CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Bijlage 1a Ruimtelijke onderbouwing

commissie Ontwikkeling 26 juni 2025, gemeente HaarlemBij agendapunt: 22.15 uur Verklaring van geen bedenkingen Zonneweide Schoteroog (FR/RB)26.203 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De beoordeling in deze paragraaf richt zich dan ook in hoofdzaak op het zonnepark, maar omwille van de samenhang kan een beschouwing van het geheel bijdragen aan de beeldvorming.

Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO

Pagina | 28

Van belang is de situering binnen het NNN en de Stelling van Amsterdam. Zodoende zijn de onderwerpen energietransitie, cultuurhistorie en natuur van belang. Onderstaand wordt kort stilgestaan bij de diverse provinciale principes en bewegingen, voor zover relevant voor de ontwikkeling. Leefomgevingskwaliteit (overkoepelend) Het belang van de leefomgevingskwaliteit kent overkoepelende principes. De volgende principes raken aan de ontwikkeling: 1.

Ontwikkelingen en beheer passend bij het landschap: Noord-Holland beschikt over een rijke variatie aan (open) landschappen, ruimtelijke structuren, aardkundige en archeologische waarden, cultuurhistorie en gebouwd (wereld)erfgoed. De provincie onderscheidt zich door haar openheid, de grote afwisseling en de contrasten in het landschap. Deze karakteristieken reflecteren de rijke ontstaansgeschiedenis. Voor de leefomgevingskwaliteit is het essentieel deze waarden en karakteristieken van landschap en cultuurhistorie te benoemen, te behouden, waar nodig adequaat te herstellen en waar mogelijk te versterken en te ontwikkelen. En het gaat er om ontwikkelingen en transities te benutten om een goede landschapskwaliteit in stand te houden en zo nodig te creëren. Relatie tot energielandschap: De noodzakelijke energietransitie biedt kansen voor het optimaal benutten van het landschap in combinatie met behoud van de diverse waarden en kernkwaliteiten. Voormalige stortlocaties en gebieden waarin al windenergie wordt opgewekt, hebben potentie om te worden ingezet voor meervoudig ruimtegebruik. Het projectgebied is echter ook ten dele gelegen in de Stelling van Amsterdam en is daardoor gehouden aan het behoud van de bijbehorende uitzonderlijke universele waarden daarvan.

Om de waarden in stand te laten en waar mogelijk te versterken, is het initiatief in samenspraak met diverse partijen uitgewerkt, waaronder de provincie Noord-Holland. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de kernkwaliteiten van de locatie. Voor het energielandschap is relevant om te vermelden dat het zonnepark wordt opgericht buiten de begrenzing van het UNESCO-werelderfgoedgebied. Versterking van natuurwaarden en recreatieve functies binnen het gebied, doen geen afbreuk aan de kernkwaliteiten.

2.

Nieuwe ontwikkelingen natuurinclusief: Bij alle ontwikkelingen wordt gestreefd naar het vergroten van de biodiversiteit. Meer biodiversiteit draagt bij aan een duurzame agrifoodsector en andersom en tevens aan een gezonde leefomgeving. Het gaat daarbij niet alleen om het vergroten van het aantal hectares aan natuur, maar ook om het maken van slimme combinaties waarmee kwaliteit wordt toegevoegd. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) blijft wel de basis van de natuurstructuur. Relatie tot energielandschap: Een belangrijke afweging bij het maken van het ontwerp richting energielandschap is de aanwezige natuurwaarde en het versterken daarvan. Zonneparken kennen in de regel potentie voor het vergroten van de biodiversiteit, doordat de gronden onder en rondom de panelen worden ingezaaid met (schaduwminnende) bloem- en kruidenmengsels die gelijktijdig een positief effect hebben op de biodiversiteit ter plaatse. Bijen, libellen, vlinders en andere gewervelden profiteren daarbij van de groene energieproductie die tot stand komt. In aanvulling daarop wordt in dit initiatief specifiek aandacht besteed aan het toevoegen van natuur rondom de panelen, zodat de diverse belangen die in dit gebied een rol spelen in balans blijven. Het initiatief past daarmee binnen dit principe.

Nieuwe energie (onderwerpspecifiek) In de Omgevingsvisie NH2050 is de doelstelling opgenomen om ruimte te bieden aan onder meer energietransitie, in het licht van een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor. In de beweging Nieuwe energie staat dat de provincie in 2050 klimaatneutraal en volledig circulair wil zijn, gekoppeld aan het Klimaatakkoord om in 2030 49% CO2-reductie te behalen. Daarom wordt ruimte geboden aan energietransitie. Om te kunnen voorzien in de behoefte aan elektriciteit is energie nodig die wordt opgewekt op land en op zee. Niet overal op het vasteland zijn dezelfde omstandigheden voor allerlei duurzame-energievormen. Het gaat om een optimale energiemix, verwoord in ontwikkelprincipe 14: de regionale optimale energiemix voor opwekking van hernieuwbare energie in de ondergrond, op de bovengrond en in de bebouwde omgeving past bij de regionale landschappelijke en gebiedskwaliteiten en de economische kansen. De provincie is voorstander van de toepassing van zonne-energie. In ieder geval kan zonne-energie goed

Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO

Pagina | 29

worden toegepast in de gebouwde omgeving. Dit blijft de Provincie stimuleren, onder meer via het Servicepunt Duurzame Energie. Maar ook in het landelijk gebied liggen er, onder voorwaarden, kansen. De provincie wil wel zorgdragen voor de kwaliteit van het Noord-Hollandse landschap en de Noord-Hollandse economie. Om wildgroei van zonneparken in het landschap te voorkomen worden een aantal voorwaarden gesteld. Goede landschappelijke inpassing en de aansluiting op bestaande functies zijn randvoorwaardelijk bij de realisatie van zonneparken in Noord-Holland. In lijn met de Omgevingsvisie NH2050 wordt een onderscheid gemaakt in de draagvermogens van verschillende landschappen. De ambities uit de Omgevingsvisie op het gebied van energietransitie worden onder meer via de Regionale Energiestrategieën (RES) verder uitgewerkt. Paragraaf 3.3 van voorliggende ruimtelijke onderbouwing gaat in op de RES 1.0 Noord-Holland Zuid. Een van de prominente onderwerpen bij deze ontwikkeling is het voorzien in nieuwe vormen van energie. De duurzame energie-mix binnen dit project omvat de gecombineerde toepassing van wind- en zonne-energie. De volgende bewegingen hebben raakvlakken met dit project: 1.

