CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

20210357256 Raadsinformatiebrief Regiorapportage vervolgtoezicht kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd incl bijlagen

commissie Samenleving 2 september 2021, gemeente HaarlemBij agendapunt: Regiorapportage vervolgtoezicht kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd20.251 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De inspecties hebben bij DJGB ook casussen onderzocht van vóór half november 2020, waar op het moment van het toezicht nog geen koers voor was uitgezet (na vier maanden respectievelijk na zeven maanden nog geen koers).

Niet alle zaken konden op tijdigheid worden beoordeeld, omdat dit in de interviews met de jeugdbeschermers niet overal expliciet aan de orde is geweest. 12 De inspecties hebben bij DJGB dertien casussen beoordeeld die tussen half november 2020 en 1 januari 2021 zijn gestart op de aanwezigheid van en koers. In tien gevallen was er een koers. In 5 gevallen was de koers tijdig. In tien gevallen was de koers gedragen. 11

15 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid

“Soms als ik bel of app, dan stuurt ze een appje of belt ze me terug. Maar omdat het nieuw is, moet ik eerst een vertrouwensband hebben. Dan moet ik vaker contact hebben. Veel contact met de jeugdbeschermer gaat via mijn hulpverleners” Ouder

De inspecties zien een contrast tussen tijdig opgepakte zaken en zaken waarin te lang niets is gebeurd. Als gevolg van het onvoldoende actief oppakken van het wachtlijstbeheer zien de inspecties dat ook de koers niet tijdig tot stand komt.

Wat betreft de wijze waarop jeugdbeschermers in samenspraak met ouders komen tot een gedragen koers hebben de inspecties goede voorbeelden gezien en gehoord van jeugdbeschermers die zich – ondanks de ervaren werkdruk – volop inzetten om met het gezin tot een gedragen koers te komen. Jeugdbeschermers geven mooie voorbeelden van de manier waarop zij inzicht verkrijgen in eventuele weerstand bij ouders en kinderen en deze weerstand weten om te vormen tot een positieve, coöperatieve houding. En het gezin zo te motiveren tot het bereiken van een doel, al dan niet met de inzet van hulpverlening. Een punt van aandacht hierbij is het spreken van het kind. De inspecties hebben in acht zaken kunnen vaststellen of het kind wel of niet is gesproken, in vier van deze acht casussen was dit niet gebeurd.

Voorbeeldcasus: Kind is 6 jaar. Ouders hebben beiden een belast verleden, er zijn meerdere problemen in het gezin en de relatie tussen ouders is gewelddadig. Er is een OTS uitgesproken in augustus 2020. Vanaf dat moment is een wachtlijstbeheerder betrokken geweest. De wachtlijstbeheerder heeft weinig vastgelegd. Nu is er een jeugdbeschermer betrokken. De jeugdbeschermer heeft de moeder wel, maar het kind nog niet gezien of gesproken. De huidige jeugdbeschermer zag zich genoodzaakt meer prioriteit aan andere zaken te geven. De jeugdbeschermer heeft nu (maart 2021) hulp geïndiceerd, is bezig met een plan van aanpak en wil dat er zicht op het gezin komt. De zorgen zijn er nog steeds en de ouders voelen zich niet serieus genomen. Die geven zelf aan dat ze een jeugdbeschermer nodig hebben.

JBRA De methodiek van JBRA is erop gericht dat drie maanden na de start van de jeugdbeschermingsmaatregel een gezinsplan gereed is. Deze methodiek wijkt hiermee af van de wettelijke norm dat voor een kind met een maatregel na zes weken een plan van aanpak beschikbaar moet zijn. De inspecties hebben in dit toezicht niet getoetst op de wettelijke norm, maar op de bedoeling achter deze norm, namelijk dat na de start van een jeugdbeschermingsmaatregel met ouders en jeugdige(n) zonder vertraging wordt gewerkt aan het afwenden van de ontwikkelingsbedreiging van het kind. “Beide ouders hebben een beperking en hebben blijvend hulp nodig. Ik had vier maanden nodig Bij JBRA hebben de inspecties elf voor een gedragen koers. Het kost veel tijd om casussen beoordeeld op de aanwezigheid ouders mee te krijgen. Veel uitleggen, dat kost van een koers. Dit was in acht gevallen op tijd. Gezien de zorgen over het kind was het van orde. Dat wil zeggen dat hetzij in het belang om een goed veiligheidsplan te maken dossier ((concept) gezinsplan), hetzij in en in te voeren. Veel afspraken gehad met gesprek met de jeugdbeschermer e/o externen die zicht houden op de veiligheid van ouder duidelijk is aan welke doelen wordt het kind.” jeugdbeschermer gewerkt gedurende de maatregel. Negen casussen zijn beoordeeld op de tijdigheid van een koers. Dit was in zes gevallen op orde.

Veertien casussen zijn beoordeeld op de gedragenheid van de koers. Dit was voor twaalf jeugdigen/gezinnen op orde.

16 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid

Ouders die de inspecties gesproken hebben, zijn positief over de deskundigheid waarmee de jeugdbeschermer met hen in gesprek is gegaan over wat er aan de hand is en wat er nodig is voor hun kind en hun gezin. Ook bij JBRA is terug te zien dat voor gezinnen waar niet tijdig een jeugdbeschermer actief mee aan de slag gaat, niet tijdig een gedragen koers tot stand komt. Dit is voor JBRA met name een knelpunt in Zaanstreek-Waterland. Hier zijn gezinnen ondergebracht bij het instroomteam of het basisteam, waar geen vaste jeugdbeschermer aan was gekoppeld. Voor deze jeugdigen zijn wel bodemeisen ten aanzien van de veiligheid bepaald en gecommuniceerd, maar is nog geen gedragen koers uitgezet.

“In West Friesland is de financiering resultaatgericht. Aanbieders krijgen de hele pot geld pas als alle doelen zijn bereikt. Het kan daarom ook lang duren om overeenkomst overeenstemming te vinden over de doelen waaraan gewerkt wordt. Soms duurt het daarom maanden voordat er een akkoord is dat naar de gemeente kan.” jeugdbeschermer De inspecties hebben daarnaast geconstateerd dat resultaatgerichte financiering van de jeugdhulpaanbieders in Westfriesland in de praktijk belemmerend werkt voor het tijdig uitzetten van een koers. Aanbieders krijgen de volledige financiering pas als alle vooraf bepaalde doelen behaald worden met een jeugdige en/of zijn gezin. In de praktijk leidt dit tot lange onderhandelingen over de doelen waaraan gewerkt gaat worden. Landelijk werkende instellingen: Briedis, LJ&R en WSS Bij LJenR hebben de inspecties vier Noord-Hollandse/Amsterdamse casussen beoordeeld op het tijdig uitzetten van een gedragen koers. Voor alle jeugdigen was er een koers, in drie gevallen was deze koers tijdig en gedragen. Bij de WSS hebben de inspecties vijf casussen beoordeeld op deze norm. Dit was in alle gevallen op orde. Bij Briedis is in deze regio geen casus op deze norm beoordeeld.

17 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid

Norm 3

Tijdige inzet van passende hulp die leidt tot het opheffen van de ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het verminderen van het recidive risico. Passende hulp: Hulpverleners bieden hulp die aansluit bij de problematiek, ontwikkelingsbehoefte en mogelijkheden van jeugdigen en hun ouders. Daarnaast is de hulp bij een jeugdbeschermingsmaat-regel passend wanneer professional(s) kunnen toelichten en ouders/jeugdige ervaren dat de hulp bijdraagt aan het opheffen van de onveiligheid/ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk verminderen van het recidiverisico. De hulp is passend als deze overeenkomt met het plan, dat een gedragen koers bevat. De hulp is ook passend als blijkt dat professional en gezin het ingezette alternatief passend vinden. Tijdig: De hulp is tijdig wanneer binnen drie maanden na het uitspreken van de maatregel passende hulp is ingezet, of zoveel eerder als de jeugdbeschermer en betrokkenen noodzakelijk achten gezien de onveiligheid/ontwikkelingsbedreiging/recidive risico van het kind. De inspecties hanteren wat betreft de termijn hierbij het principe ‘comply or explain’. De hulp is niet gestart als na de intake het kind/gezin op een wachtlijst terecht komt. Indien het kind / gezin heeft moeten wachten op passende hulp, maar deze is in de doorbraakaanpak tot stand gekomen, dan beoordelen de inspecties dit positief.

