CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

20210628462 Verwey Jonker Kwestie van lange adem

commissie Samenleving 2 december 2021, gemeente HaarlemBij agendapunt: Achtergrondinformatie tbv Actieprogramma Verbinden en versterken in aanpak huiselijk geweld48.303 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

In veel gemeenten is de taak voor het lokale wijkteam uitbesteed aan een welzijnsorganisatie of het maatschappelijk werk, die wel hoog scoren.

9 Hoewel Veilig Thuis officieel geen hulpverleningsaanbod heeft, hebben we de organisatie wel meegenomen, aangezien de eerste gesprekken met de medewerkers van VT zijn gevoerd. Daarnaast zijn zij ook verantwoordelijk voor de veiligheidsvoorwaarden als er sprake is van acute onveiligheid.

78

Wat betreft de informele hulp heeft 17% van de ouders geen hulp of ondersteuning ontvangen. Het merendeel (83%) van de ouders heeft wel informele hulp ontvangen, veelal van familie, vrienden of buren. Tabel 7.1.

Voorzieningen die door de ouders genoemd zijn waarvan zij hulp hebben ontvangen Ouders (N=632)

Percentage

Formele hulp totaal

496

78.5%

GGZ Psychische en psychiatrische zorg

121

19,1%

5

0,8%

Jeugd- en opvoedhulp

121

22,3%

Hulp verstandelijke beperkingen

14

2,2%

Hulp gericht op KM/HG

172

27,2%

Wijkteam

40

6,3%

Maatschappelijk werk/zelfstandig psycho-/pedagogen

271

57,1%

Medisch

247

39,1%

Anders

5

0,8%

Informele hulp (vrienden/familie/buren)

524

82,9%

Geen hulp ouders

43

6,8%

Verslavingszorg

In de analyses gebruiken we soms samengestelde categorieën als we op het niveau van de hulpsoorten, zoals in tabel 7.1 gedefinieerd, geen resultaat vinden. De tweedelijns voorzieningen specialistische hulp zijn samengenomen, dat betreft de categorieën die tweedelijns zorg bieden, zoals de GGZ, verslavingszorg, of hulp gericht op een verstandelijke beperking. De medische hulp hebben we niet in de analyses meegenomen, omdat niet duidelijk is of de hulp die cliënten ontvangen hebben niet alleen somatisch gerelateerd is geweest.

Een vraag is of de gezinnen de juiste hulp hebben gekregen, gezien de problemen die er speelden in het gezin. In deze paragraaf kijken we naar de problematiek van de ouders en in de volgende paragraaf kijken we naar de kinderen. In tabel 7.2 staat weergegeven welke hulp geboden is bij een bepaalde problematiek. Zo zien we bijvoorbeeld bij partnergeweld, dat het merendeel van de ouders waarbij partnergeweld een rol speelt zowel formele (81%) als informele hulp (84%) hebben ontvangen, maar een kleine groep (6%) heeft geen enkele vorm van hulp ontvangen. Als er sprake is van partnergeweld heeft ongeveer de helft van de ouders (46%) hulp ontvangen van het maatschappelijk werk of zelfstandige psychologen. Daarnaast heeft één op de drie hulp ontvangen vanuit de ‘hulp specifiek gericht op KM/HG’ (31%) terwijl één op de vijf ouders waar sprake is van partnergeweld in de GGZ terechtkomt (18,4%). We bespreken hier alleen de opvallende zaken die uit de analyses naar voren komen, zoals weergegeven in tabel 7.2. Ten eerste hebben de meeste ouders, maar vooral degenen met traumaklachten en hoge opvoedstress, meerdere vormen van hulp ontvangen. Meer dan de helft van de ouders met traumaklachten en/of hoge opvoedstress hebben hulp gekregen vanuit de eerste lijn (maatschappelijk werk en zelfstandige pedagogen en psychologen).

Ongeveer een derde van de ouders met traumaklachten komt in de tweedelijns GGZ terecht. Tevens heeft een derde van deze ouders hulp gekregen vanuit de vrouwenopvang of de MDA++ aanpak. Opvallend is dat tussen de 1 en 2% van de ouders met een problematisch alcoholgebruik hulp ontvangt vanuit de verslavingszorg; dit geldt zowel voor het eigen drankgebruik als dat van de (ex)partner. Ouders met alcoholproblemen hebben veelal wel ondersteuning gekregen vanuit de eerste lijn (maatschappelijk werk en zelfstandige psychologen of pedagogen), waarschijnlijk voor andere problemen die ook in het gezin spelen.

79

Tabel 7.2

Welk percentage van ouders met een achtergrondprobleem komt bij welke hulpvorm terecht (n=632)?

Partnergeweld N=474

4 ACE’s

Armoede

Werkloos

Drank risico partner N=188

Alleenstaand

N=299

Eigen drank risico N=58

N=167

N=287

N=368

Lage opleiding N=49

Trauma ouder N=87

Hoge opvoedstress N=270

Formele hulp totaal

81,2%

81,9%

81,8%

83,2%

65,5%

84,6%

80,4%

79,6%

90,8%

88,5%

GGZ Psychische en psychiatrische zorg

18,4%

26,5%

21,7%

23,5%

13,8%

17,0%

19,9%

30,6%

32,2%

27,0%

Verslavingszorg

0,6%

0,6%

1,4%

1,3%

1,7%

1,1%

0,8%

2,0%

2,3%

0,0%

Jeugd- en opvoedhulp

23,9%

17,5%

23,4%

26,2%

8,6%

25,0%

23,2%

26,5%

21,8%

23,7%

Hulp verstandelijke beperkingen

1,9%

1,2%

1,0%

2,3%

1,7%

2,1%

1,6%

0,0%

0,0%

4,8%

Hulp gericht op KM/HG

30,9%

25,9%

28,3%

28,2%

19,0%

27,7%

28,6%

20,4%

36,8%

29,3%

Wijkteam

5,7%

9,0%

5,9%

7,0%

5,2%

5,9%

4,6%

10,2%

10,3%

10,0%

Maatschappelijk werk/ zelfstandige psycho-/pedagogen

45,5%

48,8%

47,6%

47,3%

37,9%

44,7%

48,0%

40,8%

59,8%

53,3%

Medisch

41,2%

49,4%

42,3%

41,9%

29,3%

42,0%

43,1%

42,9%

56,3%

46,7%

Anders

0,6%

0,6%

1,4%

1,3%

0,0%

0,0%

1,4%

2,0%

0,0%

0,7%

Informele hulp (vrienden/familie/buren)

84,1%

84,3%

83,9%

84,6%

86,2%

85,6%

86,1%

71,4%

88,5%

85,9%

Geen hulp ouders

6,1%

4,2%

4,2%

4,4%

8,6%

5,3%

5,7%

4,1%

2,3%

2,6%

Bijna alle ouders krijgen steun van hun familie en vrienden, de informele hulp komt alleen wat minder voor bij ouders met een lagere opleiding. Wat betreft de ouders die geen hulp hebben ontvangen, kunnen we constateren dat er nog wel de nodige problemen spelen. Zo is bij driekwart van deze ouders wel sprake van partnergeweld (zie tabel 7.3). Maar over het algemeen genomen is het percentage ouders dat geen hulp heeft ontvangen en last heeft van traumaklachten of hoge opvoedstress beduidend lager dan voor de gezinnen die wel hulp hebben ontvangen. Dit betekent mogelijk dat er minder vaak sprake is van complexe, meervoudige problematiek, maar tegelijkertijd kunnen we ook constateren dat in deze gezinnen zonder hulp wel de nodige problemen spelen. 80

Tabel 7.3

Vergelijking tussen ouders die wel en geen hulp hebben ontvangen wat betreft achtergrondproblematiek Geen hulp ouders N=43

Wel hulp ouders N=589

Partnergeweld

75%

81%

4 ACE’s

16%

27%

Armoede

28%

46%

Werkloosheid

30%

48%

Eigen problematisch drankgebruik

13%

10%

Problematisch drankgebruik (ex)partner

27%

33%

Alleenstaand

49%

59%

Lage opleiding

4%

8%

Traumaklachten

5%

16%

Hoge opvoedstress

12%

30%

7.3.

