CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Bijlage A: Ontwerpbestemmingsplan Spaarndamseweg 13 (toelichting, bijlagen bij de toelichting en regels)

commissie Ontwikkeling 12 januari 2023, gemeente HaarlemBij agendapunt: 21.15 uur Ter inzage leggen ontwerpbestemmingsplan Spaarndamseweg 13, ontwerpbesluit hogere grenswaarden Wet geluidhinder (FR)30.400 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Als gevolg van de beoogde ontwikkeling is sprake van een parkeervraag. In eerste aanleg kan deze parkeervraag bepaald worden aan de hand van de gemeentelijke parkeernormen. Vanwege de specifieke omstandigheden van het project, zoals de ligging, de doelgroep van de beoogde ontwikkeling en de mogelijke inzet van deelauto's, wordt het echter verdedigbaar O 16087-4-RA-006 30

geacht om de gemeentelijke parkeernormen te verlagen. Door Goudappel is in dit kader een mobiliteitsplan2 opgesteld waarin een beeld geschetst wordt hoe met mobiliteit en parkeren omgegaan wordt bij de beoogde ontwikkeling. In eerste aanleg is de parkeervraag bepaald op basis van de van toepassing zijnde gemeentelijke parkeernormen. Hieruit volgt dat de in tabel 4.2 opgenomen parkeervraag. t4.2 Parkeervraag op basis van gemeentelijke parkeernormen Functie

Aantal/omvang

Parkeernorm

Parkeervraag

Appartementen (middenduur)

22

1,0 per woning

22,0

Appartementen (sociale huur)

128

0,6 per woning

76,8

Bezoekers appartementen

150

0,3 per woning

45,0

104

2

4,2

Daghoreca

4,0 per 100 m bvo

Totaal

148,0

In totaal bedraagt hierbij de parkeervraag als gevolg van de beoogde ontwikkeling maximaal 148 parkeerplaatsen. Hierbij kan bovendien rekening gehouden worden met dubbelgebruik van parkeerplaatsen door de bewoners en bezoekers. Zo is bijvoorbeeld doorgaans sprake van een aanwezigheidspercentage van 100% voor bewoners tijdens de werkdagnacht, en van 0% voor bezoekers. In tabel 4.3 worden de gehanteerde aanwezigheidspercentages voor bewoners en bezoekers opgenomen. t4.3 Aanwezigheidspercentages per periode Functie

Werkdag

Werkdag

Werkdag

Nacht

Koopavond

Zaterdag-

Zaterdag-

Zondag-

ochtend

middag

avond

middag

avond

middag

Woningen bewoners

50%

50%

90%

100%

80%

60%

80%

70%

Woningen bezoekers

10%

20%

80%

0%

70%

60%

80%

70%

Horeca

50%

80%

0%

0%

0%

100%

0%

80%

Totale parkeervraag

56

62

125

99

111

91

124

104

Op basis van de parkeernormen van gemeente Haarlem bedraagt de maatgevende parkeervraag 125 parkeerplaatsen. In de gemeentelijke beleidsregels is bovendien aangegeven dat een omgevingsvergunning kan worden verleend in afwijking van de parkeernormen indien het voldoen hieraan door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit. In voorliggende situatie is vanwege de specifieke doelgroep van de ontwikkeling sprake van een lagere parkeerbehoefte, en kan het voldoen aan de parkeernorm daarom als onevenredig zwaar aangemerkt worden. In het mobiliteitsplan is de parkeervraag tevens berekend op basis van het te verwachten autobezit van de doelgroep van de beoogde ontwikkeling, rekening houdend met de ligging 2 'Jongerenhuisvesting Spaarndamseweg 13; Mobiliteitsplan' (2022) door Goudappel. O 16087-4-RA-006 31

in een zeer stedelijke gemeente. Hieruit volgt dat de parkeervraag van de beoogde bewoners naar verwachting 45 parkeerplaatsen bedraagt. Daarnaast worden naar verwachting tevens deelauto's ingezet voor de beoogde ontwikkeling. Door de inzet van twee deelauto's kunnen 10 bewonersparkeerplaatsen worden vervangen. In lijn met de parkeernormen voor bewoners zal ook de parkeernorm voor bezoekers te hoog zijn. Op basis van het mobiliteitsplan van Goudappel is het verdedigbaar om voor de bezoekers van de woningen uit te gaan van 0,1 parkeerplaatsen per woning. In tabel 4.4 wordt de te verwachten parkeervraag opgenomen. t4.4 Overzicht specifieke parkeerbehoefte beoogde ontwikkeling Functie

Werkdag

Werkdag

Werkdag

ochtend

middag

avond

Nacht

Woningen bewoners

17,3

17,3

31,1

34,6

Deelauto's

2,0

2,0

2,0

Woningen bezoekers

1,5

3,0

12,0

Koopavond

Zaterdag-

Zaterdag-

Zondag-

middag

avond

middag

27,7

20,8

27,7

24,2

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

0,0

10,5

9,0

15,0

10,5

Horeca

2,1

3,3

0,0

0,0

0,0

4,2

0,0

3,3

Totale parkeervraag

22,9

25,6

45,1

36,6

40,2

35,9

44,7

40,0

Thans voorziet het ontwerp in circa 36 parkeerplaatsen op de begane grond. Hiermee zal naar verwachting voorzien worden in voldoende parkeerplaatsen voor bewoners op eigen terrein. Tijdens de werkdagavond en zaterdagavond zal echter mogelijk sprake zijn van een relatief beperkt tekort aan parkeerplaatsen. Op de locatie de zijn de 'Beleidsregels parkeernormen 2015' van toepassing, krachtens het 'Parapluplan parkeernormen Haarlem 2018'. Op basis hiervan is de handleiding ‘Stappenplan Parkeernormen bij bouwproject’ uitgegeven. Aan de hand hiervan is stapsgewijs onderzocht hoe om te gaan met deze restvraag. In voorliggende situatie wordt daarbij het benutten van restcapaciteit in de openbare ruimte, mogelijk in combinatie met een gedeeltelijke vrijstelling van de verplichting om aan de parkeernorm te voldoen, als meest kantrijk geacht. Uit parkeertellingen in de omgeving is gebleken dat in de omgeving, binnen 300 meter loopafstand, van de beoogde ontwikkeling sprake is van een restcapaciteit aan parkeerplaatsen. In de omgeving is naar verwachting ruimschoots ruimte beschikbaar om in ieder geval een deel van de resterende parkeervraag op te vangen.

Wanneer het niet wenselijk/mogelijk wordt geacht om de restcapaciteit in de openbare ruimte aan te spreken dan zou het een optie zijn om extra parkeervoorzieningen te creëren in de openbare ruimte, of om vrijstelling te verkrijgen voor het voldoen aan de parkeernorm. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat de restcapaciteit in de omgeving in gebruik kan worden genomen. In afstemming met gemeente Haarlem zal gezocht worden naar passende oplossingen. Hierbij wordt opgemerkt dat de parkeersituatie mogelijk in de toekomst gewijzigd wordt. De gemeente heeft het voornemen om in alle wijken aan de westzijde van het Spaarne gereguleerd parkeren in te voeren. Mogelijk ontstaan hiermee op enig moment voor de beoogde ontwikkeling meer mogelijkheden om in de openbare ruimte te parkeren.