Bevindingen De regio’s Amsterdam en Noord-Holland zijn er niet in geslaagd om tijdig passende hulp die leidt tot het afwenden van de ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het verminderen van het recidive risico, in te zetten voor elk kind met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel. Op basis van de monitoringsgesprekken verwachtten de inspecties dat niet elk kind met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel in Noord-Holland tijdig passende hulp kreeg. Deze verwachting is tijdens de praktijktoets bevestigd. De inspecties hebben in totaal voor 54 jeugdigen met een maatregel beoordeeld of de passende hulp tijdig is ingezet. Dit was voor 32 jeugdigen het geval. Op het gebied van tijdige inzet van passende hulp voor kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel zijn verschillen per jeugdhulpregio zichtbaar. Op basis van de aantallen casussen die per jeugdhulpregio zijn getoetst, kunnen de inspecties geen representatief beeld geven van de verschillen. De cijfers geven een voorzichtige indicatie dat de knelpunten in Kennemerland (in 25% van de onderzochte casussen is tijdig passende hulp ingezet), Zaanstreek-Waterland en Gooi- en Vechtstreek (in beide regio’s is 50% procent van de onderzochte casussen tijdig passende hulp ingezet) het grootst zijn.

In Amsterdam-Amstelland en Westfriesland is in rond de 60% van de onderzochte casussen tijdig passende hulp ingezet. In de Kop van Noord-Holland en in Haarlemmermeer was in alle onderzochte casussen passende hulp ingezet. De inspecties hebben kwalitatief onderzoek uitgevoerd. Naast het uitdiepen van de casussen hebben zij ook in algemene zin met jeugdbeschermers, zorgaanbieders en jeugdhulpregio’s gesproken over de beschikbaarheid van (specialistische) jeugdhulp. Op basis hiervan kunnen zij een nadere duiding en een richting geven van de bevorderende factoren en van de knelpunten bij de tijdige inzet van passende jeugdhulp aan kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel. De bijlage bevat bevindingen die specifiek zijn voor de verschillende jeugdhulpregio’s.

18 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid

Voorbeeldcasus De jeugdige heeft in allerlei instellingen gewoond. Begin 2020 was de jeugdige 16 jaar. De ZIKOS (Zeer intensieve kortdurende observatie en stabilisatie) heeft toen duidelijk advies uitgebracht wat nodig is voor de jeugdige. De jeugdbeschermer is sindsdien op zoek naar een plek. De jeugdbeschermer heeft geprobeerd een plek te vinden in het reguliere aanbod, maar daar werd de jeugdige telkens afgewezen. Toen is geprobeerd tot maatwerk te komen met de gemeente, een jeugdhulpaanbieder en een GGZ-aanbieder. De jeugdige kon niet in de JeugdzorgPlus-instelling verblijven omdat die ging sluiten. Toen is de jeugdige weer thuis gaan wonen, conform de wens van ouders en jeugdige, met heel veel ambulante begeleiding. Dat is 10 dagen goed gegaan. Verschillende kortdurende opnamen volgden. Nu verblijft de jeugdige opnieuw op een ZIKOS buiten de regio. De gesloten machtiging loopt tot 23 maart, en er is besloten om geen verlenging meer aan te vragen. De jeugdbeschermer vindt dat de jeugdige niet langer in de gesloten jeugdzorg thuishoort. DJGB probeert de druk te vergroten bij aanbieders. De gemeente is bereid alle kosten te dragen. Helder is wat de jeugdige nodig heeft: een langdurige woonplek, 24-uurs begeleiding ter bescherming van zichzelf. De jeugdbeschermer heeft heel lang gezocht in de regio, dat het voor ouders te bereizen zou zijn. Dat is nu ook losgelaten.

De jeugdbeschermer had de casus aangemeld voor de doorbraakaanpak, maar is niet meegenomen. Onduidelijk voor de jeugdbeschermer is waarom niet.

Belemmerende factoren voor de tijdige inzet van passende hulp Beschikbaarheid van specialistisch (residentieel) jeugdhulpaanbod hulp voor jeugdigen met complexe problematiek

“De kosten voor zeer specialistische hulp voor één kind liggen nog bij één gemeente. Op dit moment krijgt een jongere een Very Intensive Care behandeling die 170.000 euro kost die een kleine gemeente betaalt. Deze dure zorg kan beter (boven)regionaal worden betaald. De meeste energie gaat zitten in de dure zorg, de wethouders willen deze terugdringen. Dit is vreemd vergeleken met somatische zorg.” zorgaanbieder

Voor specifieke groepen jeugdigen is onvoldoende passende hulp beschikbaar in de regio. Het betreft jeugdigen die zelf een combinatie van problemen hebben, zoals agressieproblematiek, GGZproblematiek, trauma, verstandelijke beperking. Het blijkt in de praktijk moeilijk om tot maatwerk te komen voor deze jeugdigen. Het zijn jeugdigen die door hun problematiek tussen het aanbod in vallen. Als gevolg van deze kindeigen problematiek, al dan niet in combinatie met problemen in de thuissituatie, kunnen deze kinderen niet (meer) thuis opgroeien. Uit het toezicht komt naar voren dat jonge kinderen (van rond de 10-13 jaar) met dergelijke problemen lang op crisisplekken verblijven, op wachtlijsten staan, veel te maken hebben met verplaatsingen en geen passende behandeling krijgen.

“Het principe is goed, maar de plekken zijn er niet. Er is een vreselijk tekort aan gezinshuizen die ook wel wat kunnen ‘handelen’.” jeugdbeschermer

De groep oudere jeugdigen met dergelijke combinaties van problemen krijgt vaak te maken met JeugdzorgPlus (gesloten jeugdzorg). De bestaande gesloten voorziening in de regio (Transferium van Parlan) is in 2020 gesloten nadat in 2018 de JeugdzorgPlus in de regio is gegund aan Horizon. Horizon heeft een (kleinere) JeugdzorgPlusvoorziening geopend in Castricum. Daarnaast ontwikkelt Parlan kleinschalige woonvoorzieningen in geslotenheid. Deze ontwikkelingen zijn in lijn met de ambitie van de regio om grootschalige voorzieningen te transformeren naar kleinschalige, meer huiselijke voorzieningen.

19 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid

Niet voor elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel en een machtiging gesloten plaatsing blijkt het mogelijk om tijdig een passende plek te vinden. In de praktijk hebben de inspecties twee voorbeelden gezien van jeugdigen uit Noord-Holland die in Harreveld verbleven, omdat geen passende gesloten plek was in de regio. Voor oudere jeugdigen met vergelijkbare problematiek blijkt het verder lastig om een passende (open) vervolgplek te vinden. Het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd heeft ook een analyse gemaakt van de casuïstiek die daar is ingebracht (met als doel om voor de betreffende jeugdige passende hulp te realiseren). Deze analyse sluit aan op de bevindingen van de inspecties. De jeugdhulpregio’s in Noord-Holland onderkennen de knelpunten in dit aanbod en hebben voor de aanpak hiervan het manifest Een thuis voor Noordje opgesteld. De inspecties zijn positief over de uitgangspunten van dit manifest, maar hebben zorgen dat de uitwerking en uitvoering te lang op zich laat wachten voor jeugdigen die nu dringend passende hulp nodig hebben.

