2 Bijlage VTH Evaluatieprogramma 2025 en Uitvoeringsprogramma 2026
Tekst van het document
28
In 2025 zijn er in totaal 21 handhavingstrajecten strijdige splitsing geweest. Dit is een significante toename ten opzichte van zowel 2024 als 2023. Deze stijging heeft een aantal mogelijke oorzaken. Zo is er meer capaciteit beschikbaar op de verschillende thema’s binnen huisvesting door de uitbreiding van team huisvesting, waardoor er ook meer aandacht is voor strijdige splitsingen. Daarnaast zijn er ook nieuwe regels rondom verhuur, waardoor sommige partijen (burgers, ondernemers, etc.) in de stad ervoor kiezen om hun huurwoning te koop aan te bieden. Tijdens de verkoop komen er ook aanvullende gevallen van strijdige splitsing aan het licht. Particuliere vakantieverhuur Grafiek 17. Handhaving particuliere vakantieverhuur
In totaal zijn er in 2025 51 handhavingstrajecten particuliere vakantieverhuur afgerond. Dit is een significante stijging ten opzichte van zowel 2024 als 2023. Het aantal handhavingstrajecten dat nog loopt is enigszins afgenomen, maar niet significant. Het aantal handhavingstrajecten dat in orde was na waarschuwing is significant toegenomen in 2025 ten opzichte van 2024 en 2023. De stijging in het aantal handhavingstrajecten particuliere vakantieverhuur komt doordat dit in 2025 een prioriteit was en er een inspecteur actief mee bezig is geweest. 5.1.5
Kinderopvang
Grafiek 18. Kinderopvang inspecties door de GGD
29
In 2025 zijn in totaal 166 inspectie op de kinderopvang uitgevoerd door de GGD. Het totaal aantal controles is afgenomen in 2025 ten opzichte van 2024 en 2023. Er is een kleine toename te zien in het aantal inspecties op nieuwe verblijven gastouderopvang ten opzichte van 2024 en 2023. Daarentegen is het aantal inspecties op bestaande verblijven gastouderopvang verder afgenomen in 2025 ten opzichte van 2024 en 2023. Het aantal inspecties op kinderdagverblijven is ook iets afgenomen. Het aantal controles op gastouderbureaus is toegenomen vergeleken met 2024, maar is nog steeds lager dan 2023. Tot slot is het aantal controles op buitenschoolse opvangen verder afgenomen in 2025 ten opzichte van 2024 en 2023. Het verschil in cijfers hangt samen met de overgang naar een nieuw zaaksysteem en gewijzigde verantwoordingsprocessen bij de GGD. In de cijfers over 2024 en 2025 zijn nog niet alle inspecties van de betreffende jaren verwerkt, omdat een deel daarvan in de laatste maanden van het jaar is uitgevoerd. Met inachtneming van deze context kan worden geconcludeerd dat de cijfers geen significante verschillen laten zien. Specifiek voor de buitenschoolse opvang blijft er vanaf 2024 een sterke daling zichtbaar.
Ook deze afname wordt verklaard door het peilmoment en de jaarplanning van de GGD, waardoor relatief veel inspecties bij buitenschoolse opvanglocaties in de laatste maanden van 2025 plaatsvonden. Deze inspecties zijn niet meegenomen in de tabel hierboven. Grafiek 19. Handhavingstrajecten kinderopvang
30
In 2025 zijn in totaal 34 handhavingstrajecten kinderopvang afgerond. Het totaal aantal afgeronde handhavingstrajecten kinderopvang is afgenomen in 2025 ten opzichte van 2024 en 2023. Het aantal afgeronde handhavingstrajecten bij verblijven gastouderopvang is toegenomen in 2025 ten opzichte van 2024, maar is nog lager dan in 2023. Het aantal handhavingstrajecten bij kinderdagverblijven is afgenomen ten opzichte van 2024 en is nu bijna gelijk aan 2023. Het aantal handhavingstrajecten bij gastouderbureaus is enigszins toegenomen in 2025 ten opzichte van 2024 en is nu gelijk aan het aantal in 2023. Tot slot is het aantal handhavingstrajecten bij buitenschoolse opvang significant afgenomen in 2025 ten opzichte van 2024 en 2023. De afname van het aantal handhavingstrajecten hangt deels samen met gewijzigde verantwoordingsprocessen en de jaarplanning van de GGD. Hierdoor zijn nog niet alle inspectierapporten door de gemeente ontvangen, waardoor sommige handhavingstrajecten mogelijk pas in 2026 worden gestart naar aanleiding van in 2025 uitgevoerde inspecties. Dit speelt vooral bij de buitenschoolse opvang. Daarnaast wordt de trend beïnvloed door maatregelen van de GGD die gericht zijn op betere informatievoorziening aan houders. Zo worden nieuwe wettelijke eisen direct meegenomen in de jaarlijkse inspecties, waarbij de houder actief wordt geïnformeerd over de gewijzigde regelgeving.
Ook is de GGD begonnen met het voeren van houdergesprekken waarin nadere uitleg wordt gegeven over wet- en regelgeving en waarin verwachte ontwikkelingen worden besproken. 5.1.6
Bomen
In 2025 zijn er 129 locaties waarbij aan de herplantplicht van eerder verleende vergunningen is voldaan. Het betreft hier vergunningen die zowel in als reeds voor 2025 zijn verleend. Het aantal is relatief hoog omdat er een in 2025 een toezichthouder is aangenomen die hier (specifiek) aandacht aan heeft kunnen besteden. Hierdoor was het mogelijk om de (administratieve) achterstand in te halen. Met de komst van de nieuwe inspecteur is het sluitstuk georganiseerd op alle vergroeningsambities voor de stad. De inspecteur controleert de kapvergunningen, weigeringen en verplichtingen tot herplantplicht. Daarnaast acteert de inspecteur op individuele meldingen van bewoners. Met de komst van de inspecteur is ook de onderlinge samenwerking met Spaarnelanden beter georganiseerd.
31
5.2 Relevante ontwikkelingen en trends 5.2.1
Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb)
Naast de Omgevingswet is ook de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) op 1 januari 2024 ingegaan. De Wkb zorgt voor een andere rol voor gemeenten in het bouwtoezicht. Het toetsen van bouwplannen en het toezichthouden tijdens bouwprojecten zal in bepaalde gevallen door de markt worden uitgevoerd, door de daarvoor aangestelde kwaliteitsborger. Dit zou er op termijn toe kunnen leiden dat er werkzaamheden bij de gemeente worden weggenomen, al is de verwachting dat hier andere, administratieve taken voor de in plaats zullen komen. Echter blijft de gemeente verantwoordelijk voor omgevingsbeleid en de veiligheid van het bouwwerk en/of risico’s op schade aan de leefomgeving, volksgezondheid en natuur. Vooralsnog is de impact van de Wkb beperkt. Dit heeft als reden dat de Wkb gefaseerd wordt ingevoerd, waarbij vooral de laatste fases (veel) impact kunnen hebben op de gemeente en haar werkzaamheden. Voor meer informatie zie de informatienota Wkb. 5.2.2
Evenementen
Vanuit de VTH-taken wordt toegezien op de zogenoemde C-evenementen en alle evenementen waarop de afdeling bouwwerken ziet die een risico (kunnen) geven. Het is hierbij belangrijk op te merken dat het niet gaat om alle evenementen in Haarlem, maar juist om een selectie van de meest risicovolle evenementen. In 2023 waren binnen het evenementenveld al enkele duidelijke ontwikkelingen zichtbaar. Een daarvan was de toename van het aantal evenementen na de coronaperiode. Deze groei heeft zich in 2024 verder doorgezet. Binnen deze ontwikkeling vraagt het toezicht op evenementen in toenemende mate inzet van de bouwinspecteurs. De werkzaamheden worden complexer, onder meer doordat organisatoren vaak onder tijdsdruk werken en er hoge kwaliteitseisen gelden om de veiligheid van bezoekers te waarborgen. De bouwinspecteurs signaleren regelmatig aandachtspunten in bouwwerken en constructies. Deze constateringen laten zien dat zorgvuldige begeleiding en toetsing belangrijk blijven om risico’s te beheersen en de veiligheid bij evenementen te borgen. In 2025 was er door personeelstekorten niet langer een bouwinspecteur fulltime beschikbaar voor het toezicht op evenementen. Hierdoor is de inzet van bouwinspecteurs binnen de gehele evenementencyclus afgenomen. Dit heeft tot gevolg dat bouwinspecteurs minder aan de voorkant kunnen adviseren.
