is van een gemiddeld tot groot effect (Cohen’s d tussen .26 en .36; p<.001). Tussen jongens en meisjes zijn geen verschillen te zien wat betreft de hechting die ze voor de drie metingen rapporteren over de moeder. De hechting met de vader verschilt niet voor T0 en T1, maar wel voor T2; jongens rapporteren een veiligere hechting met de vader (gemiddeld 3.7) op T2 dan meisjes (gemiddeld 3.4), waarbij sprake is van een gemiddeld tot groot effect (Cohen’s d= .36; p<.01).
Figuur 6.2
6.3.
Hechting gerapporteerd vanuit moeder, vader en kind
De emotionele veiligheid van de kinderen tussen de 3 en 18 jaar is op alle drie de meetmomenten uitgevraagd aan ouders over kinderen tot en met 12 jaar en aan kinderen vanaf 8 jaar. Op basis van de gegevens verstrekt door ouders en kinderen is berekend welke kinderen emotioneel onveilig scoren7. We zien bij T0 dat 54% van de kinderen emotioneel veilig scoort. Dit percentage emotioneel veilige kinderen neemt significant toe tussen de drie meetmomenten (zie figuur 6.3), waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (η2=.10; p<.001). Maar het is bij T2 nog steeds significant lager dan het percentage emotioneel veilige kinderen in de steekproef van de algemene Nederlandse bevolking (referentiegroep).
Kind over vader (n=141)
Kind over moeder (n=148)
Vader over kind (n=158)
Moeder over kind (n=540)
3,2 T0
T1
T2
Emotionele veiligheid van de kinderen
3,4
3,6
3,8
4
4,2
4,4
Referentiepopulatie
7
Zie paragraaf 2.4.3 voor uitleg hoe berekend is dat kinderen emotioneel veilig scoren.
71
Figuur 6.3 Percentage emotioneel veilige kinderen per meting vanuit ouders en kinderen
Figuur 6.4 Emotionele veiligheid kinderen gerapporteerd door ouders en kinderen
100%
*
*
Openlijk bemoeien (n=378) 85%
80%
60%
* 67%
* 73%
* Openlijk vermijden (n=377)
* 54%
*
40%
Gedragsdisregulatie (n=392)
*
20% Emotionele reactiviteit (n=384)
*
0% T0
T1
T2
*
*
Referentiegroep 0
* p < .05 Sterretjes betekenen dat deze meting significant verschilt met de nakomende metingen (T0 met T1, T1 met T2, en T2 met de referentiegroep).
Als we naar de afzonderlijke subschalen van emotionele onveiligheid kijken, blijkt dat emotionele reactiviteit (ER) en openlijk bemoeien (OI) significant afnemen tussen alle drie de metingen, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect(ER: η2=.09; p<.001, OI: η2=.11; p<.001) (zie figuur 6.4). Voor de subschalen openlijk vermijden (OA) en gedragsdisregulatie (BD) zien we alleen een significante afname tussen de T0 en T2. Vervolgens hebben we de scores op T2 vergeleken met een steekproef onder de algemene Nederlandse bevolking (de referentiegroep). Voor emotionele reactiviteit en gedragsdisregulatie geldt dat, ondanks de significante afname, de onderzoeksgroep bij de T2 nog steeds significant emotioneel onveiliger scoort dan de referentiegroep, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (ER: Cohen’s d= .47; p<.001, BD: Cohen’s d= .28; p<.001). Wat betreft openlijk vermijden en openlijk bemoeien zien we dat de onderzoeksgroep gelijk scoort met de referentiegroep bij de T2. Tot slot vinden we voor alle vier de subschalen van emotionele veiligheid geen verschillen tussen jongens en meisjes, en dit geldt voor alle drie de meetmomenten.
T0
T1
T2
2
4
6
8
10
12
14
Referentiegroep
* p < .05 Sterretjes betekenen dat deze meting significant verschilt met de nakomende metingen (T0 met T1, T1 met T2, en T2 met de referentiegroep).