“De zorgaanbieder heeft op dit moment een tekort aan 25 tot 35 plekken in gezinshuizen. Om deze op te starten is een stabiele situatie nodig. Het kost tijd om panden en mensen te vinden en met de hulp te starten. Om als alternatief ander kleinschalig aanbod te starten ontbreken de middelen.” zorgaanbieder

“Er zijn te veel residentiële start-ups. Daarvan zien we niet wat het niveau van zorg is. Mijn eigen hypothese: het is heel makkelijk om een kleinschalige woonvoorziening te starten. Dat is makkelijk verdiend. Gaat het niet goed met een kind, wordt het kind er weer uitgezet.” zorgaanbieder

Knelpunten in de samenwerking In paragraaf 2.1 hebben de inspecties op hoofdlijnen beschreven hoe de verschillende regio’s de inkoop van jeugdhulp vormgeven. Dit hangt samen met de keuzes die de verschillende jeugdhulpregio’s hebben gemaakt en is inherent aan de decentralisatie van de jeugdhulp. Het pakt in Noord-Holland echter nadelig uit voor het organiseren van (hoog)specialistisch jeugdhulpaanbod, dat soms juist voor de jeugdigen en hun gezinnen met een jeugdbeschermingsmaatregel moet worden ingezet. Zowel de GI’s als de zorgaanbieders hebben met verschillende vormen van inkoop, contractering, verantwoording en financiering te maken. Dit maakt het complex om in te zetten op innovatie en leidt tot financiële zorgen bij de specialistische jeugdhulpaanbieders. Voor het bestendigen en innoveren van het specialistisch jeugdhulpaanbod is een goede samenwerking nodig tussen de regio’s, de gecertificeerde instellingen en het specialistische jeugdhulpaanbod. Met het opstellen van het manifest Een thuis voor Noordje is hier de eerste stap in gezet. Het plan is ambitieus en vraagt, zoals in het plan beschreven, naast ‘een maatschappelijke paradigmashift’ ook om bestuurlijk draagvlak en een gezamenlijke en bovenregionale governance (zowel van de gemeenten als van de instellingen) en tijd.

20 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid

Uit de gesprekken van de inspecties met de jeugdhulpregio’s en de instellingen concluderen de inspecties dat er nog een lange weg te gaan is voordat het manifest is vertaald naar een plan en het plan is gerealiseerd. Zowel op bestuurlijk niveau als op casusniveau zien de inspecties dat er sprake is van visieverschillen die een effectieve samenwerking in de weg staan. Voorbeelden hiervan zijn opgenomen in de nadere uitwerking van de bevindingen per regio in de bijlage. “De aanbesteding verschilt sterk per gemeente. Ook veranderen gemeenten geregeld, bijvoorbeeld nadat in 2018 de SPIC-methode is ingevoerd in Amsterdam-Amstelland, is Amsterdam met ingang van 2021 overgegaan naar lumpsum voor tien kernpartners. Zaanstreek-Waterland gaat werken met een nieuwe versie van SPIC, waarbij sprake is van 100 verschillende vormen. Dit leidt tot een grote backoffice die bezig is met inkoop en verantwoording. Dit kost meerdere miljoenen per jaar, dat gaat allemaal van zorgbudget af. Door de decentralisatie is ook al minder geld beschikbaar. Het leidt tot verliesgevende resultaten.” zorgaanbieder

Schaarste/wachtlijsten Een aantal specifieke vormen van hulp is onvoldoende beschikbaar (wachtlijsten) of passend. Dit leidt tot wachttijden voor gespecialiseerde jeugdhulp en specialistische J-GGZ, ambulante spoedhulp (belangrijk om direct te kunnen inzetten bij crisissituaties), opvoedondersteuning, hulp in echtsscheidingssituaties (KIES, Ouderschap blijft), begeleide omgang, GGZ-hulp (diagnostiek en behandeling, specifiek traumabehandeling, klinische plekken) 13, systeemtherapie en gezinsopnamen. Daarnaast betreft het bijvoorbeeld woonplekken voor jeugdigen met een jeugdreclasseringsmaatregel, pleeg- en projectgezinnen, (passende) JeugdzorgPlus. Ook de overgang van 18- naar 18+ is een knelpunt, onder andere omdat de hulp voor volwassenen anders gefinancierd is. De inspecties hebben hierbij geconstateerd dat er wachttijden zijn die op elkaar ingrijpen en elkaar versterken. Een bijkomend probleem voor deze kinderen is bijvoorbeeld dat GGZ-behandeling (waaronder traumabehandeling) niet kan starten, omdat de situatie van het kind op dat moment niet stabiel is. De problematiek van het kind verergert tijdens het wachten.

Opvallend is verder dat de inspecties meerdere voorbeelden zijn tegengekomen van jeugdigen waarvoor het aanbod voor seksueel grensoverschrijdend gedrag of seksueel trauma wel is ingezet, maar niet passend bleek (bijvoorbeeld vanwege de leeftijd of de ontwikkeling van de jeugdige). “Concreet missen we aanbod jonge kinderen (10 -) die niet meer in pleegzorg/ gezinshuis kunnen door ernstig gedrag. Te ingewikkeld voor Wmo en te slim voor Wlz. Hier is nauwelijks aanbod voor. Dit is een hardnekkig proces over wie het gaat betalen, plan maken, uitvoeren. Het zijn eigenlijk een soort van Wlz kinderen, zij hebben langdurige zorg nodig. Ook jeugdigen die heftig gedrag vertonen tussen 10 en 15, daar zijn woonplekken voor nodig waar ze lang kunnen wonen. Nu zijn er veel doorplaatsingen met alle gevolgen van dien op lange termijn. Maar het aanbod is er niet. Zij kunnen ook niet goed samenwonen met andere jeugdigen. Zij kunnen niet in gezinshuis of pleegzorg blijven.” zorgaanbieder

Veel stappen in het traject om te komen tot passende hulp De inspecties benoemen in het rapport uit 2019 dat de gecertificeerde instelling de wettelijke taak heeft te bepalen of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. De Jeugdwet schrijft voor dat de GI hiertoe overlegt met het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft.

13

Verwijzing naar factsheet J-GGZ

21 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid

Dit overleg is er primair op gericht om te weten welke jeugdhulp door de gemeente is gecontracteerd en anderzijds dat de gemeente als financier dient te weten welke jeugdhulp nodig wordt geacht (en dus moet worden ingekocht). 14 Dit overleg is niet bedoeld om te komen tot overeenstemming over de bepaling van de jeugdhulp door de GI, de GI heeft hierin de eindverantwoordelijkheid. Goede samenwerking en gezamenlijke besluitvorming op casusniveau tussen gecertificeerde instelling en het college moet gericht zijn op tijdige inzet van de passende hulp voor de jeugdige. Het administratieve en bureaucratische proces mag niet vertragen, of ertoe leiden dat de noodzakelijke hulp aan een jeugdige wordt onthouden. Bovendien dient het overleg plaats te vinden met inachtneming van de privacywetgeving en de regels omtrent het beroepsgeheim. gericht zijn op tijdige inzet van de passende hulp voor de jeugdige.

“Gemeenten bemoeien zich inhoudelijk met de jeugdzorg. Daar hebben we heel veel discussies over. Ethisch roept dit ook vragen op. Vanuit onze beroepscode mogen we niet zomaar delen. We horen elkaar toch te vertrouwen. Wij zijn de experts. Het gebeurt met enige regelmaat dat er een plan ligt en dat ze minder geld geven. Iemand bij de gemeente beslist dan dat het plan niet goed is en/of moet het in minder tijd. Zonder overleg. We zijn dan lang bezig om hen weer uit te leggen waarom wij dit zo vinden of lang bezig om in minder tijd de hulp te bieden. Veel tijd kwijt aan overleggen in plaats van aan hulp.” jeugdhulpaanbieder

In de meeste Noord-Hollandse en Amsterdamse regio’s is de inzet van ingekocht specialistisch jeugdhulpaanbod zonder tussenkomst van de gemeente mogelijk, mits dit ingekochte aanbod ook beschikbaar is. Voor de inzet van niet ingekocht hulpaanbod is afstemming met de gemeente nodig. De inspecties zijn in casuïstiek voorbeelden tegengekomen waarbij de passende hulp niet tijdig werd ingezet als gevolg van de wijze waarop de gemeente de administratieve, financiële en soms ook inhoudelijke behandeling van een GI-bepaling voor jeugdhulp heeft geregeld. Ook jeugdbeschermers en zorgaanbieders benoemen dit als knelpunt. Er zijn verschillen in de werkwijze tussen de regio’s. Dit is in de bijlage nader gespecificeerd onder de jeugdhulpregio’s. De specificatie is niet uitputtend, omdat dit soms ook binnen de jeugdhulpregio’s – tussen gemeenten – kan verschillen.

