2 Bijlage 1-1 Archeologische Beleidskaart Haarlem BAAC Rapport (onderdeel van bijlage 4 van de beleidsnota)
Tekst van het document
Zuiderpolder De Zuiderpolder lag ten zuiden van de Veerpolder en de Trekvaart van Haarlem op Amsterdam. In het oosten werd de polder begrensd door De Buiten Liede, in het zuiden door De Zomer Vaart bij Haarlem en verder naar het oosten De Zomersloot en de Fuikvaart. De polder maakte aanvankelijk deel uit van de Veerpolder. Na de aanleg van de trekvaart in 1631 werd het een zelfstandige polder en werd er een wipmolen gebouwd voor het bemalen van de polder (catalogusnr. 48, bijlage 165 11C). Deze voerde het water vanuit een kronkelende waterloop af in de trekvaart. 166 De wipmolen werd in 1876 vervangen door een grondzeiler, De Zeldenpas. In 1941 is deze molen afgebroken. Langs de zuidzijde, de Fuikvaart, bevond zich een dijklichaam. Met een weg of een pad was deze dijk verbonden met de weg langs de zuidzijde van de trekvaart naar Amsterdam. Langs deze verbindingsweg en de trekvaart bevonden zich enkele erven en molens, evenals langs De Zomer Vaart en De Zomersloot. Daar waar de polder de stad Haarlem naderde, is de bebouwing meer geconcentreerd. Deze bebouwing staat als historische punten aangemerkt op de historische relictenkaart in bijlage 4.
Roomolenpolder De Roomolenpolder bevond zich ten zuidoosten van de stad Haarlem en werd in het noorden begrensd door de Zuiderpolder, in het oosten door de Poelpolder, in het zuiden door de Vereenigde Groote en Kleine polders en in het westen door Het Zuider Buiten Spaarne. De polder werd bemaald door de Roomolen, die het water vanuit De Gauw Wetering of De Goowatering afvoerde op De Zomer Vaart. De 167 eerste molen was een wipmolen uit 1456 (catalogusnr. 27, bijlage 11C). In 1775 is de molen verbrand. Het heeft enige tijd geduurd voordat er weer een nieuwe molen werd gebouwd (na 1832). Deze nieuwe molen was een grondzeiler, die in 1923 weer 168 is afgebroken. Langs Het Zuider Buiten Spaarne liep richting het zuiden De Schalkwijker Weg, waarlangs enkele erven en buitenplaatsen aanwezig waren. Deze zijn op de historische relictenkaart weergegeven (bijlage 4). De concentratie van erven vormden gezamenlijk het gehucht Noord-Schalkwijk (zie figuur 4.14). Langs de oostgrens van de polder bevond zich De Zomerweg. Aan deze weg was geen bebouwing aanwezig.
163
Molendatabase verdwenen molens, nr. 344. Molendatabase verdwenen molens, nr. 7058. Men vermoedt op basis van een 16e-eeuwse kaart dat de eerste molen een binnenkruier was. Het is de vraag of dit op basis van een kaart is vast te stellen. 165 Molendatabase verdwenen molens, nr. 7354. 166 Molendatabase verdwenen molens, nr. 1716. 167 Molendatabase verdwenen molens, nr. 8438. 164
168
77
Molendatabase verdwenen molens, nr. 7355.
Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem
Poelpolder De Poelpolder ligt tussen de Roomolenpolder, de Zuiderpolder en de Vijfhuizerpolder. Ten oosten van deze polder lagen het Spieringmeer en de Poel. Langs het noorden en het oosten is een dijklichaam aangelegd. De polder werd bemaald door de Poelmolen, die het water vanuit een noord-zuid stromende 169 waterloop langs de dijk, in het Spieringmeer afvoerde. De Poelmolen was een wipmolen met een scheprad en is vermoedelijk rond 1460 gebouwd. In 1842 werd de molen verplaatst en bleef op de nieuwe plek tot 1911 in gebruik. Daarna werd de molen omgebouwd tot een gemaal. De locatie van de voormalige Poelmolen ligt net buiten de gemeentegrens, ter hoogte van de kruising van de Schipholweg en de Vijfhuizerdijk in de gemeente Haarlemmermeer, en is daarom niet als historisch punt aangemerkt. Langs De Fuikvaart en in het zuiden nabij de Poel zijn enkele erven als historisch punt aangemerkt.
Vereenigde Groote en Kleine polders Deze polder bevond zich ten zuiden van de Roomolenpolder en ten westen van de Vijfhuizerpolder. Ten westen lag Het Spaarne en ten zuiden grensde het aan het Haarlemmermeer, dat in het midden van de 19e eeuw is drooggelegd. De polder werd van de naastgelegen Vijfhuizerpolder gescheiden door een wetering met daarlangs De Zomerweg, die zijn weg in noordelijke richting vervolgde tussen de Roomolenpolder en de Poelpolder. In eerste instantie waren het twee afzonderlijke polders, de Groote polder en de Kleine polder. In 1813 werden de polders samengevoegd. De Groote polder werd bemalen door de Groote Molen, of de Schalkwijcker Molen 170 (catalogusnr. 28, bijlage 11C). Dit was een wipmolen uit 1537 en lag iets de polder in. Het water uit de polder werd via de Molensloot afgevoerd. Lange tijd had deze molen een scheprad; in 1907 werd het scheprap vervangen door een vijzel. In 1914 brandde de molen af. De Groote Molen bemaalde ook de Kleine Polder, maar voor de bemaling van de laagste delen van de Kleine Polder was er een weidemolen, een kleinere molen die verder nauwelijks bediening nodig had. Deze molen staat niet op de eerste kadastrale kaart van 1832 afgebeeld. In 1879 werd de molen vervangen door een grotere molen, genaamd de Kleine Molen. In 1972 kwam daarnaast de naam de 171 Hommel in gebruik (catalogusnr. 9, bijlage 11C).
In de polder was een dijk aanwezig. Deze dijk werd De Lage Kadijk genoemd en stond in verbinding met de dijk om de Vijfhuizerpolder. De Lage Kadijk liep van oost naar west door de polder. Langs het Spaarne lag langs De Zuidschalkwijker-weg, ter hoogte van de Groote Molen en verder naar het zuiden, het gehucht ZuidSchalkwijk, dat uit meerdere erven bestond. De weg liep dood in zuidelijke richting.
Vijfhuizerpolder De Vijfhuizerpolder ligt ten oosten van de Vereenigde Groote en Kleine polders en ten zuiden van de Poelpolder. De polder werd langs de oostzijde begrensd door een wetering met daarlangs De Zomerweg en langs de zuid- en oostzijde door het voormalige Haarlemmer Meer. Langs het Haarlemmer Meer lag een dijk (weergegeven als historische lijn op de historische relictenkaart in bijlage 4). De polder is in 1649 ontstaan door het samenvoegen van enkele kleine polders, die dus al enige tijd moeten hebben bestaan. Het is niet bekend wanneer deze kleine e polders zijn gesticht. Het is aannemelijk dat dit in de 16 eeuw, na de stichting van de Poelpolder (1460) en de Groote en Kleine polders (1537), heeft plaatsgevonden. Voor de bemaling van deze polder werd in 1649-1650 een wipmolen met scheprad neergezet, welke in 1874 is vervangen door een, nog steeds bestaande, poldermolen
169
Molendatabase verdwenen molens, nr. 1711. Molendatabase verdwenen molens, nr. 1710. 171 Nederlandse molendatabase, nr. 661. 170
Project V-19.0130A
78
172
(catalogusnr. 8, bijlage 11C). Deze verving waarschijnlijk een al eerder geplaatste molen. Deze eerste molen was in eerste instantie illegaal neergezet, waarvoor IJsbrand Corsse uit Vijfhuizen werd beboet. Later kreeg hij toch toestemming voor 173 het plaatsen van de molen.
Spaarndamsche polder en Hekslootpolder De Spaarndamsche polder ligt in het uiterste noordelijke punt van de gemeente Haarlem, ten westen van het dorp Spaarndam. De polder is langs de noordoostzijde begrensd door De Slaper Dijk en het dorp Spaarndam, langs de zuidoostzijde door Het Spaarne en langs de zuidwest- en westzijde door De Heksloot. De polder is volledig omgeven door een dijklichaam. De polder was in eerste instantie in gebruik als boezemland en waterde op natuurlijke wijze af op het Spaarne. Pas in 1634 werd het een polder. De Slapermolen, een wipmolen, bemaalde de polder. De molen is na 1629 gebouwd en fungeerde eerst alleen voor het bemalen van gronden buiten de polder om. Dit is de Hekslootpolder, die grenst aan de ten westen gelegen hogere delen van de strandwal van Haarlem. Pas op een later moment, het is niet bekend vanaf wanneer, bemaalde de Slapermolen ook de Spaarndamsche polder. In 1706 is er in archieven 174 sprake van een molen voor de polder (catalogusnr. 85, bijlage 11C). Op de kaart van Jan Janszoon Douw uit 1647 is de molen al ingetekend. Tegenwoordig bevindt zich op deze locatie een poldergemaal.
