20210628462 Verwey Jonker Kwestie van lange adem
Tekst van het document
Hierdoor worden de mogelijkheden voor het creëren van veiligheid voor kinderen en volwassenen in situaties van huiselijk geweld of kindermishandeling zowel op de korte als op de langere termijn geoptimaliseerd. Tweede doel is de informatiedeling, zodat zowel Veilig Thuis als de verschillende ketenpartners van Justitie kunnen beschikken over alle relevante informatie die bij ieder van deze partijen beschikbaar is, op ieder moment waarop zij besluiten moeten nemen over zorgmeldingen of in casuïstiek op het gebied van huiselijk geweld en kindermishandeling, of daarover advies moeten uitbrengen. Concreet betekent dit dat de politie bij iedere melding bij Veilig Thuis binnen 24 uur de informatie zal gaan aanleveren die nodig is voor de uitvoering van de triage. Er worden regionale afstemmingsoverleggen georganiseerd tussen de drie partijen Veilig Thuis, politie en OM. Daar wordt casuïstiek besproken waarvan het triage-instrument aangeeft dat er sprake is van acuut 20
gevaar of van structurele onveiligheid. Alle beschikbare en relevante informatie tussen Veilig Thuis, politie en justitie wordt uitgewisseld, strafrechtelijke mogelijkheden worden beoordeeld en besloten wordt welke samenwerking nodig is voor het realiseren van veiligheid. In de praktijk zijn er steeds meer samenwerkingsafspraken tussen Veilig Thuis en de politie, de officier van Justitie en het Zorg- en Veiligheidshuis, bijvoorbeeld met betrekking tot het tijdelijk huisverbod of de zogenoemde ‘code rood’-zaken. In een aantal regio’s wordt Veilig Thuis standaard geïnformeerd als de politie vanwege huiselijk geweld naar een melding moet en is een medewerker aanwezig bij het gesprek. In sommige gemeenten zijn er ook specifieke afspraken over de samenwerking als het gaat om de aanpak van stalkers of mensenhandel.
z z z z z z z z z
1.4.3.
Ontwikkelingen binnen de professionele praktijk
Zoals hiervoor al is genoemd, komt de aandacht voor kindermishandeling en huiselijk geweld vooral vanuit het particulier initiatief en betrokken professionals. Toch zijn er de laatste jaren ook binnen de professionele praktijk allerlei ontwikkelingen gaande, zoals de uitwerking van het afwegingskader van de meldcode door de beroepsgroepen, het ontwikkelen van competentieprofielen en interventies die ingezet kunnen worden in de preventie of aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. Het afwegingskader bij de meldcode is door een groot aantal beroepsgroepen uitgewerkt. Deze richten zich echter vooral op kindermishandeling en niet op huiselijk geweld (Berger & Abrahamse, 2020). Daarnaast hebben veel beroepsgroepen, maar niet alle, een vakinhoudelijke richtlijn opgesteld hoe om te gaan met kindermishandeling:
z z
z
Handreiking deskundigheid huiselijk geweld en kindermishandeling (2014); Richtlijn Kindermishandeling voor jeugdhulp en jeugdbescherming (2016, actualisatie 2020);
Deze richtlijnen zijn allemaal redelijk recent. Het onderwijs en de kinderopvang hebben wel een afwegingskader voor de meldcode, maar niet voor de vakinhoudelijke kaders.
Daarnaast zijn er verschillende competentieprofielen opgesteld, die een bijdrage kunnen leveren aan de borging van de kwaliteit van de professional als het gaat om de aanpak kindermishandeling en huiselijk geweld: z z z
z
JGZ-richtlijn Kindermishandeling (2016); Landelijke Eerstelijns Samenwerkings Afspraak Kindermishandeling (2016); Multidisciplinaire richtlijn Familiaal Huiselijk Geweld bij kinderen en volwassenen (2009); Richtlijn Signalering kindermishandeling in de spoedeisende medische zorg (2016); Multidisciplinaire Richtlijn Blauwe plekken bij kinderen (2016); Richtlijn Diagnostiek bij (een vermoeden van) Seksueel Misbruik bij kinderen (2016); Richtlijn Münchhausen By Proxy Syndroom (2016); Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen (2016, revisie 2020); Generieke module Ernstige psychische aandoeningen (waaronder trauma) (2017); Richtlijnen signaleren van traumagerelateerde problemen (i.o).
z z
Competentie in relatie tot de aanpak kindermishandeling (2018); Competenties als onderdeel van de Richtlijn kindermishandeling voor jeugdhulp en jeugdbescherming (2016); Competenties aandachtsfunctionaris huiselijk geweld (2016); KNMG – Competentieprofiel kindermishandeling en huiselijk geweld (2014); Leidraad: verwerving benodigde competenties Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling (2014). 21
Ten slotte zijn er binnen de beroepsgroepen allerlei effectieve interventies ontwikkeld als het gaat om de aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling. Er is in ons land nog niet veel onderzoek gedaan naar de effectiviteit van interventies in het voorkomen van kindermishandeling en geweld in relaties. Alleen bij Voorzorg is er een significante afname gevonden van kindermishandeling en huiselijk geweld (Medjoubi, 2014; 2015). Daarnaast zijn er in Nederland alleen bij diverse interventies significante effecten gevonden op het verminderen van risicofactoren. Een voorbeeld daarvan is de verbetering van opvoedstress en opvoedingsvaardigheden en gedragsproblemen van het kind bij de interventie PCIT. Of de significante verbetering van de ouder-kind relatie en opvoedingsvaardigheden door het programma Triple P (Steketee, Jonkman, Naber & Distelbrink, nog te verschijnen). In de verschillende databanken van NJI, Movisie, Justitiële interventies en ESI staan een aantal interventies die zich richten op de thema’s huiselijk geweld en seksueel geweld of de risico’s die daaraan ten grondslag liggen. Er zijn drie interventies waarvan gezegd wordt dat er sterke aanwijzingen zijn dat zij effectief zijn: drie goede aanwijzingen en acht waarvan er eerste aanwijzingen zijn (Janssen, e.a., 2019).
Uit de meta-analyse van internationale interventies van Van der Put, Boekhout van Sollinge en Gubbbels (2017) blijkt dat deze interventies ter voorkoming van kindermishandeling maar een klein effect hebben, wat overeenkomt met eerdere meta-analyses. Voor de 122 interventies in deze meta-analyses vinden zij een significant positief effect voor de volgende interventiekenmerken: het vergroten van het competentiegevoel van ouders, het verbeteren van attitudes en verwachtingen over de opvoeding, en het vergroten van opvoedvaardigheden. Met uitzondering van het verbeteren van opvoedvaardigheden, worden de meest effectieve kenmerken van interventies weinig toegepast in de praktijk. Het doorontwikkelen van bestaande interventies kan dus veel verbeteren. Twee inhoudelijke interventiekenmerken laten een negatief effect zien, namelijk het bij ouders stimuleren dat ze gebruik maken van lokale voorzieningen en het vergroten van ouderlijke kennis over het kind en de kinderontwikkeling. Daarnaast vonden Van der Put en collega’s dat
kortdurende interventies tussen de o en 6 maanden met een hoge intensiteit van één of meer sessies per week de grootste effecten laten zien. Uit het onderzoek van Van der Put en collega’s (2017) blijkt ook dat professionals het lastig vinden om kindermishandelingsproblemen goed in te schatten en er passende interventies bij te kiezen. Daarnaast ontbreekt het ook aan kennis over het inzetten van justitiële interventies (Lünnemann e.a., 2018). De ervaring hiermee is dat het sociale domein onvoldoende zicht heeft op de mogelijkheden van het strafrecht (zoals het strafrecht als stok achter de deur), en de strafrechtpartners op hun beurt onvoldoende zicht hebben op interventies in het sociale domein. Veelal ontbreekt zowel het juiste kennisniveau als zicht op de relevante interventies (Lünnemann e.a., 2018; Dijkstra e.a., 2019). Binnen het veiligheidsdomein vindt een ontwikkeling plaats naar meer nadruk op de maatschappelijke effectiviteit van strafrechtelijk optreden, waarbij de mens centraal staat (programma Koers en Kansen). Voor de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling is door justitiepartners (Openbaar Ministerie, politie, reclassering, Raad voor de Kinderbescherming) en Veilig Thuis het ontwikkelprogramma Veiligheid Voorop! ontwikkeld, wat onderdeel uitmaakt van GHNT.