“Er zijn jeugdigen die al een jaar wachten op een uitspraak [welke hulp wordt ingezet]. Dan zijn we het eens, maar dan is het niet meteen voorhanden, dan moet er nog een plan komen en moet het georganiseerd. Dit duurt vaak heel lang. Tussenoplossingen zijn vaak ook heel duur (en niet passend), maar dit valt dan in andere (financiële) regeling waardoor het toch geregeld kan worden. Bottleneck ligt vooral in besluitroute, niet in of we de mankracht hebben of dat we het aanbod niet hebben. Als we weten dat we het mogen regelen gaan we het doen. We moeten wachten of het betaald gaat worden. Ook op lange termijn wordt het niet goedkoper (want situatie van de jeugdige wordt complexer). Soms zijn we het op inhoud eens en dan op geld niet. Kinderen krijgen wel zorg, maar niet passend. We hebben geen aantoonbare wachtlijst want we regelen wel wat, maar niet het goede. Proces is te stroperig.” jeugdhulpaanbieder

Financiële tekorten Een aantal regio’s werkt met budgetplafonds voor aanbieders, als gevolg van financiële tekorten. Dit betreft specialistische jeugdhulp en jeugd-GGZ. Hierdoor kan de jeugdbeschermer niet de meest passende hulp inzetten wanneer het budgetplafond is bereikt. 14 Kamerstukken Eerste Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 684, F; Kamerstukken Eerste Kamer,

vergaderjaar 2013–2014, 33 684, F p.45 e.v.

22 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid

Knelpunten bij de GI’s “Inzetten op wederzijdse consultatie en zorgen dat de GI een ingang heeft bij de gemeente kan veel oplossen. Een GI kan namelijk niet beschikken over alle lokale informatie.” Vertegenwoordiger jeugdhulpregio

Zoals hiervoor benoemd slagen niet alle GI’s erin om tijdig te starten met de uitvoering van en jeugdbeschermingsmaatregel. Dit werkt door in de tijdige inzet van passende hulp voor een jeugdige of een gezin. Jeugdbeschermers van DJGB geven aan soms dagen zelf te zoeken naar een passende plek. Eén van de jeugdbeschermers geeft aan behoefte te hebben aan een inhoudelijk deskundige (gedragswetenschapper) die daarnaast kennis heeft van en ervaring met het beschikbare jeugdhulpaanbod. Van de gecertificeerde instelling mag worden verwacht dat deze op de hoogte is van het beschikbare aanbod of in een individuele casus in overleg gaat met de gemeente over de mogelijkheden. De jeugdhulpregio’s benoemen dat jeugdbeschermers meer gebruik kunnen maken van de kennis van de sociale kaart die lokale teams hebben. Ook de zorgaanbieders zien mogelijkheden in een betere samenwerking tussen de GI, het lokale team en de zorgaanbieder als een belangrijke beslissing over een jeugdige moet worden genomen. “Jeugdbeschermers zijn gewend om solistisch te werken. Ze geven aan drie dagen te moeten rondbellen om een plek te vinden en hulp tot stand te laten komen. De casuïstiek is veel te ingewikkeld en complex om het alleen te doen. Het speelveld is ook veranderd.

De lokale teams hebben zicht op de bestaande voorzieningen (waaronder ook algemene voorzieningen), die nodig zijn om te komen tot een goed arrangement. Ik zou graag zien dat die samenwerking tot stand komt om passende zorg te organiseren in plaats van dat drie dagen wordt gebeld naar aanbieders om een plek voor een kind te vinden.” vertegenwoordiger jeugdhulpregio

Sommige gecertificeerde instellingen werken met een ‘zorgmakelaar’, die goed zicht heeft op het beschikbare hulpaanbod en de expertise heeft om in te schatten of het aanbod passend is bij de problematiek van een jeugdige. In de regio werken JBRA en de WSS hiermee. Hoewel het aantal onderzochte casussen beperkt is, is het opvallend dat de bij dit toezicht betrokken jeugdigen van de WSS in Noord-Holland allen tijdig passende hulp hebben gekregen. “Wanneer niet gecontracteerde zorg toch nodig is wordt zorgbemiddeling (van WSS zelf) ingezet. Dit is ontlastend voor de jeugdbeschermers. Zorgbemiddeling gaat met gemeentes in gesprek om toch de hulp in te zetten die nodig is.” Jeugdbeschermer

23 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid

5 Conclusie 5.1

Elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers

De inspecties hebben in oktober 2020 aan alle accounthoudende regio’s 15 een termijn van vier maanden gesteld om ervoor te zorgen dat elke jeugdige met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer heeft en dat voor elk kind met een maatregel tijdig een gedragen koers is uitgezet. De inspecties hebben in maart 2021 een verdiepende praktijktoets uitgevoerd om te toetsen of aan deze normen is voldaan. De inspecties stellen vast dat de regio voor wat betreft de jeugdigen met een maatregel die wordt uitgevoerd door JBRA grotendeels aan deze normen voldoet. De inspecties stellen vast dat de regio voor wat betreft de jeugdigen met een maatregel die wordt uitgevoerd door DJGB niet aan deze normen voldoet. Om kwalitatief goed en tijdig uitvoering te geven aan een jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregel, heeft een GI nodig dat het personeelsbestand op orde is en ruimte biedt voor onvoorziene situaties. Daarnaast is het belangrijk dat een GI kan investeren in de deskundigheid en het werkplezier van hun medewerkers. Dit vraagt (financiële) bewegingsruimte bij de GI. In Noord-Holland lukt het DJGB en de jeugdhulpregio’s niet om samen voorwaarden te creëren waardoor jeugdigen met een maatregel en hun ouders tijdig een jeugdbeschermer en voor hen tijdig een gedragen koers wordt uitgezet.

Vervolg GI’s De inspecties constateren voor DJGB dat verbetering op korte termijn nodig is. De inspecties voeren over de tijdige inzet van jeugdbeschermers en het tijdig uitzetten van een gedragen koers een bestuurlijk gesprek met DJGB en bepalen op basis daarvan het vervolg. Over de landelijk werkende instellingen (LJenR en WSS) rapporteren de inspecties wat betreft deze normen op geaggregeerd niveau in een afzonderlijk briefrapport.

5.2

Elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp

De inspecties hebben in oktober 2020 daarnaast aan alle accounthoudende regio’s een termijn van vier maanden gesteld om te zorgen dat elke jeugdige met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp ontvangt. De inspecties hebben in maart 2021 een verdiepende praktijktoets uitgevoerd om te toetsen of aan deze norm is voldaan. De inspecties stellen vast dat de regio’s Amsterdam en Noord-Holland niet aan de norm voldoen. De doorbraakaanpak in de regio’s heeft onvoldoende tot het gewenste resultaat geleid. De inspecties hebben geen onorthodoxe doorbraakaanpak gezien in de regio. Met name in de accounthoudende regio voor DJGB werd hiertoe beperkt urgentie ervaren. De meeste jeugdhulpregio’s in Noord-Holland en Amsterdam hebben bestaande structuren ingezet om tot passende hulp voor jeugdigen met een maatregel te komen. Voor jeugdigen en gezinnen die te maken krijgen met jeugdbescherming is het nodig dat de noodzakelijke hulp zonder vertraging wordt ingezet. De ontwikkeling van de jeugdige wordt ernstig bedreigd, de jeugdbeschermer heeft beperkt de tijd om in gedeelde verantwoordelijkheid met de ouders de ontwikkelingsbedreiging van de jeugdige af te wenden. Een ondertoezichtstelling wordt hooguit voor een jaar uitgesproken.

De inspecties vinden het niet acceptabel dat deze beperkte tijd, waarin de overheid direct ingrijpt in de verantwoordelijkheid van ouders, wordt gevuld met wachten. Dit beperkt de mogelijkheden die een jeugdbeschermer heeft om samen met de jeugdige en zijn gezin de noodzakelijke stappen te zetten en kan leiden tot verergering van de problematiek. 15

Accounthoudende regio, de gecertificeerde instellingen, hun opdrachtgevers, lokale teams en zorgaanbieders

24 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid

Een maatregel kán worden verlengd, maar de inspecties vinden het niet acceptabel wanneer deze verlenging het gevolg is van niet tijdige inzet van hulp. Het is de inspecties gebleken dat het in de regio ontbreekt aan effectieve (bovenregionale) samenwerking die nodig is voor een kwantitatief en kwalitatief toereikend passend specialistisch hulpaanbod voor kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel. Het residentiële aanbod wordt afgebouwd zonder dat voldoende passende alternatieven beschikbaar zijn voor jeugdigen die niet meer thuis kunnen wonen. Het ontbreekt daarnaast aan mogelijkheden om tijdig verschillende vormen van specialistische jeugdhulp in te zetten als gevolg van wachtlijsten bij jeugdhulpaanbieders (bijvoorbeeld vanwege arbeidsmarkttekorten) en budgetplafonds die een aantal gemeenten heeft ingesteld. Het manifest Een thuis voor Noordje geeft richting voor de lange termijn, maar biedt geen antwoord op bestaande knelpunten voor kinderen die nu hulp nodig hebben. Verder is het de inspecties gebleken dat (een aantal gemeenten in) de regio het proces om te komen tot passende hulp voor jeugdigen met een maatregel zodanig heeft gecompliceerd dat dit de tijdige inzet van passende hulp vertraagt.

