2 Bijlage A Wonen in de metropoolregio 2023 (WiMRA)
Tekst van het document
Van de koopwoningen is 93% duurder dan €296.000 en 81% duurder dan €355.000 De meeste koopwoningen in de MRA hebben dus een WOZ-waarde boven €296.000, deze zijn bereikbaar voor hoge inkomens vanaf €66.053. Van de koopwoningen valt 93% in dit segment. Een derde (34%) valt in de WOZ-klasse tussen €296.000 en €438.000 en een even groot deel valt in de klasse tussen €438.000 en €648.000. Een kwart van alle koopwoningen heeft inmiddels een WOZ-waarde van €648.000 of hoger. In 2021 was dit nog maar 14%.
Woningen bereikbaar voor middeninkomens (tot €66.053) met een WOZ-waarde tussen €188.000 en €296.000 zijn eveneens schaars. Deze middencategorie beslaat 7% van de koopwoningvoorraad, in 2021 was dit nog 25%.
Het Rijk is in de afgelopen periode sterker gaan sturen op betaalbaarheid. De grens voor betaalbare koop heeft het Ministerie voor Binnenlandse Zaken in 2023 vastgesteld op €355.000 (voor 2024 is de grens geïndexeerd en ligt deze op €390.000). Als we deze bovengrens van betaalbare koop hanteren, valt 19% van de koopwoningen in de MRA onder betaalbare koop. Het hier geschetste beeld gaat over de totale koopwoningvoorraad, waarvan het grootste deel niet in de verkoop komt. Voor huishoudens die willen kopen is vooral het beschikbare aanbod relevant. Hoofdstuk 4 gaat daar dieper op in, door te kijken naar de woningen die recent verhuisde huishoudens betrokken hebben.
Figuur 2.6
2017
11
2019
9
2021 3 4
� Woningvoorraad naar WOZ-klassen koopwoningen, MRA, 2021-2023 (%, WOZ-prijspeil 2022) Figuur 2.6B � 10 6 6
8 7
0
25
21 36 34 40
€209.000€237.000
11
22
60
€237.000€296.000
10
16
14
34
20
€188.000€209.000
14
29
15
2023 1 6
tot €188.000
21
€296.000€438.000
25 80
€438.000 €648.000
% 100
€648.000 en meer
bron: WiMRA 2023
27
2.3 Woonsituatie per huishoudenstype Vooral jonge alleenwonenden en stellen huren in het duurste segment Over het algemeen wonen alleenwonenden vaker in een huurwoning en stellen vaker in een koopwoning. Oudere alleenwonenden (55-plus) huren meestal in het sociale segment óf ze hebben een koopwoning. Alleenwonenden onder de 55 jaar huren vaker in de duurdere segmenten, vooral de jongste groep (35 jaar en jonger). Stellen zonder kinderen huren het vaakst in het dure segment (€1123 of meer). Het gaat om 45% van deze groep. Van de oudere stellen heeft het merendeel een koopwoning.
Figuur 2.7
Woningvoorraad naar huishoudtype en leeftijd, 2023
alleenwonend, tot 35 jaar
50
alleenwonend, 35-54 jaar
50
13
19
7
9
alleenwonend, 55-74 jaar
60
5 3 3
alleenwonend, 75 jaar en ouder
58
5 2 2
stel zonder kinderen, tot 35 jaar
9
stel zonder kinderen, 35-54 jaar
11 15
stel zonder kinderen, 55-74 jaar
45 7
22
stel zonder kinderen, 75 jaar en ouder
21 6
eenoudergezin 6
stel met tiener of volwassen kinderen
15
5 4 2
totaal 0
€808€1123
€1123 en meer
11
16 20
15
15 36
43
4 2
17 6
2
33 6 4
14
20
18
44
20
53
36
7
20
40
koop: tot €188.000
13
19
53 17
5
13
12
22 5
stel met jonge kinderen (basisschool)
huur: tot €808
4 2
38
8
15
4
3
5
6
10
3
€188.000€296.000
16 60
28
%
80
100
€296.000€438.000
€438.000 en meer
bron: WiMRA 2023
28
3 Vergelijking inkomensgroepen en woningmarktsegmenten Kernpunten
In de middeldure huurvoorraad (huur €808- €1123) heeft 35% van de huurders een inkomen dat past bij een sociale huurwoning. Dit aandeel is niet veranderd ten opzichte van 2021. In particuliere middeldure huurwoningen is de groep lage inkomen en lage middeninkomens aanzienlijk groter dan bij middeldure huurwoningen van corporaties (58% versus 46%).
Huishoudens met een inkomen tot de sociale huurgrens wonen even vaak in een sociale huurwoning als in 2019. De afname die in 2021 zichtbaar was, lijkt dus van tijdelijke aard geweest. Onder de lage inkomens neemt het aandeel huishoudens met een koopwoning toe. Hier speelt vergrijzing een rol.
Middeninkomens huren steeds vaker in de particuliere vrije sector en hebben minder vaak een koopwoning. De middeninkomens met een koopwoning zijn vaak 55-plus en jongere huishoudens zijn hier ondervertegenwoordigd.
Ook onder hoge inkomens blijft het woningbezit dalen en is het aandeel dat in de particuliere vrije sector huurt toegenomen. Onder de hoge inkomens met een koopwoning zijn verhoudingsgewijs veel huishoudens tussen 35 en 55 jaar.
Balans tussen inkomensverdeling en prijssegmenten woningvoorraad schever gegroeid
De mogelijkheden voor lage inkomens zijn op de woningmarkt verder afgenomen. Van alle huishoudens heeft 40% een laag inkomen (tot €44.035) terwijl nog maar 36% van de woningvoorraad voor deze groep betaalbaar is (2021: 42% versus 38%). Ook middeninkomens (€44.035-€66.053) komen verder in de knel. Het aandeel huishoudens met een middeninkomen is gegroeid van 16% naar 18%, terwijl de middeldure voorraad (koop en huur samen) kromp van 19% naar 10%.
Middeninkomens en hoge inkomens hebben in afnemende mate een eigen woning en huren vaker in de particuliere vrije sector
In de sociale huurvoorraad is het aandeel huishoudens met een laag inkomen toegenomen van 80% in 2019 naar 85% in 2023.
In de vrije sector huurvoorraad (huur> €808) heeft 23% van de huurders een laag inkomen dat past bij een sociale huurwoning. Zij wonen ‘duur scheef’. Dat is een daling ten opzichte van 2021, toen het aandeel 25% bedroeg.
29
3.1 Vergelijking inkomens en woningmarktsegmenten Ruimte voor lage en middeninkomens verder afgenomen Figuur 1.18 geeft de inkomensverdeling weer van de huishoudens in de MRA én de verdeling van de woningvoorraad naar segment. De overeenkomende kleuren geven de segmenten aan die betaalbaar zijn voor de bijbehorende inkomensklassen. Voor de koopsegmenten gaan we hierbij uit van de maximale leencapaciteit van huishoudens met een bepaald inkomen. Wanneer zij geen eigen vermogen kunnen inbrengen is dit het bedrag waarvoor zij een woning zouden kunnen kopen. Duidelijk wordt dat de mismatch tussen de woningvoorraad en wat huishoudens in de MRA kunnen betalen opnieuw groter wordt. Naast lage inkomens neemt ook de ruimte voor middeninkomens verder af.
Figuur 3.1
Tot 2021 was de betaalbare voorraad voor lage inkomens iets groter dan het aandeel lage inkomens. Vanaf 2021 is dit beeld omgedraaid, het aandeel lage inkomens tot €44.035 was toen groter (42%) dan het aandeel van de betaalbare woningvoorraad (38%). Dit is in 2023 nog iets schever gegroeid: 40% heeft een laag inkomen terwijl nog maar 36% van de woningvoorraad voor deze groep betaalbaar is. De mogelijkheden voor lage inkomens op de woningmarkt zijn daarmee zeer beperkt. Daarbij komt dat meerpersoonshuishoudens met een inkomen tot €48.0625 nu ook aanspraak kunnen maken op een sociale huurwoning (zie de onderste balk voor 2023), terwijl dit segment juist is gekrompen.
Inkomensverdeling huishoudens en segmentverdeling woningvoorraad, MRA, 2017-2023 (%)
2017 - inkomen segment
41 45
22
2019 - inkomen segment
42 43
18
2021 - inkomen segment
42 38
16 19
2023 - inkomen* segment
40 36
2023 - inkomen**
inkomen
Ook middeninkomens komen nog meer in de knel. Het aandeel huishoudens met een middeninkomen (€44.035 – €66.053) is gegroeid van 16% naar 18%, terwijl de middeldure voorraad kromp van 19% naar 10%. De ruimte op de woningmarkt is voor hen blijvend krap. Tot 2021 was het aandeel hoge inkomens groter dan de dure woningvoorraad. In 2021 is het beeld omgedraaid en in 2023 loopt dit nog verder uiteen. Door de sterk gestegen woningprijzen is het aandeel hoge inkomens met 42% veel kleiner dan de dure voorraad (54%).
