2 Bijlage 1a Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Project Status Projectnummer Kenmerk Datum Auteur Controle
Zonnepark Schoteroog CONCEPT 21084 21084.01.RO 4 juli 2023 R. Droogendijk LLB I.M.E. Hazeleger
Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628
COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 2
INHOUDSOPGAVE 1
2
3
4
5
6
Bijlagen
Inleiding
4
Aanleiding Planologische procedure Leeswijzer
4 4 4
Projectbeschrijving
5
Projectlocatie Beschrijving van de gronden Projectplan Vigerend bestemmingsplan
5 6 7 15
Ruimtelijk beleid
23
Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
23 28 36 38
Omgevingsaspecten
40
Analyse van verkeer- en parkeeraspecten Archeologie Cultuurhistorie Bedrijven en milieuzonering Bodem Externe veiligheid Elektromagnetische straling Niet gesprongen Explosieven Geluid Lichtreflectie Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (LIB) Luchtkwaliteit Natuur Water (Vormvrije) m.e.r-beoordeling
40 40 41 45 46 46 47 48 49 50 51 52 53 57 59
Beschrijving uitvoerbaarheid
60
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
60 60
Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid
61
Inpassingsplan, id verde Advies, maart 2022 Quickscan ecologie en natuurtoets, Van der Goes & Groot, november 2020 Nader onderzoek ecologie, Van der Goes & Groot, oktober 2022 Salderingsplan Schoteroog, Natuurlijke Zaken, februari 2023 Toets aan Omgevingsverordening
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 3
1
INLEIDING AANLEIDING Nederland bevindt zich middenin de transitie van het gebruik van fossiele brandstoffen naar duurzame energie. Deze energietransitie is noodzakelijk om de klimaatdoelstellingen voor de korte, middellange en lange termijn te kunnen verwezenlijken. Ook binnen de gemeente Haarlem is het faciliteren en opwekken van duurzame energie één van de uitgangspunten van het gemeentelijk duurzaamheidsbeleid. Gelet daarop is het van belang dat burgers, bedrijven en overheden de nodige inspanningen leveren deze transitie mogelijk te maken. Vele duurzame energie-initiatieven zijn inmiddels in voorbereiding, ontwikkeling of reeds gerealiseerd. Daarmee is echter nog maar een fractie gerealiseerd van wat nodig is. Afvalzorg heeft diverse (al dan niet voormalige) stortlocaties in Nederland in eigendom. Stortlocaties zijn bijzonder geschikt voor het opwekken van groene energie, zonder dat dit ten koste gaat van andere activiteiten. Ter plaatse van de voormalige stortlocatie Schoteroog te Haarlem is Afvalzorg N.V. (hierna: initiatiefnemer) voornemens een zonnepark te realiseren van in totaal 2,5 hectaren. Daarbij wordt een combinatie gemaakt van duurzame energieopwekking, recreatie en natuur en wordt een belangrijke stap gezet richting de verdere verduurzaming van de gemeente in het bijzonder en Nederland als geheel.
Dit initiatief houdt daar boven de plaatselijke maatschappelijke thema’s in het oog versterkt deze waar mogelijk.
PLANOLOGISCHE PROCEDURE De beoogde ontwikkeling is strijdig met het vigerende bestemmingsplan. Om het zonnepark mogelijk te maken, dient dan ook een planologische procedure doorlopen te worden. De planologische procedure zal worden doorlopen aan de hand van de omgevingsvergunning ‘planologisch strijdig gebruik’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In opdracht van de initiatiefnemer heeft Mees Ruimte en Milieu daartoe voorliggende ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Aan de hand van die omgevingsvergunning kan van het vigerende regime worden afgeweken. Op grond van art. 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o van de Wabo dient de motivering van het besluit een Goede Ruimtelijke Onderbouwing (GRO) te bevatten. Voorliggend document vormt deze GRO.
LEESWIJZER In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. Het projectgebied en het projectplan worden daarin besproken. Hoofdstuk 3 voorziet vervolgens in een onderbouwing aan de hand van de beleidskaders van de verschillende bestuurslagen, zowel ten aanzien van ruimtelijk beleid alsmede beschikbaar duurzaamheidsbeleid. In hoofdstuk 4 wordt getoetst aan de relevante omgevingsaspecten, beschouwingen van de aspecten worden waar nodig voorzien van een nadere onderbouwing aan de hand van sectoraal onderzoek. Hoofdstuk 5 gaat in op de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. Hoofdstuk 6 tot slot, geeft een algehele conclusie van de ruimtelijke en functionele inpasbaarheid van het plan.
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 4
2
PROJECTBESCHRIJVING PROJECTLOCATIE De projectlocatie is gelegen aan de Waarderpolder in Haarlem en betreft de voormalige stortlocatie in beheer bij Afvalzorg. De gronden grenzen aan de Windturbineweg/ Mooie Nelweg en maken deel uit van het huidige recreatiegebied en NNN-gebied Schoteroog. De locatie ligt in de noordelijke punt van het bedrijventerrein de Waarderpolder, waar de Spaarne en Mooie Nel samenkomen. Daarnaast zijn langs de windturbineweg vier windturbines aanwezig (uit bedrijf) en ligt de RWZI van Rijnland ten zuidoosten van de locatie. Het centrum en de oude stad van Haarlem liggen ten zuidwesten van het projectgebied. De Ikea ligt ten zuiden. Figuur 1 toont de ligging van de projectlocatie in Haarlem. Figuur 1. Luchtfoto projectlocatie
Figuur 2 geeft de begrenzing van de locatie weer. Ten zien is dat de locatie globaal wordt omsloten door:
het Spaarne en Mooie Nel ten noordwesten, noordoosten en oosten; de AWZI Haarlem-Waarderpolder ten zuiden; bedrijventerrein Waarder- en Veerpolder ten zuidwesten en westen.
Kadastraal staat de locatie bekend als sectie N, perceelnummers 323, 1265, 2063, 2161 in de kadastrale gemeente Haarlem. Langs de westgrens van het gebied staat een viertal windturbines en bijbehorende voorzieningen. Deze objecten zijn gelegen ter plaatse van perceelnummer 1176 tot en met 1182.
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 5
Figuur 2. Luchtfoto projectlocatie, ingezoomd (bron: eigen bewerking QGIS).