Tegelijkertijd blijft het waarborgen van veiligheid bij evenementen een belangrijk aandachtspunt. Er wordt daarom nog steeds toezicht gehouden, maar de inzet richt zich op de bouwfase van een evenement. 5.2.3
Monumenten
De toezichttaak met als doel de bescherming van monumenten is tweeledig. Aan de ene kant gaat het om constateren wanneer iemand iets gaat wijzigen, door middel van gebiedsgericht toezicht in met name de binnenstad. Aan de andere kant gaat het om vergunningen waarop de afdeling voor de activiteit monumenten het toezicht doet. In de werkelijkheid blijken de papieren vergunningen en de praktijk vaak van elkaar te verschillen op uitvoeringsdetails. Er worden buiten vaak nieuwe zaken ontdekt die op papier nog niet bekend waren. Het is daarom van belang om zorgvuldig om te gaan met de capaciteit die op dit onderwerp wordt ingezet om op die manier vertragingen te beperken, maar tegelijkertijd ook onomkeerbare schade te voorkomen.
32
5.2.4
Kinderopvang – controles GGD
Gemeenten zijn volgens de Wet Kinderopvang verantwoordelijk voor het toezicht op de handhaving van de kwaliteit van de kinderopvangvoorzieningen. De feitelijke uitvoering van de inspecties ligt bij de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst (GGD) van de Veiligheidsregio Kennemerland (VRK). De GGD houdt dus namens de gemeente toezicht op de kinderopvang. De GGD brengt in dit kader inspectierapporten uit, die in de bestaande landelijke gebruikersen uitvoeringssystemen – het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) en de Gemeenschappelijke Inspectie Ruimte (GIR) – worden geplaatst. Eventuele handhavingsacties, voortvloeiend uit de inspecties, worden door de gemeente uitgevoerd. Een terugblik op het afgelopen jaar laat zien dat het jaar grotendeels volgens verwachting is verlopen. Zoals afgesproken tussen de gemeente en de GGD, zijn er bij alle kindercentra en bij de helft van de gastouders in de gemeente Haarlem onderzoeken uitgevoerd. De gemeente heeft inmiddels adviezen ontvangen van de GGD, of deze staan nog te verwachten. Daarnaast zijn er ook onderzoeken uitgevoerd in verband met de registratie van nieuwe locaties, zowel vooraf als achteraf. In oktober 2025 heeft de Inspectie van het Onderwijs de jaarlijkse risicoanalyse uitgevoerd. Daarbij wordt gekeken naar het jaar ervóór, dus 2024.
Bij deze analyse is nagegaan of er risico’s zijn in de uitvoering van de taken die de gemeente krachtens de Wet Kinderopvang in medebewind heeft gekregen voor het jaar 2024. Hieruit blijkt dat de Inspectie geen aanleiding ziet voor verder onderzoek. Hiermee kan gesteld worden dat de gemeente Haarlem heeft aangetoond in 2024 te hebben voldaan aan de weten regelgeving, waaronder de Wet Kinderopvang. Voor het jaar 2025 zal later (eind 2026) een risicoanalyse door de inspectie worden uitgevoerd nadat de gemeente Haarlem de jaarverantwoording toezicht en handhaving kinderopvang (voor 1 juli 2026) heeft aangeleverd.
Investering in nieuwe wetgeving In 2024 hebben toezichthouders tijd geïnvesteerd tijdens de inspectie in het meenemen van nieuwe regelgeving tijdens de jaarlijkse onderzoeken. Dit gaat voornamelijk om het geven van extra duiding over de nieuwe regelgeving aan de houder. Deze tijdsinvestering lijkt te lonen en de nieuwe regelgeving is binnen een jaar geïmplementeerd. In 2026 zal geëvalueerd worden of deze werkwijze ook heeft geleid tot minder handhaving. Houdergesprekken De GGD is in 2025 gestart met het voeren van houdergesprekken. Deze houdergesprekken geven de toezichthouder de mogelijkheid uitleg te geven over wet- en regelgeving en ontwikkelingen en vanuit de houder is er sprake van meer transparantie en openheid. Uit de ervaringen tot nu toe, blijkt dat beide partijen de gesprekken als positief ervaren. De verwachting is dat de houdergesprekken leiden tot minder tekortkomingen. De GGD zet de houdergesprekken voort in 2026. 5.2.5 Huisvesting en leegstand Op het gebied van huisvesting en leegstand zijn er een aantal relevante (juridische) ontwikkelingen geweest. De Woonvisie Haarlem ‘Samen Doorbouwen aan een Duurzaam (t)huis’ loopt tot en met 31 december 2025. Op dit moment zijn gemeenten nog verplicht om elke vijf jaar een nieuwe woonvisie vast te stellen op basis van de Woningwet. Dit verandert met het wetsvoorstel ‘Versterking regie volkshuisvesting’.
Na inwerkingtreding van de wet, 33
wordt volkshuisvesting een doel onder de Omgevingswet en wordt het volkshuivestingsprogramma een verplicht programma onder de Omgevingswet. Dit heeft waarschijnlijk ook gevolgen voor VTH. 5.2.6 Verharding van de maatschappij Zoals in 2023 en 2024 reeds beschreven, is er in toenemende mate een verharding van de maatschappij te zien. Burgers worden mondiger en uiten hun onvrede en kritiek op het handelen van de gemeente op een meer confronterende wijze. Deze onprettige manier van omgang vanuit de stad creëert bij de medewerkers een gevoel van onveiligheid wat van invloed kan zijn op hun werk en welzijn. De gemeente vindt het welzijn van haar medewerkers belangrijk en draagt er zorg voor dat zij zich veilig voelen om hun werkzaamheden op een gedegen wijze uit te voeren. Met dit in gedachten is het voornemen om in 2026 verder onderzoek te doen naar hoe het beste kan worden omgegaan met de verharding van de maatschappij en de daarbij komende omgangsvormen. 5.3 Speerpunten vorig uitvoeringsprogramma 5.3.1
Langdurige handhavingstrajecten en grote opgaven
Langdurige en grote opgaven waren belangrijk speerpunt in 2024. Het doel was om daar zo effectief en efficiënt mogelijk om te gaan met de beschikbare capaciteit door anders te gaan sanctioneren en de focus te leggen op of er zicht is op legalisatie. In 2025 is deze werkwijze doorgezet en aan het licht gehouden. Geconcludeerd is dat deze werkwijze meer geschikt is voor bepaalde soorten bouwwerken en soorten wijken, dan voor anderen. De gemeente stuurt in het toezicht en handhaving bij waar het kan om zo langdurige handhavingstrajecten te voorkomen. Echter blijft dat het soms onvermijdelijk is om te handhaven en kunnen langdurige handhavingstrajecten niet altijd voorkomen worden. 5.3.2
Nieuwe collega’s brandveiligheid
Omdat de gemeente meer inzet moet plegen op het gebied van brandveiligheid, zijn er in 2025 twee toezichthouders brandveiligheid aangetrokken. Deze toezichthouders zullen zich extra gaan richten op horecabedrijven en het meenemen van kritische objecten in de regels rondom brandveiligheid. 5.3.3
Bestuurlijke boete
De bestuurlijke boete is het afgelopen jaar een aantal keer ingezet. Het inzetten van een bestuurlijke boete is juridisch complex, waardoor de boete nog niet altijd kan worden toegepast. Toch is het doel om de boete meer te gaan benutten als sanctie-instrument op verschillende onderwerpen, waaronder huisvesting en leegstand. De reden hiervoor is dat in de handhaving gemerkt wordt dat de huidige sanctie instrumenten in de markt ontoereikend zijn voor bewuste overtreders. Bestuurlijke boetes vormen in deze gevallen een mooie aanvulling op de herstellende sanctie instrumenten zoals de last onder dwangsom en de last onder bestuursdwang. De bestuurlijke boete is een passende manier om overtreders af te schrikken en overtredingen op een effectieve wijze te voorkomen en aan te pakken. Het afgelopen jaar is onderzoek gedaan naar het toepassen van de bestuurlijke boete binnen verschillende onderwerpen. Het komende jaar zal, aan de hand van de onderzoeksresultaten, worden gekeken waar mogelijkheden liggen om de bestuurlijke boete effectiever in te zetten.