20
inkomens tot en met sociale huurgrens
29 40
24
34 42 43
18
42
10
44 0
37 26
54 13
40
60
middeninkomens (sociale huurgrens €66.053)
42
%
80
100
hogere inkomens (vanaf €66.053)
huur €808-€1.123 – huur vanaf €1.123 – koop €188.000koop vanaf €296.000 €296.000 * Tot 2022 was er één sociale huurgrens voor eenpersoons- en meerpersoonshuishoudens. Hier is bij 2023 als inkomensgrens €44.035 genomen ** Nieuwe indeling sociale huurgrens: eenpersoonshuishoudens €44.035, meerpersoonshuishoudens €48.625 segment
huur tot €808 – koop tot €188.000
bron: WiMRA 2023
30
Figuur 3.2
3.2 Bewoning woningvoorraad Meer huishoudens in de sociale huur met een inkomen tot de sociale huurgrens Tot 2022 was de inkomensgrens om in aanmerking te komen voor sociale huur (de sociale huurgrens) gelijk voor eenpersoons- en meerpersoonshuishoudens. Ook gold dat corporaties 10% van hun woningen mochten verhuren aan huishoudens met een inkomen net boven de sociale huurgrens. Sinds 2022 geldt deze extra doelgroep niet meer. Er is een nieuwe indeling van de sociale huurgrens: de inkomensgrens voor meerpersoonshuishoudens is nu hoger dan die voor eenpersoonshuishoudens**. In 2023 heeft 85% van de bewoners in de sociale huurvoorraad een inkomen tot deze sociale huurgrens. Dat is een toename ten opzichte van 2021, toen ging het om 83%. Stel dat in 2023 nog steeds de oude indeling gold, dan zou het aandeel bewoners in de sociale huur met een inkomen tot de sociale huurgrens zijn afgenomen naar 81%. Vijftien procent van de huishoudens in de sociale huur heeft een inkomen boven de sociale huurgrens.
Bewoning sociale huur, corporatie en particulier, MRA, 2017-2023 (%) totaal 2017
56
22
7 3 6 3 3
2019
53
27
6 2 5 4 4
2021
57
2023- oude indeling sociale huurgrens
53
28
7 23 4 3
2023- nieuwe indeling sociale huurgrens
53
32
5 3 4 3
0
20
26
40
60
32 5 3 4
80
%
100
2| inkomens 3| extra 4| lage 5| 6| hogere 7| hoogste vanaf grens doelgroep middenmidden- inkomens inkomens passend sociale inkomens inkomens (€66.053- (>€88.070) toewijzen huur t/m (sociale (€55.044- €88.070) tot sociale 2022*** huurgrens- €66.053) huurgrens** €55.044) * grens passend toewijzen: eenpersoonshuishoudens €25.475, meerpersoonshuishoudens €34.575 ** sociale huurgrens: eenpersoonshuishoudens €44.035, meerpersoonshuishoudens €48.625 *** t/m 2022 mochten corporaties tot 10% van de woningen toewijzen aan de laagste middeninkomens (2021: sociale huurgrens tot €44.655) 1| inkomens tot grens passend toewijzen*
bron: WiMRA 2023
31
Figuur 3.3
In particuliere sociale huur aandeel inkomens tot sociale huurgrens niet gegroeid Bewoners van sociale huurwoningen van corporaties hebben vaker een inkomen tot de sociale huurgrens dan bewoners in de particuliere sociale huurvoorraad (87% versus 78%). In de particuliere sociale huurvoorraad is het aandeel bewoners met een inkomen tot de sociale huurgrens gelijk gebleven ten opzichte van 2021, terwijl in het de sociale huur van corporaties dit aandeel steeg (van 84% naar 87%).Hier speelt mee dat in de sociale huur van particulieren minder meerpersoonshuishoudens wonen. Daardoor heeft de verhoging van de sociale huurgrens voor meerpersoonshuishoudens hier minder effect op de ontwikkeling van de omvang van de doelgroep voor sociale huur.
Bewoning van sociale huur naar eigendom, MRA, 2017-2023 (%)
corporatie 2017 2019 2021 2023- oude indeling sociale huurgrens 2023- nieuwe indeling sociale huurgrens
58 56 60 56 56
particulier 2017 2019 2021 2023- oude indeling sociale huurgrens 2023- nieuwe indeling sociale huurgrens
21 26 24 27 30
47 43 44 40 40
0
20
25 30 33 35 37
40
60
7 3 6 33 5 2 5 33 32 5 3 3 6 23 4 3 4 3 4 3 7 3 8 4 7 7 3 5 5 7 3 3 5 4 7 9 34 5 4 9 4 5 4 %
80
100
2| inkomens 3| extra 4| lage 5| 6| hogere 7| hoogste vanaf grens doelgroep middenmidden- inkomens inkomens passend sociale inkomens inkomens (€66.053- (>€88.070) toewijzen huur t/m (sociale (€55.044- €88.070) tot sociale 2022*** huurgrens- €66.053) huurgrens** €55.044) * grens passend toewijzen: eenpersoonshuishoudens €25.475, meerpersoonshuishoudens €34.575 ** sociale huurgrens: eenpersoonshuishoudens €44.035, meerpersoonshuishoudens €48.625 *** t/m 2022 mochten corporaties tot 10% van de woningen toewijzen aan de laagste middeninkomens (2021: sociale huurgrens tot €44.655) 1| inkomens tot grens passend toewijzen*
In de sociale huur van corporaties wonen niet alleen meer huishoudens met een inkomen tot de sociale huurgrens dan in de particuliere sociale huurvoorraad, er wonen ook beduidend meer huishouden met een laag inkomen tot de grens voor passend toewijzen (56% versus 40%). Ten opzichte van 2021 is de groep laagste inkomens in beide segmenten echter geslonken.
bron: WiMRA 2023
32
Figuur 3.4
In de vrije sector heeft 23% van de huurders een laag inkomen Vrije sectorwoningen hebben een huur van meer dan €808. In de vrije sector wonen relatief veel huishoudens jonger dan 35 jaar. Het gaat om 46%, terwijl in de MRA in totaal 20% een jong huishouden is. Ook wonen er verhoudingsgewijs veel stellen zonder kinderen (36% versus 26% in de MRA). Ruim de helft (56%) van de huurwoningen in de vrije sector wordt bewoond door hogere inkomens (>€66.035). Het aandeel huishoudens in de vrije sector met een inkomen tot de sociale huurgrens is niet verder toegenomen zoals we in 2021 zagen, maar gedaald. In 2023 woont 23% van de huishoudens in de vrije sector ‘duur scheef’, in 2021 was dat 25%. Het gaat daarbij relatief vaak om alleenwonenden, eenoudergezinnen en 55-plushuishoudens. Twaalf procent van de huurders in de vrije sector heeft een laag middeninkomen.
Inkomensgroepen in vrije sector huur (>€ 808), corporatie en particulier, MRA, 2017-2023 (%) totaal 2017
10
12
8
5
2019
7
15
7
4
12
2021
9
4
12
2023- oude indeling sociale huurgrens
7
12
6
8
17
39
2023- nieuwe indeling sociale huurgrens
7
16
8
17
39
%
80
100
0
17
5 11 12
20
16
40
13 16
36 39
19
35
60
2| inkomens 3| extra 4| lage 5| 6| hogere 7| hoogste vanaf grens doelgroep middenmidden- inkomens inkomens passend sociale inkomens inkomens (€66.053- (>€88.070) toewijzen huur t/m (sociale (€55.044- €88.070) tot sociale 2022*** huurgrens- €66.053) huurgrens** €55.044) * grens passend toewijzen: eenpersoonshuishoudens €25.475, meerpersoonshuishoudens €34.575 ** sociale huurgrens: eenpersoonshuishoudens €44.035, meerpersoonshuishoudens €48.625 *** t/m 2022 mochten corporaties tot 10% van de woningen toewijzen aan de laagste middeninkomens (2021: sociale huurgrens tot €44.655) 1| inkomens tot grens passend toewijzen*
bron: WiMRA 2023
33
Figuur 3.5
In de dure huur heeft 15% een laag inkomen en in de middeldure huur 35% De vrije sector bestaat uit middeldure huurwoningen (€808- €1123) en dure huurwoningen (> €1123). In de middeldure huur heeft 35% van de huishoudens een inkomen dat eigenlijk bij een sociale huurwoning past. Ook in 2021 ging het om 35%. De middeldure huur wordt in toenemende mate bewoond door lage middeninkomens met een inkomen tussen de sociale huurgrens en €55.044. In 2023 gaat het om 18%, in 2021 was dit nog 14%. In de middeldure huur valt 37% van de huishoudens onder de hogere inkomens (>66.053).
Inkomensgroepen in middeldure huur en dure huur, MRA, 2017-2023 (%)
middeldure huur 2017 2019 2021 2023- oude indeling sociale huurgrens 2023- nieuwe indeling sociale huurgrens
13 9 10 10 10
17 23 25 19 25
11 5 20 10 5 15 8 6 14 16 8 9 18 9
dure huur 2017 5 5 5 4 11 12 2019 4 7 5 2 9 15 2021 7 10 3 3 9 19 2023- oude indeling sociale huurgrens 5 8 7 4 6 18 2023- nieuwe indeling sociale huurgrens 5 10 8 6 18
Hoewel ruim de helft van de huishoudens in de middeldure huur onder de hoogste inkomens valt, is dit aandeel wel gedaald in vergelijking met 2017 en 2019. In de dure huur heeft 15% een inkomen dat bij een sociale huurwoning past. In vergelijking met 2021 is dit aandeel wat gedaald en is het aandeel huishoudens met een laag middeninkomen toegenomen (8%).