Schoterveenpolder De Schoterveenpolder bevond zich ten noorden en ten noordwesten van de stad Haarlem. Het betrof een lange, smalle polder ten westen van de Haarlemse strandwal. De strandwal was al ontgonnen en hier en daar bewoond. Er bevonden zich meerdere erven en buitenplaatsen. De polder is niet omsloten door een dijklichaam. De polder werd in het zuiden en westen begrensd door de waterloop Den Delft en in het noorden door de Jan Gijzen Vaart. Deze vaart is in de 16e eeuw gegraven (in 1537 werd de vergunning verleend) om zand van de strandwallen in Santpoort per schuit naar Amsterdam te vervoeren voor de aanleg van de 175 Amsterdamse grachtengordel. De polder is vermoedelijk vóór 1600 gesticht; de molen die de polder bemaalde is vermoedelijk rond 1600 of eerder gebouwd. Het betreft de nog steeds bestaande wipmolen, de Schoterveense molen (catalogusnr. 4, 176 bijlage 11C). Deze wipmolen schepte het water vanuit de Molen Wetering die midden door de polder liep, in het Spaansch Vaartje. Het Spaansch Vaartje voerde het water vervolgens af op Het Spaarne.
Veenpolder onder Heemstede Ten zuidwesten van de stad Haarlem bevond zich de Veenpolder onder Heemstede. De polder was niet omsloten door een dijklichaam. De polder werd begrensd door de percelen en bebouwing langs de Brouwers Vaart in het noorden, de Brouwers Vaart en de Hout Vaart in het westen en de Leidsche Vaart in het oosten. De huidige gemeentegrens is ook de zuidgrens van de polder. De Veenpoldermolen bemaalde de polder. Dit was een wipmolen met een scheprad, die het water vanuit de Male Wetering richting de Leidsche Vaart afvoerde. Het is niet bekend wanneer deze 177 molen is gebouwd (catalogusnr. 29, bijlage 11C). De molen is na 1864 vervangen 178 door een grondzeiler, die in 1895 is gesloopt.
172
Molendatabase verdwenen molens, nr. 7359. Slegtenhorst 2011, 3. 174 Molendatabase verdwenen molens, nr. 4062. 175 Schotertuin 2020. 176 Monumentenregister, nr. 19275; Nederlandse molendatabase, nr. 662. 177 Molendatabase verdwenen molens, nr. 16604. 178 Molendatabase verdwenen molens, nr. 1713. 173
79
Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem
4.10 De Militaire geschiedenis van Haarlem N. Warmerdam 4.10.1 Werkwijze en verantwoording geraadpleegde bronnen Haarlem kent een lange geschiedenis van militair gebruik en conflict. Niet alleen e e tijdens de Tachtigjarige Oorlog,179 maar ook zeker in de 20 eeuw. In de 20 eeuw kreeg ons land te maken met drie grote conflicten (de Eerste Wereldoorlog, Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog), die zowel in het landschap als in de bodem een grote hoeveelheid en verscheidenheid aan sporen hebben nagelaten. Door de vaak specifieke aard van deze structuren is er voor de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Haarlem een aanvullende verwachting opgesteld voor dit erfgoed. De ligging van het militair erfgoed, in dit geval voornamelijk gerelateerd aan de Tweede Wereldoorlog, is weergegeven op een aparte kaart, namelijk de kaart e ‘Militaire relicten uit de 20 eeuw. (bijlage 7). Om een zo volledig mogelijk beeld van de ooit aanwezige militaire structuren te verkrijgen, zijn, zo ver deze aanwezig zijn, primaire bronnen geraadpleegd. Voor de mobilisatie van 1914-1918 zijn de tekeningen en bestekken van de Nederlandse Genie bekeken, samen met de latere defensie-inventarisaties van de gebouwde werken.
De basis voor het opstellen van de verwachting voor de Tweede Wereldoorlog vormen door de Duitse bezetter vervaardigde bronnen die het militaire gebruik en de inrichting van het landschap op verschillende schaalniveaus over een langere tijdsdiepte tonen. De informatie van deze kaarten en bijbehorende tekstdocumenten zijn aangevuld en geverifieerd met verzetsbronnen, geallieerde luchtfoto's uit 1944 en 1945 en naoorlogse opmetingen van steunpunten en militaire objecten. Elke bron kent specifieke beperkingen in het gebruik, waardoor deze combinatie van bronnen noodzakelijk is om een zo gespecifieerd en correct mogelijk beeld te verkrijgen van de ooit aangelegde militaire structuren en de inrichting en gebruik hiervan. De individuele beperkingen van bronnen wordt onder andere bepaald door de functie en doel, vervaardigingsdatum, omstandigheden waarin deze bron is opgesteld (bijvoorbeeld onder tijdsdruk) en de opsteller/vervaardiger zelf. Dit geldt ook voor de Duitse kaarten die als primaire bron voor de inrichting van de verdediging van een bepaald gebied kunnen worden gezien. Deze bronnen tonen vaak, naar gelang het doel en functie, slechts een klein deel van het totale gebruik of inrichting van een gebied binnen een bepaalde periode.
Een aanvulling met Britse luchtfoto’s van de RAF, die onder wisselende omstandigheden zijn gemaakt en verzetsbronnen met een wisselende betrouwbaarheid en detailniveau bieden hierbij dan ook een goede aanvulling. De volgende archieven zijn geraadpleegd bij het opstellen van de verwachting: -
Bundesarchiv-Militärarchiv (BArch-MA) in Freiburg im Breisgau Nationaal Archief (NL-HaNA) Nationaal instituut voor Militaire Historie (NIMH) National Archives (NARA) (De Kriegstachebücher van het Duitse LXXXVII Armee-Korps) National Collection of Aerial Photography (NCAP), online https://ncap.org.uk/ Wageningen University Library. Geoportal: RAF aerial photographs Noord-Hollands Archief/beeldbank (NL-HlmNHA)
Daarnaast is de website van IKME geraadpleegd180 alsmede de NGE-risicokaart (Niet Gesprongen Explosieven) van de gemeente Haarlem.181 179
Relicten uit de Tachtigjarige Oorlog zijn weergegeven op de Historische relictenkaart, bijlage 4). 180 www.IKME.nl, 2020.
Project V-19.0130A
80
Ondergronds en bovengronds erfgoed Bij militaire complexen is de scheidslijn tussen ondergronds (archeologisch) en bovengronds (gebouwd) erfgoed niet hard te trekken. Beide zijn zeer nauw met elkaar verweven. Een voorbeeld zijn de vele steunpunten binnen de Duitse Atlantikwall. Deze steunpunten bestaan in veel gevallen uit bunkers die onderdeel uitmaken van een complex dat verder reikt dan deze bouwwerken alleen. Rondom en tussen deze structuren liggen meters aan gegraven open loopgraven, wapenopstellingen en prikkeldraadversperringen die slecht op kaarten of luchtfoto’s herkenbaar zijn of enkel archeologisch bewaard zijn gebleven. Toch is het vaak het gebouwde erfgoed dat binnen deze complexen de meeste aandacht krijgt, terwijl deze structuren juist hun waarde verkrijgen door deze in het omringende landschap en als ensemble te zien en te bestuderen. Door de sterke noodzaak om militair erfgoed integraal te benaderen en te onderzoeken is bij het opstellen van de verwachting rekening gehouden met zowel zichtbaar erfgoed, als niet zichtbaar archeologisch erfgoed.