Inventarisatie (in)formele hulpverleningstraject aan de kinderen

We hebben van 931 kinderen en tieners informatie over de formele hulp die zij ontvangen hebben gedurende de anderhalf jaar na melding bij Veilig Thuis. Ruim de helft van de kinderen heeft een vorm van formele hulp ontvangen, wat betekent dat 44% van de kinderen geen ondersteuning of hulp van een formele hulpvoorziening heeft ontvangen (zie tabel 7.4). Ruim twee op de vijf kinderen (43%) zeggen dat zij hulp hebben ontvangen, veelal van familie of vrienden. Als we kijken naar zowel de formele als de informele hulp, dan is er een groep kinderen (30%) die geen enkele vorm van hulp heeft ontvangen. Bijna een derde van de kinderen heeft hulp ontvangen van een specialistische tweedelijns voorziening. Daarnaast heeft één op de vier kinderen gesprekken gehad met iemand van het maatschappelijk werk of een zelfstandige psycholoog of pedagoog. Jeugd- en opvoedhulp is ingezet bij één op de

vier kinderen en ten slotte is psychische of psychiatrische zorg bij één op de vijf kinderen ingezet. Tabel 7.4 Voorzieningen waarvan kinderen en tieners hulp hebben ontvangen Kinderen (N=931)

Percentage

Formele hulp totaal

406

56,4%

Jeugdbescherming

10

71

7,6%

GGZ Psychische en psychiatrische zorg

168

18%

3

0,3%

Jeugd- en opvoedhulp

243

26,1%

Hulp verstandelijke beperkingen

21

2,3%

Hulp gericht op KM/HG

57

6,1%

Wijkteam

54

6,4%

Maatschappelijk werk/ zelfstandig psycho-/pedagogen

240

25,8%

Medisch

6

0,6%

Anders

41

4,4%

Informele hulp (vrienden/familie/buren)

397

42,6%

Geen hulp kinderen

285

30,6%

Verslavingszorg

In tabel 7.5 staat welke hulp de kinderen met een bepaald probleem hebben ontvangen. Hierin zien we dat tieners die probleemgedrag vertonen zoals delicten of gewelddadig gedrag veelal wel formele hulp ontvangen (70%). Vooral van de eerste lijn: maatschappelijk werk of zelfstandig psycholoog of pedagoog

10 Dit percentage wijkt af van de genoemde 25% in hoofdstuk 3, maar daar ging het over de gezinnen en hier gaat het om de kinderen. Als achtergrondvariabele in hoofdstuk 3 is meegenomen of in het gezin een kind ofwel een ots heeft, ofwel uithuisgeplaatst is. Aangezien we maar twee thuiswonende kinderen meenemen uit het gezin in het onderzoek en de gezinnen meer kinderen kunnen hebben, is dit de verklaring voor het verschil in percentages.

81

(44%) of jeugd en opvoeding (28%) of in de tweede lijn de GGZ-voorzieningen (32%). Kinderen met traumaklachten komen vooral bij de eerste en tweedelijns voorzieningen terecht: jeugd en opvoeding (38%) of maatschappelijk werk of zelfstandig psycholoog of pedagoog (33%), of in de tweede lijn de GGZ-voorzieningen (31%). Opvallend is dat anders dan de ouders, deze kinderen en tieners nauwelijks naar de huisarts gaan. Tabel 7.5 Welk percentage kinderen met achtergrondprobleem komt bij welke hulpvorm terecht? Kindermishandeling

Kindtrauma

Onveilig hechting

Emo onveilig

N=760

N=206

N=318

N=294

Probleem gedrag (alleen tieners) N=56

Formele hulp totaal

56,5%

70,1%

61,2%

62,9%

70,4%

Jeugdbescherming

7,5%

11,8%

7,8%

9,4%

11,1%

GGZ Psychische en psychiatrische zorg

18,6%

31,4%

23,5%

21,0%

31,5%

Verslavingszorg

0,4%

0,0%

0,7%

0,7%

0,0%

Jeugd- en opvoedhulp

24,6%

37,7%

24,8%

32,2%

27,8%

Hulp verstandelijke beperkingen

2,4%

2,9%

4,8%

3,5%

7,4%

Hulp gericht op KM/HG

7,2%

8,8%

10,9%

9,8%

16,7%

Anders

3,8%

4,9%

5,8%

4,9%

7,4%

Wijkteam

7,2%

8,0%

10,0%

9,8%

15,1%

Maatschappelijk werk/ zelfstandig psycho-/pedagogen

27,6%

33,3%

31,6%

28,7%

44,4%

Medisch

0,6%

0,5%

0,0%

1,0%

1,9%

Informele hulp (vrienden/ familie/buren)

45,1%

53,4%

57,5%

54,9%

83,3%

Geen hulp kinderen

30,0%

19,6%

22,1%

20,6%

9,3%

Bij 30% van de kinderen waarbij sprake is van kindermishandeling is geen formele of informele hulp betrokken. Eén op de vijf kinderen met traumaklachten

ontvangt geen hulp, net als één op de vier kinderen waarbij sprake is van onveilige hechting en één op de vijf kinderen waarbij sprake is van emotionele onveiligheid en één op de tien tieners waarbij sprake is van probleemgedrag. Een belangrijke conclusie is dat deze kinderen serieuze problemen hebben maar geen hulp hebben gekregen.

7.4.

Wat is het resultaat van de (in)formele hulpverlening voor de ouders?

In deze paragraaf worden de resultaten gepresenteerd van de relatie tussen de geboden formele en informele hulpverlening en ondersteuning enerzijds en de afname van het geweld gerapporteerd door de ouders en het welzijn van de ouders anderzijds. Evenals in de voorgaande hoofdstukken betreft geweld zowel partnergeweld (fysiek, psychisch, letsel, seksueel misbruik) als kindermishandeling (fysiek en/of psychisch geweld en verwaarlozing) (zie voor een uitgebreide beschrijving paragraaf 2.4.1). Wat betreft het welzijn van de ouders kijken we naar traumaklachten, opvoedstress en kwaliteit van leven. Aangezien we hier de resultaten presenteren op het niveau van de ouders en de kinderen, en niet zoals in de voorgaande hoofdstukken op gezinsniveau, wordt eerst de afname van de afhankelijke variabelen getoond op de drie verschillende meetmomenten. Daarna worden de resultaten weergegeven van de repeated measures (M)anova’s, waarbij alleen de significante verschillen met een effect size groter dan η 2=0.01 getoond en besproken worden. Zoals beschreven in de vorige paragraaf, hebben de meeste ouders meerdere vormen van hulp ontvangen, maar voor de analyses kijken we naar de afzonderlijke vormen van hulp. Dit betekent dat we de gecombineerde vormen niet meenemen. Het geeft dus een indicatie van de mogelijke relatie tussen de hulp van een afzonderlijke hulpsoort en de afname van het geweld.

Als er geen significante relatie is gevonden voor de afzonderlijke hulpsoorten, hebben we verder gekeken naar een hoger niveau, namelijk een combinatie van de eerste- of tweedelijns voorzieningen of naar een combinatie van alle formele en/of informele hulp. 82

7.4.1.

De relatie tussen geboden (in)formele hulp en ondersteuning en de afname van geweld

Hierbij is de data gebruikt zoals gerapporteerd door de ouders, over het partnergeweld en de kindermishandeling die hebben plaatsgevonden. In lijn met de bevindingen van hoofdstuk 4 zien we dat het geweld gerapporteerd door ouders over de drie metingen een significante afname van het geweld laat zien, met een gemiddeld tot groot effect (η2=.2, p<.001), zie de onderstaande figuur. Figuur 7.1

Afname van het totale geweld (HG/KM) gerapporteerd door ouders op de drie meetmomenten

70

Bij de overige hulpvormen zien we geen significant verschil in de afname tussen de groep die de betreffende hulpvorm wel en de groep die de betreffende hulpvorm niet heeft gekregen. Ook wat betreft de informele hulp die de ouders hebben ontvangen is er geen relatie zichtbaar met de afname van het geweld. De figuren laten overigens wel zien dat ook bij de gezinnen waar geen hulp of ondersteuning is geboden het geweld eveneens afneemt. In figuur 7.2 zien we een duidelijk grotere afname van geweld over de metingen in de groep die deze vormen van hulp wel heeft gekregen vergeleken met de groep die deze hulp niet heeft gekregen. Figuur 7.2 Verschil in afname van het geweld tussen ouders die deze vorm van hulp wel of niet ontvangen hebben 7.2a Gespecialiseerde hulp KM/HG

60

7.2b Maatschappelijk werk/zelfstandige peda-/psychologen

50 120

40

120

100

30

100

80

20

80

60

10 T0

T1

T2

Wat betreft de afname van het geweld gerapporteerd door ouders, zien we een relatie met drie specifieke hulpverleningsvormen. De categorie hulp specifiek gericht op huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis, multidisciplinaire aanpak (MDA++), vrouwenopvang en mannenopvang) laat het grootste effect zien op de afname van het geweld (η2=.04, p<.001), hoewel het effect op zichzelf nog altijd klein tot gemiddeld is (zie figuur 7.2a). Hulp vanuit het maatschappelijk werk of zelfstandige psychologen/pedagogen laat ook een klein effect zien op de afname van geweld (η2=.02, p<.05) tussen de groep die deze hulpvorm wel en de groep die deze hulpvorm niet heeft gekregen (zie figuur 7.2b).