0
20
40
15 17 18 17 17
20 22 18 20 20
58 59 48 52 52
60
% 80
100
2| inkomens 3| extra 4| lage 5| 6| hogere 7| hoogste vanaf grens doelgroep middenmidden- inkomens inkomens passend sociale inkomens inkomens (€66.053- (>€88.070) toewijzen huur t/m (sociale (€55.044- €88.070) tot sociale 2022*** huurgrens- €66.053) huurgrens** €55.044) * grens passend toewijzen: eenpersoonshuishoudens €25.475, meerpersoonshuishoudens €34.575 ** sociale huurgrens: eenpersoonshuishoudens €44.035, meerpersoonshuishoudens €48.625 *** t/m 2022 mochten corporaties tot 10% van de woningen toewijzen aan de laagste middeninkomens (2021: sociale huurgrens tot €44.655) 1| inkomens tot grens passend toewijzen*
bron: WiMRA 2023
34
Figuur 3.6
Relatief veel lagere inkomens in particuliere middeldure huur In de voorgaande jaren nam in de middeldure huur van corporaties het aandeel huishoudens met een inkomen tot de sociale huurgrens af. In 2023 is dat aandeel toegenomen naar 32%. De toename hangt samen met de nieuwe indeling van de sociale huurgrens waarbij de inkomensgrens voor meerpersoonshuishoudens is verhoogt. In de oude indeling zouden deze huishouden tot de extra doelgroep van sociale huur zijn gerekend. In de middeldure huur van corporaties heeft 26% een middeninkomen. Het aandeel hogere inkomens neemt hier gestaag toe en bedraagt 42% in 2023.
Inkomensgroepen in middeldure huur naar eigendom, MRA, 2017-2023 (%)
corporatie 2017 2019 2021 2023- oude indeling sociale huurgrens 2023- nieuwe indeling sociale huurgrens
9 7 9 9
particulier 2017 2019 2021 2023- oude indeling sociale huurgrens 2023- nieuwe indeling sociale huurgrens
11 9 12 11 11
15
0
17 18 18 14 24 17 25
9
5
9 8 16
21
6
18 19 12 12
7 7 14
12
6 10
29 22 26
17
20
40
5 8
19 13 5 8
21
11 8 8
60
15 19 22 19 19
18 21 18 23 23
14 16 16 15 15
21 23 19 19 19
80
% 100
2| inkomens 3| extra 4| lage 5| 6| hogere 7| hoogste vanaf grens doelgroep middenmidden- inkomens inkomens passend sociale inkomens inkomens (€66.053- (>€88.070) toewijzen huur t/m (sociale (€55.044- €88.070) tot sociale 2022*** huurgrens- €66.053) huurgrens** €55.044) * grens passend toewijzen: eenpersoonshuishoudens €25.475, meerpersoonshuishoudens €34.575 ** sociale huurgrens: eenpersoonshuishoudens €44.035, meerpersoonshuishoudens €48.625 *** t/m 2022 mochten corporaties tot 10% van de woningen toewijzen aan de laagste middeninkomens (2021: sociale huurgrens tot €44.655) 1| inkomens tot grens passend toewijzen*
In de particuliere middeldure huur ligt het aandeel lage inkomens hoger (36%) dan bij corporaties. Er wonen ook meer inkomens die in de laagste inkomensgroep vallen (11%). Het aandeel huishoudens met een middeninkomen is hier gegroeid en is hoger (29%) dan bij corporaties. Het gaat hier veel vaker om lage middeninkomens dan in de middeldure huur van corporaties (21% versus 14%). Kortom, in de particuliere middeldure huur wonen relatief veel lagere inkomens.
bron: WiMRA 2023
35
Figuur 3.7
Hoogste inkomens dominant in voorraad koopwoningen Het merendeel van de huishoudens met een koopwoning heeft een hoger inkomen (>€66.053) en dit aandeel neemt geleidelijk toe. In 2023 gaat het om 61% van de huishoudens, in 2019 om 59%. Iets minder dan de helft (45%) van de huishoudens heeft een hoog inkomen van meer dan €88.070. Na een kleine afname in 2021 is dit aandeel weer hetzelfde als in 2019. Tegelijkertijd groeit de groep huishoudens met een lager inkomen of laag middeninkomen. Bijna kwart (24%) heeft een inkomen tot de sociale huurgrens. Het gaat hier vaak om alleenstaanden en eenoudergezinnen, mogelijk zijn zij na een scheiding achteruitgegaan in inkomen. Daarnaast gaat het vaker om ouderen met een relatief lage hypotheek, zij kunnen na pensionering ook in inkomen zijn teruggevallen. In de koopvoorraad neemt het aandeel huishoudens jonger dan 35 jaar langzaam af, van 15% in 2017 naar13% in 2023. In de totale MRA is in die periode het aandeel jonge huishoudens niet veranderd (20%).
� Inkomensgroepen in koopwoningen, MRA, 2017-2023 (%) Figuur 3.7B � 2017
7
12
6
5
15
2019
7
14
6 4
11 11
18
43
7
16
45
7
16
45
2021
7
14
4 3
2023- oude indeling sociale huurgrens
7
13
8
2023- nieuwe indeling sociale huurgrens
7
17
0
4 8
20
14
41
15
40
45
60
80
% 100
2| inkomens 3| extra 4| lage 5| 6| hogere 7| hoogste vanaf grens doelgroep middenmidden- inkomens inkomens passend sociale inkomens inkomens (€66.053- (>€88.070) toewijzen huur t/m (sociale (€55.044- €88.070) tot sociale 2022*** huurgrens- €66.053) huurgrens** €55.044) * grens passend toewijzen: eenpersoonshuishoudens €25.475, meerpersoonshuishoudens €34.575 ** sociale huurgrens: eenpersoonshuishoudens €44.035, meerpersoonshuishoudens €48.625 *** t/m 2022 mochten corporaties tot 10% van de woningen toewijzen aan de laagste middeninkomens (2021: sociale huurgrens tot €44.655) 1| inkomens tot grens passend toewijzen*
bron: WiMRA 2023
36
3.3 Woonsituatie per inkomensgroep
Middeninkomens huren steeds vaker in de particuliere vrije sector In de MRA heeft 13% van de huishoudens een middeninkomen. Iets meer dan de helft (54%) van de middeninkomens woont in een koopwoning. De afname van het eigenwoningbezit onder deze groep lijkt door te zetten. In 2021 was er sprake van een toename van het woningbezit in deze groep, maar nu ligt het woningbezit onder middeninkomens lager dan in 2019 (55%). Van deze woningbezitters heeft de meerderheid bruto hypotheeklasten die onder de €998 liggen. Onder de middeninkomens met een koopwoning zijn relatief weinig jonge huishoudens en verhoudingsgewijs meer 55-plussers. Middeninkomens wonen steeds vaker in een huurwoning in de vrije sector (26%). Het gaat vaak om een particuliere vrije sector woning. In 2023 gaat het om 21% van de middeninkomens, in 2021 was dit nog 15% en in 2019 ging het om 14%. Het aandeel met een vrije sectorwoning van een corporatie schommelt en ligt in 2023 op 5%. Van de middeninkomens woont 20% in een sociale huurwoning, dat is minder dan in eerdere jaren. Als de indeling van de sociale huurgrens niet was veranderd en er dus geen onderscheid zou zijn naar huishoudenstype, dan zou het aandeel in een sociale huurwoning nauwelijks zijn afgenomen in vergelijking met 2021.