6.4.
Psychotrauma’s van de kinderen
Traumaklachten van kinderen tussen de 3 en 18 jaar zijn uitgevraagd op alle drie de meetmomenten aan ouders over kinderen tot en met 12 jaar en aan kinderen vanaf 8 jaar. Op basis van de gegevens verstrekt door ouders en kinderen is op gezinsniveau berekend welke kinderen getraumatiseerd zijn, wat betekent dat ze op minimaal één subschaal klinisch scoren8. Bij de T0 is 32% van de kinderen getraumatiseerd en dit percentage neemt significant af tussen de drie meetmomenten, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (η2=.05; p<.001) (zie figuur 6.5).
8
Zie paragraaf 2.4.3 voor uitleg hoe berekend is dat kinderen getraumatiseerd zijn.
72
Figuur 6.5 Percentage getraumatiseerde kinderen per meting vanuit ouders en kinderen
Figuur 6.6
Traumaklachten kinderen gerapporteerd door ouders en kinderen
100%
Seksuele problemen (n=455) 80%
Dissociatie (n=463)
*
60%
40%
* 32%
* 26%
*
*
*
* 21%
*
20%
*
Woede (n=464)
4%
*
0% T0
T1
T2
*
*
Posttraumatische stress (n=497)
Referentiegroep
* p < .05 Sterretjes betekenen dat deze meting significant verschilt met de nakomende metingen (T0 met T1, T1 met T2, en T2 met de referentiegroep).
Als we naar de afzonderlijke traumaschalen kijken, zien we voor alle traumascores behalve die voor seksuele problemen een significante afname tussen de drie metingen, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (PTSS: η2=.11; p<.001, depressie: η2=.07; p<.001, angst: η2=.08; p<.001, woede: η2=.08; p<.001, dissociatie: η2=.04; p<.001) (zie figuur 6.6). Verder zien we dat alle traumaklachten van kinderen, behalve seksuele problemen, in de onderzoeksgroep bij de T2 nog steeds significant ernstiger zijn dan de traumaklachten van kinderen in de steekproef onder de algemene Nederlandse bevolking (referentiegroep). Hierbij is sprake van een gemiddeld tot groot effect (PTSS: Cohen’s d= .81; p<.001, depressie: Cohen’s d= .65; p<.001, angst: Cohen’s d= .51; p<.001, woede: Cohen’s d= .55; p<.001, dissociatie: Cohen’s d= .53; p<.001). Daarnaast blijkt dat meisjes op T0 significant meer seksuele problemen en posttraumatische stress en dissociatie ervaren dan jongens, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (Seksuele problemen: Cohen’s d= .24; p<.01, PTSS: Cohen’s d= .25; p<.01, Dissociatie: Cohen’s d= .21; p<.05). Voor de andere metingen en subschalen zien we geen verschillen tussen jongens en meisjes.
* *
Depressie (n=464)
*
Angst (n=464)
T1
T2
*
* 0
T0
*
10
20
30
40
50
60
Referentiegroep
* p < .05 Sterretjes betekenen dat deze meting significant verschilt met de nakomende metingen (T0 met T1, T1 met T2, en T2 met de referentiegroep).
6.5.
