CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

2 Bijlage 1-1 Archeologische Beleidskaart Haarlem BAAC Rapport (onderdeel van bijlage 4 van de beleidsnota)

commissie Ontwikkeling 4 april 2024, gemeente HaarlemBij agendapunt: 21.30 uur Vaststellen Erfgoednota, Haarlems Erfgoed, Verbindende kracht in de stad (FR)38.589 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Van Heeringen 2017, 82-92; Van der Velde 2017a, 134; Van der Velde 2017b, 165-169, 182. Verspay et al. 2018. 90 Verspay et al. 2018, 203-224. 91 Van Zalinge 2019. 92 Peeters et al. 2017; Bakels 2005; Lauwerier, Kolfschoten en Van Wijngaarden-Bakker 2005. 93 Van Zalinge 2019, 17. 94 Catalogusnr. 95. 89

Project V-19.0130A

50

verzamelaars uit het noorden geleidelijk aan aspecten van deze nieuwe manier van leven over. Zo werd niet alleen de akkerbouw en veeteelt, maar ook het gebruik van aardewerk in andere delen van ons land geïntroduceerd. Daarnaast bleef het jagen en verzamelen een belangrijke bron van voedsel, waardoor tijdelijke kampementen 95 voor deze periode nog steeds zijn te verwachten. Rond 3.250 voor Chr. (5.200 BP) is de oudste strandwal binnen de gemeente Haarlem gevormd. Het betreft de strandwal van Heemstede- Spaarnwoude. De strandwal van Haarlem kwam wat later tot ontwikkeling, namelijk rond 2850 voor Chr. (4.800 BP). De strandwal van Bloemendaal-Santpoort, waarvan zich een klein strookje binnen de gemeente Haarlem bevindt, is weer wat jonger. Deze dateert uit circa 2.050 voor Chr. (4.000 BP). Op al deze strandwallen kunnen derhalve bewoningssporen vanaf het midden- en laat-neolithicum (4.200-2.850 voor Chr.) te verwachten.

Figuur 4.1 Archeolandschappelijke eenhedenkaart met daarop de bekende vindplaatsen uit het neolithicum.

95

51

Louwe Kooijmans 2005, 249.

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

Dat er bewoningsactiviteit in het neolithicum was, blijkt uit de vindplaatsenkaart voor het neolithicum. Op deze kaart is te zien dat de bekende vindplaatsen over het algemeen op de hoger gelegen delen van het landschap liggen, te weten de strandwallen met hun Oude Duinen. Het gaat om meldingen van cultuurlagen, grondsporen als greppels, eergetouwkrassen en haardkuilen, en diverse soorten (losse) vondsten. De vindplaatsen hebben vaak een brede datering in het neolithicum. Bij de losse vondsten bleek het soms wel mogelijk een (begin)datering in het midden- of laat-neolithicum vast te stellen. Gedurende het laat-neolithicum zijn de strandwallen in ieder geval bewoond. Dat blijkt uit de Oogst voor Malta. De vindplaats Velsen-Velserbroek is voor deze, en jongere, periode een belangrijke bron van informatie over bewoning van de strandwal van Haarlem. Deze vindplaats ligt net buiten de grens van de gemeente Haarlem. Hier zijn zowel aardewerk als grondsporen, maar geen huisplattegronden, 96 aangetroffen. De kenniswinst voor deze periode is dus vooral de constatering dat de strandwallen geschikt waren voor bewoning. Hoe die bewoning was ingericht, is niet goed bekend, dus daar is nog wel veel kennis te winnen. 97

Binnen de gemeente Haarlem ligt een beschermd (archeologisch) rijksmonument. Voor de aanwijzing als archeologisch monument heeft de RCE een booronderzoek uitgevoerd, waaruit blijkt dat binnen de grenzen van dit terrein bewoningssporen uit het midden- tot en met het laat-neolithicum aanwezig zijn. Vanaf het laatneolithicum waren de lager gelegen delen of flanken van de strandwal niet bewoonbaar door vernatting van het landschap. De hogere delen bleven bewoond 98 tot in de ijzertijd.

4.4 Bronstijd (2.000 – 800 voor Chr.) De overgang van het neolithicum naar de bronstijd heeft zeer geleidelijk plaatsgevonden. Vuursteen en natuursteen blijven belangrijke grondstoffen voor het vervaardigen van artefacten. Nieuw is het toepassen van eerst koper en later ook brons voor het maken van gereedschappen en wapens. De grondstoffen hiervoor waren niet beschikbaar in de directe omgeving en moesten dus van andere plekken worden gehaald. Het spreidingsbeeld van de bekende vindplaatsen vertoont voor de bronstijd grotendeels hetzelfde beeld als voor het neolithicum. Dat komt grotendeels doordat de datering van meerdere vindplaatsen uit het neolithicum doorloopt tot in jongere perioden en deze vindplaatsen dus op meerdere vindplaatskaarten voorkomen. De op figuur 4.2 ‘nieuw’ aanwezige vindplaatsen liggen veelal op de hogere delen van het landschap, dus zowel op de strandwallen als op de flanken van de strandwallen. Nederzettingssporen zijn op de strandwal van Haarlem gevonden in Haarlem-Noord (catalogusnr. 453) en in de Hekslootpolder (catalogusnrs 718, 722). Bij HaarlemNoord gaat het om de randzone van een erf uit de late bronstijd en greppels uit de 99 late ijzertijd die een oudere akkerlaag met eergetouwkrassen doorsnijden. Op de strandwal van Heemstede-Spaarndam zijn menselijke activiteiten waargenomen in de vorm van greppels en ploegsporen (catalogusnr. 208).

In een voormalig meertje zijn op de bodem vlechtwerkmatten teruggevonden (catalogusnr. 569). In Haarlem en omgeving begon het landschap deels al gedurende de bronstijd te vernatten. Op de strandwal van Heemstede-Spaarndam kwam het veen tot op de strandwal tot ontwikkeling. Hier werd het landschap minder aantrekkelijk voor bewoning. De hoger gelegen strandwal van Haarlem lag grotendeels nog buiten het 96

Van Heeringen 2017, 82. Monument 532446 (Liewegje Zuiderpolder). 98 Smit et al. 2014, 151. 99 Schute 2019. 97

Project V-19.0130A

52

bereik van het veen, al begon langs de flanken ook hier de vernatting een rol te spelen.

Figuur 4.2 Archeolandschappelijke eenhedenkaart met daarop de bekende vindplaatsen uit de bronstijd.

Ook voor de bronstijd zijn meerdere vindplaatsen in Velsen rijk aan informatie over de bewoners van de strandwal van Haarlem. Er zijn meerdere grafheuvels en 100 gebouwplattegronden opgegraven. Grafheuvels en nederzettingen zijn binnen de gemeente Haarlem tot op heden niet bekend. Voor de bronstijd zijn, vergeleken met de voorgaande periode, iets meer gegevens beschikbaar uit Haarlem en net daarbuiten. Dit is ook geconstateerd in de Oogst 101 voor Malta. Maar veel is ook nog niet bekend. Van Heeringen en Van der Velde noemen als voorbeeld de erfinrichting, huistypologie en het dodenbestel. En waar lagen de akkers, die wel vaak zijn waargenomen, ten opzichte van de 100 101

53

Van Heeringen 2017, 82-87, 89. Van Heeringen & Van der Velde 2017, 199.

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

nederzettingen. Tot slot noemen de auteurs ook het inzicht in de relatie tussen de strandwaleconomie en de bewoning en activiteiten in het veengebied achter de strandwallen.

4.5 IJzertijd (800 - 12 voor Chr.) De manier van leven in de ijzertijd verschilt niet wezenlijk van dat van de bronstijd. Een belangrijke nieuwe ontwikkeling is het gebruik van ijzer voor het maken van gereedschappen en wapens. De grondstof hiervoor was wel beschikbaar in de directe omgeving.

Figuur 4.3 Archeolandschappelijke eenhedenkaart met daarop de bekende vindplaatsen uit de ijzertijd.