65% van de lage inkomens woont in een sociale huurwoning In de voorgaande paragraaf werd gekeken hoe de verdeling van inkomens in elk woonsegment is. In deze paragraaf is het perspectief omgekeerd: hoe wonen de verschillende inkomensgroepen? In de MRA heeft 44% van de huishoudens een inkomen tot de sociale huurgrens. In 2021 zagen we dat de lage inkomens in afnemende mate in de sociale huur woonden en dat zij vaker in de vrije sector huurden dan voorheen. Deze trend zet niet door. Als we de nieuwe indeling van de sociale huurgrens als uitgangspunt nemen, dan woont net als in 2021, 65% van de inkomens die in aanmerking komen voor sociale huur in een sociale huurwoning. Van de lage inkomens huurt 9% in de vrije sector. Het aandeel lage inkomens met een koopwoning neemt toe naar afgerond 26%. Het grootste deel heeft hypotheeklasten onder de €998. Dat zijn de maandelijkse hypotheeklasten die horen bij het maximale bedrag dat lage inkomens op basis van hun inkomen kunnen lenen in 2023. In 2021 lagen deze lasten lager(€663) lager. In deze groep vallen ook huishoudens met een afbetaalde hypotheek. De toename van woningeigenaren onder de lage inkomens hangt samen met vergrijzing. Het gaat dan om ouderen met een koopwoning die na pensionering terugvallen in inkomen. Figuur 3.8
2017
56
2019
54
2021
53
2023- oude indeling sociale huurgrens
56
2023- nieuwe indeling sociale huurgrens
14
sociale huur, particulier
20
vrije sector huur, corporatie
3 4
14 12
2 2
12
54 0
sociale huur, corporatie
Figuur 3.9
� Woonsegmenten lage inkomens tot de sociale huurgrens, MRA, 2017-2023 (%) Figuur 3.8B �
11 40
vrije sector huur, particulier
6 8
2 2
7
60
18
6
20
4 22
7
bruto hypotheeklasten tot €998
8
17
24 80
1 1 %
�Woonsegmenten middeninkomens (sociale huurgrens tot €66.053), MRA, 2017-2023 (%) Figuur 3.9B � 2017
20
6
6
2019
19
6
6
2021
17
2023- oude indeling sociale huurgrens
17
2023- nieuwe indeling sociale huurgrens
14 0
100
bruto hypotheeklasten van €998 en meer
sociale huur, sociale huur, corporatie particulier
5
7
6 6
5 5
20
vrije sector huur, corporatie
28
10 14
31 32
15
23
36
18 21 40
vrije sector huur, particulier
19 46
7
46
8
60
bruto hypotheeklasten tot €998
80
% 100
bruto hypotheeklasten van €998 en meer
bron: WiMRA 2023
37
Woningbezit onder hoge inkomens verder afgenomen 42% van de huishoudens in de MRA heeft een hoger inkomen (>€66.035). Ook bij de hoge inkomens neemt het woningbezit geleidelijk af. In 2023 is 71% van de hoge inkomens eigenaar-bewoner, in 2021 ging het om 72% en in 2019 om 73%. Van de hoge inkomens heeft een 37% bruto hypotheeklasten die maximaal €998 bedragen en 34% heeft hogere maandelijkse hypotheeklasten. Onder de hoge inkomens met een koopwoning zijn relatief veel huishoudens tussen 35 en 55 jaar. Het gaat vaak om stellen met kinderen en stellen zonder kinderen. Een toenemend aandeel van de hoge inkomens huurt een vrijesectorwoning. van een particulier. Tussen 2019 en 2023 steeg dit aandeel van 17% naar 21%. Huishoudens met een hoog inkomen hebben geen toegang tot sociale huur. Zij wonen dan ook in beperkte mate in een sociale huurwoning: 4% huurt een sociale huurwoning bij een corporatie en 1% huurt bij een particulier. Het gaat hierbij vaak om stellen (met kinderen) die al langer in de woning wonen.
Figuur 3.10
� Woonsegmenten hoge inkomens (>€66.035), MRA, 2017-2023 (%) Figuur 3.10B � 2017
4
2
4
2019
4
2
4
17
2021
4 2 4
18
2023- oude indeling sociale huurgrens
4 1 3
21
4 1 4
21
2023- nieuwe indeling sociale huurgrens 0
sociale huur, corporatie
sociale huur, particulier
12
20
20
vrije sector huur, corporatie
58 23
50
25
47 37
34
37 40
vrije sector huur, particulier
34 60
bruto hypotheeklasten tot €998
80
% 100
bruto hypotheeklasten van €998 en meer
bron: WiMRA 2023
38
4 Woningaanbod en recent verhuisden Kernpunten Particuliere vrije sector huurwoningen zijn het grootste segment onder recent verhuisden, in 2021 waren dat nog koopwoningen
Van alle ongeveer 302.000 huishoudens die in de afgelopen 2,5 jaar verhuisd zijn, betrok 34% een particuliere vrije sector-huurwoning en verhuisde 32% naar een koopwoning. Dit is de eerste meting waarin recent verhuisden vaker in de particuliere vrije sector terecht komen dan in een koopwoning.
Hoewel de particuliere huursector met 14% nog een relatief klein (maar groeiend) deel van de woningvoorraad is, is het in het aanbod waar woningzoekenden op zijn aangewezen een groot en groeiend deel.
Vooral voor jonge stellen (57%) en jonge alleenwonenden (35%) is de particuliere vrije sector het belangrijkste verhuissegment. Ook huishoudens die naar de MRA toe verhuisd zijn, komen vaak in dit segment terecht (vanuit elders in Nederland : 31%; vanuit buitenland: 69%).
39
4.1 Woonsituatie recent verhuisden Jonge stellen verhuizen het vaakst naar een particuliere vrijesectorwoning De particuliere vrije huursector is voor veel typen huishoudens een belangrijk verhuissegment. Onder recent verhuisde jonge alleenwonenden (36%) en jonge stellen zonder kinderen (58%) is dit ook het grootste segment. Over het algemeen verhuizen alleenwonenden en jonge stellen zonder kinderen relatief vaak naar een huurwoning. Afhankelijk van hun inkomen en de beschikbaarheid kunnen zij soms in een corporatiewoning terecht, maar een groot deel is aangewezen op de particuliere (vooral vrije sector) verhuur. Stellen tussen 35 en 75 jaar zonder kinderen en stellen met kinderen verhuizen vaker naar een koopwoning.
Bijna een kwart (24%) van alle huishoudens die in 2023 in de MRA woonden is in de twee jaar daarvoor verhuisd (zie deel 2). Dit is iets meer dan de twee jaar daarvoor (23%). In deze paragraaf kijken we naar de woningen die deze recent verhuisden betrokken. Dit geeft een beeld van het beschikbare woningaanbod. Particuliere vrije sector voor het eerst grootste segment onder recent verhuisden Van alle recent verhuisde huishoudens betrok 34% een particuliere vrije sectorhuurwoning en verhuisde 32% naar een koopwoning. Dit is de eerste meting waarin recent verhuisden vaker in de particuliere vrije sector terecht komen dan in een koopwoning. Verder betrok 1 op de 4 recent verhuisden (23%) een sociale huurwoning van een corporatie, 8% kwam in sociale huur van particulieren terecht en 3% in de vrije sector verhuur van corporaties. Koopwoningen en sociale huurwoningen van corporaties zijn ondervertegenwoordigd in het recent vrijgekomen aanbod, vergeleken met het aandeel in de totale woningvoorraad. Doordat deze woningen minder vaak vrijkomen zijn woningzoekenden vaak aangewezen op aanbod in de particuliere huur. Daar gaat het vooral en in toenemende mate om vrije sector verhuur. Van de huishoudens die recent een koopwoning betrokken betaalde 55% €438.000 of meer voor deze woning. In 2021 ging het nog om 39%.
Figuur 4.1
Figuur 4.2
totaal
24
2021
23
9
2023
23
9
0
sociale huur, corp.
11
4
25
36
4
30
34
3
34
31
20
sociale huur, part.
40
60
vrije sector huur, corp.
80
vrije sector huur, part.
23
alleenwonend, tot 35 jaar alleenwonend, 35-54 jaar alleenwonend, 55-74 jaar alleenwonend, 75 jaar en ouder 6 2 4 8 12 19
sociale huur, corp.
koopwoning
34
22 11 2
3
sociale huur, part.
31 36
31 6 1 7 3
13 28
18 21
22 20
58 15 45
15 15
30
42 21
47 55 4
54 13 13 0
100
3
53 48
eenoudergezin stel met jonge kinderen (basisschool) stel met tiener of volwassen kinderen
%
9
26 29
stel zonder kinderen, tot 35 jaar stel zonder kinderen, 35-54 jaar stel zonder kinderen, 55-74 jaar stel zonder kinderen, 75 jaar en ouder
Huidig woonsegment recent verhuisden in de MRA, 2019-2023 (%)
2019
Huidig woonsegment recent verhuisden in de MRA naar huishoudtype en leeftijd, 2023
22 32
30 19
28 19 20
vrije sector huur, corp.
23 54 %
62 40
60
vrije sector huur, part.
80
100
koopwoning
bron: WiMRA 2023
bron: WiMRA 2023
40
4.2 Verhuisstappen tussen segmenten
Recent verhuisde huishoudens die voor de verhuizing nog thuis woonden, verhuizen vaak naar sociale huur. Dit geldt zowel voor degenen die binnen de MRA verhuizen (50%) als vanuit elders in Nederland (59%). Starters binnen de MRA komen daarbij vaak in de sociale huur van corporaties terecht, terwijl starters van buiten de MRA vaker in de particuliere sociale huur terecht komen. Een kwart van de starters binnen de MRA (24%) betrekt een koopwoning, meer dan de starters van buiten de MRA (17%). Huishoudens die doorstromen vanuit de sociale huur in de MRA blijven relatief vaak in de sociale sector wonen (57%), maar dat aandeel is wel wat gedaald (was 61%) en de groep die doorstroomt naar de vrije sector groeit (van 25% naar 30%). Doorstromers die vanuit de vrije sector komen, verhuizen relatief vaak door in dit segment of maken de overstap naar een koopwoning. Eigenaar-bewoners verhuizen vaak door naar een volgende koopwoning
Verhuisden binnen de MRA verhuizen relatief vaak naar een koopwoning Figuur 1.21 geeft de woonsegmenten weer van recent verhuisden die binnen de MRA verhuisden, vanuit elders in Nederland naar de MRA kwamen of vanuit het buitenland naar de MRA verhuisden. Vergeleken met instromers vanuit elders in Nederland en het buitenland betrekken recent verhuisden binnen de MRA relatief vaak een koopwoning (36% tegenover 27% en 9%). Vooral recent verhuisden uit het buitenland komen vaak in de vrije sector verhuur van particulieren terecht (69%). Recent verhuisden uit de rest van Nederland komen relatief vaak in de sociale huur van particulieren terecht. Het gaat hier vaak om studenten. Als we ook kijken in welk segment recent verhuisde huishoudens voor hun verhuizing woonden (figuur 4.4), wordt duidelijk welke verhuisstappen huishoudens maken.
