02 Bijlage 1 Ontwerp-Masterplan Zijlweg-West
Tekst van het document
5.3.4 Aanhelen historisch lint Zijlweg
5.4.1 Programma algemeen
Met de aanleg van de Westelijke Randweg en de vervanging van historische panden door grootschalige bebouwing, is de kleinschaligheid van het middendeel van de Zijlweg verloren gegaan. Bij nieuwe ontwikkelingen langs de Zijlweg is de kenmerkende maat, schaal en korrel van de historische lintbebouwing uitgangspunt. De openbare ruimte wordt vergroend door het langsparkeren te vervangen door groenvakken en bomen. Op delen van de Zijlweg zal het verbreden van te smalle trottoirs ook een deel van die extra ruimte opeisen.
Voor een goed functionerende en levendige zone is het bereiken van een goede functiemix noodzakelijk. Dit betekent dat er naast woningen ook werkplekken en voorzieningen aan de zone worden toegevoegd en dat deze strategisch worden gepositioneerd. Hierdoor ontstaan verbindingen tussen de ontwikkellocaties en de bestaande omgeving.
Eisen 1. De openbare ruimte van de Zijlweg wordt heringericht. Er komt meer ruimte voor voetgangers en groen ten koste van langsparkeerplekken, zie principeprofiel Zijlweg. 2. Nieuwe ontwikkelingen langs de Zijlweg krijgen in principe royale private of collectieve voortuinen met hagen als erfafscheiding, zie paragraaf 5.9. 3. Uitgangspunt bij nieuwe ontwikkelingen langs de Zijlweg is de kenmerkende kleinschalige schaal en korrel van de historische lintbebouwing, zie beeldkwaliteitscriteria in hoofdstuk 6.
5.4 Programma Deze paragraaf geeft de kaders aan de gestelde programma-ambities zoals te lezen is in hoofdstuk 2. We maken onderscheid in de eisen en wensen met betrekking tot: 1. Programma algemeen 2. Woonprogramma 3. Werkprogramma, dit is verder onderverdeeld in: 4. Commercieel werkprogramma 5. Sociaal-maatschappelijke voorzieningen Voor wat betreft de woningaantallen en oppervlakten werken en voorzieningen, wordt als vertrekpunt uitgegaan van de verkennende invullingen van de ontwikkellocaties uit de Ontwikkelvisie Zijlweg-West. Deze invullingen geven richting voor de verdere uitwerking van de locaties door de marktpartijen. Er is hierbij ruimte voor optimalisaties en innovatieve ideeën, mits het niet ten koste gaat van kwaliteit. Per ontwikkellocatie wordt in het PvEL
Eisen 1. Ontwikkelingen in de zone dragen bij aan het creëren van een gemengd woon-werkgebied waarbij bedrijvig heid en werkgelegenheid samengaan met wonen. 2. Ontwikkelingen in de zone dragen bij aan het realiseren van voldoende passende commerciële-, buurtgebonden en sociaal-maatschappelijke voorzieningen die voorzien in de behoeften van de bestaande en nieuwe bewoners in dit deel van Haarlem. 3. In de zone is geen (nieuwe) ruimte opgenomen voor grootschalige detailhandel en bedrijvigheid. Wens 1. Woningen in de plint zijn geschikt om in de toekomst om te zetten naar andere (niet woon-) functies. Ook kan er gedacht worden aan woon-werkconcepten, waarbij de begane grond dusdanig ontworpen wordt dat deze multifunctioneel te gebruiken is als werkfunctie, atelier, kantoor aan huis, kapper, etc. Zie ook paragraaf 5.10.2.
5.4.2 Woonprogramma Voor het westelijk deel van Haarlem streeft de Gemeente naar meer sociale huur- en betaalbare woningen. De woningbouw richt zich qua doelgroepen op starters en ouderen. Daarnaast wordt voor de ontwikkellocatie Campus verkend in hoeverre er ruimte is voor jongerenen studentenhuisvesting. Eisen 1. De woningbouw in de zone richt zich qua doelgroepen op starters en ouderen conform de actuele Woonvisie. 2. De vraag naar woningen kan veranderen in de tijd. Realiseer daarom levensloopbestendige woningen
die flexibel in gebruik zijn en daarmee geschikt voor meerdere doelgroepen in de toekomst. 3. Voor de zone geldt een inspanningsverplichting om naast 50% sociaal, 30% in het (lage) middeldure segment te realiseren, zie Actualisatie Haarlemse spelregels voor woningbouwprogrammering nieuwbouw sociale huur en middensegment. 4. Grenzen middeldure koop- en huurwoningen conform Verordening Doelgroepen woningbouw Haarlem. 5. Voor de locatie Korte Verspronckweg geldt 50% sociaal, 12,5% middelduur en 37,5% vrije sector. 6. Sociale woningbouw wordt per deelgebied gelijktijdig met de andere segmenten ontwikkeld. 7. De sociale huurwoningen worden overgedragen en beheerd en verhuurd door één van de in Haarlem actieve woningcorporaties en dit wordt vastgelegd in anterieure overeenkomsten. 8. Voor koopwoningen in het vrije segment geldt een zelfbewoningsplicht en een antispeculatiebeding. Wensen 1. Er is ruimte gewenst voor diverse vormen van begeleid wonen ook voor bijzondere doelgroepen (i.c.m. zorg). Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het toevoegen van betaalbare sociale huur voor kleine huishoudens die uitstromen vanuit maatschappelijk opvang en beschermd wonen. 2. Bij de realisatie van seniorenwoonconcepten (extra muraal) worden gedeelde voorzieningen meegenomen in het ontwerp, zoals een gemeenschappelijke woonkamer of een collectieve ontmoetingsruimte. 3.
Het is wenselijk om woonconcepten te realiseren waarbij, vanuit financieel en duurzaamheidsoogpunt, ingezet wordt op het delen van (collectieve) ruimtes en dagelijkse gebruiksvoorwerpen (o.a. auto). Het heeft de voorkeur deze woningen toe te wijzen aan starters of ouderen. Voor de Campus wordt de behoefte aan jongeren- en studentenhuisvesting nader geconcretiseerd in het betreffende PvEL.
5.4.3 Werkprogramma Om de zone te ontwikkelen tot een multifunctioneel stedelijk gebied is het van belang om verschillende typen werkfuncties te realiseren. De gehele zone is aantrekkelijk voor bedrijfshuisvesting door de goede ontsluiting door de Westelijke Randweg (N208) en de aanwezigheid van het treinstation Overveen.
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 5 Randvoorwaarden, eisen en wensen
51
Eisen 1. De zone groeit mee met de huidige stadsbrede balans. Dit betekent dat nieuw toe te voegen programma zich verhoudt tot de woon-werkbalans van 0,43 baan per nieuwe inwoner. 2. Binnen de zone wordt voor 20% van het totaal te ontwikkelen bruto vloeroppervlak (bvo) een werkfunctie voorzien. Per ontwikkellocatie wordt nader beschouwd welke invulling hieraan wordt gegeven. Er zijn verschillende typen werk- en/of maatschappelijke functies kansrijk. 3. Ontwikkelingen in de zone dragen bij aan de transformatie van een gebied met veelal stedelijke randfuncties naar een kwalitatief gemengd woonwerkgebied door zowel kennisintensieve banen, werk-, commerciële werklocaties als maatschappelijke en buurtgebonden functies toe te voegen. 4. Publieke functies worden aan de hoofdroutes geplaatst en zijn zichtbaar, bereikbaar en toegankelijk vanaf de openbare ruimte en gepositioneerd in de plinten van de gebouwen: begane grond en eerste verdieping. 5. Ontwikkelende partijen maken inzichtelijk hoeveel arbeidsplaatsen er op hun bouwlocatie gerealiseerd worden door specifiek ruimte te alloceren voor werkfuncties. Sociaal-maatschappelijke functies voorzien ook in werkgelegenheid en worden hierbij ook in beeld gebracht. Werkplekken binnen de woonfunctie (thuiswerkplekken) tellen hier niet in mee. Wensen 1. Haarlem streeft naar een woon-werkbalans van 0,5 baan per inwoner.