Probleemgedrag van kinderen
Aan kinderen vanaf 8 jaar is op alle drie de meetmomenten gevraagd naar verschillende probleemgedragingen (blijven zitten, spijbelen, vandalisme, winkeldiefstal, bedreiging om geld, dragen van een wapen, betrokken bij vechtpartij, iemand in elkaar slaan en opgepakt door de politie). Daarnaast is aan kinderen vanaf 12 jaar naar hun alcohol- en drugsgebruik gevraagd. Voor deze gegevens hebben we een vergelijkbare referentiegroep van de International Self Report Delinquency (ISRD-3) studie (Enzmann e.a., 2017). 73
Dit is een steekproef van 2421 Nederlandse kinderen (51% jongens) tussen de 11 en 21 jaar (het grootste deel is tussen de 12 en 16 jaar). Bij de T0 (n=208) vertoont 27% van de kinderen van de onderzoeksgroep probleemgedrag en dit verschilt niet significant bij de vervolgmetingen (zie figuur 6.7). Bij de referentiegroep vertoont 14% van de kinderen probleemgedrag en dit is significant lager dan het percentage kinderen van de onderzoeksgroep, waarbij sprake is van een gemiddeld tot groot effect (φ= .38; p < .001). Vervolgens hebben we specifiek gekeken naar de gedragingen die onder agressief en gewelddadig gedrag vallen, omdat kinderen die opgroeien met geweld thuis meer kans hebben om agressief en gewelddadig gedrag te vertonen. We zien geen significante toename of afname wat betreft vandalisme, een wapen gedragen, betrokken bij een vechtpartij, iemand in elkaar geslagen of iemand bedreigd hebben om geld tussen de drie meetmomenten. Als we deze gedragingen vergelijken voor de kinderen uit de onderzoeksgroep ten opzichte van de ISRD referentiegroep, zien we dat kinderen uit de onderzoeksgroep significant vaker betrokken zijn bij een vechtpartij en iemand in elkaar hebben geslagen dan kinderen uit de referentiegroep. Hierbij is sprake van een klein tot groot effect (Vechtpartij: φ= .18; p < .01, In elkaar slaan: φ= .81; p < .001).
Voor de andere gedragingen zien we geen significante verschillen. Daarnaast zien we verschillen tussen jongens en meisjes bij alle gedragingen behalve iemand bedreigd hebben om geld. Jongens hebben significant vaker een wapen gedragen, iemand in elkaar geslagen of zijn betrokken geweest bij een vechtpartij op alle drie de meetmomenten dan meisjes, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (Wapen: φ=.15; p<.05, In elkaar slaan: φ=.16; p<.05, Vechtpartij: φ=.20; p<.01). Voor vandalisme zien we alleen bij de derde meting een verschil, jongens hebben significant vaker vandalistische activiteiten gepleegd dan meisjes, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (φ=.15; p<.05).
Figuur 6.7 Percentage kinderen dat probleemgedrag vertoont per meting 100%
80%
60%
40% 27%
24%
23%
20%
14%
0% T0
6.6.
T1
T2
Referentiegroep
Kwaliteit van leven
Op alle drie de meetmomenten is aan kinderen vanaf 8 jaar gevraagd naar zes aspecten van kwaliteit van leven. We zien een significante toename wat betreft de subschalen algeheel welzijn en ouders tussen T0 en T1 (zie figuur 6.8). Verder zien we een significante toename wat betreft de subschaal vrienden tussen T0 en T2. We zien echter een significante afname wat betreft de subschaal fysiek welzijn tussen T1 en T2. De andere schalen van kwaliteit van leven laten geen verbetering of verslechtering zien tussen de metingen. We kunnen de zes subschalen van kwaliteit van leven vergelijken met een normeringssteekproef van 1885 jongeren tussen de 8 en 18 jaar die representatief is op basis van sekse, leeftijd en opleidingsniveau voor de Nederlandse bevolking (Ravens- Sieberer, 2006). We zien dat kinderen uit de onderzoeksgroep op T2 significant lager scoren wat betreft de subschalen algeheel welzijn, psychisch welzijn en school, maar significant hoger wat betreft hun relatie met vrienden dan de referentiegroep (zie figuur 6.8).
74
Figuur 6.8
Kwaliteit van leven gerapporteerd door kinderen
School (n=124)
6.7. *
*
Vrienden (n=126)
*
Ouders (n=123)
Psychisch welzijn (n=123)
*
*
Fysiek welzijn (n=126)
* Algeheel welzijn (n=123)
* 42
T0
T1
T2
44
46
48
50
52
54
56
58
Referentiegroep
* p < .05 Sterretjes betekenen dat deze meting significant verschilt met de nakomende metingen (T0 met T1, T1 met T2, en T2 met de referentiegroep).
