20210628462 Verwey Jonker Kwestie van lange adem
Tekst van het document
‘welwillendheid en vindingrijkheid’ van het kind een positieve relatie hebben met een warme opvoedingsstijl. Als kinderen een hoge mate van extraversie vertonen, is er een relatie met controlerende en overbeschermende opvoedingsstijlen. Emotionele instabiliteit van kinderen wordt ook gezien als een voorspeller van opvoedstress (Slagt, Dubas, Deković, & van Aken, 2016). Anderzijds wordt er een relatie tussen de persoonlijkheid van het kind en de opvoedstress van de ouders gevonden (Stoltz, Beijers, Smeekens & Deković, 2017). Traumaklachten van de kinderen Traumasymptomen van kinderen worden door middel van twee vragenlijsten gemeten, namelijk een ouderversie en een kindversie. Ouders vullen over hun kinderen van 3 tot 12 jaar de Nederlandse vertaling in van de Trauma Symptom Checklist for Young Children (TSCYC; Tierolf & Lamers-Winkelman, 2014). Hierbij vullen ouders 90 items in op een 4-punts Likertschaal van 0 (niet) tot 3 (heel vaak) hoe vaak symptomen die mogelijke reacties van kinderen kunnen weergeven op traumatische gebeurtenissen in de afgelopen vier weken zijn voorgekomen (bv. ‘Heeft nare dromen of nachtmerries’, ‘Leeft in een fantasiewereld’ en ‘Maakt met opzet dingen stuk’). De vragen zijn uitgesplitst over twee validiteitsschalen en zes klinische subschalen: angst, depressie, posttraumatische stress, seksuele problematiek, dissociatie en boosheid.
De Cronbach’s alpha’s waren in het vorige onderzoek: PTSS (.91), angst (.78), depressie (.80), seksuele problematiek (.70), dissociatie (.83) en boosheid (.89). Kinderen van 8 tot 18 vullen de Nederlandse vertaling van de Trauma Symptom Checklist for Children in (TSCC; Briere, 1996). Hierbij worden 54 items ingevuld op een 4-punts Likertschaal van 0 (nooit) tot 3 (bijna altijd). Kinderen wordt gevraagd aan te geven hoe vaak ze ergens aan denken, hoe ze zich voelen of hoe vaak ze iets doen. In de vragenlijst komen symptomen aan de orde die mogelijke reacties van kinderen kunnen weergeven op een traumatische gebeurtenis, bijvoorbeeld ‘Dagdromen’ en ‘Me enge dingen herinneren’. De lijst bestaat uit twee validiteitsschalen en zes klinische schalen: angst, depressie, posttraumatische stress, seksuele problematiek, dissociatie en boosheid. De Cronbach’s alpha’s voor de subschalen waren in het vorige 35
onderzoek achtereenvolgens angst (.79), depressie (.85), posttraumatische stress (.83), seksuele problematiek (.73), dissociatie (.74) en boosheid (.85). Voor het constateren van een klinisch trauma bij kinderen wordt gebruik gemaakt van twee verschillende vragenlijsten, de Trauma Symptom Checklist for Children (TSCC) voor de kinderen die zelf de vragenlijsten invullen, en de Trauma Symptom Checklist for Young Children (TSCYC) voor jonge kinderen waarover de ouders de vragenlijst invullen. Deze lijsten hebben allebei normen voor wanneer er wel of niet sprake is van klinisch trauma, op basis van onderzoek waarbij diagnoses van psychiaters zijn betrokken. Voor de TSCYC zijn deze normen op basis van Nederlands onderzoek gerealiseerd, voor de TSCC wordt (nog) gebruikt gemaakt van de originele Amerikaanse normen. Emotionele veiligheid van de kinderen Emotionele veiligheid van kinderen wordt door middel van twee vragenlijsten gemeten, namelijk een ouderversie en een kindversie. Ouders vullen voor kinderen van 3 tot 12 jaar de Security in the Marital Subsystem Parent Report (SIMS-PR) in. Kinderen van 8 tot 18 jaar vullen de Security in the Interparental Subsystem Scale Child Report (SIS) in. Beide vragenlijsten meten dezelfde twee componenten van emotionele veiligheid: regulatie van de blootstelling en emotionele reactiviteit.
Aan oudere kinderen wordt daarnaast ook gevraagd naar interne representaties van de relatie tussen de ouders (Davies & Cumming, 1994; Davies, e.a., 2009). De regulatie van de blootstelling wordt gemeten met de subschalen Openlijke vermijding (OA) en Openlijk bemoeien (OI). Emotionele reactiviteit bestaat uit de subschalen Openlijke emotionele reactiviteit (OER) en Gedragsdisregulatie (BD). De derde component van de SIS betreft de Representatie van de ouderrelatie. Deze bestaat uit drie subschalen: Constructieve familierepresentaties (CFR), Destructieve familierepresentaties (DFR) (die precies het tegenovergestelde meet), en als laatste Conflict spillover representaties (CSR) (Cummings & Davies, 2010; Davies, Forman, Ros & Stevens, 2002). Spillover betekent dat het kind denkt dat het negatieve effect van conflicten over kan gaan naar andere relaties in het gezin.
De SIMS-PR bestaat uit een lijst met mogelijke reacties van een kind op conflicten tussen zijn ouders. De ouder kan aangeven in welke mate de beschreven reactie overeenkomt met de reactie van zijn/haar kind op een ruzie, conflict of onenigheid tussen hem- of haarzelf en zijn/haar partner in het afgelopen jaar. Er zijn 28 reacties van het kind beschreven waarvan ‘lijkt hij boos’ en ‘wordt hij erg rustig en teruggetrokken’ twee voorbeelden zijn. De antwoorden worden gescoord op een 5-punts Likertschaal van 1 (helemaal niet) tot 5 (helemaal). Emotionele reactiviteit (in het vorige onderzoek) heeft een betrouwbaarheidscoëfficiënt van .89, gedragsdisregulatie .80, vermijden .63 en bemoeien .84. De SIS bestaat uit 44 stellingen waarover kinderen aangeven hoe waar ze voor het kind waren in het afgelopen jaar. De vragenlijst bevat stellingen zoals ‘als mijn ouders ruziën, voel ik me verdrietig’ en ‘als mijn ouders ruzie hebben, heb ik het gevoel dat het mijn schuld is’. De antwoorden worden gescoord op een 4-punts Likertschaal van 1 (niet waar voor mij) tot 4 (helemaal waar voor mij). De Cronbach’s alpha van de vier subschalen van de SIS ligt tussen de .52 (gedragsdisregulatie)2 en .89 (emotionele reactiviteit). Bij deze lijsten is geen natuurlijk afkappunt. Wel zijn beide lijsten gebruikt in het onderzoek in de normale bevolking in 2012.
Omdat hier de emotionele onveiligheid over vier subschalen wordt gemeten, is een hogere grens noodzakelijk (omdat anders te veel kinderen in de normale bevolking als ‘emotioneel onveilig’ zouden worden getypeerd). Vandaar dat bij deze schalen is gekozen voor een afstand van twee standaarddeviaties hoger dan gemiddeld in de normale populatie, hetgeen betekent dat ongeveer 15% van de kinderen in de normale bevolking emotioneel onveilig scoren. Hechting Hechting tussen ouders en kinderen wordt door middel van twee vragenlijsten gemeten, namelijk een ouderversie en een kindversie. Ouders vullen de Security Scale (Kerns, Klepac & Cole, 1996) in over kinderen tussen de 3 en 18 jaar. Kinderen vanaf 8 jaar vullen de Security Scale in over zowel hun (stief)vader als (stief)moeder. De Security Scale bestaat uit 15 items (bv. ‘Ik 36
vind het gemakkelijk om mijn moeder te vertrouwen’ of ‘Mijn kind vindt het gemakkelijk om mij te vertrouwen’) die beantwoord worden op een 5-punts Likertschaal van 1 (helemaal niet mee eens) tot 5 (‘heel erg mee eens). Deze vragenlijst is gebaseerd op de gehechtheidstheorie en richt zich op (a) de mate waarin kinderen de gehechtheidsfiguur als responsief en beschikbaar ervaren, (b) de mate waarin het kind ertoe neigt om steun te zoeken bij de ouder ten tijde van stress; en (c) de mate waarin het kind de communicatie met de ouder prettig vindt en waardeert. De betrouwbaarheidscoëfficiënten van de ouderen kindversie zijn respectievelijk .82 en .79. Deze Security Scale bestaat uit drie verschillende lijsten, een lijst voor de ouders over de hechting met het kind, een lijst voor het kind over de hechting met de vader en een lijst voor het kind over de hechting met de moeder. Bij deze lijst is niet, zoals bij de traumalijsten, sprake van een natuurlijk afkappunt om te bepalen of er sprake is van onveilige hechting. Hier hebben we dus zelf een punt voor moeten kiezen. Wel zijn (beperkt) gegevens van een Nederlandse niet-klinische populatie bekend. Vanwege het feit dat deze verdelingen sterk rechts scheef verdeeld zijn, is gekozen om het afkappunt één standaarddeviatie links van het gemiddelde van de Nederlandse niet-klinische populatie te gebruiken.