Daar waar wenselijk in de zone, wordt ingezet op extra arbeidsplaatsen. 2. Wij staan open voor nieuwe werkconcepten en het mengen van verschillende functies. Bijvoorbeeld het mengen van horeca en kantoorlocaties of creatieve bedrijvigheid en sociale voorzieningen. Het aantal arbeidsplaatsen wat wordt gerealiseerd, staat hierin centraal.
5.4.4 Commercieel werkprogramma Het oostelijk deel van de zone is aangesloten op een stedelijk lint van bedrijvigheid (de Zijlweg en Spoorweg straat) en biedt daarmee kansen voor voorzienende economie. Deze voorzieningen kunnen gericht zijn op de directe omgeving, maar kunnen ook een stedelijk karakter hebben (sport, broedplaatsen, zorg, etc.). De aanwezigheid van twee onderwijsinstellingen geeft met name het westelijk deel van de zone veel potentie voor stuwende werkgelegenheid, waaronder startende en snelgroeiende bedrijven.
Eis 1. Ontwikkelende partijen dienen aan te tonen dat op hun bouwlocatie een werkprogramma gerealiseerd wordt die aansluit op de behoeftes in het gebied. Dit betreft kennisintensieve, stuwende werkfunctie (bijv. toegespitst op de opleidingen van de kennisinstellingen in het gebied) en de benodigde economische voorzieningen (stedelijk dan wel buurtgericht). Wensen 1. Met name in het westelijk deel van de zone is het wenselijk bedrijven ruimte te bieden die passen binnen het economisch profiel van Haarlem; creatieve stad van de toegepaste innovatie. 2. Geef ruimte aan bedrijven, startups en plekken waar zzp-ers zich kunnen vestigen, welke ook een relatie hebben met de opleidingen van Inholland en Nova College, hiervoor zien wij ruimte op de Campus en op de locatie Zijlweg 250. 3. De wijkfunctie van de voorzieningen aan de Spoorweg straat kan verder worden versterkt met verzorgende economische functies. Dit zijn voorzieningen die gericht zijn op de directe omgeving en veelal als dagelijkse voorzieningen worden gezien. Hierbij valt te denken aan een bakker, slager, fietsenmaker of bloemenwinkel. Maar het kunnen ook voorzieningen zijn met een stedelijk karakter (sport, broedplaatsen, zorg, etc.). 4. De Zijlwegzone kent een goede bereikbaarheid.
Langs de Westelijke Randweg is het wenselijk om stuwende economische functies (die voor de verkoop van hun product niet afhankelijk zijn van Haarlem) toe te voegen. 5. De goede bereikbaarheid alsmede de bedrijvigheid aan de Zijlweg, maakt de zone ook aantrekkelijk voor hoogwaardige kantoorruimte. Dit ook gezien de schaarsheid hiervan in de binnenstad en het westelijk deel van Haarlem. 6. Realiseer informele werklocaties. Te denken valt bijvoorbeeld aan multitenantruimtes (eigen kantoor binnen een ruimte met meerdere gebruikers en met gedeelde, collectieve voorzieningen).
Eisen 1. Er dient voldoende ruimte gecreëerd te worden voor een cultureel-maatschappelijk programma in de zone. Dit programma dient bij voorkeur op de Campus gerealiseerd te worden. 2. Op de locatie Zijlweg 183 dient ruimte gereserveerd te worden voor bedrijven in de gezondheidzorg en de maatschappelijke ondersteuning. Het grootste deel ervan betreft eerstelijnszorg aangevuld met medische dienstverleners en flexruimte voor partners in de zorg en welzijn. Daarnaast wordt ruimte geboden aan zorgwoningen. Functies met een hoog privacy-gehalte worden niet op de begane grond aan de straatzijde geplaatst. Hierdoor worden dode plinten voorkomen. 3. Op de Korte Verspronckweg dient een basisschool gerealiseerd te worden en ruimte gereserveerd voor sociaal maatschappelijk programma. Wensen 1. Cluster sociaal-maatschappelijke en culturele functies binnen de zone. 2. Creëren van een prettig leef- en verblijfklimaat door bestaande voorzieningenclusters aan te vullen met in de wijk gewenste sociaalmaatschappelijke functies. Bovenstaande eisen worden verder uitgewerkt en geconcretiseerd in de betreffende PvEL en van de ontwikkellocaties
5.5 Natuur, klimaat en duurzaamheidsaspecten Deze paragraaf geeft de kaders waar de ontwikkelingen in de zone Zijlweg-West op de volgende aspecten aan moeten voldoen: 1. Natuurinclusiviteit en biodiversiteit 2. Bomen 3. Water en klimaatadaptatie 4. Energie 5. Circulariteit
5.4.5 Sociaalmaatschappelijke voorzieningen
5.5.1 Natuurinclusiviteit en biodiversiteit
Haarlem heeft de ambitie om de sociale cohesie in de zone te versterken. De nabijheid van werkgelegenheid en voorzieningen dragen hieraan bij. Dit betreft buurgerichte en maatschappelijke functies waar men elkaar kan ontmoeten.
Natuurinclusiviteit en biodiversiteit dragen bij aan natuurbeleving, een gezonde leefomgeving en klimaatadaptatie (voorkomen hittestress, droogte en wateroverlast). Doelstelling voor de zone Zijlweg-West is het vergroten van de biodiversiteit en het behouden en creëren van habitats voor gebiedseigen flora en fauna. Dit wordt bereikt door de groene en blauwe structuren te
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 5 Randvoorwaarden, eisen en wensen
52
verbeteren, door verbindingen te realiseren en de kwaliteit van de natuur te verhogen. Randvoorwaarden 1. Er wordt ontwikkeld conform de Omgevingswet, in het bijzonder de bepalingen opgenomen in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Elke ruimtelijke ontwikkeling moet met een Natuurtoets (ecologisch onderzoek) beoordeeld worden op ecologische effecten, inclusief quick-scan ecologie plus eventuele vervolgonderzoeken die hieruit naar voren komen. Hierbij hoort ook een inventarisatie van invasieve exoten. Eisen 1. Natuurinclusief bouwen volgens het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw op niveau ‘Brons’: a. Voor een kleinschalig project (oppervlak < 500m2 en max hoogte 15m) realiseren of behouden van hoogwaardige habitat voor ten minste gebouwbewonende soorten (bv vleermuizen, huismussen en gierzwaluw). b. Voor een middelgroot project (oppervlak 500 tot 2.000m2 en/of max bouwhoogte 15 – 30m) realiseren of behouden hoogwaardige habitat voor minimaal 2 soortencategorieën.* c. Voor een grootschalig project (oppervlak ≥ 2000m2 en/of bouwhoogte ≥ 30m) realiseren of behouden hoogwaardige habitat voor ten minste 3 soortencategorieën. d.
Per soortcategorie wordt aangeven welke maatregelen worden genomen voor realisatie of behoud van een hoogwaardige habitat, waarbij wordt ingegaan op de samenhang tussen de 5 V’s: voedsel, veiligheid, voortplantingsmogelijkheden, variatie en verbinding. e. Het horizontale en verticale oppervlak (privaat en openbaar) wordt in samenhang met de groenblauwe structuren in de bredere omgeving ingericht (met minimaal 30% biodivers en hoogwaardig groen op buurtniveau, boomkroonoppervlak telt mee). 2. De te nemen maatregelen moeten voldoen aan het volgende: a. Nieuwe beplanting is (zoveel mogelijk) gebiedseigen en biologisch, klimaatbestendig en * De soortencategorieën zijn onderverdeeld in vijf hoofdgroepen:
gebouwbewonend, boombewonend, struweel gebonden, bloemrijk grasland gebonden, aan water en oevers gebonden (zie voor uitleg paragraaf 4.5).
passend bij de habitatwensen van de doelsoorten. b. Nieuwe beplanting draagt maximaal bij aan de doelstelling, dat ten minste 50% van de beplanting in het plangebied inheems dient te zijn. c. Ten minste 80% van de beplanting in Natuur Netwerk Haarlem en in parken is inheems. d. Daken en/of gevels worden benut voor gebouw bewonende soorten (Insectenstenen, nestkasten, natuurdaken, gevelgroen etc.). e. De hoofdbomenstructuur wordt versterkt. f. De groenblauwe structuren worden versterkt (met nestkasten niet-gebouwbewonende soorten, vergroenen bermen, hagen planten, ecologische wadi’s, natuurvriendelijke oevers, groeiplaatsen bomen verbeteren etc.). g. Ecologische verbindingen worden gerealiseerd en/of versterkt (faunapassages etc.). 3. Voor alle maatregelen geldt dat ze aantoonbaar: a. Realiseerbaar zijn binnen de invloedsfeer van de uitvoerende partij. b. Op deskundige wijze worden uitgevoerd. c. In goede staat moeten blijven en niet in een later stadium mogen worden weggehaald. d. Zijn goedgekeurd door de gemeente. 4. Bij werkzaamheden die van invloed zijn op flora en fauna wordt gewerkt volgens de actuele Gedragscode soortbescherming gemeenten. Wensen (afhankelijk van de ontwikkellocatie kunnen dit eisen worden) 1. Natuurinclusief bouwen volgens het Convenant Toe komstbestendige Woningbouw op niveau ‘Zilver/Goud’: a.