Niet ingetekende structuren op de kaart Op de verwachtingskaart zijn complexen en krijgshandelingen ingetekend die een duidelijke archeologische weerslag kennen of hebben. Dit betekent dat niet alle locaties waar militaire activiteiten hebben plaatsgevonden zijn weergeven. De redenen zijn divers. Zo zijn op de verwachtingskaart geen Deckungslöchern (mangaten) langs wegen ingetekend daar deze generiek zijn, bedoeld waren voor kortstondig schuilen, langere tijd ongebruikt open hebben gelegen, niet bij gevechtshandelingen zijn betrokken en in de meeste gevallen op locaties van bestaande wegtracés liggen en bij recente ontwikkelingen zijn verstoord. De informatiewaarde is op deze locaties dan ook gering. Ook de vele inkwartieringsadressen en in Haarlem aanwezige hoofdkwartieren of andere militaire burelen zijn vanwege het kortstondige gebruik en de minimale archeologische weerslag (binnen bestaande gebouwen) niet als archeologische verwachting aangemerkt. Vliegtuigcrashes zijn als belangrijke verwachting wel op de kaart ingetekend, als er op basis van de beschikbare bronnen een specifieke crashlocatie of buffer kon worden bepaald. Niet alle crashsites hebben een even grote archeologische weerslag. Al tijdens de oorlog zijn crashlocaties vaak (gedeeltelijk) geruimd.
In de praktijk blijkt echter dat hierbij niet alle resten zijn geborgen, bijvoorbeeld als de resten zich te diep bevonden of dit vanwege tijdsgebrek of terreinomstandigheden/bodemgesteldheid niet gedaan kon worden. Het kon hierdoor voorkomen dat enkel de grote, en aan het oppervlak gelegen, kostbare metalen delen en de vliegeniers (voor zover mogelijk) werden geborgen om de krater vervolgens dicht te schuiven. Op de bekende en begrensde crashlocaties is archeologisch onderzoek dan ook waardevol. Voor crashlocaties in de binnenstad geldt wel dat deze waarschijnlijk zeer goed zijn geborgen en een minimale archeologische weerslag kennen. In de meeste gevallen zijn de beschikbare gegevens te summier om een buffer aan te kunnen duiden waarbinnen de restanten en sporen van de crashes kunnen worden aangetroffen. Deze staan daarom niet op de kaart. Ook versperringen zoals mijnenvelden zijn niet op de kaart weergeven. De velden zijn na de oorlog geruimd en de werkzaamheden hebben in bijna alle gevallen slechts zeer oppervlakkige sporen nagelaten. Hetzelfde geldt voor bomkraters in het centrum van Haarlem. Deze sporen bevinden zich grotendeels binnen bestaande huizenblokken die tijdens en na de oorlog opnieuw zijn ontwikkeld.
Er bestaat slechts een zeer geringe kans dat deze zijn opgevuld met materiaal uit de oorlog of militair materiaal, daar er geen oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden en er hoofdzakelijk civiele structuren in de omgeving aanwezig waren.
181
81
Arlar 2016.
Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem
Ondanks het zorgvuldig intekenen van de uit militair historische bronnen bekende resten, kunnen er binnen de lege zones losse, kleinere en/of kortstondig gebruikte/aangelegde structuren aanwezig zijn die niet in de geraadpleegde of beschikbare bronnen zijn teruggevonden. Het kan onder andere gaan om veldgraven, crashlocaties waarvan de locatie niet specifiek geduid kon worden, dumplocaties, losse wapenopstellingen die op luchtfoto’s niet zichtbaar zijn en tijdelijke of civiele schuilkelders die niet op kaarten zijn ingetekend. 4.10.2 Stelling van Amsterdam e Aan het eind van de 19 eeuw nam de dreiging van een oorlog in Europa toe. Voor de verdediging van het land waren daarom de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam opgetuigd. De Nieuwe Hollandse Waterlinie was, als het e ware, een update van de (Oude) Hollandse Waterlinie uit de 17 eeuw en was bedoeld voor de verdediging van Holland. De Stelling van Amsterdam was als verdedigingslinie bedoeld rondom de stad Amsterdam. Zij is 135 km lang en bestaat uit 46 forten en een groot aantal batterijen, dijken en sluizen. De stelling van Amsterdam is tussen 1881 en 1913 gebouwd. Het systeem van de stelling ging uit van onderwaterzetting (inundatie) van grote en kleinere oppervlakten.
Hierdoor zou een nat gebied worden gecreëerd waar het water te diep was voor de vijand om door heen te waden, maar te ondiep om te bevaren. Bij de doorsnijdingen (accessen) van de linie en op zichtafstand van elkaar werden forten gebouwd, van waar ook de geïnundeerde vlakte onder vuur genomen kon worden. Naastgelegen forten konden elkaar flankerend vuur geven. In de schootsvelden van de forten golden dan ook ‘verboden kringen’ (300, 600, 1000 m) als zones met beperkingen ten aanzien van bebouwing en beplanting. Woningen die er toch gebouwd mochten worden, staan bekend als Kringenwetwoningen en moesten van hout zijn, waardoor zij snel 182 waren af te breken. Delen van enkele (voormalige) polders van de gemeente Haarlem, langs de oostelijke grens, vallen net binnen de hoofdverdedigingslijn van de stelling. Dit zijn die delen van de gemeente die nog niet bebouwd zijn. Spaarndam maakte deel uit van de verdedigingslinie van Amsterdam. Deze ‘Positie bij Spaarndam’ bestond uit twee forten, Fort benoorden Spaarndam en Fort bezuiden Spaarndam, met daarbij een liniewal met voorraadruimten, twee nevenbatterijen en aan de westzijde een Voorstelling met betonnen scherfvrije onderkomens. De polders ten oosten van Haarlem vielen onder het 183 inundatiegebied. Het ‘Fort benoorden Spaarndam’ ligt nu buiten de gemeente Haarlem en wordt hier niet verder besproken.
Het ‘Fort bezuiden Spaarndam’ is gelegen ten zuidwesten van Spaarndam, aan het Noorder Buiten Spaarne, in de Spaarndamsche polder. Het is aangelegd in de periode 1882-1903 globaal ter plaatse van historisch punt 76 (bijlage 4). Dit fort was, evenals Fort benoorden Spaarndam, een van de eerste forten gemaakt van ongewapend betoncement. Dit fort had twee hoofdtaken. Enerzijds moest het de inundatie ten westen van Spaarndam mogelijk maken en anderzijds, samen met het Fort benoorden Spaarndam met hun geschut, de toegangswegen naar Amsterdam afsluiten. Wat de inundatie betreft moest de bezetting van het Fort bezuiden Spaarndam er voor zorgdragen dat de duiker die de verbinding vormde tussen de gracht en het Spaarne, afgesloten werd en gesloten bleef. Het behulp van een stoomgemaal kon dan het water uit de gracht worden opgepompt en via kanaaltjes naar de Spaarndamsche polder geleid om deze onderwater te zetten. Na de Tweede Wereldoorlog is het fort een tijdlang gebruikt als munitiedepot voor het Nederlandse leger. Daar kwam begin jaren 80 van de vorige eeuw een einde aan 182 183
https://nl.wikipedia.org/wiki/Stelling_van_Amsterdam NL-HaNA, Hoofdkwartier Nieuwe Hollandse Waterlinie, 3.09.19, inv.nr. 40.
Project V-19.0130A
82
na het gereed komen van het mobilisatiecomplex in het zogenaamde Munitiebos recht voor het Fort benoorden Spaarndam. Het fort stond vervolgens lange tijd leeg. Na een restauratie heeft het een civiele herbestemming gekregen. Het fort is op diverse plaatsen voorzien van muurschilderingen. De meeste zijn van de hand van 184 Louis Kortenhorst. 4.10.3 Mobilisatie 1914-1918 Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ontstond er voor ons land ondanks de neutraliteit een aanzienlijke oorlogsdreiging. Nederland werd in 1914 dan ook massaal gemobiliseerd en in staat van verdediging gebracht. Circa 200.000 mannen werden tijdens de oorlog opgeroepen om hun dienstplicht bij het leger te 185 vervullen. De oude linies met hun forten en redoutes, waaronder de Stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandse Waterlinie (hoofdverdedigingslinie van ons land), werden bemand en er werden vele plannen gemaakt om de zones tussen, achter en voor deze forten verder te versterken en in te richten door middel van 186 batterijen en (versterkte) infanteriesteunpunten. Deze aanpassing en versterking van de verdediging was noodzakelijk omdat de inundaties en de forten slechts een dunne verdedigingsschil vormde die primair vertrouwde op de in het water gelegen forten.