De Handreiking samenwerken bij strafbare kindermishandeling is bijvoorbeeld een uitwerking van het ontwikkelprogramma. Landelijk en regionaal is er steeds meer aandacht voor de afstemming van zorg en veiligheid.
1.5.
Longitudinale studie van het eerste cohort in de vier grote gemeenten
Zoals in de inleiding al genoemd, is deze tweede cohortstudie een herhaling van het eerdere onderzoek dat in de periode 2010-2013 in de vier grote gemeenten is uitgevoerd. Destijds bleek dat de gezinnen die in de periode 2010-2013 gemeld waren bij hulpverleningsinstellingen veelal een lange geschiedenis hadden van zeer ernstig geweld tussen de partners, en dat het zeer moeilijk bleek te zijn om het geweld in deze gezinnen daadwerkelijk te stoppen (Tierolf e.a., 2014). De negatieve gevolgen van het partnergeweld waren groot voor zowel de kinderen als de ouders. De vier grote gemeenten wilden graag weten hoe 22
het inmiddels met deze gezinnen gaat en hebben het Verwey-Jonker Instituut de opdracht gegeven om vijf jaar na de eerste cohortstudie deze gezinnen opnieuw te benaderen (zie figuur 1.1). Aan deze vierde meting 6 of 7 jaar na de originele melding hebben 76 gezinnen deelgenomen (36% van de oorspronkelijke gezinnen). De respondenten van de vierde meting zijn vergelijkbaar met de groep die aan de eerste meting heeft deelgenomen wat betreft de ernst en aard van het geweld en achtergrondvariabelen. Figuur 1.1
Schematische weergave van meetmomenten van de longitudinale studie
T0
T1
T2
T3
2010 - 2011 eerste meting vlak na melding
2011 - 2012 tweede meting 1 jaar na melding
2011 - 2013 derde meting 1,5 jaar na melding
2016 - 2018 vierde meting 6 à 7 jaar na melding
Doel van de vierde meting was om meer inzicht te krijgen in de langere termijngevolgen van partnergeweld. Daarnaast wilden de opdrachtgevers weten welke factoren (aard en voortduring van het geweld in het gezin, de rol van de ouders/ opvoeders, de relatie tussen ouder en kind, eventuele professionele ondersteuning of betrokkenheid van het sociale netwerk) van invloed zijn op het welzijn van ouders en kinderen en het doorbreken van de intergenerationele overdracht van geweld in gezinnen. De resultaten staan in het rapport “Wat als het geweld niet stopt” (Lünnemann, Steketee & Tierolf, 2020). De belangrijkste inzichten van deze vierde meeting van de longitudinale studie zijn op een rij gezet. z
z
Het gaat beter met de kinderen als het geweld daadwerkelijk stopt: De resultaten laten zien hoe belangrijk het is dat het geweld daadwerkelijk stopt. Pas als dat het geval is, zien we een significante verbetering van zowel het welzijn als de emotionele veiligheid van de kinderen en een
verbetering van de relatie met hun ouders. Afname van geweld is op zich een goede zaak, maar het is onvoldoende. Het voortduren van het geweld, ook al vindt het in mindere mate plaats, zorgt ervoor dat kinderen onveiligheid ervaren en de psychische klachten en het probleemgedrag worden versterkt. Trauma’s van de ouders en kinderen moeten behandeld worden: Als we kijken naar de traumaklachten van kinderen, dan zien we dat de klachten significant in tijd verminderd zijn, maar toch heeft één op de vijf kinderen (20%) nog steeds een klinisch trauma. Vooral als het gaat om posttraumatische stressstoornis (PTSS) en woede is er sprake van een significante afname, maar ook hier blijft nog bijna één op de tien kinderen een PTSS hebben. En één op de tien kinderen heeft nog steeds een depressie of angststoornis. Daarnaast hebben ook ouders relatief vaak last van traumaklachten. Een van de uitkomsten is dat er een significante relatie is tussen de traumaklachten van ouders en kinderen (zie ook Lünnemann e.a., 2020). Dat betekent dat er in het behandeltraject aandacht moet zijn voor zowel de traumaklachten van de kinderen als die van de ouders.
z
Het informele netwerk wordt als belangrijk ervaren: Het informele netwerk van de gezinnen en jongeren is van belang als het gaat om steun en hulp. Met name familie en vrienden vervullen deze rol. Verder valt op dat de docent redelijk vaak genoemd wordt, zowel door de ouders als de kinderen. Zestig procent van de volwassen respondenten heeft het jaar voorafgaand aan de vierde meting een vorm van hulpverlening ontvangen. Ook heeft gedwongen hulp plaatsgevonden, zoals een tijdelijk huisverbod, het uithuisplaatsen van kinderen of een ondertoezichtstelling.
z
Aandacht voor de gevolgen voor de kinderen is nog steeds nodig: Hoewel een duidelijke verbetering te zien is wat betreft het welzijn van de jongeren, heeft nog steeds een groep jongeren te maken met één of meerdere problemen, zoals traumaklachten, emotionele onveiligheid, een onveilige hechting, en probleemgedrag zoals criminaliteit of spijbelen. Ondanks 23
de problemen bij de kinderen zien we hetzelfde patroon als in de eerste studie in 2009-2013; vaak ontbreekt het aan hulp voor de kinderen. Van de kinderen heeft 30% in het afgelopen jaar een vorm van hulp gekregen. z
Partnergeweld en kindermishandeling vormen een hardnekkig probleem, waarbij vaak sprake is van herhaling: Dit patroon zien we ook terug bij deze onderzoeksgroep. Er is een duidelijke verbetering te zien bij de derde meting: in 2012-2013 rapporteerden alle gezinnen nog geweldsincidenten, bij de vierde meting in 2018-2019 is dat gedaald tot 79%. In veel gezinnen is dus nog steeds sprake van een voortduren van partnergeweld en kindermishandeling. Bij de eerste drie metingen is alleen gekeken naar partnergeweld, terwijl bij de vierde meting ook kindermishandeling meegenomen is. Er is duidelijk sprake van een samenloop: in 40% van de gezinnen is sprake van zowel partnergeweld als direct geweld tegen kinderen. In bijna een kwart van de gezinnen is alleen sprake van direct geweld van de ouders naar de kinderen en in 14% van de gezinnen is alleen sprake van geweld tussen de (ex)partners.
z
Er is ook een significante daling in het aantal incidenten te zien: het gemiddelde aantal incidenten van 122 incidenten op jaarbasis op de eerste meting daalt naar 30 incidenten op jaarbasis bij de laatste meting. Hoewel het gemiddelde aantal geweldsincidenten enorm is gedaald, is er nog steeds sprake van structureel geweld. Dat wil zeggen: het gemiddelde is hoger dan tweeënhalf geweldsincident per maand (Van Eijkeren, Downes & Veenstra, 2018).
1.6.
Leeswijzer
Dit rapport is uit verschillende delen opgebouwd. Deel 1 bestaat uit het bovenstaande, inleidende hoofdstuk, waarin de stand van zaken met betrekking tot de ontwikkelingen op de aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling van de laatste decennia wordt beschreven. Hoofdstuk 2 betreft de methodologische
verantwoording, waarin de onderzoeksvragen, onderzoeksopzet, onderzoeksmethode en gebruikte meetinstrumenten worden beschreven. In hoofdstuk 3 worden de achtergrondkenmerken van de onderzoekspopulatie beschreven: welke respondenten hebben aan het onderzoek meegedaan? Deel 2 van het rapport betreft de resultaten van het onderzoek. In hoofdstuk 4 worden de resultaten ten aanzien van het geweld in het gezin beschreven: neemt het geweld daadwerkelijk af gedurende het onderzoek? In hoofdstuk 5 gaan we in op de onderzoeksvraag hoe het staat met het welzijn en opvoedcompetenties van de ouders, en op de vraag of deze toenemen in de tijd. Hoe het gaat met het welzijn van kinderen en tieners wordt beschreven in hoofdstuk 6. Deel 3 van het onderzoek is gericht op de vraag: wat werkt er? In hoofdstuk 7 wordt beschreven welke formele en informele hulp de ouders en kinderen hebben ontvangen. Is er een relatie tussen de soort (in)formele hulp die het gezin heeft ontvangen en de afname van het geweld in het gezin? En zien we ook een dergelijke relatie met het welzijn van ouders en kinderen? In hoofdstuk 8 worden de gezinnen waar het geweld is gestopt nader geanalyseerd. Maakt het uit voor het welzijn van de kinderen en ouders dat het geweld daadwerkelijk is gestopt? In hoofdstuk 9 kijken we naar de relatie tussen de risicofactoren in het bestaan en voortbestaan van het geweld.