BESCHRIJVING VAN DE GRONDEN De locatie betreft een voormalige stortlocatie, waarvan de gronden thans in eigendom zijn van Staatsbosbeheer, voorheen in eigendom van de gemeente Haarlem, maar gedurende een bepaalde periode geëxploiteerd door Afvalzorg. Afvalzorg beheert, monitort en/of exploiteert momenteel diverse (voormalige) stortlocaties in Nederland en onderzoekt daarbij of locaties geheel of ten dele kunnen worden ingezet voor duurzame toepassingen, zoals bijvoorbeeld het opwekken van duurzame energie. Als schakel in de circulaire economie en in harmonie met de omgeving willen zij mooie en veilige landschappen nalaten en een bijdrage leveren aan de energie- en klimaattransitie waar Nederland voor staat. Dit geldt ook voor de locatie Schoteroog te Haarlem. Historie Voor 1950 vormde Schoteroog een onderdeel van het veenweide gebied ten noorden van Haarlem. Echter, de grootschalige verstedelijking heeft er destijds voor gezorgd dat flinke wijzigingen in het landschap plaatsvonden. Zo heeft ook de afvalstortplaats een plek gekregen in het landschap. Het vormt een kunstmatige heuvel in het kleinschalige en stedelijke landschap gelegen op het industriegebied van Haarlem. In 1998 is de stotlocatie gesloten.
Huidig gebruik Na sanering en aanverwante werkzaamheden is het gebied volledig afgedekt en recreatief en landschappelijk heringericht, in samenwerking met recreatieschap Spaarnwoude. Het gebied is te herkennen als een heuvel met een open structuur. In Schoteroog liggen veel wandel- en fietspaden, speelweides, twee jachthavens, horeca en een reddingsbrigade. Langs de Windturbineweg zijn vier windturbines aanwezig. Deze windturbines zijn momenteel niet in bedrijf. Er bestaan plannen de windturbines te vervangen, maar Afvalzorg is
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 6
hiervan niet de initiatiefnemer en deze plannen vallen buiten de invloedssfeer van voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Erfgoed- en natuurwaarden De gronden zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland en maken deel uit van de Stelling van Amsterdam. De provincie Noord-Holland speelt daarom een belangrijke rol. Naast dat het een voormalige vuilstortlocatie van initiatiefnemer is, hebben ook Staatsbosbeheer en het Recreatieschap belangen op deze locatie. Figuur 3. Bestaande situatie Schoteroog (bron: Landschappelijk inpassingsplan Id Verde Advies, maart 2022)
PROJECTPLAN Beoogde nieuwe situatie Het doel is om een energielandschap te creëren, waarbij de opwekking van duurzame energie, recreatie, natuur en landschap samenkomen. Daarbij is het ook de uitdaging diverse belangen te combineren en elkaar te laten versterken. In aanloop naar voorliggende aanvraag toe is met de diverse stakeholders in het gebied onderzocht hoe de beoogde ontwikkeling het beste kan landen op deze locatie. Daartoe hebben verschillende brainstormsessies plaatsgevonden, waarbij informatie is opgehaald voor de verdere uitwerking van het ontwerp. Ook bewoners uit de omgeving zijn daarbij betrokken. Tijdens de brainstormsessies zijn twee ontwikkelscenario’s gepresenteerd, waarbij is gesproken over ambitie, kansen en uitdagingen. Ook zijn er tips opgehaald. De stakeholders waren de provincie Noord-Holland, Staatsbosbeheer, Recreatieschap Spaarnwoude, de gemeente Haarlem, NV Alfvalzorg en het Hoogheemraadschap van Rijnland. De keuze is uiteindelijk gevallen op variant 1: ‘Energielandschap in balans’. Er is ruimte voor natuur, om te wandelen, recreëren en verblijven. Vanaf het water is er geen zicht op de zonnepanelen, waardoor de zonnepanelen alleen vanaf het industriegebied zichtbaar zullen zijn. Hier vinden ze aansluiting bij de bestaande windmolens. Deze windmolens zijn helaas niet langer in gebruik, maar ze vormen nog altijd een onderdeel van de locatie.
Het doel is de windmolens op termijn te vervangen door één windmolen, zodat ook dan nog steeds sprake is van een gecombineerde inzet van zonne- en windenergie. Het vervangen van de molens vormt echter geen onderdeel van het in voorliggende ruimtelijke onderbouwing besproken initiatief. Variant 2 betreft het ‘Industrieel energielandschap’, waarbij de nadruk ligt op het energielandschap. Hier is minder ruimte voor natuur en recreatie en wordt een groter paneeloppervlak aangelegd. Gezien de diverse belangen ter plaatse van Schoteroog, is variant 2 komen te vervallen. Om die reden wordt op variant 2 in
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 7
voorliggende ruimtelijke onderbouwing niet nader ingegaan. Ter illustratie van de impact op het landschap van beide varianten, wordt evenwel verwezen naar onderstaand figuur 4. Figuur 4. Impressie variant 1 (links) en variant 2 (rechts) (bron: Landschappelijk inpassingsplan id verde Advies, maart 2022)
Landschappelijke inpassing 2.3.2.1 Ontwerpkeuzes Voor dit plan is dus gekozen voor een zonnepark met minder oppervlak en vermogen, maar met behoud van het landschap, natuur en recreatie. Het initiële plan binnen variant 1 ging uit van 5 ha paneeloppervlak conform de invulling zoals weergegeven op figuur 5. In verband met de natuurwaarden van het NNN en de beperkingen die in het gebied gelden als gevolg van de gedeeltelijke ligging binnen de Stelling van Amsterdam, is het paneeloppervlak zodanig gewijzigd dat het oorspronkelijke idee overeind blijft, maar de begrenzing van het zonnepark is afgestemd op de begrenzing van het UNESCO-werelderfgoed. Deze ‘knip’ is te zien op figuren 6 en 7. NB. Ten overvloede wordt vermeld dat onderhavige paragraaf ingaat op de landschappelijke inpassing en vormgeving van het zonnepark. Voor nadere informatie met betrekking tot het NNN en het UNESCO-werelderfgoed, wordt verwezen naar paragraaf 3.2, 4.2 en 4.13 met betrekking tot resp. provinciaal beleid, cultuurhistorie en natuur.