34
5.3.4
Toezicht en handhaving
Per 2026 worden in het zaaksysteem alle contactmomenten van het team Toezicht structureel vastgelegd. Hiermee verbetert de beschikbaarheid en kwaliteit van managementinformatie aanzienlijk, onder andere over het aantal uitgevoerde controles en andere kernactiviteiten. De formatie is recent uitgebreid met 4 fte, maar het blijkt op dit moment uitdagend om geschikte kandidaten te vinden die de openstaande functies kunnen vervullen. Daarnaast zullen enkele ervaren zzp’ers die al langere tijd binnen het team werkzaam zijn, per 1 januari 2026 vertrekken vanwege de aangescherpte Wet DBA. Via detacheringsbureaus zijn tijdelijke vervangers aangetrokken, die naar verwachting voor een kortere periode inzetbaar zullen zijn. Door het huidige tekort aan buiteninspecteurs zijn er minder ogen en oren in de wijk, wat invloed heeft op de zichtbaarheid en signaleringskracht. Het doel blijft om de formatie structureel te versterken door meer vaste medewerkers aan ons te binden, zodat continuïteit, kennisborging en kwaliteit duurzaam kunnen worden geborgd. 5.3.5
Bouwtoezicht
Als gevolg van beperkte beschikbare capaciteit heeft het bouwtoezicht in Haarlem te maken met een aantal aanzienlijke uitdagingen. Door de beperkte capaciteit is de druk op de bouwinspecteurs hoog en zijn zij niet altijd in staat om hun taken naar behoren uit te voeren. Dit is onder andere terug te zien in het niet consequent toepassen van de toezichtmatrix wat ten koste gaat van de systematische beoordeling van bouwactiviteiten. Daarnaast wordt ook de zichtbaarheid van de inspecteurs in de wijk beperkt. Door hoge werkdruk en beperkte capaciteit kunnen inspecteurs niet altijd proactief signaleren wat er speelt in hun eigen wijk, wat het risico op ongecontroleerde (bouw)activiteiten vergroot. Naast gevolgen die terug te zien zijn in de stad, heeft het capaciteitstekort ook gevolgen voor de ontwikkeling van de medewerkers en het opleiden en inwerken van nieuwe medewerkers. Door de hoge werkdruk is het bijhouden van vakkennis en ontwikkelingen in het vakgebied moeilijk te realiseren ondanks dat dit cruciaal is, zeker gezien de opkomst van verschillende grote projecten zoals Rootz en High Five die specifieke bouwkundige expertise vereisen. Daarnaast krijgt ook het inwerken en begeleiden van nieuwe medewerkers (schoolverlaters en junioren) niet altijd de tijd die het verdient wat hun ontwikkeling bemoeilijkt en zo de continuïteit van de kwaliteit van het toezicht in de weg zit.
35
6 Speerpunten VTH-Uitvoeringsprogramma 2025 – Doelen en ambities De afdeling VTH heeft zich in 2025 ook bezig gehouden met het werken aan de doelen die zij voor zichzelf heeft gesteld in het VTH-Beleidsplan 2024-2028. In het beleidsplan zijn een aantal doelen vastgesteld waar de afdeling gedurende vier jaar aan gaat werken, namelijk het verkrijgen van inzicht, het optimaliseren van de processen van de VTH-taken en het ontwikkelen van de organisatie rondom de VTH-taken. 6.1 Uitbreiding en ontwikkeling personeelbestand Een van de doelen van de afdeling voor de periode 2024-2028 is het ontwikkelen van de organisatie. Onderdeel hiervan is het uitbreiden en ontwikkelen van het personeelbestand door onder andere op een duurzame wijze nieuwe collega’s aan te trekken en hen op een gepaste manier in te werken en te verwelkomen op de afdeling en in hun respectievelijke teams. Daarbij wordt rekening gehouden met de wet DBA en wordt de samenwerking met externe partijen (bijvoorbeeld andere gemeenten) meer opgezocht om op die manier gebruik te kunnen maken van elkaars kennis en expertise. De gemeenteraad heeft vanaf 2024 32 fte formatie beschikbaar gesteld om meer capaciteit te creëren op de VTH-taken.
Met deze extra capaciteit verwacht de afdeling de komende vier jaar onder andere te kunnen werken aan het vergaren en verspreiden van kennis op het gebied van cultureel erfgoed en het uitbreiden van strategische denkcapaciteit. Daarnaast verwacht de afdeling door de extra capaciteit de komende vier jaar te kunnen werken aan de in het VTH Beleidsplan 2024-2028 gestelde doelen en zo toe te werken naar de visie op de VTH-taken zoals in het beleidsplan vastgesteld. De afdeling heeft zich het afgelopen jaar bezig gehouden met het verbeteren van het onboardingsprogramma en is gestart met het ontwikkelen van een offboardingsprogramma. Verder heeft de afdeling zich gericht op de werving van nieuwe medewerkers en heeft zij deelgenomen, met andere gemeenten (gemeente Westland en gemeente Utrecht), aan de pilot de Gemeente Meester. In de pilot werd onderzocht hoe meer jonge gemeentejuristen kunnen worden aangetrokken. De kennis uit dit onderzoek kan ook gebruikt worden voor andere relevante doelgroepen. 6.2 Kennis vergroten en delen Naast het werken aan de ontwikkeling van de organisatie door middel van het aantrekken van nieuwe collega’s en het op een gedegen wijze onboarden, heeft de afdeling ook gewerkt aan het ontwikkelen van de organisatie door middel van het delen van kennis en ervaringen en het vergroten van de bestaande kennisvoorraad.
De afdeling heeft geprobeerd het delen van kennis te stimuleren tussen de verschillende teams op de afdeling door ruimte te creëren gedurende de MT-terugkoppeling, regelmatig met elkaar te overleggen en meeloopdagen te organiseren. Daarnaast heeft de afdeling geprobeerd het delen van kennis met andere afdelingen te stimuleren door regelmatige overleggen, deel te nemen in verschillende relevante samenwerkingsprojecten (o.a. Samen Anders, vooroverleggen en de Gemeente Meester) en door collega’s van andere afdelingen mee te laten lopen. Het doel is om deze lijn in 2026 voort te zetten en de inspanningen op dit gebied uit te breiden.
36
6.3 Ontwikkeling van systemen en processen In 2025 heeft de organisatie gewerkt aan het optimaliseren van systemen en processen om toe te werken naar een uniforme werkwijze voor het vastleggen van processen. Hiermee wordt voorkomen dat collega’s werken met verouderde of onjuiste versies van werkbeschrijvingen en wordt een eenduidige werkwijze bevordert waarbij informatie beter toegankelijk is voor iedereen. Daarnaast wordt steeds vaker de stap gemaakt naar een uniforme werkwijze voor het samenwerking tussen teams en het opslaan van documenten. Ontwikkelingen in wet- en regelgeving vragen een constante doorontwikkeling van het vergunningensysteem. In 2025 is capaciteit ingezet om het gebruik van het vergunningensysteem te stabiliseren en optimaliseren, zodat het systeem weer effectief en betrouwbaar ingezet kan worden binnen de organisatie. Dit draagt bij aan een betere procesbeheersing en verhoogt de kwaliteit van de dienstverlening. 6.4 Datagestuurd werken Het belang van ‘data op orde’ wordt onderkend binnen de gemeente en het VTH-domein. Het is belangrijk om de data op orde te hebben (en inzicht te hebben in de data) om op die manier datagestuurd te kunnen werken. In 2025 is een projectopdracht vastgesteld waarin wordt beschreven op welke gestructureerde wijze het thema ‘data op orde’ kan worden opgepakt. In 2026 zal hier een vervolg aan worden gegeven.