Optimale energiemix: Noord-Holland kenmerkt zich door regio’s die door natuurlijke omstandigheden (geologische, geomorfologisch en klimatologisch) specifieke kwaliteiten hebben: relatief windrijk, veel zonuren en de beschikbaarheid van aardwarmte. Het is zaak deze kwaliteiten optimaal te benutten voor de opwekking van hernieuwbare energie (elektriciteit en lage-temperatuurwarmte), zonder onaanvaardbare inbreuk te doen op landschappelijke en gebiedskwaliteiten. Binnen dit kader geldt als uitgangspunt dat gebruik wordt gemaakt van die vormen van duurzame energie, die zorgen voor de meeste energieopbrengst tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. Relatie tot energielandschap: De locatie op Schoteroog heeft in het verleden al gediend als locatie voor het opwekken van duurzame energie, namelijk middels de vier windturbines langs de Windturbineweg. Helaas zijn deze windturbines niet meer in bedrijf. Omdat initiatiefnemer geen eigenaar is van de turbines, ligt het ook niet binnen zijn invloedssfeer deze weer in gebruik te nemen. Voor zover bekend bestaan er evenwel plannen nieuwe windmolens te plaatsen. Omdat daaromtrent geen zekerheden zijn, wordt dit in voorliggende paragraaf verder buiten beschouwing gelaten. In de beoogde toekomstige situatie wordt de functie van duurzame energieopwekking op de locatie nieuw leven in geblazen door een zonnepark te realiseren.

Doordat Noord-Holland zich onder andere kenmerkt door relatief veel zonuren, is zonne-energie een kansrijke vorm van duurzame energieopwekking op de locatie. Zonnepanelen op Schoteroog sluiten (andere vormen van) duurzame energieopwekking elders binnen de provincie bovendien niet uit. Een aanvulling op het areaal blijft noodzakelijk om aan de landelijke energietransitie te voldoen. Het zonnepark levert dan ook een bijdrage aan de verwezenlijking van he realiseren van een optimale energiemix in de provincie Noord-Holland. Omdat zonneparken inmiddels geen nieuw fenomeen meer zijn, worden ze steeds innovatiever en kunnen ze steeds vaker tegen lagere kosten worden opgericht. Daarmee blijft ook de impact op de maatschappelijke kosten laag. Daarnaast is in het landschappelijk inpassingsplan bij de vormgeving van het park expliciet rekening gehouden met landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de locatie. Het projectplan is gelet op het bovenstaande in lijn met deze beweging. 2. Vraag en aanbod gebundeld: Economische en andere stedelijke activiteiten kunnen van elkaars nabijheid profiteren. Het is zaak daarmee rekening te houden bij het reserveren van ruimte voor deze activiteiten. Zo nemen de kansen op synergie toe.

Dat geldt in het bijzonder voor energietransitie: het bundelen van vraag en aanbod is voordelig: er is dan minder energieverlies ende ruimte wordt efficienter gebruikt. Relatie tot energielandschap: Binnen het voorliggende initiatief staat bundeling van functies en de diverse belangen centraal. Door in te zetten op duurzame energie in combinatie met recreatie en natuur, wordt de ruimte efficiënt benut. Ook het plaatsen van zonnepanelen in een gebied waar mogelijkheden bestaan ook andere vormen van duurzame energie op te wekken (bijvoorbeeld wanneer de windmolens worden vervangen), kenmerkt zich door de voordelen van dubbel ruimtegebruik. Geconcludeerd wordt dat het plan in lijn is met deze beweging. Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO

Pagina | 30

Conclusie Het initiatief raakt aan diverse provinciale belangen, maar biedt potentie om een belangrijke bijdrage te leveren aan de doelstellingen zoals geformuleerd in het beleid. Belangrijk daarbij is om oog te blijven houden met de kernkwaliteiten van het NNN en de Stelling van Amsterdam. Concrete regels die daartoe strekken zijn opgenomen in de Omgevingsverordening NH2020 en worden besproken in de navolgende paragraaf. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in lijn is met de Omgevingsvisie NH2050.

Omgevingsverordening NH2020 In de Omgevingsverordening NH2020 zijn regels samengevoegd op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water. De provincie wil met de omgevingsverordening ontwikkelingen, zoals woningbouw en de energietransitie, mogelijk maken en zet in op het beschermen van mooie en bijzondere gebieden in Noord-Holland. Er wordt gezocht naar een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid. De geconsolideerde versie van de vigerende Omgevingsverordening NH2020 is van 1 januari 2023. De belangrijkste belangrijke ambities voor Noord-Holland, zoals omschreven in de Omgevingsvisie, zijn middels concrete regelgeving verankerd in de Omgevingsverordening NH2020. Relatie tot ontwikkeling Uit raadpleging van de digitale planviewer van de provincie kan worden vastgesteld welke locatiespecifieke belangen een rol spelen. Daarnaast dient gekeken te worden naar mogelijk onderwerpspecifieke bepalingen, zoals de opwekking van duurzame energie. Op basis van de viewer (geraadpleegd op 20 mei 2021), komende in ieder geval de onderwerpen naar boven die zijn weergegeven op figuur 21. In aanvulling daarop gelden nog de projectspecifieke bepalingen ten aanzien van zonne-energie. Figuur 21. Uitsnede digitale planviewer (bron: https://noord-holland.tercera-ro.nl/MapViewer/).

In bijlage 1 is een beknopte toets opgenomen van alle de relevante bepalingen. De bepalingen zijn in tabelvorm behandeld en omwille van de leesbaarheid van voorliggend document niet opgenomen in deze paragraaf maar verplaatst naar de bijlagen. Enkele onderdelen behoeven een nadere toelichting. Het betreft de bepalingen ten aanzien van de gesloten stortplaatsen, stedelijke ontwikkelingen, zonne-energie, Natuurnetwerk Nederland, de Stelling van Amsterdam en de ruimtelijke kwaliteitseis bij ontwikkelingen in het landelijk gebied. Die onderdelen worden hieronder besproken. Voor het overige wordt verwezen naar de bijlagen en geldt dat geen belemmeringen worden verwacht of de betreffende bepalingen op dit specifieke project niet van toepassing zijn. 1. Gesloten stortplaatsen Afdeling 4.5 geeft regels over stortplaatsen die na 1996 zijn gesloten. De projectlocatie, Schoteroog, betreft een oude gemeentelijke stortplaats. Na sluiting in 1998 is de locatie gesaneerd, afgewerkt met een folie en laag grond en heringericht tot een recreatiegebied van circa 10 hectare. Op grond van het in artikel 4.52 vervatte verbod, is het niet toegestaan op de gesloten stortplaats te bouwen, de gronden als stortlocatie te gebruiken of andere handelingen te verrichten die de nazorg kunnen belemmeren of de nazorgvoorzieningen te

Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO

Pagina | 31

beschadigen. Voor een eventuele ontheffing is in elk geval randvoorwaardelijk dat er aantoonbaar geen nadelige gevolgen zijn voor de milieukundige nazorg van de stortplaats. Toestemming van de provincie is randvoorwaardelijk om met goed gevolg de noodzakelijke planologische procedure te kunnen doorlopen. Middels onderzoek of anderszins dient te worden aangetoond dat het plaatsen van panelen en het uitbreiden van de bestaande ‘nieuwe’ natuur, alsmede de eventuele uitbreiding van recreatieve voorzieningen, de nazorg en daartoe getroffen maatregelen belemmeren dan wel beschadigen. Dit aspect vormt daarmee een randvoorwaarde voor de ontwikkeling. Onderdeel van de planologische procedure vormt de afstemming met de bestuurlijke partners, waaronder de provincie Noord-Holland. Voor zover uit deze afstemming nadere randvoorwaarden komen, worden die zo nodig in de ruimtelijke onderbouwing verwerkt. 2. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen Op basis van artikel 6.3 kan een ruimtelijk plan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. De toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking staat daarbij centraal. Voor de toets aan dit artikel, dient in de eerste plaats te worden beoordeeld of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Deze toets beperkt zich tot het beoogde zonnepark, aangezien de windmolens, recreatie en natuur reeds planologisch toegestaan en feitelijk aanwezig zijn. Bijlage 1 bij de Omgevingsverordening bevat de begrippenlijst, waarin in onderdeel 89 het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ is gedefinieerd: een ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bor). Een nieuwe stedelijke ontwikkeling omvat daarbij een stedelijke ontwikkeling die thans nog niet mogelijk is op basis van het huidige bestemmingsplan of ander ruimtelijk plan. Of een zonnepark getypeerd dient te worden als (nieuwe) stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bor, is in 2019 beoordeeld door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zij oordeelden daarover het volgende: “Uit overweging 6.2 van de uitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, blijkt dat de Afdeling diverse voorzieningen op het gebied van energieopwekking en -distributie niet als stedelijke ontwikkeling heeft aangemerkt. Genoemd worden: een hoogspanningsverbinding, een windturbinepark en een transformatorstation. Naar het oordeel van de Afdeling is er geen aanleiding voor een andere benadering met betrekking tot een zonnepark, dat naar zijn aard niet wezenlijk verschilt van een windturbinepark.

Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat een zonnepark, net als een windturbinepark, zich bij uitstek niet goed leent om binnen bestaand stedelijk gebied te worden gerealiseerd. De toepasselijkheid van de ladder voor duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro op een dergelijke voorziening zou daarentegen juist tot gevolg hebben dat het bevoegde bestuursorgaan telkens zou moeten motiveren waarom deze voorziening niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. Dit vindt de Afdeling in het licht van het doel en de strekking van de ladder voor duurzame verstedelijking een onlogische consequentie.”1 Gelet op het voorgaande kan de ontwikkeling van het zonnepark op Schoteroog niet worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling. Artikel 6.3 is daarmee niet van toepassing op het project. 3. Duurzame energie – zonne-energie Opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied zijn aan regels geboden. Schoteroog maakt deel uit van het landelijk gebied en daarom zijn de regels uit artikel 6.30 van de Omgevingsverordening NH2020 van toepassing op dit project. De regels worden hieronder weergegeven en getoetst. 1.

Ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied kan de oprichting van een of meer opstellingen voor zonneenergie uitsluitend mogelijk worden gemaakt door middel van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2° of 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van een ruimtelijk plan of beheersverordening wordt afgeweken. 2. Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid worden in ieder geval de volgende voorschriften verbonden: a. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die maximaal 25 jaar bedraagt;

1

ABRvS, 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:178

Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO

Pagina | 32

b.

3.

4. 5.

6.

na het verstrijken van de onder a bedoelde termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd; en c. voor het gestelde onder b wordt financiële zekerheid gesteld. In afwijking van het eerste en tweede lid kan een ruimtelijk plan het oprichten van een of meer opstellingen voor zonne-energie in het werkingsgebied het landelijk gebied mogelijk maken op gronden bestemd voor en feitelijk in gebruik als nutsvoorzieningen, of infrastructuur voor weg-, spoor-, water- of luchtverkeer, niet zijnde leidingtracés voor gas, water of elektriciteit. Op het bepaalde in het eerste en het derde lid is afdeling 6.5 Ruimtelijke inpassing in landelijk gebied van overeenkomstige toepassing. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid. Gedeputeerde Staten stellen in ieder geval nadere regels over de locatie, omvang en landschappelijke inpassing van een opstelling voor zonne-energie als bedoeld in het eerste lid.

Het eerste lid bepaalt dat de ontwikkeling van een zonnepark in het landelijk gebied uitsluitend kan worden mogelijk gemaakt met toepassing van de procedure omgevingsvergunning ‘afwijken bestemmingsplan’. De reden hiertoe is gelegen in de gewenste tijdelijkheid van een opstelling voor zonne-energie wanneer deze in het landelijk gebied wordt gerealiseerd. Die tijdelijkheid is verankerd in lid 2 en kan uitsluitend worden geborgd door het afgeven van een omgevingsvergunning. Aan een bestemmingsplan kan immers geen beperking worden gesteld met betrekking tot de tijdelijkheid, zodat die procedure voor een zonnepark in het landelijk gebied niet doorlopen kan worden. Voorliggend initiatief wordt daarom mogelijk gemaakt aan de hand van een omgevingsvergunning ‘afwijken bestemmingsplan’. Leden 4 tot en met 6 gaan in op de landschappelijke inpassing en de nadere regels die de provincie hiertoe stelt. In ieder geval is afdeling 6.5 van toepassing (wordt hierna nader toegelicht). Dat betekent dat het plan rekening moet houden met de ‘Leidraad Landschap en Cultuurhistorie’ van de provincie. Daarnaast heeft de provincie Noord-Holland een specifieke regeling vastgesteld waarmee ruimtelijke regels zijn gegeven voor benodigde landschappelijke inpassing, alsook de situering en omvang van een zonnepark. De nadere regels zijn neergelegd in de Omgevingsregeling Noord-Holland 2020.

Daarnaast heeft de provincie een ‘Handreiking Kwaliteitsimpuls zonne-energie’ (de Handreiking) opgesteld. De Handreiking biedt handvatten en denkrichtingen, de bepalingen uit paragraaf 2.7 betreffen concrete randvoorwaarden waaraan dient te worden voldaan. In de navolgende paragraaf wordt aan die randvoorwaarden getoetst. Omdat de Handreiking geen harde randvoorwaarden biedt, wordt daar in voorliggend document niet verder aan getoetst. Bij het vormgeven van het zonnepark is evenwel nadrukkelijk oog geweest voor de bestaande kwaliteiten, structuren en historie van de locatie. Hiertoe wordt verwezen naar paragraaf 2.3 (projectbeschrijving) van voorliggende ruimtelijke onderbouwing alsmede naar bijlage 1: landschappelijk inpassingsplan. 4. Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen Het volledige projectgebied is gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Een ruimtelijk plan binnen het Natuurnetwerk Nederland strekt in ieder geval tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden. De wezenlijke kenmerken en waarden zijn vastgelegd in bijlage 5 van de Omgevingsverordening. In dit geval gaat het om de kenmerken en waarde van NNN-gebied ‘Z9 - Schoteroog, Waarder- en Veerpolder, Mooie Nel en De Liede’.

Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO

Pagina | 33

Figuur 22. Algemene gegevens NNN-gebied Z9 (bron: bijlage 5 bij Omgevingsverordening NH2020)

Een ruimtelijk plan maakt geen nieuwe activiteiten mogelijk die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland of de natuurverbindingen, of van de samenhang tussen die gebieden. Wat de wezenlijke kenmerken en waarden, de oppervlakte en de samenhang tussen de gebieden zijn, is omschreven in voornoemde bijlage. In verband met de beoogde ontwikkeling in dit gebied, is door ecologisch adviesbureau Van der Goes & Groot een natuurtoets uitgevoerd en is het effect op het NNN-gebied in kaart gebracht. Hieruit blijkt dat sprake zal zijn van aantasting van het NNN-gebied, doordat de oppervlakte van het NNN afneemt. Dit is in principe niet toegestaan, tenzij: a. er sprake is van een groot openbaar belang; b. er geen reële alternatieven zijn; en c. de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient a tot en c te worden gemotiveerd. Daarbij geldt de bepaling als én bepaling, zodat aan alle voorwaarden dient te worden voldaan. De onderbouwing en de wijze waarop natuur wordt gecompenseerd, wordt nader behandeld in paragraaf 4.13 met betrekking tot natuur.

In voorliggende paragraaf wordt volstaan met de vermelding dat aan de voorwaarden wordt voldaan en dat het weg te nemen NNN in voldoende mate wordt gecompenseerd. 5. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde (UNESCO Werelderfgoed) Het projectgebied is gelegen binnen de Stelling van Amsterdam. De stelling van Amsterdam is aangewezen als UNESCO Werelderfgoed en betreft daarmee een gebied van uitzonderlijke universele waarde. De kernkwaliteiten van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde zijn uitgewerkt en geobjectiveerd in bijlage 7 bij de verordening en mogen niet worden aangetast. Het gaat om de volgende kernkwaliteiten: 1.

Het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, laatnegentiende-eeuwse en vroegtwintigsteeeuwse hydrologische en militair-landschappelijke geheel, bestaande uit: - Een doorgaand stelsel van liniedijken in een grote ring om Amsterdam - Sluizen en voor- en achterkanalen - De forten, liggend op regelmatige afstand, voornamelijk langs dijken - Inundatiegebieden - Voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied); - de landschappelijke inpassing en slechte zichtbaarheid van de voormalige militaire objecten; 2. Relatief grote openheid 3. Groene en relatief stille ring rond Amsterdam Binnen dit gebied mogen geen windturbines of zonneparken worden opgericht. Voor zonneparken geldt als uitzondering die locaties die zijn bestemd voor of feitelijk in gebruik zijn als nutsvoorzieningen, weg-, spoor-, water- of luchtverkeer, niet zijnde leidingtracés voor gas, water of elektriciteit. In de eerste plaats geldt dat de

Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO

Pagina | 34

locatie een voormalige stortlocatie betreft, wat wordt gezien als nutsvoorziening. Bovendien overlapt de begrenzing van de Stelling van Amsterdam niet geheel met het projectgebied. Bij de vormgeving van het panelenveld is rekening gehouden met de begrenzing van het UNESCO-werelderfgoed, zodat het zonnepark niet binnen de Stelling van Amsterdam wordt gerealiseerd. De nadere uitwerking van dit aspect, vindt plaats in paragraaf 4.2 met betrekking tot cultuurhistorie. 6. Ruimtelijke inpassing in landelijk gebied Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied geldt een ruimtelijke kwaliteitseis voor de inpassing van het initiatief. De provincie beschikt daartoe over de ‘Leidraad Landschap en Cultuurhistorie’ (de Leidraad). Bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied, wordt in het ruimtelijk plan, gelet op de Leidraad: a. rekening gehouden met: de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren; b. bij de inpassing betrokken: de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes; en c. bij de inpassing betrokken: de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren.

Het bovenstaande en de inhoud van de Leidraad dient in acht te worden genomen bij de landschappelijke inpassing van het zonnepark op Schoteroog. Het gaat hierbij om de basisprincipes. Specifiek voor zonneparken geldt in aanvulling daarop nog de Omgevingsregeling Noord-Holland 2020 (paragraaf 2.7) en de ‘Handreiking kwaliteitsimpuls zonne-energie’. De Handreiking biedt handvatten en denkrichtingen, de bepalingen uit paragraaf 2.7 betreffen concrete randvoorwaarden waaraan dient te worden voldaan. In de navolgende paragraaf wordt aan die randvoorwaarden getoetst. Omdat de Handreiking geen harde randvoorwaarden biedt, wordt daar in voorliggend document niet verder aan getoetst. Bij het vormgeven van het zonnepark is evenwel nadrukkelijk oog geweest voor de bestaande kwaliteiten, structuren en historie van de locatie. Hiertoe wordt verwezen naar paragraaf 2.3 (projectbeschrijving) van voorliggende ruimtelijke onderbouwing alsmede naar bijlage 1: landschappelijk inpassingsplan. Conclusie Aan de regels zoals opgenomen in de PRV wordt, voor zover relevant in het kader van voorliggende ontwikkeling, voldaan. Voor het overige geldt dat het project daarmee niet in strijd is.

Omgevingsregeling NH2020 Uit de toets aan de provinciale Omgevingsverordening NH2020 zoals opgenomen in de vorige paragraaf, is gebleken dat de ontwikkeling van een opstelling voor zonne-energie aan randvoorwaarden gebonden is. De specifieke regels die gelden voor het oprichten van een zonnepark binnen het werkingsgebied ‘Landelijk gebied’, waar het projectgebied onderdeel van uitmaakt, zijn opgenomen in afdeling 2.7 van de Omgevingsregeling NH2020. Voor onderhavig project betekent dat, dat getoetst dient te worden aan de randvoorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 2.23 en 2.24 van voornoemde Omgevingsregeling. Hieronder wordt aan de genoemde artikelen getoetst, voor zover relevant voor deze specifieke ontwikkeling en daarmee niet limitatief. Art. 2.23 De locatie en omvang van de opstelling voor zonne-energie Lid 1

sub

Bepaling De locatie voor de opstelling voor zonne-energie is aan minimaal één zijde aansluitend op bestaand stedelijk gebied of een dorpslint.

2

a

De omvang van de opstelling voor zonne-energie is: op een locatie die aan één zijde aansluitend is op bestaand stedelijk gebied of een dorpslint: maximaal 5 hectare;

3

De locatie voor de opstelling voor zonne-energie is niet aansluitend op een reeds bestaande opstelling voor zonne-energie, tenzij sprake is van het aanvullen van een bestaande opstelling voor zonne-energie tot de

Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO

Relatie tot ontwikkeling Het project grenst met de westzijde aan de Windturbineweg, met aan de westzijde daarvan het bestaande bedrijventerrein Waardepolder. Aan de genoemde voorwaarde wordt voldaan. De omvang van het voorgestelde panelenveld bedraagt ca. 3 ha. Aan de genoemde voorwaarde wordt voldaan

Ter plaatse is geen sprake van een reeds bestaande opstelling voor zonne-energie. Aan de randvoorwaarde wordt voldaan. De

Pagina | 35

maximale oppervlakte als bedoeld in het tweede lid.

tweede volzin is niet relevant voor het initiatief.