Hoogwaardige habitat voor meer soorten categorieën dan geëist bij niveau ‘Brons’. b. Het horizontale en verticale oppervlak wordt in samenhang met de groenblauwe structuren in het plangebied ingericht met meer dan 30% biodivers en hoogwaardig groen (boomkroonoppervlak telt mee). 2. Groeiplaatsen van bestaande bomen worden verbeterd. 3. Speelplekken worden gecombineerd met groen. 4. De groenvakken zijn aaneengesloten en bieden daardoor potentieel leefgebied voor kleine zoogdieren zoals de egel. 5. Water: natuurvriendelijke oevers, uitstapplekken, natuurlijke poelen, ecologische wadi’s. 6. Bodem: gebruik grondsoort met 4-6% organische stof, pas originele grond of grond uit omgeving toe, zet ecologisch waardevolle grond op depot. Voorzie tuinen van gezonde grond i.p.v. klapzand en tegels.
5.5.2 Bomen Bomen dragen bij aan verblijfskwaliteit, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Daarom behouden we monumentale en gezonde bomen en voegen we bomen toe in de openbare ruimte en op privaat terrein. Bomen worden zo geplaatst dat ze optimaal kunnen groeien. De focus ligt op kwaliteit, niet op kwantiteit. Voor bestaande en nieuwe bomen gelden verschillende eisen. Bestaande bomen Eisen met betrekking tot bestaande monumentale, waardevolle en gezonde bomen staan beschreven in de Bomenverordening van Haarlem. Let hierbij op dat gezonde bomen van 50 jaar en ouder ook als waardevolle bomen behandeld dienen te worden. Eisen 1. Bomeninventarisatie van alle bomen in het plangebied. Hierbij dient te worden geïnventariseerd wat de leeftijdsverwachting, gezondheid, beheerbaarheid, kroonprojectie en eventuele verplantbaarheid is. 2. Monumentale bomen en gemeentelijk waardevolle bomen dienen behouden te blijven. 3. Bij planvorming een ruimtereservering in acht nemen voor het behouden van bestaande waardevolle en monumentale bomen, boomstructuren, groengebieden met (ecologische) waarde (rekening houden met het eindbeeld van de boom). 4. Er wordt ontworpen volgens het ‘groen, tenzij’principe: gezonde bomen blijft behouden tenzij er zwaarwegende argumenten zijn om ze te verplaatsen of te kappen. 5. Ontwerpen vanuit de huidige situatie, niet vanaf een ‘leeg A4tje’.
Rekening houden met bestaande bomen en het toekomstbeeld van deze bomen. 6. Te behouden bomen: bestaande wortelruimte conform kroonprojectie blijft onaangetast. 7. Zodra het ontwerp is vastgesteld dient er een Boom Effect Analyse (BEA) te worden gedaan. 8. Groeiplaatsverbeteringen toepassen waar nodig (aan de hand van de groen inventarisatie en/of BEA). 9. Kapvergunningen aanvragen conform Bomenverordening. Wens 1. Compensatie van de te kappen bomen berekenen aan de hand van de baten van boom via een berekening met iTree. Berekenen met 50% van de baten direct compenseren en binnen 10 jaar 100% van de verloren baten terug.
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 5 Randvoorwaarden, eisen en wensen
53
Nieuwe bomen In Haarlem komen zes groeiplaatsprincipes voor die zich onderscheiden in bodemopbouw en eventuele voorzieningen die getroffen moeten worden (bomen in open grasberm en plantvakken, bomen in verharding, bomen in parkeervoorziening – belaste verharding –, bomen op bijzondere plekken met hoge verkeersbelasting, bomen in een wadi, bomen op civieltechnische constructie – parkeerdek o.i.d.–). Voor de eisen ten aanzien van de groeiplaatsinrichting voor nieuwe bomen: zie paragraaf 7.2.4. van het HIOR. Randvoorwaarde 1. Waterschapsverordening Rijnland, voor plantafstand voor nieuwe bomen ten opzichte van watergang ten behoeve van goed behe Omgevingsvisie er en onderhoud van de oever. Dit is afhankelijk van de het type oever. Eisen 1. Bomenverordening, herplant van de te kappen bomen een-op-een vervangen. 2. Voldoende maat in het profiel voor nieuwe boom structuren voor doorgaande boomstructuur Zijlweg en Randweg. 3. Soortkeuze baseren op 50% inheemse bomen in de openbare ruimte. 4. Plantafstanden en soortkeuze, boven- en onder grondse groeiplaats en groeiplaatsinrichting: conform HIOR en Keur. 5. Bij planvorming een ruimtereservering in acht nemen voor het behouden van bestaande waardevolle en monumentale bomen, boomstructuren, groengebieden met (ecologische) waarde (rekening houden met het eindbeeld van de boom). Wensen 1.
Diversiteit aan boomsoorten aanplanten, minstens 3 per straat maar streef naar 5 soorten evenredig verdeeld. 2. Compensatie van de te kappen bomen berekenen aan de hand van de baten van boom via een berekening met iTree. Berekenen met 50% van de baten direct compenseren en binnen 10 jaar 100% van de verloren baten terug.
5.5.3 Water en klimaatadaptatie De klimaatverandering brengt langdurige regenbuien, piekbuien, hittestress en perioden van droogte met zich mee. Ontwikkellocaties in de zone moet in staat zijn om de klimaatveranderingen op te vangen en overlast te voorkomen, nu en in de toekomst.
Randvoorwaarden 1. Conform de Waterschapsverordening dient bij verhardingstoename 15% te worden gecompenseerd in de vorm van open water of een alternatieve waterberging binnen een straal van 5km van het ontwikkelingsgebied (en binnen hetzelfde peilgebied). 2. Conform de Waterschapsverordening gelden voor een ontwikkellocatie waarbij meer dan 5.000m2 wordt verhard de volgende kaders: a. Er moet worden aangetoond dat het gebied waarin de ontwikkeling ligt een bui van 90mm in een etmaal kan bergen. b. Hevige neerslag (1/100 jaar, 70mm in een uur) zorgt niet voor schade in en aan gebouwen, infrastructuur en voorzieningen. c. Bij hevige neerslag (1/250 jaar, 90mm in een uur) blijven vitale en kwetsbare infrastructuur en voorzieningen functioneren en bereikbaar. Eisen Conform Plan Stedelijk Water gelden de volgende kaders met betrekking tot droogte: d. De ontwikkeling vindt plaats volgens een grond waterneutraal ontwerp. Hiervoor moet worden onderzocht wat de effecten zijn op de mogelijk aanwezige grondwaterstromen. Dit vereist een geohydrologisch onderzoek waarin wordt aangetoond dat de ontwikkeling daadwerkelijk grondwaterneutraal is. e. De ontwikkeling is waterneutraal en leidt niet tot extra aanvoer/afvoer van water. Hemelwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden, in de bodem gebracht en hergebruikt in het plangebied. f.