Tweede vraag in dit hoofdstuk is of de onderliggende risicofactoren ook afnemen in de loop der tijd en welke rol de geboden (in)formele hulp hierin speelt. Deel 4 betreft een kwalitatief onderzoek waarin gezinnen (ouders en kinderen) en hun hulpverleners zijn geïnterviewd over de vraag wat werkzame elementen zijn in de aanpak. In hoofdstuk 10 wordt een indeling gemaakt op basis van het soort geweld dat in het gezin speelt en de daaruit voortkomende problematiek. Deze profielen vormen de basis voor de soort hulp (arrangementen) die de gezinnen nodig hebben. In Deel 5 worden de belangrijkste conclusies van het onderzoek samengevat en doen wij aanbevelingen over wat er verbeterd kan worden in de hulpverlening aan gezinnen waar sprake is van geweld.
24
2
Methodologische verantwoording
2.1.
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt de methodologische verantwoording beschreven. Wat wordt er onderzocht en hoe wordt het onderzocht? Het onderzoek heeft als hoofddoel na te gaan of de aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling (care as usual) leidt tot een afname van het geweld in gezinnen, verbetering van de opvoedingsvaardigheden van de ouders en het welzijn van de ouders en kinderen. Een belangrijk ander doel van de studie is om inzicht te krijgen in wat de werkzame elementen zijn in de aanpak. Daartoe zijn ruim duizend gezinnen die gemeld zijn bij Veilig Thuis, gedurende anderhalf jaar gevolgd om na te gaan welke hulpverlening en interventies zij ontvangen hebben na de melding. Daarnaast zijn er aanvullende diepte-interviews gehouden om meer zicht te krijgen op de beleving van de gezinnen in deze situatie. Wat heeft volgens hen bijgedragen aan de eventuele verbetering van de gezinssituatie als het gaat om het verminderen van het geweld en het bevorderen van het welzijn van ouders en kinderen? Dit hoofdstuk betreft de methodologische verantwoording van het onderzoek. Hierin wordt beschreven wat de onderzoeksvragen van het onderzoek zijn, op welke wijze de data verzameld is en welke meetinstrumenten gebruikt zijn in het onderzoek.
2.2.
Vraagstelling van het huidige onderzoek
De hoofdvraagstelling van het onderzoek is: Wat zijn de resultaten van de aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling in het verminderen van het geweld en de toename van het welzijn van ouders en kinderen? Deze hoofdvraagstelling is uitgewerkt in verschillende deelvragen: z z
z
z
In hoeverre is het geweld daadwerkelijk gestopt of is er nog steeds sprake van geweld in het gezin? Is er sprake van verbetering van het welbevinden en persoonlijk functioneren van de ouders, ook in de hoedanigheid van opvoeder? In hoeverre is er een afname van psychische problematiek van de ouders en een verbetering in het welbevinden van ouders? Is er een afname van problemen in de opvoedingssituatie? Zijn ouders (weer) in staat om hun pedagogische verantwoordelijkheid op zich te nemen? Wat is de invloed van het stoppen of voortduren van het geweld op het welzijn van ouders? Is er sprake van een verbetering van het welbevinden van de kinderen en wat is de relatie met het stoppen of voortduren van het geweld? Is er sprake van een afname van traumaklachten bij kinderen, afname van emotionele onveiligheid, toename van veilige hechting en afname van probleemgedrag? Wat is de invloed van het stoppen of voortduren van het geweld in het gezin op het welzijn en probleemgedrag van kinderen? Wat is de invloed van de informele en formele hulpverlening op het stoppen of verminderen van het geweld en daarmee op het verbeteren van het welzijn van ouders en kinderen?
25
2.3.
Onderzoeksopzet
Het onderzoek betreft een longitudinale studie waarin gezinnen die werden aangemeld op basis van partnergeweld of kindermishandeling bij Veilig Thuis, benaderd zijn om mee te doen aan het onderzoek. Het Verwey-Jonker Instituut werkte samen met de Veilig Thuis organisatie in negen regio’s en de vier grote steden. Het onderzoek is uitgevoerd in Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht en in de regio’s Flevoland, Gooi & Vechtstreek, Groningen, Brabant Noordoost, Noord-Brabant Midden, Twente, Kennemerland, IJsselland en Zaanstreek Waterland. In elk van deze regio’s werden tussen de 75 en 100 gezinnen die werden aangemeld op basis van partnergeweld of kindermishandeling, benaderd om mee te doen aan het onderzoek. De studie heeft een longitudinaal ontwerp met drie metingen, waarbij deelnemers een vragenlijst invulden. De eerste meting (T0) is uitgevoerd in de periode dat gezinnen aangemeld zijn bij Veilig Thuis. De tweede meting (T1) is één jaar na de eerste meting (T0) uitgevoerd. De derde meting (T2) is anderhalf jaar na de eerste meting (T0) uitgevoerd. Moeders en vaders werden verzocht vragenlijsten in te vullen die over henzelf en hun kinderen (3-18 jaar) gingen. Daarnaast werden kinderen (8-18 jaar) ook gevraagd om vragenlijsten in te vullen. In elk gezin hebben ouders over maximaal twee kinderen gerapporteerd.
In gezinnen met meer dan twee kinderen vond de selectie van de kinderen plaats op basis van de jongste kinderen in de leeftijdscategorieën 3-11 jaar en/of 12-18 jaar. De inclusiecriteria om deel te nemen aan het onderzoek waren: z z
Behorend tot een gezin met minimaal 1 kind in de leeftijd van 3 tot 18 jaar. Zowel kind(eren) als ouder(s) kunnen de Nederlandse taal voldoende lezen en begrijpen om onder begeleiding de vragenlijst in te vullen.
Naast het kwantitatieve onderzoek hebben we een diepgaand kwalitatief onderzoek uitgevoerd, door middel van diepte-interviews gericht op de ervaringen van gezinnen met de hulp en steun die zij ontvangen hebben. Gezinsleden konden zich bij het invullen van de vragenlijst op de tweede meting (een jaar na melding) aanmelden voor deelname aan het kwalitatieve onderzoek en zijn aselect geselecteerd. Aan de diepte-interviews hebben 74 gezinnen deelgenomen, waarvan 59 vrouwen, 18 mannen en 22 kinderen; daarnaast zijn er 31 hulpverlenersinterviews gehouden. Een uitgebreide beschrijving van de respondentengroep en hoe zij geworven zijn staat in hoofdstuk 10, waarin deze resultaten van de deelstudie besproken worden. De studie is goedgekeurd door de Vaste Commissie Wetenschap en Ethiek (VCWE) van de Faculteit Gedrags- en Bewegingswetenschappen van de Vrije Universiteit Amsterdam (VCWE-2016-217R1).
2.4.