Figuur 4.4 Huidig woonsegment van recent verhuisden naar vorige woonregio, 2021-2023 (%) MRA 2021 2023
24 24
elders in NL 2021 2023
8 8
21 24
buitenland 2021 2023
11 13
totaal 2021 2023
4 4
26 28
15 3 16 3
38 36 32 31
10 4 7 2 23 23
0
20
29 27
65 69 9 9
4 3
30 34 40
vorige woonregio en -segment
vorige woonregio
Figuur 4.3
10 9 34 31
60
80
Huidig woonsegment van recent verhuisden naar vorige woonregio en segment, 2023 (%)
MRA
sociale huur, particulier
vrije sector huur, corp.
vrije sector huur, part.
39
sociale huur
41
vrije sector huur
6
koopwoning
elders in NL thuiswonend
24
sociale huur
24
koopwoning
9
%
totaal
100
7 21
sociale huur, corporatie
sociale huur, particulier
13 40
4
28
36
35 17
3
3
3
21
17
39
16
48
31
23
66 16
20
huidig woonsegment koopwoning
24 24
76 8
24 0
22 6
14
24
11
3 16
47
8 11
vrije sector huur
11
3 3
totaal
huidig woonsegment sociale huur, corporatie
thuiswonend
3 40
vrije sector huur, corp.
27
31 60
vrije sector huur, part
80
% 100
koopwoning
Bron: WiMRA 2023
Bron: WiMRA 2023
41
5 Woonlasten en betaalbaarheid Bij drie op de tien lage inkomens leidde de hoge energierekening tot problemen
Kernpunten Huurquotes gedaald, maar energiearmoede toegenomen
De huurquote, het deel van het inkomen dat huishoudens uitgeven aan huur, is gedaald van 30% naar 28%. Hierin spelen de gestegen inkomens en de gematigde stijging van huren een rol.
In de particuliere vrije sector ligt de gemiddelde huurquote het hoogst met 34% en in de sociale huur van corporaties het laagst (25%).
Recent verhuisde huishoudens die een koopwoning betrokken, hebben gemiddeld veel hogere hypotheeklasten dan in 2021, de stijging bedraagt 22%, zonder inflatiecorrectie.
Ondanks de sterk gestegen energieprijzen in 2022 is de stijging van de energiequote in de MRA beperkt; gemiddeld gaat 6% van het maandinkomen naar energiekosten. Echter zijn er verschillen tussen huishoudens, zo is er bij 14% van de huishoudens sprake van energiearmoede, dat is vaker dan in 2021 (8%).
Tussen 2021 en 2023 stegen de totale woonlasten (huur/hypotheek, energiekosten, servicekosten, VvE-bijdrage) gemiddeld met 16%. Deze lasten liggen het hoogst onder huurders in de particuliere vrije sector, maar bij recent verhuisde kopers stegen zij het sterkst.
42
Huishoudens in de MRA geven gemiddeld een 6,8 voor de betaalbaarheid van de totale woonlasten. Huurders zijn minder te spreken over de betaalbaarheid en geven gemiddeld een 6,0. In de sociale huur van corporaties en in de particuliere vrije sector zijn bewoners het minst te spreken over de betaalbaarheid (5,9).
Bijna de helft van de huishoudens geeft aan dat de energierekening veel hoger is geworden sinds de prijsstijging in 2022. Bewoners met een zeer energiezuinige woning geven dit veel minder vaak aan (34%).
Voor 15% van de huishoudens leidde de hogere energierekening tot problemen, onder de laagste inkomens gold dat voor 31%.
Veel huishoudens hebben maatregelen genomen om te voorkomen dat de energierekening hoger zou worden. De meest genomen maatregelen zijn het lager zetten van de verwarming en de verwarming minder snel aanzetten, zes op de tien huishoudens pasten deze maatregelen toe.
5.1 Ontwikkeling woonlasten en betaalbaarheid
Gemiddelde huur in particuliere sociale huur ligt nu dichtbij die van corporaties De gemiddelde huren van sociale huurwoningen van particulieren en corporaties liggen dichter bij elkaar dan voorheen. De gemiddelde huren in de particuliere sociale huur lagen eerdere jaren verder onder die van sociale huurwoningen van corporaties. In de particuliere sociale huur stegen de huren tussen 2021 en 2023 dan ook sterker dan tussen 2019 en 2021 (8% versus 6%).
Huurders in de particuliere vrije sector betalen gemiddeld €1420 per maand Huurders betalen gemiddeld €823 aan kale huur per maand. Het gaat om de huur zonder aftrek van eventuele huurtoeslag. Huurders die niet langer dan twee jaar geleden zijn verhuisd, betalen gemiddeld €1085 (figuur 5.2). De gemiddeld huur is ten opzichte van 2021 met 9% gestegen, dat is zonder inflatiecorrectie. De stijging is minder sterk dan tussen 2019 en 2021 toen de gemiddelde huur met 11% toenam. In alle segmenten, met uitzondering van de particuliere sociale huur, stijgen de huren gematigder dan in de periode 2019-2021. In particuliere vrije sector zijn de huren tussen 2019 en 2023 met 20% het sterkst gestegen. In dit segment is de dynamiek hoog en ligt de gemiddelde huur het hoogst met €1420 per maand. Hier betalen huishoudens die recent zijn verhuisd gemiddeld €1534 per maand. De gemiddelde huur van vrije sectorwoningen van corporaties ligt met €1012 een stuk lager. Ook in dit segment betalen onlangs verhuisden gemiddeld meer (€1085), maar het verschil is niet zo groot als in de particuliere vrije sector. Figuur 5.1
Gemiddeld betalen huurders in de sociale huur van corporaties €595 en in de sociale huur van particulieren €588. Recent verhuisden betalen in de particuliere sociale huur voor het eerst gemiddeld meer dan bij corporaties (€611 versus €599). Recent verhuisden in de particuliere sociale huur betrokken vaak een kleine woning (<40m2), hiervoor betalen ze gemiddeld ruim honderd euro kale huur meer dan voor een vergelijkbare corporatiewoning.
Figuur 5.2
Gemiddelde huur naar huursegment, MRA, 2017-2023 (€) € 1.600
€ 1.600 1420
€ 1.400 1305
€ 1.200
1139
€ 1.000 € 800 € 600 € 400
870 632 516 484
682 538 511
969 756 568 543
1012 823 595 588
1534
€ 1.400
vrije sector, particulier
1183
910
huur totaal
€ 1.200
vrije sector, corporatie
€ 1.000
sociale huur, particulier
€ 800
sociale huur, corporatie
€ 600 € 400
€ 200 €0
Gemiddelde huur naar huursegment, recent verhuisden, MRA, 2017-2023 (€)
1403 1218
917 776 536 494
1290
1005
vrije sector, particulier 1079
1085 1084
987
857 543 522
huur totaal
vrije sector, corporatie sociale huur, particulier
578 566
611 599
sociale huur, corporatie
€ 200 2017
2019
2021
€0
2023
2017
2019
2021
2023
Bron: WiMRA 2023
Bron: WiMRA 2023
43
Uitgaven voor huur gedaald naar gemiddeld 28% van het maandinkomen De gemiddelde huurquote in de MRA is na een stijging in 2021 weer gedaald. Na aftrek van eventuele huurtoeslag betalen huurders gemiddeld 28% van hun netto maandinkomen aan huur, in 2021 was dat 30%. Ook bij recent verhuisden is de gemiddelde huurquote gedaald en ligt nu op 32%.Hier speelt mee dat de huren minder sterk zijn gestegen. Tegelijkertijd zijn de inkomens gestegen, in paragraaf 1.2 is hier meer over te lezen. Huurders in de vrije sector van particulieren hebben de hoogste huurquotes (34%), gevolgd door huurders in de vrije sector van corporaties (29%). In bijna alle huursegmenten is de gemiddelde huurquote, ook die van recent verhuisden, kleiner geworden. Uitzondering is de sociale huur van particulieren, hier bleef de gemiddelde huurquote gelijk (27%) en steeg die van recent verhuisden. Eerder lag de gemiddelde huurquote in de sociale huur van particulieren en corporaties op gelijke hoogte, maar nu is de gemiddelde huurquote van huurders van sociale corporatiehuurwoningen gedaald naar 25%.