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 8
Figuur 5. Initieel voorstel landschappelijke inpassing energielandschap variant 1 (bron: id verde Advies, maart 2022)
Figuur 6. Illustratie aanpassing paneeloppervlak conform begrenzing Stelling van Amsterdam (bron: id verde Advies, maart 2022)
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 9
Figuur 7. Verdeling zon/ natuur en recreatie (bron: Landschappelijk inpassingsplan, id verde Advies, maart 2022)
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 10
2.3.2.2 Beplantingsindicatie Het ontwerp van het Zonnepark sluit aan op huidige structuren van de bestaande beplanting. Voor het groene raamwerk wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de bestaande beplanting, waarbij om de 20 meter bestaande beplanting (voornamelijk bestaand uit bramen) verwijderd en wordt nieuwe aanplant toegevoegd. Dit leidt tot een positief effect op de (bio)diversiteit en zorgt voor een meer gevarieerd beeld. De bestaande beplanting geeft thans een erg monotoon beeld (zie figuur 8). Ter verbetering van de beleving is het interessant nieuwe beplanting toe te voegen, zodat meer afwisseling wordt gecreëerd voor vlinders, bijen en andere insecten (zie figuur 9). Daarbij draagt de nieuwe beplanting bij aan het beeld en de beleving jaarrond interessant te houden. Het groene raamwerk wordt 3 meter breed en wordt in driehoeks verband ingeplant. Hierdoor wordt het zicht op het zonnepark geblokkeerd en overlappen de planten elkaar iets. Figuur 8. Foto’s bestaande beplanting (bron: Landschappelijk inpassingsplan, id verde Advies, maart 2022)
Figuur 9. Voorbeeldwilde haag met afwisseling en diversiteit (bron: Landschappelijk inpassingsplan id verde Advies, maart 2022)
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 11
2.3.2.3 Impressiebeelden eindresultaat Om een beeld te geven van de (ruimtelijke) impact van het zonnepark op de omgeving, zijn diverse impressiebeelden gemaakt. Onderstaande figuren tonen deze, waarbij het zicht op het zonnepark vanuit diverse hoeken is weergegeven. Figuur 10. Impressie uitzicht vanaf westzijde (bron: Landschappelijk inpassingsplan, id verde Advies, maart 2022)
Figuur 11. Impressie uitzicht vanaf zuidwestzijde (bron: Landschappelijk inpassingsplan, id verde Advies, maart 2022)
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 12
Figuur 12. Impressie uitzicht vanaf zuidoostzijde (bron: Landschappelijk inpassingsplan, id verde Advies, maart 2022)
Figuur 13. Impressie uitzicht vanuit recreatiepad (bron: Landschappelijk inpassingsplan, id verde Advies, maart 2022)
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 13
Technische uitwerking Het zonnepark bestaat uit panelen, omvormers en een trafostation. Onderstaand figuur toont het inrichtingsplan, waarop de diverse technische elementen van het zonnepark zijn afgebeeld. Voor een meer gedetailleerd beeld wordt verwezen naar bijlage 2 bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Figuur 14. Inrichtingsplan (bron: id verde Advies, maart 2022)
De panelen worden in een oost-westopstelling geplaatst. De locatie Schoteroog is een geaccentueerd recreatief terrein die bestaat uit verschillende heuvels van verschillende hoogtes. Deze accentuering leidt tot lokale hoogteverschillen die tijdens de aanleg kunnen worden gecompenseerd door de panelen iets hoger of lager in het veld te plaatsen. Vandaar dat in het technisch ontwerp rekening wordt gehouden met een bandbreedte ten aanzien van de installatiehoogte van de panelen in het veld. De punt van de dakopstelling bedraagt daarmee 1 tot maximaal 1,5 meter. Deze maximale hoogte zal niet worden overschreden, hetgeen ook voor de minimale hoogte geldt. Tussen de panelenrijen wordt daarnaast een afstand van 1 meter tussen de paneeltafels aangehouden. Voor de omvormers geldt dat per veld een omvormergroep wordt geplaatst. De omvormers worden op een zogeheten shelterwall gemonteerd, zodat ze in rekopstelling met afdakje in het veld worden gesitueerd. Figuur 15 toont een voorbeeld van een dergelijke opstelling.
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 14
Figuur 15. Shelterwall omvormers (bron: Google > Yecatech)
Het transformatorstation tot slot, wordt geplaatst in de zuidwestelijke punt van het plangebied. Ter plaatse is reeds in de bestaande situatie een nutsvoorziening aanwezig. Er is voldoende ruimte om de benodigde voorziening voor het zonnepark, waarmee het park wordt aangesloten op het energienet, bij te plaatsen. Door de voorziening te bundelen met reeds bestaande nutsvoorzieningen ter plaatse, is de visuele impact en het extra ruimtebeslag van het trafostation, dat in een 20 ft. container wordt geplaatst, beperkt.
VIGEREND BESTEMMINGSPLAN Ter plaatse van het projectgebied is het bestemmingsplan “Penningsveer” vigerend. Dit plan is op 22 juni 2017 vastgesteld door de gemeenteraad van Haarlem. Nadien zijn een aantal reparatieplannen vastgesteld, waarbij geldt dat de bepalingen uit “Reparatieplan C Haarlem 2020” gedeeltelijk van invloed zijn op de locatie. Op de plannen en bijbehorende bepalingen wordt voor zover relevant hieronder ingegaan.
Het vigerende bestemmingsplan “Penningsveer” kent aan de locatie de bestemming ‘Recreatie’ toe. Langs de westzijde van het projectgebied staan vier windturbines, die met de bestemming ‘Bedrijf’ en specifieke functieaanduiding ‘Windturbine’ zijn opgenomen. Ook geldt ter plaatse de gebiedsaanduiding ‘Veiligheidszone - windturbine 1 en 2’. De windturbines zijn gelegen langs het Windturbinepad, welke de bestemming ‘Verkeer’ kent en deels binnen de projectlocatie gelegen is. Langs de oostelijke grens van de locatie is de bestemming ‘Natuur’ opgenomen. De bestemming ‘Natuur’ ligt niet binnen het projectgebied zelf, maar ontwikkelingen dienen wel rekening te houden met de natuurwaarden die hiermee zijn beschermd. Tot slot kent het gehele projectgebied de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Cultuurhistorie’ en geldt de gebiedsaanduiding ‘Geluidszone – industrie’.
Op basis van het “Reparatieplan C Haarlem 2020” dient ter plaatse van een beperkt deel van de projectlocatie rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen explosieven in de bodem, waardoor aan grondroerende werkzaamheden in het kader van veiligheid aanvullende beperkingen zijn gesteld.
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 15
Figuur 16. Uitsnede bestemmingsplankaart (bron: eigen bewerking QGIS)
Primaire bestemming op locatie De locatie kent in hoofdzaak de enkelbestemming ‘Recreatie’. De relevante bepalingen zijn hieronder weergegeven. Artikel 7 – Recreatie 7.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.
dagrecreatie, openluchtrecreatie; het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van landschappelijke en/of natuurwaarden; aan de hoofdfunctie ondergeschikte horeca-activiteiten t/m cat. 3 ten dienste van deze voorzieningen met niet meer dan 30% van het bruto vloeroppervlak; waterlopen en waterpartijen; de bij de bestemming behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde, waterstaatkundige voorzieningen, groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, terrassen, sanitaire voorzieningen, warmte-koudeopslag en warmte-koudetransport.