Art. 2.24 Eisen aan de inpassing van de opstelling voor zonne-energie Lid 1

sub

Bepaling De hoogte van een opstelling voor zonne-energie bedraagt niet meer dan 1,50 meter gemeten vanaf het gemiddelde straatpeil van de omliggende openbare wegen.

3

De bodem onder de opstelling wordt niet verhard of verdicht en wordt zoveel mogelijk ecologisch ingericht en beheerd.

4

De terreinafscherming en rand van de opstelling voor zonne-energie zijn passend in de omgeving en worden Zoveel mogelijk ecologisch ingericht en beheerd.

5

De afstand tussen de opstelling voor zonne-energie en woonbebouwing bedraagt minimaal 50 meter.

Relatie tot ontwikkeling De locatie Schoteroog is een geaccentueerd recreatief terrein die bestaat uit verschillende heuvels van verschillende hoogtes. Deze accentuering leidt tot lokale hoogteverschillen die tijdens de aanleg kunnen worden gecompenseerd door de panelen iets hoger of lager in het veld te plaatsen. Vandaar dat in het technische ontwerp rekening wordt gehouden met een bandbreedte als het gaat om de installatiehoogte van de panelen in het veld. De maximale hoogte van 1,5 meter zal niet worden overschreden. Er is gekozen voor een oost-westopstelling op paalfundering. Met deze vormgeving is geen sprake van verharding van de ondergelegen bodem. Het inpassingsplan houdt, mede met het oog op de doelstelling natuur, recreatie en duurzame energie samen te brengen, nadrukkelijk rekening met de voorwaarde de locatie zoveel mogelijk ecologisch in te richten en te beheren. Voor dit park wordt gekozen voor een natuurlijke afscheiding door middel van bosschages. Daarbij wordt bestaand groen hergebruikt, afgewisseld met nieuw aan te planten bosschages, waarmee meer (ecologische) variëteit wordt gerealiseerd. Een hekwerk is derhalve niet aan de orde. De meest nabijgelegen woonbebouwing ligt op een afstand van ca. 700 meter.

Conclusie De ontwikkeling is getoetst aan de relevante bepalingen uit de Omgevingsregeling NH2020. Geconcludeerd kan worden dat het project aan de randvoorwaarden voldoet. Ten aanzien van de randvoorwaarden geldt daarom dat deze geen belemmering vormen voor het voorgestelde zonnepark.

REGIONAAL BELEID Regionale Energiestrategie (RES) De Regionale Energiestrategie (RES) 1.0 van Noord-Holland Zuid is gereed. In het document staat hoe en waar in de regio duurzame elektriciteit (zon en wind) kan worden opgewekt en hoe de warmtetransitie (duurzame alternatieven voor aardgas) mogelijk wordt. De gezamenlijke ambitie van de regio is de opwek van 2,7 TWh aan wind- en zonne-energie in 2030. De volgende vervolgstappen en uitgangspunten zijn daarbij geformuleerd: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

zorgvuldige participatie; eerlijke verdeling van lusten en lasten; toegevoegde waarde voor landschap en natuur; verkenning naar het koppelen van kansen (combineren van functies); wettelijke kaders voor (geluids)overlast zijn uitgangspunt; zon op grote daken, parkeerplaatsen en geluidsschermen wordt gestimuleerd; bewaken van ruimtelijke samenhang.

Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO

Pagina | 36

In het kader van de RES 1.0 zijn de afgelopen twee jaar onderzoeken gedaan, scenario’s verkend, effecten onderzocht en vele bijeenkomsten georganiseerd en gesprekken gevoerd over zonne- en windenergie in de regio. Dit heeft geresulteerd in 32 zoekgebieden. Omdat de potentie van deze zoekgebieden groter is (3,2 TWh) dan de ambitie, geeft dit ruimte om in de verdere uitwerking van de plannen op zoek te gaan naar de meest optimale oplossingen. De RES wordt tot 2025 nog twee keer herijkt. Er kunnen dan zoekgebieden bijkomen en afvallen. Relatie tot ontwikkeling Voor Haarlem liggen zoekgebieden aan de oostzijde van de Waarderpolder – een zoekgebied voor wind en zon – en op de plassen in Schalkwijk voor drijvende zonnepanelen. Eén van deze gebieden betreft Schoteroog. Een zoekgebied is een gebied waar de mogelijkheden voor zonne- en/of windenergie verder worden onderzocht. Het staat dus nog niet vast dat binnen de aangewezen 32 zoekgebieden wind- en zonne-energie zullen worden opgewekt. Of en hoe dat gebeurt, is onderwerp van verdere overleggen met inwoners en andere belanghebbenden. De zoekgebieden zijn inmiddels ook verankerd in de provinciale Omgevingsverordening (zie hiertoe paragraaf 3.2.2). Figuur 23. Duiding zoekgebied Waarderpolder, projectgebied globaal geduid in het rood (bron: https://energieregionhz.nl/res-viewer)

Nader onderzoek natuur en cultuurhistorie In de RES en bijbehorende viewer is aangegeven dat wordt onderzocht hoe zon en wind op de voormalige afvalstort kan worden ingepast in het Unesco Werelderfgoed en hoe natuurwaarden kunnen worden gecompenseerd buiten het plangebied. Een eerste toetsing op regimes heeft plaatsgevonden. Voor het project geldt dat de natuureffecten gecompenseerd kunnen worden buiten het projectgebied en dat de inpassing van zon plaats kan vinden, rekening houdend met de grenzen van de Stelling van Amsterdam. Nadere onderzoeken moeten aantonen of de effecten op de leefomgeving binnen de normen en richtlijnen vallen. De genoemde onderzoeken worden nader besproken in paragraaf 4.2 (cultuurhistorie) en 4.13 (natuur) van voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Participatie en omgevingsdialoog Buiten het onderzoek naar natuureffecten en het effect op de Stelling van Amsterdam, zijn een zorgvuldig participatietraject, een eerlijke verdeling van lusten en lasten, de toegevoegde waarde voor natuur en landschap en de combinatie van functies belangrijke elementen waar het initiatief rekening mee houdt. Het participatietraject afgerond en meerdere ontwerpsessies hebben plaatsgevonden.