De stijging van de grondwaterspiegel en de daarmee gepaard gaande groei van het veenmoeras zoals dat al gedurende de bronstijd in gang was gezet, zette zich gedurende de ijzertijd voort. Het landschap in het oostelijke deel van de gemeente Haarlem ‘verdronk’ grotendeels en werd minder geschikt voor bewoning. De bewoners hadden nu de keus: ingrijpen in het landschap door het te ontwateren, of vertrekken. Op figuur 4.3 is zichtbaar dat ook in het oostelijk deel relatief veel vindplaatsen uit de ijzertijd voorkomen. Het spreidingsbeeld van de bekende

Project V-19.0130A

54

vindplaatsen vertoont voor de ijzertijd nagenoeg hetzelfde beeld als in de bronstijd. Dat komt, wederom, doordat de datering van meerdere vindplaatsen uit het neolithicum en de bronstijd doorloopt tot in jongere perioden en de vindplaatsen dus op meerdere vindplaatskaarten voorkomen. Het is echter bekend dat de hogere 102 delen van het landschap binnen het beschermd (archeologisch) rijksmonument, dat gelegen is op de strandwal van Heemstede-Spaarnwoude, bewoond bleven tot 103 in de ijzertijd. Blijkbaar kon men hier het tij keren en delen van de strandwal bewoonbaar houden. Nederzettingssporen in de vorm van meerdere huisplattegronden zijn niet bekend binnen de gemeente Haarlem. Dat er bewoning moet zijn geweest, blijkt wel uit de vele bekende vindplaatsen met voornamelijk (losse) aardewerkvondsten, akkerlagen of cultuurlagen, kuilen en greppels die verspreid over de (flanken van de) strandwallen zijn aangetroffen. Ook twee waterputten die uit plaggen zijn opgebouwd, geven aan dat er gewoond werd in de late ijzertijd (catalogusnr. 687). De bijbehorende bebouwing is niet aangetroffen. Aanwijzingen van bewoning in de vroege ijzertijd zijn ook in de binnenstad van Haarlem teruggevonden in de vorm van enkele paalsporen (catalogusnr. 82) en in het oosten van Haarlem, waar een huisplaats is gelokaliseerd (catalogusnr. 571).

Van deze huisplaats is wat liggend hout en paalkuilen met staand hout nog in situ bewaard in de bodem. De kennislacunes die bij de bronstijd staan genoemd, gelden ook voor de ijzertijd. Het betreft kennislacunes met betrekking op de erfinrichting, de huistypologie, het dodenbestel, de akkers in relatie tot de nederzettingen en de strandwaleconomie.

4.6 Romeinse Tijd (12 voor Chr. – 450 na Chr.) Het grootste deel van de Romeinse tijd volgde de grens van het Romeinse Rijk de loop van de Nederrijn, de Kromme Rijn en de Oude Rijn. Deze grens, de limes, kwam e in de eerste helft van de 1 eeuw na Chr. tot stand en werd bewaakt met behulp van forten en wachttorens. Voordat deze grens zich stabiliseerde, hadden de Romeinen ook gebieden ten noorden van deze grens veroverd. In Velsen, net buiten de Haarlemse gemeentegrens, werd rond 15 voor Chr. een fort ingericht, dat in gebruik e 104 bleef tot rond het midden van de 1 eeuw na Chr. De komst van de Romeinen moet voor veel mensen gedurende de eerste helft van e de 1 eeuw een enorme invloed hebben gehad op het landgebruik en de bestaanswijze. In plaats van produceren voor alleen de eigen behoefte, werd men ook geacht te produceren voor de militairen. Vanaf het moment dat de Romeinse grens zich stabiliseerde, zal de invloed van de Romeinen ten noorden van die grens zijn afgenomen. Haarlem ligt ten noorden van de limes en lag dus buiten de directe invloedssfeer van de Romeinen. Dat er in de regio wel degelijk menselijke activiteit was gedurende de Romeinse tijd, blijkt uit de aanwezigheid van het fort bij Velsen en verscheidene vondsten uit deze periode binnen de gemeente Haarlem, al geldt ook voor de gemeente Haarlem dat het aantal vondsten uit deze periode relatief gering is.

Meer noordelijk is in de omgeving Castricum kennis opgedaan over de bewoning in gebieden die buiten de invloedssfeer van de Romeinen lagen. De nederzettingsontwikkeling blijkt niet wezenlijk te verschillen van de voorgaande e periode. Tot in de eerste helft van de 3 eeuw is deze regio in ieder geval bewoond. e Nederzettingsterreinen vertonen vanaf het einde van de 1 eeuw meer greppelstelsels en verkavelingssystemen. In de laat-Romeinse tijd is er minder bewoning. Er is geen leegloop; er lijkt eerder sprake te zijn van bewoning door 102

Monument 532446 (Liewegje Zuiderpolder). Smit et al. 2014, 151. 104 Van der Velde 2017a, 109-111. 103

55

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

kleinere groepen. De bewoning concentreerde zich net als de voorgaande perioden op de hogere delen van het landschap, dus op de strandwallen met hun Oude Duinen. De lagere delen werden in eerste instantie ook bezocht, maar werden in de e 105 loop van de 3 eeuw toch weer verlaten, waarschijnlijk vanwege vernatting.

Figuur 4.4 Archeolandschappelijke eenhedenkaart met daarop de bekende vindplaatsen uit de Romeinse tijd.

Dat de strandwallen in de Romeinse tijd bewoond waren, blijkt uit de vindplaatsenkaart. Het spreidingsbeeld van de bekende vindplaatsen vertoont hetzelfde beeld al in de voorgaande perioden. Er zijn geen nederzettingsterreinen of losse gebouwplattegronden bekend, maar wel veel meldingen van vondsten met een brede datering in de Romeinse tijd of specifiek voor een deel van de Romeinse tijd. Zo is een pijpaarden beeldje gevonden dat waarschijnlijk Castor en Pollux voorstelt. Dit beeldje is samen met Romeins importaardewerk geadministreerd (catalogusnr. 276). Andere bijzondere voorwerpen zijn een lans en een schildknop (catalogusnr. 709).

105

Van der Velde 2017a, 143-145.

Project V-19.0130A

56

Enkele sporen die wijzen op menselijke activiteit zijn ploegsporen of spitsporen uit het begin van de jaartelling (catalogusnr. 400) en een greppel of kuil met aardewerk e uit de 1 eeuw (catalogusnr. 401). Van Zalinge noemt daarnaast ook drenkkuilen 106 voor vee, koeienpootafdrukken, sporen van hekwerk en waterputten. Op de flank van de strandwal van Haarlem staat een begraving ingetekend (catalogusnr. 246). Op deze locatie is een houten grafkist met menselijk botmateriaal aangetroffen. De datering hiervan is niet duidelijk; er is een ruime datering vanaf de Romeinse tijd tot 1973 voor het graf geadministreerd. Deze vindplaats komt dus ook voor op de navolgende vindplaatsenkaarten. Het feit dat niet alleen deze, maar ook andere vindplaatsen een brede datering hebben, geeft de noodzaak aan van het uitwerken van (oud) archeologisch onderzoek. Na uitwerking is een vindplaats mogelijk beter te duiden en is de datering van een vindplaats mogelijk aan te scherpen. Van Heeringen en Van der Velde noemen als kennislacune de vroeg-Romeinse tijd in zijn algemeenheid. Deze lacune is in feite een voortzetting van de kennislacune van de ijzertijd. Een belangrijk thema is bovendien de vraag of de bewoners ten noorden en ten zuiden van de Romeinse grens een gedeelde culturele identiteit hadden.

Van de midden-Romeinse tijd is meer bekend, maar voor de laat-Romeinse tijd is er juist minder informatie. Dit staat in schril contrast met Midden- en OostNederland waar in deze periode sprake lijkt van een groei van de omvang van en het aantal nederzettingen. Belangrijke vraag in deze is dan ook hoe dit verschil is te verklaren.

4.7 Vroege Middeleeuwen (450 – 1050 na Chr.) In de derde en vierde eeuw na Chr. werden de aanvallen van de Germanen steeds heviger, wat uiteindelijk heeft geleid tot de val van het Romeinse rijk in het begin van de vijfde eeuw na Chr. Het gebied waar de gemeente Haarlem binnen ligt, viel de eerste paar eeuwen na de val van het Romeinse Rijk binnen het gebied van de e Friezen. Later, vanaf de tweede helft van de 8 eeuw, kwam het onder controle van de Franken. Nederland maakte vanaf die periode onderdeel uit van het keizerlijke rijk van Karel de Grote (742-814 na Chr.). Over de periode tussen de val van het Romeinse rijk en de vorming van het rijk van Karel de Grote is weinig bekend. Wel is duidelijk dat er in heel Nederland een sterke afname van de bevolking optrad aan het eind van de Romeinse tijd en daarmee ook het aantal nederzettingen. Pas in de de loop van de 7 eeuw nam de bevolkingsdichtheid weer toe. Vanaf die periode groeiden sommigen van de nederzettingen uit tot volwaardige dorpen en steden. Door het Frankische rijk werden pogingen gedaan de bevolking tot het christendom te bekeren en kwam er een feodaal systeem waarbij belastingen moest worden betaald. Hierdoor ontstond tevens een meer hiërarchische sociale structuur. e Na het uiteenvallen van het Frankische Rijk kwam in de tweede helft van de 9 eeuw 107 het Graafschap Holland tot ontwikkeling.