7.6 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om deze bestemming te wijzigen teneinde overeenkomstig het bepaalde in 7.1 onder c zelfstandige horeca mogelijk te maken, met dien verstande dat de bestemming gewijzigd kan worden ten behoeve van een gecombineerd gebouw voor zowel de horecavoorziening/opslag als de sanitaire voorziening, mits: a. b. c.
de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 6 m; de maximale oppervlakte niet meer bedraagt dan 350 m2 waarvan maximaal 250 m2 voor de horecavoorziening; de provinciale ruimtelijke verordening / omgevingsverordening in acht wordt genomen, zoals die geldt ten tijde van het vaststellen van het wijzigingsplan.
7.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 1. Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Recreatie' zonder een aanlegvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren: a. het ontgronden, vergraven , afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden; b. het scheuren van grasland;
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 16
c. d.
het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen; het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen; e. het verlagen of verhogen van het grondwaterpeil; f. het aanleggen of verwijderen van van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en / of kappen van bos of andere houtgewassen; g. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 2. Het verbod als bedoeld in dit artikel is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
De realisatie van een zonnepark past niet binnen de regels die van toepassing zijn op de projectlocatie. Een zonnepark is immers niet opgenomen als toegestaan gebruik binnen de bestemming ‘Recreatie’. Hierdoor is het niet nodig aan de verwante bouwregels te toetsen, aangezien te realiseren bouwwerken geen gebouwen zijnde, niet ten dienste staan van de bestemming ‘Recreatie’. Wel is gekeken naar de in het artikel opgenomen wijzigingsbevoegdheid en de bepalingen die zien op het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden. Daaruit blijkt dat de wijzigingsbevoegdheid geen uitkomst biedt voor de ontwikkeling. Een uitgebreide planologische procedure is daarom noodzakelijk om het zonnepark mogelijk te maken. De beoogde combinatie met recreatie is ter plaatse wel mogelijk, omdat recreatie op basis van het huidige bestemmingsplan reeds is toegestaan. Ook het behoud en herstel van aanwezige natuurwaarden past binnen de bestemming, waardoor het toevoegen/versterken van natuur als onderdeel van het energielandschap, eveneens niet op planologische belemmeringen stuit. Voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden geldt dat veel activiteiten aan een omgevingsvergunning gebonden zijn. Voor dit project geldt dat sprake is van een activiteit als genoemd in artikel 7.7, eerste lid onder b, f, g van het bestemmingsplan “Penningsveer”.
Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden is daarom benodigd. Archeologie Over de enkelbestemming ‘Recreatie’ ligt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’, een en ander ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden. Waarde – Archeologie 4 18.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. 18.2 Bouwregels 1.
In aanvulling op het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemming(en) gelden de volgende regels: ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' dient de aanvrager van een omgevingsvergunning waarvan bodemverstorende bouwwerkzaamheden deel uitmaken, in geval de oppervlakte van het project meer dan 2500 m2 betreft en de bouwwerkzaamheden dieper dan 0,30 m onder het maaiveld plaatsvinden, een waardestellend archeologisch rapport neer te leggen;
Het gehele plangebied kent de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Een archeologisch onderzoek is noodzakelijk indien de ontwikkeling grondroering met zich mee brengt over een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 én die grondroering op dieper dan 0,3 m beneden maaiveld (-mv) plaatsvindt. Van dergelijke werkzaamheden is binnen dit project geen sprake. Een nadere toelichting hierop wordt gegeven in paragraaf 4.2 van voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Cultuurhistorie Een tweede dubbelbestemming die het gehele plangebied kent, is de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’. De bepalingen ter bescherming van cultuurhistorische waarden zijn hieronder weergegeven.
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 17
Artikel 19 – Waarde – Cultuurhistorie 19.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, naast de daarvoor aangewezen andere bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de versterking van cultuurhistorische en landschappelijke waarden. 19.2 Bouwregels In aanvulling op het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemming(en) geldt dat op de gronden met de bestemming 'Waarde- Cultuurhistorie' niet mag worden gebouwd, met uitzondering van verbouwing of vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande afmetingen van de bouwwerken gehandhaafd dienen te blijven. 19.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. de cultuurhistorische waarde; c. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken. 19.4 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 2 en toestaan dat wordt gebouwd overeenkomstig de bouwregels van de andere bestemming, mits de cultuurhistorische- en landschappelijke waarden van de gronden hierdoor niet onevenredig worden geschaad. 19.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 1. Voor de volgende werken of werkzaamheden is een aanlegvergunning vereist: a.
aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen; b. bodemverlagen of afgraven, ophogen, egaliseren dan wel anderszins aanbrengen van wijzigingen in het maaiveld; c. het scheuren van grasland; d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; e. het verrichten van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk; f. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; g. het aanleggen van kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies; h. diepploegen; i. het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen; j. het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand; k. het plaatsen van objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair. 2.
Geen aanlegvergunning is vereist voor werken of werkzaamheden die: a.
3.
het onderhoud en beheer betreffen, passend in het normale gebruik, waaronder normaal spit- en ploegwerk, anders dan diepploegen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan krachtens een verleende vergunning; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. De aanlegvergunning kan slechts worden verleend, indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de in de toelichting weergegeven cultuurhistorische waarden van het gebied.
Cultuurhistorische en landschappelijke waarden dienen te worden behouden. Hiertoe geldt in principe een bouwverbod, waarvan middels een omgevingsvergunning (binnenplans) kan worden afgeweken indien de te bouwen bouwwerken geen afbreuk doen aan de te beschermen waarden. In dit geval geldt dat de locatie Schoteroog deels gelegen is binnen de Stelling van Amsterdam, aangewezen als UNESCO Werelderfgoed. De kernkwaliteiten, verankerd in provinciaal beleid, dienen te worden behouden. Het provinciaal beleid is opgenomen in paragraaf 3.2 van voorliggende rapportage. Het aspect cultuurhistorie wordt bovendien nader besproken in paragraaf 4.2. Voor een volledige uiteenzetting wordt verwezen naar genoemde paragrafen. Voor deze paragraaf wordt volstaan met de vermelding dat het zonnepark rekening houdt met de begrenzing van de Stelling van Amsterdam en panelen en dergelijken niet binnen dit werelderfgoed worden geplaatst. Daarbij wordt opgemerkt dat het plan is afgestemd op de nieuwe begrenzing van de Stelling van Amsterdam zoals opgenomen in de Omgevingsverordening van Noord-Holland (zie paragraaf 3.2.2). Diverse activiteiten zijn daarnaast aan een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden gebonden. In overleg met het bevoegd gezag wordt bepaald hoe deze onderdelen worden meegenomen, nu de begrenzing van de Stelling van Amsterdam is gewijzigd.