Tot slot hebben we naar verschillen tussen jongens en meisjes gekeken. Jongens scoren op de subschaal psychisch welzijn zowel bij T0 als T2 en op de subschaal fysiek welzijn bij T2 beter dan meisjes, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (Psychisch T0 en T2: Cohen’s d= .28; p<.05, Fysiek T2: Cohen’s d= .34; p<.05). Daarentegen scoren meisjes juist beter op de subschaal school bij T0, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (Cohen’s d= .33; p<.05). Voor de andere meetmomenten en subschalen zien we geen verschillen tussen jongens en meisjes.
Relatie tussen het geweld en de gevolgen voor kinderen
Tot slot hebben we met repeated measures (M)ANOVA’s gekeken naar het verband tussen geweld en bovengenoemde factoren. Voor hechting, probleemgedrag en kwaliteit van leven zien we geen samenhang met het geweld in het gezin, maar voor emotionele veiligheid en trauma wel. We zien bij kinderen dat de afname van het percentage emotioneel onveilige kinderen samenhangt met de afname van het geweld in het gezin, waarbij sprake is van een groot effect (η2=.29, p < .001). Wanneer we naar de afzonderlijke subschalen van emotionele veiligheid kijken, zien we dat voor alle subschalen geldt dat een afname van onveiligheid samenhangt met een afname van het geweld, waarbij sprake is van een gemiddeld tot groot effect (range η 2 = .25 tot η2 = .28, p < .001). Alleen voor openlijk vermijden is de afname niet meer significant tussen T1 en T2. Daarnaast zien we dat ook de afname van het percentage kinderen dat getraumatiseerd is samenhangt met de afname van het geweld, waarbij sprake is van een groot effect (η2 = .28, p < .001). Als we naar de verschillende subschalen van trauma kijken, zien we voor alle subschalen behalve seksuele problemen, dat een afname van traumasymptomen samenhangt met een afname van het geweld, waarbij sprake is van een groot effect (range η2 = .28 tot η2= .31, p < .001).
6.8.
Conclusie
Als we kijken naar de gevolgen van het geweld voor kinderen, zien we een toename van emotionele veiligheid en een afname van traumasymptomen over de meetmomenten. Ook zien we dat deze toename van emotionele veiligheid en afname van traumasymptomen samenhangt met een afname van het geweld. Desondanks blijkt dat, ondanks deze verbetering, de kinderen van de gezinnen die gemeld zijn bij Veilig thuis op T2 nog steeds minder emotioneel veilig zijn en meer traumasymptomen ervaren dan kinderen van de steekproef van de algemene Nederlandse bevolking. Als we kijken naar het verschil tussen jongens en meisjes zien we geen verschillen voor emotionele veiligheid, maar 75
wat betreft traumasymptomen zien we dat meisjes meer seksuele problemen en posttraumatische stress laten zien op T0 en meer angst op T1 dan jongens. Voor de andere subschalen (depressie, woede en dissociatie) en meetmomenten zien we geen verschillen. Verder zien we geen verschil over de meetmomenten wat betreft hechting, maar we zien wel dat kinderen van de onderzoeksgroep minder veilig gehecht zijn dan kinderen van de referentiegroep, zowel met vader als met moeder. Daarnaast zien we dat kinderen, zowel in de onderzoeksgroep als de referentiegroep, veiliger gehecht zijn met de moeder dan met de vader. Voor hechting zien we geen samenhang met de afname van het geweld over de meetmomenten. Ook het probleemgedrag verschilt niet over de meetmomenten, maar in onze onderzoeksgroep vertonen meer kinderen probleemgedrag dan in de referentiegroep, zoals te verwachten was. Zo zijn meer kinderen uit onze onderzoeksgroep betrokken geweest bij een vechtpartij en hebben iemand in elkaar geslagen dan kinderen uit de referentiegroep. Verder laten jongens vaker agressief en gewelddadig gedrag zien dan meisjes. Ook voor probleemgedrag zien we geen samenhang met een afname van het geweld. Wat betreft kwaliteit van leven zien we dat het algeheel welzijn, de kwaliteit van relaties met ouders en relaties met vrienden toeneemt, maar dat het fysieke welzijn juist afneemt.