Probleemgedrag van de jongeren Probleemgedrag van jongeren wordt gemeten met de International Self Report Study Delinquency (ISRD-3) en de European School Survey Project on Alcohol and Other Drugs (ESPAD). Jongeren vullen 29 vragen in over delinquentie (geweldsdelicten en vermogensdelicten), seksueel gedrag, schoolprestaties (spijbelen en blijven zitten) en middelengebruik (alcohol, softdrugs en harddrugs). Hier is gebruik gemaakt van 11 probleemgedragingen gedefinieerd in de ISRD, zoals spijbelen, winkeldiefstal, vandalisme, gewelddadig gedrag en drank- en middelengebruik. Hoe ouder jongeren worden, hoe groter de kans dat bepaald problematisch gedrag voorkomt, vandaar dat hier per leeftijdsjaar een norm wordt gesteld. Hier wordt per leeftijdsjaar het gemiddelde
+ één standaarddeviatie als norm gehanteerd, omdat de verdeling links scheef verdeeld is. Hierdoor wordt in een normale schoolpopulatie van 2500 scholieren in Nederland door minder dan 14% van de jongeren problematisch gedrag vertoond. Kwaliteit van leven De kwaliteit van leven van kinderen is gemeten met de Kidscreen. Vragen zijn gebaseerd op ideeën over fysieke, emotionele, mentale, sociale en gedragscomponenten van gezondheid, welzijn en levenskwaliteit. Deze ideeën zijn verzameld in literatuuronderzoek, expertconsultaties en groepsinterviews met kinderen en jongeren. We gebruiken de Kidscreen-27, waarbij 27 vragen gesteld worden over de volgende domeinen: lichamelijk welzijn (vijf items); psychisch welbevinden (zeven items); relatie met ouders (zeven items); relatie met vrienden (vier items); school en leren (vier items). Op basis van 10 van deze 27 items wordt een totaalschaal berekend, de Kidscreen-10. De interne samenhang van de Kidscreen-10 met Cronbach’s Alpha is .82. Persoonlijkheid van de kinderen De persoonlijkheidsvragenlijst voor kinderen betreft de Hierarchical Personality Inventory for Children (HiPIC). Deze komt tegemoet aan de groeiende internationale belangstelling van psychologen voor de beschrijving van de persoonlijkheid bij kinderen.
Geïnspireerd door de ontwikkeling van het VijfFactoren-Model voor de beschrijving van de volwassen persoonlijkheid, groeide het idee om de bruikbaarheid van deze vijf dimensies te onderzoeken voor het beschrijven van de persoonlijkheid in de kindertijd. Vanuit een ontwikkelingsgeoriënteerd perspectief op persoonlijkheid vormt de HiPIC-vragenlijst een noodzakelijke aanvulling op de NEOpersoonlijkheidsvragenlijsten (Hoekstra, Ormel, & De Fruyt, 1996), die zich in korte tijd tot de standaard hebben ontwikkeld voor het meten van de ‘Big Five’ persoonlijkheidsdimensies bij volwassenen. De HiPIC is ontwikkeld om de persoonlijkheid van kinderen tussen 6 en 12 jaar te beschrijven. Hiervoor worden de ouders als beoordelaars ingeschakeld. Daarnaast is er een lijst voor kinderen vanaf 8 jaar om zelf in te vullen. 37
De HiPIC bestaat uit de volgende vijf domeinen: 1.
Emotionele stabiliteit met de facetten Angst en Zelfvertrouwen.
2.
Extraversie met de facetten Energie, Expressiviteit, Optimisme en Verlegenheid.
3.
Vindingrijkheid met de facetten Creativiteit, Intellect en Nieuwsgierigheid.
4.
Welwillendheid met de facetten Altruïsme, Dominantie, Egocentrisme.
5.
Consciëntieusheid met de facetten Concentratie, Doorzettingsvermogen, Ordelijkheid en Prestatiemotivatie.
2.5.4. Hulpverlening Tot slot wordt in kaart gebracht wat de hulp is die gezinnen ontvangen vanuit zowel het professionele circuit als vanuit het sociale netwerk van de gezinnen. Het hebben van een sociaal netwerk en steunsysteem is immers een beschermende factor in het doorbreken van de intergenerationele overdracht van geweld (Pels e.a., 2011). Tenslotte is er een groep gezinnen die baat heeft bij therapeutische behandeling om de gevolgen van hun ervaringen in de kinderjaren te kunnen verwerken (Engeland 2002, aangehaald in WHO, 2007). Aan het einde van vragenlijst is een sectie opgenomen over de hulp die de gezinnen ontvangen. Naast de inventarisatie van het hulpaanbod is er ook gevraagd naar de tevredenheid van gezinsleden over de kwaliteit van het aanbod.
Ouders is gevraagd naar de ontvangen hulpverlening van henzelf en van de kinderen. Kinderen vanaf 8 jaar hebben daarnaast ingevuld welke hulpverlening ze zelf hebben ontvangen. Hierbij is zowel naar formele hulpverlening gevraagd als informele vormen van ondersteuning, zoals van vrienden en familie. Daarnaast is ook gekeken naar medische ondersteuning door bijvoorbeeld een huisarts. Aangezien uit het vorige cohortonderzoek bleek dat voor respondenten niet altijd duidelijk is met welke instelling zij te maken hebben, hebben we voor elke regio specifieke onderdelen ingeprogrammeerd (hulpverlening) zodat iedereen voor hem/haar herkenbare termen krijgt voorgeschoteld. 2.5.5. Cumulatie van risicofactoren Dit onderdeel bestaat uit zeven verschillende risicofactoren die worden meegenomen. Voor elk van de risicofactoren wordt bepaald of deze bij het betreffende gezin (ouder) voorkomt.. Wanneer sprake is van de aanwezigheid van drie of meer risicofactoren, gaan we uit van een cumulatie van risicofactoren; bij minder dan drie risicofactoren is geen sprake van een cumulatie van risicofactoren. De risicofactoren bestaan uit vier of meer ACE’s (Adverse Childhood Experiences) die wel of niet aanwezig zijn. Gemiddeld komt in de Nederlandse bevolking 1 ACE per bewoner voor, terwijl bij 56% geen risicofactoren voorkomen (1).
De andere risicofactoren zijn armoede, gedefinieerd als een maandelijks gezinsinkomen van minder dan €1.500 (2); werkloosheid, gedefinieerd als minder dan 12 uur betaald werk per week (3); riskant drankgebruik respondent, gedefinieerd als meer dan 8 alcoholische consumpties per week (4); riskant drankgebruik partner respondent, gedefinieerd als meer dan 8 alcoholische consumpties per week (5); laagopgeleid, alleen basisschool (6) en alleenstaand ouderschap (7).
38
Tabel 2.1
Parents
De concepten en gehanteerde meetinstrumenten voor ouders en kinderen op de verschillende meetmomenten Parents
T
Children 8-18 years
T
Concept
Instrument
Demografie
SR: SES, education level, employment, income, family composition
0/1/2
Kindermishandeling
CR: Conflict Tactic Scale Parents Child (CTSPC)
Conflict Tactic Scale Parents 0/1/2 Child (CTSPC)
0/1/2
Partner geweld
SR: Revised Conflict Tactic Scale (CTS2)
0/1/2
Revised Conflict Tactic Scale (CTS2)
0/1/2
Ouderlijke warmte en betrokkenheid
SR: Parental Practices Questionnai0/1/2 re (PPQ)
Ouderlijke competentie
SR: Nijmeegse Ouderlijke Stress Index (NOSI) subscale Parental competence
0/1/2
Autonomie
CR: Mother Father Peer Scale (MFPS)
0/1/2
Opvoedstress
SR: Nijmeegse Ouderlijke Stress Index Kort (NOSIK)
0/1/2
Alcoholgebruik
SR: Alcohol Use Disorder Identifica0/1/2 tion Test for Consumption (Audit-C)
Veiligheid in de hechting
CR: Security Scale
0/1/2 Security Scale
Emotionele veiligheid
CR: Security in the marital Subsystem Parent Report (SIM-PR)
Security in the Interparental 0/1/2 Subsystem Scale Child Report 0/1/2 (SIS)
SR: Adverse Childhood Experience (ACE)
0
Trauma symptomen
SR: Trauma Symptom Inventory (TSI)
0/1/2
T
Instrument
Persoonlijkheid
SR: Quick Big Five (QBF)
0/1
Hierarchical Personality Inventory for Children (HiPIC)
0/1
Hulp
Inventory Professional Support (IPS)
0/1/2
Inventory Professional Support (IPS)
0/1/2
Inventory Social Support (ISS)
0/1/2 Inventory Social Support (ISS) 0/1/2
SR: Manchester Short Assessment of quality of Life (MANSA)
0/1/2 Kidscreen-27
0/1/2
CR: Trauma Symptom Checklist for Trauma Symptom Checklist 0/1/2 Young Children (TSCYC)* for Children (TSCC)
Children 8-18 years
Concept
Instrument
Traumatische jeugdervaringen
T
Kwaliteit van leven
Instrument
0/1/2
Delinquent gedrag
International Self-Report Delinquency Study (ISRD-3) 0/1/2 subscale delinquent behaviour
Seksueel gedrag
International Self-Report Delinquency Study (ISRD-3) subscale sexual behaviour**
0/1/2
Middelen gebruik
European School Survey Project on Alcohol and Other Drugs (ESPAD) subscale substance use**
0/1/2
School carrière
Item of the ISRD-3
0/1/2
SR: ouder zelfrapportage; CR ouder kindrapportage; * alleen gerapporteerd voor kinderen van 3-12 jaar oud; ** alleen gerapporteerd door kinderen van 12-18 jaar oud
0/1/2
0/1/2
2.6.