Bedrijf De windturbines langs de Windturbineweg kennen de bestemming ‘Bedrijf’ en een tweetal veiligheidszones. De zuidwestelijke punt van het projectgebied kent eveneens de bestemming ‘Bedrijf’, met de functieaanduiding ‘nutsvoorziening’. De bedrijfsbestemming en veiligheidszones zijn hieronder weergegeven.
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 18
Artikel 3 – Bedrijf 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een windturbine ter plaatse van de aanduiding 'windturbine'; b. een nutsvoorziening ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening'; c. bij de bestemming behorende 'bouwwerken geen gebouwen zijnde', groenvoorzieningen, wegen en paden, erven en terreinen, parkeervoorzieningen, warmte-koudeopslag en -transport. 3.2 Bouwregels Binnen de bestemming 'Bedrijf' mogen bouwwerken worden opgericht onder de volgende voorwaarden: 3.2.1 Gebouwen 1. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; 2. van een windturbine mag: 1. de ashoogte niet meer dan 44 m bedragen; 2. de rotordiameter niet meer dan 13 m bedragen; 3. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is ten hoogste de aangegeven bouwhoogte toegestaan. 3.2.2 Bouwwerken geen gebouw zijnde De maximale hoogte van 'bouwwerken geen gebouwen zijnde' bedraagt 3m. 3.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van het voorkomen van beschadigingen in de afdeklaag van de voormalige vuilstortplaats. 3.4 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 2.1 onder b en toestaan dat een windturbine wordt gerealiseerd met een afwijkende ashoogte en rotordiameter, mits: a.
de afwijking voldoet aan het gestelde in de Provinciale Ruimtelijke Verordening en het Luchthavenindelingbesluit Schiphol zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag; b. de afwijking er niet toe leidt dat: o er kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aanwezig zijn binnen de risicocontour 10 -5 voor het plaatsgebonden risico; o er kwetsbare objecten aanwezig zijn tussen de risicocontour 10-5 en de risicocontour 10-6 voor het plaatsgebonden risico; o de geluidsbelasting op de gevel van gevoelige gebouwen, tenzij deze staan op een gezoneerd industrieterrein, en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein, meer bedraagt dan 47 dB L den en 41 dB Lnight. 23.2 Veiligheidszone - windturbine 1 23.2.1 Aanduidingsomschrijving a. ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - windturbine 1' zijn de gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de aanwezigheid van één of meerdere windturbines. b. voor zover in afwijking van de bepalingen van de daar voorkomende bestemmingen zijn op de in sublid a bedoelde gronden geen nieuwe kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten toegestaan. 23.2.2 Bouwregels In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mogen geen nieuwe gebouwen worden gebouwd ten behoeve van de in lid 3.1 onder b. genoemde functies.
23.3 Veiligheidszone - windturbine 2 23.3.1 Aanduidingsomschrijving a. ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - windturbine 2' zijn de gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de aanwezigheid van één of meer windturbines; b. voor zover in afwijking van de bepalingen van de daar voorkomende bestemmingen zijn op de in sublid a bedoelde gronden geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. 23.3.2 Bouwregels In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mogen geen nieuwe gebouwen worden gebouwd ten behoeve van de in lid 4.1 onder b. genoemde functies (Cultuur en ontspanning).
Panelen De panelen worden geplaatst buiten de bestemming ‘Bedrijf’. De veiligheidszones hebben geen invloed op de ontwikkeling, omdat een zonnepark geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object betreft. Recreatieve functies kunnen afhankelijk van de specifieke kenmerken als beperkt kwetsbaar worden beschouwd, echter is recreatie op basis van het huidige bestemmingsplan op de locatie al mogelijk. De veiligheidszones hebben tot slot ook geen invloed op natuur, zowel ten aanzien van de bestaande als ten aanzien van de te versterken/toe te voegen waarden. Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 19
Het bovenstaande betekent dat de aanwezigheid van de windturbines en bijbehorende veiligheidszones geen belemmering vormt voor het project. Uiteraard dient rekening te worden gehouden met de situering ervan en de bijbehorende (ondergrondse) infrastructuur, valbereik, slagschaduw et cetera. De genoemde onderwerpen vormen echter geen aspect in het kader van de planologische procedure. Trafostation Ten behoeve van het zonnepark dient een trafostation te worden geplaatst. Het trafostation wordt voorzien ter plaatse van de zuidwestelijke punt van het projectgebied. Aldaar hebben de gronden de bestemming ‘Bedrijf’, met de functieaanduiding ‘nutsvoorziening’. Nutsvoorzieningen zijn in het bestemmingsplan niet gedefinieerd, maar worden doorgaans getypeerd als voorzieningen ten behoeve van openbaar nut, zoals voorzieningen voor elektriciteit, telecommunicatie, water, gas en riolering. Het trafostation dient ter aansluiting van de met het zonnepark op te wekken duurzame stroom op het energienet en kan daarmee worden gezien als nutsvoorziening. Het trafostation past daarmee binnen de gebruiksregels van de betreffende gronden. Ten aanzien van de bouwregels geldt dat gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden opgericht. Een trafostation betreft echter een bouwwerk, geen gebouw zijnde, en kan daarmee ook buiten het bouwvlak worden geplaatst.
Het trafostation op de beoogde locatie past daarmee binnen de kaders van het vigerende bestemmingsplan. Overige zones Tot slot zijn nog de volgende zones van toepassing: - Gebiedsaanduiding ‘geluidszone – industrie’ (bestemmingsplan “Penningsveer”) - Gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone – niet gesprongen explosieven’ (parapluplan “Reparatieplan C Haarlem 2020”) - Gebiedsaanduiding ‘overige zone – herziening planregels 7’ (parapluplan “Reparatieplan C Haarlem 2020”) De invloed van de hierboven weergegeven zones wordt hieronder besproken. Gebiedsaanduiding ‘geluidszone – industrie’ Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' zijn de gronden, naast de aldaar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting op nieuwe geluidsgevoelige bebouwing als gevolg van het industrielawaai. Omdat geen geluidgevoelige bebouwing wordt opgericht, heeft de geluidszone geen invloed op het project. Gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone – niet gesprongen explosieven’ Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'Veiligheidszone - niet gesprongen explosieven' zijn de gronden, naast de aldaar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in verband met de mogelijke aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven in de bodem. Om die reden geldt een omgevingsvergunningplicht indien: 1.
grondroerende werkzaamheden worden verricht waarbij dieper wordt gegraven dan 1 meter onder het maaiveld en; 2. uit een (beperkte) risicoanalyse naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders blijkt dat de bescherming van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in onvoldoende mate gewaarborgd is. De gronden waarop bovengenoemde bepalingen van toepassing zijn, zijn beperkt en bestrijken slechts een zeer beperkt deel van het projectgebied. Het gaat om de noord westpunt van de locatie zoals weergegeven op figuur 17.