Een groot deel van de belangrijkste verdedigingswerken was in 1914 echter sterk verouderd en kwetsbaar voor het artillerievuur van de nieuwe, mobiele stukken geschut. Tijdens een aanval zouden deze maar zeer kortstondig stand kunnen houden. Ook de kustzone moest verder worden versterkt. De kustartillerie en –verdediging bestond uit deels verouderde forten en batterijen die hoofdzakelijk ter bescherming van de riviermondingen, waterwegen en havens waren ingericht. Hierdoor waren de belangrijke waterwegen beschermd, maar bleven er tussen deze forten en batterijen grote gaten over waar een eerste verdediging ontbrak. Toen de oorlog in 1914 daadwerkelijk uitbrak werden er in augustus van datzelfde jaar daarom snel enkele nieuwe batterijen ingericht. Veel moet hierbij niet worden voorgesteld. De constructies hadden een semipermanente inrichting met onderkomens en munitiebergplaatsen uit hout en 187 aarde. Tussen 1916 en 1918 nam de verdediging meer concrete vormen aan. Er werden in deze periode onder andere groepsschuilplaatsen en verdedigingswerken uit beton gebouwd. Onder andere ter versterking van de Positie Spaarndam. Deze betonnen bouwwerken moesten de troepen een veilige schuilplaats bieden tijdens vuurgevechten en door de spreiding de trefkans en verliezen verlagen. Daarnaast waren deze bouwwerken een stuk duurzamer en efficiënter, dan de aarde en houten verdedigingswerken.
De Positie Spaarndam met haar forten en verdedigingswerken bleek bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog inmiddels te zijn verouderd en kwetsbaar te zijn bij een aanval. Het grootste probleem was het feit dat de linie uit een relatief dunne schil van forten en verdedigingswerken bestond. Bij de uitschakeling van een fort zou hierdoor een lastig te dichten gat ontstaan. Tijdens de mobilisatie van 1914-1918 werd de positie net als vele andere linies daarom versterkt. De nieuwe verdediging bestond uit de aanleg van een meer gedecentraliseerde verdediging. In de liniewal kwamen ter ondersteuning 13 granaatvrije onderkomens en loopgraven te liggen en in de Oude Spaarndammerpolder werd in 1917 een voorstelling aangelegd. Deze voorstelling bestond uit drie achter elkaar gelegen linies van aardwerken, loopgraven en betonnen groepsschuilplaatsen (type 1918) die als doel hadden een betere diepteverdediging te creëren en de positie over de hele breedte te versterken. Tot in 1918 werd er aan deze stelling gebouwd. Alleen de frontwal en de voorste 184
https://nl.wikipedia.org/wiki/Fort_bezuiden_Spaarndam Will 2011, 103. 186 NL-HaNA, Genie-archieven, 2.13.45. 187 Verbeek 1988, 57-64. 185
83
Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem
aardwerken waren aan het eind van de Eerste Wereldoorlog gereed. zijn nagenoeg nog geheel intact in het landschap aanwezig.
188
De restanten
4.10.4 De Tweede Wereldoorlog: Neue Landfront en Rundumverteidigung Haarlem Om de kust tegen een aanval in de rug te beschermen werd er in 1942 gewerkt aan een nieuwe verdedigingslinie, het Neue Landfront. Deze linie lag achter de kust op een afstand van circa 10 tot 15 kilometer en volgende grotendeels de hier bestaande waterwegen. Nabij Haarlem werd een deel van de oude Stelling van Amsterdam, met haar forten en liniedijk, opnieuw benut en ingericht. Daarnaast werd er gebruik gemaakt van een voor Nederland bekende verdedigingsmethodiek, de zogenaamde inundaties. Bij de Duitse krijgsmacht stond dit echter beter bekend als zogenaamde Uberflütungen. Voor de verdediging van het Neue Landfront en de latere Stadtverteidigung van Haarlem werden de polders tussen de Buiten Liede en het Spaarne geïnundeerd, waardoor grote delen van de Waarder-, Veer-, Zuider-, Roomolen- en Poelpolder onder water kwamen te staan. Door de steunpunten zoveel mogelijk op de hoger gelegen delen van het landschap, binnen de onder water gezette polder, aan te leggen, waren minder steunpunten noodzakelijk en konden de vlakken voor deze steunpunten met geweer en machinegeweer worden beheerst.
De Duitse legerleiding was eind 1943 van mening dat een eventuele landing aan de kust gepaard zou gaan met een gelijktijdige aanval door luchtlandingstroepen die vanuit het achterland de kustverdediging zouden proberen te doorbreken en uit te schakelen. Hierbij werd ook de conclusie getrokken dat de steden die aan deze linie lagen niet voldoende rondom verdedigbaar waren en daarom kwetsbaar zouden zijn bij een aanval. Voor Haarlem gold dit ook. Haarlem was al voor 1944 beschermd tegen een aanval vanuit het oosten, maar kon onvoldoende weerstand bieden tegen 189 een uit het westen oprukkende vijand en eventuele luchtlandingstroepen. Op 31 december vond er dan ook een overleg plaats over de nieuw in te richten verdediging van de stad en de noodzaak van de uitbreiding van de verdediging. De belangrijkste punten uit het overleg zijn de ontwerpplannen van een aan te leggen Zitadelle en Rundumverteidigung. De stad zou hiermee volledig binnen een gordel 190 van verdedigingswerken komen te liggen. De goedkeuring volgde kort hierop, 191 waarna er in het voorjaar van 1944 werd begonnen met de bouw. De verdediging van het oosten van de stad bestond uit een uitbreiding van de verdediging langs de Ringvaart, de voormalige stelling van Amsterdam en de eerder omschreven inundaties van de bij Haarlem gelegen polders.
Deze polders werden halverwege 1944 daadwerkelijk onder water gezet als onderdeel van het verdedigingsplan. Aan de westzijde was de stad echter minder goed beschermd. Ook was het hier niet mogelijk om delen van het landschap te inunderen. Er moest daarom worden teruggegrepen op de aanleg van versperringen en andere verdedigingswerken. Het uiteindelijke plan was simpel, maar doeltreffend. De basis van de verdediging bestond uit Panzergraben, of tankgrachten, die de stad in het westen omsloten en aansluiting vonden met het Spaarne. Op de oostelijke oever van de grachten kwamen daarna steunpunten te liggen. Voor de aanleg van de Panzergraben werd zoveel mogelijk gebruik gemaakt van al bestaande vaarten, waaronder de Houtvaart en de Jan Gijzenvaart. Waar de loop van deze vaarten niet toereikend was, werden nieuwe watergangen gegraven of bestaande aangepast en 188
Gaasbeek 2003, 135. National Archives, 88e AK, KTB 2, 1a Kriegstagebuch, 1 Jan.-30 Jun. 1944, T314/R1619/Frame 1047 190 National Archives, 88e AK, KTB 2, 1a Anlagenband zum KTB, 1 jul. – 31 Dec. 1943, T314/R1618/Frame 174, 31-12-1943 Ruckspräche uber Zitadelle und Rundumverteidigung stadt Amsterdam. 191 National Archives, 88e AK., Schaffung eines Festungsgürtels und Einsatz der Ersatz- und Ausbildungseinheiten im Bereich W. Bfh. Nd. 9. April 1944 189
Project V-19.0130A
84
verbreedt (Houtvliet). Een van deze nieuwe waterwegen lag ter hoogte van 192 Overveen, nabij de Willem de Zwijgerlaan. Aan de oostelijke oever van deze gracht werden op vitale en strategische punten verdedigingswerken aangelegd. Op deze manier waren minder manschappen en wapens noodzakelijk. De steunpunten en verdedigingswerken die in de stad en langs de tankgracht werden aangelegd bestonden hoofdzakelijk uit veldversterkingen zoals loopgraven, mangaten, openbeddingen voor (luchtdoel)geschut en mitrailleursposten. Net als bij de Atlantikwall werd er vertrouwd op een verdediging die uit losse steunpunten, of parels bestond.
Figuur 4.18. De aanleg van de tankgracht in de Haarlemmerhout in het voorjaar van 1944 (Mej. Dr. G.H. Kurtz. Noord-Hollands Archief, Kennemerland, NL-HlmNHA_54007752).