Afhankelijk van de gemeente wordt niet zonder vertraging de jeugdhulp ingezet die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een jeugdbeschermingsmaatregel of machtiging uithuisplaatsing. De oorzaken lopen uiteen van een heroverweging door de gemeente (al dan niet gezamenlijk met de GI en zorgaanbieder) nadat de GI heeft bepaald wat nodig is, tot aan onderhandelingen over het resultaat met de zorgaanbieder bij resultaatgerichte financiering. Juist voor kwetsbare jeugdigen (met meervoudig complexe problematiek) is de kans op falen van een hulpverleningstraject of plaatsing groot. Resultaatgerichte financiering leidt ertoe dat zorgaanbieders de meest kwetsbare jeugdigen niet (tijdig) accepteren en de jeugdige niet wordt geholpen. Bij het inzetten van niet ingekocht aanbod vindt op gemeentelijk niveau beoordeling plaats, waardoor de GI met veel verschillende procedures en beoordelingsroutes te maken heeft. De inspecties stellen vast dat een aantal gemeenten niet zonder meer vertrouwt op de professionaliteit van de GI bij de uitvoering van de wettelijke taken. Afstemming tussen de GI en de gemeente dient gericht te zijn op en ondersteunend aan het vinden van passend aanbod, op basis van de koers die de GI met het gezin heeft uitgezet. Voor een jeugdhulpbepaling voor een jeugdige met een maatregel is geen beschikking van de gemeente nodig.

Vervolg passende hulp: Verscherpt toezicht Gelet op het voorgaande kunnen de inspecties er onvoldoende van uitgaan dat de betrokken partijen, onder regie van de accounthoudende regio, er op korte termijn in slagen om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp te bieden. De inspecties verwachten dat de gemeenten, de gecertificeerde instellingen, hun opdrachtgevers, lokale teams en zorgaanbieders alsnog aan deze norm voldoen en belemmeringen om aan de norm te voldoen wegnemen. De inspecties stellen de regio’s Noord-Holland en Amsterdam hiertoe onder verscherpt toezicht voor een periode van een half jaar. Concreet verwachten de inspecties per direct dat de regio’s zorgen dat elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp krijgt.

25 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid

Hiervoor is nodig: Gemeenten 

 

Maak mogelijk dat de GI de noodzakelijk geachte hulp zonder vertraging kan inzetten. Dat wil zeggen dat de inzet van hulp onverwijld plaatsvindt en dat de noodzakelijk geachte hulp niet wordt heroverwogen. o Stel een jeugdhulpbepaling van een GI niet ter discussie. o Neem bureaucratische belemmeringen weg. o Heroverweeg de resultaatgestuurde financiering van specialistische jeugdhulp die ertoe leidt dat zorgaanbieders de meest kwetsbare jeugdigen niet accepteren en de jeugdige niet wordt geholpen. o Stel geen budgetplafonds in voor specialistisch hulpaanbod. Zorg dat er eerst een redelijk alternatief is, voordat de bestaande specialistische residentiële hulp wordt afgebouwd. Zorg in elke regio voor een operationeel expertteam dat aan de hier beschreven kenmerken voldoet.

GI’s 

Overleg indien nodig tijdig met de daartoe aangewezen inhoudelijk deskundige van de gemeente over de beschikbaarheid en de mogelijkheden om de noodzakelijke hulp in te zetten. Tijdig wil zeggen: Gedurende of direct na het uitzetten van de koers met jeugdige, ouders en intern (en eventueel extern) betrokken disciplines. Schaal tijdig op naar het expertteam indien de passende hulp niet tijdig beschikbaar blijkt.

Jeugdhulpregio’s, GI’s, zorgaanbieders en lokale teams gezamenlijk 

Scherp gezamenlijk de doorbraakaanpak aan op basis van de analyse van de inspecties en zet deze in voor kinderen met een maatregel die nu wachten op passende hulp.

Daarnaast verwachten de inspecties in de periode van het verscherpt toezicht: 

Dat (betrokken partijen in) de jeugdhulpregio’s in deze periode tot een gezamenlijke aanpak komen, waarvan zij aannemelijk kunnen maken dat dit op de korte termijn leidt tot een kwantitatief en kwalitatief toereikend passend specialistisch hulpaanbod voor kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel.

De inspecties zien tot slot dat er landelijk belemmeringen zijn in het tijdig bieden van passende hulp. De inspecties spreken de stelselverantwoordelijke ministers hierop aan in het landelijke rapport.

26 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid

Bijlage: bevindingen per jeugdhulpregio Amsterdam-Amstelland ´Hulpverleners of gemeente zijn het soms niet eens met wat er volgens JBRA nodig is en dit vertraagt de inzet van de hulpverlening. Soms loopt het ook bij financiering vast bij de gemeente, maar vooral in het proces voor de aanvraag. Soms vindt de gemeente de hulp niet passend.´ jeugdbeschermer

In de jeugdhulpregio Amsterdam-Amstelland zijn lange wachttijden en wachtlijsten voor bepaalde vormen van hulp. Jeugdbeschermers zien dit als een structureel probleem dat niet met een doorbraakaanpak is opgelost/is op te lossen. Voorbeelden van hulp waar lange wachttijden voor bestaan zijn residentiële voorzieningen, intensief ambulante gezinsondersteuning, begeleide omgang, pleegzorg (inclusief netwerkonderzoeken) en ’10 voor de toekomst’. Jeugdbeschermers proberen de lange wachttijden te ondervangen door een jeugdige of gezin direct bij de start van de maatregel aan te melden en de aanmelding indien nodig nog aan te passen. Jeugdbeschermers ervaren het als een knelpunt dat het organiseren van hulp aanbod gestuurd is in plaats van vraag gestuurd.

De gemeente Amsterdam benoemt dat jeugdbeschermers het wettelijke mandaat hebben om (ingekochte) jeugdhulp in te zetten. De inzet van jeugdhulp hoeven zij niet bij de gemeente te melden. Dit mandaat heeft de gemeente Amsterdam ook gegeven aan de GI’s en aan de Ouder- en Kindteams bij de vrijwillige inzet van hulp. Bij niet ingekochte hulp moet een verwijzer (de GI of een andere verwijzer) dit bij de gemeente aanvragen en de gemeente moet dit goedkeuren. Hierbij stelt de gemeente vragen: ‘Is dit nodig?’, ‘Kan het anders?’. Uiteindelijk geeft de gemeente altijd toestemming. Jeugdbeschermers stellen desondanks dat de inzet van hulp vertraagt als de GI, zorgaanbieders en/of gemeente geen overeenstemming hebben over de in te zetten hulp. Met het goedkeuren van de hulp door de gemeente is deze nog niet geregeld, omdat de noodzakelijke hulp vaak niet beschikbaar is. De jeugdbeschermer of zorgbemiddelaar moet dan gaan ‘leuren’, ‘second best’ opties voorstellen en het knelpunt van het ontbreken van passende hulp met de zorgaanbieder zien op te lossen. Tot de jaarwisseling werkte de gemeente met budgetplafonds, dit budgetplafond gold niet voor kinderen met een maatregel. Sinds begin 2021 werkt de gemeente met tien kernpartners die alle jeugdhulp voor de Amsterdamse kinderen en gezinnen moeten realiseren (eventueel met inzet van een onderaannemer). Zij zijn lumpsum gefinancierd.