Werving van respondenten voor de referentiegroep
Voor het effectonderzoek zijn verschillende vragenlijsten gebruikt. We gebruiken hiervoor vanuit het Amerikaans naar het Nederlands vertaalde gevalideerde vragenlijsten en reeds eerder in het Nederlands vertaalde en gevalideerde vragenlijsten. Onze onderzoeksgroep is selectief geworven via hulpverleningsinstellingen. We wilden graag de samenhang tussen de constructen die wij meten (partnergeweld, psychotrauma, opvoedstress, jeugdtrauma’s, emotionele veiligheid), toetsen aan de situatie in ‘normale’ gezinnen. Daarom zetten we de onderzoeksgroep af tegen een referentiegroep. 39
De referentiegroep bestaat uit een steekproef van de gehele Nederlandse bevolking, dat wil zeggen dat ook in deze steekproef huiselijk geweld voorkomt. Aangezien een Nederlandse normering in een aantal gevallen ontbreekt, is het voor de duiding van de resultaten in de populatie die te maken heeft (gehad) met huiselijk geweld (hierna te noemen: de onderzoeksgroep), noodzakelijk om ook de resultaten van een Nederlandse referentiegroep te hebben. Voor twee vragenlijsten (de emotionele-veiligheid-lijsten) is geen goede normering voorhanden, vandaar dat wij hebben besloten deze data zelf te verzamelen. Dit betekent dat wij tijdens het eerste cohortonderzoek (2012) een referentiegroep hebben benaderd die enerzijds representatief is voor de Nederlandse bevolking (18 jaar en ouder) en anderzijds voldoende gezinnen met kinderen tussen de 3 en 18 jaar omvat, om uitspraken te kunnen doen over de samenhang. Vanwege de omvang van de verschillende vragenlijsten kozen we ervoor om niet alle instrumenten hiervoor te gebruiken, maar hebben we de belangrijkste (over geweld, jeugdtrauma’s, opvoedstress, psychotrauma’s en emotionele veiligheid) geselecteerd en in combinatie getoetst binnen een steekproef onder de Nederlandse bevolking.
De werving van respondenten voor dit onderzoek werd telefonisch uitgevoerd, waarbij uit alle bekende (mobiele en vaste) telefoonnummers (7.500.000) van de bekendste providers in Nederland in 2012 (KPN, Vodafone) een willekeurige steekproef van 1.000.000 nummers werd getrokken. Deze verdeelden we in negen verschillende blokken van 111.000 nummers. De negen blokken werden vervolgens op volkomen willekeurige volgorde gezet en ter beschikking gesteld aan negen onderzoekers die gedurende tien avonden in groepjes van drie tot zeven onderzoekers van 18:30 – 20:30 uur de nummers belden. Voor het kiezen van de nummers was een programma gemaakt dat uit de pool van 111.000 nummers steeds een niet eerder getoond nummer toonde aan de onderzoeker. Na afronding van een telefoongesprek werd via de toets ‘volgende’ een nieuw niet eerder gebeld nummer getoond. In de gesprekken werd het onderzoek toegelicht en werd de respondent gevraagd of hij of zij mee wilde werken. Indien een respondent wilde meewerken, stelden de onderzoekers een aantal aanvullende vragen over de gezinssamenstelling, zodat indien mogelijk ook de kinderen en partners
konden meedoen. Daarna kreeg de respondent een e-mail met daarin de informatie over het onderzoek, de internetlink naar de vragenlijsten en gebruikersnamen/wachtwoordcombinaties voor alle mogelijke deelnemers uit het huishouden. Indien respondenten de vragenlijsten niet via internet wilden (of konden) invullen, kregen ze vragenlijsten op papier toegezonden. Tabel 2.2 Benadering en respons referentiegroep Inclusief gezinsleden
Personen Totaal aantal gesprekken
+/- 1400
onbekend
Verzonden uitnodigingen via e-mail
701
1154
Verzonden uitnodigingen op papier
55
86
Deelname vla Internet
440
726
Deelname via papier
24
30
Bruto respons*
33,14%
onbekend
Netto respons
66,19%
60,97%
* Percentage meegedaan van totaal aantal gesproken personen
2.7.
Effecten
In deze rapportage worden verschillende analyses gedaan om de onderzoeksvragen te beantwoorden. Veelal zijn we daarbij op zoek naar verschillen tussen bepaalde groepen (zoals tussen gezinnen waar het geweld wel of niet gestopt is) of verbanden tussen variabelen (bijvoorbeeld of er een relatie is met het alcoholgebruik). Als we een verschil of verband vinden, wordt dit uitgedrukt in de effectgrootte. Hiermee wordt feitelijk bedoeld hoe (statistisch) belangrijk het gevonden verschil/verband gevonden wordt. Enerzijds wordt bepaald of een verschil/verband statistisch significant is, en anderzijds wordt gekeken hoe groot het effect van het verschil/verband is. Dit laatste wordt uitgedrukt in ‘klein’, ‘gemiddeld’ en ‘groot’. Wanneer een effect kleiner dan ‘klein’ is (de 40
ondergrens), dan wordt het verschil/verband niet benoemd, ook al kan het dan wel statistisch significant zijn. We spreken dus alleen van een verschil/ verband wanneer er minimaal sprake is van een klein effect. Wanneer het effect groter is, wordt daarmee het verschil/verband betekenisvoller. We maken hierbij gebruik van de door Cohen (1988) voorgestelde en deels door Miles en Shevlin (2001) bijgestelde vuistregels voor effectgrootte, deze worden hieronder in de tabel weergegeven voor de maten die wij voor de effectgrootte in deze rapportage zullen gebruiken. Bij elk geconstateerd verschil/verband wordt tevens de effectgrootte aangegeven met de waarde voor de bijbehorende maat, hierbij kan dezelfde maat (η 2) bij een andere analyse een andere betekenis hebben. Deze maten worden hieronder in de tabel kort uitgelegd. Tabel 2.3
Effectmaten en bepaling effectgrootte analyses
Effectmaat
gebruik
+/-
Klein
Gemiddeld
Groot
r en φ (phi)
Correlatie/samenhang verband tussen variabelen
+ en -
0.1
0.3
0.5
Cohen’s d
Verschil in gemiddelde tussen variabelen
+
0.2
0.5
0.8
η2 (eta kwadraat)
Verschil in gemiddelde tussen groepen
+
0.01
0.06
0.14
η2 (eta kwadraat)
Repeated measures
+
0.02
0.13
0.26
2.8.
bijvoorbeeld problematische hechting of problematisch alcoholgebruik of probleemgedrag van jongeren. Het blijft natuurlijk altijd mogelijk dat respondenten sociaal wenselijke antwoorden hebben gegeven, met name als het gaat om kindermishandeling of partnergeweld, wat door veel mensen als schaamtevol wordt ervaren, maar omdat wij tevens gebruik hebben gemaakt van een aantal validiteitsschalen in de vragenlijsten, was het mogelijk om de niet-valide ingevulde vragenlijsten in de analyses buiten beschouwing te laten.
Conclusie
Bij zelfrapportage wordt nog wel eens de betrouwbaarheid van de resultaten in twijfel getrokken. Dit hebben we in dit onderzoek ondervangen door alleen gebruik te maken van gevalideerde en genormeerde vragenlijsten die (inter)nationaal getest en gebruikt worden. Daarnaast hebben we zeer conservatieve cut-off points gebruikt om vast te stellen of er sprake is van
41
3
Achtergrondkenmerken onderzoekspopulatie
3.1.
Inleiding
In dit hoofdstuk beschrijven we de onderzoekspopulatie die aan het onderzoek heeft deelgenomen. Eerst wordt beschreven hoeveel gezinnen hebben deelgenomen en wat de non-respons is van gezinnen die niet aan het onderzoek wilden deelnemen. De achtergrond van de gezinnen, de ouders en de kinderen wordt beschreven. Bij de achtergrond is gekeken naar een aantal achtergrondvariabelen, zoals de migratieachtergrond van de respondenten, het opleidingsniveau, inkomen en arbeid. Ten slotte wordt beschreven welke onderzoeksgroep we gebruiken voor de analyses en testen we of er sprake is van een bias in de onderzoeksgroep van gezinnen die aan alle drie de meetmomenten hebben deelgenomen.
3.2.