Daarnaast zal in 2026 ook een data-analist starten specifiek voor het VTH-taakgebied. De data-analist zal adviseren op welke manier data beter ingezet kan worden.
37
Deel II – Uitvoeringsprogramma 7 Inleiding Het doel van het VTH Uitvoeringsprogramma 2026 is om inzichtelijk te maken welke activiteiten de gemeente Haarlem op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving voor de fysieke leefomgeving in 2026 wil uitvoeren. Het uitvoeringsprogramma is gebaseerd op de missie, visie, strategie en doelen zoals beschreven en vastgesteld in het VTH-Beleidsplan 2024-2028. In het evaluatieprogramma (deel I) werd teruggeblikt op 2025. De acties, verbeterpunten en ontwikkelingen die daarin worden beschreven, zijn meegenomen in het VTH Uitvoeringsprogramma voor 2026. Het uitvoeringsprogramma houdt rekening met deze acties, verbeterpunten en ontwikkelingen en voegt daar, op basis van de in het beleidsplan gestelde ambities, acties en ontwikkelingen aan toe. Het doel is om deze acties en ontwikkelingen in 2026 naast de wettelijke taken uit te gaan voeren. Net zoals het VTH-Beleidsplan, is het VTH Uitvoeringsprogramma tot stand gekomen in samenwerking met collega’s uit verschillende disciplines (zowel binnen als buiten de gemeente Haarlem). De input die zij hebben geleverd is verwerkt in de ontwikkelingen en acties uit dit uitvoeringsprogramma. In het volgende hoofdstuk – hoofdstuk 8 – wordt ingegaan op de speerpunten op het gebied van de VTH-taken, waar de gemeente zich in 2026 op wil richten.
In hoofdstuk 9 wordt vervolgens de samenwerking met de verbonden partijen (zowel binnen als buiten de gemeente) beschreven. Tot slot wordt in hoofdstuk 10 ingegaan op de borging van financiële middelen.
38
8 Speerpunten en ambities voor 2026 In dit hoofdstuk worden de doelen en prioriteiten voor het VTH-taakgebied voor 2026 beschreven. De prioriteiten voor 2026 zijn tweeledig. Aan de ene kant zal aandacht worden besteed aan de aandachtspunten uit de evaluatie van 2025. Aan de andere kant, zal ook worden gewerkt aan aanvullende doelen en taken die bijdragen aan het behalen van de doelen en ambities zoals die zijn beschreven in het VTH-Beleidsplan 2024-2028. 8.1 Wettelijke taken en relevante ontwikkelingen Toezicht en handhaving Data op orde – inzicht in capaciteit en prioriteiten Een belangrijk punt van aandacht voor 2026 is het verder op orde brengen van de data, in het bijzonder op het gebied van Toezicht en Handhaving. Uit het Evaluatie- en Uitvoeringsprogramma 2024-2025 blijkt dat een uniforme en complete vastlegging van toezicht- en handhavingsgegevens nog niet altijd beschikbaar is, waardoor het lastig is om een volledig beeld te vormen van de ingezette en beschikbare capaciteit evenals de resultaten. Ook in het VTH-Beleidsplan 2024-2028 is het verkrijgen van inzicht benoemd als een kernvoorwaarde voor het risico gestuurd werken en het kunnen sluiten van de Big-8 beleidscyclus. In de komende periode zal daarom gericht gewerkt worden aan het systematisch vastleggen, ordenen en analyseren van data.
Door betrouwbare gegevens te verzamelen over werkvoorraden, doorlooptijden, uitgevoerd toezicht en handhavingsacties ontstaat een feitelijk beeld van de totale inzet en de benodigde capaciteit. Op basis hiervan kunnen trends worden herkend en opgaven tijdig worden gesignaleerd. Daarnaast wordt het hiermee mogelijk om transparante keuzes te maken en tijdig bij te sturen wanneer ambities of nieuwe opgaven de beschikbare capaciteit overstijgen. Verder maken de verkregen inzichten het mogelijk om helder te communiceren richting bestuur evenals interne- en externe partners over wat binnen de beschikbare middelen kan worden uitgevoerd. Samenwerking met andere afdelingen binnen de organisatie Net als in 2025, ligt voor 2026 de focus op het versterken van de interne samenwerking binnen de gemeente, waaronder op het gebied van Toezicht en Handhaving. De samenwerking binnen de gemeente is essentieel om effectief in te spelen op de complexiteit van de VTHtaken en de maatschappelijke vraagstukken waar de gemeente Haarlem mee te maken krijgt. Het VTH Beleidsplan benadrukt dat een integrale aanpak van cruciaal belang is voor een efficiënte uitvoering van de VTH-taken. Bij het uitvoeren van de VTH-taken is de ambitie om actief integraal samen op te trekken met de verschillende afdelingen.
Door elkaars kennis en expertise te benutten, kan de uitvoering van toezicht en handhaving verder geoptimaliseerd worden. De nauwere samenwerking draagt daarbij niet alleen bij aan de operationele effectiviteit van de organisatie, maar helpt ook bij het creëren van een geïntegreerde aanpak van gemeentelijke opgaven waardoor de organisatie sneller in kan spelen op nieuwe uitdagingen en complexe vraagstukken. Samenwerking met externe organisaties – o.a. VRK In 2026 zal de gemeente de samenwerking met externe organisaties, waaronder de VRK, op het gebied van toezicht en handhaving verder versterken. De afgelopen periode is het belang van duidelijke werkafspraken en een heldere taakafbakening tussen de verschillende partijen gebleken. Vooral op gebieden zoals brandveiligheid, waar zowel de gemeente als de VRK 39
verantwoordelijkheid dragen, is dit van groot belang. Er moeten daarom duidelijke afspraken worden gemaakt en verwachtingen worden geschetst om zo efficiënt en effectief samen te kunnen werken. De gemeente streeft ernaar om, net als bij de interne samenwerking, gezamenlijk op te trekken, waarbij de partijen elkaar aanvullen op basis van hun kennis en expertise. Door regelmatige afstemming en duidelijke werkafspraken wordt niet alleen de taakverdeling duidelijker, maar wordt ook hier gewerkt aan een meer coherente en integrale benadering van veiligheid en handhaving binnen de stad. Brandveiligheid robuust organiseren In 2025 zijn er twee inspecteurs Brandveiligheid in dienst getreden. Zij hebben veel werk verzet om de achterstanden van de afgelopen jaren op het gebied van de brandveiligheidstaken in te halen. Dit heeft ook bijgedragen aan het verbeteren van de onderlinge samenwerking met de VRK. Het VTH-Beleidsplan onderstreept het belang van een goed georganiseerde en toekomstbestendige aanpak op het gebied van brandveiligheid ook gezien de toenemende complexiteit van de opgaven. Het is essentieel dat de werkprocessen verder geoptimaliseerd worden en inzicht wordt verkregen in de verhouding tussen beschikbare capaciteit en werkvoorraad.
Op die manier kan de gemeente zo efficiënt en effectief mogelijk te werk gaan en kan er tijdig bij worden gestuurd en de capaciteit worden uitgebreid indien nodig. Vergunningverlening Vooroverleg In de komende periode wordt een stap gezet met het verder uitbreiden en professionaliseren van het vooroverleg. Zoals beschreven in het vorige Evaluatie- en Uitvoeringsprogramma is het afgelopen jaar gewerkt aan het inrichten van het proces voor informatieverzoeken en is gestart met een eerste pilot voor het behandelen van conceptaanvragen. Deze pilot vormt een solide basis voor de verdere ontwikkeling en uitbreiding van het vooroverleg. Het herinvoeren van het vooroverleg is een belangrijke stap. Vroegtijdige afstemming, in goede samenwerking met zowel interne als externe partners, is een essentieel instrument binnen de Omgevingswet, omdat hiermee aan de voorkant duidelijkheid wordt geboden aan initiatiefnemers en de kwaliteit van aanvragen wordt verhoogd. Een goed ingericht vooroverleg draagt bij aan snellere doorlooptijden, minder herstelverzoeken en betere integraliteit in de beoordeling. Samenwerking binnen de organisatie In 2026 wordt gewerkt aan een intensievere samenwerking met andere afdelingen binnen de gemeente, specifiek op het gebied van vergunningverlening.
