CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

20200774230 2. Bijlage 1 Rapportage Combinatiefunctionarissen in Haarlem, 213a onderzoek naar de inzet, doeltreffendheid, successen en verbeterpunten

commissie Samenleving 4 maart 2021, gemeente HaarlemBij agendapunt: 21.05 uur Adviesbrief RKC 213a onderzoek combinatiefunctionarissen (MROG)34.056 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

buitenschools buitenschools buitenschools tijdens schooltijd tijdens schooltijd buitenschools tijdens schooltijd en buitenschools tijdens schooltijd buitenschools buitenschools

In Schalkwijk werden op 5 basisscholen31 en in Haarlem Oost op 7 basisscholen32 activiteiten tijdens schooltijd en na schooltijd aangeboden naast activiteiten waar kinderen uit alle delen van de wijken aan deel konden nemen. Volgens De Wereld Kindertheater waren er in 2019 in Schalkwijk en Haarlem Oost 2.156 deelnemers aan activiteiten. Deze zijn niet allemaal het resultaat van de inzet van middelen voor combinatiefunctionarissen. Dit onderscheid is volgens De Wereld Kindertheater niet scherp te maken33. Het aantal deelnemers is wat lager dan eerdere jaren als gevolg van het aanbieden van meer langdurige activiteiten met meer verdieping, waarmee het rendement hoger is. Om hoeveel unieke deelnemers het gaat is niet bekend. De deelnemersaantallen worden per activiteit bijgehouden. Om dan ook nog te kijken wie er ook aan andere activiteiten hebben deel genomen is volgens De Wereld Kindertheater eigenlijk geen doen. Wat wel duidelijk is, is dat aan de vakantieactiviteiten in 2019 alleen maar deelnemers hebben meegedaan die de activiteiten van De Wereld Kindertheater al kenden. SRO De combinatiefunctionarissen van SRO worden ingezet ten behoeve van het schoolzwemmen. In Haarlem is het schoolzwemmen bij een groot aantal scholen onderdeel van het bewegingsonderwijs met als belangrijk doel het realiseren van een goede zwemvaardigheid bij de jeugd.

De doelgroep waar de combinatiefunctionarissen van SRO zich op richten met het schoolzwemmen wordt voornamelijk gevormd door kinderen uit groep 6 tot en met 8 van het primair onderwijs en uit groep 3 tot en met 8 van het speciaal onderwijs. Door de combinatiefunctionarissen van SRO worden in principe alleen organisatorische en geen uitvoerende werkzaamheden verricht in de zwembaden, incidenteel springen zij echter wel bij in de uitvoering. Naast het schoolzwemmen gaat het om de organisatie van diverse evenementen, zoals de Koningsspelen in het Boerhaavebad en De Planeet en zomeractiviteiten in De Houtvaart. Ook worden soms speciale themalessen georganiseerd, zoals het wakzwemmen in de winter. Door SRO wordt apart verantwoording afgelegd over de door haar bereikte prestaties uit het Prestatieplan Schoolzwemmen (dat buiten de Brede Regeling Combinatiefuncties valt). Hieruit komt naar voren dat in 2018 van januari tot mei door 21 scholen met 35 groepen werd gezwommen, van mei tot juli door 22 scholen met 36 groepen en van september tot en met december door 16 scholen met 28 groepen. Op een aantal wijzigingen na ging het gedurende het jaar om dezelfde scholen. Daarnaast namen 9 scholen voor speciaal basisonderwijs deel aan het schoolzwemmen. Verder 31

Piramide Boerhaave, De Dumont School, Don Boscoschool, Al Ikhlaas en De Wadden Boerhaave. Martin Luther King School, Hildebrandschool, Zuiderpolderschool, Sint Bernardusschool, Franciscus Xaveriusschool, De Talenten en de Veronicaschool. 33 Bij De Wereld Kindertheater werken vier medewerkers die allen voor een klein deel combinatiefunctionaris zijn. 32

38

namen aan de Koningsspelen 1.162 leerlingen deel, aan de zomeractiviteiten 1.384 leerlingen en aan de winteractiviteiten (wakzwemmen) 1.096 leerlingen. Om hoeveel unieke deelnemers het in totaal ging is niet duidelijk. Gratis activiteiten versus betaling voor activiteiten Veel activiteiten die door combinatiefunctionarissen worden aangeboden zijn gratis. Voor enkele activiteiten wordt een kleine bijdrage gevraagd. Vooral door een aantal geïnterviewden van scholen voor primair onderwijs wordt het belang van gratis activiteiten voor kinderen benadrukt. Ondanks beschikbare mogelijkheden voor financiering via bijvoorbeeld het Jeugdsportfonds hebben deze geïnterviewden de indruk dat door een gebrek aan financiële middelen kinderen soms niet lid kunnen worden van reguliere clubs en verenigingen. In sommige gevallen is het voor kinderen alleen mogelijk om via school deel te nemen aan sport en bewegen of aan muzieklessen. Triple Threat die zich met activiteiten richt op een wat oudere doelgroep (jongeren van 12-18 jaar) is van mening dat een gebrek aan financiële middelen bij ouders of jongeren geen belemmering hoeft te zijn voor doorstroom.

Er zijn binnen de gemeente verschillende regelingen aanwezig waarvan mogelijk gebruik kan worden gemaakt en in geval een jongere toch nog financiële belemmeringen ervaart om deel te nemen dan wordt de jongere de mogelijkheid geboden om toch deel te nemen door zich bijvoorbeeld als wederdienst op een andere manier in te zetten voor Triple Threat (als assistent trainer, helper bij evenementen, etc.). Omdat veel jongeren erg graag bij Triple Threat willen horen, zijn zij vaak vindingrijk om hun deelname mogelijk te maken. Triple Threat vindt het belangrijk dat jongeren beseffen dat activiteiten geld kosten. Na een gratis kennismaking is het daarom voor Triple Threat logisch dat er aan jongeren een bijdrage wordt gevraagd voor deelname aan activiteiten. Doorstroom Aan elk van de werkgevers is in de interviews gevraagd of zij inzicht hebben in de doorstroom van deelnemers van activiteiten georganiseerd door combinatiefunctionarissen naar reguliere activiteiten in verenigings- of ander organisatorisch verband. Hoewel doorstroom door meerdere geïnterviewden belangrijk gevonden wordt, zijn er maar enkele werkgevers die hierover op systematische wijze gegevens bijhouden.

Triple Threat houdt, conform de afgesproken indicator in de subsidiebeschikking van de gemeente, per activiteit bij hoeveel deelnemers er doorstromen naar sport- en cultuuraanbieders en rapporteert hierover ook aan de gemeente in haar evaluatierapport over 2019. Bij de activiteiten Sundays, The Floor is Yours, Triple Threat Throwdown en Cultuur@Cruijffcourts gaat het respectievelijk om 13, 10, 20 en 21 deelnemers die zijn doorgestroomd naar reguliere activiteiten van voornamelijk Triple Threat. Triple Threat merkt hierbij op dat het belangrijk is dat er extra gekeken gaat worden naar aanbod dat specifiek aansluit op de belevingswereld van hun doelgroep omdat de doorstroming naar verenigingen en sportaanbieders volgens Triple Threat een knelpunt is. Volgens De Wereld Kindertheater zijn er in 2019, voor zover daar zicht op bestaat, 13 kinderen doorgestroomd naar reguliere activiteiten van De Wereld Kindertheater of reguliere activiteiten van andere aanbieders op het gebied van kunst en cultuur. SportSupport houdt waar dat kan ook cijfers bij over doorstroming, maar plaatst daar ook een aantal kanttekeningen bij. Volgens SportSupport bestaat er maar zeer gedeeltelijk inzicht in de mate waarin deelnemers aan activiteiten doorstromen naar reguliere (sport)clubs en verenigingen. In sommige 39

gevallen is SportSupport alleen betrokken bij de advisering en ondersteuning van uitvoerders waardoor er geen goed zicht bestaat op de doorstroom. Verder is het volgens SportSupport erg lastig om causale verbanden te leggen tussen het resultaat van een aangeboden activiteit en het al dan niet lid worden van een reguliere vereniging door een deelnemer. Daarbij spelen vaak veel (meer) factoren een rol. Bijvoorbeeld of vriendjes, vriendinnetjes of klasgenootjes lid zijn van een bepaalde club, of er toevallig via een EK of WK veel aandacht is voor een sport etc. Soms worden kinderen pas (veel) later (in het nieuwe seizoen) lid van een vereniging, een punt dat ook door enkele andere geïnterviewden naar voren werd gebracht. Daarbij komt dat veel verenigingen niet vragen naar de aanleiding om lid te worden. Slechts bij een klein aantal specifieke projecten/activiteiten kan soms een één-op-één relatie gelegd worden tussen deelname aan een activiteit en het vervolgens lid worden van een reguliere vereniging. Waar dit het geval is, is dat vaak ook terug te lezen in de verantwoordingsrapportages van SportSupport. Zoals bijvoorbeeld het aantal kinderen van Praktijkschool De Schakel dat na een aantal danslessen op school lid is geworden van dansvereniging DSG (6 van de 15 kinderen) (Jaarrapportage Sport en Bewegen 2019, p.

