CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing

commissie Ontwikkeling 12 oktober 2023, gemeente HaarlemBij agendapunt: 20.30 uur Toekanweg 7: ontwerp-verklaring van geen bedenkingen voor het realiseren van 823 woningen, 218 parkeerplaatsen en 87 dubbelparkeerplaatsen (FR)37.607 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Deze zijn vermoedelijk door bemesting met stadsafval in het plangebied terecht gekomen, maar omdat het nog niet nader onderzocht is, valt niet uit te sluiten dat mogelijk toch sporen van landgebruik aanwezig zijn. De kans dat bewoningssporen uit deze periode worden aangetroffen is klein. In welke mate nog daadwerkelijk archeologische resten en/of sporen aanwezig kunnen zijn is mede afhankelijk van de mate van intactheid van de ondergrond. Ter plaatse van de bestaande bebouwing is de ondergrond aangetast. De diepte van de funderingen is opgezocht in het Noord-Hollands Archief. Wanneer de diepteligging van de funderingen vergeleken wordt met de diepteligging van de archeologische niveaus, blijkt dat geen van de funderingen tot in het veen en het strandzand reikt. De verwachting is dat de archeologische niveaus van het veen en eventuele zandige opduikingen dus nog intact is. Alleen ter plaatse van de liftschacht (tot -2,0 m NAP) is de top van het veen vermoedelijk al aangetast.

Mees Ruimte & Milieu | 20154.02.RO

Pagina | 47

Advies In het plangebied bestaat het voornemen om het huidige kantoorpand te slopen en nieuwbouw te realiseren. Voor de vloer, vloerbalken en poeren wordt de bodem tot 0,6 à 2,12 m -Mv/+0,1 à -1,4 m NAP ontgraven. Ook zal een waterpartij worden gegraven tot onbekende diepte. Ook zullen er 853 heipalen worden geplaatst tot ongeveer -22 m NAP. De tussenruimte tussen de palen is variabel en varieert globaal tussen 0,75 m en 4,5 m. De graafwerkzaamheden voor de funderingen reiken zeer waarschijnlijk niet tot in de top van het veen, en ook niet tot in de top van eventuele zandige opduikingen. De heipalen gaan echter dwars door alle archeologische niveaus heen. Gezien hun aantal en tussenafstand kan een eventuele vindplaats hierdoor worden aangetast. Daarom wordt door Transect geadviseerd een verkennend booronderzoek uit te voeren in het plangebied om de aanwezigheid, locatie en bewoonbaarheid van strand(wal) en/of duinafzettingen en bewoonbare veenlagen in het plangebied te toetsen. Vanwege het aanwezige ophoogzand en de hoge grondwaterstand adviseren wij dit onderzoek te laten plaatsvinden ná de sloop van de huidige bebouwing en middels een mechanische boor. De onderzoeksstrategie, het doel- en de vraagstelling van het verkennend booronderzoek dient in een Plan van Aanpak (PvA) te worden verwoord.

Dit PvA moet voorafgaand aan de start van het booronderzoek aan het Bureau Archeologie van de gemeente Haarlem ter beoordeling worden voorgelegd. Inventariserend veldonderzoek 2023 In januari 2023 heeft Transect een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd naar aanleiding van de conclusies uit het bureauonderzoek. Dit onderzoek richt zich daarbij met name op de top van de strandafzettingen en de top van het veen, hetgeen de archeologisch relevante niveaus binnen het plangebied vormen. Het onderzoek is als bijlage terug te vinden, de resultaten zijn hieronder weergegeven. Uit het veldonderzoek blijken in het plangebied vanaf een diepte van 262-330 cm -Mv strandafzettingen aanwezig te zijn, die begraven liggen onder respectievelijk een laag veen (vanaf 110- 170 cm -Mv; 1,6-2,3 m -NAP) en een moderne ophooglaag. Tussen het schelphoudende strandzand en het amorfe veen is in vijf boringen sprake van een humeuze, zwak zandige of sterk siltige kleilaag. Deze kleilaag betreft wadafzettingen en maken geologisch gezien deel uit van het Wormer Laagpakket als onderdeel van de Formatie van Naaldwijk. De afzettingen vormen zich onder dagelijks tij in de strandvlakte, waarbij de aanwezigheid van de laag wijst op lage en natte omstandigheden. Bewoning heeft hiermee waarschijnlijk niet in het plangebied plaatsgevonden.

Zandopduikingen, die kunnen wijzen op strandwallen of geïsoleerde duinen, zijn in het plangebied niet aangetroffen. Daarom is de middelhoge archeologische verwachting op resten uit het Neolithicum-Bronstijd uit het bureauonderzoek naar laag bij te stellen. De top van veen is amorf en sterk samengedrukt, maar niet veraard. De verdrukking is waarschijnlijk het gevolg van de dikte van de moderne ophooglaag in het gebied. Archeologische resten uit de periode IJzertijdVroege Middeleeuwen zijn zodoende niet te verwachten, vanwaar de middelhoge archeologisch verwachting uit het bureauonderzoek voor deze periode ook naar laag kan worden bijgesteld. Voor wat betreft de archeologische verwachting op resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd blijft deze laag. In enkele boringen is een restant van een, naar wat lijkt, bemestingslaag met stadsafval aangetroffen. Deze laag is aan de top en basis echter vermengd met schelphoudend strandzand, vanwaar de laag als verstoord wordt beschouwd. In deze laag worden geen intacte sporen uit de Late Middeleeuwen of Nieuwe Tijd verwacht. Advies Op basis van het archeologisch vooronderzoek is een lage archeologische verwachting vastgesteld. De kans dat met de voorgenomen sloop van het kantoorpand en de nieuwbouw van het appartementencomplex archeologische waarden verstoord zullen raken, is klein.

Transect adviseert daarom dat in het kader van de toekomstige ontwikkelingen geen aanvullende maatregelen nodig zijn. Mochten er tijdens het uitvoeren van de graafwerkzaamheden toch archeologische vondsten aangetroffen worden, geldt een wettelijke meldplicht (Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11) deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (de gemeente Haarlem).

Mees Ruimte & Milieu | 20154.02.RO

Pagina | 48

Conclusie Archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat er een lage archeologische verwachting aanwezig is op het plangebied. Er is voldoende onderzocht dat de kans dat met de voorgenomen sloop en nieuwbouw archeologische waarden verstoord zullen raken klein is. Aanvullende maatregelen zijn niet nodig. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de realisatie van het nieuwbouwplan.

4.4

CULTUURHISTORIE Algemeen Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2022 in werking treedt. Nota Belvedère (1999) Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken.