Het grondgebied van de huidige gemeente Haarlem viel vanaf die periode derhalve binnen het Graafschap Holland. Het landschap binnen de gemeentegrenzen van Haarlem was in deze periode minder aantrekkelijk om te bewonen, doordat het landschap vernatte. Als gevolg hiervan trad veenvorming op. Het veen bedekte de gehele strandwal van Heemstede-Spaarnwoude en zelfs ook grote delen van de strandwal van Haarlem. e 108 Vanaf de 10 eeuw werd het veen rondom Haarlem ontgonnen. Van het strandwallenlandschap van Haarlem en de zuidelijke regio’s, ten noorden van de Rijn, is op basis van Malta-onderzoek archeologisch gezien relatief weinig 106

Van Zalinge 2019, 24 Van der Velde 2017b, 150. 108 Van Zalinge 2019, 33-34 107

57

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

bekend over de vroege middeleeuwen. Dit kan te maken hebben met een lage onderzoeksintensiteit. Het is ook goed mogelijk dat eventuele archeologische resten door Jonge Duinen zijn afgedekt, al geldt dat niet voor het gebied binnen de 109 gemeente Haarlem. Dat Jonge Duinen archeologische resten in de duinen kunnen afdekken, blijkt uit de vondst van een vroegmiddeleeuwse nederzetting in de aan Haarlem grenzende gemeente Bloemendaal. Het betreft de nederzetting Groot Olmen. Deze nederzetting was bewoond vanaf de tweede helft van de 5 e tot in de e 110 9 eeuw en werd afgedekt door Jonge Duinen. De vroegste bewoning van deze nederzetting vond plaats in een bosrijk landschap. Als gevolg van ontbossing en overexploitatie is het bos geleidelijk aan verdwenen en is het landschap overstoven, e waarna in de 9 eeuw de nederzetting is verlaten. Ploegsporen geven aan dat er in gebied afwisselend werd gewoond en geakkerd.111 Kennis over de bewoning van het Noord-Hollandse strandwallandschap gedurende de vroege middeleeuwen is daarnaast ook verkregen middels archeologische vondsten ter plaatse van het gebied ten noorden van Castricum.

Figuur 4.5 Archeolandschappelijke eenhedenkaart met daarop de bekende vindplaatsen uit de vroege middeleeuwen. 109

Van der Velde 2017b, 148-149, afb. 6.1-2, 167. Van der Velde 2017b, 168. 111 De Koning 2012a, De Koning 2012b. 110

Project V-19.0130A

58

Op de vindplaatsenkaart is te zien dat het aantal bekende vindplaatsen voor de vroege middeleeuwen afneemt ten opzichte van de Romeinse tijd. Bewoningssporen uit de vroege middeleeuwen zijn voor de gemeente Haarlem niet bekend. Wel zijn e van diverse locaties vondsten bekend, die dateren vanaf de 8 eeuw. Deze vondsten zijn als losse vondst geadministreerd of als opspit in ophogingslagen 112 terechtgekomen (catalogusnrs 537, 449). Ook zijn ploegsporen bekend van de 113 flank van de strandwal (catalogusnr. 495). De melding van vroegmiddeleeuws keramiek van vindplaats 329 (in het water Mooie Nel) betreft een fundering. Het is niet waarschijnlijk dat dit vroegmiddeleeuws is. Dit zal op zijn vroegst uit de late middeleeuwen dateren, maar meer waarschijnlijk nog in de nieuwe tijd. Ook voor deze vindplaats geldt dat nadere uitwerking van het (oude) onderzoek mogelijk een betere duiding en datering kan opleveren. Historische bronnen maken het wel aannemelijk dat in de omgeving van wat nu Haarlem is, bewoning moet zijn geweest. De Sint-Maartenskerk in Utrecht had in de e 10 eeuw bezittingen, drie horige boerderijen, in Haralem, dat is afgeleid van Harulahaima. De naam komt van woonplaats (heem, haima) op een kleine zandrug of open zandgrond (haru) in het bos (la, lo). Rond 1100 stond er in Haralem een kerk of een kapel.

De ligging van de prestedelijke nederzetting Haarlem is archeologisch niet bekend. Historici vermoeden deze nederzetting tussen de huidige Smedestraat en Jansstraat, ten noorden van de Sint-Bavokerk, of in het gebied nabij de Lange Veerstraat en de Anegang, ten zuiden van de Sint-Bavokerk. De nederzetting is ontstaan op de strandwal, langs een doorgaande route van Egmond naar Den Haag, 114 en nabij het Spaarne. Uit de Oogst voor Malta is gebleken dat er voor de vroege middeleeuwen een behoorlijke hoeveelheid informatie beschikbaar is over nederzettingen en over akkers en verkaveling. Maar er is nog geen samenhangend verhaal van te maken. Over het grafbestel is nauwelijks iets bekend. Wat er aan kennis beschikbaar is, roept ‘grotere’ vragen op als de relatie van de vroegmiddeleeuwse nederzettingen met de latere dorpskernen. De beschikbare kennis over verkaveling, dorpsvorming en de inrichting van geesten vraagt ook om een koppeling met andere vakgebieden 115 zoals de historische geografie. Het Oogst voor Malta rapport over dorpsvorming is daarom een goede stap in die richting, omdat ook de historische geografie meegenomen is in het onderzoek. Ook in dit onderzoek komen dezelfde beperkingen naar voren. Er is nog weinig kennis over de ontwikkelingen van historische dorpskernen en de relatie met de omliggende gronden is niet bekend.

Wat betreft de rurale bebouwing beperkt archeologisch onderzoek zich in veel gevallen tot de bebouwing zelf. De erfinrichting en, breder, de omliggende landerijen, blijven vaak buiten zicht. En omdat er zoveel andere factoren van belang zijn in de dorpsvorming zoals politieke, economische en sociale, is het noodzakelijk 116 om ook andere vakgebieden erbij te betrekken.

4.8 Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd (1050 – heden) Voor de late middeleeuwen geldt dat hier regionaal gezien meer over bekend is dan over de voorgaande perioden. Het aantal geschreven bronnen neemt toe en ook het aantal vondsten uit deze periode is, zeker in de regio, veel groter. De toename van de bevolkingsdichtheid die was ingezet in de voorgaande periode zette door. De bestaande gehuchten en dorpen in de regio namen toe in omvang. Voor het

112

Sonders 2015, 45-47; De Groot 2013, 122. Bij deze vindplaats is dus geen sprake van een vroegmiddeleeuwse begraafplaats. 113 Salomons 2019 (concept), 38. 114 Van Zalinge 2019, 33-35. 115 Van Heeringen & Van der Velde 2017, 200-202. 116 Verspay et al. 2018, 289.

59

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

grondgebied van de gemeente Haarlem geldt dat de stad Haarlem in deze periode tot bloei komt en dat het dorp Spaarndam in deze periode ontstaat (zie paragraaf 4.9). Op de vindplaatsenkaarten is te zien dat het aantal waarnemingen voor de late middeleeuwen en de nieuwe tijd fors toeneemt ten opzichte van de voorgaande periode. De waarnemingen zijn nog steeds geconcentreerd op de hogere delen van het landschap en, niet onbegrijpelijk, ter plaatse van de historische binnenstad van Haarlem. Overigens is het vanwege de grote hoeveelheden vondsten in het centrum van Haarlem niet mogelijk om alle vindplaatsen met bijbehorende catalogusnummers zichtbaar te maken op de figuren 4.6 en 4.7. Voor een goed beeld wordt verwezen naar de archeologische informatiekaart in bijlage 2 en bijbehorende catalogus (bijlage 11B).

Figuur 4.6 Archeolandschappelijke eenhedenkaart met daarop de bekende vindplaatsen uit de late middeleeuwen.

De ontwikkelingen die in de middeleeuwen waren ingezet, zetten zich voort in de nieuwe tijd. De bevolkingsdichtheid nam nog steeds toe met een steeds groter

Project V-19.0130A

60

worden druk op het landschap als gevolg. De bevolkingsgroei binnen de gemeente Haarlem werd voornamelijk opgevangen in de stad Haarlem.

Figuur 4.7 Archeolandschappelijke eenhedenkaart met daarop de bekende vindplaatsen uit de nieuwe tijd.