Hypotheeklasten van recent verhuisde kopers flink toegenomen In de MRA bedragen de gemiddelde bruto hypotheeklasten van huishoudens met een koopwoning €829. De hypotheeklasten zijn sterker gestegen dan in eerdere jaren. Gemiddeld stegen de hypotheeklasten met 8% tussen 2021 en 2023, zonder inflatiecorrectie. Onder recent verhuisden stegen deze lasten het sterkst. Zij hebben gemiddeld een bruto hypotheek van €1394. Huishoudens die niet langer dan 2,5 jaar geleden zijn verhuisd, betalen gemiddeld €250 per maand meer dan de huishoudens die in 2021 recent waren verhuisd. Een stijging van 22%, zonder inflatiecorrectie. Het stijgen van de hypotheekrente sinds 2022 en de oplopende woningprijzen leiden ertoe dat huishoudens veel inkomen, overwaarde en/of vermogen nodig hebben om zich een koopwoning te kunnen veroorloven. Onder huishoudens die niet langer dan 2,5 jaar in hun woning wonen, heeft 60% een jaarinkomen van meer dan €80.070, dat is veel vaker dan onder huishoudens die al langer in hun woning wonen (43%).
Figuur 5.3
Woningbezitters zijn na belastingaftrek gemiddeld 17% van hun inkomen kwijt aan hypotheeklasten, net als in 2019. In 2021 was de gemiddelde hypotheekquote 16%. Bij recent verhuisden is de hypotheekquote gestegen van 21% naar 22%.
sociale huur, corporatie 302929
26
282727
40 %
sociale huur, particulier 30313132
25
2017 2019
27272727
2021 2023
Figuur 5.4
40
recent verhuisd %
vrije sector, corporatie 32313231
0
totaal
recent verhuisd
323031
0
40
%
0
totaal
vrije sector, particulier 3434
29
totaal
recent verhuisd
3735
recent verhuisd
Gemiddelde bruto hypotheeklasten (€) en netto hypotheekquote (%), MRA, 2017-2023
40
34333634
totaal
%
32 31 33 32
0
€ 1.600
huurquote, totaal
recent verhuisd
gemiddelde hypotheek
960 1062 1147 1394
0
29 29 30 28
€0
totaal
Bron: WiMRA 2023
recent verhuisd
gemiddelde hypotheekquote 40%
2017 2019 2021
21 21 21 22
772 760 771 829
40%
Gemiddelde netto huurquote naar huursegment, MRA, 2017-2023 (%)
totaal
0
recent verhuisd
18 17 16 17
2023
totaal
Bron: WiMRA 2023
44
Energielasten per maand sterk gestegen voor huurders en kopers Tussen de meting van 2021 en 2023 zijn de energieprijzen wereldwijd sterk gestegen. De stijgingen zijn onder andere het gevolg van de toegenomen vraag naar energie tijdens het uitdoven van de coronacrisis en door de oorlog in Oekraïne. In januari 2023 heeft de overheid een prijsplafond ingesteld om de hoge energielasten te verlichten. Ook in de MRA zijn de stijgingen echter, ondanks het prijsplafond, substantieel. Huurders in de vrije sector hadden gemiddeld met de sterkste stijging van de energiekosten te maken (corporatie: 42% en particulier: 43% zonder inflatiecorrectie). In de sociale huur van particulieren bedroeg de stijging gemiddeld 38%. Voor kopers en huurders in de sociale huur van corporaties namen de energielasten gemiddeld met 36% toe. De hoogte van de energielasten hangt onder meer samen met de huishoudenssamenstelling, de woninggrootte en de energieklasse van de woning. Ook het moment van afsluiten van het energiecontract speelt hierin mee. Zo zijn koopwoningen vaak groot, rond een derde is groter dan 100 m2. Sociale huurwoningen van particulieren zijn vaak kleiner dan die van corporaties. Vrije sectorwoningen van particulieren hebben weer aanzienlijk vaker een laag energielabel (D-G) dan vrije sectorwoningen van corporaties.
Energiequote licht gestegen en is in 2023 gemiddeld 6% Huishoudens in de MRA geven gemiddeld 6% van het maandinkomen uit aan energie, in 2021 was dat 5%. Over de periode 2017-2023 laat de energiequote een kleine schommeling zien. De sterke stijging van de energieprijzen lijkt maar een beperkt effect te hebben op de ontwikkeling van de gemiddelde energiequotes. Hier speelt waarschijnlijk mee dat de inkomens zijn gestegen tussen 2021 en 2023. In de sociale huur waar relatief veel lage inkomens wonen, zijn de energiequotes het hoogst: bij corporaties zijn huurders gemiddeld 8% van hun inkomen kwijt aan energie en in de particuliere sociale huur gemiddeld 7%. Bij 14% van de huishoudens bedragen de uitgaven voor energie minstens een tiende van het inkomen en is er sprake van energiearmoede, in 2021 ging het om 8% van de huishoudens. Dit is aanzienlijk vaker het geval bij huishoudens met een inkomen tot de huurtoeslaggrens: 47% van hen is meer dan een tiende van het inkomen kwijt aan energiekosten. In de sociale huur van corporaties is er bij 27% van de huishoudens sprake van energiearmoede en in de sociale huur van particulieren bij 19%. Figuur 5.6
Figuur 5.5
Gemiddelde energielasten per maand segment, MRA, 2017-2023 (€)
80
Gemiddelde energiequote naar segment, MRA, 2017-2023 (%) spreiding energiequotes
%
€ 240 207
€ 200 € 160 € 120 € 80
143 118 115 103 98
159 128 119 113 105
153 123 113 109 96
174 162 147 133
61 60
vrije sector, particulier vrije sector, corporatie
43
sociale huur, corporatie
2019
2021
0
0-5%
5-10%
sociale huur, corporatie
Bron: WiMRA 2023
4 4 4
2021
87
5 4 5
2023
30 31 23
2023
76
42 38
30
sociale huur, particulier
0 2017
% gemiddelde energiequote
72
koop
€ 40 €0
20
17 12
6 4 6
10 7 2 2 3
10-15%
sociale huur, particulier
>15%
vrije sector, corporatie
vrije sector, particulier
Bron: WiMRA 2023
45
koop
Totale woonlasten het hoogst onder huurders in de particuliere vrije sector De totale woonlasten van huishoudens in de MRA zijn tussen 2021 en 2023 gemiddeld met 15% gestegen. Bij huurders gaat het om de optelsom van de huur (minus de huurtoeslag), de energielasten en de servicekosten. Bij kopers gaat het om de optelsom van de netto hypotheek, de energielasten en een eventuele VvEbijdrage. De stijging is het sterkst onder kopers die nog niet zo lang in hun woning wonen (25%) en onder recent verhuisden in de sociale huur van particulieren (20%). Huurders in de particuliere vrije sector hebben gemiddeld de hoogste maandelijkse woonlasten met €1603. Huishoudens die recent een woning in dit segment betrokken, betalen gemiddeld €1726 aan woonlasten. Bij kopers is het verschil tussen de woonlasten van recent verhuisden en de gemiddelde woonlasten binnen het segment echter het grootst. Huishoudens die recent een woning hebben gekocht, betalen maandelijks gemiddeld €482 meer dan degenen die hun woning langer geleden kochten.
Gemiddeld gaat 28% van het netto maandinkomen op aan woonlasten Net als in 2021 zijn huishoudens maandelijks gemiddeld 28% van hun nettoinkomen kwijt aan het betalen van de totale woonlasten. Huurders in de particuliere vrije sector hebben met gemiddeld 39% de hoogste woonquote, in andere huursegmenten gaat het om 34%. Waar in de sociale huur van corporaties de woonquote van recente bewoners een daling laat zien, neemt de woonquote in de particuliere sociale huur juist toe. Kopers zijn met gemiddeld 21% een kleiner deel van hun inkomen kwijt aan woonlasten dan huurders. Voor recent verhuisde kopers ligt dit aandeel wel aanzienlijk hoger (27%). Net als in 2021 is 7% van de huishoudens minstens de helft van het inkomen kwijt aan de totale woonlasten. Bij huurders is dat veel vaker het geval dan bij kopers (13% versus 2%). Vooral bij huurders in particuliere vrije sector komt dit relatief vaak voor: 19% is hier minstens de helft van het inkomen kwijt aan woonlasten.
Figuur 5.7
Figuur 5.8
€ 1.800
Gemiddelde woonlasten naar segment, MRA, 2017-2023 (%)
sociale huur, corporatie
€ 1.800
sociale huur, particulier
45
2017
Gemiddelde woonquote naar segment, MRA, 2017-2023 (%)
% sociale huur, corporatie
2019
383636 34
2021
45
% sociale huur, particulier
36353637
35353434
2017 2019
33323334
2021
€0
totaal
547 583 595 690
2023
0
€0
€0
recent verhuisd
€ 1.800
totaal
koop
totaal
vrije sector, corporatie 36353536
926 1044 1159 1444 €0
% 45
recent verhuisd
0
recent verhuisd
totaal
% vrije sector, particulier 45
40 3738 39
37363534
45 %
recent verhuisd
koop
37383939 26262627
753 787 829 962
vrije sector, particulier 1250 1308 1425 1603
€ 1.800
1330 1413 1521 1726
vrije sector, corporatie
recent verhuisd
529 593 583 700
652
540 570 588
totaal
1330 1413 1521 1726
€ 1.800
recent verhuisd
1250 1308 1425 1603
€0
524 537 575
641
2023
0
totaal
Bron: WiMRA 2023
recent verhuisd
totaal
0
recent verhuisd
totaal
0
recent verhuisd
22212021
totaal
Bron: WiMRA 2023
46
Hoogste gemiddelde woonquotes in delen van Amsterdam, Haarlem en Diemen De gebieden waar huishoudens gemiddeld meer dan 35% van het maandinkomen aan woonlasten besteden, liggen allen in Amsterdam. Het hoogst liggen de gemiddelde woonquotes in Amsterdam Zuidoost, in de Amsterdamse Poort (40%) en de H-buurt, en ook in Burgwallen-Nieuwe Zijde (37%) in het centrum van de stad. Buiten Amsterdam ligt de gemiddelde woonquote het hoogst in Meerwijk in Haarlem en in Holland Park in Diemen (32%).