De inrichting van de locatie is afgestemd op de verwachte grondwaterstanden en de zoetwater beschikbaarheid tijdens droogte. Vitale en kwets bare functies moeten bestand zijn tegen langdurige droogte. g. Er dienen maatregelen in het ontwerp te worden opgenomen die schade door bodemdaling tegengaan en kostenefficiënt zijn over de levensduur van 60 jaar. Vitale en kwetsbare functies moeten bestand zijn tegen langdurige droogte. 3. Conform Plan Stedelijk Water moet het ontwerp ook tijdens hitte een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving bieden. Hiervoor worden de volgende kaders gehanteerd: a. Er is tenminste 40% schaduw voor langzaam verkeersroutes en verblijfsplekken in het plangebied tijdens de hoogste zonnestand in de zomer.
b. Koele plekken (minimaal 200m2) zijn op loopafstand (maximaal 300m) aanwezig. c. Ten minste 50% van alle horizontale en verticale oppervlakten worden warmtewerend of verkoelend ingericht/gebouwd om opwarming van het stedelijk gebied en gebouwen zelf te verminderen. d. Gebouwkoeling leidt niet tot opwarming van de (verblijfs)ruimtes in de directe omgeving. 4. Conform de Hemelwaterverordening, onderdeel van het Omgevingsplan, gelden de volgende kaders: a. Regenwater dat op particulier terrein valt mag niet direct worden afgewenteld naar openbaar terrein. Hiervoor dient een hemelwaterberging op eigen terrein te worden aangelegd (minimale capaciteit van 70 liter per m2). b. Voor de afvoer van hemelwater hanteert de gemeente een voorkeursvolgorde waarbij hemelwater alleen mag worden afgevoerd via het gemengd riool als andere afvoermogelijkheden zoals HWA of infiltratie naar de bodem niet mogelijk zijn. De voorkeursvolgorde is eerst infiltratie naar de bodem, dan afvoer via HWA of direct naar oppervlaktewater en dan pas gemengd riool. 5. Conform het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw, niveau ‘Brons’ dient afhankelijk van de plaatselijke overstromingskans en optredende waterdiepte ingezet te worden op het voorkomen van schade, het beperken van schade of het voorkomen van slachtoffers. Voor vitale en kwetsbare functies gelden aanvullende eisen.
Welke eisen van toepassing zijn op het plangebied is dus afhankelijk van de overstromingskans en diepte. Wat de overstromingskans per waterdiepte is, is te vinden in de klimaateffectatlas. Binnen bovenstaande beleidsstukken met betrekking tot water, droogte en hitte is inhoudelijke overlap en/of samenhang aanwezig. In overleg met Hoog heemraadschap Rijnland en de gemeente kunnen de maatregelen worden gecombineerd om aan de verschillende randvoorwaarden en eisen te voldoen. Om aan te tonen dat de initiatiefnemer aan bovenstaande randvoorwaarden en eisen voldoet, dienen de volgende berekeningen in de Ontwerpfase van HRPP aangeleverd te worden: 1. Berekening areaal verhardingscompensatie 2. Waterbergingsberekening volgens rekentool Hoogheemraadschap Rijnland 3. Klimaatstresstest, zie handreiking Kennisplatvorm Klimaatadaptatie
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 5 Randvoorwaarden, eisen en wensen
54
5.5.4 Energie De gebouwde omgeving is een grote energiegebruiker maar ook een potentiële energieproducent. Uitgangspunt is dat energieverbruik zo veel mogelijk wordt gereduceerd en potentiële duurzame energieopwekking zo veel mogelijk wordt benut. Haarlem streeft ernaar om minimaal niveau ‘Brons’ uit het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw te halen. Voor het aandeel hernieuwbare energie is dit een aanscherping ten opzichte van het wettelijk vereiste. Randvoorwaarden 1. Bij grondgebonden woningen is de maximale energie behoefte voor verwarming en koeling 55kWh/m2/jaar, bij gestapelde woningen is dit 65kWh/m2/jaar (BENG1). 2. Bij grondgebonden woningen is het minimaal aandeel hernieuwbare energie 50%, bij gestapelde woningen is dit 40% (BENG3). Eisen 1. Het aandeel hernieuwbare energie is voor grond gebonden woningen minimaal 100% en voor gestapelde woningen minimaal 80% (Energieneutraal). 2. Trafo’s, WKO-ruimten, e.d. worden niet in de openbare ruimte, maar op privaat terrein en uit het zicht geplaatst, zie paragrafen 5.8.3 en 5.10.6. 3. Voor kozijnen in zuid- en westgevels buitenzonwering standaard toepassen en integreren in gebouwontwerp. Voor beeldkwaliteitscriteria zie paragraaf 6.2.4. Wensen 1. Er dient onderzocht te worden of de omliggende buurten aangesloten kunnen worden op de te realiseren warmtevoorziening van de nieuwbouw. 2.
De gemeente, Liander en de ontwikkelende partij treden met elkaar in overleg om de mogelijkheden te verkennen van het onderbrengen van extra trafo’s voor de omliggende buurten in de nieuwbouw.
5.5.5 Circulariteit Haarlem wil stappen zetten in de richting van een circulaire economie. De doelstelling is dat Haarlem per 2040 circulair is. Haarlem streeft ernaar om minimaal niveau ‘Brons’ uit het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw te halen. Voor de milieuprestatie van gebouwen (MPG-score) is dit een lichte aanscherping ten opzichte van het wettelijk vereiste. Randvoorwaarde 1. MPG-score van 0,8 (en 0,5 vanaf 2030).
Wensen 1. MPG-score van 0,75 en 30% van de grondstoffen is non-virgin en/of biobased. 2. Vanaf 2025 wordt minimaal 20% van de nieuwe gebouwen in hout gerealiseerd conform het Convenant Houtbouw MRA. 3. Gebouwen worden opgenomen in Madaster en een demontageplan wordt opgesteld. 4. Het scheiden van afval wordt zo makkelijk mogelijk gemaakt zodat mensen het eenvoudig kunnen opnemen in de dagelijkse routine. Groenafval wordt zoveel mogelijk binnen het gebied gecomposteerd en hergebruikt. 5. Bij appartementen voedselvermalers toepassen om afvalscheiding sterk te verbeteren.
5.6 Milieu- en omgevingsaspecten Deze paragraaf benoemt milieu- en omgevingsaspecten waarmee vanaf het begin van de ontwerpfase rekening gehouden moet worden om te komen tot een gezonde en veilige leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Het betreft de volgende onderwerpen: 1. Stikstof 2. Windklimaat 3. Bezonning 4. Geluid 5. Trillingen 6. Luchtkwaliteit 7. Bodemkwaliteit 8. Archeologie
5.6.1 Stikstof In de definitiefase van een ontwikkellocatie dient middels een stikstofdepositieberekening (AERIUS-berekening) onderzocht worden of het project kan voldoen aan de Omgevingswet. Randvoorwaarden 1. Er moet voldaan worden aan de zorgplicht als bedoeld in de Omgevingswet en artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De zorgplicht betreft het zo veel mogelijk beperken van uitstoot door middel van inzet van schoon en emissieloos materieel. 2. Om het effect op de Natura 2000-gebieden te beoordelen moet een AERIUS-berekening worden uitgevoerd aan de hand van de meest recent beschikbare AERIUS-calculator, zoals wordt voorgeschreven in de Omgevingswet.
3. Indien de ontwikkeling leidt tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied moet worden uitgezocht welke stappen gevolgd moeten worden om te kunnen voldoen aan de eisen van de Omgevingswet.