O 16087-4-RA-006 32

Opgemerkt wordt dat voor de beoogde ontwikkeling voorzien wordt in 176 inpandige fietsparkeerplaatsen. Hiermee wordt voldaan aan de van toepassing zijnde fietsparkeernormen voor de bewoners van de beoogde woningen. Voor de medewerkers van de daghoreca zijn tevens inpandige fietsparkeerplaatsen beschikbaar. De overige fietsen kunnen buiten gestald worden; hiervoor is voldoende ruimte beschikbaar. Ve r k e e r s g e n e ra t i e

De beoogde ontwikkeling van circa 150 appartementen zal tevens verkeer genereren. De verkeersaantrekkende werking van de beoogde ontwikkeling is bepaald met behulp van CROW-kengetallen. Hierbij is vooralsnog geen rekening gehouden met het relatief lage autobezit van de doelgroep van de beoogde ontwikkeling, en is hiermee sprake van een worst case-benadering. De verkeersgeneratie voor een huurappartement in het midden/goedkope segment op een locatie in de schil van het centrum in een zeer sterk stedelijk gebied bedraagt maximaal 2,6 verkeersbewegingen per appartement. In totaal worden er circa 150 appartementen gerealiseerd, hetgeen resulteert in een verkeersgeneratie van 390 motorvoertuigen per etmaal. Een dergelijke verkeersaantrekkende werking kan als zeer beperkt worden aangemerkt, en vormt derhalve naar alle verwachting geen verkeerskundige knelpunten. Daarbij betreft de berekende verkeersgeneratie een worst case benadering, en is de daadwerkelijke verkeersgeneratie nog lager 3. De in-/uitrit van de beoogde ontwikkeling zal bovendien met zorg worden aangesloten op het bestaande verkeersnetwerk. 4.4.4 Co n c l u s i e

In voorliggende situatie wordt voorzien in parkeerplaatsen op de begane grond. Hiermee wordt naar verwachting voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor de bewoners van de beoogde ontwikkeling. Wat het tekort aan parkeerplaatsen op eigen terrein betreft zal naar alle verwachting gebruik worden gemaakt van restcapaciteit in de openbare ruimte. Hiermee zal zorg worden gedragen dat geen sprake is van parkeerproblematiek. Daarnaast gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met een beperkte verkeersaantrekkende werking, waarmee geen verkeerskundige knelpunten worden verwacht. 4.5 E x t e r n e v e i l i g h e i d

4.5.1 A l g e m e e n

In deze paragraaf zal het aspect externe veiligheid nader inzichtelijk worden gemaakt. Woningen worden als kwetsbare objecten gezien conform wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Bovendien zal in de toekomstige situatie sprake zijn van meer personen ter plaatse van het plangebied, waardoor het aspect externe veiligheid om aandacht vraagt. De externe veiligheidsrisico's ter plaatse van het plangebied zullen in deze paragraaf aan bod komen. 3 In het mobiliteitsplan van Goudappel wordt, rekening houdend met de specifieke doelgroep van de beoogde ontwikkeling, een verkeersgeneratie van 129 motorvoertuigbewegingen per etmaal berekend. O 16087-4-RA-006 33

4.5.2 We t t e l i j k k a d e r

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving ten gevolge van: − het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water, spoor en door buisleidingen; − het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); − het luchtvaartverkeer. Er zijn twee situaties waarbij externe veiligheid een rol speelt, namelijk bij het ontplooien van een risicovolle activiteit (zoals hiervoor omschreven) en bij het realiseren van een (beperkt) kwetsbaar object binnen het invloedsgebied van een dergelijke 'activiteit'. Met betrekking tot de risico's voor de externe veiligheid zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) richtafstanden en grenswaarden opgesteld betreffende de afstand tot kwetsbare objecten. R e l e va n t e b e g r i p p e n

Relevant voor toetsing van de externe veiligheidsrisico's ter plaatse van objecten waar mensen aanwezig zijn, zijn onder andere de begrippen plaatsgebonden risico, het groepsrisico en het invloedsgebied. Deze zijn als volgt gedefinieerd: − Plaatsgebonden risico (PR) Het risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. − Groepsrisico (GR) De cumulatieve kansen per jaar dat een groep mensen overlijdt als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het GR is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Bij het PR is het dus niet van belang of er daadwerkelijk personen op die bepaalde locatie aanwezig zijn. Voor het GR geldt dat in een gebied waar zich geen personen bevinden het GR per definitie gelijk aan nul is. Voor het GR geldt dat hoe meer slachtoffers bij een ongeval kunnen vallen hoe lager (strenger) de oriëntatiewaarde is. Grote slachtofferaantallen geven namelijk meer kans op maatschappelijke ontwrichting.

− Invloedsgebied Het invloedsgebied is gedefinieerd als het gebied rondom een risicovolle activiteit waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn en waar een onbeschermde persoon een kans van 1% op overlijden heeft, gegeven het risicoscenario en de weerklasse. Het invloedsgebied van een activiteit met gevaarlijke stoffen of het vervoer van gevaarlijke stoffen is normaliter de afstand tot de 1%-letaliteitsgrens.

O 16087-4-RA-006 34

4.5.3 B e o o r d e l i n g

De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van woningbouw. Woningen worden als kwetsbare objecten gezien. Hiervoor geldt het plaatsgebonden risico van 10 -6 per jaar als grenswaarde. De externe veiligheidsaspecten ten gevolge van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen, alsmede de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen, zijn geïnventariseerd voor de nabije omgeving van het plangebied. In het kader van de externe veiligheid is in de omgeving van het plangebied een aantal risicobronnen gesitueerd. Er is geen sprake van een ligging binnen het invloedsgebied van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor, het water of door buisleidingen. Er is conform de risicokaart sprake van activiteiten met gevaarlijke stoffen op de volgende locaties (zie figuur 4.2): 1. Kousenmakersweg 2; 2. Waarderweg 39; 3. Planetenlaan 15. f4.2 Uitsnede risicokaart (bron: www.risicokaart.nl)

O 16087-4-RA-006 35

Kousenmakersweg 2

Op circa 300 meter afstand is aan de Kousenmakersweg 2 is het bedrijf Prins Staalhandel BV gelegen. Dit bedrijf is geen inrichting in het kader van het Bevi. Hier is echter wel sprake van een vulpunt en bovengrondse propaantank. Dit bedrijf is echter op een ruime afstand van het plangebied gelegen, waarmee dit aspect geen belemmeringen oplevert voor de beoogde ontwikkeling. Wa a r d e r w e g 3 9

Op circa 920 meter afstand is aan de Waarderweg 39 is het bedrijf MSD Merck Sharp & Dohme BV gelegen. Dit bedrijf is geen inrichting in het kader van het Bevi. Hier is echter wel sprake van de opslag van gevaarlijke stoffen. Dit bedrijf is echter op een ruime afstand van het plangebied gelegen, waarmee dit aspect geen belemmeringen oplevert voor de beoogde ontwikkeling. Planetenlaan 15

Aan de Planetenlaan 15 is, op een afstand van circa 190 meter van het plangebied, het zwembad de Planeet gelegen. Dit betreft geen inrichting in het kader van het Bevi. Op deze locatie is wel sprake van vloeistoffen die giftige gassen kunnen vormen. Het zwembad is echter op een ruime afstand van het plangebied gelegen, waarmee dit aspect geen belemmeringen oplevert voor de beoogde ontwikkeling. In de omgeving van het plangebied zijn bovendien nog een aantal risicobronnen aanwezig – welke niet in de risicokaart zijn opgenomen – die om een nadere beschouwing vragen. Zo is aan de Maus Gatsonidesweg 3 sprake van een tweetal propaantanks. Dit perceel bevindt zich op circa 310 meter afstand van het plangebied, aan de overzijde van het Spaarne. Dit betreft geen inrichting in het kader van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In het kader van externe veiligheid gelden er echter wel afstanden die in acht genomen dienen te worden tot dergelijke tanks. Gezien de ruime afstand tot de beoogde ontwikkeling vormt deze tank echter geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Wel is mogelijk sprake van het transport van propaan over de nabijgelegen wegen. Binnen Haarlem zijn geen routes aangegeven voor het transport van gevaarlijke stoffen.