Een nadere toelichting hierop en een weergave van de diverse bijeenkomsten, de genodigden en de strekking van elke bijeenkomst, is opgenomen in paragraaf 5.2.1 van deze ruimtelijke onderbouwing. Voor de verdeling van lusten en lasten van Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO

Pagina | 37

het zonnepark geldt dat wordt gestreefd naar 50% lokaal eigendom middels obligatieleningen. Bekend is dat hier eerder al succes mee is behaald, bijvoorbeeld bij het zonnepark op de stortlocatie in Wieringermeer (eveneens van Afvalzorg). Met de realisatie van een energielandschap wordt bovendien automatisch tot een combinatie van functies gekomen, met in dit geval de aanvulling van zonne-energie op de reeds bestaande windmolens, recreatie en natuur. Er is derhalve sprake van een meervoudige maatschappelijke meerwaarde. Met een te verwachten vermogen van ca. 4 tot 5 MWp en een productie van 4.800 MWh, kan in ieder geval worden gesteld dat een bijdrage wordt geleverd aan de doelstelling waar de RES-regio voor staat. Nu ook is gebleken dat aanwezige natuurwaarden en het UNESCO-werelderfgoed zich door gekozen (ontwerp)oplossingen niet tegen de ontwikkeling verzetten, omvat het initiatief een kansrijke ontwikkeling in het kader van de RES. Conclusie De ontwikkeling maakt onderdeel uit van de onderzoeksvarianten zoals verwoord in de RES. Geconcludeerd kan worden dat het voorgestelde initiatief op diverse wijzen bijdraagt aan de doelstellingen en ambities die de RES-regio zich heeft gesteld. Dit geldt zowel voor wat betreft de energieproductie, als de procesafspraken daaromheen. Het initiatief is daarom in lijn met de RES.

GEMEENTELIJK BELEID Omgevingsvisie Haarlem 2045 Op 27 januari 2022 heeft de gemeenteraad van Haarlem de Omgevingsvisie 2045 vastgesteld. De visie schetst de koers voor de ontwikkeling van Haarlem en is daarmee een integrale visie voor de gemeente. Opgaven zoals wonen, werken, mobiliteit, klimaatadaptatie, energietransitie en sociaal komen erin samen. In de visie worden zes strategische keuzes gemaakt: mengen en verdichten, buurtgericht ontwikkelen, vergroenen en vernatten, bevorderen gezonde leefomgeving, ruimte voor energietransitie en mobiliteitstransitie. Deze keuzes zijn belangrijk voor de ontwikkeling van Haarlem zodat de schaarse ruimte optimaal wordt benut en alle opgaven van de stad een plek krijgen. Energietransitie in Haarlem Met de toenemende opwarming moet ook worden gezorgd dat de CO2-uitstoot omlaag gaat. Dat kan door minder gebruik te maken van fossiele brandstoffen als energiebron. Haarlem heeft de eerste stappen daartoe al gezet. Zij wil van het aardgas af, werken aan een circulaire economie en voor een groot deel voorzien in de eigen energiebehoefte, bijvoorbeeld met zonnepanelen. Haarlem wil in 2040 aardgasvrij zijn. De bewustwordingscampagne daartoe loopt al een paar jaar.

De opgave is een grote; de komende twintig jaar wil de gemeente circa 76.000 woningen en 11.000 andere gebouwen van het aardgasnet loskoppelen en aansluiten op andere geschikte warmtebronnen. Daarnaast zet Haarlem in op het duurzaam opwekken van warmte en elektriciteit. De opgave voor Haarlem is om 75% aan elektriciteit op te wekken binnen de gemeentegrenzen. Haarlem stelt zich daarnaast de opgave om milieuruimte te behouden waarbinnen de circulaire economie zich kan ontplooien. Relatie tot ontwikkeling Aan de oostkant van Haarlem ligt de Stelling van Amsterdam, een groot samenhangend landschap met UNESCO-status dat is aangelegd als waterkundig verdedigingswerk. Dit landschap heeft cultuurhistorische, ecologische, recreatieve en economische waarden die we met een samenhangende visie willen versterken. De geschiedenis van het landschap biedt aanknopingspunten voor ruimte voor energieproductie. Maar energieproductie moet ook integraal onderdeel worden van een landschap waarin ook recreatie, ecologie en waterberging samen komen en de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het landschap worden versterkt. Voor de oostrand van Haarlem wordt gewerkt aan een integraal ontwerp waarin duurzame energieopwekking een plaats krijgt. Schoteroog is daarvoor de eerste locatie en vervult daarmee een kwartiermakersrol.

Zoals ook uit paragraaf 2.2 blijkt, wordt in lijn met de gemeentelijke visie zorg gedragen voor een optimale mix tussen energieproductie enerzijds en natuur en recreatie anderzijds, met respect en waar mogelijk de

Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO

Pagina | 38

versterking van de cultuurhistorische, ecologische en recreatieve waarden die de locatie reeds in de bestaande situatie te bieden heeft. Het resultaat is een plan met oog voor meervoudige maatschappelijke opgaven van de gemeente Haarlem in zijn geheel, en van de locatie Schoteroog in het bijzonder. Het plan is daarmee in lijn met de Omgevingsvisie Haarlem 2045 en levert een belangrijke bijdrage aan de verwezenlijking van gemeentelijke doelstellingen op het gebied van de noodzakelijke energietransitie. Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de Omgevingsvisie 2045 van de gemeente Haarlem.

Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO

Pagina | 39

4

OMGEVINGSASPECTEN ANALYSE VAN VERKEER- EN PARKEERASPECTEN Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient de verkeers- en parkeersituatie beoordeeld te worden om er voor te zorgen dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en een goede ontsluiting alsook om ongewenste verkeerssituaties zoals een te grote verkeersdruk op een weg, te voorkomen.

Relatie tot ontwikkeling In dit geval is sprake van de aanleg van een zonnepark. Een dergelijke ontwikkeling brengt in beginsel nagenoeg geen parkeerbehoefte of met zich mee, omdat het een functie is die over het algemeen geen bezoekers of publiek aantrekt. Hierdoor is ook de verkeersaantrekkende werking ook laag. Uitzondering hierop vormen enkele verkeersbewegingen ten behoeve van beheer en onderhoud (en tijdens de aanleg- en ontmantelingsfase). Voor de ontsluiting geldt dat wordt aangesloten op de bestaande infrastructuur en dat daartoe met name de Windturbineweg, alwaar ook de windturbines staan, wordt benut voor toegang tot het park in de incidentele situatie dat beheer of onderhoud noodzakelijk is.

Conclusie Verkeer- en parkeeraspecten vormen gelet op het bovenstaande geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

ARCHEOLOGIE Algemeen Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2022 in werking treedt.

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen in een gebied met archeologische verwachtingswaarden. Dit blijkt uit de beoordeling van het bestemmingsplan, waarvoor geldt dat over de gehele planlocatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ van toepassing is. Op basis daarvan is een (verkennend) archeologisch onderzoek noodzakelijk indien de ontwikkeling grondroering met zich mee brengt over een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 én die grondroering op dieper dan 0,3 m beneden maaiveld (-mv) plaatsvindt. Doordat het terrein is omgevormd naar afvalheuvel zijn er geen huidige bodem en geomorfologische gegevens van Schoteroog . De omliggene gebieden bestaan uit ontgonnen veengronden. Op de hoogtekaart is het verschil tussen de afvalheuvel en de omgeving duidelijk zichtbaar. Dit scheelt tussen de 18 en de 20 meter.

Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO

Pagina | 40

Figuur 24. Hoogtekaart projectgebied Schoteroog en omgeving (bron: Landschappelijk inpassingsplan id verde Advies, maart 2022)

Desalniettemin is ter plaatse van het projectgebied de dubbelbestemming in het kader van archeologie van toepassing, zodat een beoordeling wel noodzakelijk is. Voor zonneparken geldt daarbij in de regel dat zij worden gemonteerd met staalfundering die in de bodem wordt geschroefd/geslagen. Dergelijke activiteiten brengen geen tot nauwelijks grondverzet met zich mee, waardoor vaak geen archeologisch onderzoek wordt verlangd, ook al vindt de grondroering plaats op grotere diepte dan 0,3 meter -mv. Ook het zonnepark op Schoteroog zal met staalfundering in de bodem worden gemonteerd Voor overige objecten en trajecten, zoals het aanleggen van kabelsleuven en transformatorstations geldt dit niet, hoewel deze activiteiten bij elkaar opgeteld vaak niet leiden tot een overschrijding van de vrijstellingsoppervlakte van (in dit geval) 2.500 m2. Voor onderhavig project is door initiatiefnemer beoordeeld wat de te verwachten kabellengte en -breedte is. Voor dit laatste geldt dat een ‘kabelbak’ wordt gelegd van ca. 0,3 cm breed. De lengte bedraagt ca. 1.200 meter. Dit resulteert in een graafoppervlakte van 400 m2, wat ruimschoots onder de vrijgestelde oppervlakte van 2.500 m2. Daar dient nog het trafostation bij te worden opgeteld, maar uitgaande van één container van maximaal 20 ft (ca. 15 m2) wordt ook met die toevoeging ruimschoots beneden de vrijstellingsgrens gebleven.

Archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Conclusie Mogelijk aanwezige archeologische resten in de bodem worden gezien de aard van de locatie niet verwacht. Bovendien worden de vrijstellingsgrenzen niet overschreden. Archeologisch onderzoek en een omgevingsvergunning zijn niet noodzakelijk. Archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

CULTUURHISTORIE Algemeen Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit

Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO

Pagina | 41

te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken.

Relatie tot ontwikkeling Op basis van de bestemmingsplantoets blijkt dat op de projectlocatie cultuurhistorische waarden behouden moeten blijven. De projectlocatie heeft namelijk de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie, die voor het hele projectgebied geldt. Deze dubbelbestemming legt een bouwverbod op, waarvan middels een omgevingsvergunning (binnenplans) kan worden afgeweken indien de te bouwen bouwwerken geen cultuurhistorische waarden verstoren. Uit de toets aan het provinciaal beleid in paragraaf 3.2.2 is gebleken dat het projectgebied Schoteroog grotendeels gelegen is binnen het UNESCO-werelderfgoedgebied Stelling van Amsterdam. Onderstaand figuur betreft een uitsnede van de provinciale Omgevingsverordening, waarop het werkingsgebied van de Stelling van Amsterdam is weergegeven. Figuur 25. Begrenzing Stelling van Amsterdam (bron: Omgevingsverordening NH2020)

De stelling is aangelegd tussen 1880 en 1920 en kenmerkt zich door de rijke zichtbaarheid van de militaire geschiedenis in het landschap. Steeds moest de toegang tot dit belangrijke landsdeel (en met name Amsterdam en Den Helder) tegen potentiële indringers worden beschermd. Dit resulteerde in waterlinies en landlinies. Zoals de hele geschiedenis van Noord-Holland is ook de militair-strategische geschiedenis sterk verbonden met het water. Water is onder andere gebruikt als barrière, zoals bij de inundatievlaktes rond de Stelling van Amsterdam. Voor de leesbaarheid van het landschap is het van belang dat de militair-strategische geschiedenis herkenbaar blijft. De kernkwaliteiten en de Uitzonderlijke Universele Waarden (UUW's) dienen behouden te blijven en waar mogelijk ontwikkeld te worden. Uitwerking kernkwaliteiten Stelling van Amsterdam In de Stelling van Amsterdam zijn verschillende zoneringen te onderscheiden, te weten de: 1. stellingzone; 2. kernzone; en 3. monumentenzone. Ad. 1 Stellingzone De gehele Stelling van Amsterdam (UNESCO-werelderfgoed) is Stellingzone. De Stellingzone vormt het

Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO

Pagina | 42

samenhangend geheel tussen de verdedigingswerken en het landschap. Ook voormalige inundatiegebieden maken deel uit van de Stellingzone. Voor deze Stellingzone geldt:   

Behoud van nog bestaande zichtlijnen tussen de forten en doorzichten op de forten; Openhouden van schootscirkels rond de forten in de nog open landschappen; Behoud van bestaande accessen. Dit zijn de plaatsen waar de hoofdverdedigingslijn werd doorsneden door dijken, kanalen, spoorlijnen en wegen.

Ad. 2 Kernzone De kernzone wordt gevormd door de hoofdverdedigingslijn en de schootscirkels rond de forten. De hoofdverdedigingslijn en de schootscirkels rond de forten zijn belangrijke elementen in het Stellinglandschap. De hoofdverdedigingslijn markeert de grens aanval-verdediging en tevens de grens van de inundaties. De schootscirkel is een cirkel van 1000 meter rond een fort. De kernzone is als volgt begrensd: 1. Hoofdverdedigingslijn: 100 meter aan de aanvalszijde en 100 meter aan de verdedigingszijde. 2. Schootscirkels rond de forten: cirkels van 1000 meter rond een fort. Voor de Kernzone geldt:  Geen bebouwing in gebieden die nu nog open zijn;  Kleinschalige incidentele ontwikkelingen binnen de kernzone zijn alleen mogelijk als deze als doel hebben de ruimtelijke kwaliteit van de Stelling van Amsterdam te versterken. De ontwikkeling dient ingepast te zijn in het landschap en met respect voor zichtlijnen en mag niet leiden tot een significant hoger geluidsniveau in de open ruimte en tot een significante aantasting van het groene en open landschap;  Op agrarische bouwblokken is aanpassing en vernieuwing van agrarische opstallen mogelijk, mits ingepast in het landschap en passend binnen het omgevingsbeleid.

 Verdichting van bestaande bebouwingslinten is toegestaan, mits passend in het landschap en de bestaande bebouwingsintensiteit van het lint;  Voor bestaande bebouwing die afbreuk doet aan de open ruimte in de schootscirkel en de zone langs de hoofdverdedigingslijn geldt: kansen tot aanpassing benutten in het kader van een integrale herinrichting van het gebied, waarbij per saldo een verbetering van de ruimtelijke situatie ontstaat;  Handhaving van de eenheid en herkenbaarheid van de Stellingdijken die specifiek voor de Stelling van Amsterdam zijn aangelegd. Dit zijn de Liniewal Liebrug-Liede (gemeente Haarlemmerliede), de Geniedijk in de Haarlemmermeerpolder (gemeente Haarlemmermeer), de Liniewal in de Starnmeerpolder (gemeente Graft-De Rijp), de Vuurlijn (gemeenten Uithoorn en Aalsmeer), de Liniewal ten oosten van Fort bij Veldhuis (gemeenten Heemskerk en Uitgeest) en de Liniewal Aagtendijk-Zuidwijkermeer (gemeenten Zaanstad en Beverwijk). De zichtlijnen langs deze dijken moeten gehandhaafd blijven;  Een groene of blauwe zone rond de forten waarborgen op die plaatsen waar die nu nog aanwezig is;  Stimuleren en ontwikkelen van blauwe functies die het contrast met de hoofdverdedigingslijn versterken of die (voormalige) inundatiegebieden in het landschap zichtbaar maken. Ad. 3 Monumentenzone De Monumentenzone vormt het hart van de Stelling van Amsterdam.