27) en het aantal statushouders dat na een introductieprogramma op het gebied van sport en bewegen lid is geworden van een sportvereniging (respectievelijk 25 volwassenen en 19 kinderen) (Jaarrapportage Sport en Bewegen 2019, p. 12).

40

6. DOELTREFFENDHEID 6.1 Criteria en indicatoren om doeltreffendheid aan af te meten Vanaf de start van de eerste landelijke regeling gericht op de inzet van combinatiefunctionarissen in 2008 tot en met 2018 zijn er door het Rijk geen criteria opgesteld om de doeltreffendheid te kunnen meten en monitoren. Gemeenten dienden in deze periode in hun verantwoording aan het Rijk vooral gegevens te rapporteren over het aantal gerealiseerde fte en een aantal overige outputgegevens (zie ook paragraaf 2.1). Sinds 2019, het eerste jaar van de Brede Regeling Combinatiefuncties, en het jaar dat het Mulier Instituut het stokje heeft overgenomen van BMC qua monitoring, wordt voor het eerst gevraagd naar de mate van doelbereiking en naar het met de activiteiten van combinatiefunctionarissen bereikte aantal unieke deelnemers. Gemeenten dienen een inschatting te geven van het behaalde resultaat voor elk van de landelijke doelstellingen en (bij benadering) van het door hun combinatiefunctionarissen aantal bereikte unieke deelnemers in 2019. Voor zover de gemeente Haarlem maatstaven hanteert om de doeltreffendheid van combinatiefunctionarissen te meten zijn die opgenomen in de subsidiebeschikkingen en de daaraan gerelateerde prestatieplannen en verantwoordingen van lokale partners34.

Wat opvalt is dat vooral in de subsidiebeschikkingen van in 2019 nieuw gestarte projecten op het gebied van combinatiefunctionarissen er expliciet een (vrij groot) aantal indicatoren is opgenomen. Zo zijn er in de subsidiebeschikking van Triple Threat35 15 ‘resultaten/indicatoren’ benoemd. Sommige zijn kwalitatief van aard, zoals de waardering en het plezier in de activiteit te meten middels gesprekken en observaties. Sommigen zijn meer kwantitatief van aard en voorzien van streefcijfers: 380 jongeren maken kennis met sport, er worden 25 activiteiten georganiseerd, de tevredenheid van jongeren (te meten via gesprekken) is gemiddeld een 7,5 en de tevredenheid van samenwerkingspartners en uitvoeringspartners (te meten via een vragenlijst) is gemiddeld een 7,5, het aantal nieuwe leden is 38 en 10 jongeren stromen door naar sport- en cultuuraanbieders. In subsidiebeschikkingen van werkgevers die al langer combinatiefunctionarissen in dienst hebben is doorgaans wel opgenomen voor welke activiteiten en doelen de subsidie bestemd is en is vaak ook expliciet opgenomen dat lokale partners de verplichting hebben tot het opstellen van een eindverantwoording waaruit blijkt dat de gesubsidieerde activiteiten zijn gerealiseerd, maar zijn doorgaans geen te monitoren indicatoren opgenomen.

Afspraken en indicatoren waarover verantwoording moet worden afgelegd zijn vaak opgenomen in prestatieplannen (zoals bijvoorbeeld bij SportSupport) en in subsidieaanvragen (zoals bijvoorbeeld bij Hart36, Stichting Sint Bavo en SRO). In de subsidiebeschikkingen is niet opgenomen dat er jaarlijks bepaalde gegevens dienen te worden aangeleverd ten behoeve van de landelijke monitoring van de regeling. Een van de geïnterviewden van de gemeente merkt op dat het goed meten van doeltreffendheid en daartoe formuleren van prestatie-afspraken voor organisaties lastig kan zijn gezien het bij de 34

Bij de herijking van het sportbeleid wordt momenteel gekeken hoe beter gemeten kan worden wat de resultaten zijn van het gemeentelijke sportbeleid. Een belangrijke (effect)indicator daarbinnen gaat waarschijnlijk zijn het aantal mensen dat sociaal en/of fysiek in beweging is gekomen. 35 Omdat het project Talentontwikkeling jongeren in Schalkwijk en Oost een gezamenlijk project is van Triple Threat, SportSupport en STAD zijn dezelfde resultaten/indicatoren ook opgenomen in een van de subsidiebeschikkingen van SportSupport. Voor STAD is niet zo een subsidiebeschikking opgesteld omdat STAD haar bijdrage aan het project bekostigt vanuit andere middelen. 36 Het betreft hier de brede aanvraag van Hart in het kader van de Brede Regeling Combinatiefuncties. Voor de nieuwe combinatiefunctie Cultuur en Ouderen is voor 2019 een aparte subsidiebeschikking opgesteld waarin wel een aantal cijfermatige resultaten/indicatoren is opgenomen.

41

combinatiefunctionarissen gaat om professionals waarbij je zou moeten sturen op vertrouwen. De intrinsieke motivatie van deze professionals is belangrijk; professionals dienen niet leeg te lopen op controle eisen. Het zou moeten gaan om een ‘stimulerende verantwoording’ die niet te tijdrovend is. Vaak hebben professionals eigen maatstaven over wanneer hun werk succesvol is. Ook enkele andere geïnterviewden benadrukken dat het belangrijk is, om zeker voor kleinere organisaties, de administratieve lasten van monitoring c.q. registraties beperkt van omvang te houden. Daarbij gaven enkele geïnterviewde gemeentelijke beleidsmedewerkers aan het wenselijk te vinden dat er in de toekomst meer eenduidigheid komt qua monitoring van de resultaten tussen de verschillende lokale partners en tussen de sectoren sport en cultuur. Bijvoorbeeld in de vorm van een beknopt format waarin een paar gelijke basisgegevens voor alle Haarlemse organisaties verzameld kunnen worden en die qua resultaten naast elkaar gezet kunnen worden c.q. met elkaar vergeleken kunnen worden en op basis waarvan het gesprek met lokale partners beter gevoerd kan worden. In de interviews met lokale partners is de vraag voorgelegd wat naar hun idee criteria en indicatoren zijn om de doeltreffendheid van de combinatiefunctionarissen aan af te meten.