5.6.2 Windklimaat Hoge nieuwbouw heeft een acceptabel effect op het windklimaat van de directe woonomgeving. Windgevaar en een slecht windklimaat zijn hierbij niet toegestaan. Voor verblijfsgebieden dient het windklimaat goed te zijn. Eisen ontwerpproces 1. Vanaf een bouwhoogte van 15 meter dient windhinderonderzoek te worden verricht conform NEN 8100: 2006. 2. Tijdens het ontwerpproces dient voorafgaand aan het voorlopig stedenbouwkundig plan (bij een Gebiedsontwikkeling) of voorlopig gebouwontwerp (bij een Kavelontwikkeling) oriënterende windonderzoeken gedaan te worden op basis van volumestudies. 3. Ter onderbouwing van het voorlopig ontwerp wordt computersimulatie (Computational Fluid Dynamics) of windtunnelonderzoek uitgevoerd. 4. Het definitief ontwerp wordt beoordeeld met een laatste windhinderonderzoek, voordat besluitvorming plaatsvindt. Eisen kwaliteitsniveau 1. In de directe leefomgeving mag nergens sprake zijn van (beperkt) risico op windgevaar ten gevolg van de nieuwbouw. 2. Een ‘slecht’ windklimaat ten gevolg van de nieuwbouw is niet toegestaan. 3. Voor een verblijfsgebied dient sprake te zijn van kwaliteitsklasse A (goed). Dit betreft windhinder gevoelige functies zoals (horeca)terrassen, zitplekken in de openbare ruimte en private buitenruimten en balkons. 4. Voor een slentergebied dient sprake te zijn van minimaal kwaliteitsklasse B (goed).
Dit betreft windhindergevoelige gebieden, zoals gebouwentrees en parken. 5. Voor een doorloopgebied dient sprake te zijn van minimaal kwaliteitsklasse C (goed). Dit betreft niet of nauwelijks windhinder gevoelig gebieden, zoals parkeerterrein, trottoir, voet- en fietspaden en wegen. 6. Voor zover nodig wordt aangetoond welke maatregelen worden genomen om de vereiste kwaliteitsklasse te bereiken.
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 5 Randvoorwaarden, eisen en wensen
55
Indien niet voldaan kan worden aan het vereiste kwaliteitsniveau vanwege specifieke locatie omstandigheden en het windklimaat in redelijkheid niet kan worden verbeterd, kan na instemming van de gemeente van deze eisen worden afgeweken. Er kan, na instemming van de gemeente, gebruikgemaakt worden van een aangepaste normstelling voor private buitenruimtes, mits deze normstelling door een windhinderdeskundige is onderbouwd.
5.6.3 Bezonning De nieuwbouw zorgt voor een goede afwisseling van zon en schaduwplekken zodat er ruimte is voor verkoeling in de zomer en opwarming in de winter. (Hoge) nieuwbouw heeft een acceptabel effect op de bezonning van de directe woonomgeving. Eisen 1. Er wordt een bezonningsstudie verricht op basis van de TNO-normen in relatie tot de bestaande (woon) bebouwing in de omgeving. 2. Er moet worden voldaan aan minimaal de ‘lichte’ TNOnorm. 3. Indien niet voldaan kan worden aan de ‘lichte’ TNOnorm, dient gemotiveerd te worden waarom de ontwikkeling alsnog aanvaardbaar wordt geacht met inachtneming van de maatschappelijke belangen van de ontwikkeling in relatie tot de negatieve effecten op de omwonenden. 4. Voor verblijfsgebieden binnen en rondom de te ontwikkelen locatie, zoals (horeca-)terrassen, zitplekken in de openbare ruimte en balkons moet worden aangetoond dat sprake zal zijn van voldoende zonuren.
5.6.4 Geluid Haarlem kiest voor het beperken van geluidshinder als gevolg van weg- en treinverkeer ter bevordering van een gezonde leefomgeving. Uit het onderzoek geluid (zie bijlage 5). komt naar voren dat er ter plaatse van de ontwikkellocaties in de zone langs de Randweg, Zijlweg en het spoor, rekening moet worden gehouden met geluidshinder. Er moet worden voldaan aan de geluidsnormen zodat een gezond leefklimaat gegarandeerd kan worden. Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarde is de Beleidsregel hogere waarden van toepassing, met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze beleidsregels en opvolgend beleid.
Randvoorwaarde 1. Er moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd op basis van de Omgevingswet.
kan gedacht worden aan extra groen rondom de woning, wat kan worden toegepast als aanvulling op de geluid compenserende maatregelen.
Eisen ontwerpproces 1. Tijdens het ontwerpproces dient voorafgaand aan het voorlopig stedenbouwkundig plan (bij Gebiedsontwikkeling) of voorlopig gebouwontwerp (bij Kavelontwikkeling) een oriënterend akoestisch onderzoek gedaan te zijn op basis van volumestudies. 2. Voor gebouwen bij plekken waar veel activiteiten plaatsvinden (bijvoorbeeld speelvoorziening, schoolplein of horecaterras), moet in het akoestisch onderzoek aandacht worden besteed aan het beperken van geluidoverlast van deze activiteiten op bestaande en nieuwe woningen.
Met een combinatie van bovengenoemde maatregelen wordt zodoende een acceptabel alternatief kwaliteitsniveau bereikt.
Eisen kwaliteitsniveau 1. Bij overschrijding van de standaardwaarde geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen, dient minimaal aan het volgende te worden voldaan (met inbegrip van eventuele wijzigingen naar aanleiding van nieuwe beleidsregels): a. Een woning dient ten minste één geluidsluwe gevel te hebben die voldoet aan de standaardwaarde zoals gedefinieerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. b. Eenzijdig georiënteerde geluidgevoelige gebouwen zijn uitsluitend toegestaan indien sprake is van een geluidluwe gevel. c. Bij een geluidsbelasting 5dB hoger dan de standaardwaarde vanwege wegverkeer, 3dB hoger dan de standaardwaarde railverkeer of 5dB hoger dan de standaardwaarde industrielawaai, moet ten minste één slaapkamer aan de geluidsluwe gevel liggen. Indien gemotiveerd niet voldaan kan worden aan het vereiste kwaliteitsniveau, kan na instemming van de Gemeente van deze eisen worden afgeweken mits compenserende maatregelen worden getroffen in de volgende volgorde: 1. Geluid compenserende maatregelen. Bij geluid compenserende maatregel kan gedacht worden aan een loggia voorzieningen als alternatief voor een geluidsluwe zijde bij bijvoorbeeld moeilijk oplosbare hoekwoningen. 2. Alternatieve compenserende maatregelen die bijdragen aan een gezonde leefomgeving (genoemd in bijlage 5). Bij alternatieve compenserende maatregelen
5.6.5 Trillingen Haarlem kiest voor het beperken van trillingshinder als gevolg van treinverkeer ter bevordering van een gezonde leefomgeving. Uit het onderzoek trillingen vanwege railverkeer (zie bijlage 6). komt naar voren dat er ter plaatse van de ontwikkellocaties langs het spoor, rekening moet worden gehouden met trillingen. Het geldt dan voornamelijk voor de locatie Korte Verspronckweg en de locatie Spoorwegstraat. Eisen 1. Indien er binnen een afstand van circa 60 meter van het spoor wordt gebouwd (behalve bij de viaducten) zijn niet alle gebouwtypen mogelijk. 2. Zware bouw (bijvoorbeeld meerlaagse appartementengebouwen) is in de gehele zone mogelijk vanaf circa 20 meter van het spoor (behalve bij viaducten). 3. Voor de Campus kan vanaf een afstand van 10 meter van het spoor gebouwd worden. Indien er dichter bij het spoor wordt gebouwd, is een nader trillingsonderzoek noodzakelijk om zodoende eventuele aanvullingen maatregelen aan de bebouwing te treffen.
5.6.6 Luchtkwaliteit De luchtkwaliteit is van belang voor de gezondheid van mens en dier en voor de kwaliteit van het milieu. Aan de huidige Rijksomgevingswaarden wordt overal in het plangebied voldaan (o.a. voor fijnstof en stikstofdioxide). Ook beneden deze waarden zijn gezondheidseffecten voor kwetsbare of gevoelige groepen niet uitgesloten. Daarom werken Haarlem samen met andere overheden en het Rijk aan een verdere, permanente verbetering van de luchtkwaliteit in het Schone Lucht Akkoord waarin een groot aantal maatregelen staan vermeld.