Bereik van de respondenten in Nederland
3.2.1.
De respons van de respondenten
Zoals in hoofdstuk 2 beschreven, zijn in de periode 2016-2018 in dertien Veilig Thuis regio’s op willekeurige momenten alle gezinnen benaderd, die de afgelopen drie maanden aangemeld waren bij Veilig Thuis vanwege vermoedens van geweld. De bellijst bestond uit de gegevens van 5.751 gezinnen; van deze gegevens bleek 49% niet te kloppen of waren gezinnen niet bereikbaar (gemiddeld 5 keer gebeld). Daarnaast bleek 16% niet te voldoen aan de onderzoekscriteria
(geen kinderen in de leeftijd van 3 jaar of ouder, of onvoldoende de Nederlandse taal beheersend). Zo kwamen 1.998 gezinnen in aanmerking voor deelname. Daarvan hebben er uiteindelijk 1046 gezinnen deelgenomen aan het onderzoek. Dat betekent een non-respons van iets minder dan de helft, 47%. Redenen waarom mensen niet aan het onderzoek wilden deelnemen waren: niet geïnteresseerd (39%), te druk (34%), traject was al afgesloten (10%), te veel problemen (7%) of andere redenen (7%). Wat betreft de representativiteit van de onderzoeksgroep hebben we geen vergelijkende analyse kunnen doen tussen de respons en non-respons groepen. We hebben geen beschikking over de gegevens van de non-responsgroep van de VT-organisaties. De landelijke cijfers van de meldingen van Veilig Thuis zijn niet te vergelijken met de gegevens van het onderhavige onderzoek, aangezien het om zelfrapportage gaat die betrekking heeft op het afgelopen jaar. De registratie van Veilig Thuis op landelijk niveau heeft betrekking op de reden van de melding zoals die door de medewerker wordt ingevuld. Daardoor is een vergelijking tussen de registratiegegevens van Veilig Thuis ten behoeve van de representativiteit van de respondentengroep niet mogelijk. Maar een deelname van 53% van de benaderde respondenten is hoog en dit garandeert op zichzelf al een goede representatie van de ouders die gemeld zijn bij veilig Thuis.
Regionale spreiding van de respondenten In de onderstaande kaart (zie figuur 3.1) zijn alle Veilig Thuis regio’s weergegeven, ingekleurd naar inwoneraantal. De regio’s die meededen aan het onderzoek zijn gearceerd. Zoals in de kaart is te zien zijn de vier dichtstbevolkte regio’s in het onderzoek vertegenwoordigd, net als drie van de vier dunst bevolkte regio’s.
42
Figuur 3.1
Kaart met Veilig Thuis regio’s en de deelnemende regio’s aan het
1.120.000 to 1.330.000 (2) 890.000 to 1.120.000 (2) 660.000 to 890.000 (6)
Groningen
430.000 to 660.000 (12) 200.000 to 430.000 (4) in steekproef
(13)
Zaanstreek Kennemerland
IJsselland Flevoland
Amsterdam Gooi & Vechtstreek Den Haag
Utrecht
Rotterdam
Midden Brabant
onderzoek naar aantal inwoners.
Brabant Noord Oost
Twente
In de tabel 3.1 staat het aantal gezinnen per regio dat heeft meegedaan. Het totaal van deze gezinnen is hoger dan de eerder genoemde 1.046; dit wordt veroorzaakt doordat een aantal gezinnen gedurende het onderzoek is verhuisd van de ene naar de andere regio. In het regio-overzicht worden ze dan meegeteld in beide regio’s, omdat ze vaak in beide regio’s hulp hebben gekregen. Het originele doel was om in elke regio tussen de 75 en 100 gezinnen te werven. In een aantal regio’s hebben we echter meer dan het maximum beoogde aantal geworven, namelijk in de regio’s Amsterdam, Den Haag, Brabant NoordOost en Groningen (zie tabel 3.1). Eveneens in vier regio’s is minder dan het beoogde aantal gezinnen geworven, namelijk in de regio’s Utrecht, Flevoland, IJsselland en Zaanstreek-Waterland. Het minste aantal gezinnen is bereikt in de regio Zaanstreek-Waterland, dit betrof in totaal 54 gezinnen. De voornaamste reden dat de gewenste aantallen in deze regio’s niet zijn bereikt, is dat de bellijsten die de onderzoekers van de medewerkers van de VT’s in deze regio’s kregen kleiner waren of meer incorrecte gegevens bevatten. Hoewel ervoor gekozen is om de periode van dataverzameling te verlengen, heeft dit in deze regio’s toch niet tot de gewenste aantallen geleid. De meeste gezinnen zijn geworven in de regio Den Haag, namelijk 115 gezinnen. Tabel 3.1
Deelnemende gezinnen, ouders en kinderen per regio en de G4 Aantal gezinnen
Totaal ouders
Totaal kinderen
Totaal kinderen zelf
Amsterdam-Amstelland
114
119
185
44
Rotterdam Rijnmond
76
82
131
30
Haaglanden
115
129
190
46
Utrecht
62
72
106
28
Regio Kennemerland
105
117
169
62
Regio Gooi en Vechtstreek
82
95
128
26
Regio Noord-Brabant Midden
76
85
124
25
Regio Flevoland
69
74
129
31
Veilig Thuis Regio
43
Aantal gezinnen
Totaal ouders
Totaal kinderen
Totaal kinderen zelf
Regio Brabant Noord-Oost
107
116
175
57
Regio IJsselland
69
79
118
27
Regio Twente
92
114
158
44
Regio Groningen
114
125
193
40
Regio Zaanstreek/Waterland
54
61
90
37
Veilig Thuis Regio
3.3.
Samenstelling van de onderzoeksgroep
In totaal hebben 1046 gezinnen deelgenomen aan de eerste meting. Het gaat om meldingen bij Veilig Thuis op grond van vermoedens van geweld (zie figuur 3.2). Het onderzoek richt zich op die gezinnen waar sprake is van geweld. Figuur 3.2 Flow chart van de deelnemers aan de studie op de eerste meting
Gezinnen die hebben deelgenomen aan de eerste meting. N =1046 gezinnen
Niet meegenomen: Geen kindermishandeling of partnergeweld(N=22)
Eerste meting(T0) N =1024 gezinnen
Aangezien het gaat om meldingen, dus om een vermoeden van kindermishandeling of partnergeweld, is gekeken of er ook daadwerkelijk sprake is van het niet voorkomen van geweld. Omdat we alleen gezinnen willen meenemen waar sprake is van geweld, is op basis van de data nagegaan of er ‘ooit’ geweld heeft plaatsgevonden. Die gezinnen waarvan alle gezinsleden (ouders én kinderen)
op alle drie de verschillende meetmomenten zeggen dat er in het afgelopen jaar en in het verleden geen enkel kindermishandelings- of partnergeweldsincident plaatsgevonden heeft, zijn niet meegenomen in het onderzoek. Het betreft 22 gezinnen, waar overigens wel veel problemen speelden, maar geen enkele vorm van kindermishandeling of partnergeweld. In totaal namen dus 1024 gezinnen deel aan het onderzoek ten tijde van de eerste meting (zie tabel 3.2). Aan de tweede meting (T1) namen 674 gezinnen deel (66% van de eerste meting), en 636 gezinnen (62%) aan de derde meting (T2). Uiteindelijk namen 576 gezinnen (56% van de eerste meting) deel aan alle drie de metingen, waardoor we konden analyseren of de situatie in deze gezinnen in de tussenliggende tijd was verbeterd. In totaal hebben 1150 ouders aan het onderzoek deelgenomen. In 126 gezinnen hebben zowel de vader als de moeder deelgenomen aan het onderzoek. Ouders konden maximaal voor twee kinderen een vragenlijst invullen. We hebben van 1545 kinderen de gegevens in het onderzoek. Kinderen vanaf 8 jaar konden zelf ook een vragenlijst invullen, 362 kinderen hebben dat gedaan. Als een kind een vragenlijst had ingevuld, hebben we aan de ouders gevraagd om voor dat betreffende kind de vragenlijst in te vullen2.
Aangezien sommige jongeren al bijna 18 jaar waren op de eerste meting, waren sommigen ten tijde van de tweede en derde meting inmiddels 19 of 20 jaar oud (zie tabel 3.2). Deze zijn als kinderen meegenomen in de analyses. In iets meer dan de helft van de gezinnen hebben de ouders (51%) de gegevens over twee kinderen ingevuld. Voor de gezinnen die aan alle drie de metingen hebben deelgenomen is dat aanzienlijk hoger (70%).
2 Dit is bij 2% van kinderen niet goed gegaan. De ouders hebben voor een ander kind in het gezin de vragenlijst ingevuld. In de analyses is daar waar nodig rekening mee gehouden.