De meest genoemde indicatoren zijn het aantal deelnemers aan activiteiten en de tevredenheid c.q. het plezier van deelnemers. Daarnaast is nog een groot aantal uiteenlopende andere indicatoren genoemd: de tevredenheid van afnemers van diensten (o.a. scholen), van ouders, van samenwerkingspartners en van de gemeente; de mate waarin kinderen uit minder bedeelde gezinnen bereikt worden met de activiteiten; aantallen projecten, activiteiten en samenwerkingspartners; de kwaliteit van wat kinderen geleerd hebben c.q. de kwaliteit en professionaliteit van aangeboden activiteiten en lessen; de continuïteit qua docenten en deelnemersaantallen; het behalen van de einddoelen van het bewegingsonderwijs (bij de inzet van de combinatiefunctionaris als gymdocent); het % leerlingen dat het A-diploma heeft gehaald met zwemlessen, het aantal kinderen van Haarlemse basisscholen dat groep 8 verlaat met tenminste het A-diploma en het aantal scholen dat protocol schoolzwemmen ondertekent voor de start (schoolzwemmen); de mate waarin kinderen bewust (kunnen) kiezen voor bepaalde activiteiten; de mate waarin het aanbod aansluit op de vraag; het aantal deelnemers dat doorstroomt naar reguliere verenigingen c.q. de mate waarin er sprake is van een doorgaande lijn naar structurele participatie; de bekendheid van het werk van de combinatiefunctionarissen c.q.

van (de taken van) de organisatie waar zij werkzaam zijn; en het maatschappelijk effect in termen van kwaliteit van leven, participatie, zelfredzaamheid en ook bijvoorbeeld kansen op de arbeidsmarkt. Een paar geïnterviewden benadrukken expliciet dat er pas sprake is van doeltreffendheid als de doelen, zoals bij de start van een project of activiteit geformuleerd zijn gerealiseerd worden. Omdat deze per project of activiteit kunnen verschillen is dat maatwerk. Daarbij is van belang dat de doelen van te voren per project of activiteit ook duidelijk zijn geformuleerd. 6.2 Mate van doeltreffendheid conform aangeleverde data voor landelijke monitoring In de vragenlijst voor de landelijke monitoring van het Mulier Instituut is onder het kopje ‘doelen en opbrengsten’ in 2019 aan gemeenten gevraagd aan te geven welke landelijke doelen zij nastreven, welke doelen hiervan het belangrijkste zijn en op welke leeftijdsgroepen en specifieke doelgroepen de combinatiefunctionarissen worden ingezet.

42

Doelen Tabel 12 geeft een overzicht van de landelijke doelen die door de lokale werkgevers worden nagestreefd en welke van deze doelen door hen het belangrijkst worden gevonden. Tabel 12 Landelijke doelstellingen die door werkgevers van combinatiefunctionarissen worden nagestreefd en door hen onderscheiden belangrijkste doelen (XXX) Doelen

SportSupport

Hart*

Triple Threat

Stichting Sint Bavo

Bibliotheek Zuid Kennemerland

De Wereld Kindertheater

Een leven lang inclusief sporten, bewegen X X XXX XXX XXX en beoefenen van culturele activiteiten mogelijk maken Stimuleren (talent)ontwikkeling jeugd en X XXX X XXX jongeren Verbetering motorische vaardigheden jeugd X X XXX X en jongeren Sport-, beweeg- en cultuuronderwijs op en X X XXX X rond scholen versterken (Talent)ontwikkeling van kwetsbare, minder XXX XXX X X kansrijke jongeren die (een risico op) een verminderde actieve leefstijl hebben Inzetten op groepen mensen die X X X belemmeringen ervaren bij het (on)georganiseerde sporten en bewegen en beoefenen van culturele activiteiten Bereiken, toeleiden en begeleiden van X X XXX XXX personen die in armoede leven, zodat zij ondanks hun financiële situatie kunnen sporten/bewegen en meedoen aan culturele activiteiten Lokale verbindingen tot stand brengen en XXX X XXX XXX XXX uitbouwen tussen gemeentelijke beleidsdomeinen en voorzieningen en tussen organisaties uit de sectoren sport, cultuur, onderwijs etc. Duurzaam versterken en innoveren van XXX X X X sport-, beweeg- en cultuuraanbieders/vrijwilligersorganisaties, waaronder vormgeven van een pedagogisch sportklimaat Bron: Databestanden lokale partners ten behoeve van landelijke monitoring door Mulier Instituut 2019. NB Van SRO zijn geen gegevens beschikbaar. * Bij Hart is de veronderstelling dat meer doelen hadden moeten worden aangekruist.

Dit is een aandachtspunt bij het invullen van gegevens voor de landelijke monitoring 2020.

SportSupport, Triple Threat en De Wereld Kindertheater hebben aangegeven zich met de inzet van combinatiefunctionarissen op alle landelijke doelen te richten. Ook Stichting Sint Bavo heeft veel landelijke doelen genoemd. Bibliotheek Zuid Kennemerland en Hart hebben een beperkt aantal doelen genoemd, vermoedelijk omdat deze naar hun idee het beste als overkoepelende doelen de lading dekken van de inzet. Met name Hart richt zich echter ook op een aantal andere doelen.

43

De twee doelen die het vaakst genoemd zijn door Haarlemse werkgevers van combinatiefunctionarissen, en ook het vaakst als de belangrijkste doelen, zijn “een leven lang inclusief sporten, bewegen en beoefenen van culturele activiteiten mogelijk maken” en “lokale verbindingen tot stand brengen en uitbouwen tussen gemeentelijke beleidsdomeinen en voorzieningen en tussen organisaties uit de sectoren sport, cultuur, onderwijs etc.”. Deze doelen komen overeen met de doelen die landelijk door gemeenten het belangrijkst worden gevonden (Mulier Instituut, 2019, p. 24). Daarnaast worden ook de andere landelijke doelen vaak genoemd door werkgevers. Het doel dat nog het minst vaak is aangekruist, maar nog altijd door drie werkgevers, is “inzetten op groepen mensen die belemmeringen ervaren bij het (on)georganiseerde sporten en bewegen en beoefenen van culturele activiteiten”. Naast de landelijke doelen hebben werkgevers vaak ook eigen (operationele of sub)doelen die zij nastreven en die onder te brengen zijn onder de landelijke doelen en/of specifieke Haarlemse doelen. Deze doelen zijn vaak opgenomen in de subsidieaanvragen aan de gemeente. Aan gemeenten is voor de landelijke monitoring gevraagd om voor de, voor hen, belangrijkste landelijke doelen een inschatting te maken van het tot nu toe behaalde resultaat. Gemeente Haarlem heeft hiervan geen opgave gedaan aan het Mulier Instituut.

Slechts twee van de zeven lokale partners hebben ten behoeve van de landelijke vragenlijst scores toegekend voor het ingeschatte resultaat op de door hen nagestreefde landelijke doelen. Beide organisaties hebben hier score 4 aan toegekend (score 1= geen resultaat, score 5= veel resultaat). Aanvullend op de gegevens uit de landelijke monitoring kwam uit de interviews nog naar voren dat één van de geïnterviewden aan de geboekte resultaten een 5 (veel resultaat) toe zou willen kennen en een andere geïnterviewde de mate van doelbereiking als ruim voldoende aanmerkt. Gemeente Haarlem heeft in de landelijke monitoring wel een score toegekend aan het ingeschatte behaalde resultaat op lokale doelstellingen. De gemeente kende daar score 4 aan toe. Doelgroepen Uit de gegevens aangeleverd voor de landelijke monitoring komt naar voren dat alleen de combinatiefunctionarissen van SportSupport zich richten op alle in de landelijke vragenlijst onderscheiden leeftijdsgroepen (zie tabel 13). Tabel 13 Specifieke leeftijdsgroepen waarop de combinatiefunctionarissen in Haarlem worden ingezet naar werkgever Leeftijdsgroepen

SportSupport

Hart

Triple Threat

Stichting Sint Bavo

Bibliotheek Zuid Kennemerland

SRO

Baby/dreumes/peuter/kleuter (0-4 X jarigen) Kinderen (4-12 jarigen) X X X X X Jongeren (12-18 jarigen) X X X X Jongvolwassenen (18-24 jarigen) X Volwassenen (24-65 jarigen) X X Ouderen (65+) X X X Bron: Databestanden lokale partners ten behoeve van landelijke monitoring door Mulier Instituut 2019 en informatie uit de gehouden interviews

44

De Wereld Kindertheater

X

Voor de overige werkgevers geldt dat zij hun combinatiefunctionarissen inzetten op een selectie van leeftijdsgroepen. Dit zijn relatief vaak kinderen (4-12 jaar) en jongeren (12-18 jaar) en in mindere mate ook ouderen (65+). Dit zijn ook de drie groepen die landelijk door gemeenten het meest genoemd zijn (Mulier Instituut, 2019, p. 15). Wat betreft de specifieke doelgroepen valt op dat alleen SportSupport zich op alle specifieke doelgroepen uit de landelijke vragenlijst richt. Daarnaast valt op dat bijna alle werkgevers expliciet buurt/wijkbewoners noemen. In mindere mate worden ook personen met een laag inkomen en inactieven expliciet genoemd. Ook voor deze groepen geldt dat zij landelijk door veel gemeenten worden genoemd. Stichting Sint Bavo heeft in de vragenlijst alleen een specifieke leeftijdsgroep en geen specifieke andere doelgroepen aangekruist, hoewel die met de activiteiten wel bereikt worden. Van SRO zijn deze gegevens niet bekend. Tabel 14 Specifieke doelgroepen waarop de combinatiefunctionarissen in Haarlem worden ingezet naar werkgever Specifieke doelgroepen

SportSupport

Hart

Triple Threat

Stichting Sint Bavo

Bibliotheek Zuid Kennemerland

De Wereld Kindertheater

Personen met een beperking (lichamelijk of X verstandelijk), chronische aandoening of gedragsproblematiek (bijv. autisme/ADHDADD en/of psychische problematiek) Personen met overgewicht X Personen met laag inkomen/lage sociaal X X X economische status/armoede Personen met een X X migratieachtergrond/vluchtelingen Buurtbewoners/wijkbewoners X X X X X Inactieven X X X Werkzoekenden/werklozen X 37 LHBT ’ers X Anders X Bron: Databestanden lokale partners ten behoeve van landelijke monitoring door Mulier Instituut 2019 en informatie uit de gehouden interviews.