Hiermee zijn transporteurs vrij om de wegen te kiezen naar een afleveradres met voorbehoud dat in de bebouwde kom altijd de kortste weg dient te worden gekozen. Hiermee is het mogelijk dat de aanvoer van propaan richting de Maus Gatsonidesweg vanaf de N200 plaatsvindt, en dat de transporteur hierna verder langs het plangebied rijdt naar de volgende locatie. Een dergelijke transportroute binnen de bebouwde kom kent conform de Vuistregels uit de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) geen plaatsgebonden risicocontour van 10 -6 jaar. Hier wordt aldus aan voldaan. Daarnaast is de frequentie van dit mogelijke transport dusdanig laag dat het niet te verwachten valt dat sprake zal zijn van een situatie waarin het groepsrisico de oriëntatiewaarde zal overschrijden. Alsmede zal het groepsrisico naar alle verwachting onder de 10% van de oriëntatiewaarde zijn gelegen. Dit vormt derhalve geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

O 16087-4-RA-006 36

Daarnaast is aan de overzijde van het Spaarne sprake van een viertal windturbines aan de Jan Pieter Zondervanweg. De meest dichtstbijzijnde windturbine is op een afstand van circa 550 meter van het plangebied gesitueerd. In het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling zijn eisen opgenomen aangaande veiligheid. Rondom windturbines is een plaatsgebonden risicocontour van 10-6 gesitueerd waarbinnen geen kwetsbare objecten gerealiseerd mogen worden. Conform het vigerende bestemmingsplan 'Penningsveer' ter plaatse van de windturbines bedraagt deze afstand 57 meter. De beoogde ontwikkeling is hiermee op voldoende afstand van de windturbines gesitueerd. 4.5.4 Co n c l u s i e

Aangezien geen sprake is van risicovolle activiteiten in de nabije omgeving van het plangebied die om extra aandacht vragen en er geen risicovolle activiteit wordt ontplooid middels de beoogde ontwikkeling vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling. 4.6 B e d r i j v e n e n m i l i e u z o n e r i n g

4.6.1 A l g e m e e n

De beoogde ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Hierbij moet rekening gehouden worden dat de beoogde woningen op een passende afstand ten opzichte van omliggende bedrijfsactiviteiten worden gesitueerd. Bedrijven kunnen een impact hebben op hun omgeving. Hierbij is het van belang dat enerzijds de belangen van de bedrijven niet geschaad worden en anderzijds wordt gestreefd naar een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. In deze paragraaf zal dit aspect nader worden toegelicht. 4.6.2 We t t e l i j k k a d e r

Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) worden de bedrijfsactiviteiten van bedrijven ingedeeld in bepaalde milieucategorieën. Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'gevoelige' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder kan optreden ten gevolge van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). Indicatieve richtafstanden (voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar) voor woningen in de twee te onderscheiden 'omgevingen' bij verschillende bedrijfstypes (ingedeeld in milieucategorieën) zijn weergegeven in tabel 4.5.

O 16087-4-RA-006 37

t4.5 Indicatieve afstand in meters tot omgevingstype (bron: VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering') Categorie

Rustige woonwijk en rustig buitengebied

Gemengd gebied

1

10

0

2

30

10

3.1

50

30

3.2

100

50

4.1

200

100

4.2

300

200

5.1

500

300

5.2

700

500

5.3

1000

700

6

1500

1000

Volgens de voornoemde VNG-publicatie is de definitie van het omgevingstype gemengd gebied als volgt: 'Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven'. Daarnaast worden ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur zijn gelegen beschouwd als gemengd gebied. Het plangebied behoort, vanwege de ligging aan de Spaarndamseweg en de Spaarne, tot dit omgevingstype. De in tabel 4.5 weergegeven afstanden betreffen de afstanden tussen de perceelgrens van de activiteiten (niet de bebouwingsgrens) en de gevel van de (geluid)gevoelige bestemming (in casu woningen). De afstanden zijn volgens de VNG-brochure algemene richtafstanden en geen harde afstandseisen. Gemotiveerd afwijken van deze afstanden is mogelijk, zo volgt ook uit jurisprudentie. 4.6.3 B e o o r d e l i n g

Het voornemen betreft de realisatie van woningen. Om de inpasbaarheid hiervan te beoordelen zijn de bedrijfsactiviteiten in de omgeving van het plangebied geïnventariseerd. Aan de hand hiervan kan worden beoordeeld of wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. De inpasbaarheid van woningen in de omgeving is hierbij beoordeeld op basis van de maximaal planologische mogelijkheden conform de vigerende bestemmingsplannen. Indien niet aan richtafstanden wordt voldaan komt pas een beoordeling op basis van de feitelijke situatie aan bod. Maximaal planologische invulling

In de omgeving van het plangebied zijn met name woningen gesitueerd. Naast woningen zijn echter ook enige bedrijfsactiviteiten toegestaan. Op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Land in Zicht' kennen de gronden ten zuiden van het plangebied, gelegen in de Spaarne, de bestemming 'Recreatie'. Ter plaatse van deze gronden is onder andere een jachthaven, het uitoefenen van activiteiten gericht op dagrecreatie en verenigingsleven toegestaan. Deze bedrijfsactiviteiten behoren maximaal tot milieucategorie 3.1. Voor deze milieucategorie geldt in gemengd gebied een richtafstand van 30 meter.

O 16087-4-RA-006 38

De afstand van deze gronden tot de gevels van de beoogde woningen bedraagt circa 8 meter. Hiermee wordt niet aan de geldende richtafstand voldaan. In figuur 4.3 wordt deze bedrijvigheid, inclusief diens bijbehorende richtafstand, weergegeven. Enkel voor het direct ten zuiden gelegen perceel wordt niet aan de van toepassing zijnde richtafstand voldaan. f4.3 Richtafstanden omliggende bedrijvigheid (bron luchtfoto: Google Earth)

Fe i t e l i j k e s i t u a t i e

In de huidige situatie is ter plaatse van het ten zuiden gelegen terrein in de Spaarne, waarvoor op basis van de maximaal planologische mogelijkheden niet aan de richtafstand wordt voldaan, sprake van diverse (drijvende) voorzieningen en bouwwerken van scoutingvereniging Kon-Tiki. Op deze locatie vinden verenigingsactiviteiten plaats, en wordt de vloot en overig materieel gestald. Opslaggebouwen en clubhuizen behoren tot milieucategorie 2, waarvoor een richtafstand van 10 meter geldt in gemengd gebied. De daadwerkelijke bebouwing en opslagvoorzieningen op het ten zuiden gelegen terrein zijn op circa 10 meter afstand van de gevels van de beoogde woningen gelegen. Ter plaatse van de opslagvoorzieningen vinden echter geen activiteiten met een relevante milieu-impact plaats. De overige bebouwing van Kon-Tiki is op meer dan 10 meter afstand gesitueerd.