44
Tabel 3.2 Steekproefomvang op de drie verschillende meetmomenten T0
T1
T2
T0-T1-T2
Gezinnen
1024
674
636
576
Echtparen
126
73
67
57
Ouders
1150
747
703
633
■
Moeders
848
557
529
472
■
Vaders
302
190
174
161
Kinderen 3-18 jaar
1545
1005
940
978
■
Kinderen 3-12 jaar
1077
688
609
584
■
Kinderen 13-18 jaar (19/20*)
468
317
331
394
Kinderen 8-18 jaar zelf (19/20*)
362
268
266
156
Twee kinderen in een gezin
521
531
304
402
Bij de eerste meting waren de kinderen allemaal jonger dan 18 jaar, maar bij de tweede en derde meting waren sommigen inmiddels ouder dan 18 jaar.
3.4.
Algemene kenmerken van de deelnemende ouders
Wat betreft de achtergrondkenmerken van de ouders laat de onderzoeksgroep enerzijds op een aantal kenmerken, zoals leeftijd, migratieachtergrond of opleiding, een heel representatief beeld van de Nederlandse bevolking zien (zie tabel 3.3). Maar anderzijds wordt er duidelijk een selectieve groep gemeld bij Veilig Thuis, vooral als het gaat om armoede en werkloosheid, die veel hoger liggen bij de onderzoeksgroep. Zoals eerder al vermeld hebben meer moeders dan vaders deelgenomen aan het onderzoek. In 29% van de gezinnen heeft de vader een vragenlijst ingevuld. Dit is een veel beter resultaat ten opzichte van de eerste cohortstudie in 2009-2012, toen het maar 9% was.
De leeftijd van de ouders ligt grotendeels tussen de 35 en 55 jaar, waarbij de moeders gemiddeld iets jonger zijn (33 jaar) dan de vaders (38 jaar). Dit is gezien de selectiecriteria van ‘het hebben van minimaal één kind ouder dan 3 jaar’ een te verwachten leeftijdsgroep. Overigens kunnen gezinnen wel kinderen onder de drie jaar hebben, maar die zijn niet in het onderzoek meegenomen. Het opleidingsniveau van de ouders is vergelijkbaar met het onderwijsniveau van de Nederlandse bevolking (CBS, 2018). Een klein deel van de respondentengroep heeft alleen lager onderwijs (9%), 20% van de respondenten heeft de MAVO/LBO afgerond en 43% heeft een HBO of universitaire studie afgerond. De verdeling naar migratieachtergrond laat eveneens een zeer representatief beeld zien van de Nederlandse bevolking in het algemeen. Doordat er iets meer dichtbevolkte gebieden in het onderzoek zitten, is het totale percentage respondenten met een migratieachtergrond in het onderzoek (30%) iets hoger dan gemiddeld in de Nederlandse bevolking (24,4% in 2020, CBS). In bijna de helft van de gezinnen (47%) is sprake van armoede. Deze gezinnen hebben een inkomen van minder dan € 1.500 netto per maand. Dat is zeer hoog vergeleken met de Nederlandse bevolking, waar maar één op de zeven gezinnen (14%) onder de armoedegrens leeft.
De groep die het iets beter heeft (inkomen tussen € 1.500 en € 3.100) betreft 40% van de deelnemers aan het onderzoek, tegenover 10% van de gezinnen met kinderen in de bevolking. De derde groep met het hoogste inkomen betreft in de bevolking bijna 75% en in de onderzoekspopulatie maar 13%. Deze cijfers geven aan dat we in de onderzoekspopulatie te maken hebben met een uitgesproken arme populatie in vergelijking met de gemiddelde situatie in Nederland. Ook ten aanzien van werkloosheid zien we een andere verhouding in de onderzoekspopulatie vergeleken met de algemene bevolking. Wij gebruiken in het onderzoek de door CBS gehanteerde grens voor werkloosheid, namelijk het percentage respondenten dat minder dan 12 uur per week betaald werk heeft. Ook hier blijkt dat de werkloosheid onder de deelnemers veel hoger is dan in de bevolking. Onder de beroepsbevolking is de werkloosheid momenteel ruim 5%. In de onderzoekspopulatie is deze bijna 53%, dus tien keer hoger dan in de beroepsbevolking. 45
Het merendeel van de gezinnen betreft éénoudergezinnen (58%). Vrouwen vallen vaker in de categorie éénoudergezinnen, aangezien bij scheiding de kinderen veelal bij de moeder wonen. In een kwart van de gezinnen is sprake van een jeugdbeschermingsmaatregel voor een of meerdere kinderen in het gezin. Dit is ook beduidend hoger dan in het doorsnee gezin in Nederland. Tabel 3.3
Moeders (n = 848)
Vaders (n =302)
CBS 2018
Indonesisch
2,7%
3,0%
2,0%
Onb.
Anders
13,7%
15,1%
9,7%
15,7%
Ouders (n =1150)
Moeders (n = 848)
Vaders (n =302)
CBS 2018
Lager onderwijs
8,7%
7,7%
11,6%
8,8%
MAVO, LBO
20,4%
20,8%
19,5%
19,5%
HAVO, VWO, MBO
42,7%
44,1%
38,7%
39,6%
HBO, WO
23,1%
22,2%
25,8%
30,6%
Anders
13,7%
15,1%
9,7%
5,7%
Ouders (n =1150)
Moeders (n = 848)
Vaders (n =302)
CBS 2018
< €1,500
46,1%
52,2%
28,8%
14%
€1,500 - €3,100
40,3%
37,7%
47,7%
10%
> €3,100
13,6%
10,0%
23,5%
75%
Ouders (n =1150)
Moeders (n = 848)
Vaders (n =302)
CBS 2018
52,7%
46,9%
68,9%
95%
Opleiding(%)
Achtergrondgegevens van de ouders
Leeftijd(%) Ouders (n =1150)
Moeders (n = 848)
Vaders (n =302)
< 25 jaar
2,4%
3,1%
0,7%
25-34 jaar
28,0%
30,5%
20,9%
35-44 jaar
41,5%
43,4%
36,1%
45-54 jaar
24,5%
21,9%
31,8%
> 55 jaar
3,6%
1,1%
10,6%
CBS3 2018
Netto Maandelijks inkomen(%)
Migratieachtergrond(%)
3
Ouders (n =1150)
Ouders (n =1150)
Moeders (n = 848)
Vaders (n =302)
CBS 2018
Nederlands
69,3%
66,5%
77,3%
76,4%
Antilliaans
3,1%
3,0%
3,3%
0,9%
Marokkaans
3,7%
4,4%
1,7%
2,3%
Surinaams
6,5%
7,1%
4,7%
2,0%
Turks
1,1%
1,1%
1,3%
2,4%
Betaald werk%
> 12 uur betaald werk
We hebben de cijfers van Stateline van CBS voor 2018 (moment van de eerste meting) genomen voor zover het relevant was, aangezien we een specifieke groep hebben, namelijk ouders met kinderen in de leeftijd tussen 3 en 18 jaar.
46
Gezinsamenstelling(%) Ouders (n =1150)
Moeders (n = 848)
Vaders (n =302)
CBS 2018
Samenwonend/kerngezin
41,8%
37%
55,3%
75%
Alleen wonend (eenouder)
58,2%
63%
44,7%
25%
Ooit gescheiden
61,9%
65,7%
51,3%
9,5%
Ouders (n =1150)
Moeders (n = 848)
Vaders (n =302)
CBS 2018
0 kinderen ouder dan 3 jaar
4,0%
2,7%
7,6%
1 kind ouder dan 3 jaar
40,6%
42,1%
36,4%
2 kinderen ouder dan 3 jaar
37,9%
37,7%
38,4%
3 kinderen ouder dan 3 jaar
12,1%
11,9%
12,6%
> 4 kinderen ouder dan 3 jaar
5,4%
5,6%
4,6%
Aantal kinderen ouder dan 3 jaar (%)
Tabel 3.4
Jeugdbeschermingsmaatregelen
OTS of Uithuisplaatsing
Ouders (n =1150)
Moeders (n = 848)
Vaders (n =302)
CBS 2018
25,5%
23,8%
30,1%
1%
Ouders (n =1150)
Moeders (n = 848)
Vaders (n =302)
Gemiddelde leeftijd kinderen
9,6 jaar
9,6 jaar
9,7 jaar
Sekse kinderen, meisje (%)
50,8%
51,4%
48,7%
3.5.
en 49% jongen. Zie tabel 3.4). De meeste kinderen zijn jonger dan 12 jaar (70%). Bij de vragenlijsten die door de kinderen zelf zijn ingevuld is de helft tussen de 8 en 12 jaar en de helft ouder dan 12 jaar. Wat betreft de migratieachtergrond van de kinderen is deze heel vergelijkbaar met die van de ouders (32%). Ook hier geldt dat het percentage iets hoger is dan het landelijke gemiddelde doordat de vier grote steden en de provincie Flevoland aan het onderzoek deelnemen. Het merendeel van de kinderen (62%) woont in een eenoudergezin, veelal met hun moeder. Een kwart van de kinderen (25%) woont nog met hun biologische vader en moeder en een aantal kinderen (13%) woont in een nieuw samengesteld gezin met een stiefvader of stiefmoeder.