De dataverzameling
De dataverzameling heeft plaatsgevonden door middel van een huisbezoek bij de deelnemers. In het vorige cohortonderzoek (G4-onderzoek effectevaluatie aanpak Huiselijk Geweld, 2009-2014) zijn verschillende methoden van dataverzameling bij een dergelijke onderzoekspopulatie uitgeprobeerd, maar de enige methode die voldoende respons opleverde was door middel van huisbezoek. De potentiële deelnemers kregen eerst schriftelijke informatie over het onderzoek en werden telefonisch benaderd vanuit de Veilig Thuis (VT) organisatie. Tijdens dit belcontact werd het onderzoek uitgelegd en wanneer cliënten wilden deelnemen werd een afspraak voor afname van de vragenlijsten gemaakt. Deze werving via VT is uitgevoerd door studenten, die voor de wervingsperiode een stagecontract bij de betreffende VT-organisatie kregen aangeboden. Wanneer een afspraak was gemaakt, werden de afspraakgegevens doorgegeven aan het Verwey-Jonker Instituut (hiervoor moesten de deelnemers telefonisch toestemming geven), die vervolgens de administratie van de huisbezoeken voerde. Tijdens het huisbezoek vulden de deelnemers onder begeleiding van een studentassistent zelfstandig vragenlijsten in. Er werd een 26
laptop gebruikt om in te loggen met een identificatienummer, om de gegevens te pseudonimiseren. De vragenlijst nam ongeveer 60 tot 120 minuten in beslag voor ouders en 20 tot 45 minuten voor kinderen. Ouders ontvingen een beloning van € 20,- en kinderen een beloning van € 10,- voor het invullen van de vragenlijsten per meting. Aangezien huisbezoeken zeer arbeidsintensief waren, werkten we samen met studenten van verschillende universiteiten en hogescholen uit Amsterdam, Enschede, Groningen, Leiden, Tilburg, Rotterdam en Utrecht om de dataverzameling te realiseren. Hieronder worden de verschillende onderdelen van het dataverzamelingsproces verder toegelicht: de training en begeleiding van studenten; beldagen en huisbezoeken; het buddysysteem dat is ingesteld voor de veiligheid van studenten; en de afspraken die met studenten zijn gemaakt om de privacy van respondenten te waarborgen. Alle studenten/huisbezoekers hadden ten behoeve van dit onderzoek een VOG. Training en begeleiding De studenten startten hun dataverzamelingsstage met een training van een dag. Tijdens deze training kregen ze informatie over de achtergrond van het onderzoek, het dataverzamelingsproces en de benodigde vaardigheden.
Ook werd door middel van casuïstiek geoefend met situaties die studenten tegen konden komen in de praktijk, zoals een man en vrouw die in één ruimte tegelijkertijd de vragenlijst willen invullen, wat de betrouwbaarheid nadelig beïnvloedt. Studenten werden op deze wijze getraind hoe om te gaan met dit soort situaties. Naast de training zijn er maandelijkse terugkomdagen georganiseerd, waarin zowel praktische zaken rondom de dataverzameling als inhoudelijke aspecten van het onderzoek werden besproken. Ook konden studenten bij het coördinatieteam terecht als ze tijdens het huisbezoek een intensieve of nare ervaring hadden gehad.
Beldagen en huisbezoeken Studenten die werden ingezet voor de werving van gezinnen hebben een aanvullende training gekregen. Ze leerden meer over de bejegening van respondenten en hoe met specifieke situaties om te gaan. Deze studenten planden de huisbezoeken in voor alle studenten. Tijdens het huisbezoek lichtte de student het onderzoek en de vragenlijsten toe en was de student aanwezig voor het beantwoorden van eventuele vragen en om ervoor te zorgen dat de respondent de vragenlijst in een rustige omgeving kon invullen. Doordat de vragenlijsten gingen over gevoelige onderwerpen, hadden studenten altijd een Hulpwijzer mee, die achtergelaten kon worden als dat nodig was. Denk aan situaties waarin de respondent geëmotioneerd raakt of vertelt over problemen die spelen op andere leefgebieden. Op de Hulpwijzer staan diverse organisaties vermeld die laagdrempelige hulp bieden. Buddysysteem Aangezien de huisbezoeken gezinnen betroffen die aangemeld zijn vanwege huiselijk geweld, werden er strikte regels gehanteerd om de veiligheid te borgen van de studenten die de huisbezoeken verrichten. De eerste regel was dat altijd een tweede student meeging naar het huisbezoek wanneer een man aanwezig was of als het huisbezoek in de avonduren plaatsvond. Ten tweede was er een buddysysteem ingesteld. Elke student zat in een buddyteam van circa vier studenten.
Zodra een huisbezoek was ingepland, meldde de student dit huisbezoek aan in de appgroep van het buddyteam. Eén van de leden uit het buddyteam was tijdens het huisbezoek de buddy. De student die op huisbezoek ging informeerde deze buddystudent voordat hij/zij naar binnen ging bij de respondent, een kwartier na binnenkomst, een uur na binnenkomst, daarna na elk halfuur, totdat hij/zij weer buiten stond. Mocht de buddy geen contact kunnen krijgen met de student die op huisbezoek was, dan belde deze student het coördinatieteam. Het coördinatieteam kon op dat moment besluiten om de student te bellen, de respondent te bellen of op te schalen. Aangezien veel huisbezoeken buiten kantooruren of in de weekenden plaatsvonden, was er voor dit project een noodtelefoon, waardoor indien nodig altijd iemand van het 27
coördinatieteam bereikbaar was. Deze noodtelefoon circuleerde binnen het onderzoeksteam. In de praktijk is het niet voorgekomen dat de noodtelefoon voor urgente gevallen gebeld is. Privacy Alle studenten/huisbezoekers moesten bij aanvang een geheimhoudingsverklaring ondertekenen. Respondenten gaven aan de telefoon al toestemming voor deelname aan het onderzoek. Bij het huisbezoek vulden ze ook een toestemmingsverklaring in en ondertekenden deze. Studenten kregen alleen toegang tot de gegevens van een respondent als dit nodig was, dat wil zeggen als ze ingezet werden voor de werving van gezinnen op een bepaalde bellijst of als zij het desbetreffende huisbezoek uitvoerden. De belstudent die de afspraak inplande stuurde de contactgegevens van de respondent in een versleuteld afsprakenoverzicht naar de desbetreffende student die op huisbezoek ging, met in de cc het coördinatieteam. De student die op huisbezoek ging, melde in de appgroep van het buddyteam alleen datum, tijd en plaats van het huisbezoek. Daardoor waren gegevens alleen bekend bij het coördinatieteam en degene die de noodtelefoon had, de student die de afspraak inplande en de student die op huisbezoek ging. De student verwijderde na afloop van het huisbezoek het afsprakenoverzicht. Het coördinatieteam bewaarde een back-up in een beveiligde map in SharePoint.
De verzamelde data zijn in principe anoniem omdat er geen naar personen herleidbare gegevens in de vragenlijst voorkomen. Er bestaat echter wel een koppelbestand met de persoonsgegevens van de deelnemers ten behoeve van de huisbezoeken. Dit bestand wordt in een beveiligde map bewaard, waartoe alleen het coördinatieteam toegang heeft. De databestanden met alle vragenlijstgegevens van de deelnemers worden in een andere beveiligde map bewaard en zijn alleen toegankelijk voor de drie daartoe gemachtigde onderzoekers. Voor de analyses zijn, op basis van deze databestanden, afgeleide databestanden gemaakt zonder koppelgegevens, die in principe voor alle onderzoekers toegankelijk zijn omdat er geen naar personen herleidbare gegevens en geen koppelgegevens in voorkomen.
Corona Aan het eind van de dataverzameling konden de laatste huisbezoeken vanwege de maatregelen in verband met de coronacrisis niet meer gewoon doorgaan. Er is voor gekozen om de ouders de vragenlijsten online in te laten vullen en telefonisch begeleiding te geven bij het invullen van de vragenlijsten. Als ouders niet beschikten over een computer werd er een laptop aan huis gebracht, zodat de ouders online de vragenlijst konden invullen, en werd de volgende dag de laptop weer opgehaald. Zo zijn we in staat geweest om zoveel mogelijk respondenten te betrekken bij de derde meting, ook tijdens de lockdown-periode vanwege de coronacrisis. Wat betreft de mogelijke invloed van de lockdown op het invullen van de vragenlijsten, zien we geen verschil tussen vragenlijsten die voor en na de lockdown zijn ingevuld (zie het rapport van Steketee, de Wildt, Compagner, van der Hoff & Tierolf, 2020).
2.5.
Beschrijving vragenlijsten ouders en kinderen
In deze paragraaf beschrijven we de vragenlijsten die gebruikt zijn in het onderzoek. We beschrijven eerst de theoretische keuze voor de meetinstrumenten en daarna de meetinstrumenten. Aan het einde staat in tabel 2.1 precies aangegeven welk instrument door wie (ouder of kind) op welk meetmoment is ingevuld. 2.5.1.