Het landbouwareaal in de regio breidde zich steeds verder uit en er kwamen nieuwe industrieën op. De ontwikkeling van nieuwe technieken kwam in een stroomversnelling wat een grote impact op de bevolking had. Als gevolg van nieuwe technieken in de landbouw nam de opbrengst per hectare toe waardoor aan de toegenomen vraag kon worden voldaan. Na de Tweede Wereldoorlog nam de groei van de dorpen en steden in de regio, net als elders in Nederland, verder toe. Binnen de gemeente Haarlem heeft dat tot een sterke groei van de stad Haarlem geleid. Ook de landbouw intensiveerde na 1950. Dit kwam vooral tot uitdrukking in grootschalige ruilverkavelingprojecten die het aangezicht van het landschap in sommige delen van de regio sterk hebben veranderd. Binnen de gemeente Haarlem is hier echter geen sprake van, aangezien

61

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

het landbouw na de Tweede Wereldoorlog juist sterk afnam ten gunste van de stadsuitbreidingen. Uit de Oogst voor Malta blijkt dat de kennisleemtes vooral bij het rurale landschap en de Tweede Wereldoorlog te vinden zijn. De archeologie van de stad is goed bekend. Voor de archeologie van buiten de stad en van de meest recente periode was lange tijd minder interesse. Gebouwen uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd zijn niet altijd meer te herkennen. Bewoningslocaties komen daarom minder goed in beeld. In het verleden kwam dergelijke bebouwing vaak, net als molens en verdedigingswerken, slechts als bijvangst aan de orde. Tegenwoordig is er meer 117 aandacht voor in de archeologie. Voor het thema dorpsvorming verwijzen we naar de opmerkingen die hierover zijn gemaakt in paragraaf 4.7.

4.9 De historische kernen binnen de gemeente Haarlem Met een bijdrage van H. Willems De bewoning in Haarlem en omgeving komt gedurende de late middeleeuwen en de nieuwe tijd verder tot ontwikkeling, met daarbij ook de nodige economische activiteiten die van invloed zijn op de groei van de stad Haarlem. Deze paragraaf gaat in op de ontwikkeling van de stad Haarlem, het dorp Spaarndam en enkele gehuchten en op hoe men het land inrichtte (de polders) en gebruikte. Alle bebouwing die op de eerste kadastrale kaart van 1832 staat weergegeven, is als historisch punt aangegeven op de relictenkaart (bijlage 4). Informatie over de historische punten is terug te vinden in de catalogus van historische punten (bijlage 11C). Voor de binnenstad van Haarlem en voor Spaarndam zijn detailkaarten gemaakt (bijlagen 5 en 6). Op de detailkaart voor Haarlem staan gebouwen (of percelen) ingetekend met een specifieke functie. Het gaat om kerken, kloosters, kapellen, verdedigingswerken, molens, liefdadigheidsinstellingen en openbare gebouwen. De bijbehorende informatie is terug te vinden in de catalogus voor historische punten (bijlage 11C). De publicatie van Van Zalinge geeft voor de binnenstad van Haarlem een uitgebreide beschrijving van de geschiedenis van de stad op basis van archeologische 118 vondsten.

Omdat deze publicatie een goed overzicht geeft, staan in de onderstaande paragrafen waar nodig verwijzingen naar deze publicatie. Verder zijn verschillende kaarten en afbeeldingen geraadpleegd via verschillende archieven en collecties van: Noord-Hollands Archief; Archief Hoogheemraadschap van Rijnland; Beeldbank VU Amsterdam; Collectie Teylers Museum. Aanvullende informatie over molens (par. 4.9.4) is ingewonnen bij twee online databases: Nederlandse molendatabase (voor werkende molens); Molendatabase verdwenen molens. Voor overige informatie zijn diverse websites geraadpleegd, bijvoorbeeld van diverse historische verenigingen. In de eindfase van deze rapportage kwam een inventarisatie beschikbaar van oudere en jongere cultuurgronden, geesten, op de strandwallen in relatie tot 117 118

Van Heeringen & Van der Velde 2017, 200. Van Zalinge 2019.

Project V-19.0130A

62

nederzettingsontwikkeling. De informatie uit deze inventarisatie is niet verwerkt in onderhavig rapport, maar is wel relevant voor onze kennis over het ontstaan van historische kernen. De geesten Schoten en Haarlem staan beschreven in de 119 inventarisatie. 4.9.1 Haarlem De nederzetting die later de naam Haarlem ging dragen, kwam zoals gezegd tot ontwikkeling op de noord-zuid georiënteerde strandwal langs de veenrivier het Spaarne. Over deze strandwal liep een verbindingsweg die van Egmond via Haarlem naar Den Haag liep. De plek waar die verbindingsweg het Spaarne het dichtst naderde, vormde een gunstige vestigingsplaats. Enerzijds omdat de strandwal hier relatief smal was en daardoor een ideale plek om een nederzetting te verdedigen, 120 e anderzijds om de passerende schepen tol te laten betalen. Gaandeweg de 11 eeuw werden delen van de veengronden nabij de strandwal ontgonnen en begon de nederzetting te groeien. De begrenzing van de stad rond 1300 staan aangegeven op afbeelding 4.8.

Figuur 4.8 Kopie uit circa 1890 van de stadsplattegrond van Haarlem van de hand van Jacob van Deventer rond 1560. Het noorden is naar boven gericht. De nummers en letters op de afbeelding verwijzen naar de beschrijving in de tekst. In kleur de verschillende stadsuitbreidingen. Rood rond 1300, groen 14e eeuw, blauw eind 14e – begin 15e eeuw (bron: Noord-Hollands Archief, collectie Kennemerland, inv.nr. NL-HlmNHA_KNA006000027).

De groei van de nederzetting, en later ook de stad en de daarbij behorende menselijke activiteit is ook te zien op de vindplaatsenkaarten. Het aantal waarnemingen uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd neemt fors toe ten opzichte van de voorgaande periode, vooral in de binnenstad van Haarlem. De 119

Zeiler 2020, 50-51. Publicatiedatum RCE 16 september 2020. Historische Vereniging Haerlem 2018, 15. Later kwam die tol bij Spaarndam te liggen toen bij de nederzetting daar ter plekke een dam met sluis in het Spaarne kwam te liggen. 120

63

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

waarnemingen zijn nog steeds geconcentreerd op de hogere delen van het landschap (zie de figuren 4.6 en 4.7). Het belang van de nederzetting nam toe toen de graaf van Holland hier een versterkte hof liet bouwen (curia). In 1245 ging een van die graven, Graaf Willem II van Holland, ertoe over de inwoners van Haarlem stadsrechten te verlenen. Onder meer werd bepaald dat de inwoners van Haarlem hun eigen bestuurders mochten kiezen, een deel van de rechtspraak mochten uitoefenen, vrijheid van tol voor handel binnen het gehele graafschap kregen en het recht kregen accijns te mogen heffen. Al deze rechten kwamen de handel en daarmee de inkomsten voor de nieuwe stad ten goede. Daar stond tegenover dat de stad aan de graaf belasting diende te betalen en de stad was verplicht een schutterij formeren die ter 121 beschikking van de graaf kwam te staan in geval van moeilijkheden. Wat opvalt bij deze stadsrechten is dat niet het recht verleend werd stadsmuren en grachten aan te leggen. Temminck uit het vermoeden dat de stad deze verdedigingswerken in 122 die tijd al bezat. Het is goed mogelijk dat de graaf inderdaad al in een eerder stadium de stad versterkt had, met het oog op de hof die hij hier bezat en bewoonde. Hoe deze verdedigingswerken eruitzagen, is niet bekend. De handel verliep niet alleen over land zoals via de al genoemde weg van Egmond naar Den Haag, maar ook over water.

Het Spaarne verbond de stad naar het noorden toe met het IJ en de (Zuider)zee en naar het zuiden met de Zuid-Hollandse waterwegen tot aan de Zeeuwse delta toe. De aanwezigheid van redelijk schoon duinwater was gunstig voor de ontwikkeling e van brouwerijen waarvoor het water met schuiten werd aangevoerd. In de 13 eeuw e waren er al een paar brouwerijen in de stad. Halverwege de 15 eeuw was er een bloeiperiode voor de brouwerijen. Waar en hoe de bierproductie in Haarlem werd 123 uitgevoerd, is archeologisch gezien nauwelijks bekend. Behalve in de brouwerijen e vonden de inwoners werk op de scheepswerven en vanaf de 14 eeuw in de lakenen vlasnijverheid. De scheepsbouw was geconcentreerd aan de Scheepmakersdijk, in e 124 de 15 -eeuwse uitbreidingswijk. De lakennijverheid is archeologisch niet 125 getraceerd, maar is wel herkenbaar in straatnamen. Een aantal Haarlemse handelaren had zich verenigd in het Schonenvaardersgilde. Zij voeren op het toenmalige eiland, nu schiereiland, Schonen (Zweden) waar zich de grootste haringmarkt van Europa bevond. De oudste archiefbronnen van dit gilde 126 dateren uit 1416. Nu Haarlem uitgroeide tot een handelscentrum, werd de stad voor veel mensen een aantrekkelijke vestigingsplaats met als gevolg dat de stad moest uitbreiden. In de e e loop van de 14 en 15 eeuw werden verschillende gebieden aan de stad toegevoegd (zie ook figuur 4.8).