Door tijdig aan te sluiten bij de beleidscyclus, kunnen proactief de mogelijkheden en beperkingen van beleid in de uitvoering worden gesignaleerd en kan worden meegedacht over praktische oplossingen. Door vroegtijdig in gesprek te gaan, kunnen eventuele knelpunten sneller worden geïdentificeerd en wordt bijgedragen aan effectievere uitvoering van beleid. Daarnaast maakt intensievere samenwerking het mogelijk om de kennis en expertise van de verschillende afdelingen beter te benutten. Door van elkaar te leren en elkaar aan te vullen, kan de kwaliteit van vergunningen, adviezen en aanvragen worden verbeterd. Samenwerking met externe organisaties – o.a. AOK
40
Naast de samenwerking binnen de organisatie verder te verbeteren is het doel om de samenwerking met externe partners (waaronder de AOK) verder te versterken op het gebied van vergunningverlening. Een belangrijke focus ligt op het duidelijk afbakenen van taken en verantwoordelijkheden, zodat het voor de verschillende partijen duidelijk is wat zij van elkaar kunnen verwachten. Het duidelijk definiëren van taken en rollen draagt bij aan efficiëntere en effectievere samenwerking. Door de taakafbakening scherp te stellen, wordt het mogelijk om de advisering binnen en buiten de organisatie beter op elkaar af te stemmen. Hierdoor kan sneller en gerichter gereageerd worden op vergunningsaanvragen, wat het vergunningverleningsproces soepeler laat verlopen. Het komt ten goede van de samenwerking wat bijdraagt aan het proces en de kwaliteit van de besluitvorming. Samenwerking binnen de afdeling tussen verschillende teams Het verder versterken van de samenwerking tussen de teams die betrokken zijn bij de VTHtaken vormt een belangrijk aandachtspunt voor 2026. Door de samenwerking tussen de teams te versterken, wordt gezorgd voor betere afstemming tussen de verschillende onderdelen van het proces rondom de VTH-taken. Dit biedt de kans om de interne werkprocessen en systemen verder te optimaliseren.
Een nauwere samenwerking tussen de teams vergroot daarnaast ook de kennisdeling en maakt het mogelijk om beter in te spelen op de verschillende behoeften. Dit draagt bij aan een meer geïntegreerde werkwijze waarin de betrokkenen sneller kunnen schakelen en informatie effectiever kunnen delen. Verder kan de werkdruk beter worden verdeeld door op de juiste momenten te kunnen ondersteunen. Door deze verdere optimaliseringen wordt niet alleen de kwaliteit van de vergunningverlening verhoogd, maar kan ook beter worden ingespeeld op de veranderende omstandigheden en nieuwe uitdagingen. Stroomlijnen overlegvormen Binnen de organisatie wordt er veel overlegd en is er een complex regellandschap. Er is behoefte aan meer inzicht in de bestaande overlegstructuren, hun doel, de betrokkenen en hun effectiviteit. In 2026 is het dan ook de ambitie om de verschillende overlegvormen inzichtelijk te maken en te stroomlijnen. Dit betekent dat zal worden onderzocht welke overleggen noodzakelijk zijn, hoe zij het beste kunnen worden ingericht en of en in welke vorm zij moeten voortbestaan. Dit proces helpt door de samenwerking verder te structureren. Vergaderingen worden doelgerichter, waardoor er meer tijd komt voor andere werkzaamheden. Dit maakt het mogelijk om sneller beslissingen te nemen, de ervaren werkdruk te verlagen en de interne afstemming te verbeteren.
Motie kleine initiatieven De motie ‘Aan de slag voor kleine initiatieven’ erkent dat initiatiefnemers regelmatig knelpunten ervaren in de processen rondom vergunningverlening als gevolg van het complexe regellandschap in de gemeente Haarlem. Initiatiefnemers geven aan dat zij ontmoedigd worden door de doorlooptijden, de grote hoeveelheid complexe regels en het ontbreken van een duidelijk aanspreekpunt bij vergunningsprocedures. De ambitie is daarom om meer duidelijkheid te scheppen voor de initiatiefnemers en hen (nog) beter van dienst te zijn. De organisatie doet dit door te werken aan het stroomlijnen van de vergunningsprocedures met oog voor duidelijkheid, toegankelijkheid en doorlooptijden. Daarnaast zet zij ook in op het 41
ontwikkelen van duidelijkere informatievoorziening en een heldere aanvraagroute. Tot slot is ook, zoals eerder beschreven, het vooroverleg geherintroduceerd en wordt dit verder ontwikkeld waardoor initiatiefnemers in een vroeg stadium inzicht krijgen in de (on)mogelijkheden van hun plan en met hun vragen terecht kunnen bij een duidelijk aanspreekpunt. Zoals eerder beschreven zijn de eerste ervaringen met zowel het informatieverzoek als het vooroverleg positief. In 2026 zal deze lijn daarom verder worden voortgezet. Impact APV en Omgevingswet De invoering van en veranderingen in de APV en de Omgevingswet hebben gevolgen voor het uitvoeren van de VTH-taken. Het afgelopen jaar is gewerkt aan de implementatie van de nieuwe wet- en regelgeving en het integreren daarvan in de vergunnings- en handhavingsprocessen. De bestaande werkmethoden worden aangepast en geoptimaliseerd, de medewerkers ontwikkelen hun kennis en expertise en de interne processen worden verder afgestemd. In 2026 zal de afdeling verder werken aan het optimaliseren van de processen en het doorvoeren van relevante veranderingen (zoals het aanpassen van werkinstructies, brieven en sjablonen). Tot slot zal verder worden gewerkt aan het versterken van de kennis van de nieuwe wet- en regelgeving. Parkeren Op 28 mei 2025 heeft de gemeenteraad ingestemd met een nieuw beleid omtrent parkeren.
Het doel van het nieuwe beleid is om de parkeerdruk in de stad te verlagen. In het nieuwe beleid is opgenomen dat wanneer in een wijk de parkeerdruk hoger is dan 95%, het college van B&W betaald parkeren in kan voeren. Dit leidt ertoe dat in de komende vijf jaren, er in zeven wijken betaald parkeren wordt ingevoerd. Voor 2026 betekent dit dat er in de wijk Ter Kleefkwartier parkeervergunningen ingevoerd gaan worden. Dit houdt in dat er in 2026 extra parkeervergunningen aangevraagd zullen gaan worden, inclusief nieuwe maatregelen, zoals een vergunningenplafond. Met de betrokken afdelingen wordt overleg gevoerd over de implementatie van het nieuwe beleid en de mogelijke risico’s die daarbij komen kijken. Een aandachtspunt is de verwerking van het beleid in het parkeervergunningensysteem. Dit kan leiden tot extra handmatige werkzaamheden, wat het werk foutgevoeliger maakt. Daarnaast zal het nieuwe beleid zorgen voor een toename van het aantal aanvragen, wat mogelijk leidt tot meer bezwaren. Deze punten worden meegenomen in de voorbereiding. 8.2 Doelen en ambities Wijzigingen beleid De gemeente wil proactief inspelen op de dynamische veranderingen in wet- en regelgeving op verschillende gebieden om tijdig aanpassingen door te voeren in haar processen en werkwijzen evenals om relevante input te kunnen leveren op beleid.
Dit vraagt om een flexibele en wendbare houding, waarbij de organisatie in staat is om snel te reageren op nieuwe beleidsontwikkelingen, maatschappelijke trends en juridische wijzigingen. In 2026 zal worden gekeken hoe hier verder vorm aan gegeven kan worden.