Binnen de Monumentenzone liggen objecten die door de Erfgoedwet of deze Omgevingsverordening zijn beschermd, zoals dijken, forten, sluizen en andere objecten. Ruim 20 objecten zijn op dit moment opgenomen als rijksmonument ingevolge de Erfgoedwet. Binnen afzienbare tijd komen daar waarschijnlijk nog 10 rijksmonumenten bij. Ongeveer 120 objecten zijn opgenomen als provinciaal monument volgens de provinciale Omgevingsverordening. Voor deze Monumentenzone gelden naast de regels in deze verordening over de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde ook de regels uit de Erfgoedwet en de regels over monumenten (cultureel erfgoed) in deze verordening. Dit komt samengevat neer op geen ontwikkelingen toestaan die het (UNESCO-) monument beschadigen, vernielen of ontsieren, en een verbod om noodzakelijk onderhoud aan het monument te onthouden. Beleidskaders Verder gelden de volgende kaders waarin de kernkwaliteiten verder zijn uitgewerkt per deelgebied:

Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO

Pagina | 43

  

het Provinciaal Beeldkwaliteitsplan Stelling van Amsterdam (2008); het Ruimtelijk Beleidskader Stelling van Amsterdam (2008); Leidraad Landschap en Cultuurhistorie

Ontwikkelingen die de uitzonderlijke universele waarden (UUW’s) aantasten, dienen als gevolg van de Operational Guidelines for the Implementation of the World Heritage Convention voorgelegd te worden aan het Werelderfgoedcomité. Heritage Impact Assessment Ten behoeve van de voorgestelde herinrichting van het gebied Schoteroog, is door bureau Tauw een Heritage Impact Assessment (HIA) uitgevoerd. De HIA, d.d. 21 mei 2021, is opgenomen in de bijlagen bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Het onderzoek en conclusies worden hieronder integraal (samenvattend) weergegeven. Daarbij wordt opgemerkt dat de beoordeling ook ingaat op het voornemen de bestaande vier windmolens te vervangen door één grotere. De windmolen valt echter buiten de invloedssfeer van voorliggende ruimtelijke onderbouwing en wordt uitsluitend meegenomen ten behoeve van de samenhang van het geheel. De vervanging van vier windmolens door één nieuwe turbine zorgt voor een rustiger beeld. Het betreft wel een toevoeging van een object die qua hoogte van een andere orde is dan de huidige hoge bebouwing in het gebied, maar qua hoogte vergelijkbaar is met de KPN toren. De kernkwaliteit van een groene en relatief stille ring rond Amsterdam blijft intact.

Door toevoeging van zonnepanelen zal het groene karakter plaatselijk iets veranderen maar dit is geen significante verstoring van de groene en stille ring rond Amsterdam. Het grootste deel van het plangebied behoud namelijk de groene uitstraling. De authenticiteit en integriteit van de Stelling verandert nauwelijks ten opzichte van de huidige situatie. Het unieke samenspel tussen dijken, sluizen, kanalen en inundatiepolders blijft behouden. De polders met elk hun eigen dijken en forten op strategische plekken blijven bestaan. De aanleg van een zonneveld en de realisatie van één windturbine in dit plangebied zal op de stelling van Amsterdam als geheel dan ook weinig invloed hebben. Daar komt bij dat het plangebied bij een herbegrenzing voor een groot deel buiten UNESCO werelderfgoed komt te liggen. Het panelenveld valt daarmee in het geheel niet meer binnen de UNESCO regelgeving. Een en ander is weergegeven op onderstaand figuur, de grens van de Stelling is weergegeven met de rode lijn. Figuur 26. Inrichting zonneveld in relatie tot grens UNESCO-werelderfgoed

Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO

Pagina | 44

De realisatie van een zonneveld zorgt (en windturbine) zorgt er niet voor dat de Outstanding Universal Value van de Stelling wordt aangetast. Ondanks een lichte verandering van het plangebied Schoteroog blijft de stelling een uitzonderlijk voorbeeld van een extensief en geïntegreerd verdedigingssysteem van de moderne periode. Ook leidt de toepassing van groene energie bij Schoteroog niet tot een aantasting van representatie van de vindingrijkheid en kunde van het Nederlandse watermanagement en de praktische toepassing ervan in de verdediging van de hoofdstad van het land.

Conclusie Op basis van de uitgevoerde heritage impact assessment luidt de conclusie dat de Outstanding Universal Value van de stelling onverminderd van kracht blijft bij een toepassing van zonne-energie op Schoteroog. Het aspect cultuurhistorie vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Tabel 1. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering.

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m

De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor.

Relatie tot ontwikkeling In de handreiking is een zonnepanelenpark niet opgenomen. De totale capaciteit van het te ontwikkelen project is circa 5 MWp. Hierdoor kan de ontwikkeling vergeleken worden met elektriciteitsdistributiecentra van (in dit geval) < 10 MVA. De activiteit valt daarmee in milieucategorie 2 met een bijbehorende richtafstand van 30 meter in verband met het aspect geluid. Dit betekent dat 30 meter afstand als richtafstand dient te worden gehouden van woningen. De zonnepanelen zelf veroorzaken geen geluid.

Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO

Pagina | 45

Aan genoemde richtafstand wordt ruimschoots voldaan. De meest nabijgelegen geprojecteerde woonbestemming ten opzichte van het zonnepark, bevindt zich ten oosten van het projectgebied, op een afstand van ruim 700 meter aan de overzijde van de Mooie Nel.

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.

Relatie tot ontwikkeling Het huidige (planologisch) gebruik is neergelegd in het bestemmingsplan “Penningsveer”, alwaar recreatie en bijbehorende voorzieningen is toegestaan. Het toekomstig gebruik van de gronden blijft hetzelfde en maakt het gebruik ten behoeve van een zonnepark mede mogelijk. Het gebruik als zonnepark betreft geen bodembedreigende activiteit. De gronden zijn geschikt voor het beoogde gebruik, er is immers geen sprake van toekomstige gebruikers (zoals bewoners) die in aanraking kunnen komen met eventueel vervuilde grond. In het kader van de planologische procedure is daarom geen bodemonderzoek noodzakelijk. In een later stadium zal in het kader van de vergunning voor het bouwen zo nodig wel een bodemonderzoek worden uitgevoerd en toegevoegd aan de aanvraag.

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:  Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen.  Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp.

Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar

Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO

Pagina | 46

aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15666275/1