Een Zitadelle in de Haarlemmerhout In 1944 werd naast de uitbreiding van de rondomverdediging van de stad een Zitadelle aangelegd in de Haarlemmerhout. De Zitadelle bestond uit een tankgracht met daarbinnen een uitgebreid loopgravenstelsel met artillerieopstellingen en 193 opstellingen voor (mitrailleur)schutters. In feite was dit een zelfstandig verdedigbaar steunpunt (citadel) binnen de versterkte stad dat bij een doorbraak van de buitenste verdediging kon blijven functioneren. Binnen deze citadel lagen naast verdedigingswerken ook enkele belangrijke gebouwen, waaronder de Ortskommandantur (Hotel Den Hout). Het meest kenmerkende element van de Zitadelle was de circa acht meter brede tankgracht. Deze gracht had twee steile wanden en de bodem was niet vlak, maar spits. Om het steile profiel te kunnen behouden werd dit voor een deel met matten en ‘takken’ bekleed. Het bij de aanleg van de tankgracht vrijgekomen zand werd gebruikt om reliëf te creëren voor de aanleg van deze wapenopstellingen en 194 loopgraven. Na de oorlog werd de tankgracht gedempt en werden de veldversterkingen en verdedigingswerken verwijderd. Tegenwoordig is de loop van de voormalige tankgracht nog zichtbaar als een strakke rechte verlaging in het 192
Sperrekarte Zandvoort und Haarlem, Festungs Pionier Stab 15, 1944. National Archives, 88e AK, KTB 2, 1a Anlagenband zum KTB, 1 jul. – 31 Dec. 1943, T314 R1618 Frame 174, 31-12-1943 Ruckspräche uber Zitadelle und Rundumverteidigung stadt Amsterdam; Sperrekarte Zandvoort und Haarlem, Festungs Pionier Stab 15, 1944. 194 Beeldbank Noord-Hollands Archief, collectie Kennemerland, inv.nr. NLHlmNHA_54007749_01. 193
85
Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem
landschap. Op de Hertenkamp is nog steeds een deel van de gracht aanwezig dat nu dienst doet als ‘vijver’ bij de kinderboerderij.
Figuur 4.19. Het resterende deel van de tankgracht dat nu dienst doet als vijver bij de kinderboerderij (N. Warmerdam, BAAC).
4.10.5 De Tweede Wereldoorlog; vliegtuigcrashes Tijdens de oorlog kwam de dreiging voor de Duitse militairen aan de kust niet alleen vanuit zee of land, maar ook vanuit de lucht. Honderden geallieerde jagers en bommenwerpers vlogen bijna dagelijks over het kustgebied om acties in Nederland en Duitsland uit te voeren.
Figuur 4.20. Het brandende wrak van de in juli 1940 aan de oude Weg neergestorte Britse Wellington (A. peperkamp, Beeldbank Noord-Hollands Archief, Collectie Historische Vereniging Haerlem, NL-HlmNHA_54_017977).
Het gevolg was dat de stellingen en de steden, waaronder Haarlem, te maken kregen met luchtgevechten, bombardementen en beschietingen van jachtvliegtuigen als ze in duikvlucht met hun mitrailleurs of boordkanonnen overkwamen. Ook voor de geallieerde vliegers waren de risico’s echter enorm groot. Bij Zandvoort en rondom Haarlem waren diverse luchtafweerbatterijen aanwezig die de overkomende toestellen zwaar onder vuur namen. Het Nederlandse luchtruim werd verder verdedigd door Duitse jagers die toestellen onderschepten en onder
Project V-19.0130A
86
vuur namen. Door deze gevechtsacties crashten er ongekend veel geallieerde, maar ook Duitse toestellen op Nederlands grondgebied. In de gemeente Haarlem zijn een aantal crashes bekend. Van de vijf toestellen die binnen de gemeente Haarlem zijn gecrasht zijn er twee die in de stad zijn terechtgekomen. Van de meeste crashlocaties is alleen de globale locatie bekend. Voor een overzicht wordt verwezen naar tabel 4.1. Van de locaties die wel nauwkeurig zijn gedocumenteerd is de locatie 195 op de verwachtingskaart weergegeven. Tabel 4.1 De binnen Haarlem bekende crashlocaties196 Cat.nr
Locatie
type
Datum
Nat.
Oorzaak
Geborgen
15
Oude wegVeerpolder
Wellington
6 jul 1940
Brits
crash
Resten aan oppervlak, deels geborgen
17
Waarderpolder
Typhoon
13-1-1943
Geallieerd
Neergeschoten door Luchtafweer Kijkduin
Onbekend
16
Zomerweg Haarlem
Ventura
3-05-1943
Brits
Luchtgevecht
Onbekend
14
‘t Krom
Bf 109
21-7-1943
Duits
Botsing met andere Bf 109
-
Nabij Haarlem
Bf 109
9-10-1943
Duits
Noodlanding
Geborgen, gecrasht in de stad Geen archeologische weerslag, enkel noodlanding
4.10.6 De Koude Oorlog Duitsland speelde net na de oorlog geen rol meer als militaire grootmacht. De machtsverhoudingen binnen Europa begonnen hierdoor te verschuiven. Onder andere Rusland zag hierdoor de mogelijkheid om aan een expansiepolitiek te beginnen. De Sovjet-Unie vergrootte het grondgebied al snel door de Baltische staten en delen van Finland, Polen, Duitsland, Roemenië en Tsjecho-Slowakije bezet te houden en steun te leveren aan de communistische regimes. Met deze expansie ontstond er in Oost-Europa een zeer sterke grootmacht die een nieuwe dreiging vormde voor West-Europa. De West-Europese landen waren nog volop bezig met de wederopbouw en waren hierdoor verdeeld, kwetsbaar en deels afhankelijk van steun van onder andere de Verenigde Staten. Er ontstond de noodzaak en wens om passend op deze expansiedrift te reageren. Deze reactie kwam er in de vorm van verschillende (defensie)verdragen en pacten, waaronder de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO). De verschillende verdragen zorgden er op hun beurt voor dat ook de verschillende communistische regimes een gelijkend pact sloten, het Warschaupact. Er was hiermee een tweedeling in Europa ontstaan die onder andere door deze pacten en de verschillen in ideologie voor een machtsstrijd en onoverkoombaar verschillen tussen beide kampen zou zorgen. De Koude Oorlog 197 was hiermee ingeluid.
Haarlem lag tijdens de Koude Oorlog niet binnen een verdedigingslinie. In de stad werden tijdens de Koude Oorlog wel speciale bunkers aangelegd die als coördinatieen commandocentra dienden. Onder het nu gesloopte deel van het provinciehuis (Dreef 3) kwam bijvoorbeeld het provinciaal Coördinatie Centrum (PCC) te liggen van de provinciale civiele bescherming. Omstreeks 2012 is het pand met bunker gesloopt om ruimte maken voor nieuwbouw. Omdat verwacht wordt dat de bunker hierbij volledig is gesloopt, is deze niet op de verwachtingskaart weergeven. Ook de Bescherming Bevolking had een bunker in de stad. Aan de Schoonzichtlaan 8 lag de bunker van het Provinciaal Commando van waaruit de acties bij een aanval konden 198 worden geleidt. Het gebouw en de bunker bestaan nog steeds. 195
Verliesregister SGLO, 2019. crashdatabase SGLO, 2019. 197 Beekmans & Schilt 1998. 198 https://www.bunkerpictures.nl/datasheets/holland/datasheet-haarlem.html 196
87
Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem
Project V-19.0130A
88
5
Archeologische informatiekaart
5.1 Inleiding De archeologische verwachtingskaart vormt een instrument voor het archeologiebeleid ten aanzien van de planvorming binnen de gemeente. De eerste stap om te kunnen komen tot een archeologische verwachtingskaart is een inventarisatie van de op dit moment bekende vindplaatsen binnen de gemeentegrenzen van Haarlem. Middels een archeologische informatiekaart (bijlage 2) kan een goed beeld verkregen worden van de hoeveelheid bekende archeologische vindplaatsen, de verspreiding ervan en de verdeling over de verschillende perioden. Er is voor gekozen om de belangrijkste historische elementen en structuren niet op deze kaart weer te geven maar op een aparte kaart, namelijk de historische relictenkaart (bijlage 4). De informatie van beide kaarten is essentieel in het opstellen van een verwachtingsmodel. Zo kan middels analyses worden nagegaan of de vondsten zijn gebonden aan bepaalde geomorfologische eenheden. Een dergelijke analyse leidt vervolgens tot een verwachtingsmodel. Echter, de archeologische informatiekaart en de historische relictenkaart vertellen tezamen primair de bewoningsgeschiedenis van de gemeente.