Inzet AI Kunstmatige intelligentie (AI) is een snelgroeiende technologie die steeds meer toepassing kent in de samenleving en die zich steeds verder ontwikkelt. De organisatie volgt deze 42
ontwikkelingen actief en beoordeelt regelmatig de mogelijkheden en risico’s. In 2026 wil de organisatie de ontwikkelingen actief blijven volgen en verkennen. AI biedt kansen om processen te versnellen, efficiëntie te verhogen en dienstverlening te verbeteren. Tegelijkertijd zijn er ook bepaalde risico’s die AI met zich meebrengt, bijvoorbeeld op het gebied van ethische vraagstukken, privacy, transparantie en betrouwbaarheid. Het is daarom van belang om de inzet van AI zorgvuldig af te wegen zodat de organisatiewaarden en dienstverleningsuitgangspunten van de gemeente gewaarborgd blijven. In 2026 zal daarom worden gekeken of en hoe AI verantwoord en effectief kan worden geïntegreerd, zonder concessies te doen aan de kwaliteit van de dienstverlening of het vertrouwen van inwoners en bedrijven. Werving en selectie Een van de doelen voor de periode 2024-2028 is het ontwikkelen van de organisatie. Onderdeel hiervan is het uitbreiden en ontwikkelen van het personeelbestand door onder andere op een duurzame wijze nieuwe collega’s aan te trekken en hen op een gepaste manier in te werken en te verwelkomen op de afdeling en in hun respectievelijke teams. Om het personeelsbestand op orde te krijgen, wordt in 2026 opnieuw ingezet op de werving van nieuwe medewerkers. Dit vereist aandacht, omdat het gezien de krapte op de arbeidsmarkt een uitdaging is om nieuwe collega’s aan te trekken.
Met dit in gedachten is de hulp ingeschakeld van verschillende bureaus om te ondersteunen bij de werving van geschikte collega’s. Leges en tijdschrijven In 2026 is het doel om een totaalbeeld te creëren van het totstandkomingsproces van de leges. De bedoeling is om daarbij de landelijke en lokale ontwikkelingen in beeld te brengen en inzicht te krijgen in hoe deze ontwikkelingen het volume van leges kunnen beïnvloeden. De gemeente wil daarbij ook gebruik maken van de kennis en ervaringen van andere, vergelijkbare gemeenten. Door meer inzicht te krijgen in het proces rondom de leges, wordt het mogelijk om op een meer proactieve wijze de hoogte van de leges, zowel volume als tarieven, te bepalen en ervoor te zorgen dat de hoogte van de geraamde legesinkomsten in de begroting overeenkomt met de uitkomst(en) van het rekenmodel of - modellen die worden gebruikt. Naast het verkrijgen van inzicht in de leges, wordt in 2026 ook ingezet op tijdschrijven om te toetsen of de werkelijke ureninzet overeenkomt met de normering voor ureninzet bij de verwerking van vergunningsaanvraag. Door tijd te schrijven, wordt inzichtelijk gemaakt in hoeverre aan de normen wordt voldaan, de eventuele afwijkingen worden geanalyseerd. Waar nodig en mogelijk wordt bijgestuurd of toegelicht waarom afwijken van de norm toegestaan is.
Op die manier kan ook beter geanticipeerd worden op ontwikkelingen en veranderingen binnen de organisatie en de samenleving. Datagestuurd werken In 2026 gaat de afdeling daarnaast verder met datagestuurd werken. In 2024 en 2025 zijn al stappen gemaakt op dit gebied, zo is er een koppeling gemaakt tussen de zaaksystemen (PowerBrowser en Qlicksense), is er een data-analist aangetrokken en is er een onderzoek gestart naar datagestuurd werken. In 2026 is het doel om het onderzoek voort te zetten en met de resultaten aan de slag te gaan met ondersteuning van onder andere de data-analist.
Leren en ontwikkelen – leerlijnen 43
In 2025 bleek (o.a. uit de teamcanvassessies) dat er een duidelijke behoefte is aan het (verder) ontwikkelen van kennis en vaardigheden. Om te voorzien in deze behoefte zal in 2026 worden gewerkt aan het in kaart brengen van de behoefte en het ontwikkelen van bijpassende leerlijnen, zoals bijvoorbeeld over het schrijven van heldere adviezen, het geven en ontvangen van feedback evenals de verschillende ontwikkelingen op het gebied van wet- en regelgeving. Kennis vergroten en delen Naast het werken aan de ontwikkeling van de organisatie door het aantrekken van nieuwe collega’s, wordt ook gewerkt aan het ontwikkelen van de organisatie door middel van het delen van kennis en ervaringen evenals het vergroten van de bestaande kennisvoorraad. Het delen van kennis tussen de verschillende afdelingen wordt gestimuleerd door onder andere masterclasses, werksessies en meeloopdagen te organiseren. Ook wordt er gezocht naar een verbinding met het sociaal domein. Het doel is om het aanbod van masterclasses, werksessies en meeloopdagen uit te breiden in 2026 door sessies te organiseren met andere afdelingen uit verschillende domeinen en door meer meeloopdagen te organiseren (o.a. met de MTleden).
44
9 Samenwerking met verbonden partijen Voor de verbonden partijen (ODIJ en VRK) die taken uitvoeren binnen het VTH-werkveld geldt dat hierover jaarlijks apart aan de gemeenteraad stukken worden voorgelegd en hierover wordt gerapporteerd (o.a. de begroting, jaarrekening, etc.). In dit hoofdstuk wordt dan ook alleen de algemene voortgang benoemd. Voor het overige wordt verwezen naar de stukken van de Omgevingsdienst IJmond (ODIJ) en de Veiligheidsregio Kennemerland (VRK). 9.1 De Omgevingsdienst IJmond (ODIJ) 9.1.1 Taken De ODIJ voert voor de gemeente Haarlem het basispakket milieu uit (wettelijk verplicht ondergebracht bij een omgevingsdienst). Verder verzorgt de ODIJ het inrichting-gebonden milieutakenpakket voor Haarlem en voert dit uit. Ten slotte heeft de ODIJ (als plustaak) het signaaltoezicht op brandveiligheid. Daarnaast voor de ODIJ de algemene advisering voor Haarlem uit met betrekking tot Schipholtaken. 9.1.2 Uitvoeringsprogramma 2026 Het Algemeen Bestuur van ODIJ heeft op 17 december 2025 ingestemd met het Uitvoeringsprogramma 2027 (UVP). In het UVP beschrijft ODIJ welke taken, projecten en programma’s voor 14 gemeenten en de provincie in 2026 worden uitgevoerd op het gebied van milieu en bouw. Meer dan in de voorgaande jaren wordt het UVP het centrale sturingsdocument voor de uitvoering van de taken.
De voortgang van de uitvoering van de taken wordt tweemaal per jaar via een bestuursrapportage verantwoord. Met een versterkte tussentijdse monitoring wordt met het UVP 2026 toegewerkt naar 1 januari 2027; de datum waarop de aangepaste GR inwerking treedt en er sprake is van een nieuwe financieringsstructuur waarbinnen de balans tussen de opdracht en de verleende middelen hersteld moet zijn. In het UVP wordt ook aandacht besteed aan de landelijke kwaliteitscriteria voor omgevingsdiensten die per 1 april 2026 van kracht worden. 9.1.3 Interbestuurlijk programma Op 1 april 2026 moet elke omgevingsdienst voldoen aan de landelijke kwaliteit- en robuustheidcriteria. De ODIJ stelde een aanpak op om daaraan te kunnen gaan voldoen en rapporteert actief richting het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het bestuur over de voortgang. Voor 2026 zullen zij de noodzakelijke stappen zetten voor de ‘Business Intelligence’ strategie en voor het uitbreiden van de capaciteit voor data-analyse. Dit zijn twee belangrijke criteria waar de ODIJ gedeeltelijk voldoet aan de gestelde eisen vanuit het Rijk. De overige punten maken onderdeel uit van de herijking van de financieringsstructuur en de actualisatie van het takenpakket. In de loop van het jaar zal duidelijk worden of daarmee aan de overige criteria kan worden voldaan.
Dit onderwerp blijft ook in 2026 input en capaciteit vragen van de afdeling VTH als opdrachtgever van de ODIJ. 9.2 De Veiligheidsregio Kennemerland De VRK werkt voor negen gemeenten, waaronder de gemeente Haarlem. De organisatie van de veiligheidsregio bestaat uit de Gemeentelijke Gezondheidsdienst, de Regionale Brandweer, Crisisbeheersing Kennemerland, de Landelijke Meldkamer Samenwerking NoordHolland, het Zorg- en Veiligheidshuis, Veilig Thuis en andere ondersteunende afdelingen.