Dit zijn de stadsuitbreidingen Burgwal (eerste helft e e e 14 eeuw, uitbreiding 15 eeuw), Bakenes (midden 14 eeuw) en Vijfhoek, De Kamp e e 127 en Heiliglanden (eind 14 – begin 15 eeuw). Toch kenden de inwoners niet alleen voorspoed. Als gevolg van spanningen met de e e West-Friezen, de Hoekse en Kabeljauwse Twisten (tweede helft 14 – eind 15 eeuw) en de Opstand van het Kaas- en Broodvolk (1491-1492) kwam de welvaart van de stad verscheidene malen onder druk te staan. Dit was ook het geval gedurende de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Gedurende deze oorlog werd de stad in 1573 121

Historische Vereniging Haerlem, 2018, 28-29. Temminck, 1971, 9. 123 Van Zalinge 2019, 93-96. 124 Van Zalinge 2019, 90-92. 122

Van Zalinge 2019, 98. Noord-Hollands Archief (ontdekken, schatkamer, Het Gildeboek van het Schonenvaardersgilde). 127 Van Zalinge 2019, 74-77, 80; Speet 1982, 8. 125 126

Project V-19.0130A

64

maandenlang belegerd door de Spaanse troepen onder leiding van de zoon van de hertog van Alva: Fadrique Álvarez de Toledo. Rondom Haarlem zijn daarvoor op verschillende locaties forten opgetrokken. Op de historische relictenkaart (bijlage 4) staan enkele locaties van deze forten aangegeven. Uiteindelijk leidde een gebrek aan voedsel ertoe dat de stad zich moest overgeven. De inwoners hadden het zwaar 128 onder de Spaanse bezetting. Dit verergerde toen in 1576 een stadsbrand een kwart van de stad in vlammen deed opgaan. De archeologische resten van deze brand zijn op twee locaties in de stad, Lange Veerstraat en de Botermarkt, 129 teruggevonden. In 1577 verlieten de Spaanse troepen de stad en kon met het herstel van de stad en haar nijverheid een begin worden gemaakt.

Figuur 4.9 Plattegrond van Thomas Thomaszoon uit 1578 waarop de door de brand van 1576 verwoeste stadsdelen zijn aangeven. Van het noordoosten naar zuidwesten is een strook in vlammen opgegaan (bron: Noord-Hollands Archief, collectie Kennemerland, inv.nr. NLHlmNHA_KNA006000018).

Na de val van de stad Antwerpen in 1585 sloeg een deel van de bevolking van die stad op de vlucht. De Vlaamse en Franse immigranten zochten onder meer in Haarlem een goed heenkomen. Dit leidde er weer toe dat de Haarlemse linnennijverheid opnieuw tot bloei kwam. Activiteiten met betrekking tot de 130 lakennijverheid vonden zowel binnen als buiten de stad plaats. Het ging de stad voor de wind. Deze groei was vooral te danken aan de toenemende industriële productie waarbij de handelsstad Amsterdam een belangrijk afzet gebied werd. Om de verbinding tussen Haarlem en Amsterdam te verbeteren, werd in 1631 een trekvaart met daarlangs een landweg tussen beide steden aangelegd wat de reistijd aanzienlijk verkortte. In 1657 zou er ook een trekvaart worden aangelegd naar 131 Leiden. e In de 17 eeuw groeide Haarlem uit tot de derde stad van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, ondanks de uitbraak van een pestepidemie waaraan een kwart van de bevolking kwam te overlijden. Als gevolg van het groeiend aantal 128

Van Zalinge 2019, 144-147 Van Zalinge 2019, 153. 130 Van Zalinge 2019, 170-177. 131 Speet 1982, 13. 129

65

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

inwoners werd aan de noordzijde van de stad een deel van het uitbreidingsplan, opgesteld door Salomon de Bray, uitgevoerd. Hiermee werd de omvang van de stad 132 met zo’n 50% vergroot. e In de 18 eeuw ging het bergafwaarts met de economie van de stad. Veel nijverheid verplaatste zich uit de stad naar plekken waar goedkoper kon worden geproduceerd. Vanwege het gebrek aan werk trokken mensen de stad uit. Huizen 133 kwamen leeg te staan, vervielen tot krotten en werden afgebroken. Dit is goed te 134 zien in het archeologisch onderzoek op het Wilsonsplein. Hele straten werden gesloten. Daar staat weer tegenover dat rijke families in de omgeving van de stad 135 hun buitenplaatsen oprichtten met rijk versierde en ingerichte tuinen. De vele buitenplaatsen staan aangegeven op de historische relichtenkaart (bijlage 4). Een beschrijving is terug te vinden in de catalogus van buitenplaatsen (bijlage 11 D). Omdat het stadsbestuur vooral inzette op het aantrekken van de rijke burgers e duurde het tot de jaren 70 van de 19 eeuw voordat er sprake was van een aanzienlijke groei van de industriële sector. Tot die tijd leefden grote delen van de 136 Haarlemse bevolking in armoede. Na de drooglegging van het Haarlemmer Meer in 1852 konden de stadsgrachten niet meer goed worden doorgespoeld met onder meer stankoverlast tot gevolg. In de periode 1859-1870 werden daarom diverse grachten gedempt.

Het aanzicht van de stad wijzigde nog meer toen de verdedigingsmuren en stadspoorten werden 137 gesloopt. De sloop van de verdedigingswerken paste in het beleid van het Haarlemse bestuur om van Haarlem een meer open stad te maken. Daarbij was het stadsbestuur van een grote kostenpost verlost, immers het onderhoud van de e stadspoorten drukte zwaar op de stadsbegroting. In de 19 eeuw zijn alle Haarlemse 138 vestingwerken, op de Amsterdamse Poort na, verdwenen. De vrijgekomen terreinen werden ingericht tot stadsparken en ook de nieuwe begraafplaats, de Noorderbegraafplaats, vond daar haar plek. Een belangrijke ontwikkeling in de infrastructuur was de aanleg van de spoorlijn Amsterdam-Haarlem, die in 1839 werd geopend. In 1847 werd deze lijn doorgetrokken naar Rotterdam. Niet alleen was de spoorlijn belangrijk voor de bereikbaarheid van de stad, ook gaf het een grote impuls aan de werkgelegenheid, met name vanwege de vestiging van de werkplaatsen van het spoor te Haarlem. De e toenemende industrialisatie in de tweede helft van de 19 eeuw leidde ertoe dat meer en meer arbeiders naar de stad trokken met als gevolg een tekort aan woningen. Pas met de inwerkingtreding van de Woningwet van 1901 nam het gemeentebestuur haar verantwoordelijkheid en begon met volkswoningbouw. De stad breidde zich verder uit.

Ondanks dat Nederland in de Eerste Wereldoorlog neutraal was, kwam het land er niet ongeschonden vanaf. Vooral de handel en de productie van goederen kenden een grote terugval met werkeloosheid tot gevolg. Ook ontstonden voedseltekorten waarbij in Haarlem zelfs een hongeropstand uitbrak. Na de oorlog trok de economie weer aan. Omdat de stad geen ruimte meer had om te groeien werd in 1927 door de rijksoverheid een wet aangenomen waarbij het gemeentelijk grondgebied van Haarlem werd uitgebreid. Schoten, het Ramplaankwartier, het westelijk deel van Spaarndam, een deel van 132

Van Zalinge 2019, 179-182; Temminck 1971, 36-37. In de Historische stedenatlas van Nederland. Haarlem wordt het ontwerp van de stadsuitbreiding toegeschreven aan de landmeter Erasmus den Otter. Speet 1982, 13. 133 Van Zalinge 2019, 215-216, 228-229. 134 Peters 2015. 135 Van Zalinge 2019, 189-193. 136 Speet 1982, 16. 137 Van Zalinge 2019, 230. 138 http://www.marceltettero.nl/home/Haarlem.html.

Project V-19.0130A

66

Haarlemmerliede en Spaarnwoude en een deel van Heemstede werden toegevoegd aan de gemeente Haarlem.

Figuur 4.10 Kaart van Haarlem en naaste omgeving uit 1921 (bron: Noord-Hollands Archief, collectie Kennemerland, inv.nr. NL-HlmNHA_51001060_M).

Zowel de crisis van de jaren 30 van de vorige eeuw als de Tweede Wereldoorlog hadden grote impact op het wel en wee van de Haarlemse stadsbevolking. Werkeloosheid, armoede, oorlogsgeweld, de Hongerwinter, ze eisten allen hun tol. Na de oorlog kwam Haarlem weer tot bloei. De zware industrie trok langzamerhand uit de gemeente weg, daarvoor in de plaats groeide de werkgelegenheid in de e dienstverlening. In de jaren 60 van de 20 eeuw annexeerde de gemeente andermaal grondgebied van omliggende gemeenten: ook nu moesten Haarlemmerliede en 139 Spaarnwoude delen van hun grondgebied afstaan. Op deze terreinen werden

139

67

Historische Vereniging Haerlem, 2018 p. 121-122.