Relatie tot ontwikkeling Tot begin 20e eeuw maakte het plangebied deel uit van het open veenweidelandschap tussen de ommuurde Haarlemse binnenstad en het Haarlemmermeer. De enige weg langs het gebied was de Zuidschalkwijkerweg die de lintbebouwing langs het Spaarne verbond met de oude stad. Aan de noordkant van het plangebied bevonden zich de landerijen van buitenplaats Oosterspaarn. Het Spaarne is nog steeds een van de belangrijkste lange (water-) lijnen door de stad. Sinds 5 december 1990 zijn de binnenstad van Haarlem en de Haarlemmerhout aangewezen als 'beschermd stadsgezicht' in de zin van de Monumentenwet 1988. Per 5 oktober 2011 is via een besluit ex artikel 35 van de Monumentenwet het 'beschermde stadsgezicht' uitgebreid met gebieden in Haarlem Zuid en Haarlem Zuidwest. Ten opzichte van de projectlocatie zijn de beschermd stadsgezichten Haarlem / Haarlemmerhout en Haarlem Zuid het meest nabij gelegen. De projectlocatie is buiten de beschermde stadsgezichten gelegen. Binnen de projectlocatie zijn geen monumenten gelegen. Uit figuur 12 blijkt dat de Slachthuisbuurt over een aantal gemeentelijke monumenten beschikt en aan de overzijde van het Spaarne een aantal rijksmonumenten gelegen zijn.

Mees Ruimte & Milieu | 20154.02.RO

Pagina | 49

Figuur 13. Uitsnede monumentenkaart Haarlem, plangebied rood omcirkeld.

In het kader van de Hoogbouweffectrapportage (HER, paragraaf 4.2) zijn de effecten van de nieuwbouw op de cultuurhistorische waarden van de binnenstad onderzocht. Hiervoor verwijzen wij terug naar paragraaf 4.2 en de volledige HER die als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing te vinden is (bijlage 2). Vanuit de rand van het historische centrum kan de ontwikkeling waargenomen worden. Door de kronkeling van het Spaarne is dat naar verwachting niet op elke plek het geval. Door de relatief beperkte hoogte binnen het ensemble wordt Schonenvaert vanuit cultuurhistorisch oogpunt hooguit in beperkte mate als storend ervaren.

Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

4.5

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken.

Mees Ruimte & Milieu | 20154.02.RO

Pagina | 50

Tabel 1. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering.

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Functiemenging In bestaande gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), wordt de SvB 'functiemenging' toegepast. Zoals in de VNG-publicatie reeds is aangegeven kan bij functiemengingsgebieden gedacht worden aan:  stadscentra, dorpskernen en winkelcentra;  horecaconcentratiegebieden;  zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en in lintbebouwingen;  (delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Vanwege de bijzondere kenmerken van gebieden kan met enige vorm van functiemenging, niet worden gewerkt met een systematiek van richtafstanden en afstandsstappen: vanwege de zeer korte afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies is een dergelijke systematiek niet geschikt voor functiemengingsgebieden. De SvB 'functiemenging' hanteert vier categorieën A, B1, B2 en C met specifieke criteria voor de toelaatbaarheid.

Categorie A Bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies zijn toegestaan, desgewenst in daarvoor omschreven zones binnen rustige woongebieden. De 3 activiteiten zijn zodanig weinig milieubelastend dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn. Categorie B1 Bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies in een daarvoor omschreven gebied met functiemenging zijn toegestaan1 . De activiteiten zijn zodanig weinig milieubelastend dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn. Categorie B2 Bedrijfsactiviteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter bouwkundig afgescheiden van woningen/andere gevoelige functies. Bouwkundig afgescheiden betekent dat de panden los van elkaar dienen te staan of dat er andere bouwkundige voorzieningen getroffen zijn waardoor milieubelasting voorkomen wordt op vergelijkbare wijze als bij bouwkundige afscheiding. Uitzondering hierop vormen binnenterreinen omringd door voornamelijk woningen: ook al zijn bedrijven bouwkundig afgescheiden van woningen, op deze locaties zijn hooguit categorie B1 bedrijven toegestaan. Categorie C Activiteiten zoals genoemd onder categorie B2, waarbij vanwege relatief grote verkeersaantrekkende werking een directe ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.

Mees Ruimte & Milieu | 20154.02.RO

Pagina | 51

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie kent de bestemming ‘Gemengd – 5’ in de huidige situatie. In de nieuwe situatie worden hier woningen en commerciële voorzieningen toegevoegd. Omliggende bestemmingen betreffen overwegend ‘Horeca’, ‘Bedrijf’, ‘Verkeer’ en ‘Gemengd – 3’. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat sprake is van gemengd gebied. Aan de Toekanweg 2 bevindt zich het Van der Valk Hotel. Een hotel heeft milieucategorie 1, waarvoor een richtafstand van nul meter wordt gehanteerd in een gemengd gebied. Ook het autoverhuurbedrijf Avis is gevestigd aan de Toekanweg 2, waarvoor een milieucategorie 2 geldt. Binnen een gemengd gebied dient hier een richtafstand van tien meter aangehouden te worden. Zowel de gronden van het autoverhuurbedrijf als het hotel liggen op meer dan tien meter afstand van de nieuwe ontwikkeling. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een gebouw met 823 appartementen en circa 5.014 m2 aan commerciële voorzieningen. Woningen leveren geen milieuhinder op ten aanzien van andere woningen. Gezien wonen en bedrijvigheid in hetzelfde gebouw gerealiseerd zal worden, is er sprake van functiemenging. Beoordeeld dient te worden of de voorgenomen ontwikkeling bedrijven in de nabijheid van de projectlocatie kan beperken in hun werkzaamheden.

Voor functiemenging worden drie categorieën gehandhaafd. Categorie A

Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit zijn toereikend.

Categorie B

Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden.

Categorie C

De activiteiten genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.

Binnen het plangebied wordt wonen en werken mogelijk gemaakt binnen hetzelfde gebouw. Op de begane grond, eerste verdieping en tweede verdiepingen zullen de gemeenschappelijke voorzieningen worden gerealiseerd, welke binnen categorie A vallen. Deze activiteiten kunnen dus aanpandig aan woningen worden uitgevoerd. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking van het nabijgelegen hotel Van der Valk Haarlem inzichtelijk gemaakt door Wolf + Dikken adviseurs. Dit omdat de toegangsweg van het hotel op korte afstand van het bouwplan ligt. Op basis van de berekeningsresultaten kan worden geconcludeerd dat de geluidsbelasting op de gevel door toedoen van de verkeersaantrekkende werking van het parkeerterrein van hotel Van der Valk tussen de 55 en 60 dB bedraagt. Hiermee wordt de normwaarde uit stap 2 van het toetsingskader van 50 dB voor de etmaalwaarde wordt overschreden op alle berekende waarneempunten. De waarde van 65 dB uit stap 3 wordt niet overschreden. De geluidsbelasting door toedoen van wegverkeerslawaai overschrijdt de voorkeursgrenswaarde en daar worden hogere waarden voor verleend. Dit betekent ook dat maatregelen getroffen worden om de binnenwaarde in het kader van het Bouwbesluit te waarborgen.

Hiermee kan gesteld worden dat ook in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners kan worden gegarandeerd.