De gemeente heeft hiervoor gekozen om onder andere de omvang van de niet ingekochte hulp terug te dringen. In de praktijk levert het werken met hoofd- en onderaannemers vertraging op bij het organiseren van een passende plek voor een jeugdige. Als de jeugdbeschermer een geschikte onderaannemer heeft gevonden voor een jeugdige (omdat de hoofdaannemer de noodzakelijke hulp niet kan bieden), dan is het aan de hoofdaannemer deze zorgaanbieder als onderaannemer aan te stellen. ´De lumpsum financiering maakt het moeilijker om maatwerk te leveren. Voorheen betaalde de gemeente Amsterdam extra zorg als Niet Ingekochte Hulp. Nu is dat niet meer mogelijk, tenzij na veel overleg en inhoudelijke toetsing door de gemeente. Dit laatste is ongewenst, ontkracht de deskundigheid van de specialistische hulp. (…). Iedere keer moet de directie het geld bij de gemeenten ophalen’. Zorgaanbieder

27 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid

Amsterdam heeft diverse tafels voor het organiseren van passende hulp bij complexe casuïstiek. Het komt voor dat een GI (of andere verwijzer) niet de passende hulp bij een zorgaanbieder krijgt gerealiseerd en vastloopt. In dat geval beschikt de gemeente over het ‘doorbraakteam’. Dit functioneert al jaren en is ook ingezet bij de doorbraakaanpak waar de inspecties in oktober 2020 om hebben gevraagd. Het doorbraakteam neemt dan de procesregie over zodat de passende hulp wel mogelijk wordt. De doorbraaktafel wordt niet altijd als even effectief ervaren (zie voorbeeldcasus 1). Een jeugdbeschermer geeft een voorbeeld van een casus die in december 2020 is voorgelegd aan het doorbraakteam met zorgbemiddeling. Hiervoor moest een formulier worden ingevuld met de problemen en wat nodig is aan hulp. Zorgbemiddeling zet dit door naar de gemeente en zorgbemiddeling neemt het dan van de jeugdbeschermer over. In de week van het toezicht van de inspecties (maart 2021) zou een gesprek plaatsvinden over de oplossing. De gemeente houdt zich nu actief bezig met de gesprekken die plaatsvinden tussen de aanbieders en de verwijzers. De kernpartners overleggen op de verschillende tafels samen over moeilijke casussen: welke hulp is nodig en hoe kunnen we dit organiseren.

De gemeente heeft de indruk dat dit proces op gang komt, waar voorheen de verwijzers en aanbieders met de rug naar elkaar toe stonden, werken ze nu meer samen.

Voorbeeldcasus 1 Amsterdam-Amstelland Een jeugdige die geplaatst was in de Koppeling kwam in een negatieve cirkel, waardoor situatie in de Koppeling onhoudbaar werd. De Koppeling adviseerde Harreveld. Harreveld acht opname zinvol en mogelijk. De Koppeling wil niet zelf Harreveld als onderaannemer inkopen. Jongen en moeder waren het met de plaatsing in Harreveld eens. De zaak is op een doorbraaktafel geweest (er zijn er meerdere in Amsterdam). Drie weken later is het advies van de doorbraaktafel om het terug te leggen bij de gemeente. De machtiging gesloten jeugdzorg stopte half december. In oktober heeft de jeugdbeschermer een alternatief plan gemaakt, om de jongen overplaatsen naar een open instelling. Vervolgens is de jongen weggelopen en was hij voortvluchtig. Dit voorbeeld laat zien dat een jeugdige gedemotiveerd raakt voor de hulpverlening als wordt afgeweken van de koers die professionals samen met de jeugdige en ouders heeft uitgezet.

Voorbeeldcasus 2 Amsterdam-Amstelland Jeugdige waarvoor in oktober 2020 een ondertoezichtstelling is uitgesproken. De jeugdige is via de WSS bij JBRA gekomen. De jeugdige stond al op wachtlijst voor diagnostiek bij De Bascule. Dit ging snel. De jeugdige is uit huis geplaatst en is bij tante gaan wonen. Hier is Families First gestart. Levvel vindt Intensieve ambulante gezinsbehandeling (IAG) passend. IAG kan echter pas na twee maanden starten. Ter overbrugging is formeel Spoed Hulp ingezet. De professionals rondom het gezin hebben onderling echter afgesproken dat Families First de overbruggingshulp gaat bieden, met dezelfde medewerker als voorheen. Dit hoewel dit eigenlijk niet past bij de methodiek/hulpvorm van Families First. Het inzetten van de overbruggingshulp zou namelijk tot weer een ander gezicht voor het gezin betekenen. Dit is een voorbeeld van het buiten de kaders om zoeken en vinden van een zo goed mogelijk alternatief om tot passende hulp te komen.

28 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid

Voorbeeldcasus 3 Amsterdam-Amstelland De jeugdige heeft sinds december 2020 een VOTS. Er is eerst een noodbed geregeld, maar daarna was er geen passende vervolgplek. Ze is bij Meisa (Levvel) terecht gekomen, deze plek was passend maar het was een crisisplek voor maximaal 12 weken. Ze moet vrijdag weg en er is nog geen nieuwe plek. Deze jeugdige is in oktober 2020 verhuisd en dit heeft gezorgd voor gedoe over geld. Dit is naar de gemeente geëscaleerd. Het is nu afwachten wie de nieuwe plek gaat regelen in verband met het woonplaatsbeginsel. Dit gezin wacht ook al bijna een jaar op systeemtherapie. Dit heeft zowel te maken met de (in)stabiliteit in het gezin als met discontinuïteit bij de zorgaanbieder.

Gooi- en Vechtstreek “Eerst probeer je op te schalen. Maar als je echt te maken hebt met wachtlijsten, dan ga je op zoek naar wat ook passend is. Dan heb je er als jeugdbeschermer wel een taak bij: wat is ingekocht, wat niet, waarvoor moet ik onderhandelen. Ik denk dat ik 40% van mijn tijd daarmee bezig ben.” jeugdbeschermer

In de regio Gooi- en Vechtstreek zijn voor verschillende vormen van jeugdhulp knelpunten omdat deze hetzij niet zijn ingekocht, hetzij wel zijn ingekocht maar niet beschikbaar zijn vanwege capaciteitsproblemen. Daarnaast is er inhoudelijke bemoeienis van gemeenten bij de inzet van jeugdhulp. De regio Gooi- en Vechtstreek heeft op het moment van het toezicht geen driemilieuvoorzieningen ingekocht. Jeugdbeschermers geven voorbeelden van jeugdigen die zij als gevolg hiervan plaatsen op plekken die zij niet passend of second best vinden. Driemilieuvoorzieningen zijn niet ingekocht wegens een discussie tussen regio en aanbieders over tarieven. De voorzieningen kunnen nog wel via maatwerkcontracten worden geboden. De jeugdhulpregio signaleert dat dit tot verschillen tussen gemeenten leidt, omdat de ene gemeente buiten de gemeenschappelijke regeling om wel een miljoen uitgeeft aan niet ingekocht aanbod, terwijl een andere gemeente nog geen ton uitgeeft. De regio gaat opnieuw het gesprek aan met de zorgaanbieders over de inkoop van driemilieuvoorzieningen. (Niet ingekochte) maatwerkoplossingen komen tot stand in overleg met de betreffende gemeente, waarbij de jeugdbeschermer regelmatig moet opschalen naar de manager. De jeugdhulpregio stuurt in die situaties op de inzet van ingekocht aanbod.