Afname van het geweld
In het onderzoek staat de vraag centraal of het partnergeweld en de kindermishandeling daadwerkelijk zijn afgenomen en in hoeverre herhaling van het geweld plaatsvindt. Zoals in hoofdstuk 1 is aangeven kijken we naar fysiek partnergeweld, psychisch partnergeweld, letsel en seksueel geweld. Partnergeweld betreft meestal een combinatie van verschillende vormen van geweld. Zo vindt fysiek partnergeweld bijna altijd plaats in combinatie met psychisch partnergeweld. Daarnaast kan sprake zijn van eenzijdig of wederzijds partnergeweld. Uit 28
onderzoek naar geweld tegen vrouwen in een heteroseksuele relatie (Römkens, 1989, 1992) is gebleken dat ruim één op de vijf vrouwen (20,9%) ooit eenzijdig geweld heeft ondervonden in een relatie met een man. Ruim de helft daarvan was slachtoffer van (zeer) ernstig en herhaald geweld. Ruim één op de twintig vrouwen (5,5%) was ooit in een relatie betrokken bij wederkerig geweld; zij en de partner gebruikten over en weer geweld van lichte tot matige ernst. Het ging niet om ernstig geweld bij wederkerig partnergeweld. Meer recent komt uit onderzoek naar voren dat mannen en vrouwen niet wezenlijk van elkaar verschillen als het gaat om lichamelijk geweld als slaan, duwen, krabben en schoppen, en dit geldt ook voor psychisch geweld (Straus & Ramirez, 2007; Tanha, Beck, Figueredo, & Raghavean, 2010; Van Wijk, 2012). Partnergeweld bestaat echter niet alleen uit geweldsgedragingen, maar ook uit dwang en controle. Vrouwen zijn veel vaker slachtoffer van ‘coercive control’ door hun partner dan mannen, en het zijn vooral vrouwen die slachtoffer zijn van seksuele dwang door hun partner of ex-partner (Stark, 2007; Tanha e.a., 2010). Nieuw in het huidige onderzoek is dat we ook kijken naar kindermishandeling (fysiek en/of psychisch geweld en verwaarlozing). Partnergeweld en kindermishandeling komen vaak samen voor (Holt, Buckley, & Whelan, 2008).
In het derde prevalentieonderzoek is voor het eerst in Nederland grootschalig onderzoek gedaan naar de samenloop van kindermishandeling en ander huiselijk geweld binnen het gezin (Ten Boom & Wittebrood, 2019). Zo blijkt uit het scholierenonderzoek dat bij 17% van de scholieren die kindermishandeling rapporteerden ook sprake is van fysiek geweld tussen de ouders. Bij de informantenstudie blijkt dat van de kinderen die zelf mishandeld of verwaarloosd worden, tussen de 28 en 65% ook getuige zijn van fysiek geweld tussen de ouders, waarbij slachtoffers van psychische kindermishandeling het vaakst ook geweld tussen de ouders meemaakten.
Meten van het geweld in het gezin De prevalentie en frequentie van partnergeweld en kindermishandeling zijn gemeten door middel van de CTS2 (Conflict Tactics Scale, partnergeweld) en de CTSPC (Conflict Tactics Scale Parent Child, kindermishandeling). Beide instrumenten zijn eerder in het Nederlands gebruikt in gezinnen waarin sprake was van partnergeweld en/of kindermishandeling (Overbeek, 2014; Tierolf e.a., 2014). De CTSPC is een versie van de CTS, maar bij de CTSPC wordt het geweld tussen ouder en kind gemeten en bij de CTS het geweld tussen partners. De CTS2 is door Straus, Hamby, Boney-McCoy, en Sugarman ontwikkeld (1996) en door Lamers-Winkelman naar het Nederlands vertaald. Voor dit onderzoek worden de volgende subschalen gebruikt: fysiek geweld, psychologisch geweld, seksueel geweld, verwondingen, en onderhandelen. De vragenlijst bestaat uit 39 items die worden voorgelegd. Voor elk item wordt gevraagd naar het geweld dat de respondent zelf gebruikt en naar het geweld door de partner. Zes items gaan over de wijze waarop betrokkenen omgaan met conflictsituaties (onderhandelen, bv. ‘Ik liet mijn (ex-)partner zien/merken dat ik om hem gaf, hoewel we van mening verschilden’); acht items betreffen psychisch geweld (bv.
‘Ik heb mijn (ex-)partner beledigd of tegen hem/haar gevloekt’ en ‘Mijn (ex-) partner beledigde mij of vloekte tegen mij’); twaalf items gaan over ernstig en minder ernstig fysiek geweld (bv. ‘Ik heb mijn (ex-)partner geschopt’ en ‘Mijn (ex-)partner heeft mij geschopt’); zeven items gaan over seksueel geweld (bv. ‘Mijn (ex-)partner verplichtte me tot seks zonder condoom’ en ‘Ik verplichtte mijn (ex-)partner tot seks zonder condoom’); zes items gaan over verwondingen (bv. ‘Ik heb iets gebroken vanwege een gevecht met mijn (ex-)partner’ en ‘Mijn (ex-)partner heeft iets gebroken door een gevecht met mij’). Voor elk item kon de respondent een score geven tussen de 1 (dit is nooit gebeurd) en 8 (meer dan twintig keer in het afgelopen jaar). De Cronbach’s alpha’s voor de fysiek-geweldschaal en de psychisch-geweldschaal zijn respectievelijk .88 en .81. De totale geweldschaal heeft in dit onderzoek een Cronbach’s alpha van .90. De CTSPC is ontwikkeld door Straus, Hamby, Finkelhor, Moore en Runyan (1998) en door Lamers-Winkelman naar het Nederlands vertaald. Voor dit onderzoek worden twee versies gebruikt, namelijk de ouderversie en 29
de kindversie. Kinderen kunnen deze vragenlijst vanaf acht jaar invullen. Bij de ouderversie worden de volgende subschalen gebruikt: niet-gewelddadige disciplinering, psychische agressie, fysiek geweld (inclusief vragen over disciplinering of lichamelijke straffen), en verwaarlozing. Bij de kindversie worden de subschalen niet-gewelddadige disciplinering, psychische agressie, fysiek geweld (inclusief vragen over disciplinering of lichamelijke straffen) en getuige van geweld tussen ouders gebruikt. Vier items gaan over niet-gewelddadige disciplinering (bv. ‘Uitgelegd waarom iets verkeerd/fout was’); vijf items over psychische agressie (bv. ‘Tegen hem/haar geschreeuwd, gegild of gekrijst’); dertien items betreffen fysiek geweld (bv. ‘Hem/haar met mijn vuist geslagen of geschopt’); vijf items gaan over verwaarlozing (bv. ‘U was niet in staat om ervoor te zorgen dat uw kind(eren) het eten kreeg dat hij/zij nodig had’); vijftien items gaan over getuige zijn van geweld tussen ouders (bv. ‘Mijn (stief)vader/ (stief)moeder heeft de ander geslagen’). Voor elk item kon de respondent een score geven op een 8-punts Likertschaal tussen de 1 (dit is nooit gebeurd) en 8 (meer dan twintig keer in het afgelopen jaar). De betrouwbaarheidscoëfficiënt van de CTSPC was een Cronbach’s alpha van .86.
Op basis van de ingevulde vragenlijsten per gezin is het mogelijk een indeling in het gezinsgeweld te maken in drie categorieën: ‘geen geweld’, ‘mild geweld’ en ‘veelvuldig of ernstig geweld’. Deze indeling komt tot stand op basis van eerder onderzoek in een ‘normale populatie’ in 2012 (Tierolf, e.a., 2014). In deze populatie werd ook gebruik gemaakt van de CTS2 en hier bleek dat in gezinnen met kinderen in een normale populatie gemiddeld per jaar zeven incidenten van partnergeweld plaatsvonden. Aangezien daar ook gezinnen bij zaten waar (extreem) veel partnergeweld plaatsvond, is gekeken naar het gemiddelde voorkomen van de afzonderlijke incidenten. Het bleek dat er vier milde (psychische) incidenten waren die in de normale populatie gemiddeld 1 keer per jaar voorkomen. Vandaar dat voor de definitie van ‘geen geweld’ in huidig onderzoek een marge is aangehouden van minder dan vier milde incidenten per jaar. In de normale populatie van gezinnen met kinderen was de standaarddeviatie van de frequentie van partnergeweld 15 incidenten. Vandaar dat voor de aanduiding ‘mild geweld’ is gekozen bij een frequentie
van het geweld tot de gemiddelde +1 standaarddeviatie, 22 milde incidenten per jaar. Bij 4 of meer milde incidenten, oplopend tot 21 milde incidenten per jaar, noemen we het geweld ‘mild geweld’. Bij 22 of meer incidenten, of bij ernstige incidenten (1 of meer) noemen we het geweld ‘veelvuldig of ernstig geweld’. Ten aanzien van de kindermishandeling betekent ‘geen geweld’ ook daadwerkelijk 0 incidenten van kindermishandeling. Ook bij kindermishandeling zijn er drie milde incidenten die gemiddeld veel hoger scoren dan alle andere incidenten, niet zo vaak als bij partnergeweld maar toch aanzienlijk hoger. We hebben hier echter geen referentieonderzoek om te bepalen hoe vaak deze incidenten gemiddeld in de normale bevolking voorkomen, vandaar dat we hier een berekening hebben toegepast waarbij we de verhouding tussen het gemiddelde van het partnergeweld in de normale bevolking spiegelen met het hier gevonden partnergeweld en de verhouding tussen deze twee toepassen op de gevonden waarden van de drie kindermishandelingsincidenten. Op deze manier veronderstellen we dat maximaal twee milde incidenten per jaar van kindermishandeling kunnen worden gekwalificeerd als ‘mild geweld’. Drie of meer milde incidenten of één of meer ernstige incidenten worden als ‘ernstig of veelvuldig geweld’ gekwalificeerd. 2.5.2.