Deelnemers In de landelijke monitor is aan gemeenten ook gevraagd om aan te geven hoeveel unieke deelnemers de combinatiefunctionarissen bereiken. In paragraaf 5.3 werd al duidelijk dat geen van de lokale partners over deze gegevens beschikt, maar wel over (een groot aantal) andere gegevens over het bereik. Een aantal lokale partners houdt het aantal deelnemers per activiteit precies bij, anderen doen dat meer globaal. Meestal worden hierbij aantallen deelnemers bijgehouden, soms andere aantallen zoals aantallen bereikte groepen van scholen.

37

LHTB staat voor lesbisch, homoseksueel, biseksueel en transgender.

45

6.3 Mate van doeltreffendheid conform oordeel geïnterviewden Geïnterviewden van de gemeente en van werkgevers van combinatiefunctionarissen zijn het er vrijwel unaniem over eens dat de combinatiefunctionarissen (heel) doeltreffend zijn. Geïnterviewden van Bibliotheek Zuid Kennemerland gaven aan dat het nog te vroeg is om hierover goede uitspraken te kunnen doen, omdat de projecten pas vrij laat in 2019 gestart zijn. Zij gaven echter aan wel het gevoel te hebben dat het met de projecten de goede kant uit gaat. Een andere geïnterviewde wees er meer in zijn algemeenheid op dat resultaten soms pas op langere termijn duidelijk worden. Meerdere geïnterviewden gaven aan de inzet van combinatiefunctionarissen zeker (heel) doeltreffend te vinden in relatie tot de (beperkt) beschikbare middelen. Volgens een van de geïnterviewden kan er echter wel een verschil zijn qua doelmatigheid afhankelijk van de doelgroep waar een activiteit op gericht is. Bij sommige doelgroepen, zoals ouderen en statushouders, is relatief veel inzet nodig om ze te bereiken en begeleiden met minder concreet resultaat. Kinderen en jongeren zijn makkelijker te bereiken via scholen en buiten op pleinen. Nagenoeg alle werkgevers van combinatiefunctionarissen baseren zich bij hun oordeel over de doeltreffendheid op zowel kwantitatieve gegevens als meer kwalitatieve gegevens.

Bij de kwantitatieve gegevens spelen de voor de landelijke monitoring door het Mulier Instituut aangeleverde gegevens eigenlijk geen rol bij het bepalen van de doeltreffendheid. Geïnterviewden vinden ze doorgaans niet echt bruikbaar en te weinig specifiek voor de lokale situatie. Bij de kwantitatieve gegevens gaat het vooral om gegevens die ook opgenomen zijn in de (half)jaarlijkse verantwoordingsrapportages aan de gemeente zoals deelnemersaantallen, resultaten van tevredenheidsmetingen en soms ook andere gegevens zoals het aantal deelnemers dat doorstroomt naar reguliere verenigingen of de score op een meer specifieke indicator zoals het aantal behaalde Adiploma’s met schoolzwemmen. Bij de kwalitatieve gegevens gaat het vooral om informatie die verkregen is uit gesprekken en observaties en die meer verhalend c.q. narratief van aard is bijvoorbeeld betreffende de tevredenheid over de aangeboden activiteiten, het plezier dat deelnemers beleven aan activiteiten, de in kwalitatief opzicht bereikte resultaten door deelnemers, de partners waarmee samengewerkt wordt, de tevredenheid van lokale partners over de samenwerking en eventuele verbeterpunten. Vaak is een aantal van deze kwalitatieve gegevens (deels) ook opgenomen in de verantwoordingsrapportages aan de gemeente.

Alle werkgevers inventariseren meer kwantitatief of meer kwalitatief, en meer expliciet of meer impliciet, regelmatig de tevredenheid (en het plezier) van deelnemers aan activiteiten van combinatiefunctionarissen. Vaak gebeurt dit zowel tijdens een aangeboden activiteit als achteraf. Daarnaast wordt door verschillende werkgevers ook de tevredenheid van afnemers van activiteiten (met name scholen) of diensten (bijvoorbeeld verenigingen) en samenwerkingspartners gepeild. Zo evalueert De Wereld Kindertheater alle op scholen aangeboden activiteiten met de scholen zelf en bepaalt op basis hiervan ook of een activiteit wordt gehandhaafd, uitgebreid of bijgesteld. SportSupport heeft in 2019 een klanttevredenheidsonderzoek gedaan onder scholen en sportverenigingen. SRO peilt jaarlijks de tevredenheid van deelnemende scholen wat betreft het schoolzwemen inclusief een inschatting van de tevredenheid van de kinderen. En Hart heeft recent breed onder haar afnemers (met een bredere scope dan alleen de inzet van combinatiefunctionarissen) een tevredenheidsonderzoek gedaan. Diverse geïnterviewden benadrukken expliciet het belang van een combinatie van meer kwantitatieve en meer kwalitatieve gegevens en ook het belang van een goede interpretatie van gegevens.

Sommigen zijn nog meer uitgesproken en plaatsen (grote) vraagtekens bij het belang en de zeggingskracht van cijfermatige monitoring en baseren zich het liefst vooral op meer kwalitatieve gegevens. Al met al zijn de geïnterviewden het erover eens dat cijfers niet alles zeggen. Het gaat 46

bijvoorbeeld niet alleen om de hoeveelheden qua bereik, maar ook om de intensiteit en impact ervan. Enkele geïnterviewden verwoordden dit als volgt: 

Als je 30 kinderen bereikt met naschoolse activiteiten die zelf al sporten, bereik je dan wie je wil bereiken? Aantallen zijn betrekkelijk. Als je 1 kind in beweging krijgt dat niet al zelf aan beweging doet dan is dat al winst. Eén heel moeilijk te activeren jongere in beweging krijgen tot structurele participatie kan goud waard zijn, ook als het gaat om een verbetering van de kwaliteit van leven van deze jongere. Dat kan soms meer waard zijn dan meerdere jongeren bereiken die makkelijker te activeren zijn. Een groepje van 8 voetballers met dementie is getalsmatig geen grote groep, maar deze activiteit is wel heel waardevol voor die 8 mensen. Een sportdag voor ouderen met 80 deelnemers lijkt getalsmatig een groot succes, maar is dat eigenlijk alleen als de deelnemers ook tevreden naar huis gaan. Het bereiken van 10 inactieve ouderen met de diabetes challenge kan een grotere impact hebben als het gaat om het resultaat op het gebied van sport en bewegen dan het bereiken van 1.000 scholieren met een sporttoernooi die al sporten en bewegen via (onder andere) school.