60

40

40

wel hulp

20

geen hulp

0

0 T0

T1

T2

wel hulp geen hulp

20 T0

T1

T2

83

7.4.2. De relatie tussen geboden (in)formele hulp en het welzijn van ouders

Figuur 7.3 Verschil in afname van traumaklachten tussen ouders die wel of geen hulp ontvangen hebben voor alle (in)formele in totaal 7.3a Depressieklachten

Traumaklachten In de vragenlijst voor ouders wordt geen overall PTSS gemeten in de vorm van een score, maar wel in de vorm van een verdeling wel/geen klinisch trauma. Daarom is gekeken naar de traumasymptomen van de ouders die het meest met deze dichotome PTSS-indeling correleren. Depressie heeft de hoogste correlatie (.68), gevolgd door herbeleving (.63). Depressie laat een afname zien over drie metingen met een klein tot gemiddeld effect (η2=.12, p<.001). Wanneer we kijken of de hulp een bijdrage heeft geleverd aan deze afname, zien we bij geen van de verschillende hulpsoorten een significant effect van de hulp. Overigens zien we bij een aantal hulpsoorten wel dat er een verschil zit in de traumascores, in de zin dat de afname niet verschillend is tussen wel/geen hulp, maar dat de scores bij die vorm van hulp veel hoger liggen. Dat zien we bij de totale hulp (alle vormen, ook informele hulp incluis). Er zijn maar weinig ouders die helemaal geen hulp hebben gehad, maar hun depressiescores liggen veel lager dan bij de groep die wel één of andere vorm van hulp heeft gehad. Zie de onderstaande figuur 7.3a. Ook herbeleving laat een significante afname zien over de drie metingen, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (η2=.12, p<.001). Net als bij depressie zien we bij geen van de genoten hulpsoorten een significante bijdrage aan de afname over de drie metingen.

Wel zien we ook hier dat de groep die geen hulp heeft gehad duidelijk veel lagere traumascores heeft dan de groep die wel één of andere vorm van hulp heeft gehad, zie de onderstaande figuur 7.3b. Het niveau van de scores van de groep die geen hulp heeft gekregen is iets lager dan het ‘normale’ niveau, terwijl het niveau van de score van de groep die wel hulp heeft gekregen bij de eerste meting boven het normale gemiddelde lag en bij de derde meting rond het normale gemiddelde.

48

7.3b Herbeleving

48

wel hulp

46

44

wel hulp

46

44

geen hulp

42 T0

T1

T2

geen hulp

42 T0

T1

T2

Opvoedstress Wat betreft de opvoedstress van ouders zien we dat er over de drie metingen een significante afname met een klein effect is (η 2=.02, p<.01), zie de onderstaande figuur. Figuur 7.4 De afname van de opvoedstress over de drie meetmomenten 65 60 55 50 45 40 35 T0

T1

T2

84

Geen van de onderzochte hulpvormen had een significante bijdrage aan deze afname. Overigens zien we ook hier dat de populatie die (enige vorm van formele of informele) hulp heeft ontvangen, een veel grotere mate van opvoedstress liet zien dan de populatie die geen enkele vorm van hulp heeft gekregen, maar het verloop over de drie metingen verschilt niet significant. Voor de groep die wel hulp heeft gehad ligt het niveau van de opvoedstress bij alle metingen hoger dan het niveau in de ‘normale’ bevolking (zie tabel 5.1 in hoofdstuk 5), terwijl dit niveau bij de groep die geen hulp heeft gekregen op alle drie de metingen onder het ‘normale’ niveau van opvoedstress ligt.

gezien vanuit de moeder. In figuur 7.6 zien we over de drie metingen bij geen van beide een verandering in de hechting. Wanneer we naar de verschillende hulpsoorten kijken, zien we bij geen van de hulpvormen een effect. Overigens is het verschil tussen de hechting met de vader en de hechting met de moeder bij alle drie de metingen klein, waarbij de moeders iets hoger scoren (meer veiligheid in de hechting), maar wel significant, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (Cohen’s d tussen .26 en .36, p<.01). Figuur 7.6 Hechting met het kind volgens de ouders op de drie verschillende meetmomenten

Figuur 7.5 Verschil in afname van opvoedstress tussen ouders die wel of geen hulp ontvangen hebben voor de totale (in)formele hulp

hechting vader-kind hechting moeder-kind 5

65

4

60

3

55

2

50

wel hulp

45 40

geen hulp

1

T0

T1

T2

35 T0

T1

T2

Hechting tussen ouders en kinderen vanuit de ouders Het onderdeel hechting wordt verdeeld in twee groepen. Vanwege het feit dat we de gegevens van zowel vaders als moeders als kinderen verzamelen, hebben we dus informatie over de mening van de vaders over de hechting met het eigen kind, de mening van de moeders over de hechting met het eigen kind, en de mening van de kinderen over de hechting met vader en over de hechting met moeder. In de paragraaf over de kinderen gaan we in op de hechting tussen kinderen en beide ouders, hier bekijken we de hechting tussen vaders en kinderen, gezien vanuit de vaders, en de hechting tussen moeders en kinderen,

Kwaliteit van leven van de ouders Bij de kwaliteit van leven van ouders zien we over de drie metingen een significante toename met een klein effect (η2=.03, p<.001), zie de volgende figuur 7.7.

85

Figuur 7.7 Kwaliteit van leven volgens de ouders op de drie meetmomenten

7.5.

8.0 7.5 7.0 6.5 6.0 5.5 5.0 T0

T1

T2

Ook hier zien we bij geen van de aangeboden hulpvormen een significante bijdrage aan de toename van de kwaliteit van leven. Maar net als bij de trauma’s en de opvoedstress zien we wel een duidelijk verschil tussen de groep die hulp heeft gekregen en de groep die geen hulp heeft gekregen in het niveau van de kwaliteit van leven. Het blijkt dat de groep die geen enkele vorm van hulp heeft gekregen een veel grotere kwaliteit van leven had bij alle metingen, waarbij het verloop wat grilliger is. Overigens verschilt het verloop niet significant tussen beide groepen.

Wat is het resultaat van de (in)formele hulpverlening voor de kinderen?

In deze paragraaf worden de resultaten gepresenteerd met betrekking tot de relatie tussen de geboden formele en informele hulpverlening en ondersteuning en het welzijn van de kinderen. Wat betreft het welzijn van de kinderen kijken we naar traumaklachten, opvoedstress, emotionele onveiligheid van kinderen en tieners, en probleemgedrag en kwaliteit van leven van de tieners. Aangezien we hier de resultaten presenteren op het niveau van de kinderen en niet, zoals in de voorgaande hoofdstukken, op gezinsniveau, wordt eerst de afname van de afhankelijke variabelen getoond op de drie verschillende meetmomenten. Trauma Over de drie metingen zien we bij kinderen een significante afname van traumasymptomen. We kijken hierbij specifiek naar posttraumatische stress. We zien een afname waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (η2=.11, p<.001). Figuur 7.9 PTSS-klachten van de kinderen op de drie meetmomenten

Figuur 7.8 Verschil in toename van de kwaliteit van leven tussen ouders die wel of geen hulp ontvangen hebben