O 16087-4-RA-006 39

f4.4 Ligging bebouwing ten opzichte van Kon-Tiki

Daarnaast is geluid voor deze bedrijfsactiviteiten het maatgevend milieuaspect voor de beoordeling van de inpasbaarheid van de beoogde woningen. Naar alle verwachting is geen sprake van een onacceptabele situatie wat betreft geluid. Bij de planvorming wordt – o.a. middels onderlinge afspraken – rekening gehouden met de belangen van Kon-Tiki. Kon-Tiki is daarbij tevens in de gelegenheid gesteld om haar wensen in te brengen in het participatieproces ten behoeve van de uitwerking van de kade. In de toekomstige situatie zal hiermee een aantrekkelijke openbare ruimte ontstaan waar voldoende ruimte is om te spelen en verblijven, ook voor de leden van Kon-Tiki. 4.6.4 Co n c l u s i e

In voorliggende situatie zal naar verwachting sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. Daarnaast is scoutingvereniging Kon-Tiki, welke op korte afstand van de beoogde bebouwing is gelegen, betrokken bij de planvorming. Hiermee wordt zeker gesteld dat de belangen van Kon-Tiki niet worden geschaad, en dat een aantrekkelijk gebied ontstaat voor zowel bewoners als overige gebruikers. De beoogde ontwikkeling is op een passende afstand ten opzichte van overige bedrijvigheid gesitueerd en zal ook geen belemmeringen vormen voor de bedrijfsvoering van overige omliggende bedrijven.

O 16087-4-RA-006 40

4.7 B o d e m

4.7.1 A l g e m e e n

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient met betrekking tot de bodem rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de toekomstige functies. In deze paragraaf zal de bodemkwaliteit ter plaatse van de beoogde ontwikkeling inzichtelijk gemaakt worden. 4.7.2 We t t e l i j k k a d e r

Bij het opstellen van een bestemmingsplan of bij het plan tot afwijken van het bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht. De nieuwe bestemming moet immers passend zijn in relatie tot de bodemkwaliteit. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient een bodemonderzoek verricht te worden, dit vloeit voort uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Er dient onderzoek verricht te worden naar de bestaande situatie en of deze aansluit bij de toekomstige situatie. Op sterk verontreinigde grond zijn beperkingen met betrekking tot nieuwbouw. Hier mogen geen gevoelige objecten, zoals woningen, gerealiseerd worden. Op grond van artikel 8 van de Woningwet dient te worden voorkomen dat er gebouwd wordt op een bodem die zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers. Er moet duidelijk rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot toegelaten functies. 4.7.3 B e o o r d e l i n g

Om te kunnen beoordelen of de bodemkwaliteit passend is voor het toekomstige gebruik is door Van Dijk geo- en milieutechniek b.v. in 2021 een verkennend bodemonderzoek (bijlage 2) uitgevoerd. Uit de analyseresultaten blijkt dat de toplaag van de bodem ter plaatse van het perceel hooguit licht verontreinigd is met enkele zware metalen, PAK en/of PCB. De onderlaag is licht verontreinigd met kwik. Dergelijke verontreinigingen worden vaker vastgesteld in van oudsher bebouwde gebieden en kunnen derhalve gezien worden als een verhoogd achtergrondgehalte. Daarnaast is de grond als gevolg van de zogeheten AS3000-correctie licht verontreinigd met PCB. Het grondwater ter plaatse is enkel als gevolg van de AS3000-correctie licht verontreinigd met som dichlooretheen. Met betrekking tot de vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse kan worden geconcludeerd dat er gezien de geringe mate aan verontreiniging milieuhygiënisch gezien geen bezwaar is tegen de toekomstige herontwikkeling naar woningbouw.

O 16087-4-RA-006 41

4.7.4 Co n c l u s i e

Het aspect bodem vormt geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Uit verkennend bodemonderzoek volgt namelijk dat de bodemkwaliteit passend is voor het beoogde gebruik. 4.8 E c o l o g i e

4.8.1 A l g e m e e n

De beoogde ontwikkeling bevindt zich in reeds bebouwd gebied. Dit sluit echter niet uit dat er een effect kan zijn op de mogelijk aanwezige (beschermde) flora en fauna ter plaatse van de beoogde ontwikkeling en diens nabije omgeving. Met betrekking tot het aspect ecologie is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierna wordt nader ingegaan op dit aspect. 4.8.2 We t t e l i j k k a d e r We t n a t u u r b e s c h e r m i n g

Vanaf 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming ingegaan. Deze wet heeft 3 wetten samengevoegd: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Door hier één wet van te maken wordt deze makkelijker en duidelijker om toe te passen. Voor eenvoudige activiteiten (bijvoorbeeld reguliere onderhoudswerkzaamheden) is er voortaan een meldplicht. Voor activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning nodig blijft, moet deze binnen 13 weken worden gegeven. Bovendien bepalen vanaf 1 januari 2017 de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. Veel verschillende planten- en dierensoorten zorgen ervoor dat de natuur tegen een stootje kan. Sommige soorten, zoals vleermuizen, gierzwaluwen en steenuilen zijn kwetsbaar, goede natuurbescherming is daarom belangrijk. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. In de Wet natuurbescherming is er sprake van een brede soortenbescherming van dieren en planten, ook buiten de aangemelde beschermingszones. Er geldt een algemene zorgplicht voor alle planten- en dierensoorten.

Voor het opstellen van een nieuw bestemmingsplan of bij een plan tot afwijking van het bestemmingsplan dient alvorens onderzoek verricht te worden naar het effect hiervan op beschermde flora en fauna. Hierbij wordt onderzocht welke soorten, dieren en planten, aanwezig zijn in het plangebied. Wanneer planten- en dierensoorten, dan wel hun nesten of rustplaatsen worden aangetast kan ontheffing aangevraagd worden conform artikel 3 van de Wet natuurbescherming. In bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden kan ook vrijstelling verleend worden.

O 16087-4-RA-006 42

N a t u ra 2 0 0 0 - g e b i e d e n

Specifieke gebieden, genaamd Natura 2000-gebieden, worden beschermd op basis van Europese richtlijnen. Voor deze juridisch beschermde gebieden gelden per gebied specifieke instandhoudingsdoelen voor de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor beschermde natuur is een vergunning nodig. Op circa 2,1 km afstand van het plangebied ligt het meest nabijgelegen Natura 2000gebied 'Kennemerland-Zuid'. Ecologische hoofdstructuur

Gebieden behorend tot het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) worden beschermd via regelgeving onder de Wet ruimtelijke ordening. Het plangebied ligt niet in een gebied dat is aangewezen als beschermd gebied. 4.8.3 B e o o r d e l i n g Natuurgebieden

Het plangebied ligt op circa 2,1 kilometer van het Natura 2000-gebied de 'Kennemerland – Zuid'. Op een dergelijke afstand kan het aspect stikstofdepositie nog om aandacht vragen. Het meest nabijgelegen voor stikstofgevoelig natuurgebied betreft eveneens het gebied 'Kennemerland – Zuid'. In paragraaf 4.9 wordt het aspect stikstofdepositie nader beschouwd. Het plangebied ligt niet in of nabij het NNN. Negatieve effecten op het NNN, en overige natuurgebieden, zijn in voorliggende situatie uitgesloten. Flora en fauna

Door Van Dijk geo- en milieutechniek b.v. is in 2021 een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming (bijlage 3) uitgevoerd. Op basis van literatuuronderzoek en een veldbezoek is getoetst of wordt voldaan aan de Wet natuurbescherming. Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat het niet kan worden uitgesloten dat de huidige bebouwing van betekenis is voor vleermuizen. In de spouw van het pand kunnen vaste verblijfplaatsen niet worden uitgesloten. Voorafgaand aan de beoogde werkzaamheden is daarom nader onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen. Door Van Dijk geo- en milieutechniek b.v. is in 2022 een nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd (bijlage 4). Uit dit onderzoek volgt dat er ninnen en in de directe nabijheid van het plangebied géén vaste verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Daarnaast zijn er géén (massa) zwerm- of winterverblijfplaatsen, essentiële vliegroutes en/of belangrijke foerageergebieden van vleermuissoorten binnen of nabij het plangebied vastgesteld. Bij de beoogde ontwikkeling zal derhalve géén sprake zijn van vernietiging van individuen dan wel vaste verblijfplaatsen of essentieel leefgebied van vleermuizen. Op basis van het aanvullend onderzoek kan worden uitgesloten dat de voorgenomen sloopwerkzaamheden negatieve effecten hebben op vaste verblijfplaatsen en overig essentieel leefgebied van vleermuizen.