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 20
Figuur 17. Duiding ‘veiligheidszone – niet gesprongen explosieven’ (bron: Reparatieplan C Haarlem 2020, ruimtelijkeplannen.nl)
Een omgevingsvergunning is onder meer niet vereist wanneer uit een (beperkte) risicoanalyse is gebleken dat het woon-, leef- en verblijfsklimaat afdoende is gewaarborgd. Panelen lijken niet te worden geplaatst binnen de veiligheidszone. Aanbevolen wordt daar met de verdere uitwerking rekening mee te (blijven) houden. Voor zover binnen de gronden wordt voorzien in de aanleg van nieuwe natuur waar grondbewerking op een diepte van meer dan 1 meter noodzakelijk is, dient een onderzoek te worden uitgevoerd. De verwachting is echter dat de aanleg van nieuwe natuur geen grondverzet met zich mee brengt. Datzelfde geldt voor de (overigens al toegestane) recreatieve functie. Gebiedsaanduiding ‘overige zone – herziening planregels 7’ Deze bepaling strekt ertoe de herziening van de planregels van toepassing te verklaren, en de overig niet herziene regels uit het plan “Penningsveer” onverkort van kracht te laten. Voor de herziening van de planregels geldt in dit geval uitsluitend de veiligheidszone in verband met de niet gesprongen explosieven zoals hierboven beschreven. Voor het overige heeft de herziening geen invloed op het plan. Conclusie bestemmingsplantoets De voorgenomen ontwikkeling behelst de realisatie van een energielandschap.
Het energielandschap omvat de volgende functies: - duurzame energieopwekking (wind en zon); - recreatie; - natuur; Recreatie en windenergie is al aanwezig en planologisch toegestaan op basis van het huidige bestemmingsplan “Penningsveer”. Ook natuur is al aanwezig, maar uitsluitend langs de oostzijde van het projectgebied. Natuur omvat bovendien een toegestane dan wel gewenste functie binnen de bestemming ‘Recreatie’. Voor recreatie en natuur binnen het projectplan, is daarom geen sprake van strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan. De windmolens zijn in de huidige situatie al aanwezig en blijven ongemoeid. Gelet op het bovenstaande zijn de strijdigheden uitsluitend gelegen in het toevoegen van het zonnepark binnen het energielandschap. Het onderdeel ‘zon’ is een nieuwe functie in het gebied en dient planologisch mogelijk te worden gemaakt. Hier is een uitgebreide planologische procedure voor nodig. Daarnaast dient van het bouwverbod dat strekt ter bescherming van de cultuurhistorische waarden te worden afgeweken. Dit betreft in beginsel een reguliere procedure (binnenplanse afwijking), maar omdat een gecombineerde aanvraag tot stand zal komen, doorloopt ook deze afwijking de uitgebreide procedure.
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 21
Bij het doorlopen van de planologische procedure, dient verder rekening te worden gehouden met de mogelijk aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden in het gebied. Ook bestaande natuur- en landschappelijke waarden binnen en rondom het projectgebied dienen in stand te worden gehouden en waar mogelijk te worden versterkt. Hier volgt een onderzoeksplicht uit en daarnaast dient een landschappelijk inpassingsplan het voorgaande inzichtelijk te maken. Voor dit project is een natuurtoets in het kader van ecologie uitgevoerd (zie paragraaf 4.13). Ook is een Heritage Impact Assessment (HIA) uitgevoerd met het oog op de cultuurhistorische waarde van de Stelling van Amsterdam (zie paragraaf 4.3). Het landschappelijk inpassingsplan is reeds besproken in paragraaf 2.3. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden. Voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en van werkzaamheden geldt dat veel activiteiten aan een omgevingsvergunning gebonden zijn. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat de volgende vergunningplichtige activiteiten plaatsvinden (gecombineerde uiteenzetting aanlegstelsel artikel 7.7 recreatie en 19.5 cultuurhistorie, projectspecifiek): a. b. c. d.
het verrichten van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk; het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; het aanleggen van kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies; het aanleggen of verwijderen van van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en / of kappen van bos of andere houtgewassen; e. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
NB. Ook binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ geldt een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden, echter wordt met het project ruim beneden de vrijstellingsgrenzen gebleven, zodat de vergunningplicht niet aan de orde is. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 4.2.
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 22
3
RUIMTELIJK BELEID RIJKSBELEID Nationale Omgevingsvisie Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. In het kader van de nahangprocedure kunnen in de Nationale omgevingsvisie nog opmerkingen en wensen van de Tweede Kamer worden verwerkt. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. Figuur 18. Afwegen met de NOVI. (Bron: Nationale Omgevingsvisie)
De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio’s Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren,
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 23
gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling voorziet in de realisatie van duurzame energievoorziening voor de gemeente Haarlem. Duurzame energie vormt een van de 21 nationale belangen zoals verwoord in het NOVI: “Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is, en de daarvoor benodigde hoofdinfrastructuur”. Energie moet veilig worden opgewekt, gewonnen, getransporteerd, opgeslagen en gebruikt. Om de afgesproken doelen uit het Klimaatakkoord van Parijs te halen en 95 procent minder uitstoot van broeikasgassen te realiseren in 2050 (ten opzichte van 1990), is een transitie naar een CO2-arme energievoorziening noodzakelijk.
De opgave is dan ook het waarborgen van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, het vervangen van fossiele energiebronnen door duurzame bronnen (inclusief besparing), de aanpassing van de netwerken voor warmte, gas en elektriciteit en het inpassen en zoveel mogelijk beperken van de ruimtebehoefte voor opwekking, conversie, opslag en transport van energie. De rol van het Rijk is tweeledig. Ten eerste gaat het om de voorwaarden te scheppen waaronder winning, opwekking, transport, conversie, opslag en gebruik van energie, alsmede het afvangen en opslaan van CO2, betrouwbaar, betaalbaar en veilig kunnen plaatsvinden. Ten tweede om het tot stand brengen van de energietransitie zeker te stellen. Het Rijk werkt hierbij nauw samen met de decentrale overheden, maatschappelijke organisaties en andere betrokkenen. Dit komt onder meer tot uitdrukking in het nationale Klimaatakkoord. De rol van het Rijk uit zich onder meer in het vastleggen van doelstellingen voor de reductie van broeikasgassen en het stellen van voorwaarden en aanwijzen van gebieden voor energie-activiteiten, na afweging met andere belangen. De uiteindelijke uitvoering van projecten die gezamenlijk beantwoorden aan de landelijke doelstellingen op het gebied van energietransitie en CO2-reductie, is aan gemeenten, RES-regio’s en provincies.