Mees Ruimte & Milieu | 20154.02.RO

Pagina | 52

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

4.6

BEZONNING Algemeen Er zijn geen wettelijke vastgestelde eisen voor de bezonning van openbare ruimten, woningen en dergelijke. In het Bouwbesluit zijn wel eisen opgenomen ten aanzien van het benodigde equivalente daglichtoppervlak. Hierbij wordt echter beoogd de toetreding van daglicht (en niet van direct zonlicht) te reguleren. Daarbij wordt geen rekening gehouden met de invloed van belemmeringen en dergelijke welke zijn gelegen op andere percelen. De commissie woningwaardering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten hanteert een beoordelingssysteem wat in grote lijnen neerkomt op:  De bezonning in een vertrek is als ‘matig’ te karakteriseren indien er gedurende 11 maanden van het jaar sprake is van ten minste twee mogelijke bezonningsuren.  De bezonning in een vertrek is als ‘goed’ te karakteriseren indien er gedurende 11 maanden van het jaar sprake is van ten minste drie mogelijke bezonningsuren. Voor zover van toepassing is voor deze periode van 11 maanden uitgegaan van de dagen tussen 5 januari en 5 december. Het is mogelijk dat gemeenten hieraan gerelateerde normen hanteren. In de gemeente Den Haag wordt bijvoorbeeld bij de beoordeling van de bestemming- en bouwplannen veelal gebruik gemaakt van een vergelijkbare norm.

Hierbij wordt uitgegaan van het criterium van ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag voor de gevels van woningen gedurende de periode van 19 februari tot en met 21 oktober (op 0.75 meter boven de vloer van de laagst gelegen verdieping van de woonfunctie). Hierbij is het toegestaan de bezonningsuren van de voor- en achtergevels bij elkaar op te tellen. De uren dat de zon minder dan 10° boven de horizon staat mogen hierbij niet worden meegerekend. Daarnaast geldt dat het aantal mogelijke bezonningsuren ten gevolge van de nieuwe bebouwing met maximaal de helft af mag nemen.

Relatie tot ontwikkeling Door Peutz is een bezonningsonderzoek uitgevoerd. De rapportage d.d. 3 februari 2021 is bijgevoegd als bijlage bij onderhavige ruimtelijke onderbouwing. Wegens het ontbreken van een wettelijke normstelling heeft een globale toetsing plaatsgevonden volgens een veel gebruikte richtlijn, de lichte TNO-norm. Volgens de lichte TNO-norm is er sprake van voldoende bezonning van een woning bij tenminste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari t/m 21 oktober. Uit het onderzoek volgt dat de bezonning van bestaande woningen voldoet aan het criterium van minimaal 2 mogelijke zonuren in de periode 19 februari t/m 21 oktober, of waar de bezonning niet voldoet, dat dit niet het gevolg is van de onderzochte ontwikkeling.

Conclusie Het aspect bezonning vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

Mees Ruimte & Milieu | 20154.02.RO

Pagina | 53

4.7

BODEM Algemeen Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden.

Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen en commerciële ruimtes. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wbb, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Ten behoeve van de planrealisatie is derhalve een bodemonderzoek uitgevoerd door onderzoeksbureau Crux. Daarbij hebben zij tevens een waterbodemonderzoek uitgevoerd in het kader van het dempen van de bestaande watergang. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Landbodem Bodemopbouw De maaiveldhoogte bedraagt varieert van NAP + 0,6 m (noordzijde langs Schipholweg) tot NAP – 0,6 m (parkeerplaats). De bodem bestaat tot 1 à 2 m-mv uit zand. Daaronder is tot de maximale boordiepte van 3,0 m-mv veen aangetroffen. De plaatselijk aanwezige sterk baksteenhoudende laag op het oostelijke terreindeel (boring 09; 0,3-0,8 m-mv) is matig verontreinigd met PAK. Daarnaast is deze grond licht verontreinigd met koper, lood, zink, PCB en minerale olie. De overige boven- en ondergrond (tot 3,0 m-mv) is ten hoogste licht verontreinigd met koper, kwik, lood, PCB en/of PAK. Asbest Op basis van eerder onderzoek is de locatie niet verdacht ten aanzien van asbest.

In dit onderzoek zijn geen asbestverdachte materialen (puin o.i.d.) op het maaiveld of in de grond waargenomen, derhalve is de grond niet onderzocht op asbest. PFAS In de bovengrond en ondergrond rond het grondwater zijn PFOS en PFOA in een gehalte groter dan de detectiegrens aangetoond. De achtergrondwaarden worden echter niet overschreden. Er zijn geen verhoogde gehalten aan de overige PFAS gemeten. Op basis van de analyseresultaten is er geen saneringsnoodzaak betreffende PFAS. Hergebruiksmogelijkheden (indicatief) De resultaten van het onderzoek zijn indicatief getoetst aan de Regeling bodemkwaliteit en het Handelingskader PFAS De grond op locatie komt, op basis van indicatief onderzoek, voor hergebruik in aanmerking. De toepasbaarheid varieert van ‘altijd toepasbaar tot industrie’. Op basis van de analyseresultaten vormt PFAS geen belemmering voor hergebruik van de grond. Derhalve zijn de hergebruikswaarden op basis van de Regeling bodemkwaliteit leidend. Waterbodem Bodemopbouw Het wateroppervlak is aangetroffen op circa NAP – 1,3 m. De hoogte van de waterkolom ten tijde van het onderzoek loopt uiteen van circa 0,35 m tot 0,85 m. De dikte van het slibpakket varieert van 0,15 m tot 0,5

Mees Ruimte & Milieu | 20154.02.RO

Pagina | 54

m. De vaste waterbodem is aangetroffen vanaf circa NAP – 1,8 m en bestaat hoofdzakelijk uit veen (plaatselijk is een laagje zand aangetroffen). Kwaliteit slib Toepassing onder water - Het slib komt in aanmerking voor hergebruik als klasse A. Toepassing op landbodem - Het slib uit watergang 02 komt in aanmerking voor hergebruik als klasse industrie. Het slib is verspreidbaar op aangrenzend perceel. Kwaliteit vaste waterbodem Toepassing onder water - De venige vaste waterbodem is altijd toepasbaar; - De zandige vaste waterbodem komt in aanmerking voor hergebruik als klasse A. Toepassing op landbodem - De venige vaste waterbodem is altijd toepasbaar; - De zandige vaste waterbodem is niet toepasbaar (o.b.v. gehalte aan minerale olie). PFAS Het slib is aanvullend onderzocht op het voorkomen van PFAS. Er zijn verhoogde gehalten aan PFOS en de overige PFAS (EtFOSAA) zijn gemeten. PFOA is niet aangetoond. De in het Handelingskader PFAS vastgestelde achtergrondwaarden worden niet overschreden. Asbest Op basis van het vooronderzoek is de locatie niet verdacht op het voorkomen van asbest. Tijdens het veldwerk is geen asbestverdacht materiaal (puin, asbestverdachte beschoeiing, etc.) in en langs de watergang aangetroffen, derhalve is de waterbodem niet onderzocht op asbest. Grondwater Het grondwater is ten hoogste licht verontreinigd met barium, xylenen, naftaleen en/of tetrachlooretheen.