Algemene kenmerken van de deelnemende kinderen
In het onderzoek zijn bij de eerste meting de gegevens van 1545 kinderen verzameld, waarbij 362 kinderen zelf de vragenlijst hebben ingevuld. De verdeling naar sekse van de kinderen laat zien dat deze gelijk verdeeld is, 51% is meisje
Achtergrondkenmerken kinderen bij de eerste meting
Kinderen
Totaal
Ouder ingevuld
zelf ingevuld
Aantal
1545
1512
362
Percentage meisjes
50,7%
50,6%
50%
Gemiddelde leeftijd
9,6 jaar
9,6 jaar
12,7 jaar
=< 12 jaar
69,6%
70%
49,7%
> 12 jaar
30,4%
30%
50,3%
Migratieachtergrond ■
Nederlands
67,8%
68,3%
65,7%
■
Antilliaans
2,9%
2,9%
2,5%
■
Marokkaans
3,9%
3,9%
4,7%
■
Surinaams
7,2%
6,8%
10,8%
■
Turks
1,3%
1,3%
2,2%
■
Indonesisch
2,8%
2,95
2,5%
■
Anders
14,0%
14,0%
11,6%
Familie ■
Kerngezin (stief)vader + (stief)moeder
37,7%
37,6%
39,4%
■
Alleenstaande ouder
62,3%
62,4%
60,6%
■
Ooit gescheiden
65,7%
65,8%
61,3%
47
3.6.
Verantwoording van de gebruikte dataset
Aangezien we vooral geïnteresseerd zijn in de veranderingen in tijd wilden we alleen die respondenten gebruiken die daadwerkelijk hebben deelgenomen aan de drie verschillende meetmomenten. In de flow chart (zie figuur 3.3) staat beschreven welke gezinnen zijn meegenomen in de uiteindelijke analyses van dit rapport. Er hebben 98 gezinnen wel deelgenomen aan de tweede meting (T1) maar niet deelgenomen aan de derde meting (T2). Zestig gezinnen hebben wel deelgenomen aan de derde meting, maar niet aan de tweede meting. Figuur 3.3 Flow chart van de gezinnen die geanalyseerd zijn in deel 2
Gezinnen die hebben deelgenomen aan de eerste meting. N = 1046 gezinnen
Niet meegenomen: Geen kindermishandeling of partnergeweld(N= 22)
Eerste meting(T0). N = 1024 gezinnen.
Tweede meting(T1). N = 674 gezinnen.
Derde meting (T2). Deelgenomen aan derde meting. N = 636
Dataset (T0, T1, T2). Deelgenomen aan de drie metingen. N = 576
Uiteindelijk bestaat de dataset die we gebruiken voor de komende hoofdstukken uit 576 gezinnen (zie tabel 3.5). Daarvan zijn 633 ouders, 472 moeders en 161 vaders. We hebben de gegevens van 978 kinderen, waarvan 156 kinderen zelf de vragenlijst hebben ingevuld (zie tabel 3.5). In 57 gezinnen hebben zowel de vader als de moeder deelgenomen. Bij het presenteren van de gegevens over de kinderen zijn telkens aselect de gegevens van één van beide ouders over het kind meegenomen. Bij de analyses gebruiken we telkens willekeurig de gegevens van één van beide ouders. Bij het berekenen van de incidenten partnergeweld en kindermishandeling is uitgegaan van het meeractorenperspectief en is zoveel mogelijk het perspectief van de verschillende gezinsleden meegenomen. Dit om de betrouwbaarheid van de uitkomsten te vergroten (zie ook het pleidooi in het proefschrift van Buisman voor een meeractorenperspectief bij het bepalen of er sprake is van kindermishandeling, 2020). Tabel 3.5 Steekproefomvang op de drie verschillende meetmomenten T0
T0-T1-T2
Gezinnen
1024
576
Ouders
1150
633
■
Moeders
848
472
■
Vaders
302
161
1545
978
Kinderen 3-18 jaar
Niet meegenomen: Niet deelgenomen aan T2. (N= 98)
■
Kinderen 3-12 jaar
1077
584
■
Kinderen 13-18 jaar (19/20)
468
394
Kinderen 8-18 jaar zelf (19/20)
362
156
Niet meegenomen: Niet deelgenomen aan T1. (N= 60)
48
3.6.1. Samenstelling van de onderzoekspopulatie op T0 en van de respondenten die aan alle metingen hebben deelgenomen Aangezien we in de analyses alleen de groep respondenten meenemen die aan alle drie de metingen hebben deelgenomen, is nagegaan of deze groep verschilt van de groep die aan de eerste meting heeft deelgenomen. Wat betreft het geweld dat er in de gezinnen speelt voorafgaand aan de melding is er geen verschil tussen de specifieke groep (N=576) die aan de drie metingen heeft deelgenomen en de totale groep van respondenten (N=1024) die meegedaan hebben ten tijde van de eerste meting. Er is geen significant verschil tussen beide groepen als het gaat om de leeftijd van de ouders, de migratieachtergrond van de gezinnen, de opleiding van de ouders en het inkomen van het gezin of het aantal ouders dat een jeugdtrauma heeft meegemaakt (zie tabel 3.6). Tabel 3.6
Achtergrondgegevens van de gehele dataset op T0 en de dataset voor T0-T1-T2 Totale T0 (N=1024)
T0-T1-T2 (N=576)
2,4%
2,8%
25-34 jaar
28,0%
29,1%
35-44 jaar
41,5%
42,7%
45-54 jaar
24,5%
22,4%
> 55 jaar
3,6%
3,0%
T0-T1-T2 (N=576)
Turks
1,1%
1,0%
Indonesisch
2,7%
3,2%
Anders
13,7%
11,9%
Lager onderwijs
8,7%
7,7%
MAVO, LBO
20,4%
20,7%
HAVO, VWO, MBO
42,7%
42,0%
HBO, WO
23,1%
24,6%
Anders
5,0%
4,9%
< €1,500
46,1%
45,3%
€1,500 - €3,100
40,3%
42,8%
> €3,100
13,6%
11,8%
Ace studie (vier of meer aces)
25,5%
26,8%
ns
Licht fysiek geweld door (ex)partner
7
9
ns
Licht fysiek geweld door zelf
2
2
ns
Ernstig fysiek geweld door (ex)partner
4
5
ns
Ernstig fysiek geweld door zelf
0
1
ns
Licht psychisch geweld door (ex)partner
21
21
ns
Licht psychisch geweld door zelf
10
10
ns
significantie
Opleiding (%) ns
Netto maandelijks inkomen (%) ns
significantie
Leeftijd (%) < 25 jaar
Totale T0 (N=1024)
ns
Migratieachtergrond (%) ns
Geweldsincidenten per type
Nederlands
69,3%
70,2%
Antilliaans
3,1%
4,1%
Ernstig psychisch geweld door (ex) partner
6
6
ns
Marokkaans
3,7%
3,8%
Ernstig psychisch geweld door zelf
1
1
ns
Surinaams
6,5%
5,9%
Ernstig psychisch geweld door zelf
1
1
ns
49
Ook is er geen verschil wat betreft het aantal geweldsincidenten door de (ex)partner of door de respondent zelf gepleegd, ook niet wat betreft de aard van het partnergeweld (zie tabel 3.6). Als we kijken naar het aantal gezinnen waar geweld speelde ten tijde van de eerste meting zien we geen significante verschillen (zie figuur 3.4). Wat betreft het geweld dat er speelde is het databestand dat we gebruiken voor de analyses in deel 2 zeer vergelijkbaar met het gehele databestand van de gezinnen die aan de eerste meting hebben deelgenomen. Figuur 3.4 Percentage gezinnen dat aangeeft of er wel of geen geweld speelt in het gezin 100% 81% 82%
80%
60%
40%
20% 7% 6% 0%
12% 12%
T0 Totaal N=1024 T0 Drie metingen N=576
geen geweld
matig geweld veel en ernstig geweld
3.7.
Conclusie
Als het gaat om een regionale spreiding, betekent de deelname van de negen Veilig Thuis regio’s en de vier grote steden dat er sprake is van een goede gestratificeerde steekproef van gezinnen die gemeld zijn bij Veilig Thuis. De spreiding van de gezinnen in het onderzoek over de negen Veilig Thuis regio’s en de G4 is goed. Daarnaast blijkt uit de achtergrondgegevens van de gezinnen dat er sprake is van een specifieke groep die gemeld wordt bij veilig Thuis als het gaat om bepaalde achtergrondgegevens. Op een aantal punten vormen de gezinnen een goede weerspiegeling van de Nederlandse bevolking, zoals het opleidingsniveau en de migratieachtergrond. Bijzonder is dat het gelukt is om voldoende deelnemers met een migratieachtergrond in het onderzoek te betrekken, aangezien dat met dit type (schriftelijk vragenlijst-) onderzoek vaak een probleem lijkt te zijn. Doordat zowel de vier grote steden als de regio Flevoland aan deze studie deelnemen (zie bijvoorbeeld de prevalentieonderzoeken van CBS) - gebieden waar percentueel meer gezinnen met een migratieachtergrond wonen - is het percentage daardoor zelfs hoger dan het landelijk gemiddelde. Op zich is het aantal gezinnen met een migratieachtergrond wel representatief voor de grote steden en Flevoland zelf. Bij andere achtergrondgegevens is er een duidelijke scheve verdeling ten opzichte van de Nederlandse bevolking.