Oordeel betaalbaarheid woonlasten loopt in MRA uiteen van een 5,3 tot een 7,8 Gemiddeld geven huishoudens een 6,8 voor de betaalbaarheid van hun totale woonlasten, dus inclusief energielasten en eventuele servicekosten of VvEbijdrage. Een 1 betekent moeilijk betaalbaar en een 10 makkelijk betaalbaar. Het In 2021 gaf men gemiddeld een 7,4 maar toen is gevraagd naar het oordeel van de betaalbaarheid van enkel huur of hypotheek. Huurders geven gemiddeld een 6,0. In de sociale huur van corporaties en in de particuliere vrijesectorhuur zijn huurders het minst te spreken over de betaalbaarheid (5,9). Kopers geven gemiddeld een 7,7. Recente kopers zijn wat minder positief over de betaalbaarheid (7,2). Bijna een kwart van de huishoudens in de MRA beoordeelt de betaalbaarheid met een 5 of lager, huurders veel vaker dan kopers (36% versus 11%). De gebieden waar men het meeste moeite heeft met de betaalbaarheid liggen in Amsterdam Zuidoost.
De laagste gemiddelde woonquote hebben de huishoudens in Broekpolder (Heemskerk) en in Zeevang (Edam-Volendam). Hier gaat gemiddeld een vijfde van het maandinkomen op aan woonlasten.
Figuur 5.9
Gemiddelde woonquote MRA, 2023, (%)
Figuur 5.10
Oordeel betaalbaarheid woonlasten, MRA, 2023 (rapportcijfer)
Bron: WiMRA 2023
Bron: WiMRA 2023
47
5.2 Energieprijsstijging: ervaring en gedrag
Bij 31% van de lage inkomens leidde hogere energierekening tot veel problemen Van de MRA-bewoners die sinds 2022 een (veel) hogere energierekening ervaren, geeft ruim de helft (54%) aan dat de hogere energierekening niet (28%) of nauwelijks (26%) tot financiële problemen heeft geleid. Voor een derde (32%) leidde dit een beetje tot financiële problemen. Voor de overige bewoners leverde de hogere energierekening redelijk veel (10%) of heel veel (5%) financiële problemen op.
Op de vraag wat bewoners merkten van de energieprijsstijging in 2022, geeft bijna de helft (48%) aan een veel hogere energierekening te hebben. Dit aandeel neemt sterk af als de woning energiezuiniger is. Onder de bewoners van een woning met een lage energetische waarde (label D t/m G) geeft 55% aan dat de energierekening veel hoger is geworden. Voor bewoners met een woning met een hoge energetische waarde (label A ++t/m A++++) gold dat voor 34% van de bewoners.
Bewoners van sociale huurwoningen van corporaties geven vaker dan gemiddeld aan dat een hogere energierekening tot redelijk veel of heel veel financiële problemen heeft geleid (26%). Ook de inkomensgroepen tot de huurtoeslaggrens geven vaker aan door hogere energiekosten redelijk veel (19%) of heel veel (12%) financiële problemen te ervaren.
Van alle huishoudens in de MRA geven drie op de tien (28%) aan dat hun energierekening hoger is geworden, maar niet veel. Voor één op de vijf is de energierekening ongeveer gelijk gebleven. Drie procent geeft aan juist een lagere energierekening te hebben. Dit aandeel ligt hoger onder bewoners met een zeer energiezuinige woning (11%). Figuur 5.11
Figuur 5.12
Wat merkten huishoudens aan hun energierekening sinds de prijsstijging van energie in 2022 naar energielabel, MRA, 2023 (%)
Heeft de hogere energierekening voor u tot problemen geleid?, naar segment, MRA, 2023 (%)
sociale huur, corporatie A++ t/m A++++
34
A t/m A+
31 44
23 32
B
48
C
52
D t/m G
28 26
55
totaal MRA
25 28
48 0
veel hoger geworden
20
40
hoger geworden maar niet veel
60 ongeveer gelijk gebleven
26
39
35
11 21
3
21
3
19
3
17
3
20 80
3
sociale huur, particulier
17
vrije sector huur, corporatie
15
34
51
vrije sector huur, particulier
15
34
51
koopwoning
7
39
45
25
68
%
%
100
0
20 heel veel/redelijk veel
is lager geworden
40
60 een beetje
80
100
niet of nauwelijks
Bron: WiMRA 2023
Bron: WiMRA 2023
48
Figuur 5.13
Zes op tien huishoudens zetten de verwarming lager om kosten te besparen Om een hogere energierekening te voorkomen, zetten huishoudens de verwarming minder snel aan (59%) en/of lager (58%). De helft geeft aan dat zij minder warm water hebben gebruikt en 41% verwarmde minder ruimten in de woning. Eveneens vier op de tien maakten minder gebruik van verlichting en/of elektrische apparaten. Bijna een kwart verving oude lampen en/of elektrische apparaten door meer duurzame. Ook aanpassingen aan de woning worden genoemd. Zo heeft 13% de woning beter geïsoleerd en heeft 10% zonnepanelen geplaatst. Andere genoemde manieren om een verhoging van de energierekening te voorkomen, zijn het plaatsen van (dikke) gordijnen, dubbel/triple glas, raam- of radiatorfolie, tochtstrips, nieuwe cv-ketel of slimme thermostaten. Daarnaast worden alternatieve manieren zoals een elektrische kachel, houtkachel, airco of infraroodpanelen gebruikt om het huis te verwarmen. Anderen zijn elektrisch gaan koken, warmere kleding gaan dragen of douchen minder vaak of stapten over naar een andere energieleverancier of een ander energiecontract.
Wat heeft u het afgelopen jaar gedaan om te voorkomen dat uw energierekening hoger zou worden?, MRA, 2023 (%)
minder snel verwarming aangezet, ook bij lage temperaturen
59
verwarming lager gezet
58
minder warm water gebruikt (bijv: met douchen)
50
minder ruimten in mijn woning verwarmd
41
minder verlichting en/of elektrische apparaten gebruikt
40
lampen en/of elektrische apparaten vervangen door duurzamere
23
mijn woning beter geïsoleerd
13
zonnepanelen geplaatst
10
warmtepomp geplaatst
1
anders, namelijk
8
niets gedaan
9 0
50
%
100
Bron: WiMRA 2023
49
Deel ll Verhuisdynamiek en woonwensen
6 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 7 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5
50
Verhuisdynamiek Ontwikkeling verhuisdynamiek Verhuizingen uit het buitenland Verhuizingen vanuit en naar de rest van Nederland Conclusie binnenlands en buitenlands migratiesaldo Verhuizingen binnen de MRA Verhuisde starters Naar nieuwbouw verhuisde huishoudens Woonwensen Hebben huishoudens verhuisplannen? Benodigde hypotheek Woningvoorkeuren Woonwensen thuiswonende kinderen Verhouding woningvraag en vrijgekomen aanbod Woningzoekenden en vrijgekomen aanbod
51 53 57 60 62 63 69 71 73 75 78 79 81 84 85
6 Verhuisdynamiek
Verhuisdynamiek MRA en de rest van Nederland
De instroom vanuit de rest van Nederland naar de MRA is toegenomen ten opzichte van 2019-2020, maar minder sterk dan de uitstroom naar de rest van Nederland. Het vertrekoverschot bedraagt 4.000 huishoudens.
Het vertrekoverschot is het grootst bij gezinnen en dit is gegroeid (van 4.300 naar -5.100). Dit zorgt niet voor een afname van het aantal gezinnen in de MRA, er vormen zich ook nieuwe gezinnen en er vestigden zich 6.000 gezinnen uit het buitenland.
Alleen bij jonge huishoudens zonder kinderen heeft de MRA een vestigingsoverschot met de rest van Nederland. De uitstroom van hoge inkomens (meer dan €80.048) naar de rest van Nederland is het grootst en toegenomen. Het vertrekoverschot neemt toe.
Kernpunten
Het aantal verhuizingen binnen en naar de MRA is toegenomen. In 2021 en 2022 zijn er in totaal 302.000 huishoudens binnen en naar de MRA verhuisd. Het gaat om 24% van alle huishoudens die eind 2022 in de MRA woonden. In 2019 en 2020 verhuisde 23% van alle huishoudens en in 2017 en 2018 wat dat 22%.