Toename van het welbevinden van de ouders Geweld in het gezin heeft zijn weerslag op de sfeer in huis en de opvoeding van kinderen. Ouders die te maken hebben met geweld in hun relatie vinden het vaak moeilijk om hun kinderen emotionele steun te bieden (Pels, Lünnemann, & Steketee, 2011). Spanningen binnen de ouderrelatie hebben een negatief effect op de ouder-kind relatie (Pels e.a., 2015; Stover e.a., 2012; Sturge-Apple, Davies, e.a., 2014, 2016). Ze kunnen de kinderen niet altijd de aandacht geven die zij - juist ook in de geweldscontext - nodig hebben (Brock & Kochanska, 2016; Erel & Burman, 1995). Ook problemen in de partnerrelatie blijken direct door te werken in de opvoedingsrelatie. In de opvoeding is een belangrijke risicofactor voor het ontstaan van kindermishandeling de mate van opvoedstress die ouders ervaren (Mackenzie e.a., 2011; MacKenzie & McDonough, 2009). Ouders 30
zouden bijvoorbeeld minder sensitief en responsief worden naar hun kinderen en zij gebruiken hierdoor sneller ineffectieve disciplineringsmethodes, zoals schreeuwen en (zomaar) negeren. In het onderzoek kijken we naar de opvoedingsvaardigheden en opvoedstress van de ouders. Het opgroeien in een conflictueus gezin met agressie en geweld vergroot het risico om zelf als volwassene geweld te plegen in intieme relaties en tegen kinderen. Personen die als kind zijn mishandeld of getuige waren van geweld tegen of tussen ouders, gebruiken later vaker zelf geweld tegen hun kinderen of partner, of zijn slachtoffer van geweld (WHO, 2007, 2016; Sneddon, Iwaniec & Stewart, 2010). Er zijn geen exacte gegevens over hoe vaak mishandelde kinderen zelf later dader worden; cijfers variëren afhankelijk van de onderzoeksmethode tussen de 8% in Engeland (Browne & Herbert, 1997; Engeland e.a., 1987) tot 40% in de Verenigde Staten (Kaufman & Zigler, 1987). Men gaat ervan uit dat een derde van de kinderen die zijn opgegroeid in een gezin waar agressie en geweld plaatsvonden, als volwassene geweld gebruikt tegen zijn of haar kinderen, terwijl twee derde de geweldsspiraal weet te doorbreken (Kaufman & Zigler 1987, aangehaald in Dixon, Brown & Hamilton, 2009). Nagegaan wordt wat de gezinssituatie is en of ouders in hun jeugd kindermishandeling of andere jeugdtrauma’s hebben meegemaakt.
De Adverse Childhood Experience (ACE)-studie (Felitti e.a., 1998) laat zien dat er een sterke relatie bestaat tussen ACE’s en fysieke en psychische aandoeningen. De geweldservaringen dragen ertoe bij dat het meer psychische inspanning kost om een goede ouder te zijn, zeker als de moeder ook als slachtoffer is getraumatiseerd (Holden & Ritchie, 1991; Harold & Howarth, 2004). Kortom, jeugdtrauma’s en het zelf meegemaakt hebben van geweld in het gezin waar je bent opgegroeid worden niet alleen geassocieerd met herhaling van het geweld maar ook met een slechte geestelijke gezondheid tijdens de volwassenheid (Fredland e.a., 2015; Montalvo-Liendo e.a., 2015). In het onderzoek wordt nagegaan of ouders zelf traumaklachten hebben al dan niet als gevolg van de jeugdtrauma’s of het huidige partnergeweld.
Daarnaast kijken we naar een aantal achtergrondvariabelen van de ouders zelf. Uit de literatuur is bekend dat een aantal individuele factoren voorspellers zijn voor partnergeweld en kindermishandeling. Een relatief jonge leeftijd en een lagere sociaaleconomische klasse zijn relevante risicofactoren, evenals geweld in het gezin van herkomst (Steketee, e.a., 2016). Tenslotte wordt er gekeken of persoonlijkheidstrekken van ouders, zoals extraversie, vriendelijkheid of openheid ook geassocieerd zijn met een hoger risico op herhaald partnergeweld en kindermishandeling. Alcohol en middelenmisbruik blijken een belangrijke voorspeller voor partnergeweld (Dubrowitz, e.a., 2012; Hilton & Harris, aangehaald in Winkel, Baldry, Kuijpers, & Pemberton, 2009; De Ruiter, 2011). Voor middelengebruik in het algemeen geldt overigens dat er een verband bestaat met een geweldsgeschiedenis: plegers met een geschiedenis van familiegeweld (inclusief partnergeweld) hebben een grotere kans op middelenmisbruik dan wanneer dit niet het geval is (Winkel e.a., 2009). Ook blijkt uit onderzoek dat probleemdrinkers vaker recidiveren met fysiek, psychisch en seksueel geweld tegen hun partner dan niet-probleemdrinkers (Horn, Scholing, & Mulder, 2006). Niet in alle gezinnen speelt ‘zware’ problematiek, zoals traumaklachten van ouders of kinderen.
Om toch een mogelijke verbetering van de aanpak huiselijk geweld zichtbaar te maken, bekijken we ook de kwaliteit van leven van de volwassenen. Traumatische symptomen Jeugdtrauma’s van ouders worden gemeten met de verkorte vragenlijst van de Adverse Childhood Experiences (ACE; Dube, Felitti, Dong, Chapman, Giles & Anda,2003). Hierbij vullen ouders tien vragen in over traumatische gebeurtenissen in de eerste 18 jaar van hun leven, waarbij ze ‘ja’ of ‘nee’ kunnen antwoorden. Het betreft de volgende tien categorieën: emotioneel misbruik, lichamelijke mishandeling, seksueel misbruik, emotionele verwaarlozing, lichamelijke verwaarlozing, ouderlijke scheiding of echtscheiding, moeder gewelddadig behandeld, middelenmisbruik van een van de familieleden uit het gezin, geestesziekte van een van de familieleden uit het gezin, detentie 31
van een van de familieleden uit het gezin. De interne betrouwbaarheid van de ACE is hoog: met een Cronbach’s alfa van .78 is de ACE betrouwbaar. De Trauma Symptoms Inventory (Briere, 1996) is gebruikt om traumatische symptomen bij ouders te meten. Deze lijst is te gebruiken bij de evaluatie van acute of chronische posttraumatische symptomen, waaronder effecten van verkrachting, huiselijk geweld, fysieke mishandeling, oorlogshandelingen, grote ongelukken, natuurrampen, alsmede kindermishandeling en andere vroegere traumatische gebeurtenissen. De subschalen van de TSI meten een breed scala aan psychologische effecten en betreffen niet alleen symptomen die gewoonlijk zijn verbonden met een posttraumatische stressstoornis (PTSS) of een acute stressstoornis (ASS), maar ook zowel intra- als interpersoonlijke problemen die vaak worden geassocieerd met meer chronische psychologische trauma’s (Briere, 1995). De lijst bestaat uit drie validiteitsschalen en de volgende tien klinische schalen: angstige opwinding, depressie, woede, opdringerige ervaringen, defensieve vermijding, dissociatie, seksuele problemen, disfunctioneel seksueel gedrag, verstoord zelfbeeld, en spanningsvermijdend gedrag. De zelfrapportage vragenlijst bestaat uit 100 items. Respondenten moeten aangeven hoe vaak bepaalde ervaringen de afgelopen zes maanden zijn voorgekomen.