5.2 Inventarisatie van de bekende vindplaatsen de
ste
Al vanaf eind 19 , begin 20 eeuw is in Nederland op zowel professionele wijze als door amateur-archeologen archeologisch onderzoek gedaan. Men vond wat bijzonders en bracht het naar iemand binnen de gemeente waarvan men wist dat deze persoon hier interesse voor had. De vondsten werden soms voorzien van een beschrijving van het soort vondst en de locatie waar het was aangetroffen en 199 verdwenen vervolgens vaak in de privé-collectie . In Haarlem werden in 1843 voor het eerst archeologische vondsten officieel geregistreerd.200 In dat jaar werden bij werkzaamheden in de St. Bavokerk funderingsresten van een oudere voorganger van de kerk aangetroffen. In 1868 volgde de eerste wetenschappelijke publicatie van Haarlemse bodemvondsten. In dit geval betrof het de beschrijving van werktuigen van hertshoorn, schaatsen van bot en een paar scherven prehistorisch aardewerk. Als gevolg hiervan drong het belang van archeologische vondsten ook door tot in de gemeenteraad. Er werd gediscussieerd over een gemeentelijke aanpak van oudheidkundige zaken in de Haarlemse bodem. Het heeft echter tot 1950 geduurd voordat er een afdeling Monumentenzorg werd ingesteld, waar men zich zijdelings bezig hield met de registratie van archeologische vondsten. Als gevolg van de oprichting van de Archeologische Werkgroep Haarlem in 1970 nam het aantal archeologische vondsten snel toe.
In 1982 kreeg de gemeente Haarlem haar eigen stadsarcheoloog en een opgravingsvergunning. Vanaf dat moment mocht de 199
Soms werden de vondsten echter gemeld bij het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden alwaar het werd geregistreerd. Dit ‘oude’ register is bij de ontwikkeling van ARCHIS opgenomen in het digitale bestand. 200 Van Zalinge 2019.
89
Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem
gemeente namens het Rijk zelfstandig archeologisch onderzoek uitvoeren. Het archeologisch depot vulde zich als gevolg van de vele onderzoeken in rap tempo. Al snel nadat de digitale ontwikkelingen het mogelijk maakten om een dataregistratiesysteem te ontwikkelen, is een dergelijke database voor Haarlem ontworpen. Van deze database is bij de totstandkoming van onderhavig project dankbaar gebruik gemaakt. Landelijk werd de registratie van vondsten pas na de oprichting van de voorloper van de huidige Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), de Rijksdienst van het Oudheidkundig Bodemonderzoek in 1947, verwerkt in een database. Eerst op papier, later ook digitaal (ARCHIS). Dit systeem is afhankelijk van de bereidwilligheid van de vinder van een archeologische vondst om de vondst ook daadwerkelijk te melden bij de RCE. Ondanks de wettelijke verplichting dit te doen, gebeurt dit niet altijd. Derhalve bestaat de kans dat het raadplegen van ARCHIS niet alle bekende vindplaatsen zal opleveren. Bovendien is het noodzakelijk dat de aangemelde vondsten vervolgens correct in ARCHIS worden verwerkt. Ook dat gebeurde niet altijd. Dat is wel gebleken tijdens het controleren van de (grote hoeveelheden) data uit ARCHIS. Zo bleek het relatief vaak voor te komen dat het toponiem niet overeen kwam met de coördinaten. Daar zat in sommige gevallen enkele honderden meters verschil tussen.
Ook is gebleken dat sommige in ARCHIS gemelde waarnemingen uit een eerdere versie van die database in de huidige versie niet meer terug te vinden waren. Daarnaast bleek dat lang niet alle bij de gemeente Haarlem bekende waarnemingen al in ARCHIS geregistreerd waren. Omdat het voor het vervaardigen van de verwachtingskaart van groot belang is dat de database de juiste informatie bevat, is lopende het project in overleg met de gemeente besloten om de database, gebaseerd op de data uit ARCHIS, te controleren met de gegevens zoals bekend bij de gemeente Haarlem. Dat is uitgemond in een omvangrijk onderzoek waarbij de data is gecorrigeerd waar nodig en tevens is uitgebreid met vele bij ARCHIS onbekende waarnemingen. Dit onderzoek, wat enkele maanden in beslag heeft genomen, is in een separate opdracht door BAAC uitgevoerd.201 Hierbij is een document opgesteld waarin uitgelegd is hoe de database tot stand is gekomen. Op deze wijze is een betrouwbare database ontwikkeld. De gemeente zal toekomstige vindplaatsen in deze digitale database verwerken, zodat de database ‘up to date’ blijft. Bovendien zal de gemeente bestaande vindplaatsen actualiseren indien dat mogelijk is.
Hierbij kan worden gedacht aan het aanpassen van de database naar aanleiding van bijvoorbeeld het uitwerken van oud onderzoek, waarbij een vindplaats mogelijk nauwkeuriger gedateerd kan worden of het complextype nader gespecificeerd kan worden. Er is in overleg met de opdrachtgever geen beroep gedaan op lokale amateurarcheologen, heemkundeverenigingen en historische kringen. Dit vanwege het feit dat er reeds een zeer goede samenwerking bestaat tussen de lokale amateurarcheologen en de gemeente, waarbij alle vondsten die worden gedaan door amateur-archeologen bij de gemeente worden geregistreerd. 5.2.1 Waarnemingen In totaal zijn binnen de gemeente Haarlem 503 in ARCHIS geregistreerde waarnemingslocaties bekend. Binnen deze waarnemingslocaties zijn ook de waarnemingen van de lokale amateur-archeologen verwerkt. Dit geldt niet voor de vele, niet in Archis geregistreerde, waarnemingen uit het archief van de gemeente Haarlem.202 Onderzoek naar de data binnen dit archief heeft in totaal 352 extra waarnemingslocaties opgeleverd. Er zijn tijdens de inventarisatie geen aanvullende waarnemingen gebaseerd op oude topografische kaarten toegevoegd. Er is voor gekozen deze puntlocaties apart op de historische relictenkaart te plaatsen, maar dan als historische punten. Deze punten zijn derhalve niet opgenomen in de
201
Dit betreffende onderzoek is door Ma. S. van der Gaag, werkzaam bij BAAC, uitgevoerd. Deze nog niet geregistreerde waarnemingen ‘dateren’ voornamelijk uit de tijd dat ARCHIS nog niet bestond. 202
Project V-19.0130A
90
vindplaatsen catalogus. Hierbij moet gedacht worden aan stellingen uit de Tweede Wereldoorlog, het Beleg van Haarlem en enkele locaties die middels aanvullend onderzoek naar oud topografisch kaartmateriaal zijn achterhaald (molens, bruggen, kerken, kloosters, kalkovens, buitenhuizen, etc.) Hiervoor zijn aparte kaarten vervaardigd, beide voorzien van een eigen catalogus. Om alle bekende waarnemingen om te kunnen zetten in een archeologische informatiekaart zijn de betreffende waarnemingen geanalyseerd, waarbij onderscheid is gemaakt in waarnemingslocaties en de waarnemingen op die locaties. Een waarnemingslocatie betreft de in ARCHIS of de gemeentelijk archeologie-database opgegeven puntlocatie waar vondsten zijn gedaan. Een dergelijke waarnemingslocatie heeft een uniek catalogusnummer met een x- en ycoördinaat. Een waarnemingslocatie kan echter uit meerdere vondsten (waarnemingen) bestaan. Voor onderhavig onderzoek zijn de waarnemingen zoals in ARCHIS weergegeven in vindplaatsen omgezet. Een vindplaats vertegenwoordigt een locatie waar één of meerdere vondsten zijn aangetroffen uit één of meerdere aaneengesloten archeologische perioden.