Als dat niet mogelijk blijkt, dan kan de gemeente alsnog beslissen om tot maatwerk over te gaan. Het verschilt per gemeente hoe dit proces loopt. Sinds kort heeft Gooi- en Vechtstreek een experttafel. De jeugdhulpregio geeft daarnaast aan dat sprake is van een visieverschil en een discussie te hebben met verwijzers over de vraag wanneer de inzet van een bepaalde vorm van hulp noodzakelijk is. Dit geldt niet alleen voor driemilieuvoorzieningen, maar bijvoorbeeld ook voor de inzet van JeugdzorgPlus (waarvoor een rechterlijke machtiging noodzakelijk is), voor de inzet van ambulante spoedhulp en voor crisisplaatsingen. Over crisisplaatsingen is de afspraak dat een jeugdige standaard wordt aangemeld voor de doorbraaktafel. De regio heeft jeugdconsulenten die in dienst zijn bij gemeentelijke uitvoeringsdiensten die namens de gemeenten meebeslissen over de inzet van jeugdhulp. De jeugdhulpregio geeft aan soms kritisch te zijn op jeugdbeschermers en stelt dat deze niet altijd zijn toegerust voor hun taak. “Er werken daar soms jonge onervaren mensen die nog niet altijd voldoende geschikt zijn om die taken uit te voeren. Dus logisch dat er dan discussie is over wat ingezet moet worden voor een jeugdige.” Vertegenwoordiger jeugdhulpregio

29 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid

Waarbij volgens de jeugdhulpregio geldt dat in de praktijk in veruit de meeste situaties de gemeenten de verwijzing van de GI volgen. Daarnaast is de wachttijd voor een behandeling van jeugdigen in de GGZ een knelpunt (op het moment van het onderzoek van de inspecties vier maanden), zowel bij de Bascule als bij andere gecontracteerde praktijken. Alternatieven zijn niet altijd passend. De regio benoemt als voorbeeld hulp aan jeugdigen met een eetstoornis. Een jeugdbeschermer noemt als voorbeeld het werken met jeugdigen in complexe echtscheidingszaken. Reguliere praktijken geven aan niet te kunnen starten met de behandeling als er nog te veel strijd is. Voor de jeugdigen in deze gezinnen is het nodig te werken met hierin gespecialiseerde GGZ-aanbieders. “Ik zie niet wat er verder nog bovenregionaal ingekocht zou moeten worden. Ook omdat het heel ingewikkeld is om dat samen te doen met andere regio’s. Er is nu al heel veel overleg nodig met zeven gemeenten om dingen gezamenlijk afgestemd te krijgen. Er zijn verschillen tussen gemeenten, bijvoorbeeld qua kleur college BenW, qua financiële situaties. Nog meer samenwerking leidt tot een heel ingewikkelde bestuurlijke spaghetti.” Vertegenwoordiger jeugdhulpregio

Voorbeeldcasus 1 Gooi- en Vechtstreek Kind van zeven jaar met forse problematiek, viel uit op school. Het speciaal onderwijs kon hem niet binnen houden. Het kind moest eigenlijk opgenomen worden bij de specialistische J-GGZ. De jeugdbeschermer is gaan kijken naar dagbehandeling. Dat duurde drie maanden. De stap naar dagbehandeling en naar school werd steeds groter. Het kind stagneerde in zijn ontwikkeling, had geen sociale contacten. De dagbehandeling zat en zit vol. ‘De specialistische GGZ heeft geen opnamemogelijkheden meer voor diagnostiek. Je wil een kind ook niet plaatsen aan de andere kant van het land. Kind heeft recht om contact met sociale omgeving te hebben.’

Voorbeeldcasus 2 en 3 Gooi- en Vechtstreek Jeugdige van 16 was gesloten geplaatst vanwege loverboyproblematiek. In september is de jeugdige naar een open groep verhuisd (bovenregionale plaatsing). Daar ontwikkelde de jeugdige zich goed. Op de groep waren behandelingen ingezet, de zorgaanbieder en de jeugdbeschermer vonden het belangrijk om die behandelingen voort te zetten. Maar de gemeente stelde dat een aanmelding moest worden gedaan binnen de regio, omdat er geen contract was met de aanbieder buiten de regio. In de regio is ook geen gelijkwaardig alternatief, omdat de regio geen driemilieuvoorzieningen heeft ingekocht. Voor behandeling in de regio zou een wachtlijst van vier maanden zijn. Na opschaling naar de manager kon de jeugdige op de behandelgroep blijven. Jeugdige van 14 met een machtiging uithuisplaatsing. Er is geen aanbod in de regio, dus de jeugdige gaat naar Amsterdam.

30 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid

Haarlemmermeer “Soms hulp aan de andere kant van het land, Ruurlo, dit is dan een ‘second best’.”

Voor kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel in Haarlemmermeer gelden wachttijden voor verschillende vormen van hulp, zoals traumabehandeling en jeugdhulp met verblijf. De inspecties hebben een voorbeeld gezien van een jeugdige waar de jeugdbeschermer in oktober was gestart, de jeugdige op 1 december 2020 was aangemeld voor traumabehandeling bij het KJTC, waarvoor in maart 2021 een vooroverleg was. In Haarlemmermeer loopt een pilot waarbij financieringsregels worden losgelaten en het budget vrij besteedbaar is door jeugdbeschermers. Voorbeeldcasus 1 Haarlemmermeer Eind januari was voor het kind een spoedmachtiging uithuisplaatsing uitgesproken. De jeugdige verbleef sindsdien op een crisisplek. Voor de jeugdige was een behandelplek nodig. Uiteindelijk is de jeugdbeschermer uitgekomen op een passende, maar niet ingekochte plek. De crisisplaatsing werd met een week verlengd. Voordat de jeugdige geplaatst kon worden, was een akkoord van de categoriemanager van Haarlemmermeer nodig. Bij spoedzaken kan een jeugdbeschermer bellen met de categoriemanager voor een mondeling akkoord, of met een korte mail. Als dit niet lukt, schaalt de jeugdbeschermer op naar de teammanager.

Kop van Noord-Holland “In september 2020 nam ik een zaak over uit Friesland. Het kind van 10 verbleef op De Schuilhoeve. Maar die groep zou gaan sluiten op heel korte termijn. Het kind moest er binnen twee maanden weg. Met heel veel mazzel lukte het een gezinshuis te vinden. Die mazzel was er, maar de gang van zaken is funest. Het kind had al geen vertrouwen in volwassenen, moest vertrouwen krijgen in de groepsleiders, en krijgt te horen: je moet weg, we weten niet waarheen”. Jeugdbeschermer

Voor kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel in de Kop van Noord-Holland gelden wachttijden voor bijvoorbeeld de Jeugd-GGZ (diagnostiek en behandeling, systeemtherapie), en residentiële voorzieningen. Dit komt onder andere door personeelsuitval bij zorgaanbieders. Jeugdbeschermers in de Kop van Noord-Holland ervaren geen stagnatie bij het aanvragen van hulp. Een aanvraag gaat direct naar de zorgaanbieder en naar de gemeente. De jeugdbeschermers die de inspecties hebben gesproken merken op dat dit over het algemeen goed gaat, maar dat gemeenten in de jeugdhulpregio hier verschillend mee omgaan.

“We hebben in Hollandsche Kroon net afgesproken dat iedereen altijd bij complexe casuïstiek erbij komt zitten (GI, wijkteam en aanbieder). We doen het samen.” zorgaanbieder

31 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid

“In de Kop van Noord-Holland ontbreekt het aan eerstelijns aanbod voor jeugdigen met een enkelvoudige hulpvraag of ontwikkelingsstoornis (bijvoorbeeld autisme). Aanmeldingen blijven binnenkomen ondanks dat we aangeven dat het niet bij ons past. Er wordt niet op ingespeeld. (…) Het verschilt per wijkteam wat ze doen en of ze echt wat doen. Het is in elke gemeente weer anders. Het niet uniform zijn in alle gemeenten maakt het ingewikkeld” zorgaanbieder

Midden- en Zuid-Kennemerland Over maatwerktrajecten/light contracten: ‘Ik heb er nu weer twee ingediend. Ik hoop dat die worden goedgekeurd. Het duurt wel lang. Ik stuur het naar CJG (die vragen: heb je hier aan gedacht, heb je daar aan gedacht), die sturen het dan naar gemeente. Ik moet er na een paar weken achteraan bellen.’ Jeugdbeschermer

In Midden- en Zuid-Kennemerland zijn meerdere overleggen in het kader van de doorbraakaanpak geweest. Hier zijn actieplannen uit voortgekomen. Er is bijvoorbeeld een samenwerkingsafspraak tussen Kenter, Levvel en Parlan, zodat voor een jeugdige makkelijk kan worden uitgeweken naar een andere aanbieder als er geen plek is. Bij het doorbraakoverleg waren DJGB, het CJG en de gemeente aangesloten en iemand van het HET-overleg. Het HET-overleg is voor maatwerkoplossingen in Haarlem. Bij het doorbraakoverleg is casuïstiek besproken, naast algemener geldende knelpunten. Uit dit overleg kwamen de volgende knelpunten naar voren: -

Tekort aan langdurige plekken (te weinig perspectiefplaatsingsmogelijkheden); Onvoldoende passende crisisplekken; Kinderen die tussen de criteria invallen; Tekort aan traumatherapie voor kinderen (wachttijden van een half jaar).