Veiligheidsklassen (CROW 400) Voor de werkzaamheden zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk (de ‘basishygiëne’ is afdoende). De te nemen maatregelen dienen door een veiligheidskundige te worden bepaald. Conclusie De milieuhygiënische kwaliteit op de locatie is afdoende vastgesteld. Aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.

4.8

DUURZAAMHEID Algemeen Haarlem zet vaart achter de ontwikkelingen om de stad toekomstbestendig te maken. De verduurzamingsopgave pakt de gemeente samen met haar partners in de stad op. In de richtlijn ‘Duurzaam bouwen’ van de gemeente is de Haarlemse duurzaamheidsambitie vertaald naar concrete uitgangspunten, onderverdeeld in 5 verschillende thema’s:

Mees Ruimte & Milieu | 20154.02.RO

Pagina | 55

    

Mobiliteit Klimaatadaptatie Circulariteit energie en warmte Groen en ecologie

Mobiliteit Uitstoot van CO2 en stikstof moet aan banden worden gelegd volgens het klimaatakkoord en het ‘Programma Aanpak Stikstof’ (PAS). Het klimaatakkoord streeft naar het stimuleren van elektrisch personenvervoer, verduurzaming van de logistiek en een reductie van 8 miljard minder zakelijke (auto)kilometers in 2030. Er is een transitie nodig naar duurzame mobiliteit. De stad wordt zo ingericht dat de fiets, het OV of te voet een vanzelfsprekende keuze is. Het gebruik van het (elektrisch) openbaar vervoer wordt gestimuleerd. Klimaatadaptatie De gevolgen van klimaatverandering komen sneller en zijn heviger dan verwacht. Door onze gebouwde omgeving klimaatbestendig en water-robuust in te richten, zijn we voorbereid op de verandering van het klimaat. Haarlem neemt zo veel mogelijk maatregelen om de stad weerbaar te maken tegen een veranderend klimaat. De ambitie is om in 2050 klimaatbestendig te zijn. Een gezonde en toekomstbestendige stad is een stad met minder stenen en veel groen en water. Dat draagt bij aan een schonere lucht, brengt verkoeling en helpt om de overlast van extreem weer (regen, hitte) op te vangen. Bovendien dragen groen en water positief bij aan de ruimtelijke kwaliteit en versterken de natuur, ecologie en biodiversiteit van de stad. Ook gebouwen kunnen bijdragen aan een klimaatadaptieve stad, bijvoorbeeld door groene (of blauwe) daken en gevels.

Door natuurinclusief bouwen worden kansen voor het verbeteren van ecologische kwaliteit benut. Een toekomstbestendig watersysteem is voorbereid op wateroverlast en -tekort. Circulariteit Haarlem wil in 2040 circulair zijn. Dit betekent dat zowel bedrijven als bewoners en gemeente de principes van de circulaire economie toepassen: ze maken gebruik van hernieuwbare energiebronnen, produceren alleen grondstoffen die opnieuw te gebruiken zijn en kunnen allemaal een bijdrage leveren aan de circulaire keten. Energie en warmte Haarlem wil in 2040 van het aardgas af. Dat betekent ten eerste dat we ons energieverbruik moeten beperken. Het doel voor energiebesparing is 30 tot 50%. De resterende warmtevraag zal uit duurzame bronnen komen. Opwekking van elektriciteit moet 100% duurzaam zijn in 2030. We moeten op zoek naar nieuwe manieren om onze gebouwen te verwarmen en te koelen, te koken en water te verwarmen. Groen en ecologie Met een gezonde leefomgeving wordt bedoeld dat de gezondheid van toekomstige bewoners en gebruikers zoveel mogelijk wordt gestimuleerd door de manier waarop de gebouwen en de omgeving zijn ontwikkeld. Denk daarbij aan fysieke factoren, zoals materiaalkeuze, maar ook aan gedragsbeïnvloeding, waarbij bewegen centraal staat. Door groen en water dragen de ontwikkelingen bij aan de ruimtelijke kwaliteit en de natuur, ecologie en biodiversiteit van het gebied.

Door natuurinclusief bouwen worden kansen voor het verbeteren van ecologische kwaliteit benut.

Relatie tot ontwikkeling De ambitie voor Schonenvaert is om langdurig waarde toe te voegen aan de omgeving en de stad. Daarbij is gekozen om het ontwerp zowel robuust als intelligent/toekomst gericht te maken. Robuust waar ontwerpkeuzes en -oplossingen bijdragen aan de langdurigheid en houdbaarheid in tijd en intelligent/toekomstgericht waar ontwerpkeuzes bijdragen aan de flexibiliteit en veerkrachtigheid richting de toekomst. Dit met een minimale ecologische voetafdruk. Integrale duurzaamheid is een fundamentele bouwsteen van het ontwerpproces en levert maximale prestaties binnen de vastgestelde kaders op.

Mees Ruimte & Milieu | 20154.02.RO

Pagina | 56

De volgende thema’s zullen robuust en toekomstgericht worden ingericht. In aanvulling op de thema’s uit de Haarlemse duurzaamheidsambitie is ook het sociale thema toegevoegd aan de ambitie van Schonenvaert. Tabel 1. Uitgangspunten Schonenvaert op het gebied van duurzaamheid

De thema’s zijn uitgewerkt in de volgende maatregelen: Figuur 6. Duurzaamheidsmaatregelen Schonenvaert

1. Circulariteit Lage Milieu Prestatie Gebouwen (MPG); Hoge mate van materiaalhergebruik huidige pand; Modulematig bouwen; Droogstapel systeem gevelbekleding; Flexibel installatiepakket; 100% duurzaam houtgebruik; Materialenpaspoort.

2. Klimaatadaptie Grote groen daken/sedumdaken > 50% Waterretentiekratten en waterbuffering toepassen; Voorkomen (te veel) verharding; Watercompensatiemaatregelen; Hoge mate van schaduw voor langzaamverkeerroutes < 40%

3. Energie en warmte Aardgasvrij bouwen; Hogere prestaties op Bijna energieneutraal bouwen (BENG); Verwarmen en koelen met behulp van WKO systeem; Zonnepanelen (PV-panelen); Warmte Terugwin installatie (WTW); Energieopslag.

Mobiliteit Stimuleren fiets en voetgangers; Stimuleren fiets en voetgangers door de openbare ruimte; Fietsparkeren in ontwerp; Elektrische deelmobiliteitsconcept; Mobility as a service-ready; Elektrische laadpunten auto.

4. Groen en ecologie Natuurinclusief bouwen; Versterken biodiversiteit; Geluidluw binnenhof.

5. Sociaal

Ontmoetingsruimtes bewoners; Mix aan bewoners; Mix van publieke en semi-publieke functies in de plint.