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 5 Randvoorwaarden, eisen en wensen
56
Eisen 1. Tussen nieuwe gevoelige functies in eerstelijnsbebouwing en drukke wegen dienen de volgende afstanden aangehouden te worden: a. 50 meter langs provinciale wegen: van toepassing op de Westelijke Randweg. b. 25 meter langs drukke binnenstedelijke wegen (verkeersintensiteit >10.000 motorvoertuigen per etmaal): van toepassing op de Zijlweg tussen de Julianalaan en de Randweg en vanaf de Randweg 300 meter naar het westen. 2. Gevoelige functies zijn in elk geval: basisscholen, scholen voor voortgezet onderwijs, kinderopvang (kinderdagverblijven, crèches, peuterspeelzalen en buitenschoolse opvang), woonzorgcentra voor ouderen. Voor deze functies gelden de afstandscriteria als eis. Hiervan kan, na inwinning van een GGD-advies, gemotiveerd worden afgeweken indien de vereiste afstand redelijkerwijs niet mogelijk is, en (redelijkerwijs) mogelijke maatregelen worden getroffen om de blootstelling binnenshuis te verlagen. 3. De afstand eisen gelden ook bij uitbreiding van een bestaande gevoelige functie met meer dan 10% van het aantal personen waarvoor deze bestemd was. Wensen 1. Woningen kunnen ook gevoelige personen huisvesten en zijn daarmee in principe ook een gevoelige bestemming. Vanwege het belang van voldoende huisvestingsmogelijkheden in onze compacte stad gelden de afstandscriteria hier echter als wens.
Bij afwijking hiervan moet wel gemotiveerd worden welke mogelijkheden wel en niet worden toegepast om blootstelling te verlagen en/of toename van het aantal belaste gevoelige personen te voorkomen. 2. Tot de mogelijkheden om de blootstelling binnenshuis of het aantal blootgestelden te verlagen behoren in elk geval: a. Aanpassing van de doelgroep of functie van een gebouw (bijvoorbeeld meer studentenwoningen en minder ouderen in de eerstelijnsbebouwing). b. Gevoelige functies of doelgroepen binnen het gebouw op grotere afstand van de weg plaatsen, bij voorkeur aan de andere kant ten opzichte van de weg (een gebouw is een effectief scherm). c. Woningentrees en aanzuiging luchtverversing aan de afzijdige kant van gebouw ten opzichte van de weg. d. Speelplaatsen aan de afzijdige kant van het gebouw. e. Hogere verdiepingen voor gevoelige functies of groepen (ook hoogte draagt bij aan de afstand).
5.6.7 Bodemkwaliteit Het doel van bodembeleid is enerzijds de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant die op en in de bodem leven en anderzijds het behoud van de functionele eigenschappen van de bodem zodat deze geschikt blijft om te gebruiken. Een belangrijk uitgangspunt is dat nieuwe verontreinigingen voorkomen moeten worden. Met de Nota Bodembeheer regelt de gemeente het bodembeheer en het omgaan met vrijkomende grond en in Haarlem. Binnen de ontwikkelzone is geen grootschalige bodemverontreiniging bekend die gesaneerd moet worden. Randvoorwaarden 1. Er wordt ontwikkeld conform de Omgevingswet, in het bijzonder de bepalingen opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Om in het kader van de omgevingsvergunning te kunnen toetsen of de bouwactiviteit op een bodem gevoelige locatie kan worden toegelaten, is het nodig om op alle locaties binnen de ontwikkelzone ‘Verkennend Bodemonderzoek’ volgens de NEN 5740 uit te voeren. Eisen 1. Het bodembeheer mag niet leiden tot nieuwe gevallen van ernstige verontreiniging of het verplaatsen van ernstige verontreiniging. 2. Grondverzet moet uitgevoerd worden volgens de regels van de Nota Bodembeheer. 3.
Aan het begin van de planvorming rekening houden met huidige bezetting van ondergrondse ruimte voor kabels en leidingen, ruimtebehoefte bodemenergiesystemen, boomwortelpakketten, hemelwaterberging en grondwatervoorzieningen. Wens 1. Mocht tijdens de uitvoering blijken dat er historische ernstige verontreinigingen zijn dan is de wens deze te verwijderen. Daarvoor kan financiering voor sanering vanuit het Bodemprogramma Haarlem 2023-2030 worden aangevraagd.
5.6.8 Archeologie De gemeente is op basis van de Omgevingswet verplicht om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De drie belangrijkste uitgangspunten zijn: 1. Het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem. 2. De initiatiefnemer van het project dat tot
bodemverstoring leidt, betaalt de kosten van archeologisch onderzoek. 3. Het vroegtijdig integreren van de zorg voor het archeologisch erfgoed in de procedures van de ruimtelijke ordening. De gemeente heeft in de Haarlems Erfgoed, Verbindende kracht in de stad (2024). vastgelegd dat erfgoed bijdraagt aan de Haarlemse omgevingskwaliteit en dat er vanuit het erfgoedbeleid een krachtige bijdrage geleverd zal worden aan het ruimtelijk beleid en het verwezenlijken van de doelen van de omgevingsvisie. In de nota is een archeologische beleidskaart opgenomen die een verantwoording geeft van de maatschappelijke kosten voor de archeologische monumentenzorg en verhoging van de archeologische inhoudelijke kenniswinst. Zo’n kaart is in het belang van alle betrokkenen: overheden, burgers en het bedrijfsleven. En niet in de laatste plaats in het belang van een zorgvuldige omgang met het bodemarchief. Randvoorwaarden 1. Als de in het omgevingsplan voor archeologie geldende vrijstellingsgrenzen voor archeologie worden overschreden moet in eerste instantie in de definitie fase een bureau- en verkennend archeologisch booronderzoek worden uitgevoerd. Op basis van de resultaten van dat onderzoek zal door het Team Erfgoed/vakgroep Archeologie van de gemeente Haarlem bepaald worden of archeologische vervolg stappen noodzakelijk zijn. 2.
Het archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd door een gecertificeerd archeologisch bedrijf (BRL SIKB 4000, voor de betreffende activiteit). Het onderzoek moet naast de eisen in het daartoe te overleggen Plan van Aanpak (PvA) voldoen aan de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en de Haarlemse Richtlijnen voor archeologisch onderzoek. Eis 1. Als behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn, moet er naar gestreefd worden om die in de bodem te behouden, bijvoorbeeld door planaanpassing of beschermende maatregelen. Indien dat niet mogelijk is, moeten de archeologische resten worden opgegraven. Wens 1. De resultaten van het archeologisch onderzoek meenemen in het ontwerp of als inspiratie daarvoor gebruiken om het verhaal van de plek een rol te kunnen laten spelen in de nieuwe ontwikkeling.
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 5 Randvoorwaarden, eisen en wensen
57
5.7 Mobiliteit In deze paragraaf worden de kaders voor de volgende mobiliteitsaspecten behandeld: 1. Bijdrage Haarlemse mobiliteitstransitie 2. Inclusief en toegankelijke openbare ruimte 3. Fietsinfrastructuur 4. Fietsparkeren bewoners, werknemers en bezoekers 5. Autoparkeren bewoners, werknemers en bezoekers 6. Toegankelijkheid calamiteitendiensten 7. Afvalinzameling, laden & lossen, pakketbezorging, personenvervoer, et cetera 8. Vaarwater en bruggen Met het ruimtelijk ontwerp en mobiliteitsplan (MP) onderbouwen de ontwikkelende partijen hoe voor hun ontwikkellocatie aan de in deze paragraaf beschreven onderdelen wordt voldaan. In het MP wordt ook beschreven hoe de (toekomstige) bewoners op de hoogte worden gesteld van de mobiliteitsoplossingen in het gebied. Hierin wordt aangegeven hoe de communicatie voor de komende (tenminste) vijf jaar is geborgd.
5.7.1 Bijdrage Haarlemse mobiliteitstransitie Bij de ontwikkeling van Zijlweg-West wordt invulling gegeven aan de Haarlemse mobiliteitstransitie en wordt aangesloten bij de gemeentelijke doelstellingen. Het Haarlemse Mobiliteitsbeleid is hierbij uitgangspunt. Haarlem moet goed bereikbaar zijn en blijven voor bewoners en bezoekers, vooral nu Haarlem gaat groeien. Een transitie van onze mobiliteit is daarbij nodig. Haarlem kiest voor schone en duurzame mobiliteit en geeft prioriteit aan voetgangers, fietsers en reizigers met het openbaar vervoer. Er wordt ingezet op het versterken van het fietsen voetgangersnetwerk. De inrichting nodigt uit om je te verplaatsen te voet, te fiets of met het openbaar vervoer. De voorzieningen voor deze gewenste vervoerswijzen worden excellent vormgegeven en routes vormen logische, directe verbindingen. De voetganger en fietser voelt zich welkom en begrepen, evenals de OV-reiziger. De openbare buitenruimte is vooral het domein van deze doelgroepen. Een goede toegankelijkheid te voet maar ook met de fiets en korte verbindingen van of naar het openbaar vervoer dragen daaraan bij. Wil men toch gebruik maken van de auto dan krijgen schone- en deelvoertuigen voorrang. Voldoende oplaadmogelijkheden, deelvoertuigen dichtbij en ‘Mobiliteit as a service’ (MAAS) moeten daar zorg voor dragen.