O 16087-4-RA-006 43

Het plangebied heeft naar alle verwachting geen betekenis voor overige beschermde dieren plantensoorten. Wel wordt opgemerkt dat alle broedvogels, nesten en eieren beschermd zijn in het kader van de Wet natuurbescherming. Indien de werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd worden mogelijk nesten verstoord of vernietigd. Derhalve dient rekening te worden gehouden met broedvogels in het algemeen. Indien mogelijk zullen de sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden buiten het reguliere broedseizoen worden opgestart. Mochten deze werkzaamheden toch tijdens het broedseizoen opgestart worden dan zullen de nodige vervolgstappen worden gezet om uit te sluiten dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Tot slot wordt opgemerkt dat te allen tijde de algemene zorgplicht in acht dient te worden genomen. Flora en fauna zal niet onnodig vernield, verstoord of gedood worden. Natuurinclusief bouwen

Bovendien zal in de uitwerking van de beoogde bebouwing aandacht uitgaan naar natuurinclusieve elementen. Zo voorziet het gebouw onder meer in nestmogelijkheden voor vogels, vleermuizen en insecten. De daken zullen zoveel mogelijk als groendak worden uitgevoerd. Dit dak draagt bij aan de ecologische waarde van het gebied. Bovendien heeft het dak een isolerende werking, alsmede bufferende werking. Hierdoor kan regenwater langer vastgehouden kan worden in het gebied. 4.8.4 Co n c l u s i e

Op basis van ecologisch onderzoek blijkt dat wat lokale flora en fauna betreft geen sprake zal zijn van een overtreding van de Wet natuurbescherming. Daarnaast zal rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht. Hiermee vormt het aspect ecologie geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.9 S t i k s t o f d e p o s i t i e

4.9.1 A l g e m e e n

Ter plaats van beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden) dient de stikstofdepositie te worden beoordeeld in het kader van de Wet natuurbescherming. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling ontstaat er een verandering van de emissie van stikstofhoudende verbindingen binnen het plangebied en daarmee ook van de stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat dit een negatief effect heeft op deze natuurgebieden. Hierna wordt nader ingegaan op dit aspect. 4.9.2 We t t e l i j k k a d e r

Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (verder genoemd Wnb) in werking getreden. De Wnb biedt de juridische basis voor de vergunningverlening met betrekking tot te beschermen natuurgebieden. In het kader van een toets aan de Wnb wordt bepaald of bedrijfsactiviteiten (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaken op de O 16087-4-RA-006 44

instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Hiertoe dienen de mogelijke effecten op soorten, habitats van soorten en op habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen in beeld te worden gebracht. Vanwege emissies van luchtverontreinigende stoffen is de storende factor 'vermesting' en 'verzuring' mogelijk relevant. Vermesting is de 'verrijking' van ecosystemen met met name stikstof en fosfaat, verzuring van bodem of water is een gevolg van de emissie van vervuilende gassen. De effecten van verzurende stoffen zijn niet altijd te scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend werkt (aanvoer van stikstof ). Diverse habitattypen in de Natura 2000-gebieden zijn gevoelig tot zeer gevoelig voor vermesting en verzuring. De gevoeligheid wordt uitgedrukt in een kritische depositiewaarde (KDW) per habitattype. Deze kritische depositiewaarde is de grens waarboven de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast als gevolg van verzurende en/of vermestende invloed van de atmosferische stikstofdepositie (N-depositie). Ten behoeve van toetsing van de mogelijke effecten dient de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden vanwege de voorgenomen activiteiten derhalve gekwantificeerd te worden. Vanaf 1 juli 2015 werd dit gedaan middels de Programma Aanpak Stikstof (PAS).

Met de invoering van het PAS was een vrijstelling van vergunningplicht geïntroduceerd in combinatie met een meldingsplicht. Op 29 mei 2019 heeft de Raad van State uitgesproken dat het PAS niet langer als toestemmingsbasis voor activiteiten mag worden gebruikt. Nadat provincies en Rijk het eens zijn geworden over een eenduidig beleid en regelgeving voor de vergunningverlening en stikstofaanpak, hebben de Gedeputeerde Staten in alle provincies tussen 29 oktober en 11 december 2019 de nieuwe provinciale beleidsregels vastgesteld. Op vrijdag 13 december zijn deze beleidsregels formeel in werking getreden. De beleidsregel bevat de voorwaarden voor het verlenen van vergunningen op basis van de Wet natuurbescherming. De voorschriften voor de mogelijkheid tot intern en extern salderen zijn vastgelegd. 4 Momenteel geldt bij alle activiteiten met een kans op een (significant) negatief effect een vergunningplicht in het kader van de Wnb. 4.9.3 B e o o r d e l i n g

Met de beoogde ontwikkeling vindt er een verandering plaats van de emissie van stikstofhoudende verbindingen als gevolg van de verkeersgeneratie van de functies binnen het plangebied. Derhalve dient in het kader van de Wet natuurbescherming de stikstofdepositie ter plaatse van de voor stikstof gevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden te worden onderzocht. Door Peutz is hiertoe nader onderzoek uitgevoerd (bijlage 5) naar het aspect stikstofdepositie. In dit onderzoek is de stikstofdepositie in de toekomstige situatie (zowel de gebruiksfase als aanleg-/bouwfase) vergeleken met de stikstofdepositie in de referentiesituatie. In de 4 Met uitzondering van extern salderen met bedrijven met dier- en fosfaatrechten. O 16087-4-RA-006 45

referentiesituatie is echter geen sprake van een relevante emissie aan stikstofhoudende verbindingen daar het transformatorstation ter plaatse van het plangebied niet meer in gebruik is. Uit het onderzoek volgt dat ten opzichte van deze situatie geen relevante toename aan stikstofdepositie is berekend ten gevolge van de gebruiksfase van de toekomstige situatie. Voor de gebruiksfase is namelijk geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Thans is het opstellen van het bestemmingsplan aan de orde waarmee de beoogde ontwikkeling van woningbouw mogelijk wordt gemaakt. In deze fase is nog geen gedetailleerde informatie aangaande de emissies als gevolg van de aanleg-/bouwfase beschikbaar. Echter kan – o.a. op basis van kentallen – wel geconcludeerd worden dat sprake is van een enigszins beperkende situatie wat stikstofdepositie betreft. Dit betekent dat – om een relevante emissie aan stikstofdepositie te voorkomen – de emissie als gevolg van de aanleg-/bouwfase in enige mate beperkt moet worden. Dit kan bijvoorbeeld door de toepassing van erg nieuw en/of elektrisch materieel, of door het aanhouden van een langere aanleg-/bouwperiode waarmee de emissies meer verspreid worden over een jaar. De mogelijkheden om de emissie aan stikstofhoudende verbindingen te beperken worden hiertoe thans verkend.