Deze knelpunten komen overeen met de bevindingen van de inspecties in de praktijktoets en die de jeugdhulpregio Zuid-Kennemerland in gesprek met de inspecties heeft benoemd. Aanvullend benoemt de regio: Een tekort aan moeder-en-kindhuizen een tekort aan aanbod voor kinderen die kampen met een stoornis in het autistische spectrum. Kinderen komen na aanmelding bij een jeugdhulpaanbieder op een wachtlijst. Wachtlijsten vormen voor jeugdbeschermers een gegeven waarmee zij rekening houden en niet altijd reden om op te schalen. Ook kijken zij bij het bepalen van de noodzakelijke hulp naar de beschikbaarheid (dat wil zeggen dat niet wordt uitgegaan van het met passende, maar van het beschikbare aanbod). Daarnaast werken verschillende gemeenten in Zuid-Kennemerland met budgetplafonds, die in vorig jaar in augustus bereikt werden (ook voor ambulante hulp). Jeugdbeschermers ervaren in Midden- en Zuid-Kennemerland geen knelpunten bij de inzet van ingekocht aanbod door gemeentelijke procedures. Zij ervaren wel knelpunten bij de inzet van niet beschikbaar aanbod, of als een budgetplafond bij een ingekochte aanbieder is bereikt. Een aantal gemeenten in Zuid-Kennemerland werkt met een budgetplafond. Door het budgetplafond is dan de inzet van niet ingekocht hulpaanbod nodig, een maatwerkoplossing kan niet meteen worden ingezet en leidt voor de jeugdbeschermer tot extra papierwerk.

Wanneer de jeugdbeschermer vastloopt en denkt dat niet-gecontracteerd aanbod nodig is, kunnen ze terecht bij het Haarlems expertiseteam (HET). Het HET-overleg kijkt wat binnen de kaders van het gecontracteerde aanbod nog gedaan kan worden. Op basis van een afwegingskader wordt gekeken of niet-gecontracteerd aanbod moet worden ingezet. Het HET-overleg komt wekelijks bij elkaar en wordt gevormd door het CJG, de GI’s en contractmanagement van de gemeente Haarlem. Het HET-overleg is in november 2020 gestart in het kader van de beheersmaatregelen van de gemeente Haarlem (budgetplafonds, het terugdringen van light-contracten

32 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid

(maatwerkcontracten)). Jeugdbeschermers ervaren dit overleg als vertragend en het afleggen van verantwoording. Het HET-overleg is oorspronkelijk gestart vanuit budgetmaatregelen, het terugdringen van light-contracten (maatwerkcontracten). De jeugdhulpregio ziet het HET-overleg nu als een mogelijkheid om als GI en CJG gezamenlijk te komen tot de meest passende hulp voor het kind of het gezin. Ook de regio Midden-Kennemerland ziet het belang van (meer) overleg tussen de GI en het CJG wanneer maatwerk nodig is, omdat jeugdbeschermers niet altijd de mogelijkheden kennen. In Midden-Kennemerland kan het organiseren van niet ingekochte hulp met een zogenaamd lightcontract. De niet-ingekochte zorgaanbieder vult dat in, de jeugdbeschermer doet er een brief bij. Als de maatwerkoplossing binnen het tarief past, dan gaat de lokale toegang daar altijd mee akkoord. Ook als de kosten heel hoog zijn, stemt de regio bijna altijd in met de inzet (een voorbeeld hiervan is de casus op pag. 19). In de regio Zuid-Kennemerland zijn kleinschalige initiatieven gestart om te voorzien in perspectief biedende plekken voor jeugdigen. Parlan heeft in samenspraak met de regiogemeenten IJmond en Zuid-Kennemerland voor jeugdigen met complexe meervoudige problematiek een eerste VIC (very intensive care) unit opgezet in de regio IJmond/Zuid-Kennemerland.

Het doel van de VIC units is dat de jeugdige niet langer verplaatst hoeft te worden, maar dat deze hier kan blijven wonen en passende zorg ontvangt. Daarnaast past de voorziening in de regionale visie dat verblijf van de jeugdige zo dicht mogelijk bij huis (in de regio) moet zijn. Het gaat hier om jeugdigen die te lang van aanbieder naar aanbieder zijn gegaan en waarvan de problematiek steeds verder is verergerd. Omdat er hoge kosten aan verbonden zijn, geeft de regio aan dat hier een scherpe triage op nodig is. Voorbeeldcasus 1 Midden- en Zuid-Kennemerland Een kind van elf wordt in juli 2020 uit huis geplaatst vanwege ernstige verwaarlozing. In het netwerk zijn geen mogelijkheden het kind op te vangen. Na een kort verblijf in een crisispleeggezin komt het kind op een crisisgroep terecht. Het kind is in juli 2020 aangemeld voor een projectgezin en kwam op de wachtlijst. Als het kind in januari 2021 bovenaan de wachtlijst staat, wordt gestart met de werving van een geschikt projectgezin. In maart 2021 verblijft het kind nog altijd op de crisisgroep. Op een crisisplek zou het kind eigenlijk drie maanden mogen blijven, soms met een uitloop naar zes maanden. Vaak moet een kind dan ook weer weg, omdat de crisis anders verstopt. Dat is bij dit kind gelukkig niet aan de orde. Lang verblijf op de crisisgroep is om verschillende redenen nadelig.

Ten eerste voor het kind, dat geen duidelijkheid heeft over de toekomst. Daarnaast kan de noodzakelijk geachte traumatherapie niet worden gestart, omdat nog onbekend is waar het kind gaat wonen. Ten tweede omdat doorstroming uit de crisisopvang stokt. Noord-Kennemerland Over passend hulpaanbod bij echtscheidingen: ‘Ik heb bijna alleen maar vechtscheidingen. Ze zijn allemaal anders. Mensen met een lager IQ, verbaal en fysiek geweld. Vooral de intelligente mensen die psychische oorlogsvoering hebben. Er lijkt wel genoeg aanbod te zijn, maar het zijn vooral ouders die zelf niet mee willen werken of het belang niet zien (hun eigen aandeel niet zien). Solo Parallel-ouderschap is dan het beste.’

Specifiek voor de onderzochte casuïstiek in Noord-Kennemerland geldt dat de vertraagde start bij de GI ertoe leidt dat niet tijdig passende hulp is ingezet (zie normen tijdig een vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers). Jeugdbeschermers benoemen niet altijd goed te weten welk passend aanbod beschikbaar is voor een jeugdige en dat het helpend is als iemand met kennis van de sociale kaart en de juiste expertise hierbij kan helpen. De afspraak tussen de GI en de jeugdhulpregio is gemaakt dat

33 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid

jeugdbeschermers een paar keer per jaar kunnen aansluiten bij de lokale toegangsteams om elkaar beter te leren kennen. De insteek hiervan is elkaar eerder opzoeken waar nodig en niet wachten tot het laatste moment als een jeugdbeschermer tegen problemen bij het vinden van hulp aanloopt. De jeugdhulpregio geeft daarnaast aan dat het gecontracteerde aanbod (met uitleg) op de website staat. Ook is er een beschikbaarheids-app waarin aanbieders beschikbare plekken vermelden, waar de GI toegang toe heeft. Indien ingekocht aanbod niet passend is, kan de jeugdbeschermer samen met lokale toegangsteam naar alternatieve zoeken. Bij ingekocht aanbod kan de jeugdbeschermer rechtstreeks verwijzen, buiten lokale toegang om. Wel moet de lokale toegang worden geïnformeerd. Jeugdbeschermers benoemen echter dat zij bij het inzetten van hulp te maken hebben met bureaucratische ‘rompslomp’. De jeugdhulpregio herkent dit niet, omdat zowel voor ingekocht als voor niet ingekocht aanbod geldt dat de hulp aan het kind in overleg tussen de zorgaanbieder en het lokale team direct kan starten. Alleen nieuwe, onbekende aanbieders moeten eenmalig een A4 invullen en een maatwerkofferte aanleveren. Na advies van de senior Inkoop- en contractmanager jeugdhulp neemt de lokale toegang vervolgens een besluit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12272233/1