Eisen 1. Door middel van een mobiliteitsplan tonen de ontwikkelende partijen aan op welke manier zij invulling geven aan de doelstellingen en opgave uit de mobiliteitsvisie voor de ontwikkelzone Zijlweg-West. Hierbij dient conform het Mobiliteitsbeleid in 2030: a. Bijna alle (90%) korte verplaatsingen met een afstand van minder dan 2,5 km binnen de stad met de fiets of te voet plaatsvinden b. Meer dan de helft (60%) de verplaatsingen vanuit of naar Haarlem toe met het OV of de fiets plaatsvinden. 2. Een eventuele reductie van parkeernormen voor auto’s toe te passen mobiliteitsoplossingen worden onderbouwd/gemotiveerd inclusief daarvan te verwachten verschuiving(en) naar andere modaliteiten. 3. De wijze waarop de voorgestelde mobiliteits oplossingen de komende 5 jaar daadwerkelijk gaan/moeten gaan functioneren cq. leiden tot een verschuiving van de modaliteiten, wordt in de mobiliteitsplan nader ingevuld en onderbouwd. Dat betreft onder meer hoe bewoners geïnformeerd worden over de beschikbare vervoersopties, hoe zij die kunnen gebruiken en hoe zij gestimuleerd worden daar ook gebruik van te maken (cq. hoe het systeem moet gaan werken). 4. Doel is om de voetganger en fiets meer ruimte te geven om zo de verkeersveiligheid en toegankelijkheid te verbeteren. Hiermee neemt de kwaliteit van de routes toe en worden de vervoerswijzen aantrekkelijker. 5.
Toepassen van omgekeerd ontwerpen volgens het STOMP-principe: dit principe benadrukt duurzame mobiliteit en het stimuleren van actieve vervoerswijzen zoals lopen en fietsen. Eerst wordt de benodigde ruimte gecreëerd voor de voetganger en fiets, waarna vervolgens gekeken wordt wat de beschikbare overgebleven ruimte is voor de auto (rijden en parkeren). 6. Om meer ruimte vrij te maken voor functies die bijdragen aan een levendige en duurzame openbare ruimte, zoals fietspaden, groenvoorzieningen en ontmoetingsplekken, wordt ernaar gestreefd om in de openbare ruimte zo min mogelijk de privéauto te faciliteren. 7. Het autoparkeren bij nieuwe ontwikkelingen wordt inpandig of ondergronds op eigen terrein opgelost. De beschikbare parkeerplaatsen in de openbare ruimte worden efficiënter gebruikt, door deelauto’s en dubbelgebruik van parkeerplaatsen te stimuleren en samenwerkingen te ondersteunen die dat mogelijk maken.
8. Aansluiten bij mobiliteitstrends bij nieuwe ontwikkelingen. Ingespeeld wordt op nieuwe ontwikkelingen (trends) op het gebied van mobiliteit, waarbij andere vormen van vervoer (denk aan deel mobiliteit, elektrische fiets e.d.) gestimuleerd worden.
5.7.2 Inclusief en toegankelijke openbare ruimte In het gebied staat langzaam verkeer centraal. Het is het voor voetgangers gemakkelijk, veilig en comfortabel verblijven. Dit draagt bij aan de levendigheid van de Campus en bevordert ontmoetingen op straat. De aanwezigheid van de Koepel tot campus-route door het gebied verbindt verschillende voorzieningen en ontsluit woningen voor langzaam verkeer. Deze looproutes vloeien naadloos over in de looproutes naar omliggende wijken, waardoor zowel het gebied als de omliggende wijken gemakkelijk toegankelijk en veilig bereikbaar worden voor voetgangers. Met de onderwijsinstellingen als centraal punt, ligt de focus op mobiliteit die aansluit bij deze doelgroep. Te voet gaan en het creëren van een aantrekkelijke en veilige omgeving staan hierbij centraal. Eisen 1. Alle voetpaden hebben een minimaal effectieve breedte van 1,8 meter. Effectief betekent: zonder obstakels van o.a. (wild) geparkeerde fietsen, straatmeubilair (paaltjes), ed. Het hele gebied en alle bestemmingen zijn toegankelijk voor mensen met een beperking en wordt conform Besluit Bouwwerken Leefomgeving, richtlijnen CROW (ASVV) en Handboek toegankelijkheid gerealiseerd. Ook zijn er voldoende rustmogelijkheden (bankjes) voor ouderen en mindervaliden. 2.
De looproutes van en naar de ingangen van de gebouwen sluiten op een logische manier aan op de doorgaande looproutes in en door het gebied en op het stedelijk voetgangersnetwerk. 3. Het voetgangersnetwerk sluit op een veilige en aantrekkelijke manier aan op openbaar vervoer haltes zoals de bushaltes en treinstation Overveen. 4. Looproutes zijn sociaal veilig. Geen blinde hoeken, voldoende breed en goed verlicht. 5. Elke bestemming is goed bereikbaar vanaf het voetgangersnetwerk in het gebied en vanuit de omliggende wijken en het buitengebied. De looproutes van en naar de ingangen sluiten op een logische manier aan op dit netwerk.
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 5 Randvoorwaarden, eisen en wensen
58
5.7.3 Fiets Fietsen en lopen zijn de aangewezen vervoerswijzen voor de bewoners en bezoekers van Zijlweg-West. Hiervoor verbeteren we de bereikbaarheid voor voetgangers en fietsers met een focus op de beleving. Met het realiseren van een fijnmazig wandel- en fietsnetwerk komen bestemmingen binnen handbereik te liggen. De auto wordt hiermee ontmoedigd. De bestemmingen liggen op logische, makkelijk te bereiken plaatsen aan de fiets- en wandelroutes. De fietsroutes zijn voldoende breed om comfortabel en veilig gebruikt te worden door uiteenlopende fietsers, zoals snelle elektrische fietsers, ouderen en kinderen. Eisen 1. Elke bestemming is goed bereikbaar vanaf de fietsroutes in het gebied en vanuit de omliggende wijken en het buitengebied. 2. Zijlweg-West wordt voor fietsers vanuit de omliggende wijken en het buitengebied goed ontsloten met veilige, directe en voldoende brede fietspaden. 3. De Koepel tot campus-route moet voldoen aan alle relevante veiligheidsnormen en -richtlijnen. We minimaliseren de conflictsituaties met andere verkeersdeelnemers waarmee we de risico’s op ongevallen verminderen. Daarnaast wordt de ruimte zo ingericht die de zichtbaarheid van fietsers verbeterd (obstakelvrij en verlichting). 4.
Hellingbanen naar eventuele verhoogde maaivelden liggen op logische plekken, zijn voldoende breed en makkelijk te nemen voor iedere fietser, dus ook voor ouderen zonder elektrische fiets, conform richtlijnen CROW (ASVV).
5.7.4 Fietsparkeren bewoners, werknemers & bezoekers Fietsparkeren is een integraal onderdeel van de ontwerp opgave. Voldoende en kwalitatief goede fietsparkeer voorzieningen zijn een belangrijke voorwaarde om fietsgebruik te stimuleren. Bewoners en werknemers worden gestimuleerd om de fiets inpandig te parkeren zodat de buitenruimte beschikbaar is voor andere doeleinden (groen en ontmoeten). Parkeervoorzieningen van de fietsende bezoeker moeten aantrekkelijk en in voldoende mate aanwezig zijn. In het mobiliteitsplan dient aangetoond te worden op welke manier het fietsparkeren kwantitatief en kwalitatief opgelost gaat worden. Zie ook gebouweisen in paragraaf 5.10.4.