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de richtlijn ‘Duurzaam bouwen’ en er wordt voldaan aan de gestelde randvoorwaarden vanuit de gemeente ten aanzien van duurzaamheid.

Mees Ruimte & Milieu | 20154.02.RO

Pagina | 57

4.9

EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:  Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen.  Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp.

Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd.

Relatie tot ontwikkeling Met Schonenvaert worden geen risicovolle activiteiten toegevoegd aan het plangebied. De nieuw te bouwen woningen worden beschouwd als kwetsbare objecten. Door Prevent is op 2 februari 2023 onderzoek uitgevoerd naar het aspect externe veiligheid. Aan de hand van de gegevens op de signaleringskaart externe veiligheid is nagegaan welke risicovolle activiteiten en bronnen in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn.

Mees Ruimte & Milieu | 20154.02.RO

Pagina | 58

Figuur 7. Uitsnede signaleringskaart externe veiligheid (Bron: Prevent)

In het rapport is geconcludeerd dat:  Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting;  Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen (1 en 2 in figuur 15);  Het projectgebied wel ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute (4a en 4b in figuur 15);  Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen (3 in figuur 15). Inrichtingen Volgens artikel 13 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) moet gekeken worden naar inrichtingen binnen dan wel in de directe omgeving van het projectgebied. Op de veilgheidskaart is zwembad Boerhaavebad zichtbaar. Gezien de afstand van meer dan 400 meter vormt deze inrichting geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast is op de risicokaart het gasontvangststation W053 van de Gasunie zichtbaar. Voor deze inrichting geldt een risicoafstand (PR 10-6) van 25 meter. Het gasontvangstation is op een afstand van minimaal 850 meter gelegen, waardoor ook deze inrichting geen belemmering vormt. Vervoer gevaarlijke stoffen over het spoor De voorgenomen locatie is niet in de nabijheid van het spoor gelegen. Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg De Schipholweg is een gemeentelijke N-weg die aansluit op het provinciale deel van de N205.

Verder vindt over de Europaweg transport plaats van gevaarlijke stoffen (bestemmingsverkeer t.b.v. bevoorrading LPG tankstation). De nieuwbouwlocatie aan de Toekanweg 7 is gelegen op:  13 meter afstand van de dichtstbijzijnde doorgaande rijstrook van de Schipholweg (N205) en op 25 meter afstand van het hart van de Schipholweg (N205).  15 meter afstand van de dichtstbijzijnde doorgaande rijstrook van de Europaweg en op 26 meter afstand van het hart van de Europaweg.

Mees Ruimte & Milieu | 20154.02.RO

Pagina | 59

De Schipholweg en de Europaweg zijn gelegen op minder dan 200 meter van het plangebied. Hierdoor is nader onderzoek naar het groepsrisico noodzakelijk. Door de Omgevingsdienst IJmond is aangegeven dat voor de toetsing als ruime schatting kan worden uitgegaan van 50-100 GF3-transporten per jaar. Op basis van logische routes richting de LPG inrichtingen is door Prevent voor het oostelijk deel van de N205 tot de Europaweg uitgegaan van 100 GF3-transporten per jaar en voor het westelijk deel van de N205 na de Europaweg (Schipholweg ter hoogte van het plangebied) van 50 GF3-transporten per jaar. Toetsing aan vuistregels plaatsgebonden risico In de handleiding Risicoanalyse Transport (HART) zijn vuistregels opgenomen voor het plaatsgebonden risico. Op grond van vuistregel 2 voor het plaatsgebonden risico (paragraaf 1.2.4.1 HART) geldt dat een weg binnen de bebouwde kom geen PR=10-6 contour heeft. De Schipholweg(N205) beschikt niet over een plaatsgebonden risicocontour (PR=10-6 contour). De normen voor het plaatsgebonden risico in het Bevt vormen geen belemmering voor de ontwikkeling.

Toetsing aan vuistregels groepsrisico Voor de toetsing aan het groepsrisico (10% van de oriëntatiewaarde) zijn in het HART de volgende vuistregels opgenomen voor wegen binnen de bebouwde kom (50 km/uur):  Vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe.  Vuistregel 2: Wanneer GF3 minder is dan de drempelwaarde in Tabel 1-8 (eenzijdige bebouwing) of in Tabel 1-9 (2-zijdige bebouwing) wordt 10% van de oriëntatiewaarde niet overschreden De bestaande en de nieuwe situatie zijn getoetst aan de tabellen in het HART. Vuistregel 1: is niet van toepassing Vuistregel 2: Ter hoogte van het plangebied is er bij de Schipholweg en de Europaweg sprake van tweezijdige bebouwing. Voor de toetsing is uitgegaan van Tabel 1-9. In het plangebied worden in de nieuwe situatie 823 appartementen gerealiseerd en 5.014 m2 b.v.o. aan commerciële ruimten (voornamelijk werkfuncties in de vorm van een bedrijfsverzamelgebouw). Voor de woningen wordt uitgegaan van 2,4 personen per woning (50% aanwezig gedurende de dagperiode en 100% aanwezig gedurende de nachtperiode). Voor de commerciële ruimten is uitgegaan van 1 persoon per 30 m2 b.v.o. gedurende de dagperiode (personendichtheid kantoren).

Dit geeft een maximale personendichtheid in het plangebied van 1.154 personen in de dagperiode en 1.975 personen in de nachtperiode. In het hectarevlak in het plangebied dat gebruikt is voor de toetsing is per hectarevlak ca. 3/4 deel van de nieuwe bebouwing in het plangebied gelegen. Per hectarevlak zijn hierdoor in de nachtperiode (de maatgevende periode) maximaal ca. 1.481 personen aanwezig. Bij een afstand van 20 meter tot het hart van de Schipholweg en de Europaweg wordt bij een personendichtheid van meer dan 300 personen per hectare in tabel 1-9 een drempelwaarde gevonden die kleiner is dan 50 GF3 transporten. Voor de nieuwe situatie wordt hiermee een drempelwaarde gevonden die kleiner is dan de bepaalde vervoersintensiteit van de Schipholweg van 50 GF3 transporten per jaar. Op basis van de vuistregels voor het groepsrisico kan worden geconcludeerd dat het groepsrisico mogelijk hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Berekening groepsrisico Schipholweg en Europaweg met RBM II Voor de bestaande en nieuwe situatie binnen het plangebied is de bevolking handmatig ingevoerd. De gebruikte personendichtheden zijn weergegeven in onderstaande tabel.