Alleen wanneer een ontwikkeling zodanig van omvang is dat deze op grond van de Elektriciteitswet 1998 wordt aangemerkt als grootschalige ontwikkeling van nationaal belang, dient het Rijk aan te haken en is een Rijksinpassingsplan noodzakelijk. Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien met een zonnepark een opgesteld vermogen van 50 MW of meer wordt gerealiseerd. Conclusie Het beoogde initiatief draagt bij aan de verwezenlijking van het nationale belang ten aanzien van de energietransitie. Gelet op het vermogen van onderhavige productie-installatie (5 MWp) wordt de grens van 50 MWp niet overschreden. Vanuit het decentralisatieprincipe wordt door de decentrale overheden verdere invulling aan het beleid gegeven. Dit beleid wordt in de navolgende paragrafen behandeld.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. De onderwerpen uit het Barro zijn nader uitgewerkt in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). De verschillende nationale belangen zijn hieronder weergegeven.
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 24
Rijksvaarwegen
Defensie
Natuurnetwerk Nederland
Project Mainportontwikkeling Rotterdam
Hoofdwegen en landelijke spoorwegen
Primaire waterkeringen buiten het kustfundament
Kustfundament
Elektriciteitsvoorziening
IJsselmeergebied
Waddenzee en waddengebied
Buisleidingen van nationaal belang
Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde
Grote rivieren
Ruimtereservering Kaagbaan
Relatie tot ontwikkeling Een deel van de locatie Schoteroog is gelegen binnen de Stelling van Amsterdam, aangewezen als een erfgoed van uitzonderlijke universele waarde (UNESCO), zie figuur 19. Figuur 19. Uitsnede kaart 7 Barro: erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
In het Barro wordt aan provincies de opdrachtgegeven de kernkwaliteiten en begrenzing van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde nader uit te werken. Daarnaast worden bij provinciale verordening regels gesteld over de inhoud van de toelichting op ruimtelijke plannen binnen de genoemde gebieden. De provincie Noord-Holland heeft dit gedaan in de provinciale Omgevingsverordening Noord-Holland. Paragraaf 3.2.2 van voorliggende ruimtelijke onderbouwing gaat daar nader op in. Op basis van het Rarro bevindt het projectgebied zich daarnaast binnen een gebied waarbinnen defensie een onderwerp van nationaal belang vormt (zie figuur 20). Enkele zend- en ontvangstinstallaties zijn buiten de militaire terreinen gelegen, maar wel van nationaal belang. Deze zijn aangegeven kaart 6 bij het Rarro. Het projectgebied is gelegen binnen meerdere radarverstoringsgebieden, namelijk: radarverstoringsgebied maximale hoogte 90 meter t.o.v. NAP; radarverstoringsgebied bouwwerken behorende bij radarstation Schiphol Centrum; radarverstoringsgebied bouwwerken behorende bij radarstation Schiphol TAR West.
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 25
Figuur 20. Uitsnede kaart 6 Rarro, Radarstations (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Aan gemeenten wordt door het Rijk de opdracht gegeven bij de eerstvolgende bestemmingsplanherziening te voorzien in een (dubbel)bestemming ‘Maatschappelijk – zend- en ontvangstinstallatie’ en daarmee te borgen dat geen bestemmingen worden opgenomen die onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de genoemde installaties. Om verstoring te voorkomen, worden binnen de radarverstoringsgebieden beperkingen gesteld aan de maximale bouwhoogten die mogelijk worden gerealiseerd. In ieder geval geldt een maximale hoogte van 90 meter t.o.v. NAP. Daarnaast dient per radarstation te worden bepaald welke hoogte toelaatbaar is. Daarbij is onder meer de afstand tussen de projectlocatie en de installaties, alsook de hoogte van de daarbij behorende antenne relevant. Een en ander is nader uitgewerkt in het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol. Onder meer aan de hand van de webapplicatie (www.lib-schiphol.nl) kunnen (onder andere) de maximale bouwhoogten binnen het projectgebied in beeld worden gebracht. Paragraaf 4.11 van voorliggende rapportage gaat in op het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol. Voorliggende rapportage bevat de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van de omgevingsvergunningaanvraag ‘afwijken bestemmingsplan’. Van het opstellen van een nieuw bestemmingsplan is geen sprake. Het opnemen van de genoemde bestemming is dan ook niet mogelijk.
Ten overvloede wordt vermeld dat de beoogde ontwikkeling geen nadelige invloed heeft op de werking van de installaties. Hiertoe wordt verwezen naar paragraaf 4.11. Conclusie Het Barro is op de onderdelen erfgoed en defensie van toepassing op het projectgebied. Van activiteiten die in negatieve zin raken aan de nationale belangen is echter geen sprake. Het Barro vormt derhalve geen belemmering voor de ontwikkeling.
Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De relevante onderwerpen voor onderhavig project worden behandeld in
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 26
hoofdstuk 4, waarin de ruimtelijke en milieutechnische aspecten worden behandeld in het overkoepelende hoofdstuk Omgevingsaspecten. Voor de Ladder voor duurzame verstedelijking geldt het volgende. De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in artikel 3.1.6 van het Bro. Op basis hiervan dient bij de realisatie van nieuwe stedelijke ontwikkelingen de behoefte aan de ontwikkeling te worden aangetoond. Daarnaast dienen deze stedelijke ontwikkelingen in hoofdzaak binnen het bestaand stedelijk gebied plaats te vinden. Indien een ontwikkeling buiten stedelijk gebied plaatsvindt, dient dit gepaard te gaan met een stevige motivering van de reden waarom naar het buitengebied wordt uitgeweken. Relatie tot ontwikkeling In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. Indien de ontwikkeling niet kan worden getypeerd als stedelijke ontwikkeling, is de Ladder namelijk niet van toepassing op het project. Dit laat overigens onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening alsnog de nut en noodzaak van het project dient te worden aangetoond.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in januari 2019 uitspraak gedaan in een zitting waarin onder andere aan de orde was of een zonnepark in het buitengebied als stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro dient te worden getypeerd (zie uitspraak van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:178). De Afdeling overweegt hierover het volgende: “Uit overweging 6.2 van de uitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, blijkt dat de Afdeling diverse voorzieningen op het gebied van energieopwekking en -distributie niet als stedelijke ontwikkeling heeft aangemerkt. Genoemd worden: een hoogspanningsverbinding, een windturbinepark en een transformatorstation. Naar het oordeel van de Afdeling is er geen aanleiding voor een andere benadering met betrekking tot een zonnepark, dat naar zijn aard niet wezenlijk verschilt van een windturbinepark. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat een zonnepark, net als een windturbinepark, zich bij uitstek niet goed leent om binnen bestaand stedelijk gebied te worden gerealiseerd. De toepasselijkheid van de ladder voor duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro op een dergelijke voorziening zou daarentegen juist tot gevolg hebben dat het bevoegde bestuursorgaan telkens zou moeten motiveren waarom deze voorziening niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien.