45
Om de veiligheid in de regio te bewaren en te vergroten, evenals om goed voorbereid te zijn op rampen en crises, werkt de gemeente Haarlem nauw samen met de VRK. De afdeling VTH en de VRK werken samen op de gebieden van crisisbeheersing, rampenbestrijding, brandweerzorg, geneeskundige hulpverlening bij rampen en handhaving van openbare orde en veiligheid. De GGD en de Brandweer, beide onderdeel van de VRK, voeren een aantal belangrijke taken uit op het gebied van brandveiligheid en kinderopvang. Hiervoor maakt de gemeente jaarlijks werkafspraken met beide. Bij de uitvoering van de Omgevingswet adviseert de VRK integraal over de thema’s (fysiek) veilige en gezonde leefomgeving. Deels gebeurt dat als verplichte adviseur en deels als deskundige partner. Denk hierbij aan bij aanvragen voor de (omgevings)vergunning, omgevingstafels, buitenplanse activiteiten, omgevingsplan en omgevingsvisie. De samenwerking met de VRK bij de uitvoering van de Omgevingswet is nog niet structureel. 9.2.1 De Veiligheidsregio Kennemerland, Brandweer Taken VRK, Brandweer De VRK geeft voor de gemeente Haarlem advies over brandveiligheid bij bestemmingsplannen en voor een deel bij omgevingsvergunningsaanvragen activiteit bouwen, milieutechnische zaken en aanvragen voor evenementen. In het kader van toezicht op de brandveiligheid voert de VRK diverse soorten controles uit.
Dit zijn voornamelijk periodieke controles op de omgevingsvergunningen brandveilig gebruik en gebruiksmeldingen. Daarnaast voert de VRK controles uit op grote evenementen en andere tijdelijke inrichtingen. Jaarplan 2026 Op het moment van schrijven heeft de VRK het jaarplan voor 2026 nog niet met de gemeente gedeeld. De VRK deelt de ontwerpbegroting van het volgende jaar en het jaarverslag van het volgende jaar, jaarlijks in april met de gemeenten. De gemeenten worden dan in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren, waarna de stukken worden besproken in het Dagelijks Bestuur en in juli definitief worden vastgesteld door het Algemeen Bestuur. Verantwoording 2025-2026 Met een tussenrapportage en een jaaroverzicht informeert de Sector Risicobeheersing van de VRK de gemeente Haarlem twee keer per jaar (resp. kort na de eerste helft van het jaar (september) en vervolgens zo spoedig mogelijk na de jaarwisseling (eind januari)) over de bereikte resultaten in het betreffende jaar. Op het moment van schrijven is de afdeling nog in afwachting van de tweede tussenrapportage. 9.2.2 De Veiligheidsregio Kennemerland, GGD De gemeente is verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving op kinderopvang. eventuele handhavingsacties, voortvloeiend uit de inspecties, worden door de gemeente uitgevoerd.
Taken VRK, GGD De inspecties kinderopvang worden uitgevoerd door de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst (GGD). Jaarlijks wordt hierover in samenspraak met de GGD een werkplan opgesteld.
Verantwoording 2025 46
Met het jaarverslag legt het college verantwoording af over het uitgevoerde toezicht en de handhaving op de kwaliteit van de kinderopvang in het kader van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen aan de Inspectie van het Onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs voert jaarlijks een risicoanalyse uit waarbij wordt nagegaan of er risico’s zijn in de uitvoering van de taken die gemeenten krachtens de Wet kinderopvang heeft op het gebied van toezicht en handhaving. De risicoanalyse is uitgevoerd op basis van de aangeleverde verantwoording over de taken in het jaar 2024 en gegevens uit de landelijke systemen die worden gebruikt voor het toezicht en de handhaving op de Wet kinderopvang. Op basis van deze gegevens heeft de inspectie geen aanleiding voor het uitvoeren van een onderzoek. Het resultaat over 2025 wordt in de loop van 2026 bekend en de verantwoording voor 2025 wordt voor 1 juli 2026 vastgesteld door het college van B&W. Jaarplan 2026 Eind 2025 heeft de GGD een korte terugblik gegeven op 2025 en tegelijkertijd een voorstel voor de inspecties 2026 opgesteld. Aan de hand van dit voorstel is de opdracht versterkt voor de inspectie kinderopvang die de GGD in 2026 voor de gemeente Haarlem uitvoert.
47
10. Borging financiële middelen In de begroting 2026-2030 van de gemeente Haarlem worden in programma 6 – Burger, bestuur en veiligheid – de financiële middelen beschikbaar gesteld die nodig zijn om de taken uit te voeren. Specifiek vallen de werkzaamheden onder paragraaf 6.3 – Openbare orde en veiligheid. De uitvoering van de VTH-taken wordt deels gedekt uit de algemene middelen en deels uit de inkomsten op de leges. De inkomsten van de bouwleges staan genoemd in de tabel ‘Opbrengst belastingen en heffingen’ welke te vinden is op pagina 303 van de begroting. Voor 2026 is een bedrag van €13.164.000 geraamd voor de baten leges fysieke leefomgeving. Eventuele afwijkingen worden volgens de bestaande afspraken aan de raad verantwoord en deze kunnen zo nodig bijgesteld worden De bijdragen aan de verbonden partijen staan vermeld in de tabel ‘Gemeenschappelijke regelingen’ op pagina 337 van de begroting. De salariskosten voor het personeel van de afdeling VTH staat in de tabel ‘5.4 Overzicht personeel’ op pagina 386 van de begroting.
48
Deel III – Bijlagen Bijlage 1 – Vergunningverlening, Toezicht & Handhaving 11.1
Wettelijke basis
Het is een wettelijke verplichting (vastgesteld in het Besluit Omgevingsrecht, artikel 13.8) om de uitvoerings- en handhavingsstrategie uit te werken in een uitvoeringsprogramma, waarin wordt aangegeven welke van de werkzaamheden het komende jaar zullen worden verricht. 11.2
Reikwijdte werkzaamheden
Dit document gaat over de activiteiten op het gebied van de fysieke leefomgeving. Dat zijn de VTH-taken die voortvloeien uit wet- en regelgeving op het gebied van milieu, bouwen, ruimtelijke ordening, brandveiligheid, de Alcoholwet, delen van de APV, de Huisvestingsverordening, parkeren en kinderopvang. Niet al deze taken worden door de gemeente zelf uitgevoerd. Het regionale informatie en expertisecentrum (RIEC) is een belangrijke partner bij de inspanningen om fraude en ondermijning te bestrijden die raken aan het werkterrein van VTH. De ODIJ verricht de uitvoerende milieutaken en de VRK verricht een deel van de taken op het gebied van brandveiligheid en kinderopvang. De resultaten van hun werkzaamheden zijn van invloed op de gewenste resultaten in de leefomgeving van de gemeente waar dit uitvoeringsprogramma over gaat, maar ze worden apart aan de raad ter vaststelling of kennisgeving toegezonden. De taken op het gebied van ‘veiligheid en handhaving in de openbare ruimte’ vallen buiten de scope van dit uitvoeringsprogramma. Deze werkzaamheden worden jaarlijks gevat in een apart actieprogramma Integrale Veiligheid en Handhaving van de afdeling Veiligheid en Handhaving (V&H). Dit plan wordt jaarlijks opgesteld en vastgesteld door het college van B&W.