Indien duidelijk was dat aangrenzende waarnemingen uit dezelfde periode dan wel een opeenvolgende periode tot dezelfde vindplaats behoren, zijn ze geclusterd tot één vindplaats.203 In het geval dat op dezelfde locatie twee (of meer ) waarnemingen aanwezig zijn uit verschillende, niet aaneengesloten perioden, is de waarneming opgesplitst in twee vindplaatsen. Een vindplaats zoals op de archeologische informatiekaart weergegeven betreft eveneens een puntlocatie met een x- en y-coördinaat. Het verschil met een waarnemingslocatie uit ARCHIS is echter dat een vindplaats kan bestaan uit meerdere (ARCHIS-) waarnemingslocaties uit dezelfde (of opeenvolgende) periode(s) als deze laatste zich op geringe afstand van elkaar bevinden en duidelijk is dat het dezelfde vindplaats betreft. 204
Tabel 5.1 Waarnemingslocaties in de gemeente Haarlem. Omschrijving waarnemingslocaties ARCHIS waarnemingen ARCHIS waarnemingen gemeentelijk archief vervallen waarnemingen totaal aantal waarnemingen totaal aantal vindplaatsen na analyse waarnemingen
Aantal 503 3124 352 66 3410 799
Uit tabel 5.1 blijkt dat het aantal waarnemingslocaties, het aantal daadwerkelijke waarnemingen en het aantal vindplaatsen dat na analyse van de waarnemingen overblijft, niet met elkaar overeen komt. Dit is onder andere het gevolg van de opzet van ARCHIS. De waarneming vormt de basis binnen dit systeem. Hierbij komt het echter regelmatig voor dat binnen één waarneming meerdere vondsten zijn gedaan uit dezelfde archeologische periode. Op deze wijze loopt het aantal waarnemingen in ARCHIS al snel op. Dit betreft overigens niet alleen maar ‘dubbele’ waarnemingsnummers. Het komt namelijk ook regelmatig voor dat binnen één waarneming meerdere vondsten zijn gedaan uit verschillende archeologische perioden. Een dergelijke locatie kan derhalve gedurende meerdere perioden bewoond zijn geweest (bijvoorbeeld gedurende de bronstijd en de Romeinse tijd). In ARCHIS krijgt een dergelijke waarneming één waarnemingsnummer terwijl hier in principe sprake is van meer dan één waarneming. Al met al betekent het voor het geval van de gemeente Haarlem dat de 503 waarnemingslocaties feitelijk 3124 waarnemingen vertegenwoordigen, al dan niet daterend uit verschillende perioden. 203
Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan waarnemingen op hetzelfde adres, of gerelateerd aan dezelfde locatie (bijvoorbeeld een kerk). 204 Peildatum: 20 mei 2019.
91
Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem
Niet al deze waarnemingen zijn betrouwbaar. Een aantal is door derden vaak vele jaren na de vondst in het Archis bestand geplaatst. Aangezien de exacte locatie van de vondst niet meer was te achterhalen zijn dergelijke administratief geplaatste waarnemingen op afgeronde coördinaten geplaats. Derhalve zijn alle waarnemingen met coördinaten afgerond op 100 en 1000 m uit de database gefilterd, tenzij de betreffende waarneming achteraf nog van de juiste coördinaten kon worden voorzien. Ook komt het voor dat ergens onderzoek is gedaan zonder dat er vondstmateriaal is aangetroffen, terwijl hieraan wel een waarnemingsnummer is gekoppeld. Ook dergelijke waarnemingen zijn uit de database gefilterd. Tevens is gebleken dat een groot deel van de in de archieven van de gemeente Haarlem aangetroffen ‘nieuwe’ waarnemingslocaties onbruikbaar is. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de onnauwkeurigheid van de betreffende waarnemingen. Zo komen veel waarnemingen voor waarbij wel een toponiem wordt gegeven, maar geen exacte coördinaten. Ook bevinden zich hier vondsten tussen die qua ouderdom onmogelijk in situ vondsten kunnen zijn.205 Dergelijke vondsten zijn niet weergegeven op de archeologische informatiekaart. In totaal zijn zo 66 waarnemingen komen te vervallen.
Een ander gevolg van de opzet van ARCHIS is dat de mogelijkheid bestaat dat zich in ARCHIS ter plaatse van één feitelijke vindplaats meerdere waarnemingslocaties bevinden. Dit kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het feit dat vondsten behorende tot één vindplaats onafhankelijk van elkaar zijn aangemeld door verschillende personen over verschillende jaren. Ondanks dat het eigenlijk één vindplaats betreft krijgt iedere melding in ARCHIS een uniek eigen waarnemingslocatienummer. In de analyse zijn alle waarnemingslocaties die in feite één vindplaats representeren echter samengevoegd. Al met al is op deze wijze het aantal waarnemingen uit ARCHIS gereduceerd tot in totaal 421 vindplaatsen. Daaraan zijn na analyse van het gemeentelijke archief nog eens 352 aanvullende waarnemingen toegevoegd, zodat in totaal 799 vindplaatsen zijn vastgesteld. In de catalogus (bijlage 11B) wordt per vindplaats een overzicht gegeven van de afzonderlijke waarnemingen waaruit de vindplaats bestaat, inclusief ARCHIS-waarnemingsnummer en archeologische hoofdperiode(n). In tabel 5.2 zijn de vindplaatsen per archeologische periode weergegeven. Hierbij valt op dat het totaal aantal vindplaatsen (1262) niet overeenkomt met het totaal van 799 vindplaatslocaties. Dit is het gevolg van het feit dat voor veel waarnemingen geldt dat de betreffende vondst niet specifiek aan één periode kan worden toegekend.
Dit houdt impliciet in dat dezelfde vondst in meerdere perioden mee geteld wordt. Nadere uitwerking van de vindplaatsen, bijvoorbeeld op basis van nog niet uitgewerkt onderzoek, kan in dergelijke gevallen leiden tot een nauwkeuriger datering. Tabel 5.2
Waarnemingen verdeeld naar archeologische periode.
Aantal waarnemingen totaal % (N=1262) Neolithicum 38 3,0 Bronstijd 51 4,0 IJzertijd 60 4,8 Romeinse tijd 41 3,2 Middeleeuwen 443 35,2 Nieuwe tijd 629 49,8 Een vergelijking van de waarnemingen per periode levert een goed beeld op van de bewoningslocaties door de tijd heen. De verdeling van de waarnemingen over de verschillende perioden is echter niet gelijkmatig. Binnen de grenzen van het Periode
205
Vondsten die als paleolitisch of mesolitisch zijn gedateerd zijn of foutief gedateerd, of betreffen geen in situ waarnemingen, aangezien het landschap jonger is. Dergelijke zaken zijn uit de database gefilterd of aangepast.
Project V-19.0130A
92
plangebied komen volgens de gegevens uit Archis waarnemingen uit alle archeologische perioden voor, ook uit het paleolithicum en het mesolithicum. In hoofdstuk 3 (Landschappelijke ontwikkeling) is echter uiteengezet dat het landschap binnen de gemeente Haarlem relatief jong is. De oudste sedimenten dateren uit het midden-neolithicum. Navenant kunnen binnen de gemeente Haarlem dan ook alleen in situ vondsten voorkomen vanaf het midden-neolithicum. De te oude dateringen zijn echter een gevolg van het feit dat de betreffende vondsten niet specifiek kon worden gedateerd, waarbij men een (te) ruime periode aan de vondst heeft gekoppeld. Dit is slechts in drie gevallen voorgekomen. Deze fouten zijn gecorrigeerd. Het blijkt dat de steentijd (neolithicum) duidelijk ondervertegenwoordigd is met slechts 3 % van de vindplaatsen. De metaaltijden zijn niet veel beter vertegenwoordigd. Zo ligt het percentage voor de bronstijd op 4 % en voor de ijzertijd op 4,8 %. Daarbij dient voor de metaaltijden te worden opgemerkt dat het aantal waarnemingen waarschijnlijk is overschat, aangezien een deel van de waarnemingen bewerkt vuursteen betreft dat waarschijnlijk ouder is. Ook de Romeinse tijd is relatief slecht vertegenwoordigd met 3,2 %, terwijl de middeleeuwen juist zeer goed zijn vertegenwoordigd (35,2 %).
Ook de nieuwe tijd is zeer goed vertegenwoordigd met bijna de helft van alle waarnemingen (49,8 %). Gezien de grote rol van de historische kern van Haarlem binnen het plangebied gedurende de middeleeuwen en de nieuwe tijd, is een oververtegenwoordiging van waarnemingen uit deze perioden niet verwonderlijk. Als gevolg van de oververtegenwoordiging van de middeleeuwen en de nieuwe tijd, lijken de voorgaande perioden ondervertegenwoordigd. De oververtegenwoordiging van de middeleeuwen en de nieuwe tijd is echter niet de enige reden voor het relatief lage percentage aan prehistorisch materiaal. Veel van het onderzoek dat in de jaren 70 tot en met 90 van de vorige eeuw binnen de gemeente Haarlem heeft plaatsgevonden, betrof vooral onderzoek binnen de historische kern van Haarlem, en dan met name onderzoek in beerputcontexten. Dit vanwege de focus van de toenmalige stadsarcheoloog. De kans bestaat dat prehistorisch materiaal, maar ook sporen en structuren uit de middeleeuwen en de nieuwe tijd, als gevolg hiervan zijn gemist.206 Ook bestaat de kans dat prehistorisch materiaal binnen het vondstmateriaal niet als zodanig is herkend. Mogelijk komen bij nadere uitwerking van oud onderzoek nog enkele prehistorische vindplaatsen aan het licht.