Indien het alsnog niet redelijkerwijs mogelijk blijkt om de emissies aan stikstofhoudende verbindingen te reduceren tot een situatie waarin geen sprake meer is van een toename aan stikstofdepositie zal een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd moeten worden. 4.9.4 Co n c l u s i e

Voor de gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling is geen sprake van een relevante toename aan stikstofdepositie ter plaatse van voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden. In deze fase is nog geen gedetailleerde informatie aangaande de emissies als gevolg van de aanleg-/bouwfase beschikbaar. Echter kan wel geconcludeerd worden dat sprake is van een enigszins beperkende situatie wat stikstofdepositie betreft. In dat kader worden thans de mogelijkheden verkend waarmee de emissie aan stikstofhoudende verbindingen kan worden beperkt. Een van de mogelijkheden betreft bijvoorbeeld de inzet van nieuwer en/of elektrisch materieel. Indien het alsnog niet redelijkerwijs mogelijk blijkt om de emissies aan stikstofhoudende verbindingen te reduceren tot een situatie waarin geen sprake meer is van een toename aan stikstofdepositie zal een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd moeten worden. 4.10 L u c h t k w a l i t e i t

4.10.1 A l g e m e e n

De realisatie van de beoogde ontwikkeling kan invloed hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied en de nabije omgeving. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het aspect luchtkwaliteit.

O 16087-4-RA-006 46

4.10.2 We t t e l i j k k a d e r We t m i l i e u b e h e e r

Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. In de Wet milieubeheer zijn hiertoe regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide (SO 2), stikstofdioxide (NO2) en stikstofoxiden (NO), fijnstof (PM 2,5/PM10), lood (PB), koolmonoxide (CO) en benzeen (C 6H6). In tabel 4.6 zijn de grenswaarden voor de meest relevante luchtkwaliteit bepalende verbindingen opgenomen. t4.6

Grenswaarden conform de Wet milieubeheer

Stof

Type norm

Concentratie in μg/mg/m3

PM10

Jaargemiddelde

40

Daggemiddelde (mag max. 35 keer per jaar worden overschreden)

50

PM2,5

Jaargemiddelde

25

NO2

Jaargemiddelde

40

Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar worden overschreden)

200

De overige in de Wet milieubeheer opgenomen verbindingen vormen geen probleem meer in Nederland. De concentraties van deze verbindingen vertonen een dalende trend en zijn dermate laag dat overschrijding van de daarvoor geldende grens- of richtwaarden redelijkerwijs uitgesloten is. Deze verbindingen worden dan ook niet nader beschouwd. Niet in betekenende mate

De afkorting NIBM staat voor 'Niet in betekenende mate bijdragen' aan de luchtverontreiniging. Het gaat dan bijvoorbeeld om een ruimtelijk project, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Dan is geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig. Kleine projecten waarvan vooraf duidelijk is dat deze de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' (NIBM) verslechteren, hoeven niet meer op luchtkwaliteit te worden getoetst. Dit is opgenomen in het Besluit niet in betekenende mate bijdrage luchtkwaliteitseisen. Het gaat daarbij om projecten die leiden tot een maximale bijdrage van 3% van de grenswaarde voor NO 2 en PM10. Artikel 2 van het Besluit NIBM geeft, in samenhang met bijlage 3A en 3B van de Regeling niet in betekende mate bijdrage luchtkwaliteitseisen (Regeling NIBM), aan dat de te verwachten toename van de jaargemiddelde concentratie PM 10 en NO2 < 1,2 μg/mg/m 3 (3% van de grenswaarde) bedraagt indien het aantal woningen < 3000 bedraagt bij minimaal 2 ontsluitingswegen en < 1500 bij 1 ontsluitingsweg. De realisatie van 150 woningen kan aldus als NIBM worden beschouwd. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt in de voorliggende notitie op kwantitatieve wijze ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit en vice versa. Advieswaarden WHO O 16087-4-RA-006 47

De Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) heeft in 2005 advieswaarden opgesteld voor een aantal stoffen. Deze zijn in het algemeen strenger dan de in de wet Milieubeheer gehanteerde grenswaarden. De WHO-advieswaarden zijn in september 2021 aangescherpt en zijn 15 μg/mg/m 3 voor PM10, 5 μg/mg/m3 voor PM2,5 en 10 μg/mg/m3 voor NO2. De WHO-advieswaarden uit 2005 bedroegen tot die tijd 20 μg/mg/m3 voor PM10, 10 μg/mg/m3 voor PM2,5 en 40 μg/mg/m3 voor NO2. 4.10.3 B e o o r d e l i n g

De beoogde ontwikkeling kan mogelijk een effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse van de omgeving van het plangebied. De beoogde ontwikkeling zal ruimte bieden voor circa 150 woningen. Het aantal woningen is hiermee ruimschoots onder de 1.500 gelegen, de voorgenomen woningbouw betreft daarom een ontwikkeling die als NIBM kan worden aangemerkt. Daarnaast wordt echter eveneens voorzien in een horecagelegenheid en gemeenschappelijke voorzieningen. Volledigheidshalve is het effect van de beoogde ontwikkeling op de luchtkwaliteit nader beschouwd. Om het effect van de beoogde ontwikkeling op de luchtkwaliteit in beeld te kunnen brengen dient de verkeersaantrekkende werking van de beoogde functies binnen het plangebied bepaald te worden. Aan de hand van CROW-kencijfers is in paragraaf 4.4 de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling bepaald. Hieruit volgt dat de beoogde woningbouwontwikkeling maximaal een verkeersgeneratie van 390 verkeersbewegingen per weekdagetmaal kent. Overigens wordt hierbij opgemerkt dat dit aantal motorvoertuigen, gezien het te verwachten lage autobezit van de doelgroep van de beoogde ontwikkeling, naar verwachting in de werkelijkheid lager zal zijn. De verkeersgeneratie ten gevolge van de huidige bestemming kan hierbij doorgaans in mindering worden gebracht. In de huidige situatie is echter sprake van een buiten gebruik zijnde transformatorstation.

De huidige invulling van het plangebied zal daarom naar verwachting nauwelijks tot geen verkeer genereren en wordt derhalve buiten beschouwing gelaten. Resumerend zal de toename van de verkeersgeneratie ten gevolge van de beoogde ontwikkeling maximaal 390 verkeersbewegingen per weekdagetmaal bedragen. Hierbij wordt opgemerkt dat de horecagelegenheid en de gemeenschappelijke voorzieningen buiten beschouwing worden gelaten, aangezien deze functies op de bewoners (en directe omwonenden) van het appartementencomplex zijn gericht en derhalve niet tot extra verkeer leiden. Daarnaast betreft het aantal verkeersbewegingen van 390 reeds een overschatting, waarmee ook als deze functies wel enige verkeersaantrekkende kennen geen sprake zal zijn van meer verkeersbewegingen per etmaal. Met behulp van de NIBM tool is beoordeeld of de beoogde ontwikkeling leidt tot een in betekende mate bijdrage aan de luchtkwaliteit. Figuur 4.5 geeft de uitkomst van de gevolgen voor de luchtkwaliteit weer, waaruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

O 16087-4-RA-006 48

f4.5 Uitkomst NIBM-tool

Gezien voorgaande kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de luchtkwaliteit bepalende verbindingen in de omgeving van het plangebied. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de heersende generieke achtergrondconcentraties van PM 2,5, PM10 en NO2 inzichtelijk gemaakt. Ter hoogte van het plangebied is in 2020 (conform de NSL 5-monitoringstool) sprake van een concentratie van 9,1 μg/mg/m3 voor PM2,5, 18,1 μg/mg/m3 voor PM10 en 19,6 μg/mg/m3 voor NO2. Ter plaatse van het plangebied wordt aldus ruimschoots aan de geldende grenswaarden conform de Wet milieubeheer voldaan. Bovendien zal in 2030 naar verwachting sprake zijn van een concentratie van 7,9 μg/mg/m3 voor PM2,5, 16,5 μg/mg/m3 voor PM10 en 13,9 μg/mg/m3 voor NO2. Hiermee is ook in de toekomst sprake van een passende luchtkwaliteit. Opgemerkt wordt dat hiermee niet aan de WHO-advieswaarden wordt voldaan. De verwachting is dat de luchtkwaliteit in de verdere toekomst nog sterker zal verbeteren. Daarnaast heeft de beoogde ontwikkeling in ieder geval geen verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg. 4.10.4 Co n c l u s i e

De beoogde ontwikkeling draagt naar verwachting in niet betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit waarmee de luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling. 4.11 W a t e r

4.11.1 A l g e m e e n

De beoogde ontwikkeling heeft mogelijke effecten op de inrichting van het watersysteem en de waterberging/afvoer. In deze paragraaf wordt het aspect water inzichtelijk gemaakt.