Mees Ruimte & Milieu | 20154.02.RO

Pagina | 60

Figuur 8. personendichtheid in plangebied

Voor de bestaande en nieuwe situatie is de ingevoerde bebouwing in RBMII weergegeven met de locatie waar het hoogste groepsrisico is berekend. Voor de bestaande situatie wordt voor de Schipholweg een groepsrisico berekend van maximaal 0,142 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico van de Schipholweg neemt door de voorgenomen ontwikkeling met 56 % toe tot maximaal 0,222 maal de oriëntatiewaarde. Voor de bestaande situatie wordt voor de Europaweg een groepsrisico berekend van maximaal 0,154 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico van de Europaweg neemt door de voorgenomen ontwikkeling met 13% toe tot maximaal 0,174 maal de oriëntatiewaarde. Geconcludeerd kan worden dat het groepsrisico langs de Schipholweg en de Europaweg bij de bestaande en nieuwe omgevingssituatie hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico langs de Schipholweg en Europaweg neemt door de voorgenomen ontwikkeling toe met meer dan 10% maar blijft ruim onder de oriëntatiewaarde. Verantwoording groepsrisico Op grond van artikel 8 van het Bevt is voor de Schipholweg een verantwoording van het groepsrisico vereist.

Op basis van de aanwezige dichtheid van personen in het invloedsgebied en de volgens het geldende bestemmingsplan mogelijke dichtheid van personen in het invloedsgebied, het berekende groepsrisico en het overwegen van het aanpassen van het ontwerp kan geconcludeerd worden dat gezien de hoogte van het berekende groepsrisico (iets hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde maar ruim onder de oriëntatiewaarde) er geen aanleiding bestaat om functies binnen het plangebied aan te passen om een lagere personendichtheid te realiseren. Verder heeft een dergelijke verlaging van de personendichtheid maar een beperkt effect op het groepsrisico langs de Schipholweg. Bestrijding en beperking Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van de Schipholweg (N205) moet op grond van artikel 7 van het Bevt in deze ruimtelijke onderbouwing worden in gegaan op: 1. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp met gevaarlijke stoffen op de Schipholweg (N205), en; 2. voor zover het plan of de vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp met gevaarlijke stoffen voordoet. Rampen die kunnen optreden zijn een warme BLEVE, koude BLEVE en een plasbrand.

Het optreden van een koude BLEVE is een snel scenario dat direct plaatsvindt. Voor dit scenario zijn er vanuit bestrijdbaarheidsperspectief geen mogelijkheden om dit scenario te voorkomen Bij de dreiging van een warme BLEVE door brand rondom/nabij een tankwagen met brandbare gassen bestaat er voor de brandweer gedurende enige tijd de mogelijkheid om de tankwagen te koelen met water om een warme BLEVE te voorkomen. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. Na het optreden van een koude of warme BLEVE of plasbrand kunnen in het plangebied branden ontstaan die door de brandweer kunnen worden geblust. Hierbij is het van belang dat het plangebied goed bereikbaar

Mees Ruimte & Milieu | 20154.02.RO

Pagina | 61

is voor hulpdiensten. Het plangebied is vanuit 3 richtingen te bereiken. Er is sprake van een goede bereikbaarheid. Zelfredzaamheid Binnen het plangebied zijn geen nieuwe functies voorzien die specifiek gericht zijn op minder zelfredzame personen. In geval van een calamiteit op de Schipholweg (N205) kan via de Toekanweg en de Europaweg in zuidelijke richting worden gevlucht naar veilig gebied. In geval van een calamiteit op de Europaweg kan via de Toekanweg in oostelijke richting worden gevlucht tot achter de bebouwing van Van der Valk. Vervoer gevaarlijke stoffen over het water In het rond het projectgebied komen geen watergangen voor waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaats vindt. Buisleidingen De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10-6. In de omgeving van het plangebied bevindt zich 1 hoge druk aardgasbuisleiding van Gasunie. Buisleiding W-532-01 (40 bar, 13 inch) heeft een invloedsgebied van 140 meter en is gelegen op 530 meter van het plangebied. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van buisleiding W-532-01.

De aanwezigheid van buisleidingen met gevaarlijke stoffen vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen op de planlocatie. Overleg Veiligheidsregio Kennemerland Met de veiligheidsregio heeft afstemming plaatsgevonden over onder andere de positie van de opstelplaatsen van de brandweer in het kader van bereikbaarheid.

Conclusie De normen voor externe veiligheid zoals aangegeven in het Bevi en het Bevb vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Ook de normen voor het plaatsgebonden risico in het Bevt vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10

GELUID Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit:  woningen;  onderwijsgebouwen;  ziekenhuizen;  verpleeghuizen;  verzorgingstehuizen;  psychiatrische inrichtingen;  kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond

Mees Ruimte & Milieu | 20154.02.RO

Pagina | 62

moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen.

Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van onder andere 823 woningen, oftewel geluidsgevoelige objecten in het kader van de Wet geluidhinder. Derhalve is het uitvoeren van akoestisch onderzoek noodzakelijk. Door Wolf+Dikken is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage d.d. 2 september 2022 en gewijzigd op 3 maart 2023 is bijgevoegd als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Resultaten akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Door Wolf Dikken adviseurs is een akoestisch model opgesteld, waarin de geluidbelastingen ten gevolge van de relevante geluidbronnen bepaald zijn. Het bouwplan ligt binnen de zone van de volgende wegen:  de Schipholweg;  de Europaweg. Voor de Merovingenstraat geldt een maximale rijsnelheid van 30 km/uur. Voor deze weg geldt dat zij nie tin aanmerking komt voor akoestisch onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder. De geluidbelasting van deze weg is desondanks toch bepaald in verband met de goede ruimtelijke ordening en de eisen ten aanzien van de geluidwering van gevels van geluidgevoelige bestemmingen. Op grond van de uitgevoerde berekening kan worden geconcludeerd dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden ten gevolge van het wegverkeer op de Schipholweg en de Europaweg.

De optredende geluidbelasting ten gevolge van deze wegen bedraagt maximaal 62 dB inclusief aftrek arrtikel 110g Wgh. De maximaal te ontheffen waarde wordt niet overschreden. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt maximaal 67 dB exclusief aftrek conform artikel 110g Wgh. Hogere waarden Omdat sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, zullen hogere waarden moeten worden vastgesteld. Hiervoor moet eerst onderzoek gedaan worden naar mogelijke geluidreducerende maatregelen. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de wegen die een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde veroorzaken.

Bronmaatregelen Het aanbrengen van stil asfalt zal een reductie tot circa 4 dB mogelijk maken. De overschrijdingen kunnen echter niet teniet worden gedaan. Op de Schipholweg is al stil asfalt aanwezig. Indien stil asfalt op de Europaweg wordt aangebracht, wordt de voorkeursgrenswaarde nog steeds overschreden. Deze maatregel is derhalve niet doeltreffend. Een andere maatregel is het terugbrengen van de maximum snelheid. In voorliggend geval van 50km/uur rnaar 30 km/uur. Voor de Schipholweg en de Europaweg geldt echter dat deze wegen zijn opgenomen in het mobiliteitsplan van de gemeente Haarlem als hoofdroute en gebiedsontsluiting van 50 km/uur. Op een dergelijke weg mogen geen snelheidsbeperkende maatregelen worden getroffen en is de snelheidsverlaging geen optie. Tevens zal het toepassen van snelheidsbeperkende maatregelen leiden tot bezwaren van verkeerskundige aard.