Voorbeelden van items zijn ‘Boos worden om iets dat niet belangrijk was’. En ‘Je van binnen leeg voelen’. De items worden beantwoord op een 4-punts Likertschaal, lopend van ‘nooit’ (0) tot ‘vaak’ (3). De betrouwbaarheidscoëfficiënt van de klinische schalen in de Amerikaanse gestandaardiseerde steekproef is gemiddeld .86 en is daarmee zeer hoog. Voor het constateren van een klinisch trauma bij de ouders en kinderen wordt gebruik gemaakt van de normen zoals die gehanteerd worden binnen de vragenlijst zelf, die vastgesteld is op basis van onderzoek waarbij diagnoses van psychiaters zijn betrokken. Voor de TSI wordt (nog) gebruikt gemaakt van de originele Amerikaanse normen. Kwaliteit van leven Kwaliteit van leven van ouders is gemeten met de Manchester Short Assessment of quality of life (MANSA). De MANSA is een multidimensionale vragenlijst
ontwikkeld met het doel de kwaliteit van leven vast te stellen. De vragen verwijzen naar tevredenheid over iemands baan, woning, relatie en algemene gezondheid. De vragenlijst bestaat uit 12 tot 16 gesloten vragen waarmee de tevredenheid over de leefomstandigheden word vastgesteld. De betrouwbaarheidscoëfficiënt van de MANSA is .82. Ouderschapscompetentie Om na te kunnen gaan in hoeverre ouders in staat zijn te voorzien in de zorg-, ontwikkelings-, en opvoedingsbehoefte van hun kind wordt gebruik gemaakt van meerdere instrumenten. Er wordt hierbij met name gemeten in hoeverre ouders in staat zijn hun kinderen een goede opvoeding te geven. Gevraagd wordt naar de mate van opvoedstress en competentie die ouders ervaren, de ondersteuning en ruimte die ouders geven voor de ontwikkeling van zelfstandigheid, en naar de aanwezigheid van een warme en betrokken houding ten opzichte van de kinderen. Stressbeleving. Met behulp van de NOSI-K (Nijmeegse Ouderlijke Stress Index - verkorte versie) vragenlijst wordt nagegaan in hoeverre de ouder met de geboden hulp en ondersteuning (weer) in staat is om de pedagogische verantwoordelijkheid voor de kinderen op zich te nemen. De NOSI-K is gebaseerd op de NOSI, de Nijmeegse Ouderlijke Stress Index (De Brock, Vermulst, Gerris, Veerman & Abidin, 1992).
Deze verkorte versie bevat 25 items, waarbij ouders voor elke stelling aangeven in hoeverre ze het ermee eens zijn op een 6-punts Likertschaal, die loopt van 1 (helemaal oneens) tot 6 (helemaal mee eens). Voorbeelden van items zijn ‘Het valt niet altijd mee mijn kind te accepteren zoals hij/zij is’ en ‘Sinds ik kinderen heb, ben ik vlugger moe dan vroeger’. Een hogere score op deze schaal duidt op meer opvoedstress. De totaalscore op deze vragenlijst geeft een indicatie van de door ouders ervaren opvoedstress. De NOSI-K heeft een hoge interne consistentie (Snoeren, Hoefnagels, Evers, & Lamers-Winkelman, 2013) die in de huidige studie gewaardeerd wordt met een Cronbach’s alpha van α = .96. Competentie. De NOSI-K wordt aangevuld met vragen uit de subschaal ‘Competentie’ van de Nijmeegse Ouderlijke Stress Index (NOSI; De Brock e.a., 32
1992). Deze schaal meet de mate waarin de ouder het gevoel heeft voldoende vaardigheden en handigheid te hebben in de omgang met het kind. Ouders reageren hierbij onder andere op de vraag ‘Ik heb veel meer problemen met het grootbrengen van kinderen dan ik had verwacht’. Ook hierbij wordt gebruik gemaakt van een 6-puntsschaal van 1 (helemaal mee oneens) tot 6 (helemaal mee eens). Een hogere score houdt in dat ouders zich minder competent voelen in de opvoeding. De interne consistentie in de huidige studie is hoog, met een Cronbach’s alpha van α = .86. Warmte & betrokkenheid. Om de houding van ouders naar hun kind te kunnen beoordelen, wordt gebruik gemaakt van de subschaal ‘Warmte en betrokkenheid’ uit de Parental Practices Questionnaires (PPQ; Locke & Prinz, 2002; Robinson, Mandleco, Olsen & Hart, 1995). De subschaal warmte en betrokkenheid bestaat uit 11 items die gemeten zijn op een 5-punts Likertschaal, waarbij de 1 staat voor ‘nooit’ en de 5 voor ‘altijd’. Deze 11 items leveren een totaalscore op (PPQ), gemeten op een continu (interval) meetniveau. Een voorbeelditem van de vragenlijst is: ‘Vertel mijn kind dat ik waardeer wat hij of zij probeert of bereikt’. De PPQ is in eerdere studies een betrouwbaar instrument gebleken (Locke & Prinz, 2002). In de huidige studie heeft Cronbach’s alpha een waarde van α=.90. Autonomie & steun.
Om te kunnen meten in hoeverre ouders hun kind kunnen ondersteunen in de behoefte aan autonomie wordt gebruik gemaakt van de subschaal ‘autonomie’ uit de Mother Father Peer Scale 33 (MPF33; Epstein, 1983). Zowel het stimuleren door ouders van zelfstandig gedrag van hun kind als het overbeschermen van kinderen worden onderzocht. Ouders geven op een 4-puntsschaal van 1 (helemaal niet waar) tot 4 (helemaal waar) hun reactie op zeven items, waaronder ‘Ik moedig mijn kind aan zijn/haar eigen mening te geven’. Er wordt een gemiddelde score berekend. Een hogere score houdt in dat ouders hun kind meer aanmoedigen zelfstandig te denken en handelen. De interne consistentie is in de huidige studie hoog, met een waarde van Cronbach’s alpha van α =.88.
Alcoholgebruik van de ouders Het alcoholgebruik van respondenten en hun partners wordt gemeten met de Audit-C. De Audit-C is een bewerkte vorm van de Audit, die uit tien vragen bestaat; de Audit-C bestaat uit drie vragen. De hier gebruikte versie vraagt zowel naar het eigen alcoholgebruik als naar het alcoholgebruik van de partner. Een voorbeeld van een vraag is ‘Hoe vaak drinkt u een alcoholhoudende drank?’ en ‘Hoe vaak drinkt uw partner een alcoholhoudende drank?’ De antwoordcategorieën lopen volgens een 5-punts Likertschaal, bij twee van de drie vragen loopt deze van 0 (nooit) tot 4 (4 of meer keer per week). Eén vraag gaat in op het aantal drankjes en loopt van 0 (1 of 2) tot 4 (10 of meer). De betrouwbaarheid van de Audit-C voor eigen alcoholgebruik is .67, de betrouwbaarheid van de Audit-C voor alcoholgebruik van de partner is .86. Op basis van de Audit-C is het mogelijk het alcoholgebruik in het aantal glazen per week te berekenen. De range van het wekelijkse alcoholgebruik in het huidige onderzoek ligt tussen 0 en 80 glazen per week. De feitelijke norm van de Audit-C is dat problematisch alcoholgebruik is gedefinieerd als meer dan drie glazen per week voor vrouwen en meer dan vier glazen wekelijks voor mannen.