Dit vindt de Afdeling in het licht van het doel en de strekking van de ladder voor duurzame verstedelijking een onlogische consequentie.” Conclusie De uitspraak maakt duidelijk waarom voor de ontwikkeling van zonneparken geen Laddertoets doorlopen hoeft te worden. De ontwikkeling kan niet worden gezien als stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing op onderhavig project. De nut en noodzaak van de ontwikkeling dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening alsnog aangetoond te worden. Uit de behandeling van het duurzaamheidsbeleid in dit hoofdstuk blijkt de behoefte aan de realisatie van het zonnepark.
Nationaal Klimaatakkoord Om de doelen te halen die in het Klimaatakkoord van Parijs zijn afgesproken heeft Nederland gewerkt aan een nationaal Klimaatakkoord. In het Klimaatakkoord maken bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden concrete afspraken over de maatregelen waarmee de CO2-uitstoot in Nederland gehalveerd kan worden. Verschillende sectoren (sectortafels gebouwde omgeving, industrie, landbouw en landgebruik, mobiliteit en elektriciteit) denken mee over concrete plannen. Het centrale doel van het Klimaatakkoord is het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen in Nederland met ten minste 49% in 2030 ten opzichte van 1990, de verschillende sectoren (zoals gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie, elektriciteit, landbouw en landgebruik) hebben hier hun eigen taak en rol in om dit gezamenlijk te bereiken. Aan de sectortafel 'elektriciteit' zijn afspraken geformuleerd die ertoe moeten leiden dat in 2030 meer dan 70% van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen komt. Een belangrijk doel is derhalve het vergroten van de productie van hernieuwbare energie. De omschakeling heeft impact op de leefomgeving. Gemeenten en provincies hebben hierin met de aanpak van de Regionale Energie Strategieën een belangrijke
Mees Ruimte & Milieu | 21084.01.RO
Pagina | 27
rol. Daarbij steunt het kabinet de mogelijkheid voor bewoners om te kunnen participeren in lokale energieprojecten. De productie van hernieuwbare energie moet vervijfvoudigen. Concreet wordt hierbij gestreefd naar het opschalen van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare bronnen tot 84 TWh (terawattuur). De productie wind op zee moet worden uitgebreid, maar ook de productie zon en wind op land. In de hoofdlijnen staat als doel beschreven dat in 2030 via windenergie en zonne-energie op land 35 TWh wordt gerealiseerd. Tevens wordt benadrukt dat de beschikbare ruimte zo efficiënt mogelijk benut moet worden door meervoudig ruimtegebruik. Vraag en aanbod dienen zoveel mogelijk bij elkaar gebracht te worden. Ten slotte is gesteld dat het belangrijk is om te zoeken naar functiecombinaties en aan te sluiten bij specifieke kwaliteiten van het gebied. Relatie tot ontwikkeling Met de realisatie van het zonnepark wordt de landelijke productie van zon op land verder uitgebreid. Met een vermogen van ca. 5 MWp komt deze productie weer een stapje dichterbij de noodzakelijke 35 TWh voor zonne-energie. Het park kent daarnaast een efficiënte benutting van de ruimte, doordat sprake is van meervoudig ruimtegebruik.
Dit is terug te zien in de toe te passen maatregelen ter versterking van de biodiversiteit en de geboden experimenteerruimte voor het combineren van agrarisch gebruik en duurzame opwekking op dezelfde gronden. De ontwikkeling is daarmee in lijn met het Nationaal Energieakkoord.
PROVINCIAAL BELEID Omgevingsvisie NH2050 De Omgevingsvisie NH2050 is vastgesteld door de Provinciale Staten van Noord-Holland op 19 november 2018. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. De Omgevingsvisie richt zich op lange termijn ambities en –doelen, met oog voor kwaliteiten die de provincie langjarig wil koesteren en die proberen in te spelen op veranderingen en transities die tijd nodig hebben. De visie spreekt zich dus uit over het ‘waarom’ en ten dele over het ‘wat’. Onder de hoofdambitie, ‘balans tussen economische groei en leefbaarheid’, zijn samenhangende ambities geformuleerd. De ambities zijn uitgewerkt in zogenaamde samenhangende bewegingen naar de toekomst. In die bewegingen worden meerdere ontwikkelprincipes gehanteerd. Alle ontwikkelprincipes hangen met elkaar samen. De omgevingsvisie laat in algemene zin zien wat de ontwikkelprincipes zijn voor de hele provincie om een hoge leefomgevingskwaliteit te bieden. Deze principes zijn overkoepelend: ze gelden voor de hele provincie. Hierbij komen de thema's gezondheid, veiligheid, klimaatadaptatie en landschap aan bod, alsook een aantal generieke principes voor het gebruik van de fysieke leefomgeving.
Daarnaast schetst de provincie vijf samenhangende bewegingen, die laten zien hoe wordt omgegaan met opgaven die op de samenleving afkomen en die de provincie wil faciliteren. Deze bewegingen zijn niet overkoepelend en zijn locatie- of onderwerp specifiek. Het gaat om de onderwerpen: 1. Dynamisch schiereiland. Hierin is het benutten van de unieke ligging van Noord-Holland, te midden van water, leidend. 2. Metropool in ontwikkeling. Hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad functioneert. 3. Sterke kernen, sterke regio’s, gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden. 4. Nieuwe energie, benut de economische kansen van de energietransitie. 5. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving, staan het ontwikkelen van natuurwaarden en een economisch duurzame agrarische sector centraal. Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van een zonnepark op Schoteroog, waarmee zonne-energie aan de reeds bestaande windmolens wordt toegevoegd. Daarbij wordt ingezet op een combinatie met natuur en recreatie, zodat een energielandschap met een meervoudige maatschappelijke waarde ontstaat. Recreatie en natuur is reeds toegestaan op de locatie en ook de windmolens zijn al aanwezig.