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

e

verschillende nieuwbouwwijken gerealiseerd. Ook thans in de 21 eeuw gaat de 140 bouw van nieuwe woningen voor de vele woningzoekenden door.

De vestingwerken van Haarlem141 Het is onduidelijk wanneer de inwoners van de nederzetting Haarlem de eerste verdedigingswerken hebben opgeworpen. Mogelijk was een belegering door de 142 Kennemers in 1268 de aanleiding voor de werkzaamheden. Waarschijnlijk bestond de eerste vesting uit niet veel meer dan een aarden wal met houten poorten omringd door singels of grachten, aangezien bronnen uit 1297 al spreken van 143 ‘buiten de muren en grachten’. Hoe de vesting eruitzag, is archeologisch niet bekend. De bouw van de stadsmuur, zoals die op de plattegrond van Jacob van e Deventer staat afgebeeld, ving aan rond 1400. Tot in de tweede helft van de 15 eeuw was men bezig met de bouw van de vestingwerken. Op meerdere plekken zijn 144 resten van de stadsmuur, torens en stadspoorten waargenomen. Het grondgebied buiten de stadsmuur bleef vrij van bebouwing om een open zicht- en schootsveld te creëren. De vestingwerken staan afgebeeld op de stadsplattegrond van Jacob van Deventer. Er zijn elf stadspoorten te zien: negen landpoorten en twee waterpoorten. Een landpoort geeft toegang tot de stad via een weg over het land. Een waterpoort geeft toegang via het water. De nummers in de tekst hieronder staan aangegeven op afbeelding 4.8. De code achter het nummer verwijst naar het catalogusnummer in bijlage 11C. De Schalkwijkerpoort (1/125) wordt in 1420 genoemd en is gesloopt in 1866.

De Eendjespoort (2/167, ook Leidse Waterpoort) is in 1866 gesloopt. De Kleine Houtpoort (3/165) is in 1571 gebouwd en is in 1873 gesloopt. De Grote Houtpoort (4/193) is in 1824 gesloopt. De Raampoort (5/189) is in 1610 gebouwd en in 1849 gesloopt. De Raakstorens (6/219) betrof een waterpoort over de Haarlemse Beek. De torens waren met elkaar verbonden middels een stenen brug en zijn in 1420 of 1425 gebouwd om de toegang tot de stad Haarlem via de beek te kunnen controleren. Zij zijn in 1867 gesloopt. De Zijlpoort (7/115) is in 1624 gebouwd en in 145 1824 gesloopt. De Kruispoort (8/216) is vermoedelijk gebouwd rond 1480. Tijdens het beleg van Haarlem (1572-1573) door de Spanjaarden, werd de poort in 1573 door de Haarlemmers zelf opgeblazen en in datzelfde jaar ook weer herbouwd. De poort werd echter in 1593 alweer afgebroken vanwege de uitbreiding van Haarlem in noordelijke richting. De Nieuwpoort nam de functie van deze stadspoort over. De Sint-Janspoort (9/214) bestond al in 1420. Vermoedelijk is de poort aan het eind van e de 13 eeuw gebouwd. In 1683 is de poort gesloopt vanwege de stadsuitbreiding 146 naar het noorden. De Nieuwpoort nam de functie van deze stadspoort over. De Sint-Catrijnenpoort (10/182) is ergens in de periode 1355-1573 gebouwd. Het was een waterpoort die het Spaarne aan de noordelijke kant van Haarlem afsloot.

De poort bestond uit twee torens met een brug ertussen. Beide Catrijnentorens werden zwaar beschadigd tijdens het beleg van Haarlem (1572-1573). Na het beleg werden de torens in 1589 herbouwd. De westelijke toren heette na de herbouw de Zanderstoren (A), de oostelijke toren de Goe Vrouwtoren (B). De Zanderstoren is in 1817 afgebroken, de Goe Vrouwtoren in 1778. Op de muren van deze toren verrees in 1778-1779 molen De Adriaan. e De Amsterdamse Poort (11/127) is aan het eind van de 14 eeuw gebouwd en bestaat uit een groot poortgebouw en een lagere voorpoort met twee torens. De Amsterdamse Poort werd in het verleden ook wel aangeduid als Spaarnwouderpoort en is de enige nog overgebleven stadspoort. 140

https://noord-hollandsarchief.nl/partners/haarlem/geschiedenis-haarlem Zie ook Gonnet 1881; 1913. 142 http://www.marceltettero.nl/home/Haarlem.html 143 Van Zalinge 2019, 87-88. 144 Van Zalinge 2019, 84-88. 145 Numan 1984, 4, met verwijzing naar Gonnet 1881. 146 Schimmer 1981, 25; Jacobs 2009. 141

Project V-19.0130A

68

Met name de belegering door de Spaanse troepen in 1572 bracht zware schade aan een aantal verdedigingswerken toe. De Sint-Janspoort, de Groote Houtpoort, de Kruispoort en de Sint-Catrijnenpoort hadden zwaar te lijden onder het beleg. Nadat de Spaanse troepen gedwongen waren zich terug te trekken, werd een aanvang genomen met het herstel van de muren, torens en poorten.

Figuur 4.11 De enige nog overgebleven stadspoort van Haarlem, de Amsterdamse Poort. Gefotografeerd door M.J. van Putten (BAAC).

Een eeuw later werd, als gevolg van een stadsuitbreiding in noordelijke richting, een nieuwe poort gebouwd: de Nieuwpoort (12/187, ook Kennemerpoort, zie figuur 4.12). Deze verving de Kruispoort en de Sint-Janspoort die na de stadsuitbreiding overbodig waren geworden. De Nieuwpoort werd in 1677 gebouwd. De stadsuitbreiding was ook voorzien van moderne vestingwerken in de vorm van een brede wal met bastions. De poort en de bolwerken die om de stadsuitbreiding heen lagen, werden in de periode 1860-1870 afgebroken. Gaandeweg veranderde de functie van de verschillende torens die in de stadsmuur waren verwerkt. Zij werden bijvoorbeeld verhuurd aan stedelingen om in te wonen, of, zoals de Papentoren (C/195, zie figuur 4.8), ingericht om kruit in op te slaan. Op 147 de Pijntoren (D/188) en op de Goe Vrouwtoren (B) werden stadsmolens gebouwd. Op de funderingen van de Pijntoren is na het beleg van Haarlem, in 1574, de Pinkmolen gebouwd. Dit was in eerste instantie een standerdmolen, die vóór 1740 is vervangen door een stellingmolen, die in 1872 is afgebroken (catalogusnr. 94, bijlage 11C). Op de Goe Vrouwtoren verrees in 1778-1779 molen De Adriaan (catalogusnr. 90, bijlage 11C). e

148

In de loop van de 19 eeuw werden de vestingwerken gesloopt. De Amsterdamse Poort is de enige nog bestaande poort in Haarlem (zie figuur 4.11).

147 148

69

http://www.marceltettero.nl/home/Haarlem.html https://www.haerlem.nu/item/show/1011/Haarlemse-verdedigingswerken.

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

Figuur 4.12 Plattegrond van Haarlem van de hand van Pronk. De nummers en letters op de afbeelding verwijzen naar de beschrijving in de tekst. In 1689 breidde de stad in noordelijke richting uit. Het noorden op de kaart ligt links (bron: Noord-Hollands Archief, collectie Kennemerland, inv.nr. Nl-HlmNHA_51001152).

4.9.2 Spaarndam Vermoedelijk zal zo rond het jaar 1000 een nederzetting zijn ontstaan op de plek waar nu het dorp Spaarndam is gelegen. De ontwikkeling van deze nederzetting kreeg een impuls toen in 1250 Willem II van Holland bepaalde dat er een dam bij de 149 monding van het Spaarne in het IJ moest worden aangelegd. De aanleiding tot dit besluit vormden de stormvloeden die herhaaldelijk over het land trokken. Met deze dam moest overlast van het water van het IJ worden voorkomen. In de dam werden spuisluizen gebouwd om overtollig water te lozen en ook een sluis ten behoeve van het scheepvaartverkeer, de Kolksluis. Later werd de Kolksluis vervangen door de Grote Sluis. Vanaf het IJ konden zodoende schepen vanuit Holland via het Spaarne 150 naar Vlaanderen varen, of vanuit Vlaanderen via het IJ richting Duitsland. Met de aanleg van de dam en de sluis zal de nederzetting langzamerhand gegroeid zijn. De inwoners leefden van de bediening van de sluis, het onderhoud van de dam, de visserij, de scheepsbouw, de vrachtvaart en productie en verkoop van scheepsbenodigdheden. Toch zouden de inwoners diverse tegenslagen te incasseren krijgen. Tijdens stormvloeden kwam het herhaaldelijk voor dat de dam doorbrak met alle ellende van dien. In 1285 was het zelfs zo erg dat de Graaf Floris V opdracht gaf een nieuwe dam aan te leggen.