Voor dit onderzoek hanteren wij een grens van problematisch alcoholgebruik zoals die door de verslavingszorg gehanteerd wordt: acht alcoholische consumpties per week. Het gemiddelde aantal glazen dat deze groep per week drinkt is 8–16 glazen (norm gehanteerd door de Jellinek). Wanneer men meer dan acht alcoholische consumpties per week drinkt, wordt dat hier als risicovol alcoholgebruik gedefinieerd. Persoonlijkheidskenmerken van de ouders Gezien het toenemende belang van de rol van persoonlijkheid bij de bestudering van gedrag en welzijn, zowel van de ouder als van het kind, is een korte vragenlijst bij ouders en kinderen afgenomen. Bij ouders is dit de Quick Big Five (QBF), een korte online persoonlijkheidsvragenlijst die uit dertig vragen bestaat (Vermulst & Gerris, 2006). QBF geeft inzicht in de vijf persoonlijkheidskenmerken volgens het Big Five model (extraversie, vriendelijkheid, openheid, emotionele instabiliteit en consciëntieusheid). De antwoordcategorie 33
betreft een 7-punts schaal. De psychometrische kwaliteit van de QBF is als goed beoordeeld door onafhankelijke onderzoekers (Vermulst & Gerris 2006). De Crohnbach’s alpha (interne betrouwbaarheid) van de vijf subschalen is goed te noemen, voor achtereenvolgens extraversie .85, vriendelijkheid .84, openheid .79, emotionele instabiliteit .85, en consciëntieusheid .84. 2.5.3. Toename van het welzijn van de kinderen Geweld in het gezin heeft een enorm effect op kinderen. Verschillende onderzoeken hebben aangetoond dat kindermishandeling is geassocieerd met een toegenomen risico op het ontwikkelen van een onveilige hechting (Bacon & Richardson, 2001; Baer & Martinez, 2006; Lo, Chan, & Ip, 2017; Raby, Labella, Martin, Carlson, & Roisman, 2017). Vanuit het perspectief van de gehechtheidstheorie waarvan Bowlby (1969) de grondlegger is, bedreigen geweld en het aanschouwen van geweld bij een kind de ontwikkeling van een veilige gehechtheid. Door de geweldsincidenten kunnen de ouders niet garant staan voor de bescherming van de kinderen. Dit heeft tot gevolg dat het vertrouwen en de gehechtheid van de kinderen wordt geschaad (zie ook Belsky & Jaffee 2006; Dijkstra, 2007). Gedesorganiseerde hechting doet zich voor wanneer de hechtingsfiguur tegelijkertijd een bron van veiligheid én van angst is; bij kinderen is dan sprake van zowel toenadering als vermijding naar de ouder (Nicolai, 2001).
In het onderzoek is gekeken in hoeverre sprake is van een verstoorde hechtingsrelatie en wat de relatie is met het probleemgedrag van de kinderen. Ook alle vormen van partnergeweld, fysiek, psychisch of in de vorm van verwaarlozing, hebben negatieve gevolgen en leveren stress op bij de kinderen (Cummings & Davies, 2002, Cummings, George, McCoy & Davis, 2012; Davies, Martin, & Sturge-Apple, 2016; Ten Boom, Witkamp & Mertens, 2016). Zelfs wanneer de mate van geweld tussen ouders gering is, blijkt dat dit van invloed is op de emotionele, cognitieve en gedragsmatige reacties van kinderen op dit geweld een jaar later (Cummings, El-Sheik, Kouros, & Buckhalt, 2009; Davies & Marik, 2014, Davies e.a., 2014, 2016). Ook wanneer ouders non-verbaal ruzie maken, bijvoorbeeld door elkaar te negeren en niet over
hun meningsverschillen te praten, reageren kinderen hierop, omdat kinderen de non-verbale signalen in het gedrag van de ouders opvangen (Cummings, Goeke-Morey & Papp, 2002, 2003). We kijken naar de emotionele veiligheid van kinderen, omdat de achterliggende theorie veronderstelt dat kinderen die zijn blootgesteld aan partnergeweld zich emotioneel onveilig voelen. Ten eerste lijkt geweld tussen ouders direct te leiden tot stress bij kinderen en hierdoor het risico op gedragsproblemen te verhogen. Ten tweede lijkt een verstoorde ouder-kindrelatie dit verband te mediëren. Partnergeweld leidt vaak ook tot een verstoorde ouder-kindrelatie en die verstoorde relatie leidt in veel gevallen tot instabiliteit van het familiesysteem (Davies, Cummings & Winter, 2004; Pels e.a., 2011) en tot psychische problemen bij het kind (Davies, Winter, & Cicchetti, 2006: Mak, Steketee, & van der Schuur, 2013). Bij kinderen die herhaaldelijk worden blootgesteld aan partnergeweld is het niet zo dat gewenning optreedt en zij na verloop van tijd minder door het geweld van slag raken, maar het tegenovergestelde is het geval. Er treedt steeds sneller een stressreactie op. Kinderen reageren al op geringe spanning tussen de ouders, waardoor ze steeds sneller en heftiger reageren op het conflict.
Dit fenomeen wordt wel sensitisatie genoemd, het betreft een vorm van niet-associatief leren waarbij een versterking van een reflex op prikkels plaatsvindt (Davies, Harold, GoekeMorey & Cummings, 2002). Niet alleen het geweld op het moment zelf bepaalt de reactie van kinderen, maar ook het geweld dat kinderen in het verleden hebben meegemaakt. Volgens Davies en zijn collega’s (2002) is er een verband tussen een grotere sensitisatie en een verhoogd risico op latere problemen van het kind. Deze kinderen reageren emotioneel en gedragsmatig anders op conflicten dan kinderen die geen geweld hebben meegemaakt. We onderzoeken of er sprake is van emotionele onveiligheid als gevolg van het partnergeweld tussen de ouders en opvoeders. En of er ten gevolge van het verminderen van partnergeweld sprake is van een toename van emotionele veiligheid. Betrokkenheid bij conflicten tussen ouders blijkt het risico bij kinderen op latere externaliserende en internaliserende problemen en traumasymptomen te verhogen (Brock & Kochanska, 2016; Ehrensaft e.a., 2017; Jouriles e.a., 2014). Het meemaken van geweld tussen ouders valt in de categorie complexe 34
trauma’s (Van der Kolk, 2005). Een complex trauma verwijst naar ‘de ervaring van meerdere, chronische en langdurige, ongewenste traumatische gebeurtenissen, meestal van een interpersoonlijk karakter (bijvoorbeeld seksueel of lichamelijk misbruik, oorlog, partnergeweld)’. Als gevolg van traumatische gebeurtenissen kunnen kinderen diverse traumagerelateerde klachten ontwikkelen. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om een verstoorde emotie- en impulsregulatie. Deze kinderen vinden het moeilijk om hun emoties te reguleren, kunnen vlak of emotieloos lijken en impulsief reageren. Vaak hebben kinderen leerproblemen op school en kunnen ze snel afgeleid zijn. Op school, maar ook daarbuiten, hebben ze vaak ruzie met leeftijdsgenoten, doordat kinderen als gevolg van het getuige zijn van huiselijk geweld traumasymptomen en/of PTSS ontwikkelen (Legemate, 2018). Alle gevoelens en emoties die kinderen ondervinden door het geweld kunnen leiden tot aangeleerde hulpeloosheid, angsten en depressies. De strategieën die kinderen hanteren tijdens de conflicten kunnen internaliserende problemen voorspellen. De kinderen die zich verantwoordelijk voelen voor de conflicten maar tegelijkertijd niet in staat zijn tot het oplossen ervan ervaren meer internaliserende problemen, zoals angsten en depressies.
In het onderzoek wordt daarom naast traumaklachten ook gekeken welk probleemgedrag de jongeren vertonen, zoals delinquent gedrag, seksueel gedrag, schoolprestaties en middelengebruik. Aangezien het niet alleen maar slecht gaat met kinderen, wordt er ook gekeken naar de kwaliteit van leven. Onderzoek naar de gevolgen van kindermishandeling is vaak gefocust op gedrag en mentale gezondheid. Het concept van kwaliteit van leven en het algemeen welzijn zijn minder onderzocht (Jud e.a., 2013; Weber, Jud, Landolt & Goldbeck 2017). Nagegaan zal worden hoe kinderen hun kwaliteit van leven beoordelen op de verschillende gebieden van gezondheid, psychisch welzijn, school, vrienden en de relatie met hun ouders. Tenslotte wordt in de literatuur als risicofactor op kindniveau het temperament van het kind genoemd (Belsky & Jaffe, 2006). In het onderzoek wordt gekeken naar de persoonlijkheid van de kinderen omdat er een relatie blijkt te zijn tussen de persoonlijkheid van het kind en de opvoedingsstijl van de ouders. Zo vonden Egberts en collega’s (2015) dat de persoonlijkheidskenmerken