Geïnterviewde gemeentelijke beleidsmedewerkers erkennen het belang van het verhaal achter de cijfers. Eén van hen gaf aan informatie die verkregen wordt uit gesprekken met lokale partners en signalen uit het veld het allerbelangrijkste te vinden voor de (bij)sturing van beleid en beschouwt deze middelen als continue thermometer. Met lokale partners en werkgevers vinden regelmatig gesprekken plaats waarin ook ingegaan wordt op het verhaal achter de cijfers en op wat goed en minder goed is gegaan. Wat is gelukt? Wat niet en waarom niet? Wat kan beter en hoe? Naast geïnterviewden van de gemeente en van werkgevers van combinatiefunctionarissen is ook aan een aantal andere betrokkenen uit het veld gevraagd naar hun mening over de doeltreffendheid van de inzet van combinatiefunctionarissen. Het gaat om vertegenwoordigers van scholen, sportverenigingen en opleidingsinstituten. Sommigen van hen gaven aan geen goed inzicht te hebben in de mate van doeltreffendheid. Voor de anderen geldt dat zij de inzet van combinatiefunctionarissen overwegend als doeltreffend beschouwen. Er worden door sommigen echter ook een paar kanttekeningen geplaatst. Zo wordt opgemerkt dat het nogal eens voorkomt dat het bereik van naschoolse en buitenschoolse activiteiten ten goede komt aan kinderen van hoger opgeleiden c.q.

beter bedeelden en dat de kwetsbare kinderen er eigenlijk niet goed mee bereikt worden; ofwel het bereik van naschoolse en buitenschoolse activiteiten onder kwetsbare kinderen kan beter. Ook een paar geïnterviewden van de werkgevers van combinatiefunctionarissen hebben hier op gewezen. Daarnaast zijn door sommigen als kanttekeningen genoemd (de kwetsbaarheid van) de continuïteit van de door combinatiefunctionarissen aangeboden activiteiten (personele wisselingen en niet doorgaan van bepaalde activiteiten vanwege uitval begeleider) en de kwaliteit van de tussenschoolse opvang door buurtsportcoaches (soms meer pleinwacht dan het organiseren van activiteiten op het gebied van sport en bewegen en kwalitatief niet altijd van voldoende niveau voor de taak waar zij voor staan).

47

7. SUCCESSEN EN VERBETERPUNTEN 7.1 Successen van de combinatiefunctionarissen “Het werk van de buurtsportcoaches is onmisbaar. Zij hebben niet alleen jongeren gestimuleerd te gaan sporten en bewegen, maar ook ouderen, mensen met een beperking en mensen met een andere culturele achtergrond. Daarnaast zijn interessante verbindingen tot stand gekomen tussen sport en welzijn en sport en kinderopvang. … De opbrengsten wil ik koesteren en vasthouden voor de toekomst.” (Bruno Bruins, Minister voor Medische Zorg en Sport in: Buurtsportcoach ga zo door! Sport en bewegen in de buurt. De opbrengsten. 2018, p.3) “Wat deze inventarisatie, en de BMC monitor, in ieder geval duidelijk maken, is dat de cultuurcoach voor veel gemeenten een bruikbaar instrument is om doelstellingen op het gebied van cultuureducatie en cultuurparticipatie, en de verbinding daartussen, te realiseren.”(Tweede inventarisatie cultuurcoaches. Rapportage januari 2017. Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst, p. 44).

Niet alleen landelijk maar ook in Haarlem bestaat er veel enthousiasme over de successen die combinatiefunctionarissen boeken in de stad. Enkele geïnterviewden van de gemeente beschouwen de buurtsportcoaches als ‘de spil’, ‘het cement’ en ‘de samenbindende factor’ waar het sportbeleid om draait en ‘de klei’, de verbinders en de netwerkers die de cultuurdeelname succesvol stimuleren. Daarnaast is in de interviews een groot aantal andere successen genoemd. Ook zijn diverse factoren genoemd die bijgedragen hebben aan de realisatie van de successen. Belangrijke bijdrage aan de doelen Uit de interviews komt naar voren dat combinatiefunctionarissen een belangrijke bijdrage leveren aan de geformuleerde landelijke en gemeentelijke doelen. Door de inzet van combinatiefunctionarissen wordt sporten en bewegen voor iedereen mogelijk gemaakt, zijn verenigingen versterkt, verlaten zo veel mogelijk kinderen uit groep 8 de school met tenminste zwemdiploma A, worden kinderen en jongeren die normaal niet participeren op het gebied van sport en bewegen en/of kunst en cultuur via kennismakingsactiviteiten geïnspireerd tot structurele deelname, wordt cultuureducatie en –participatie zowel binnen- als buitenschools bevorderd, wordt de culturele drempel verlaagd en komen er ‘communities’ van Haarlemmers tot stand die gefaciliteerd worden bij de organisatie van activiteiten.

Daarnaast zijn er verbindingen tussen organisaties en sectoren gerealiseerd en succesvolle samenwerkingsverbanden. Er zijn toonaangevende projecten neergezet voor specifieke doelgroepen (onder andere walking football voor kwetsbare ouderen) en nieuwe doelgroepen bereikt (bijvoorbeeld de communities in Schalkwijk, ouderen op het gebied van kunst en cultuur en kinderen uit de Internationale Taalklas bij het schoolzwemmen). Veel geïnterviewden benadrukken dat er in korte tijd en met relatief weinig middelen veel is bereikt en dat er veel succesvolle projecten van de grond zijn gekomen. Kwalitatief goed aanbod aan activiteiten Meerdere geïnterviewden noemen als succes dat er een kwalitatief goed en professioneel aanbod van activiteiten is geboden door combinatiefunctionarissen. Dit geldt zowel voor het aanbod op het gebied van kunst- en cultuureducatie als op het gebied van sport en bewegen. Expliciet genoemd zijn onder andere het aanbod op het gebied van kunst- en cultuureducatie, zoals muzieklessen en toneelcursussen, de kwaliteit van de gymlessen, de kwaliteit van de schoolzwemlessen, de kwaliteit van bepaalde activiteiten op het gebied van sport en bewegen voor specifieke doelgroepen en in het verleden aangeboden turnlessen.

48

Kwantitatief en kwalitatief succesvol bereik van de activiteiten Veel geïnterviewden vinden het bereik van de door combinatiefunctionarissen georganiseerde activiteiten zeer succesvol. Zij baseren zich daarbij zowel op de getalsmatig grote aantallen bereikte deelnemers (zie paragraaf 5.3), ondanks dat velen onderschrijven dat cijfers niet alles zeggen, alsook op de enkelingen en kleine groepjes waarvoor combinatiefunctionarissen het verschil hebben gemaakt. Meerdere geïnterviewden zijn daarbij trots op het resultaat dat moeilijk bereikbare en/of moeilijk te activeren (kwetsbare) Haarlemmers zoals kinderen en jongeren, al is het er maar eentje of een klein groepje, door de inzet van combinatiefunctionarissen kennis hebben gemaakt met sport en bewegen of kunst en cultuur en hierdoor nu structureel deelnemen bij reguliere aanbieders of in een ander organisatorisch verband en soms ook hun hele leefstijl hebben aangepast. Deelnemers zijn tevreden en enthousiast over de activiteiten Naast het bereik noemen ook veel geïnterviewden de tevredenheid en het enthousiasme van deelnemers aan activiteiten, blijkend uit tevredenheidsmetingen en observaties in de praktijk, als belangrijk succes. Meerdere geïnterviewden merken op dat er voor naschoolse activiteiten veel animo is, dat zij snel vol zitten en dat er gaande de rit ook geen of nauwelijks uitval is.

Volgens sommigen zijn de aantallen geïnteresseerden voor naschoolse activiteiten of wijkactiviteiten soms zelfs te groot. Een van de geïnterviewden vertelde over hoe kwetsbare ouderen genieten van een activiteit op het gebied van sport en bewegen, hoeveel plezier ze eraan beleven en hoe ze opleven en stralen. Een andere geïnterviewde wees op het plezier en de trots die deelname, aan soms ogenschijnlijke kleine, activiteiten aan kinderen en hun ouders kunnen verschaffen. Weer een andere geïnterviewde gaf aan blij te zijn dat kinderen met schoolzwemmen niet alleen leren zwemmen maar ook het plezier van zwemmen ervaren. Andere geïnterviewden hadden soortgelijke observaties. Daarnaast noemden enkele geïnterviewden nog expliciet het enthousiasme waarmee sommige combinatiefunctionarissen op straat herkend en begroet worden door kinderen en jongeren in de wijk. Afnemers van diensten zijn enthousiast Niet alleen deelnemers aan activiteiten zijn enthousiast, diverse geïnterviewden benadrukken dat ook afnemers van diensten zoals bijvoorbeeld schooldirecteuren en leerkrachten van scholen enthousiast zijn over de aangeboden activiteiten. Een van de geïnterviewde schooldirecteuren gaf expliciet aan dat de combinatiefunctionarissen een hele belangrijke toegevoegde waarde hebben voor het onderwijs.