65

8.5

60

8.0

geen hulp

7.5

wel hulp

7.0 6.5

55 50 45

6.0

40

5.5

T0

5.0 T0

T1

T1

T2

T2

86

Bij vier verschillende hulpvormen zien we een significant verschil in de afname van de PTSS-klachten tussen de groepen die de betreffende hulpvorm wel of niet hebben gekregen. Het grootste effect zien we bij de formele specialistische hulpverlening, een koepelcategorie waarin verschillende hulpsoorten tezamen zijn genomen: de GGZ, jeugdbescherming en MEE. Hier is sprake van een klein tot gemiddeld effect (η2=.04, p<.001), waarbij de groep die deze hulp wel heeft gekregen een steilere afname laat zien dan de groep die deze hulp niet heeft gekregen. Binnen deze koepelcategorie zien we significante effecten bij de GGZ-hulp (psychisch, psychiatrisch), waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (η2=.03, p<.01). De groep die deze hulp wel kreeg liet een veel steilere afname zien. Tevens zien we binnen deze koepelcategorie een significant effect bij de hulp van de jeugdbescherming, waarbij sprake is van een klein effect (η2=.02, p<.01). De groep die deze hulp wel kreeg liet een steilere afname zien tussen de tweede en derde meting. Daarnaast zien we nog een klein maar significant effect (η2=.02, p<.01) van de formele overige hulp (wijkteams, (huis)arts, maatschappelijk werk/zelfstandige psycholoog/orthopedagoog) aan de kinderen, ten aanzien van de afname van de traumasymptomen.

Ook hier is sprake van een steilere afname over de drie metingen van de traumasymptomen bij de kinderen die deze vorm van hulp wel kregen, ten opzichte van de kinderen die deze vorm van hulp niet kregen. We zien dat alle scores bij de eerste meting ruim boven het normale gemiddelde (45-50) liggen, bij de derde meting zien we overal een substantiële daling, waarbij een aantal groepen het ‘normale’ bereik nadert.

Figuur 7.10 Verschil in afname van PTSS tussen kinderen die wel of geen hulp ontvangen hebben 7.10a Specialistische hulpverlening

7.10b GGZ-voorzieningen

65

65

60

60

55

wel hulp geen hulp

50 45

55

wel hulp

50

geen hulp

45

40

40 T0

T1

T2

T0

T1

T2

7.10c Jeugdbescherming 7.10d Formeel overig 65

65

60

60

55

wel hulp

55

wel hulp

50

geen hulp

50

geen hulp

45

45

40

40 T0

T1

T2

T0

T1

T2

Hechting tussen kinderen en ouders vanuit de kinderen Ten aanzien van de hechting tussen kinderen en beide ouders zien we min of meer hetzelfde beeld als bij de hechting tussen vader en moeder en kinderen. We zien geen verschil over de drie metingen en de kinderen waarderen de hechting met de moeder hoger dan de hechting met de vader, over alle drie de metingen. Hierbij is sprake van een klein tot gemiddeld effect (Cohen’s d 87

tussen .26 en .52; p<.001). Zowel bij de hechting met de vader als bij de hechting met de moeder zien we geen significante effecten van de hulp op het verloop van de scores. Figuur 7.11 Hechting met de vader en moeder op de drie meetmomenten hechting kind-vader hechting kind-moeder

5 4

Alleen de hulp van de Jeugdbescherming laat bij kinderen een significant effect zien ten aanzien van het verloop van de emotionele onveiligheid over de drie metingen. Hierbij is sprake van een klein effect (η2=.02, p<.01), waarbij de groep die wel deze vorm van hulp kreeg een steilere daling van de emotionele onveiligheid laat zien dan de groep die deze hulp niet heeft gehad. Overigens liggen alle scores van alle groepen nog altijd ruim boven (wat ‘onveiliger dan’ betekent) het ‘normale’ gemiddelde (8,6). Figuur 7.13 Verschil in afname van emotionele onveiligheid tussen kinderen die wel of geen jeugdbescherming ontvangen hebben

3

14 13

2

12 1

T0

T1

T2

11

geen hulp wel hulp

10

Emotionele onveiligheid Over de drie metingen zien we bij kinderen een significante afname van de emotionele onveiligheid. We zien een afname waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (η2=.09, p<.001). Figuur 7.12 Emotionele onveiligheid van kinderen op de drie meetmomenten 14 13 12 11

9 8 T0

T1

T2

Probleemgedrag Probleemgedrag is alleen gemeten bij de tieners die zelf de vragenlijsten hebben ingevuld. We zien over de drie metingen een heel lichte stijging van het probleemgedrag van de tieners. We zien geen significante toename of afname wat betreft probleemgedrag (vandalisme, een wapen gedragen, betrokken bij een vechtpartij, iemand in elkaar geslagen of iemand bedreigd hebben om geld) tussen de drie meetmomenten (zie figuur 7.14).

10 9 8 T0

T1

T2

88

Figuur 7.14 Probleemgedrag op de drie meetmomenten 10 9 8 8 6 5 4 3 2 1

Kwaliteit van leven De kwaliteit van leven van de tieners laat over de drie metingen een significante stijging zien waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (η2=.06, p<.05), de stijging zien we vooral tussen T0 en T1, daarna blijft het stabiel. Geen van de hulpverleningsvormen laat een effect op het verloop van de kwaliteit van leven van de tieners zien. Figuur 7.16 Kwaliteit van leven van tieners op de drie meetmomenten.

T0

T1

T2

Ten aanzien van de verschillende hulpsoorten zien we geen significante verschillen, met uitzondering van hulp specifiek gericht op huiselijk geweld en hulp bij kindermishandeling (hulp geboden door Veilig Thuis, MDA++). Hierbij is sprake van een klein tot gemiddeld effect (η2=.04, p<.05), waarbij de groep die deze vorm van hulp kreeg meer probleemgedrag vertoonde bij de start (T0) en tussen T0 en T1 een sterkere stijging liet zien, gevolgd door een daling tussen T1 en T2, terwijl de groep die deze hulp niet kreeg over de drie metingen een heel lichte stijging van probleemgedrag liet zien.

60 58 56 54 52 50 48 46 44 42 40 T0

7.6. Figuur 7.15 Verschil in afname van probleemgedrag tussen tieners die wel of geen gespecialiseerde hulp kindermishandeling ontvangen hebben 10 9 8 7 6 5 4 3 2 1

wel hulp geen hulp T0

T1

T2

T1

T2

Tevredenheid van gezinnen met de ontvangen hulp

De tevredenheid over de hulp is niet direct bevraagd, maar wordt samengesteld op basis van het oordeel van de deelnemers over het nut en het belang van de geboden hulp. Het betreft de periode vanaf de melding, dus de afgelopen anderhalf jaar. We bespreken dit onderwerp aan de hand van de antwoorden van de jongeren over de hulp aan henzelf, en de ouders over zowel de hulp aan henzelf als de hulp aan hun kinderen. Tevredenheid van jongeren over de ontvangen hulp Bij het programmeren van de vragen over het nut en belang is geen gebruik gemaakt van een open antwoordmogelijkheid en daardoor is de gebruikte indeling naar hulpcategorieën beperkter dan hiervoor besproken. 89

De jongeren gaven hun oordeel over de volgende hulpsoorten: z z

Informele hulp (hulp van vrienden en familie); Formele hulp totaal (alle formele hulp tezamen). „ Maatschappelijk werk/zelfstandige psychologen/pedagogen; „ GGZ-hulp; „ Jeugdhulp.

De jongeren konden alleen van de GGZ- en Jeugdhulp het nut aangeven. Dat betekent dat alleen van deze hulpvormen een gecombineerde nut/belang score werd gemaakt. Het belang werd gescoord door de jongeren op basis van een Likertschaal van 1 tot 5, waarbij 1 staat voor ‘heel belangrijk’ en 5 voor ‘heel onbelangrijk’, terwijl de middelste score 3 ‘niet belangrijk/niet onbelangrijk’ betekende. Het nut van de hulp werd gescoord met een 5-punts Likertschaal, waarbij 1 staat voor ‘heel goed geholpen’ en 5 voor ‘heel slecht geholpen’, de middelste score 3 betekent ‘niet goed, niet slecht geholpen’. De resultaten laten zien dat de jongeren over het algemeen vonden dat de hulp belangrijk was en dat de hulp nuttig was, c.q. hen goed had geholpen. Het belang wordt getoond in de onderstaande tabel (zie tabel 7.6). Ten aanzien van het belang van de hulp, zien we dat alle hulpvormen in principe redelijk goed scoren, waarbij de afzonderlijke hulpsoorten door meer dan de helft van de jongeren belangrijk worden gevonden. Er zijn slechts weinig jongeren die de hulp onbelangrijk vonden. De informele hulp scoort het hoogst en deze score is significant beter dan die van alle andere vormen. De verschillen laten een klein tot gemiddeld effect zien (Cohen’s d tussen .26 en .39, p< .05).