5 Het Nederlands Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit. O 16087-4-RA-006 49

4.11.2 We t t e l i j k k a d e r Europees beleid

In 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water vastgesteld met als doel het bereiken van een goede toestand in de wateren in de gemeenschap en het bijdragen aan de beschikbaarheid van voldoende oppervlaktewater en grondwater van een goede kwaliteit voor een duurzaam, evenwichtig en billijk gebruik van water. Rijksbeleid

Het Nationaal Waterplan is de rijksnota voor het nationale waterbeleid en wordt op basis van de Waterwet eens per 6 jaar opgesteld. In het Nationaal Waterplan, opgesteld in december 2015, zijn de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050 opgenomen. Het Nationaal Waterplan streeft naar het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hoogheemraadschap van R ijnland

Het plangebied valt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het algemeen bestuur van Rijnland heeft op 9 maart 2016 het nieuwe Waterbeheerplan (WBP5) vastgesteld, voor de periode 2016 tot en met 2021. In dit document staan de ambities voor deze periode met betrekking tot het watersysteem. De strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren staan hierin beschreven. Het plan beschrijft de doelen voor het waterbeheer en de financiële consequenties daarvan. Het Hoogheemraadschap van Rijnland streeft naar een toekomstbestendig watersysteem. Kerntaken zijn hierbij de waterveiligheid, het waterbeheer, de waterkwaliteit en afvalwaterverwerking. Elk waterschap hanteert naast de Waterwet haar eigen regionale regels. Deze regels zijn opgenomen in de Keur. In de Keur staat wat wel en niet is toegestaan in het water en er omheen. Hier zijn regels opgenomen over het gebruik en onderhoud van het watersysteem. Op basis van de Keur kan worden bepaald of voor een bepaalde activiteit een watervergunning aangevraagd dan wel een watermelding ingediend moet worden. 4.11.3 B e o o r d e l i n g

De impact van de beoogde ontwikkeling op het watersysteem is nader beoordeeld. Het plangebied betreft een stedelijk gebied waarbij geen sprake is van grote wateroppervlakten. Wel bevinden er zich waterlopen. In figuur 4.6 wordt een uitsnede van de Legger van het Hoogheemraadschap van Rijnland weergegeven waarop de ligging van deze watergangen is aangegeven. Middels de beoogde ontwikkeling vinden er echter geen wijzigingen plaats aan de nabijgelegen watergangen. Daarnaast is geen sprake van een ligging binnen een beschermingszone of overig

O 16087-4-RA-006 50

f4.6 Uitsnede Legger Hoogheemraadschap van Rijnland

Op grond van de Keur van het Hoogheemraadschap Rijnland moeten bij ruimtelijke ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt maatregelen worden getroffen om de negatieve effecten (grotere aan- en afvoer van water) te voorkomen. Doel hiervan is het beperken van de versnelde lozing van hemelwater als gevolg van uitbreiding van verhard oppervlak. Indien het grotere verhardingen betreft, kan dit tot gevolg hebben dat de capaciteit van de ontvangende oppervlaktewaterlichamen over benut wordt, hetgeen wateroverlast tot gevolg kan hebben. Om te voorkomen dat individuen bij de realisatie van iedere kleine voorziening maatregelen moeten treffen, is een ondergrens ingesteld. Bij kleine uitbreidingen van het verharde oppervlak tot 500 m 2 zal ook sprake zijn van versnelde afvoer van neerslag. In beginsel zullen de negatieve effecten van dergelijke verhardingen echter zeer beperkt zijn. In de huidige situatie is het plangebied reeds voor het overgrote deel verhard. De beoogde ontwikkeling leidt tot een toename aan verhard oppervlak binnen het plangebied. Naar alle verwachting wordt daarbij de grens van 500 m 2 overschreden. Vooralsnog wordt, als gevolg van de realisatie van de beoogde bebouwing en overige verharding, een toename aan verharding van 635 m2 voorzien. In de toekomstige situatie is sprake van 1.707 m 2 aan bebouwing, en 943 m 2 aan overige verharding.

In voorliggende situatie zullen er conform de regels van het Hoogheemraadschap dan ook compenserende maatregelen getroffen moeten worden. In eerste aanleg houdt dit in dat een nieuw wateroppervlak ter grootte van 15% van de toename gerealiseerd dient te worden. In dit geval bedraagt dit 96 m 2. Mocht de toename aan verharding hoger uitvallen dan zal dit uiteraard ook op adequate wijze meegenomen worden in de compensatieopgave. Soms kan ook anders gecompenseerd O 16087-4-RA-006 51

worden, zoals door gebruik te maken van reeds ander gegraven oppervlaktewater in de voorgaande jaren of de Berging Rekening Courant. Voor de compensatieplicht kan ook gedacht worden aan het realiseren van een alternatieve waterberging. Dit betreft bijvoorbeeld wadi's, polderdaken en bergingskelders. Door MUG ingenieursbureau is in september 2022 voor de beoogde ontwikkeling nader beschouwd op welke wijze kan worden voldaan aan de eisen omtrent de waterhuishouding. Niet alleen is daarbij rekening gehouden met de compensatieopgave van 96 m 2, maar ook met de mogelijkheden om de piekbelasting van hemelwater te kunnen opvangen. Deze piekbelasting zal zoveel mogelijk worden opgevangen, en waar mogelijk in de bodem worden geïnfiltreerd. In het onderzoek van MUG ingenieursbureau wordt voorts aangegeven dat er geen ruimte is ter plaatse van het plangebied om extra wateroppervlak te creëren. In voorliggende situatie zal de compensatieplicht naar verwachting worden ingevuld door de toepassing van infiltratiekratten. Deze zullen onder andere onder het parkeeroppervlak worden gesitueerd. Vanwege de ligging onder het gebouw is gekozen voor een reinigbaar infiltratiekrattensysteem. De infiltratiekratten hebben een hoogte van 600 mm. Het oppervlak van de infiltratievoorziening dient daarbij 375 m 2 te bedragen.