Zonder de financiële input van de landelijke regeling zou het volgens deze geïnterviewde waarschijnlijk niet mogelijk zijn om dit aanbod op het terrein van sport en bewegen en kunst en cultuur op bepaalde scholen te kunnen doen. Gezien de beperkte financiële middelen waar sommige scholen over beschikken zouden dan waarschijnlijk andere keuzes gemaakt worden, wat voor de scholen en de kinderen een groot gemis zou zijn. De aangeboden activiteiten hebben effect Uit de gesprekken met geïnterviewden en ook uit jaarverslagen van de werkgevers van combinatiefunctionarissen komt naar voren dat er door de inzet van combinatiefunctionarissen bij de doelgroepen van activiteiten uiteenlopende effecten worden gerealiseerd. Zo worden onder andere genoemd dat bij deelnemers: eenzaamheid is voorkomen en sociale contacten zijn bevorderd, er gezondheidswinst is geboekt, de levensstijl ten positieve is veranderd, belangrijke normen en waarden zijn overgedragen en dat er vooruitgang is geboekt op het gebied van vaardigheden en competenties. Bij vaardigheden valt te denken aan bewegingsvaardigheden op het gebied van bijvoorbeeld gymnastiek en zwemmen, uitdrukkingsvaardigheden in taal, spel en beweging op het gebied van toneel, vaardigheden op het gebied van creativiteit en fantasie, 49

muzikale vaardigheden, organisatievaardigheden, sociale vaardigheden (o.a. omgaan met winst en verlies, teamspirit creëren, elkaar steunen en aanmoedigen en fair play), zelfredzaamheid en het trots zijn op een prestatie c.q. presentatie. Inspiratie voor stagiairs Tot slot, van een andere orde dan de hiervoor genoemde successen, is ook als succes genoemd studenten die stage hebben gelopen bij combinatiefunctionarissen en die door hun stage enthousiast zijn geworden voor het werkveld waarvoor ze opgeleid worden. Succesfactoren Uit de interviews zijn diverse, vooral meer procesmatige, factoren naar voren gekomen die een bijdrage hebben geleverd aan de successen die combinatiefunctionarissen boeken in de stad. Door sommige geïnterviewden worden zij gezien als belangrijke randvoorwaarden om het werk goed te kunnen doen. Meerdere geïnterviewden hebben gewezen op succesvolle samenwerkingsverbanden en samenwerkingsrelaties. Hierbij zijn regelmatig de School in de Wijk netwerken genoemd maar ook andere vormen van samenwerking zoals onder andere de samenwerking tussen Triple Threat, SportSupport en STAD en ook regionale netwerken. Ook hebben meerdere geïnterviewden als succesfactor genoemd dat er veel vrijheid en autonomie is om als organisatie c.q. als combinatiefunctionaris de eigen werkzaamheden vorm te geven.

Deze autonomie zorgt ervoor dat combinatiefunctionarissen maatwerk kunnen leveren en kunnen doen waar zij goed in zijn. Eén van de geïnterviewden noemde in dit verband ook de mogelijkheid en het belang van het niet alleen vraaggericht maar soms ook aanbodgericht kunnen werken. Juist als het gaat om het ontdekken van nieuwe dingen weten mensen van tevoren vaak niet of ze dat willen. Dat kunnen zij dan via activiteiten aangeboden door een combinatiefunctionaris ontdekken. Daarnaast worden als succesfactoren ook genoemd een duidelijk profiel van de organisatie, herkenbaarheid in de wijk, een succesvol en energiek team van medewerkers en bepaalde combinatiefunctionarissen die echt het verschil kunnen maken door de kwaliteiten die ze hebben en door de activiteiten die ze organiseren die nauw aansluiten bij de behoeften en wensen van de doelgroep. Enkele geïnterviewden benoemen het onderbrengen van het werkgeverschap bij scholen als belangrijke succesfactor. Combinatiefunctionarissen maken dan deel uit van het lerarenteam waardoor zij invloed kunnen hebben op het beleid van de school, en omgekeerd ook als dusdanig aangestuurd en begeleid kunnen worden, de continuïteit van activiteiten richting kinderen en ouders wordt er goed door geborgd en de interesse voor bepaalde activiteiten kan goed ingeschat worden.

Daarbij merken meerdere geïnterviewden op dat het belangrijk is voor succesvolle resultaten dat naschoolse activiteiten voor kinderen uit het primair onderwijs op hun school worden georganiseerd en niet elders in de wijk. 7.2 Verbeterpunten bij de uitvoering van de Brede Regeling Combinatiefuncties Naast de successen van de combinatiefunctionarissen zijn er door geïnterviewden ook verschillende verbeterpunten genoemd wat betreft de uitvoering van de Brede Regeling Combinatiefuncties. Het gaat daarbij, naast enkele resultaatgerichte verbeteringen, vooral om procesmatige verbeteringen. Het meest genoemd zijn verbeterpunten betreffende de rol van de gemeente (m.n. een duidelijker regierol, duidelijkere kaders en meer prioritering), de (co-)financiering (de wenselijkheid van de 50

toekenning van subsidies voor een langere periode, een activiteitenbudget, de vereenvoudiging van de subsidiesystematiek en lagere kosten van bepaalde diensten), de monitoring (meer eenduidige monitoring die beperkt van omvang is) en de wenselijkheid van een netwerk van (werkgevers van) combinatiefunctionarissen. Daarnaast zijn door geïnterviewden diverse verbeterpunten genoemd op het gebied van: samenwerking, het bereik van kwetsbare kinderen met naschoolse en buitenschoolse activiteiten, de verdeling van middelen over sectoren en organisaties genoemd evenals een aantal overige punten. Rol van de gemeente Meerdere geïnterviewden hebben aangegeven het wenselijk te vinden dat de gemeente een duidelijker regierol vervult als het gaat om de inzet van combinatiefunctionarissen. Zij denken daarbij aan meer prioritering en meer focus vanuit de gemeente qua gewenste taken, activiteiten en te bereiken doelgroepen. Zeker in het geval dat middelen beperkt zijn, er sprake is van bezuinigingen en bij nieuwe functies en taken van combinatiefunctionarissen, is er behoefte aan duidelijke kaders en resultaatverwachtingen. Door afbakening en prioritering qua doelen en doelgroepen kan volgens een van de geïnterviewden ook meer verdieping worden geboden.

Enkele geïnterviewden hebben als verbeterpunt genoemd dat de gemeente ook heldere kaders verschaft qua rollen en taakverdeling als er sprake is van een samenwerkingsverband van organisaties of als organisaties (deels) met dezelfde doelgroepen werken. Meer specifiek zijn in dit verband genoemd de rollen en taken van de betrokken organisaties bij het samenwerkingsverband dat benoemd is in het kader van de cultuurmakelaar in Schalkwijk en een duidelijke rol- en taakverdeling op het gebied van sport en bewegen tussen enerzijds SportSupport en anderzijds de welzijnsinstellingen Haarlem Effect en DOCK en SRO. Dit punt is, evenals de door sommigen genoemde wens van meer inzet vanuit de gemeente op sport en bewegen vanuit de preventieve welzijnskant, breder dan alleen de inzet van combinatiefunctionarissen. Een van de geïnterviewden noemt als verbeterpunt dat de gemeente ook een meer controlerende rol zou moeten vervullen als het gaat om behaalde resultaten. Ambtenaren zouden veel meer moeten gaan kijken in de stad bij activiteiten en projecten, vooral ook onaangekondigd. Verder noemden enkele geïnterviewden nog als verbeterpunt meer inzet vanuit de gemeente (en vanuit het werkveld) op sport en bewegen vanuit de preventieve welzijnskant en meer ruimte om te innoveren, waarbij volgens een van de geïnterviewden projecten en initiatieven ook moeten mogen falen.