Ten eerste nemen meer vrouwen deel dan mannen, desondanks is er toch een aanzienlijke groep van mannen (29%) die aan het onderzoek hebben deelgenomen, wat veel meer is dan in de eerste cohortstudie (Tierolf e.a., 2014). De gezinnen die gemeld worden bij Veilig Thuis leven beduidend vaker in armoede en er is veel vaker sprake van werkloosheid. Daarnaast is er veelal sprake van eenoudergezinnen, waarbij de kinderen meestal bij de moeder wonen. Tenslotte is er in een kwart van de gezinnen sprake van een jeugdbeschermingsmaatregel. Wat betreft de representativiteit van de onderzoeksgroep ten opzichte van de non-respons is het niet mogelijk om een vergelijking te m Kwestie vaken tussen beide groepen. Maar een deelname van 53% van de benaderde respondenten is hoog en dit garandeert op zichzelf al een goede representatie van de ouders die gemeld zijn bij veilig Thuis. 50
Kwestie van lange adem
DEEL II DE RESULTATEN
4 4.1.
Afname van partnergeweld en kindermishandeling in de gezinnen Inleiding
Een belangrijke onderzoeksvraag is of de kindermishandeling en het partnergeweld in het gezin daadwerkelijk zijn gestopt of verminderd. In dit hoofdstuk gaan we in op de vraag of kindermishandeling en partnergeweld in de anderhalf jaar na de melding wel of niet zijn afgenomen. Omdat we vooral willen weten welke veranderingen er in de tijd zijn, nemen we in dit hoofdstuk alleen die gezinnen mee die aan alle drie de meetmomenten hebben deelgenomen. In dit hoofdstuk gaan we eerst in op het totale geweld binnen de gezinnen. Daarna bespreken we apart voor het partnergeweld en kindermishandeling hoe het geweld eruit zag bij de melding bij de eerste meting en of deze afgenomen of toegenomen is op de andere meetmomenten, een jaar en anderhalf jaar na melding. Tenslotte wordt er op regionaal niveau gekeken of er verschillen zijn in de afname van het geweld in de gezinnen.
4.2.
betreft zowel partnergeweld (fysiek, en/of psychisch geweld, letsel, seksueel misbruik) als kindermishandeling (fysieke en/of psychische mishandeling, verwaarlozing) (zie voor een uitgebreide beschrijving paragraaf 2.4.1). Bij melding bij Veilig Thuis geeft het merendeel van de gezinnen aan dat partnergeweld of kindermishandeling voorkomt. In een reeds gepubliceerd dossier en een factsheet staan de prevalentiegegevens voor zowel partnergeweld als kindermishandeling bij de eerste meting (T0) uitgebreid beschreven (zie Verwey-Jonker Instituut, Dossier Partnergeweld en Factsheet-Werkt-de-aanpak-van-kindermishandeling-en-partnergeweld). Omdat we willen weten of na de melding bij Veilig Thuis in de loop der tijd het geweld daadwerkelijk is gestopt, hebben we hier alleen die gezinnen meegenomen die aan alle drie de metingen hebben deelgenomen. Van deze 576 gezinnen vulden 472 vrouwen, 161 mannen een vragenlijst in. In totaal 289 kinderen uit deze gezinnen vulden minimaal op één meetmoment een vragenlijst in en 156 kinderen uit deze gezinnen vulden op alle drie de meetmomenten de vragenlijsten in. In het onderzoek is voor de drie meetmomenten met repeated measures (M)ANOVA nagegaan of het geweld in de gezinnen afneemt 4 . We zien een duidelijke afname van het totaalgeweld in de gezinnen.
Hierbij neemt het totaal aantal incidenten af van gemiddeld bijna 80 incidenten per gezin bij de eerste meting naar gemiddeld 37 incidenten bij de tweede meting en naar gemiddeld 20 incidenten bij de derde meting. Deze afname is significant, waarbij sprake is van een groot effect (η2 = .22, p< .001). Wanneer we het percentage gezinnen bekijken waar sprake is van geen geweld, matig geweld en veel geweld (zie
Is er sprake van een afname van het partnergeweld en de kindermishandeling?
Belangrijke onderzoeksvraag is of er sprake is van een afname van geweld, anderhalf jaar na de melding bij Veilig Thuis. In het onderzoek hebben we gekeken naar het geweld dat door de ouders en door de kinderen is gerapporteerd. Het
4 In 57 van de 579 gezinnen die aan 3 metingen hebben meegedaan, hebben zowel de vader als de moeder deelgenomen. Bij het presenteren van de gegevens over de kinderen hebben we aselect de gegevens van één van beide ouders over het kind meegenomen. Bij de analyses gebruiken we telkens willekeurig de gegevens van één van beide ouders.
52
figuur 4.1), zien we dat het percentage gezinnen waar het geweld daadwerkelijk gestopt is significant is toegenomen, waarbij sprake is van een gemiddeld tot groot effect (η2 = .19, p<.001). Bij de eerste meting was maar in 7% van de gezinnen sprake van niet voorkomend geweld volgens de gezinsleden; bij de derde meting is in 29% van de gezinnen het geweld gestopt. Ook het ernstige en veelvuldige geweld in gezinnen is significant afgenomen, van 82% bij de eerste meting (T0) tot 53% bij de derde meting (T2). Ook hier is sprake van een gemiddeld tot groot effect (η2 = .19, p<.001). Het aantal gezinnen waar sprake is van matig geweld lijkt iets toegenomen van 12% naar 17%, maar dat is niet significant. Ondanks dat het geweld in bijna een op de drie gezinnen gestopt is, is er nog steeds in meer dan de helft van de gezinnen sprake van veel of ernstig geweld anderhalf jaar na de melding (53%). Figuur 4.1 Het totale geweld in de gezinnen over drie meetmomenten (N=576)
4.3.
Geweld tussen mannen en vrouwen in intieme relaties
In deze paragraaf bespreken we of het partnergeweld in de gezinnen is afgenomen. Daarbij worden eerst de resultaten beschreven wat betreft de aard en omvang van het partnergeweld in het gezin. Welk soort geweld neemt af en hoe staat het met wederzijds geweld? Ten slotte gaan we in deze paragraaf in op de vraag of het geweld gepleegd wordt door een huidige- of ex-partner en wat dat betekent voor de af- of toename van het geweld. 4.3.1.
Mate van het partnergeweld
In tabel 4.1 wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten partnergeweld bij daders en slachtoffers. De bovenste helft van de tabel laat het slachtofferschap zien van het geweld van (ex)partner, het onderste deel van de tabel toont het eigen daderschap. De soorten partnergeweld zijn:
100%
z
82%
80%
z
65%
60%
53%
z 40%
29% 19%
20%
12%
16%
17%
Geen geweld Matig geweld
6%
Veel en ernstig geweld
0% T0
T1
z
psychisch geweld: onder andere beledigen, kleineren, bedreigen en schreeuwen naar de partner; fysiek geweld: onder andere duwen, slaan, schoppen, in elkaar slaan, wurgen en dingen gooien naar de partner; verwondingen: onder andere verstuikingen, blauwe plekken, wonden, bewusteloosheid en noodzakelijk doktersbezoek als gevolg van gevechten met de partner; seksueel geweld: onder andere aandringen op seks terwijl de partner niet wil (zonder fysiek geweld), dreigen met geweld om seks te hebben, fysiek geweld gebruiken om seks te hebben.
T2
In bijna alle gezinnen die meededen aan het onderzoek (90%) komt psychisch partnergeweld voor gedurende een van de drie meetmomenten in het onderzoek, het gaat dus over totaal psychisch geweld (zie tabel 4.1). Dit percentage omvat zowel daderschap als slachtofferschap. In het onderzoek wordt gebruik gemaakt van een gevalideerde vragenlijst, de CTS2. Deze vragenlijst stelt 53
vragen over zowel dader- als slachtofferschap. Het verschil in rapportage van psychisch partnergeweld door mannen en vrouwen is klein. Slachtofferschap van lichamelijk geweld door de (ex-)partner komt voor bij meer dan de helft van de vrouwen (51%); voor de mannen is dit 33%. Naast dat fysiek geweld tegen vrouwen vaker voorkomt is het lichamelijke geweld tegen vrouwen ook ernstiger: bijna drie keer zoveel vrouwen als mannen geven aan dat ze letsel opliepen in een ruzie met de partner (34% tegenover 13%). Met behulp van een Chi2 is nagegaan of er in de rapportage van slachtofferschap van partnergeweld sprake is van een genderverschil. De data laten zien dat er wat betreft fysiek geweld (φ= .16, p<.001), verwondingen (φ= .20, p<.001) en seksueel misbruik (φ= .15, p<.001), een significant verschil is tussen de mannelijke en de vrouwelijke respondenten. Hierbij rapporteren de vrouwen meer slachtofferschap dan de mannen en is er sprake van een klein tot gemiddeld effect. Meer dan 1 op de 5 vrouwen (22%) rapporteert dat ze seksueel misbruik heeft meegemaakt tegenover 1 op de 11 mannen (9%). Kijkend naar de prevalentie van het daderschap (78% van alle mannen en vrouwen) laat geen van de geweldsvormen een (significant) verschil zien tussen mannen en vrouwen. Met andere woorden: ongeveer net zoveel mannen als vrouwen geven aan dat ze zelf geweld hebben gepleegd.