Nog een reden voor de oververtegenwoordiging van de perioden middeleeuwen en nieuwe tijd is dat het vondstmateriaal uit deze perioden overal binnen de gemeente vanaf het maaiveld kan worden aangetroffen en daarmee relatief makkelijk vindbaar is. De oudere vindplaatsen bevinden zich veelal op de oude duinen/strandwallen en deze zijn binnen de gemeente Haarlem grotendeels afgedekt met een (dik) pakket veen en/of jongere mariene afzettingen. Daarmee is de kans op het aantreffen van vondstmateriaal uit deze perioden zonder professioneel onderzoek veel kleiner. 5.2.2 Archeologische monumentenkaart De archeologische monumentenkaart (AMK) is een product van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) in samenwerking met de provincies. Op de kaart staan terreinen weergegeven waarvan de archeologische waarde is vastgesteld. De AMK-terreinen zijn onder te verdelen in twee groepen;
Terreinen met de status van Rijksmonument. Deze terreinen zijn beschermd op basis van de Erfgoedwet (2016). Terreinen van archeologische waarde. Deze terreinen hebben geen wettelijke bescherming. Deze terreinen zijn onder te verdelen in terreinen
206
Mondelinge informatie van mevr. A. Van Zalinge (stadsarcheoloog gemeente Haarlem), 2019.
93
Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem
van archeologische waarde, terreinen van hoge archeologische waarde en terreinen van zeer hoge archeologische waarde.207 Van enkele terreinen in de categorie ‘archeologische waarde’ is de waarde nog niet vastgesteld. Deze terreinen zijn zonder toetsing opgewaardeerd vanuit de voormalige categorie ‘archeologische betekenis’. Voor de archeologische informatiekaart zijn de contouren van de AMK-terreinen als GIS-bestand verkregen van de RCE. Binnen de gemeenten Haarlem zijn 21 AMKterreinen aanwezig. Eén van deze AMK-terreinen betreft een beschermd rijksmonument. De begrenzing van dit terrein (monumentnr. 532446) is vastgesteld door de RCE op basis van uitgebreid onderzoek.208 Het betreft een terrein met sporen van bewoning uit het midden-neolithicum tot en met de midden-ijzertijd. Naast het beschermde rijksmonument is één terrein van zeer hoge archeologische waarde aanwezig. Het betreft de ruïne van het Huis ter Kleef (monumentnr. 10895). Tevens komen binnen de gemeentegrenzen acht terreinen van hoge archeologische waarde voor. Tot deze acht terreinen van hoge archeologische waarde behoren de historische kernen van Spaarndam (monumentnr. 13911) en Haarlem (monumentnr. 13913). De overige elf terreinen behoren tot de categorie ‘archeologische waarde’.
Dit betreffen allemaal terreinen die door de voormalige stadsarcheoloog zijn opgedragen als monument, zonder dat hiervoor een goede onderbouwing is opgegeven.
5.3 Inventarisatie van overige bronnen 5.3.1 Archeologische onderzoeken Een belangrijke bron van informatie vormen de resultaten van archeologische onderzoeken die in het gebied hebben plaatsgevonden. In ARCHIS staan de locaties van dergelijke onderzoeken geregistreerd. Op de archeologische informatiekaart zijn de contouren van deze onderzoeken uit ARCHIS gebruikt. 209 In totaal waren op de peildatum 420 onderzoeken uitgevoerd binnen het plangebied. Van 69 van deze onderzoeksgebieden is in ARCHIS niet bekend wat voor type onderzoek het betreft. Dit betreft de oudere onderzoeken. Destijds werden de gegevens onvolledig in ARCHIS ingevuld. In de meeste gevallen betreft het een bureauonderzoek (129 van de 420 binnen de gemeentegrenzen uitgevoerde onderzoeken). In 16 gevallen staat in ARCHIS aangegeven dat aan het betreffende onderzoek een ander archeologisch onderzoek, bijvoorbeeld een bureaustudie, vooraf is gegaan. Dit wil echter niet zeggen dat 113 van de uitgevoerde bureaustudies geen vervolgonderzoek hebben opgeleverd. In bijlage 11F is een catalogus weergegeven van alle binnen ARCHIS bekende onderzoeken binnen de gemeente Haarlem. 5.3.2 Historische bronnen Historische topografische kaarten vormen een belangrijke bron in verband met de verwachte archeologische resten van de op dit kaartmateriaal afgebeelde gebouwen en structuren.
Zo zijn veel gegevens van de eerste kadastrale kaarten uit de periode 1817-1832 gebruikt. Deze kaarten zijn voor het gehele gebied gegeorefereerd en vervolgens zijn diverse elementen als puntobject dan wel als lijn- of vlakelement gedigitaliseerd. Zo is de begrenzing van de historische kernen van Haarlem en Spaarndam gebaseerd op de eerste kadastrale kaarten. Daarnaast zijn historische elementen zoals kerken, kloosters, begraafplaatsen, buitenplaatsen, bruggen, molens, kalkovens, verdedigingswerken, forten, liefdadigheidsinstellingen, 207
De RCE houdt de AMK sinds 2014 niet meer bij. Het huidige AMK-bestand betreft derhalve een statisch bestand. 208 Smit et al. 2014. 209 20 mei 2019.
Project V-19.0130A
94
openbare gebouwen, scheepswerven en boerenerven gedigitaliseerd. Deze data is weergegeven op de historische relictenkaart (bijlage 4). Naast de eerste kadastrale kaarten zijn verscheidene andere historische kaarten geraadpleegd.210 Zo is voor de ligging van (voormalige) gebouwen in het historische centrum van Haarlem gebruik gemaakt van de Historische Stedenatlas van Nederland.211 Voor het inventariseren van de binnen de gemeentegrenzen aanwezige buitenplaatsen is onder andere gebruikt gemaakt van het werk van Bertram212 en Neuteboom.213 Ook 214 kaartmateriaal zoals weergegeven op de site van Topotijdreis is ingezien. De historische elementen zoals weergegeven op de historische relictenkaart zijn van nummers voorzien. Deze corresponderen met de nummers in bijbehorende catalogus (bijlage 11C). Van de historische kern van Haarlem en Spaarndam is een uitsnede gemaakt met een schaal van 1:3.000. Deze zijn de in bijlagen 5 en 6 weergegeven. e
Voor het achterhalen van militaire relicten uit de 20 eeuw is gebruik gemaakt van verschillende bronnen (zie paragraaf 4.10.1). Er is voor gekozen om de ligging van e de militaire relicten uit de 20 eeuw in een aparte kaart weer te geven (bijlage 7). Ook op deze kaart zijn de weergegeven gebieden genummerd. Deze corresponderen met de nummers in de bijbehorende catalogus (bijlage 11E).
210
Het betreft o.a. de kaarten van Jacob van Deventer (1560), Hendrik van Zutphen (1588), Andries van der Walle (1655), Cornelis Velsen (1724) en vele anderen. Het kaartmateriaal is afkomstig van het Noord-Hollands Archief via www.noord-hollandsarchief.nl. 211 Speet 1982. 212 Bertram 2005. 213 Neuteboom 2019. 214 topotijdreis.nl
95
Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem
Project V-19.0130A
96
6
Archeolandschappelijke eenhedenen archeologische verwachtingskaart
6.1 Inleiding De archeologische informatiekaart en de historische relictenkaart (bijlagen 2 en 4) zoals besproken in het vorige hoofdstuk, geven een goed beeld van de locaties van de binnen de gemeente bekende archeologische vindplaatsen. Een dergelijke kaart toont echter slechts puntlocaties en is niet vlakdekkend omdat hij geen uitspraken doet over de te verwachten archeologische waarden in die delen waar (nog) geen archeologische resten zijn waargenomen. Dit is echter wel noodzakelijk om nog onontdekte archeologische vindplaatsen te kunnen beschermen. Hét instrument om de nog niet ontdekte archeologie binnen de gemeente Haarlem niet verloren te laten gaan, is een archeologische verwachtingskaart, gekoppeld aan beleid. Een dergelijke kaart geeft door middel van vlakken (verwachtingszones) een vlakdekkend beeld van de bekende en de verwachte archeologische waarden binnen de gemeente. Voor de totstandkoming van een dergelijke verwachtingskaart is gebruik gemaakt van een verwachtingsmodel. Er bestaan drie typen modellen. Een model dat is gebaseerd op kwantitatieve gegevens wordt een inductief model genoemd. Er bestaan ook modellen waarbij gebruik gemaakt wordt van een hypothetische benadering (een zogenaamd deductief model). Het derde type model betreft het hybride-model. Een dergelijk model maakt gebruik van zowel inductieve als 215 deductieve data.