Tabel 7.6 Het belang van hulp voor jongeren (N=156) Score Belang

% (heel) belangrijk

% (heel) onbelangrijk

Informele hulp

2,08

60,6%

1,5%

Maatschappelijk werk/zelfst. psychologen/pedagogen

2,32

60%

12,5%

Veilig Thuis

2,44

62,5%

25%

GGZ

2,52

50%

13,3%

Jeugdhulp

2,39

56,5%

10,8%

Alle formele hulp

2,53

48,7%

15,4%

Het nut van de hulp werd bij minder hulpsoorten gemeten, dus daar hebben we minder informatie over. Ook hier geldt dat de scores over het algemeen positief zijn: bijna de helft van de jongeren vindt dat de hulp goed heeft geholpen en minder dan 10% vindt dat de hulp slecht heeft geholpen. We vinden geen significant verschil tussen de scores voor het nut van de verschillende hulpsoorten. Tabel 7.7 Nut van de hulp vanuit jongeren N=156 Score Nut

% (heel) goed geholpen

% (heel) slecht geholpen

GGZ

2,50

50%

10%

Jeugdhulp

2,37

48,9%

6,7%

Wanneer we naar de combinatie van nut en belang kijken, krijgen we een goed idee van hoe tevreden de jongeren zijn over de hulpverlening. Hieronder worden zowel het nut als het belang van de hulp besproken. Op basis hiervan wordt een productterm geformuleerd die het gecombineerde nut/belang weergeeft, hetgeen we aanduiden met ‘tevredenheid’. Op deze manier kunnen we vaststellen welke hulp als het nuttigst en belangrijkst werd beoordeeld. De score hierbij is minimaal 1, waarbij men heel tevreden is, men vindt de hulp heel belangrijk en de hulp heeft heel goed geholpen. De maximale waarde

90

is 25, waarbij men heel ontevreden is, de hulp was heel onbelangrijk en heeft heel slecht geholpen. We zien dat de gemiddelde scores laag zijn, hetgeen duidt op tevredenheid van de jongeren. Rond de 50% van de jongeren is (heel) tevreden over de hulp en minder dan 10% van de jongeren is ontevreden over de hulp. Ontevredenheid kan zich ook uiten wanneer men de hulp wel belangrijk vond, maar dat men vond dat deze (helemaal) niet heeft geholpen. Er zijn maar twee jongeren (1%) die dit aangeven (voor twee verschillende hulpvormen). De gevonden verschillen tussen de scores voor de hulpvormen zijn niet significant. Tabel 7.8 Tevredenheid van jongeren over hulp, Nut * belang N=156 Score Nut

% (heel) tevreden

% (heel) ontevreden

GGZ

7,51

53%

10%

Jeugdhulp

6,57

44,4%

4,4%

Tevredenheid van ouders over hulp aan ouders Allereerst wordt hier de tevredenheid van de ouders over de hulp aan henzelf besproken. De ouders gaven hun oordeel over de volgende hulpsoorten: z z

Informele hulp (hulp van vrienden, bekenden, familie en buren); Formele hulp totaal (alle formele hulp tezamen).

Deze categorie wordt verder onderverdeeld naar: z Maatschappelijk werk; z Wijkteam; z Veilig Thuis; z Huiselijk geweld & Kindermishandeling; z Jeugd- & opvoedingsondersteuning; z Verslavingszorg; z GGZ-hulp; z Medische hulp.

De ouders vinden de hulp aanzienlijk meer van belang dan de jongeren (zie tabel 7.9). Vooral de informele hulp wordt door vrijwel iedereen belangrijk gevonden, slechts 0,6% vindt de informele hulp onbelangrijk. De score van de informele hulp verschilt significant van die van de meeste andere hulpsoorten, waarbij sprake is van een klein tot groot effect (Cohen’s d tussen .22, p< .05 en .74, p< .001). Uitzondering is de score van het maatschappelijk werk, die niet significant verschilt van het belang dat ouders hechten aan de informele hulp. De hoogste score (het minst belangrijk) vinden we bij de hulp van Veilig Thuis; hier vindt 67% de hulp belangrijk en 11% vindt de hulp onbelangrijk. Van de reguliere hulpsoorten worden het maatschappelijk werk en de medische hulp het meest belangrijk gevonden. Tabel 7.9 Belang van de hulp aan de ouders, N=633 Score Belang

% (heel) belangrijk

% (heel) onbelangrijk

Informele hulp

1,59

89%

0,6%

Maatschappelijk werk

1,73

84,8%

1%

Wijkteam

1,95

76,3%

6,4%

Veilig Thuis

2,24

66,9%

11%

Huiselijk geweld & Kindermishandeling

2,13

69,3%

9,8%

Jeugd- & opvoedingsondersteuning

1,91

76,3%

5,1%

Verslavingszorg

1,91

81,7%

8,6%

GGZ-hulp

1,89

80,5%

7,2%

Medische hulp

1,75

84,6%

1,6%

Formele hulp totaal

1,89

75,4%

2,6%

Alle hulp samen

1,74

79,6%

0,5%

Ouders zijn positiever over het nut van de hulp dan de jongeren (hoe lager het cijfer: beter geholpen) maar de scores zijn wel significant hoger (negatiever) dan de scores voor het belang. Wederom zien we dat de informele hulp 91

voor de meeste ouders (83%) goed heeft geholpen, en maar 0,2% van de ouders vindt dat de hulp slecht heeft geholpen. De hoogste scores (hulp het minst nuttig) vinden we bij Veilig Thuis en hulp ten aanzien van Huiselijk geweld & Kindermishandeling, hier vinden we ook dat minder dan de helft van de ouders vindt dat de hulp goed heeft geholpen en respectievelijk 21,4% en 19,6% vindt dat de hulp slecht heeft geholpen. Net als bij het belang wordt ook hier door de ouders aangegeven dat van de reguliere organisaties de hulp van het maatschappelijk werk en de huisarts als meest nuttig worden ervaren.

In vergelijking met de jongeren zijn de scores van de ouders lager (dus positiever), hetgeen duidt op meer tevredenheid van de ouders. Rond de 70% van de ouders is tevreden over de hulp en minder dan 1% van de ouders is ontevreden over de hulp. Ook bij de ouders is nog gekeken of er ook ouders zijn die de hulp wel belangrijk vonden, maar vonden dat deze (helemaal) niet heeft geholpen. Net als bij de jongeren betrof het hier twee ouders (0,3%), die dit aangeven voor twee verschillende hulpvormen. Tabel 7.11 Tevredenheid over de hulp aan ouderen, Nut * Belang (N=633)

Tabel 7.10 Nut van de hulp aan de ouders

Score Nut*belang

% (heel) tevreden

% (heel) ontevreden

Informele hulp

2,89

83,4%

0%

Maatschappelijk werk

3,71

72,7%

0%

Score Nut

% (heel) goed geholpen

% (heel) slecht geholpen

Informele hulp

1,70

83%

0,2%

Maatschappelijk Werk

1,93

71,7%

1%

Wijkteam

5,05

63,6%

3,5%

Wijkteam

2,26

65,3%

11,6%

Veilig Thuis

6,91

44,8%

7,6%

Veilig Thuis

2,76

43,4%

21,4%

Huiselijk geweld & Kindermishandeling

6,39

48,5%

6,7%

Huiselijk geweld & Kindermishandeling

2,65

47,2%

19,6%

Jeugd- & opvoedingsondersteuning

4,85

60,2%

2,5%

Jeugd & opvoedingsondersteuning

2,30

58,5%

11%

Verslavingszorg

5,34

67,7%

6,5%

Verslavingszorg

2,32

65,6%

16,1%

GGZ-hulp

4,66

68,8%

3,4%

GGZ-hulp

2,13

66,8%

9,2%

Medische hulp (vooral huisarts)

3,62

76,9%

0,4%

Medische hulp (vooral huisarts)

1,86

77,7%

1,2%

Formele hulp totaal

4,45

64,3%

1,6%

Formele hulp totaal

2,13

61,9%

4,8%

Alle hulp samen

3,54

71%

0,2%

Alle hulp samen

1,90

68,9%

1%

De algehele tevredenheid over de hulpverlening wordt ook hier weergegeven door de combinatie van nut en belang. De score hierbij is minimaal 1, waarbij men heel tevreden is: men vindt de hulp heel belangrijk en vindt dat die heel goed heeft geholpen. De maximale waarde is 25, waarbij men heel ontevreden is: de hulp was heel onbelangrijk en heeft heel slecht geholpen.