Verhuisdynamiek MRA en het buitenland
De toegenomen verhuisdynamiek komt vooral door meer verhuizingen uit het buitenland. Het totale aantal huishoudens dat vanuit het buitenland naar de MRA verhuisde nam toe van 60.000 naar 81.500.
Er verhuisden 42.000 huishoudens vanuit de MRA naar het buitenland, 3.000 minder dan in 2019 en 2020. Er is daarmee een vestigingsoverschot vanuit het buitenland van 40.000 huishoudens. Dit was 11.000.
Het grootste deel van de buitenlandse instroom vestigt zich in Amsterdam (58%). Dit aandeel is echter afgenomen (2019-2020: 62%), huishoudens vestigen zich dus vaker vanuit het buitenland in een ander deel van de MRA.
De instroom uit het buitenland bestaat voor een groot en groeiend deel uit jonge alleenwonenden jonger dan 35 jaar (49%; was 46%).
Hoge inkomens zijn oververtegenwoordigd in de buitenlandse instroom: 44% heeft een inkomen van €88.070 of hoger, gemiddeld in de MRA is dat 30%. Het aandeel van de laagste inkomensgroep in de buitenlandse instroom komt meer overeen met dat in de totale bevolking.
Verhuisdynamiek binnen de MRA
51
De meeste verhuizingen vinden binnen de MRA plaats. Van de 302.000 verhuisde huishoudens, verhuisde 70% binnen de MRA. Men verhuisde vooral binnen de gemeente of deelregio.
De patronen in de verhuisstromen tussen deelregio’s blijven in grote lijnen hetzelfde. Per saldo verliezen Amsterdam en in mindere mate Amstelland-Meerlanden huishoudens aan de rest van de MRA. De andere deelregio’s hebben allemaal een vestigingsoverschot met de rest van de MRA, vooral door instroom uit Amsterdam.
Van de huishoudens die Amsterdam verruilen voor een andere deelregio heeft een relatief groot deel kinderen (35%), ongeveer evenveel als in 2019 en 2020. Ook hebben ze vaak een hoger inkomen (€80.048 of meer). Dit aandeel groeide van 30% naar 34%. Hoge inkomens verruilen Amsterdam vooral en in toenemende mate voor Amstelland-Meerlanden, Gooi en Vechtstreek en Zuid-Kennemerland/IJmond.
Lagere inkomens verhuizen minder tussen de deelregio’s en deze dynamiek neemt ook licht af. Waarschijnlijk spelen de meer beperkte verhuismogelijkheden van de lagere inkomensgroepen hier een rol.
Toelichting op het verhuizingenbestand De resultaten in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op registraties van verhuizingen die beschikbaar zijn via CBS microdata. Hiermee is een verhuizingenbestand opgebouwd met daarin alle huishoudens woonachtig in de MRA op peildatum 31/12/2022. Vervolgens is gekeken wat de laatste verhuizing was van deze huishoudens. Van alle huishoudens die in de periode 2021-2022 zijn verhuisd, zijn de kenmerken van deze verhuizing opgenomen in het verhuizingenbestand. Ook alle huishoudens die in deze periode vertrokken uit de MRA zijn toegevoegd. Deze huishoudens zijn verder verrijkt met data over onder andere huishoudsamenstelling, leeftijd, woonplek en woningkenmerken (voor en na verhuizing). Veel verhuisgegevens in andere publicaties zijn op persoonsniveau. Dit geeft soms een ander beeld, omdat de instroom in de MRA vooral uit eenpersoonshuishoudens bestaat, en de uitstroom vaak uit meerpersoonshuishoudens. Een positief migratiesaldo geteld in huishoudens, kan geteld in personen negatief zijn.
Verhuisdynamiek starters
Ook starters hebben meer beperkte verhuismogelijkheden. Het aandeel starters binnen alle recent verhuisden neemt af van 15% naar 13%. . De meeste starters vestigen zich in de deelregio waar ze thuis woonden (47%). Dit aandeel is iets gestegen, terwijl het aandeel starters dat vanuit elders in Nederland naar de MRA kwam iets afnam (32%).
De gemiddelde leeftijd waarop starters uit huis gaan is 26,4 jaar. Starters die binnen de eigen regio uit huis gaan, zijn het oudst met 27,3 jaar.
Verhuisdynamiek naar nieuwbouw
Er verhuisden 22.000 huishoudens naar nieuwbouw. In de nieuwbouw zijn vrije sector huurwoningen het grootste segment (42%).
Huishoudens die een nieuwbouwwoning betrekken, verhuizen vaak vanuit de eigen deelregio daar naartoe. Dit aandeel neemt wel wat af en komt in 2021-2022 uit op 62%. Het aandeel huishoudens dat vanuit het buitenland naar een nieuwbouwwoning verhuisde, nam toe naar 8%.
Er zijn aanzienlijke verschillen per deelregio wat betreft het oppervlak van de woning van verhuizers naar nieuwbouw. In Amsterdam heeft 26% van deze woningen een oppervlakte tot 40 vierkante meter, terwijl nieuwbouwwoningen van deze grootte in de meeste andere deelregio’s nauwelijks voorkomen. In Gooi en Vechtstreek zijn nieuwbouwwoningen het grootst.
52
6.1 Ontwikkeling verhuisdynamiek
38.500 naar 42.000 (+8%). Deze huishoudens vormen wel nog steeds 14% van de recent verhuisde huishoudens, net als in 2019-2020.
Zie ter begeleiding van onderstaande tekst Figuur 6.1 op de volgende pagina Bijna een kwart van de huishoudens in de MRA is in 2021 en 2022 verhuisd In 2021 en 2022 zijn in totaal 302.000 huishoudens binnen of naar de MRA verhuisd. Het gaat om 24% van alle huishoudens die eind 2022 in de MRA woonden. De verhuisdynamiek is daarmee groter dan in 2019 en 2020, toen 271.500 huishoudens binnen of naar de MRA verhuisden (23% van de huishoudens) en 2017 en 2018 (22%; 265.000 huishoudens).
Iets meer dan de helft van de instroom vanuit de rest van Nederland vestigde zich in Amsterdam (24.000). Deze instroom nam ongeveer even sterk toe in Amsterdam (+8%) als in de andere deelregio’s (+7%). De uitstroom van de MRA naar de rest van Nederland groeide sterker dan de instroom: van 42.000 naar 46.000. Daarmee heeft de MRA een vertrekoverschot van 4.000 huishoudens met de rest van Nederland. Net als in eerdere metingen heeft alleen Amsterdam een positief migratiesaldo (+5.500) met de rest van Nederland. Vanuit de andere deelregio’s verhuizen er meer huishoudens naar andere delen van het land dan andersom (-9.000).
Buitenlandse instroom naar de MRA sterk gegroeid Vooral de instroom uit het buitenland groeide sterk tussen 2019-2020 en 20212022: van 35.000 naar bijna 50.000 huishoudens (+45%). Door de coronapandemie nam de buitenlandse instroom in de periode 2019-2020 juist af, maar deze komt nu ook een stuk hoger uit dan in de laatste meting voor corona (2017-2018). Destijds vormden huishoudens uit het buitenland 14% van alle verhuisde huishoudens, nu is dat 17%.
Interne verhuisdynamiek: vooral meer verhuizingen in, naar en vanuit Amsterdam De meeste huishoudens verhuizen binnen de MRA en ook deze dynamiek nam de afgelopen twee jaar toe, met 6% tot 210.000. Het gaat om 70% van alle huishoudens die in 2021 en 2022 verhuisd zijn. Dit was de vorige meting wel meer (73%). Dit komt doordat de verhuizingen uit het buitenland nu een groter deel van de verhuizingen vormen. Ongeveer de helft van alle verhuizingen vindt binnen de eigen gemeente plaats (47% van alle verhuizingen). Daarna lopen de grootste stromen van Amsterdam naar een andere deelregio (7%) of andersom (5%). Vooral het aantal verhuizingen van andere deelregio’s naar Amsterdam nam toe, met 11% tot 16.000. De stroom andersom is groter maar groeide minder hard, met 8% tot 22.000. Ook binnen Amsterdam zien we een toegenomen verhuisdynamiek (+11% naar 89.000).
De buitenlandse instroom naar Amsterdam groeide de afgelopen twee jaar met 39% tot 30.000 huishoudens. De buitenlandse instroom naar andere delen van de MRA groeide nog harder; met 55% tot 20.000. Daarmee kwam een groter deel van de buitenlandse instroom in de deelregio’s buiten de hoofdstad terecht dan in 2019 en 2020 (42% tegenover 38%). Het gaat hier alleen om huishoudens waarvan de laatste verhuizing uit het buitenland kwam. De huishoudens die vanuit het buitenland zijn verhuisd en daarna doorverhuisden binnen de MRA, zijn hier niet meegeteld. Zie voor deze totale buitenlandse instroom paragraaf 6.2. Instroom vanuit rest van Nederland groeit, maar uitstroom groeit sneller Ook het aantal huishoudens dat vanuit de rest van Nederland naar de MRA verhuisde daalde in de vorige meting maar nam in 2021 en 2022 weer toe, van