Tot slot ziet een van de geïnterviewden graag dat de gemeente een regierol op zich neemt als het gaat om het bieden van voldoende stageplekken voor studenten van scholen, zoals het CIOS om het vak van buurtsportcoach in de praktijk te kunnen leren. (Co)financiering Een van de door geïnterviewden meest genoemde verbeterpunten is subsidieverlening voor een langere periode. Vaak wordt gedacht aan een periode van vier jaar. Door het aangaan van inhoudelijke en financiële commitment voor een langere periode kan zowel aan (werkgevers van) combinatiefunctionarissen en projecten als aan doelgroepen van activiteiten meer continuïteit worden geboden. Diverse geïnterviewden benadrukken dat zeker voor kinderen en jongeren ‘vaste gezichten’ erg belangrijk zijn. Daarbij hebben enkele geïnterviewden aangegeven het zonde te vinden dat als een project na een paar jaar goed op de rit is, er geen middelen zijn om hieraan een vervolg te geven. Als een project niet goed loopt en het wordt om die reden niet gecontinueerd is het volgens een van de geïnterviewden belangrijk om te onderzoeken wat de oorzaak hiervan is. Naast 51

meerjarige subsidieverlening noemen diverse geïnterviewden, breder dan alleen de inzet van combinatiefunctionarissen, ook als verbeterpunt tijdige subsidieverlening. Tijdige subsidieverlening kan cofinanciering door derden vergemakkelijken en zekerheid verschaffen aan werkgevers van combinatiefunctionarissen over hun aanstelling. Soms zijn activiteiten al (ruim) voor de formele subsidieverlening gestart, omdat subsidie pas laat werd verleend. Geen van de geïnterviewden heeft de cofinanciering als echt knelpunt aangemerkt, een aantal van hen ziet de cofinanciering wel als zorgpunt. Zo hebben enkele geïnterviewden aangegeven dat de gemeente er soms te makkelijk van uitgaat dat organisaties ondanks (te) beperkte middelen of financiële tegenvallers toch bepaalde resultaten realiseren of financiële tekorten oplossen. Zij zien graag dat de gemeente hier in de toekomst meer oog voor heeft en waar mogelijk financieel ook meer middelen beschikbaar stelt. Sowieso zou volgens diverse geïnterviewden met meer middelen nog veel meer bereikt kunnen worden in de stad. Sommigen wijzen erop dat de indexatie historisch niet in de pas loopt, ook niet qua ontwikkeling van de functie-inhoud van de combinatiefunctionarissen. Vanuit het Rijk zijn de verschafte subsidies sinds 2009 niet geïndexeerd en ook de gemeente heeft een aantal jaar subsidies onder de €50.000 niet geïndexeerd.

In 2019 zijn, zoals opgenomen in de gemeentelijke Programmabegroting 2019-2022 (reg. nr. 2018/568234), subsidies vanaf €45.000 wel geïndexeerd met 2,8%. Hoewel sommige geïnterviewden wel ‘goedkopere’ combinatiefunctionarissen in zouden willen zetten is dat vaak niet mogelijk. Zo is bijvoorbeeld voor een leerkracht lichamelijke opvoeding een hbo-opleiding een vereiste. Eén van de geïnterviewden ziet als verbeterpunt de vermindering van de verschillen qua mate van subsidiëring tussen lokale partners en bepaalde combinatiefuncties van hen. Zo geldt voor een aantal eerder gemaakte afspraken wat betreft de inzet van combinatiefunctionarissen dat naast rijkssubsidie ook gemeentelijke subsidie wordt verstrekt, terwijl bij sommige meer recent gemaakte afspraken alleen rijkssubsidie verstrekt wordt. Meerdere geïnterviewden hebben er op gewezen dat er een sterke mate van vervlechting is tussen de Brede Regeling Combinatiefuncties en ander beleid van de gemeente Haarlem, zowel inhoudelijk als financieel. Zij zien als verbeterpunt een simpeler wijze van subsidieverlening door bijvoorbeeld de bundeling van alle gemeentelijke subsidies in één gezamenlijk budget en ook de verantwoording erover in één gezamenlijk document. Ofwel het verminderen van het aantal verschillende potjes geld, bijbehorende beschikkingen en daarbij behorende verantwoordingen.

Enkele geïnterviewden hebben als verbeterpunt genoemd, breder dan alleen de inzet van combinatiefunctionarissen, dat ook vanuit de gemeentelijke afdeling Maatschappelijke Ontwikkeling (o.a. vanuit de Wmo) en sociale partners meer structureel financieel bijgedragen wordt aan sport en bewegen vanuit het belang van preventieve activiteiten om gezond te blijven. Als mensen meer gaan bewegen en sporten is de kans op zorg kleiner in de toekomst. Tot slot noemen diverse geïnterviewden de betaalbaarheid van bepaalde diensten als verbeterpunt. Genoemd worden onder andere het huren van een gymzaal bij SRO (50 euro per uur; terwijl dat in Amsterdam 10 euro per uur is, omdat de zaalhuur daar grotendeels gesubsidieerd wordt) en de huur van een sportveld bij het Haarlem College (75 euro per uur). Als je als organisatie een dagdeel een bepaalde activiteit wil organiseren wordt dat al snel erg duur. Diverse geïnterviewden van scholen zouden de diensten die zij afnemen bij SportSupport graag goedkoper zien. Een van de 52

geïnterviewden merkt op dat de prijs van een gymdocent aantrekkelijker zou kunnen worden als ook mbo’ers zelfstandig groepen zouden mogen draaien. Met de recent opgelegde verplichting van 2 klokuren bewegingsonderwijs per week gaat er volgens deze geïnterviewde een groot tekort aan gymleraren ontstaan en een goede mbo’er is vaak beter dan een leerkracht. Eén andere geïnterviewde van een school vermoedt dat het in de toekomst mogelijk lonender gaat zijn om een extra eigen leerkracht voor de gymlessen in dienst te nemen en hiervoor geen gebruik meer te maken van SportSupport, omdat dat mogelijk goedkoper is en de financiële armslag binnen het onderwijs beperkt is. Verdeling van middelen over organisaties en sectoren Een aantal geïnterviewden heeft een betere verdeling van middelen over organisaties en/of sectoren als verbeterpunt genoemd. Ten eerste is genoemd een meer gelijke verdeling qua middelen die ingezet worden voor combinatiefunctionarissen in de sector sport en bewegen versus de sector kunst en cultuur. Hoewel eerder in de rapportage naar voren kwam dat het aandeel combinatiefunctionarissen dat in Haarlem wordt ingezet vanuit de sector kunst en cultuur een stuk hoger ligt dan landelijk (28% versus 17%), zouden sommige geïnterviewden het liefst een helemaal gelijke verdeling van middelen zien tussen de sectoren sport en bewegen en kunst en cultuur (50/50).

Ten tweede is als verbeterpunt genoemd het door de gemeente beschikbaar stellen van verhoudingsgewijs meer middelen, dan nu het geval is, aan minder gevestigde en meer innovatieve organisaties die qua impact op de wijk of stad en/of op basis van behaalde resultaten in de afgelopen jaren eigenlijk meer subsidie verdienen. Monitoring Meerdere geïnterviewden hebben als verbeterpunt aangegeven een betere en meer eenduidige wijze van monitoring. Volgens enkele geïnterviewden ontbreekt er nu een goede monitoring om de impact te laten zien van de combinatiefunctionarissen. Elke organisatie in Haarlem maakt een eigen verantwoordingsrapportage die er weer anders uitziet waardoor het lastig is om een goed en vergelijkbaar overzicht te krijgen. Vooral de laatste jaren worden in subsidiebeschikkingen van de gemeente in toenemende mate ook verantwoordingseisen en monitoringseisen opgenomen die per organisatie en per project kunnen verschillen. De keuze voor een beperkte eenduidige set van indicatoren die voor alle organisaties met combinatiefunctionarissen hetzelfde is, en die waar relevant aangevuld kan worden met een meer kwalitatieve duiding en/of toelichting, zou volgens meerdere geïnterviewden een stap in de goede richting zijn.