92

Tevredenheid van ouders over de geboden hulp aan de kinderen Ten slotte wordt hier de tevredenheid van de ouders over de hulp aan de kinderen besproken. De ouders gaven hun oordeel over de volgende hulpsoorten: z z

Informele hulp (hulp van vrienden, bekenden, familie en buren); Formele hulp totaal (alle formele hulp tezamen). „ Wijkteam; „ Jeugd- & opvoedingsondersteuning; „ GGZ-hulp.

De ouders vinden de hulp aan de kinderen over het algemeen (heel) belangrijk, toch zijn de scores hoger (minder belangrijk) dan hoe zij de hulp aan henzelf beoordelen. De scores zijn echter lager (belangrijker) dan het oordeel van de jongeren over het belang. Ook hier wordt wederom de informele hulp als het belangrijkst beoordeeld. Overigens verschilt deze score niet significant van de score voor de GGZ-hulp. Deze twee scoren wel significant belangrijker dan de andere hulpsoorten, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (Cohen’s d tussen .25 en .47, p< .001). Over alle hulpsoorten bezien, vindt minder dan 5% van de ouders de hulp (heel) onbelangrijk.

De scores voor het nut van de hulp aan de kinderen zijn gemiddeld hoger (negatiever: slechter geholpen) dan bij de hulp aan de ouders, ook zijn de scores hoger (negatiever) dan de scores voor het belang (zie tabel 7.12). Wederom zien we het grootste percentage bij de informele hulp, waarbij bijna driekwart vindt dat de hulp (heel) goed heeft geholpen. Bijna 5% vindt dat de hulp slecht heeft geholpen. De hoogste score (hulp het minst nuttig) vinden we bij Jeugd- & opvoedingsondersteuning, echter ook daar vindt nog altijd ruim 50% van de ouders dat de hulp (heel) goed heeft geholpen, terwijl 12,5% vindt dat de hulp slecht heeft geholpen. Van de reguliere organisaties wordt de hulp van het Wijkteam en de GGZ als het meest nuttig ervaren. Tabel 7.13 Nut van de hulp aan de kinderen, N=694 Score Nut

% (heel) goed geholpen

% (heel) slecht geholpen

Informele hulp

2,03

74,3%

4,7%

Wijkteam

2,23

64,9%

7,4%

Jeugd- & opvoedingsondersteuning

2,47

51%

12,5%

GGZ-hulp

2,20

60,7%

8%

Formele hulp totaal

2,35

53,3%

8,1%

Alle hulp samen

2,24

58,7%

6%

Tabel 7.12 Belang van de hulp aan de kinderen volgens de ouders, N=694 Score Belang

% (heel) belangrijk

% (heel) onbelangrijk

Informele hulp

1,70

86,4%

1%

Wijkteam

2,07

71,3%

6,4%

Jeugd- & opvoedingsondersteuning

2,12

63,8%

8,5%

GGZ-hulp

1,73

80,4%

4,5%

Formele hulp totaal

2,04

67,4%

5,7%

Alle hulp samen

1,95

71,3%

3,2%

De algehele tevredenheid over de hulpverlening aan de kinderen wordt weergegeven door de combinatie van nut en belang. De score hierbij is minimaal 1, waarbij men heel tevreden is: men vindt de hulp heel belangrijk en vindt dat die heel goed heeft geholpen. De maximale waarde is 25, waarbij men heel ontevreden is: de hulp was heel onbelangrijk en heeft heel slecht geholpen.

93

Tabel 7.14 Tevredenheid over hulp aan de kinderen, Nut * Belang (N=694) Score Nut*belang

% (heel) tevreden

% (heel) ontevreden

Informele hulp

3,70

75,4%

0%

Wijkteam

5,11

57,4%

4,3%

Jeugd- & opvoedingsondersteuning

5,88

52,3%

6,5%

GGZ-hulp

4,30

67,9%

0,9%

Formele hulp totaal

5,33

56,5%

4,2%

Alle hulp samen

4,83

60,8%

2,7%

In vergelijking met de hulp aan de ouders zijn de scores van de ouders voor de hulp aan de kinderen iets hoger (dus negatiever), maar nog altijd lager (dus positiever) dan de jongeren, hetgeen duidt op tevredenheid van de ouders over de hulp aan de kinderen. Rond de 60% van de ouders is tevreden over de hulp en minder dan 3% van de ouders is ontevreden over de hulp. Ook bij de hulp aan de kinderen is nog gekeken of er ook ouders zijn die de hulp wel belangrijk vonden, maar vonden dat deze (helemaal) niet heeft geholpen. Het betrof hier hulp aan tien kinderen (1,4%) waarbij we dit vonden, opvallend genoeg bij vier kinderen ten aanzien van informele hulp en bij zeven kinderen ten aanzien van jeugd- en opvoedingsondersteuning.

7.7.

Conclusie

De meeste ouders krijgen een vorm van formele of informele hulp en ondersteuning in de periode van anderhalf jaar na de melding bij Veilig Thuis. Eén op de vijf ouders heeft echter geen formele hulp ontvangen in die periode. De formele hulp die ouders hebben ontvangen betreft vooral het maatschappelijk werk, zelfstandige pedagogen of psychologen (57%) of specialistische tweedelijns voorzieningen zoals de GGZ (42%). Ook medische hulp, vooral de huisarts, is door ruim één op de drie ouders genoemd. Eén op de vijf noemt hulp die specifiek gericht is op de problematiek van kindermishandeling of partnergeweld,

zoals geboden door Veilig Thuis, de MDA++ aanpak of de opvang. Het merendeel van de ouders heeft informele hulp ontvangen, veelal van familie, vrienden of buren (83%). Ruim de helft van de kinderen heeft een vorm van hulp ontvangen gedurende de anderhalf jaar na melding van het gezin bij Veilig Thuis. Evenals bij de ouders worden de specialistische tweedelijns voorzieningen het vaakst genoemd (31%), gevolgd door jeugd- en opvoedhulp (26%), en het maatschappelijk werk en de zelfstandige psychologen (26%). Ruim twee op de vijf kinderen hebben ook hulp of steun ontvangen, veelal van familie of vrienden. Dit betekent dat er toch een grote groep is die geen formele hulp heeft ontvangen (43%), terwijl 30% van de kinderen noch formele, noch informele hulp heeft ontvangen. Bij zowel de ouders als de kinderen die geen hulp of ondersteuning hebben ontvangen, zien we dat er en hulp ten aanzien van Huiselijk geweld & Kindermishandeling, hier vinden we ook dat minder dan de helft van de ouders vindt dat de hulp goed heeft geholpen en respectievelijk 21,4% en 19,6% vindt dat de hulp slecht heeft geholpen. Zowel de ouders als de kinderen zijn tevreden over de hulp en ondersteuning die zij gekregen hebben van formele hulpverlening en van vrienden of familie.

Een belangrijke onderzoeksvraag is of er een relatie is tussen enerzijds de geboden hulp, en anderzijds de afname van de kindermishandeling en het partnergeweld in het gezin en een toename van het welzijn van zowel de kinderen als de ouders. Ten aanzien van het geweld zien we dat bij de gezinnen die te maken hebben gehad met de vrouwenopvang of de MDA++ aanpak, die dus te maken hadden met acute onveiligheid, er sprake is van een sterkere afname van het geweld dan bij de gezinnen die deze hulp niet hebben ontvangen. We zien ook een sterkere afname van het geweld bij de gezinnen die hulp hebben ontvangen van het maatschappelijk werk of zelfstandige psychologen. Ook op het niveau van de kinderen zien we dat er een verschil is tussen kinderen die wel en die geen hulp hebben ontvangen. Bij de kinderen die wel hulp hebben ontvangen vanuit de psychiatrie, het maatschappelijk werk of de jeugdbescherming nemen de traumaklachten sterker af. Bij kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel neemt de emotionele veiligheid sterker toe. 94

We zien deze resultaten niet terug op het niveau van het welzijn van de ouders. Mogelijk dat er methodologische oorzaken zijn in de wijze van onderzoeken die dit resultaat kunnen verklaren. De meeste ouders hebben namelijk meerdere vormen van hulp ontvangen terwijl wij kijken naar categorieën van samengenomen hulpsoorten. De resultaten roepen echter ook de vraag op hoe gericht de hulpverlening ingezet wordt. Met andere woorden: krijgen de ouders wel de juiste hulp voor de complexe problematiek die er in deze gezinnen speelt? Een uitkomst die daarop wijst, is de geringe inzet van de verslavingszorg of een instelling gericht op ouders met een verstandelijke beperking, terwijl dit gezien de problematiek bij deze gezinnen wel nodig lijkt te zijn.