Ook deze was voorzien van een schutsluis en diverse uitwateringssluizen. Behalve van natuurgeweld had het dorp ook te lijden onder oorlogsgeweld. In 1517 werd de bebouwing (circa 70 huizen) door Gelderse 151 troepen (‘den Zwartenhoop’) in de as gelegd. Ook tijdens de Tachtigjarige Oorlog 149

Zie ook Van Tielhof & Van Dam 2006. Van den Beldt 1985. 151 Van der Aa, 1851, dl. 10, 596. 150

Project V-19.0130A

70

kreeg het dorp te maken met het strijdgewoel. Soms werd het bezet door de geuzen, soms door de Spaanse troepen. Uiteindelijk wisten de Spanjaarden eind 1572 de overhand te krijgen. Het dorp werd bezet en er werd een aanvang gemaakt met de belegering van Haarlem. De bezetting zou tot 1577 duren waarna de geuzen Spaarndam weer heroverden en een periode van herstel aanbrak. In 1625 werd een belangrijk besluit genomen: de laag gelegen Velserdijk zou vervangen worden door de Slaperdijk. Hiermee zou het gebied van Schoten en Haarlemmerliede minder vaak onderwater komen te staan als het IJ hoog stond. Andere ingrijpende veranderingen in het dorp en haar omgeving waren de aanleg van een haven op het IJ (1836) en de droogmaking van het Haarlemmer Meer (18401852). Ook van groot belang was de aanleg van het jaagpad langs het Spaarne in 1840, dat de verbinding tussen Spaarndam en Haarlem verbeterde. Enkele jaren later verrees er een stoomgemaal aan de zuidzijde van het dorp en werd er een boezem aangelegd om de toenemende hoeveelheid water van het Spaarne, als gevolg van de drooglegging van het Haarlemmer Meer, beter af te voeren. Een volgende ingrijpende verandering in de infrastructuur van het dorp was de verkleining van de Kolksluis in 1852. Als gevolg van een nieuwe verbinding nabij Amsterdam nam het scheepvaartverkeer dat de Kolksluis passeerde af.

Met de aanleg van het Noordzeekanaal (1876 voltooid) veranderde het landschap ten noorden van Spaarndam totaal. Grote delen van het IJ werden ingepolderd en twee kanalen (de zijkanalen B en C) vormden nu de verbinding tussen het Spaarne en het Noordzeekanaal/Amsterdam.

Figuur 4.13 Kaart van Spaarndam uit 1938 (bron: Archief Hoogheemraadschap van Rijnland, B1845_03). e

Aan het eind van de 19 eeuw nam de dreiging van een oorlog in Europa toe. Voor de verdediging van het land waren daarom de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam opgetuigd. Bij Spaarndam lagen ook enkele forten: de forten Noord en Zuid, verbonden door de Liniewal, waren bedoeld om de wegen over de Slaperdijk en het Spaarne naar Amsterdam te beheersen. Paragraaf 4.10.2 gaat verder in op de Stelling van Amsterdam. Om tegemoet te komen aan de wensen van de scheepsbouwers te Haarlem werd in 1897 de Grote Sluis aanmerkelijk vergroot. De nieuwe sluis werd 100 m lang en 12 m breed. Overigens is deze sluis in 2009 andermaal verbouwd. Zij is nu langer maar wel e smaller. De bouw van de nieuwe sluis eind 19 eeuw leidde er toe dat in 1912 een

71

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

scheepswerf in Spaardam werd opgericht aan de Lage Dijk. Deze zou tot 1993 in bedrijf zijn, waarna ze verplaatst werd naar Amsterdam. De Grote Sluis bleek na verloop van jaren toch weer te klein voor de nieuw gebouwde schepen. Vanwege haar financiële positie werd besloten Spaarndam op te delen. Op 1 mei 1927 werd het oostelijk deel geannexeerd door de gemeente Haarlemmerliede en e Spaarnwoude, het westelijk deel door de gemeente Haarlem. Gaandeweg de 20 eeuw breidde Spaarndam zich uit, kwam er een katholieke kerk, een katholieke school en het Dorpscentrum. Bedrijven vestigen zich (en vertrekken weer) en voor de groeiende bevolking is nieuwbouw gerealiseerd, van enkele woningen in het begin e van de vorige eeuw tot hele nieuwe wijken in de 20 eeuw. 4.9.3 Gehuchten Naast de grotere nederzettingen Haarlem en Spaarndam zijn binnen de gemeentegrens enkele gehuchten ontstaan. Deze gehuchten staan met naam aangegeven op de Polderkaart uit 1910 (zie figuur 4.14). Dit zijn Schoten, Noord- en Zuid-Schalkwijk, en Vijfhuizen. Op de eerste kadastrale kaart is te zien dat deze gehuchten uit enkele verspreide of meerdere bij elkaar gegroepeerde woningen bestaan.

Figuur 4.14 Uitsnede uit de ‘Polderkaart van de landen tusschen Maas en ij’ uit circa 1910, door W.H. Hoekwater (bron: Beeldbank VU Amsterdam).

Buiten deze gehuchten om zijn meerdere bewoningsconcentraties te herkennen op de eerste kadastrale kaart (zie de historische relictenkaarten in bijlage 4). Deze zijn bijvoorbeeld te vinden bij de uitvalswegen van de stad Haarlem. In noordelijke en zuidelijke richting zijn de concentraties te zien langs de oude doorgaande routes, net buiten de stadspoorten. Aan de zuidzijde van de stad Haarlem zijn vanaf de late

Project V-19.0130A

72

e

152

16 eeuw veel tuinen aangelegd met tuinhuisjes. Aan de oostzijde van de stad, bij de Schalkwijkerpoort langs de Zomer Vaart en de Weg naar de Vijfhuizen, en langs Het Zuider Buiten Spaarne en de Schalkwijkerweg zijn ook kleine concentraties van bebouwing zichtbaar. Dit geldt ook voor de westzijde van de stad bij de Zijlpoort en de Zijlweg naar Overveen, en langs de Brouwersvaart (Veenpolder). Ook ter plaatse van de mogelijke ligging van kasteel Rolland in het latere Ramplaankwartier is een concentratie van bebouwing zichtbaar op de eerste kadastrale kaarten (zie bijlage 4). Tot slot is ook langs de Houtvaart in de Veenpolder (zie paragraaf 4.8.4) begin e 19 eeuw bebouwing aanwezig.

Schoten Schoten ligt ten noorden van Haarlem en is in 1798 ontstaan door het samengaan van zeven heerlijkheden. Deze heerlijkheden liggen op de strandwal van Haarlem. De naam Schoten komt voor op een lijst van goederen van de kerk van Utrecht uit 153 866. Het gehucht bestaat uit verspreid liggende bewoning (o.a. op de landgoederen/buitenplaatsen) en enige bebouwing langs de doorgaande weg van Haarlem naar Alkmaar. In het gehucht ligt de Schoter- of Sint-Pieterskapel (catalogusnr. 30, bijlage 11C). Deze kapel bestond al in 1393, maar is waarschijnlijk ouder (1316). Van deze kapel zijn vermoedelijk funderingsresten waargenomen 154 (catalogusnr. 396, bijlage 11B).

Schalkwijk Schalkwijk ligt ten zuidoosten van Haarlem, ten oosten van het Spaarne. Aan de weg langs het Spaarne zijn twee bewoningskernen, of -concentraties, tot ontwikkeling gekomen: Noord-Schalkwijk en Zuid-Schalkwijk. De bebouwing van deze kernen staat afgebeeld op de eerste kadastrale kaart (zie bijlage 4). Schalkwijk heeft een lange historie. De naam, het ambacht Schalkwijk, wordt voor het eerst vermeld in 1310, in historische bronnen die gerelateerd zijn aan de Commanderij van Sint-Jan (gelegen in de historische binnenstad van Haarlem). Schalkwijk bestond toen hoogstwaarschijnlijk al veel langer. Vermoed wordt dat Schalkwijk tijdens of e e kort na de ontginningen van de 10 en 11 eeuw is gesticht. De ontginningen waren nodig als gevolg van de bevolkingsgroei van Holland en de behoefte van plaatselijke overheden aan meer macht en aanzien. Ontginningen vormden een methode om meer macht en aanzien te vergaren. Na de ontginning vestigden mensen zich langs de weteringen en de ontginningsdijken van het Spaarne en de Liede. Schalkwijk behoorde tot 1963 tot de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude. Op 1 oktober 1963 werd Zuid-Schalkwijk officieel onderdeel van de gemeente 155 Haarlem.