Deze cijfers bevestigen dat er veelal sprake is van wederzijds geweld als het gaat om partnergeweld. Anderzijds laten de cijfers over slachtofferschap zien dat vrouwen veel vaker slachtoffer zijn dan mannen, zeker als het gaat om fysiek en seksueel geweld (zie ook Partnerdossier 2020). Een mogelijke verklaring voor deze tegenstrijdigheid is dat vrouwen vaker eigen geweld rapporteren dan mannen.
Tabel 4.1
Absoluut totaal partnergeweld mannen en vrouwen in de onderzoekspopulatie op de drie meetmomenten
Partnergeweld
T0-T1-T2 Man N=161
Vrouw N=472
Psychisch geweld
84%
86%
Fysiek geweld**
33%
51%
Verwondingen**
13%
34%
Seksueel geweld**
9%
22%
Psychisch geweld
74%
79%
Fysiek geweld
25%
33%
Verwondingen
15%
15%
Seksueel geweld
5%
7%
Slachtoffer van geweld partner
Dader zelf geweld tegen (ex)partner
*p < 0,05 **p < 0,01
De uitkomsten van de repeated measures (M)ANOVA laten zien dat partnergeweld in de gezinnen in de loop van anderhalf jaar eveneens fors is afgenomen, van gemiddeld 67 incidenten partnergeweld bij de eerste meting, naar gemiddeld 28 incidenten bij de tweede meting en gemiddeld 15 incidenten bij de derde meting, waarbij sprake is van een gemiddeld tot groot effect (η2=.19, p< .001). Hetzelfde zien we terug wanneer we naar de percentages naar soort geweld kijken (zie figuur 4.2). Het percentage gezinnen waar nog sprake is van frequent of ernstig partnergeweld is significant afgenomen van 65% naar 32%, waarbij sprake is van een gemiddeld tot groot effect (η2=.22, p<.001). Daarnaast is het percentage gezinnen waar geen sprake meer is van partnergeweld significant toegenomen van 19% naar 49%, waarbij sprake is van een gemiddeld tot groot effect (η2= .21, p<.001). Voor matig geweld zien we geen significante toename over de drie metingen.
54
Figuur 4.2 Percentage partnergeweld in de gezinnen in de onderzoekspopulatie (N=576)
Figuur 4.3a Percentage mannen (N=161) als slachtoffers van partnergeweld in de onderzoekspopulatie
100%
100%
80%
80%
77%
65%
60%
59%
60%
**
** 46%
49% 43%
**
35%
40%
32%
*
20%
19%
22% 16%
19%
Partnergeweld over drie meetmomenten T0
40%
Partnergeweld over drie meetmomenten T1
20%
Partnergeweld over drie meetmomenten T2
0% Geen geweld
Matig geweld
31%
T0 14%
**
12%
5%
7%
**
2%
7%
* 3%
1%
0% psychisch geweld
Veel ernstig geweld
lichamelijk geweld
verwondingen
T1 T2
seksueel misbruik
* p<.05, ** p<.01, significanties hebben betrekking ten opzichte van de T0
* p<.05, ** p<.01, significanties hebben betrekking ten opzichte van de T0
Ten aanzien van het slachtofferschap zien we bij zowel mannen als vrouwen een significante afname over de drie metingen van alle soorten geweld (zie figuur 4.3a en b), waarbij sprake is van een klein tot gemiddeld effect bij mannen ten aanzien van seksueel geweld en verwondingen (respectievelijk η2=.07, p<.05 en η2=.09, p<.01), en bij vrouwen van de afname van seksueel geweld (η2=.10, p<.001). Een gemiddeld tot groot effect vinden we bij de afname van slachtofferschap van psychisch geweld over de drie metingen bij mannen en vrouwen (η2=.22, p<.001), de afname van verwondingen bij vrouwen (η2=.20, p<.001), en de afname van slachtofferschap van fysiek geweld bij mannen (η2=.24, p<.001). Een groot effect over de drie metingen vinden we ten slotte bij de afname van slachtofferschap van fysiek geweld bij vrouwen (η2=.30, p<.001).
Figuur 4.3b Percentage vrouwen (N=472) als slachtoffers van partnergeweld, in de onderzoekspopulatie 100% 81%
80% 65%
60%
**
51%
48%
40%
32% 20%
20%
**
11%
T0
19% 9%
**
6%
7% ** 4%
T1 T2
0% psychisch geweld
lichamelijk geweld
verwondingen
seksueel misbruik
* p<.05, ** p<.01, significanties hebben betrekking ten opzichte van de T0
55
Bij de tweede meting rapporteert nog de helft van de vrouwen slachtofferschap van psychisch geweld (51%) en een op de negen vrouwen (11%) van fysiek geweld; ook letsel komt nog voor (6%) en seksueel misbruik (4%). De mannen in het onderzoek zeggen ook nog steeds slachtoffer te zijn van psychisch geweld (46%), wat vergelijkbaar is met de vrouwen. Maar voor fysiek geweld is het minder, 5% van de mannen tegenover vrouwen 11%; ook letsel als gevolg van fysiek geweld en seksueel geweld komt incidenteel voor, maar minder dan bij de vrouwen. We zien bij daderschap (figuur 4.4a en b) hetzelfde patroon als bij het slachtofferschap, echter ten aanzien van de afname van seksueel geweld zien we geen significant effect. Ten aanzien van de afname van daderschap inzake verwondingen zien we een klein tot gemiddeld effect over de drie metingen bij zowel mannen als vrouwen (respectievelijk η2=.11, p<.01 en η2=.09, p<.001). Een gemiddeld tot groot effect zien we bij zowel mannen als vrouwen bij de afname over de drie metingen van fysiek en psychisch geweld (mannen respectievelijk η2=.16, p<.001 en η2=.21, p<.001; vrouwen respectievelijk η2=.14, p<.001 en η2=.25, p<.001). Hoewel het percentage mannen en vrouwen dat aangeeft dat zij dader zijn lager ligt dan degenen die slachtoffer zijn, is het verschil tussen daderschap en slachtofferschap niet erg groot.
Er is geen verschil tussen mannen en vrouwen in het gerapporteerde daderschap op alle drie de momenten.
Figuur 4.4a Percentage mannen (N=161) als plegers van partnergeweld in de onderzoekspopulatie 100%
80% 67%
60%
50%
**
38%
40%
T0
23%
20% 8%
0%
psychisch geweld
**
13% 5%
4%
lichamelijk geweld
**
2%
verwondingen
T1 4%
1%
1%
T2
seksueel misbruik
* p<.05, ** p<.01, significanties hebben betrekking ten opzichte van de T0
Figuur 4.4b Percentage vrouwen (N=472) als plegers van partnergeweld in de onderzoekspopulatie 100%
80%
60%
73%
55%
**
41%
40% 28%
20%
13% ** 7%
T0
14%
**
3% 2%
5%
2% 3%
0% psychisch geweld
lichamelijk geweld
verwondingen
T1 T2
seksueel misbruik
* p<.05, ** p<.01, significanties hebben betrekking ten opzichte van de T0
56
4.3.2. Structureel geweld In het onderzoek zijn we nagegaan hoe chronisch het geweld is, dat wil zeggen hoe vaak het voorkomt. Het geweld is bij driekwart van de gezinnen structureel: het partnergeweld vindt maandelijks, wekelijks of dagelijks plaats. Een kwart van de respondenten zegt dat er het afgelopen jaar één tot 12 keer een geweldsincident was (minder dan één keer per maand). Uit het eerdergenoemde prevalentieonderzoek van Van Eijkern en collega’s (2018) kwam naar voren dat structureel geweld zes keer meer voorkomt tegen vrouwen dan tegen mannen. Daarom kijken we expliciet naar genderverschillen in het zelfgerapporteerde geweld (zie tabel 4.2). Vrouwen rapporteren meer geweldsincidenten dan mannen als slachtoffer (70 versus 31) en als dader (24 versus 15). Vrouwen zijn slachtoffer van meer incidenten met ernstig geweld dan mannen, dit verschil is significant over alle metingen waarbij sprake is van een klein effect (η2=.02, p<.01). Daarentegen rapporten meer vrouwen dan mannen dat zijzelf ernstig geweld gepleegd hebben, waarbij sprake is van een klein effect (φ=.08, p<.01). Overigens geldt dit niet voor mild geweld en zien we dit verschil alleen bij de T0 en T1. Dit kan betekenen dat mannen minder vaak slachtoffer of dader zijn van partnergeweld dan vrouwen. Het kan ook betekenen dat mannen het geweld dat zij plegen of ervaren onderrapporteren.