Meisjes geven een lagere score aan hun psychische en fysieke welzijn, terwijl ze een hogere score geven aan de tevredenheid en hoe goed het gaat op school, dan jongens. Voor kwaliteit van leven zien we geen samenhang met een afname van het geweld. We kunnen concluderen dat bij de kinderen het welzijn is toegenomen, maar dat dit nog steeds lager ligt dan bij de referentiegroep (algemene bevolking). Mogelijk dat deze kinderen nog steeds hulp en ondersteuning nodig hebben, dat zal in de volgende hoofdstukken aan de orde komen.
76
Kwestie van lange adem
DEEL III WAT WERKT?
7 7.1.
Ontvangen (in)formele hulp gedurende anderhalf jaar na melding Inleiding
Een belangrijke onderzoekvraag is wat de invloed van de informele en formele hulpverlening is op het stoppen of verminderen van het geweld en daarmee op het verbeteren van het welzijn van ouders en kinderen. Alle gezinnen zijn immers gemeld bij Veilig Thuis en de verwachting is dat voor deze gezinnen een hulpverleningstraject is ingezet. We zijn nagegaan of er een relatie is tussen de soort van (in)formele hulp die het gezin heeft ontvangen en de afname van het geweld in het gezin. En zien we ook een dergelijke relatie met het welzijn van ouders en kinderen? In het onderzoek is bekeken welke steun en hulp de gezinnen hebben ontvangen nadat zij gemeld zijn bij Veilig Thuis. In dit hoofdstuk beschrijven we in de eerste twee paragrafen welke professionele hulp en ondersteuning deze gezinnen, ouders en kinderen, hebben gekregen. Daarna gaan we in op de vraag wat het resultaat is van de (in)formele hulpverlening die de ouders en kinderen hebben ontvangen. Een andere belangrijke onderzoeksvraag is: welke gezinnen, dat wil zeggen welke ouders en kinderen, worden bereikt door de hulpverlening en informele zorg?
7.2.
Inventarisatie van het (in)formele hulpverlenings- of begeleidingstraject voor ouders
Aan de ouders is gevraagd welke hulp zij hebben ontvangen gedurende de anderhalf jaar dat het onderzoek liep (zie tabel 7.1). Ongeveer één op de vijf (21,5%) heeft geen enkele vorm van formele hulp ontvangen na melding bij Veilig Thuis. Driekwart van de gezinnen heeft wel hulp of ondersteuning ontvangen, meestal van verschillende hulpverleners. De helft van de ouders (57%) hebben hulp gekregen van het maatschappelijk werk, of een zelfstandige psycholoog of pedagoog. Ruim een derde van de ouders heeft hulp gekregen door iemand uit de medische hoek, veelal was dit de huisarts. Ruim één op de vier ouders (27%) heeft hulp gekregen van een hulpverleningsinstelling die specifiek gericht is op huiselijk geweld en kindermishandeling. We hebben hierin alle instellingen meegenomen die zijn benoemd, zoals Veilig Thuis9, MDCK, MDA++, of de vrouwen/mannenopvang. Bijna een kwart van de ouders hebben jeugd- of opvoedhulp gekregen. Eén op de vijf heeft psychische of psychiatrische hulp gekregen. Maar een enkele ouder heeft hulp gekregen in verband met een verstandelijke beperking (2%) of vanuit de verslavingszorg (1%). Ook het wijkteam is maar door een klein aantal ouders genoemd. Er zijn verschillende mogelijke redenen voor dit lage aantal. Niet in alle gemeenten biedt het wijkteam ook daadwerkelijk ondersteuning of hulp, omdat zij een indicerende functie hebben.