Sommigen benadrukken dat het belangrijk is dat de administratieve lasten beperkt blijven, zeker in geval het om kleine organisaties gaat met een klein aantal fte aan combinatiefunctionarissen. Een van de geïnterviewden geeft expliciet aan dat de gemeente de trekker zou moeten zijn van de monitoring en hiervoor ook de eventuele tools en middelen ter beschikking dient te stellen. Goed opgezette monitoring kan volgens deze geïnterviewde goede input bieden voor lerend beleid. Meer in zijn algemeenheid, breder dan alleen de inzet van combinatiefunctionarissen, gaf een van de geïnterviewden aan het een verbeterpunt te vinden als er meer eenheid en afstemming komt op rijks- en lokaalniveau (o.a. Rijk, landelijke fondsen en gemeente) als het gaat om formats en benodigde informatie voor aanvragen en wijzen van verantwoording (o.a. qua indicatoren en cijfermatige gegevens). Naar aanleiding van de bestudering van de door organisaties ingevulde databestanden voor de landelijke monitoring kan als verbeterpunt nog worden toegevoegd een betere instructie en begeleiding van de lokale partners bij de in te vullen gegevens en ook controle op de volledigheid van 53

de ingevulde gegevens. Zo ontbreken hier en daar antwoorden op vragen en lijken sommige vragen niet helemaal goed begrepen te zijn. Dit laatste geldt overigens ook op een paar punten voor de gemeente zelf. Zo heeft de gemeente in het monitorbestand bijvoorbeeld opgave gedaan van het aantal toegekende fte op basis van het gemeentefonds in plaats van, zoals de bedoeling was, van het aantal met de rijksmiddelen gerealiseerde fte. Hierdoor wordt aan het Rijk geen duidelijke boodschap afgegeven dat het normbedrag van €50.000 waarop de rijkssubsidie van €20.000 gebaseerd is niet toereikend is voor het realiseren van een aantal fte’s met als consequentie dat er in bepaalde gevallen minder fte zijn ingezet dan toegewezen. Ook zitten er enkele onjuistheden in het gemeentelijke bestand. Zo is bij het aantal gerealiseerde fte ook 1 fte opgenomen voor School in de Wijk, terwijl deze niet uit middelen van de Brede Regeling Combinatiefuncties wordt gefinancierd maar door andere middelen. Netwerk van combinatiefunctionarissen Diverse geïnterviewden hebben als verbeterpunt aangegeven het opzetten van een netwerk (van werkgevers) van combinatiefunctionarissen. Volgens één van de geïnterviewden kan het onderlinge contact en de onderlinge afstemming tussen werkgevers van combinatiefunctionarissen verbeterd worden.

Het gaat dan om afstemming over wat er aan activiteiten waar en wanneer gebeurt, waar de programmering verbeterd kan worden en waar meer deelname gestimuleerd kan worden. Daarnaast zijn meerdere geïnterviewden voorstander van een netwerk waar combinatiefunctionarissen met elkaar kennis kunnen maken (combinatiefunctionarissen met een soortgelijke rol en werkzaam in dezelfde wijk kennen elkaar soms niet), kennis uit kunnen wisselen (met name ook tussen buurtsport- en cultuurcoaches) en waar deskundigheidsbevordering plaats kan vinden. Sommigen zien graag dat de gemeente hierbij een organiserende rol vervult. Eén van de geïnterviewden merkt daarbij nog op dat beleidsmedewerkers ook zelf zouden kunnen deelnemen aan de bijeenkomsten. Samenwerking tussen partners Hoewel meerdere geïnterviewden de samenwerking tussen partners benoemd hebben als succesfactor voor de door combinatiefunctionarissen geboekte resultaten (zie paragraaf 7.1) zijn er door diverse geïnterviewden ook verbeterpunten genoemd in de samenwerking. Het gaat dan bijvoorbeeld om een betere afstemming van taken en activiteiten tussen organisaties, op punten betere communicatie en afstemming tussen aanbieders van diensten van combinatiefunctionarissen en afnemers daarvan, en het meer samen optrekken van werkgevers van combinatiefunctionarissen bij het werven van deelnemers voor activiteiten.

Daarnaast heeft één van de geinterviewden aangegeven dat veel stedelijke organisaties ‘om niet’ om raad en advies vragen als het gaat om succesvolle wijkgerichte projecten. Buiten dat dit veel tijd kost, is het volgens deze geïnterviewde ook de vraag of bepaalde stedelijke organisaties wel de juiste organisatie zijn als het gaat om de vormgeving van een wijkgericht aanbod c.q. het wijkgericht stimuleren van participatie. Beter bereik kwetsbare kinderen Een aantal geïnterviewden heeft een beter bereik van kwetsbare kinderen met naschoolse en buitenschoolse activiteiten als verbeterpunt genoemd. Volgens hen dient de inzet van combinatiefunctionarissen zich vooral op kwetsbare kinderen te richten en de scholen waarop zij zitten en dient voorkomen te worden dat naschoolse en buitenschoolse activiteiten vooral kinderen bereiken die de activiteiten minder hard nodig hebben. Daarvoor is het belangrijk dat de gemeente goed in beeld heeft waar in de stad de kwetsbare kinderen op school zitten. Volgens een van de geïnterviewden wordt momenteel in een van de School in de Wijk netwerken nagedacht over hoe deze groep kwetsbare kinderen zo goed mogelijk bereikt kan worden. Een geïnterviewde gaf aan het 54

in praktijk lastig te vinden om met deze materie om te gaan. Als combinatiefunctionaris wil je ook geen kinderen die met enthousiasme deelnemen aan activiteiten naar huis sturen, omdat ze zelf al aan activiteiten op het gebied van sporten en bewegen of kunst en cultuur doen. Kwaliteit en beschikbaarheid van accommodaties en materiaal Meerdere geïnterviewden hebben verbeterpunten genoemd die te maken hebben met de kwaliteit en beschikbaarheid van accommodatie (en materialen). Zo wil Triple Threat bijvoorbeeld graag een eigen, centraal in Schalkwijk gelegen, accommodatie hebben voor haar aanbod aan activiteiten. Nu vinden de activiteiten versnipperd plaats over heel Schalkwijk. De locatie van het clubhuis in het winkelcentrum Schalkwijk is volgens Triple Threat ideaal; een eigen accommodatie die ook zo centraal gelegen is voor activiteiten op het gebied van sport en bewegen en cultuur middenin Schalkwijk zou het plaatje compleet maken. Enkele geïnterviewden van SportSupport hebben aangegeven graag een accommodatie in Haarlem Noord te willen die kan dienen als kantoorruimte en opslagruimte voor materialen en/of een goede oplossing voor het vervoer van materialen van de nieuwe locatie van SportSupport in Schalkwijk naar andere plekken in de stad waar activiteiten worden aangeboden zoals Haarlem Noord.

Daarnaast noemen geïnterviewden verbeterpunten als de kwaliteit van de gymzaal in hun school, de inrichting van gymzalen in scholen (veel gymzalen zijn nog steeds zo ingericht hoe zij 40 jaar geleden ook ingericht werden), de inrichting van een schoolplein, de beschikbaarheid van goed materiaal (voldoende materialen en ballen, geen lekke ballen), en het achter de hand hebben van alternatieve binnenaccommodaties als buitenactiviteiten vanwege slecht weer niet door kunnen gaan. Een van de geïnterviewden benadrukt in dit verband dat de continuïteit van activiteiten erg belangrijk is om de doelgroep te binden en te behouden. Overig Tot slot is door geïnterviewden nog een aantal andere verbeterpunten genoemd.  De kwaliteit en continuïteit van bepaalde activiteiten op het gebied van sport en bewegen.

Enkele geïnterviewden hebben als verbeterpunt genoemd: minder verloop onder buurtsportcoaches (richting kinderen en ouders is continuïteit belangrijk als het gaat om docenten en begeleiders), het bieden van meer continuïteit in activiteiten van buurtsportcoaches door het zorgen voor goede vervanging bij ziekte of afwezigheid met ook aandacht voor het tijdig aanwezig zijn van de begeleiders, en het verbeteren van het activiteitenaanbod op pleintjes, trapveldjes en tijdens de tussen- en buitenschoolse opvang met een focus op het aanbieden van activiteiten (in plaats van een accent op een pleinwachtfunctie).  De bereidheid bij sportverenigingen om medewerking te verlenen bij het organiseren van clinics. Eén van de geïnterviewden merkt op dat er mogelijk meer doorstroming kan zijn naar verenigingen c.q. meer aanwas van nieuwe leden als verenigingen meer clinics geven op scholen en bij evenementen van SportSupport. Clinics bieden volgens deze geïnterviewde goede mogelijkheden om kinderen en jongeren te enthousiasmeren om lid te worden van een vereniging. Tegelijk constateert deze geïnterviewde dat er bij veel verenigingen momenteel weinig animo is om dit soort clinics te organiseren. Vrijwilligers hebben hiervoor minder tijd en bereidheid (naast werk en andere verplichtingen) dan vroeger toen dat vaker vrijwillig gebeurde vanuit verenigingen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12276103/1