Mees Ruimte & Milieu | 20154.02.RO

Pagina | 63

Overdrachtsmaatregelen Een geluidsscherm kan het geluidniveau met circa 10 dB verminderen. Echter, in voorliggend geval zullen ter plaatse van de noord- en westgevels schermen aangebracht moeten worden met een hoogte van circa 50 meter. Op voorhand kan gesteld worden dat een dergelijke situatie niet realistisch is vanwege de hiermee gemoeide kosten en onwenselijke stedenbouwkundige situatie. Advies hogere waarden Wolf+Dikken heeft een advies opgesteld (rapportage van 3 maart 2023, zie bijlage) waarin is aangegeven op welke wijze kan worden voldaan aan de eisen ten gevolge van de benodigde hogere waarden. De geluidbelaste woningen in het bouwplan moeten worden uitgevoerd met een geluidluwe gevel en geluidluwwe buitenruimte. In het plan komen veel kleine woningen voor zonder privébuitenruimte. Deze woningen worden uitgevoerd met een DucoWall om het doel van een geluidluwe gevel te kunnen waarborgen. De buitenruimten van grote woningen worden uitgevoerd met een akoestisch gesloten borstwering en een geluidabsorberend plafond (of zonder bovenliggend plafond) Buitenruimten aan de oostzijde krijgen een verdiepingshoog scherm aan de noordzijde van het balkon. Hiermee worden geluidluwe gevels achter de balkons gerealiseerd. Ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking blijkt dat de geluidbelasting gedurende de nachtperiode maximaal 45 dB(A) bedraagt.

Indien rekening wordt gehouden met de 10 dB(A) ‘nachttoeslag’ kan worden gesteld dat een maximale verrekende nachtwaarde van 55 dB(A) geldt. De geluidwering van de gevel voor deze woningen is gedimensioneerd op de gecumuleerde geluidbelasting (ten gevolge van regulier wegverkeer en de verkeersaantrekkende werking). Hierbij wordt de geluidwering van de gevel gedimensioneerd op een binnenwaarde van 25 dB, uitgaand van het cumuleren van LDEN en de nachtwaarde. De berekende nachtwaarde wordt hierbij verhoogd met 10 dB en, indien de slaapkamer direct naast een balkon ligt, gecorrigeerd met 1 dB.

Conclusie Voor de woningen aan de geluidbelaste gevels waar de voorkeursgrens wordt overschreden zullen hogere waarden aangevraagd moeten worden. Deze woning moeten volgens het ontheffingenbeleid van de gemeente Haarlem over ten minste één geluidsluwe zijde beschikken. Met de te nemen maatregelen zoals beschreven in het advies hogere waarden kan voldaan worden aan het gemeentelijk beleid en kan in het kader van geluid een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd worden. De maatregelen zijn doorgevoerd in het ingediende bouwplan.

4.11

GROEN Algemeen Met de bomenkap kunnen negatieve effecten optreden voor beschermde planten- en of diersoorten. Daarom dient de aanwezigheid van beschermde soorten te worden onderzocht in de vorm van een schouw.

Relatie tot ontwikkeling Op 8 februari 2022 is door Pius Floris een bomeneffectanalyse uitgevoerd voor de te kappen bomen aan de Toekanweg 7 te Haarlem. Het doel van de bomenschouw is het vaststellen dan wel uitsluiten van nesten in de te kappen bomen. Ook wordt beoordeeld in hoeverre de bomenkap mogelijk negatieve effecten heeft op foerageergebieden van vleermuizen en schuilgelegenheid voor huismus. Binnen het projectgebied staan 53 bomen. De 36 bomen op het kantoorterrein zijn hier waarschijnlijk na de bouw van het kantoorpand en tijdens de inrichting van het gebied in 1990 aangeplant. Het gaat hierbij slechts om twee verschillende soorten; els (Alnus glutinosa (‘Pyramidalis')) en Chinese moerascipres (Metasequoia glyptostroboides). Aan de west- en noordzijde van het terrein, op gemeentelijke grond, staan diverse variaties iepen (Ulmus) en Mees Ruimte & Milieu | 20154.02.RO

Pagina | 64

essen (Fraxinus excelsior). Hier lopen de leeftijden uiteen. Recent is één gemeentelijke boom met een monumentale status (monumentaal karakter) vervangen. Daarnaast zijn, na de aanleg van een fietspad aan de Schipholweg, rond 2014 vijf nieuwe iepen aangeplant in het talud van de sloot. In figuur 17 is de huidige situatie (o.a. rode lijnen) en bomen (groene bollen) ten opzichte van de het plan te zien. De bomen zijn (nog) niet landmeetkundig ingemeten, hierdoor kan de exacte plaats afwijken. Het donker grijze vlak laat de contouren van het bestaande gebouw zien. Het licht grijze gearceerde vlak illustreert het nieuwe complex. De roze lijnen laten ten opzichte van de rode lijnen zien hoe de buitenruimte wordt vormgegeven. Figuur 17.

Ontwerptekeningen met bomen en bestaande situatie (bron: Pius Floris).

Er zijn 53 bomen geïnventariseerd en gekeurd. Deze vallen allen binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Drie gemeentelijk bomen (1, 2 en 4) dragen een ‘monumentaal karakter’. Zij verkeren echter in een matige conditie. De meeste bomen verkeren in een goede of redelijke conditie. De toekomstverwachting is grotendeels vergelijkbaar met de conditie en varieert daarom tussen de >5 en >20 jaar. Geen van de essen verkeren in een goede conditie. In vrijwel alle kronen is licht tot zwaar dood hout aanwezig. Bij zes van de acht bomen lijkt er sterk sprake te zijn van essentaksterfte. Dit is echter, doordat er geen blad aanwezig is, niet met zekerheid te zeggen. Bij in totaal drie bomen is een nest aangetroffen in de kroon. Op basis van de boomveiligheidscontrole (BVC) komt naar voren dat alle bomen op hun huidige standplaats en huidige voorkomen te handhaven zijn. Er gelden echter wel beheersmaatregelen in het kader van boomveiligheid. Het gaat hierbij in de meeste gevallen om de snoeiwerkzaamheden en het verhogen voor de controle frequentie naar één maal per jaar. Uit de keuring komt samengevat het volgende naar voren: Bomenbalans Uit de keuring komt samengevat het volgende naar voren:  40 bomen zijn goedgekeurd.  5 bomen zijn als attentieboom gekwalificeerd i.v.m: o Essentaksterfte;

Mees Ruimte & Milieu | 20154.02.RO

Pagina | 65

 

o Wilgenhoutrups; o Lekplekken/beginstadium aantasting. 7 bomen zijn als risicoboom gekwalificeerd i.v.m: o Zwaar dood hout; o Onvoldoende opkroonhoogte (aanrij gevaar). 17 bomen dienen (regulier) gesnoeid te worden.