Uiteraard worden de beide programma’s op elkaar afgestemd voor zover er overlap is op onderwerpen (zoals bijvoorbeeld bij het project Lelie, de inspecties woonwagenlocaties, de RIEC-knooppunten en de Waarderpolder). 11.3
Geldende regelgeving als basis voor de uit te voeren taken
De vergunningverlening, het toezicht en de beginselplicht tot handhaving is voor de gemeenten vastgelegd in een aantal wetten en regels. Daarbij moet worden voldaan aan door het Rijk vastgestelde minimale kwaliteitscriteria. De gemeenten hebben de vrijheid om bij de uitvoering van hun taken zelf een prioritering aan te brengen. De wetten en regels waarop het VTH-beleid is gebaseerd zijn onder andere de Omgevingswet (waarin een groot aantal wetten is opgegaan), de Huisvestingswet, de Alcoholwet en de Wet op Kansspelen. 11.4
Algemene uitgangspunten in de werkwijze
Er is sprake van algemene uitgangspunten in de werkwijze van de gemeente bij de uitvoering van VTH-taken. In Haarlem worden bij de uitvoering van de VTH-werkzaamheden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •
Gelijke gevallen worden gelijk behandeld; De eigen verantwoordelijkheid van burgers, bedrijven en instellingen staat voorop; 49
• • • • • • • • • •
11.5
Het toezicht en de handhaving vinden in redelijkheid, dat wil zeggen proportioneel, plaats; Er is een goede informatie-uitwisseling en samenwerking met in- en externe partners; Er wordt in begrijpelijke taal en eenduidig naar de burgers gecommuniceerd; Bij de prioritering van inzet van middelen wordt rekening gehouden met de grootste risico’s – bescherming van de volksgezondheid en de veiligheid staan daarbij voorop; Overtredingen die niet op initiatief van de overtreder zelf worden beëindigd, worden met bestuurlijke middelen aangepakt; Als een bestuursrechtelijke procedure wordt gestart, moet deze ook worden afgemaakt (dit draagt bij aan de bestuurlijke geloofwaardigheid); Vergunningen worden tijdig verleend; Ketenaanpak en integrale aanpak zijn vereist; Het algemeen belang versus privaat belang wordt zorgvuldig afgewogen in ieder proces; De kennis en kunde van de medewerkers zijn op adequaat niveau conform de geldende kwaliteitseisen VTH. Beleidscyclus
Door middel van de zogenoemde ‘Big-8’ beleidscyclus (figuur 1) wordt permanent gemonitord of de juiste dingen worden gedaan en of die dingen goed worden gedaan. Dit gebeurt op zowel de korte als op de lange termijn. Er wordt jaarlijks zicht gehouden op het proces, de voortgang wordt geëvalueerd en de processen worden indien nodig bijgesteld (afgeronde, aangepast of nieuwe processen). Op die manier kan er ook een beeld gevormd worden of de inspanningen van de afdeling daadwerkelijk bijdragen aan het behalen van de gestelde doelen voor toezicht en handhaving. Binnen het continu leren en verbeteren, het toepassen van de ISOsystematiek en de ‘Big-8’ systematiek zal ook in 2026 gewerkt worden aan: • • • • 11.6
De informatievoorziening, met als doel de monitoring, evaluatie en verslaggeving verder te verbeteren. Hierbij is speciale aandacht voor datagestuurd werken; Het oppakken van de analyseresultaten en uit te voeren acties uit het BMC onderzoek; Het oppakken van de analyseresultaten en uit te voeren acties uit het 213a onderzoek naar deregulering; Het verwerken van het onderzoek naar versterken van de VTH-taken in 2023 e.v.. Omgevingswet en Wkb
De Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) zijn per 1 januari 2024 in werking getreden. De daarbij benodigde uitgewerkte werkprocessen zijn in 2023 afgerond. Ten opzichte van de aanvraag om de omgevingsvergunning waarbij de bouwtechnische en de bestemmingsplanaspecten in één en dezelfde vergunningen worden afgehandeld, vindt er in het nieuwe stelsel een knip plaats tussen enerzijds de bouwactiviteit en anderzijds de omgevingsplanactiviteit (zie figuur 2). Op grond van de Wkb verandert het vergunningentraject voor de bouwactiviteiten in de komende jaren stapsgewijs (gefaseerde invoering gevolgklassen 1, 2 en 3).
Figuur 1. Big-8 Beleidscyclus
50
Figuur 2. Knip tussen bouwactiviteiten en omgevingsplanactiviteiten
11.7
Kwaliteitscriteria
Alle hierboven genoemde VTH-werkzaamheden dragen bij aan een duurzame, gezonde, veilige, toegankelijke en historisch waardevolle stad. Om dit te realiseren hanteert de gemeente Haarlem de landelijke VTH-kwaliteitscriteria. Het doel van deze landelijke kwaliteitscriteria is om bij de uitvoering van de VTH-taken een meer gelijkmatige aanpak over het hele land te bereiken, waardoor de uitvoering van die taken in de breedte overal van een kwalitatief verantwoord niveau is. In 2025 zijn de kwaliteitscriteria 2.3 vervangen door de nieuwere versie 3.0. De gemeente Haarlem voldoet grotendeels aan de nieuwe kwaliteitscriteria. Zo zijn er o.a. voldoende bouwinspecteurs, vergunningverleners en juristen, welke voldoen aan de juiste opleidingsvereisten. Echter voldoet de gemeente niet aan alle procescriteria. In de procescriteria van de kwaliteitscriteria wordt op een systematische wijze de samenhang tussen beleid en uitvoering beschreven. Een onderdeel waar de gemeente Haarlem nog niet aan voldoet is bijvoorbeeld dat de organisatie nog niet beschikt over een volwaardig datasysteem 51
om de resultaten te monitoren en inzicht te krijgen in het behalen van de vastgestelde doelen en of de organisatie handelt op grond van een kwaliteitssysteem waarmee taken beheerst kunnen worden uitgevoerd. Maar zoals reeds beschreven in dit programma is een projectopdracht vastgesteld waarin wordt beschreven op welke gestructureerde wijze het thema ‘data op orde’ kan worden opgepakt. In 2026 zal hier een vervolg aan worden gegeven. Daarnaast zal in 2026 ook een data-analist starten specifiek voor het VTH-taakgebied. Met deze maatregelen wordt er gewerkt aan deze procescriteria. Daarbij blijft het doel om te voldoen aan de kwaliteitscriteria het uitgangspunt. 11.8
Kwaliteitszorgsysteem VTH
Het kwaliteitszorgsysteem VTH is voor iedereen zichtbaar, door dat alle relevante informatie op Insite vindbaar is. Het bevat onder andere informatie over de proceseigenaar, de procesverantwoordelijke, wie er intern en extern betrokken zijn bij de verschillende processen en welke landelijke en gemeentelijke wetgeving van toepassing is. Daarnaast zijn de relevante beleidsdocumenten beschikbaar en bevat het de beschrijvingen van werkprocessen en de werkinstructies. Dit is opgezet om uniformiteit aan te brengen in de werkwijze en geleverde kwaliteit door de medewerkers die met één en dezelfde soort taak bezig zijn. Daarnaast wordt regelmatig getoetst of de werkprocessen nog ‘lean’ zijn ingericht. 11.9
Inspelen op actuele vraagstukken
De werkzaamheden in de fysieke leefomgeving zijn nooit voor 100% vooraf te plannen. Het is noodzakelijk om flexibel te kunnen schuiven binnen het programma. Dat betekent dat wanneer zich specifieke zaken voordoen die acuut aandacht behoeven, daarop direct moet kunnen worden geacteerd. Een gevolg hiervan kan zijn dat op dat moment niet alle in dit VTH Uitvoeringsprogramma 2026 opgenomen activiteiten volledig kunnen worden gerealiseerd. In het VTH Evaluatieprogramma 2026 dat begin 2027 verschijnt, wordt hierover uiteraard ook gerapporteerd. 11.10 Handhavingsstrategie 11.10.1
Beginselplicht tot handhaven
Een belangrijk uitgangspunt bij handhaving is dat de gemeente in beginsel over moet gaan tot handhaving bij overtreding van wet- en regelgeving waarvoor de gemeente het bevoegd gezag is. Dit wordt de beginselplicht tot handhaving genoemd. In de jurisprudentie is over deze beginselplicht de volgende standaardoverweging tot stand gekomen: “Gelet op het algemeen belang dat is gediend met de handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts in bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.”. Ondanks de beginselplicht tot handhaving kan in bepaalde gevallen worden besloten om niet tot handhaving over te gaan of dat op een later moment te doen. Dit heeft te maken met het spanningsveld tussen de omvang van de taken op het terrein van toezicht en handhaving enerzijds en de daarvoor beschikbare capaciteit anderzijds. Daarom is het noodzakelijk om keuzes te maken op basis van vastgestelde prioriteiten.