In figuur 4.7 wordt aangegeven waar de infiltratiekratten mogelijk gesitueerd worden. f4.7 Ligging infiltratiekratten

Op welke wijze exact invulling wordt gegeven aan de compensatieplicht zal nog nader worden afgestemd. Daarnaast zal rekening gehouden moeten worden met het voorzien in voldoende waterberging. De daken zullen zoveel mogelijk groen worden uitgevoerd. De groendaken dragen bij aan de ecologische waarde en kennen een bufferende werking waarmee regenwater langer kan worden vastgehouden. Opgemerkt wordt dat deze groendaken naar verwachting niet de oplossing zijn voor de gehele compensatieopgave. Wel kunnen groendaken bijvoorbeeld bijdragen aan de mogelijkheden om de piekbelasting van hemelwater op te vangen. O 16087-4-RA-006 52

De beoogde ontwikkeling heeft verder in zijn geheel een beperkte invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. De beoogde ontwikkeling zal op zorgvuldige wijze worden aangesloten op het rioleringsstelsel. Resumerend kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling naar verwachting geen verslechtering van het watersysteem als gevolg heeft. Bij de uitwerking van de bouwplannen zullen de van toepassing zijnde regels van het Hoogheemraadschap Rijnland in acht worden genomen. Waar nodig vindt daarbij nadere afstemming plaats. 4.11.4 Co n c l u s i e

De beoogde ontwikkeling zal geen negatieve effecten hebben op het lokale watersysteem. Bij de uitwerking van de bouwplannen zullen de van toepassing zijnde regels van het Hoogheemraadschap Rijnland in acht worden genomen. Waar nodig vindt daarbij nadere afstemming plaats. De kwaliteit, kwantiteit en veiligheid van het water blijven gewaarborgd. Derhalve levert het aspect water geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling. 4.12 B e z o n n i n g

4.12.1 A l g e m e e n

De realisatie van nieuwbouw kan gevolgen hebben voor de schaduwwerking in de omgeving. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wenselijk om jaarrond een aangenaam bezonningsklimaat in de omgeving te behouden. Derhalve is de schaduwwerking van de beoogde bebouwing inzichtelijk gemaakt. 4.12.2 To e t s i n g s k a d e r

Binnen Nederland worden er geen formele eisen gesteld aan de bezonning van woningen of andere bouwwerken. Gemeenten zijn dus vrij om hun eigen eisen te stellen aan de bezonning. Wel bestaan er de zogenaamde 'lichte' en 'strenge' TNO-norm voor bezonning van woonkamers. Deze vinden hun oorsprong in het woonwaarderingsstelsel uit 1962. Volgens de lichte TNO-norm is er sprake van een voldoende bezonning bij tenminste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober (gedurende 8 maanden) ter plaatse van het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam. Volgens de strenge TNO-norm is er sprake van een goede bezonning bij tenminste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari tot en met 22 november (gedurende 10 maanden) ter plaatse van het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam. Er zijn ons echter geen gemeenten bekend die de strenge TNOnorm hanteren. Gemeenten met eigen bezonningseisen hebben deze meestal gebaseerd op de lichte TNO-norm. Gemeente Haarlem heeft aangegeven bij de beoordeling van de bezonningssituatie in eerste aanleg aan te sluiten op de lichte TNO-norm. De gemeente kent echter geen beleid waarin deze bezonningsnormen zijn vastgelegd.

O 16087-4-RA-006 53

4.12.3 B e o o r d e l i n g

In het kader van een goede ruimtelijke ordening vraagt de schaduwwerking van de beoogde bebouwing op de omgeving om aandacht. De maximale bouwhoogte bedraagt 24 meter. Uit de bezonningsstudies, welke onder andere zijn uitgevoerd ten behoeve van het stedenbouwkundig plan, komt naar voren dat in het voor- en najaar door het nieuwe gebouw niet tot nauwelijks zon weggenomen wordt van de gevels van de omliggende woningen, zie figuur 4.8. f4.8 Bezonningssituatie 21 maart

In de zomer is de impact van het gebouw op de bestaande omliggende bebouwing zelfs geheel te verwaarlozen, zie figuur 4.9. Dit komt deels de relatief ruime afstand tussen de beoogde bebouwing en de bestaande bebouwing. Het plangebied wordt immers omsloten door wegen.

O 16087-4-RA-006 54

f4.9 Bezonningssituatie 21 juni

Een effect op de bezonning zal dus voornamelijk optreden als de schaduwen lang zijn, in de wintermaanden. In figuur 4.10 wordt deze situatie weergeven. Opgemerkt wordt dat zowel bij de lichte als zware TNO-norm in ieder geval december buiten beschouwing wordt gelaten. De zon staat dan dermate laag dat het in veel gevallen niet redelijkerwijs haalbaar is om te voldoen aan de bezonningsnorm. f4.10 Bezonningssituatie 21 december

Resumerend gesteld zal de beoogde ontwikkeling naar alle verwachting niet leiden tot een afname van de bezonning waarmee het aantal bezonningsuren ter plaatse van omliggende woningen dusdanig afneemt zodat niet meer wordt voldaan aan de zogeheten lichte TNOnorm. Door de geïsoleerde ligging, in combinatie met de beperkte bouwhoogte, zijn de effecten van de beoogde ontwikkeling op de omgeving wat bezonning betreft relatief beperkt. Ten aanzien van bezonning wordt de situatie na realisatie van de beoogde ontwikkeling aanvaardbaar geacht.

O 16087-4-RA-006 55

4.12.4 Co n c l u s i e

Na de realisatie van de beoogde ontwikkeling is geen sprake van een onacceptabele schaduwwerking in de omgeving van de beoogde bebouwing. Naar verwachting zal de beoogde ontwikkeling niet leiden tot een situatie waardoor het aantal bezonningsuren ter plaatse van omliggende woningen dusdanig afneemt zodat niet meer wordt voldaan aan de zogeheten lichte TNO-norm. Door de geïsoleerde ligging, in combinatie met de beperkte bouwhoogte, zijn de effecten van de beoogde ontwikkeling op de omgeving wat bezonning betreft relatief beperkt. Het aspect bezonning levert hiermee geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling. 4.13 W i n d h i n d e r

4.13.1 A l g e m e e n

De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van bebouwing welke 50% boven de gemiddelde hoogte van de omgevingsbebouwing uitsteekt, waardoor in het kader van een goede ruimtelijke ordening rekening gehouden dient te worden met het aspect windhinder. In de voorliggende paragraaf zal het aspect windhinder nader beschouwd worden. 4.13.2 We t t e l i j k k a d e r

In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving ter voorkoming van windhinder. Echter, voor een goede ruimtelijke ordening is het nodig dat het aspect windhinder wordt meegenomen in de afwegingen. Daarvoor is het in kaart brengen van mogelijke windhinder of windgevaar in de beoordeling noodzakelijk. De beoordeling van het windklimaat met betrekking tot windhinder en windgevaar, is daarbij in Nederland vastgelegd in de norm NEN 8100. Hierin wordt aangegeven wanneer onderzoek naar wind bij bouwwerken nodig is, hoe het onderzoek moet worden uitgevoerd, aan welke eisen moet worden getoetst en hoe rapportage moet plaatsvinden. Omdat de geplande bebouwing meer dan 50% boven de gemiddelde hoogte van de omgevingsbebouwing uitsteekt, is in deze situatie sprake van een onbeschutte ligging. De geplande bebouwing valt hiermee in de categorie onbeschut gelegen gebouwen tot 30 meter hoogte, waarvoor het oordeel van een windhinderdeskundige is vereist voor de beslissing of een windklimaatonderzoek noodzakelijk is. In dit geval wordt, gezien de zeer open ligging van het plangebied, een windklimaatonderzoek noodzakelijk geacht. Windhinder is iets wat in geen geval geheel te voorkomen is: als het stormt is de wind hinderlijk, wat voor maatregelen er ook getroffen worden. Het is daarom ook de kans op windhinder, die maatgevend gehouden wordt voor de beoordeling van het windklimaat.

Voor windhinder wordt een drempelwaarde v DR;H aangehouden van 5 m/s uurgemiddelde windsnelheid op loop- of verblijfsniveau. Bij deze windsnelheid gaan mechanische effecten bij de ervaring van het windklimaat een rol spelen zoals bijvoorbeeld het omslaan van paraplu’s, in de ogen waaien van stof en in meer extreme vorm het dichtwaaien van een autoportier en dergelijke. O 16087-4-RA-006 56

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12307910/2