95

8 8.1.

Wat als het geweld niet stopt? Inleiding

Uit de vierde meting van de eerste cohortstudie bleek dat het beter met de kinderen gaat als het geweld daadwerkelijk stopt. De resultaten van de studie van Lünnemann en collega’s (2020) laten zien hoe belangrijk het is dat het geweld daadwerkelijk stopt. Zij vonden een significante verbetering van zowel het welzijn als de emotionele veiligheid van de kinderen en een verbetering van de relatie met hun ouders als het geweld daadwerkelijk gestopt was. Een afname van het geweld is op zich een goede zaak, maar het is onvoldoende. Hun conclusie was dat het voortduren van het geweld, ook al vindt het in mindere mate plaats, ervoor zorgt dat kinderen onveiligheid blijven ervaren en de psychische klachten en het probleemgedrag worden versterkt. Reden om ook in dit onderzoek na te gaan of we deze resultaten ook in deze tweede cohortstudie konden vinden. In dit hoofdstuk gaan we daarom in op de vraag waarom er in sommige gezinnen op de derde meting in het afgelopen half jaar geen incidenten kindermishandeling of partnergeweld meer plaatsvonden, terwijl dit in andere gezinnen voortduurde.

Waarin verschillen de gezinnen waarin het geweld is gestopt van de andere gezinnen? Hebben ze bijvoorbeeld andere vormen van hulp ontvangen die eraan bijgedragen hebben dat de kindermishandeling en het partnergeweld daadwerkelijk zijn gestopt? Tevens gaan we in dit hoofdstuk in op de vraag of het stoppen van kindermishandeling en partnergeweld ertoe leidt dat het welzijn van de ouders

en kinderen meer toeneemt in vergelijking met de groep waarin die nog voortduren.

8.2.

Verschillen de gezinnen waar het geweld gestopt is van de andere gezinnen?

In totaal hebben we van 545 gezinnen gegevens over of er wel of niet sprake is van kindermishandeling of partnergeweld. In 157 gezinnen (29%) is er geen sprake meer van kindermishandeling of partnergeweld op het derde meetmoment (T2). In 388 gezinnen (71%) vindt er nog mild of ernstig en frequent kindermishandeling of partnergeweld plaats. In dit hoofdstuk hebben we gekeken naar de verschillen tussen de groep waar op de derde meting geen incidenten kindermishandeling en/of partnergeweld meer voorkomen, de zogeheten groep ‘geen geweld’ en de groep waar nog wel incidenten plaatsvinden op de derde meting, de zogeheten groep ‘wel geweld’. Als we kijken naar het gemiddelde aantal incidenten dat er speelde op de eerste meting, dan waren er in de groep ‘geen geweld’ gemiddeld minder incidenten (58 incidenten) dan bij de andere groep waar nog steeds geweld speelt (89 incidenten). Hoewel er duidelijk sprake is van een significant verschil op alle drie de meetmomenten tussen beide groepen, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (η2=.06, p<.001), is er geen verschil in verloop in de tijd (zie figuur 8.1). Met andere woorden: het geweld is vergelijkbaar afgenomen voor beide groepen. In beide groepen is er een duidelijke afname van het aantal incidenten.

Voor de groep ‘geen geweld’ was dit een daling van 58 incidenten naar 0 incidenten en voor de groep ‘wel geweld’ een daling van 89 incidenten naar gemiddeld 30. Wat betreft kindermishandeling zien we eenzelfde resultaat. In 26% van de gezinnen is er geen sprake meer van kindermishandeling op het derde meetmoment. Er is een duidelijk verschil op alle drie de meetmomenten tussen

96

beide groepen, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (η2=.07, p<.001), maar er is geen verschil in afname in de loop der tijd (zie figuur 8.2). In 26% van de gezinnen is geen sprake meer van partnergeweld; ook hier zien we dezelfde afname in de tijd, waarbij voor de groep ‘wel geweld’ op alle drie de meetmomenten het gemiddeld aantal incidenten veel hoger was, waarbij sprake is van een klein effect (η2=.03, p<.001), maar waarbij er geen verschil was in de afname in de loop der tijd (zie tabel 8.3). We kunnen concluderen dat voor de groep waar anderhalf jaar na de melding bij Veilig Thuis het geweld daadwerkelijk is afgenomen, veel minder sprake was van incidenten kindermishandeling en partnergeweld, aangezien het gemiddelde aantal incidenten significant veel lager lag ten tijde van de melding. De afname van het aantal incidenten neemt voor beide groepen in de anderhalf jaar na de melding vergelijkbaar af. Figuur 8.1

Verschil tussen wel en geen geweld en het gemiddelde aantal incidenten HG/KM op de drie meetmomenten.

Figuur 8.2 Verschil tussen wel en geen geweld en het gemiddelde aantal incidenten kindermishandeling op de drie meetmomenten Gemiddelde score op ‘Kindermishandeling’ 12.5 10.0 7.5

wel geweld

5.0 2.5 0.0 T0

T1

geen geweld T2

Figuur 8.3 Verschil tussen wel en geen geweld en het gemiddelde aantal incidenten partnergeweld op de drie meetmomenten Gemiddelde score op ‘Partnergeweld’ 80

Gemiddelde score op ‘Totaal geweld’ 60

100 80

40

60 20

wel geweld

40 wel geweld

20

0 T0

0 T0

T1

geen geweld T2

T1

geen geweld T2

Duidelijk is dat de gezinnen verschillen wat betreft de frequentie en aard van het geweld. Op het moment van de eerste meting, de melding bij Veilig Thuis, zijn er in de groep ‘wel geweld’ gemiddeld meer geweldsincidenten op jaarbasis dan in de groep geen geweld. Daarentegen zien we geen verschil tussen beide groepen als het gaat om serieus geweld. Er is wel een verschil als we kijken naar het percentage gezinnen waar sprake is van mild geweld; deze is lager in de groep ‘geen geweld’ en hoger in de groep ‘wel geweld. 97

Ten slotte is nagegaan of er sprake is van een verschil in groepen wat betreft achtergrond en eventuele risicofactoren. Wat betreft opleidings- en inkomensniveau zijn beide groepen zo goed als gelijk. Er is geen verschil wat betreft het aantal alleenstaande ouders en het wel of niet hebben van betaald werk. Ook wat betreft de risicofactoren, zoals het zelf meegemaakt hebben van kindermishandeling in de eigen jeugd, alcoholgebruik, of de cumulatie van deze achtergrond en risicofactoren, is er geen verschil tussen beide groepen.

8.3.

Hebben de gezinnen waar het geweld gestopt is andere hulp ontvangen dan de andere gezinnen?