De volgende punten hebben de grootste effecten op de bomen:  Bomen binnen bouwvlak van het nieuwe complex;  Wijziging van maaiveldhoogtes; o Afgraven en ophogen  Profielwijzigingen, verwijderen en aanbrengen van verharding. De wijzigingen zijn behoorlijk groot en omvangrijk. 19 bomen staan binnen de contouren van het toekomstige complex waardoor behoud op de huidige locatie onmogelijk is. Daarnaast staan diverse bomen dichtbij het nieuw te bouwen complex waardoor een significant percentage van de kroon zal verdwijnen. De inrichting van de buitenruimte speelt ook een belangrijke rol. Diverse bomen staan namelijk in een afgraving of ophoging doordat deze in een talud staan. Een ophoging is vaak fataal voor de bomen. Over het algemeen leidt ophoging tot wortelsterfte en verdichting. Wanneer de boom veel wortels verliest heeft dit invloed op zijn conditie en stabiliteit. Dit geldt uiteraard ook voor de bomen in en nabij afgravingen.    

Op basis van de effect analyse en het huidige ontwerp is geconcludeerd dat alleen bomen 1 tot en met 4 op hun huidige positie duurzaam behouden kunnen blijven. Voor deze gelden basismaatregelen tijdens de uitvoering. Verder zijn de bomen 13 tot en met 17 te handhaven door middel van verplanting. De overige bomen zijn niet te verplanten in verband met hun omvang, leeftijd en kwaliteit. Daarnaast kunnen bomen 30 tot en met 35 met een kleine ontwerpwijziging worden gehandhaafd. Aanvullend zijn groeiplaats verbeteringen noodzakelijk voor een duurzame instandhouding en als compenserende maatregel.

Pius Floris heeft een aantal maatregelen in hun rapportage aangegeven die als randvoorwaarden gelden bij duurzaam boombehoud voor de aannemer voor wat betreft de bomen die niet gekapt hoeven te worden. Nieuw ontwerp In het nieuwe ontwerp wordt rekening gehouden met het terugplaatsen van de te kappen bomen. Niet alleen binnen de erfgrens worden bomen gecompenseerd, maar ook juist buiten de erfgrens. In onderstaande figuren is inzichtelijk gemaakt welke bomen gekapt worden en waar bomen in de nieuwe situatie zich bevinden.

Mees Ruimte & Milieu | 20154.02.RO

Pagina | 66

Figuur 18: Ontwerptekeningen met bomen en bestaande situatie).

Bomen binnen de erfgrens

Bomen buiten de erfgrens

Op basis van bovenstaande tabel kan geconcludeerd worden dat er binnen de erfgrens een negatief saldo ontstaat van 6 bomen, maar dat buiten de erfgrens er een positief saldo is van 29 bomen. Hiermee voorziet de ontwikkeling in de realisatie van 23 extra bomen ten opzichte van het huidig aantal. BOOM Landscape heeft daarnaast een inrichtingsplan opgesteld om de binnentuin en openbare ruimte rondom het gebouw in te richten. Figuur 19: Ontwerptekening binnentuin (bron: Boom Landscape).

Mees Ruimte & Milieu | 20154.02.RO

Pagina | 67

Op de kavel van Schonenvaert komt een grote waterpartij. Deze wordt met een nieuw aan te leggen open watergang verbonden met de boezem. De planten, struiken en kleine bomen in de nieuw aan te leggen binnentuin en op de groene daken stimuleren biodiversiteit. Het ontwerp is tot stand gekomen op basis van de principes van Natuurinclusief Bouwen, wat zich o.a. vertaald in groene gevels, inheemse planten, waterretentiedaken, bruine daken onder zonnepanelen en voorzieningen voor dieren om te verblijven, te nestelen of te eten. Er worden planten gekozen waar insecten en vogels graag in huizen. Mogelijk plaatsen we bijenkorven of insectenkasten. Aan de gevels van het gebouw komen voorzieningen voor vleermuisverblijven. Door groener, duurzamer en bewuster te ontwikkelen wil Schonenvaert positief bijdragen aan de kwaliteit van leven. Voor de stad, de dieren en bewoners. Figuur 20: Impressies binnentuin en nieuwe watergang (bron: OZ architecten).

Mees Ruimte & Milieu | 20154.02.RO

Pagina | 68

Conclusie Met de herontwikkeling van het perceel is het noodzakelijk om veel van de bestaande bomen te kappen. Dit is inzichtelijk gemaakt door Pius Floris. Zij hebben daarnaast aanbevelingen gegeven voor de uiteindelijke aannemer voor de bomen die blijven staan en hoe hier in het bouwproces mee om te gaan. Ter compensatie van de te kappen bomen worden er zowel binnen de erfgrens als buiten de erfgrens nieuwe bomen geplant waardoor in totaal 23 extra bomen ten opzichte van de huidige situatie aanwezig zullen zijn. Voor de groene inrichting van de buitenruimte, zowel binnen de erfgrens als hierbuiten, is een inrichtingsplan opgesteld door BOOM Landscape.

4.12

HOOGSPANNING Algemeen Bepaalde leidingen moeten vanuit regelgeving of rijksbeleid in een bestemmingsplan worden opgenomen. Dit is het geval bij bovengrondse hoogspanningslijnen en buisleidingen. Bij andere leidingen bepaald bevoegd gezag of dit wenselijk is, dit is bijvoorbeeld steeds vaker het geval bij ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Dergelijke leidingen kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van de omgeving. Bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoogspanningsverbindingen Bij transport van stroom door een hoogspanningsverbinding ontstaat een magneetveld. De sterkte ervan hangt vooral af van de hoeveelheid stroom die wordt vervoerd en van de afstand tot de verbinding. Over de mogelijk nadelige gevolgen van deze velden voor de gezondheid bestaat onduidelijkheid. Onduidelijk zijn vooral de langetermijneffecten van blootstelling aan de veldsterkte die optreedt in woningen die zich in de buurt van het hoogspanningsnet bevinden. Sinds 2005 adviseert de Nederlandse rijksoverheid een voorzorgsprincipe voor bovengrondse hoogspanningslijnen. Bij de planning van nieuwe woningen, scholen en kinderopvangplaatsen is het advies zoveel mogelijk te voorkomen dat kinderen langdurig blootgesteld worden aan magneetvelden die gemiddeld over een jaar sterker zijn dan 0,4 microtesla.

De GGD heeft het Rijksadvies verbreed naar alle situaties waar het veld de jaargemiddelde waarde van 0,4 microtesla overschrijdt. Verder oordeelde de bestuursrechter in 2017 dat de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het beleidsadvies over bovengrondse hoogspanningslijnen, in beginsel ook voor ondergrondse hoogspanningskabels van toepassing zijn.1 Zowel de Commissie mer als de Gezondheidsraad hebben dit advies overgenomen, waardoor het voorzorgsprincipe voor bovengrondse hoogspanningslijnen ook van toepassen is op ondergrondse kabels, transformatorhuisjes, wijkverdeelstations en andere bronnen van langdurige blootstelling aan magneetvelden uit het elektriciteitsnetwerk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13257131/1