Vijfhuizen Het huidige Vijfhuizen ligt in de Vijfhuizerpolder op een landtong tussen het Spieringmeer in het noorden en de Haarlemmermeer in het zuiden. De bebouwing, bestaande uit slechts enkele huizen, staat afgebeeld op de eerste kadastrale kaart (zie bijlage 4). Het oorspronkelijke dorp lag echter een stuk naar het noordoosten, tussen het Spieringmeer en het Lutkemeer. Rond 1600 is dit dorp verzwolgen door het water, waarna het gehucht op de huidige locatie, dat wil zeggen de locatie op 156 de eerste kadastrale kaart, opnieuw tot ontwikkeling kwam.

152

Van Zalinge 2019, 189-193. Wikipedia (Schoten (Nederland)), Stichting historisch Schoten, 2020. 154 Schimmer 1978, 3-16; Corver 1978, 17-36. 155 Van Zalinge 2019, 126, 129; Wikipedia (Schalkwijk). 156 SMZK (De geschiedenis van de Vijfhuizerpolder); Vereniging Dorp Vijfhuizen (Vijfhuizen, toen en nu). 153

73

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

4.9.4 Ontginningen en polders Rondom Haarlem bevinden zich meerdere polders. Deze zijn tot stand gekomen door de ontginning van het omliggende gebied. In deze paragraaf staan de verschillende polders omschreven met de daarbij horende infrastructuur en bebouwing, zoals afwateringskanalen, molens, wegen, erven en gehuchten. Benamingen die cursief staan in de beschrijving, zijn overgenomen van de eerste kadastrale kaart uit 1832.

Figuur 4.15 Kaart van het hoogheemraadschap van Rijnland uit 1615 door Floris Balthasars en zijn zoon Balthasar Florisz. van Berckenrode (bron: Archief Hoogheemraadschap van Rijnland, NL-LdnHHR, Collectie kaarten, A-4064 en A-4065).

De polders zijn in 1615 opgetekend door Floris Balthasars en zijn zoon Balthasar florisz. van Berckenrode (zie figuur 4.15). In 1647 is deze kaart herzien door Jan Janszoon Douw en Steven Pieterszoon van Brouckhuijsen (zie figuur 4.16). De kaarten geven informatie over de inrichting van het gebied, waaronder de polders, e rondom Haarlem in de 17 eeuw. De polders zijn ook opgetekend op de Polderkaart uit 1910 van W.H. Hoekwater (zie figuur 4.14). De polders werden bemalen door poldermolens. Informatie over de molens is beschikbaar via verschillende molendatabases die via Internet zijn te raadplegen: 157 een database van verdwenen molens en een database van nog werkende

157

Molendatabase verdwenen molens, 2020.

Project V-19.0130A

74

158

molens. De molendatabase van verdwenen molens benoemt per molen een aantal algemene kenmerken. Dit zijn onder andere het type, de aandrijving en de functie. Een molen werd aangedreven door wind of door water. Voor het bemalen van een polder werd vanzelfsprekend een door wind aangedreven molen gebruikt. De functie van een molen is in dit verband altijd een poldermolen. Andere functies zijn bijvoorbeeld een oliemolen, houtzaagmolen of een graanmolen. De locaties van de (verdwenen) molens zijn weergegeven op de Historische relictenkaart (bijlage 4).

Figuur 4.16 Kaart van het hoogheemraadschap van Rijnland uit 1647 door Jan Janszoon Douw en Steven Pieterszoon van Brouckhuijsen (bron: Archief Hoogheemraadschap van Rijnland, NLLdnHHR, Collectie kaarten, A-4270 en A-4271).

Binnen de gemeente Haarlem bevinden, en bevonden, zich meerdere molens, die aan meerdere molentypen zijn toe te schrijven. Binnen de gemeente Haarlem kwamen zogenaamde Wipmolens voor. Dit betrof een door wind aangedreven molen, die meestal werd gebruikt om een polder droog te malen. De molen bestond uit een ondertoren en een bovenhuis. Dit hele bovenhuis was draaibaar om de wieken in de gewenste richting te plaatsen. De molen was voorzien van een e scheprad om het water uit de polder te slaan. Dit molentype is in de vroege 15 eeuw ontstaan. Na 1634 kwam een waterschroef (vijzel) in gebruik om het water uit

158

75

Nederlandse molendatabase, 2020.

Archeologische beleidskaart Gemeente Haarlem

de polder te krijgen. Daarnaast werd er gebruik gemaakt van de zogenaamde Grondzeiler. Ook dit betrof een door wind aangedreven molen. In dit geval was alleen de kap van de molen draaibaar om de wieken in de gewenste richting te draaien. Dit type staat ook bekend als ‘bovenkruier’. De wieken kwamen altijd bijna tot op de grond, zodat de zeilen vanaf de grond aan de wieken waren te bevestigen. Bij een wipmolen reiken de wieken niet per se tot op de grond.

Figuur 4.17 De molen De Adriaan te Haarlem. Dit betreft een stellingmolen. Gefotografeerd door M.J. van Putten (BAAC).

Tot slot werd er ook gebruik gemaakt van de Stellingmolen. Dit was een hoge, wederom door wind aangedreven molen. De molen stond als het ware op een hoge basis om goed wind te vangen, waardoor de wieken niet tot op de grond reikten. Om de wieken te kunnen bezeilen, is er rondom de molen een stelling (of galerij) aanwezig.

Waarderpolder De Waarderpolder ligt ten noordoosten van Haarlem en is in het westen begrensd door Het Spaarne, in het noordoosten door De mooije Nel, in het oosten door De Binnen Liede en in het zuiden door Het Vuilrak en de Veerpolder. De polder is omgeven door een dijklichaam (historische lijn op bijlage 4) waarlangs op enkele locaties bebouwing, waaronder molens, stond. Het veronderstelde stichtingsjaar van 159 de polder is 1562, vanwege een akte van de bouw van een molen in deze polder. Dit zal de molen (een wipmolen) zijn die de polder bemaalde. De molendatabase 160 geeft aan dat deze molen vóór 1615 is gebouwd. Rond 1780 is deze molen 161 vervangen door een grondzeiler, De Oude Willem. Nadat De Oude Willem in 1862 162 is verbrand, is deze molen vervangen door De Jonge Willem. Deze laatste molen is vervolgens in 1974 verplaatst naar Zuid-Holland. De locatie van deze molen is als historisch punt 44 aangemerkt op de historische relictenkaart (zie ook catalogusnr. 44, bijlage 11C).

Veerpolder Polder de Veerpolder lag ten oosten van de stad Haarlem en werd begrensd door de Waarderpolder in het noorden, de Zuiderpolder in het zuiden, De Binnen Liede in het oosten en de stad Haarlem in het westen. Tussen de Waarderpolder en de Veerpolder kronkelde een waterloop, genaamd Het Vuilrak. Deze waterloop stond in verbinding met De Binnen Liede en Het Buiten Spaarne. Langs het Vuilrak 159

Noord-Hollands Archief, inventaris 3795 Waarderpolder onder Haarlem, inleidende tekst. Molendatabase verdwenen molens, nr. 17144. 161 Molendatabase verdwenen molens, nr. 2433. 162 Molendatabase verdwenen molens, nr. 1714. 160

Project V-19.0130A

76

bevonden zich enkele molens. De Trekvaart van Haarlem op Amsterdam begrensde de Veerpolder in het zuiden. Een groot deel van de polder was met een dijklichaam omgeven. Molen De Veer (catalogusnr. 7, bijlage 11C), in het oosten van de Veerpolder, bemaalde de polder en voerde het water af op bovengenoemde waterloop het water dat in verbinding staat met De Binnen Liede en Het Buiten Spaarne. De huidige molen is in 2001 gebouwd en vervangt een in 1701 gebouwde, 163 e maar in 1998 afgebrande, grondzeiler. Deze 18 -eeuwse molen verving eveneens 164 een oudere, in 1564 of eerder gebouwde, molen. Het is niet bekend wat voor molen dit was. De eerste molen zou een binnenkruier zijn geweest. Bij deze molen(locatie) en de brug over De Binnen Liede lag het gehucht Penningsveer. Vanaf het gehucht liep De Oude Haarlemmerweg, waarlangs, in de richting van Haarlem, enkele erven en een molen staan ingetekend op de eerste kadastrale kaart (catalogusnr. 14, bijlage 11C). Bij Haarlem is dit de Spaarnwouder Weg.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13966703/1