Een mogelijke verklaring voor het feit dat de kindermishandeling en het partnergeweld daadwerkelijk zijn gestopt, is dat de soort hulpverlening die deze gezinnen hebben ontvangen hieraan heeft bijgedragen. Deze vraagstelling is apart bekeken voor de hulp aan de ouders en de hulp aan de kinderen. Bij beide is gekeken of er een verschil is in de groep waar het geweld is gestopt en de groep waar het geweld niet is gestopt. Alle hulpsoorten zijn op deze manier getoetst. Bij de hulp aan de ouders zien we een significant verschil bij de categorie specifiek gericht op huiselijk geweld/kindermishandeling (Veilig Thuis, MDCK, mannen- en vrouwenopvang). In de groep die deze vorm van hulp kreeg zitten significant minder ouders waarbij het geweld is gestopt dan in de groep die deze vorm van hulp niet heeft gekregen. Hierbij is sprake van een klein tot gemiddeld effect (φ= –.13, p<.01). Ten aanzien van de hulp van het maatschappelijk werk en zelfstandige psychologen en pedagogen zien we hetzelfde verschijnsel: bij significant minder ouders in deze groep is het geweld gestopt in vergelijking met de groep die

deze hulp niet heeft gekregen. Hierbij is sprake van een klein tot gemiddeld effect11 (φ= –.22, p<.001). Wat betreft de hulp aan de kinderen (en tieners) zien we dat er bij de groep die hulp heeft gekregen van de wijkteams significant minder kinderen zitten waar het geweld is gestopt, in vergelijking met de groep die deze hulp niet heeft gekregen. Hierbij is sprake van een klein effect (φ= –.07, p<.05). Ook bij de groep die hulp kreeg van het maatschappelijk werk en zelfstandige psychologen en pedagogen zien we dit verschijnsel: bij significant minder kinderen in deze groep is het geweld gestopt in vergelijking met de groep die deze hulp niet heeft gekregen. Hierbij is sprake van een klein effect (φ= –.07, p<.05). Ten slotte zien we bij kinderen die informele hulp kregen hetzelfde effect. Ook hier is bij significant minder kinderen het geweld gestopt in vergelijking met de kinderen die geen informele hulp kregen. Hierbij is sprake van een klein tot gemiddeld effect (φ= –.21, p<.001). Voor de andere vormen van hulpverlening, zoals de jeugdbescherming, is er dus geen verschil voor beide groepen.

8.4.

De vraag is of het uitmaakt of het geweld daadwerkelijk stopt

8.4.1. Niveau van de kinderen Met behulp van een repeated measure (M)Anova is geanalyseerd of de afname van de problemen van de kinderen verschilt voor de gezinnen waar ‘geen geweld’ is en die waar ‘wel geweld’ is. Als we kijken naar de kinderen, dan hebben we de gegevens van 475 kinderen op de drie meetmomenten. Bij één

11 Het effect van een chi kwadraat toets (χ2) wordt bepaald op basis van de waarde van phi (φ), die hetzelfde betekent als een correlatie, waarbij positieve en negatieve waarden mogelijk zijn tussen -1 en +1, waarbij geldt dat .1 staat voor een klein effect, .3 staat voor een gemiddeld effect en .5 of groter staat voor een groot effect.

98

op de vijf kinderen (21%) is er op het derde meetmoment geen sprake meer van kindermishandeling of partnergeweld.

Figuur 8.5 Gemiddelde PTSS-klachten voor kinderen uit de groepen ‘wel’ en ‘geen’ geweld op de drie meetmomenten Gemiddelde score op ‘PTSS kind’

Traumaklachten Wat betreft traumaklachten zien we dat bij de groep kinderen waar ‘wel geweld’ is op het moment van melding veel meer kinderen traumaklachten vertonen dan bij de kinderen waar sprake is van ‘geen geweld’ (zie figuur 8.4), maar het verschil is niet significant. Er is wel een klein significant verschil op de derde meting tussen beide groepen (p<.05). Wat betreft de afname van het percentage kinderen met traumaklachten is er geen verschil tussen beide groepen. Figuur 8.4 Gemiddelde traumaklachten voor kinderen uit de groepen ‘wel’ en ‘geen’ geweld op de drie meetmomenten Percentage ‘Trauma kind’ 40% 35% 30% 25%

wel geweld

20% 15%

geen geweld T0

T1

T2

We hebben ook apart gekeken voor de verschillende soorten traumaklachten; we zien dan voor alle klachten (angst, depressie, woede, dissociatie en seksuele zorgen) eenzelfde beeld. In de groep ‘wel geweld’ zijn de klachtpercentages iets hoger, maar niet significant. En wat betreft de afname van de klachten in de tijd is er ook geen verschil. Alleen als we kijken naar PTSS, zien we dat op het derde meetmoment de groep ‘geen geweld’ significant lager scoort dan ‘wel geweld’. Maar ook hier zien we dat er geen significant verschil is wat betreft de afname over de drie metingen tussen beide groepen.

58 56 54 wel geweld

52 50

geen geweld

48 T0

T1

T2

Hechting Wat betreft de hechting vanuit het kind zien we dat bij de eerste meting hechting met vader en moeder niet verschilt tussen de groepen. Bij de tweede meting verschilt hechting met de moeder ook niet tussen de twee groepen, maar hechting met de vader wel; kinderen waar het geweld is gestopt rapporteren een veiliger hechting met de vader. Rapportage van de ouders over de hechting met hun kind laat zien dat er een verschil is tussen de groepen ‘wel’ en ‘geen geweld’ op alle drie de meetmomenten. Moeders uit de groep ‘geen geweld’ rapporteren een betere hechting dan die uit de groep ‘wel geweld’, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (η2=.05, p<.001). Hetzelfde geldt voor de vaders: we zien een betere hechting als het geweld gestopt is, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (η2=.05, p<.01). Zoals we al in hoofdstuk 6 hebben gezien, is er niet echt sprake van een toe- of afname van een veilige hechting met de ouders. Dit is hetzelfde voor de groepen ‘wel’ en ‘geen geweld’. Er is geen verschil tussen beide groepen over de drie meetmomenten.

99

Emotionele onveiligheid Wat betreft de emotionele onveiligheid zien we dat bij kinderen de gemiddelde emotionele onveiligheid al groter is op de eerste meting bij de groep ‘wel geweld’, en bij de derde meting is dat nog steeds zo. Er is een significant verschil tussen beide groepen, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (η2=.06, p<.001). Figuur 8.6 Gemiddelde emotionele onveiligheid voor kinderen uit de groepen ‘wel’ en ‘geen’ geweld op de drie meetmomenten Gemiddelde score op ‘Emotionele veiligheid’ 13 12 11

wel geweld

10 9

Opvallend is dat er voor alle vier de schalen van onveiligheid, de groep kinderen die niet meer te maken hebben met geweld veiliger scoort dan de referentiegroep, terwijl de groep kinderen waar nog wel geweld speelt nog steeds hoger scoort ten opzichte van de referentiegroep. Probleemgedrag van de kinderen Het probleemgedrag van jongeren betreft in dit onderzoek de volgende onderwerpen: blijven zitten op school; spijbelen; vandalisme; winkeldiefstal; bedreiging om geld; het dragen van een wapen; betrokken zijn bij een vechtpartij; iemand in elkaar slaan; opgepakt zijn door de politie. Wat betreft het probleemgedrag van jongeren vertoont de groep jongeren waar ‘geen geweld’ is bij de eerste meting minder probleemgedrag (gemiddeld minder dan 1 incident, 0,9) dan de groep waar ‘wel geweld’ is (gemiddeld 1,6 incident). In beide groepen neemt het probleemgedrag van jongeren toe, maar in de ‘geen geweld’-groep wel zodanig meer dat de incidentie op de derde meting (T2) ongeveer gelijk is aan de ‘wel geweld’-groep (1,84 en 1,85). Toch is er geen significant verschil tussen beide groepen in de toename van het probleemgedrag.

geen geweld

8 T0

Tabel 8.1

T1

T2

Gemiddelde emotionele onveiligheid voor kinderen uit de groepen ‘wel’ en ‘geen’ geweld op het derde meetmoment Effect verschil wel/geen geweld 0ver T0-T1-T2

Geen geweld

Wel geweld

Referentie groep

Emotionele bemoeienis

8,3

10,9

8,6

η2=.06

p<.001

Gedragsregulatie

3,2

3,5

3,2

η =.02

p<.050

Openlijke vermijding

8.1

10,6

9,7

η2=.07

p<.001

Openlijke bemoeienis

7,5

10,1

9,2

η2=.09

p<.001

Derde meting (T2)

2

Kwaliteit van leven De kwaliteit van leven was voor beide groepen bij de eerste meting ongeveer gelijk, maar bij de tweede en derde meting scoren kinderen waar het geweld gestopt is significant beter op hun algehele kwaliteit van leven, het verloop over de drie metingen verschilt significant van de kinderen waar het geweld voortduurt, waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect (η2=.07, p<.05). De data laten zien dat kwaliteit van leven voor de groep waar geen kindermishandeling of partnergeweld meer speelt duidelijk is toegenomen, terwijl dit voor de groep waar nog wel geweld speelt ongeveer hetzelfde blijft.

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12266148/1