Eisen 1. Voldaan wordt aan de fietsparkeernormen, zoals verwoord in de Nota parkeernormen. 2. Voldaan wordt aan de kwaliteitseisen fietsparkeren, zoals verwoord in paragraaf 4.2 van de Nota Parkeernormen. 3. Uitgangspunt voor het toepassen van collectieve fietsenstallingen is de Haarlemse beleidsregel bergingen bij nieuwe woongebouwen. 4. Aanvullend op de nota parkeernormen en de beleidsregels bergingen geldt: a. De entree tot het inpandig fietsparkeren intern koppelen aan de hoofdentree van de woningen. b. De fietsenstalling toegankelijk, aantrekkelijk en bereikbaar zijn vanuit de buitenruimte en bewoners en werknemers gestimuleerd worden de fietsen inpandig te stallen.
5.7.5 Autoparkeren bewoners, werknemers & bezoekers We gaan efficiënt en duurzaam om met de schaarse openbare ruimte in Haarlem. Dit betekent dat we de openbare ruimte verdelen aan functies die bijdragen aan de doelen van de stad. Privéauto’s kennen een groot ruimtebeslag en staan gemiddeld 95% van de tijd stil en dragen daardoor niet bij aan deze gestelde doelen. Daarom organiseren we autoparkeren anders. De parkeerlocatie van de auto heeft effect op het autogebruik. Parkeren wordt zoveel als mogelijk uit het straatbeeld gehaald. Parkeren voor bewoners, bezoekers, werknemers en bezoekers van niet woonfuncties wordt op eigen terrein uit het zicht opgelost. Zie ook gebouweisen in paragraaf 5.10.5. Het aantal parkeerplaatsen zal worden bepaald op basis van het beoogde programma dat ontwikkeld zal worden. Eisen 1. Voldaan wordt aan de parkeernormen, zoals verwoord in de Nota Parkeernormen. 2. De parkeerbehoefte moet op eigen terrein worden opgelost. 3. Uitgangspunt is dat de adressen binnen ruimtelijke ontwikkelingen worden uitgesloten van openbare parkeerrechten, op deze adressen kunnen geen parkeervergunningen worden aangevraagd. 4. Voor parkeerplaatsen gelegen op parkeerterreinen en in parkeergarages: NEN 2443, Parkeren en stallen van personenauto’s op terreinen en in parkeergarages.
5. Voor parkeerplaatsen in de openbare ruimte: ASVV 2021, Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom of de opvolger daarvan. 6. Voor ontwikkelingen waarin functies worden gerealiseerd met een sociaal-maatschappelijk karakter, met een parkeerbehoefte van minimaal 15 parkeerplaatsen, moet minimaal 2% van die behoefte worden ingericht als algemene gehandicapten parkeerplaats, met een minimum van 1. 7. Gehandicaptenparkeerplaatsen moeten liggen binnen een loopafstand van maximaal 100 meter gemeten vanaf de parkeerplaats tot de ingang van het betreffende gebouw. 8. Een woongebouw met parkeergelegenheid in het gebouw of buiten het gebouw op hetzelfde perceel, met meer dan tien parkeerplaatsen, heeft leidingdoorvoeren voor oplaadpunten voor ieder parkeervak. 9. Een gebouw, anders dan een woongebouw, met parkeergelegenheid in het gebouw of buiten het gebouw op hetzelfde perceel, met meer dan tien parkeerplaatsen, heeft ten minste een oplaadpunt en leidingdoorvoeren voor oplaadpunten voor ten minste een op de vijf parkeerplaatsen. 10. Uitritten parkeergarages dienen verkeersveilig ontworpen te worden (conform CROW-richtlijnen). 11. Het is mogelijk om in het mobiliteitsplan onderbouwd af te wijken van de parkeernormen door de inzet van deelauto’s voor bewoners. De effectiviteit van deelauto’s hangt voor een groot deel samen met de volgende factoren.
De initiatiefnemer onderbouwd hoe deze factoren terugkomen bij de ontwikkeling. 12. Met zorginstellingen en het zorgkantoor wordt de behoefte aan een intramuraal huisvestingsconcept (of een extramuraal geclusterd zorghuisvestingsconcept gericht op zwaardere ouderenzorg) verkend op de locatie Zijlweg 183. Afhankelijk van de beoogde doelgroep en de mogelijkheid van scheiden van wonen en zorg kunnen deze woonvormen onder de 50% sociale huur vallen.
5.7.6 Toegankelijkheid calamiteitendiensten Politie, ambulance en brandweer dienen te alle tijden toegang te hebben tot de openbare ruimte en de gebouwen. Het stedenbouwkundig plan, het mobiliteitsplan, het ontwerp van de openbare ruimte en de gebouwontwerpen zullen beoordeeld worden door de hulpdiensten. Hieronder volgen de kaders met betrekking tot toegankelijkheid op hoofdlijnen:
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 5 Randvoorwaarden, eisen en wensen
59
Randvoorwaarden 1. Alle gebouwen zijn goed bereikbaar voor calamiteiten diensten waarbij de betreffende voertuigen op minimaal 10 meter van de hoofdentree van de gebouwen kunnen komen. 2. Eventuele verhoogde maaivelden in de openbare ruimte zijn goed toegankelijk voor voertuigen van hulpdiensten. Maatgevend hierbij is een 25-tonsbrandweerauto met een asdruk van 11,5 ton: zowel het dek als de hellingbaan moeten hierop berekend zijn. 3. Eventueel doodlopende straten dienen aan het einde een keermogelijkheid voor voertuigen van hulpdiensten te bevatten. 4. Toegangen tot de entrees van gebouwen dienen altijd een vrije doorgang voor brancards te hebben (onder andere van belang bij entrees waar de mogelijkheid bestaat dat de toegang wordt belemmerd door wild geparkeerde fietsen en scooters). 5. Calamiteitendiensten kunnen middels een transponder eventuele zakpalen centraal bedienen (systeem conform centrum Haarlem). 6. Indien van toepassingen krijgen calamiteitendiensten middels een pasje poorten en hekken tot collectieve binnenterreinen, garages en stallingen openen. 7. Bij de ingebruikname van de gebouwen (bij de sleuteloverdracht) is de openbare ruimte rond de gebouwen opgeleverd en toegankelijk voor de hulpdiensten.
5.7.7 Laden & lossen, verhuisdiensten, pakket bezorging, personenvervoer, et cetera In het plangebied worden veel woningen en voorzieningen toegevoegd. Deze functies generen logistieke stromen (afval, pakketleveringen, verhuizingen, enz.). Uitgangspunt is dat deze ‘reguliere’ logistieke stromen zo veel mogelijk aan de randen van het plangebied worden afgewikkeld en buiten het domein van voetgangers en fietsers plaatsvinden. Eisen 1. Foutief gebruik van de openbare ruimte (zoals parkeren, laden en lossen op trottoir of fietspad, enz, enz) dient op een ‘vriendelijke manier’ onmogelijk gemaakt te worden én door het aanbieden van een goede voorziening. 2. Laden en lossen voor de commerciële en maatschap pelijke functies uit het zicht en op een veilige manier. 3. Verhuisdiensten dienen tot 20 meter van een (hoofd) entree te kunnen komen. 4. Bij elke ontwikkeling wordt aangegeven hoe de logistieke diensten (opvangen bezoek (auto en fiets),
ontvangen pakketjes / thuisbezorgdiensten, ophalen afval etc.) worden georganiseerd, zonder afwenteling op de openbare ruimte.
5.7.8 Vaarwater en bruggen Voor de Korte Verspronckweg-locatie worden twee bruggen voor fietsers en wandelaars over vaarwater aangelegd. Hiervoor gelden eisen conform de Ambitiekaart Haarlemse Wateren. Eis 1. De doorvaarthoogte van bruggen over vaarwater dient minimaal 1,5 meter te bedragen.
5.8 Openbare ruimte Deze paragraaf geeft de kaders waar de inrichting en het ontwerp van de openbare ruimte aan moeten voldoen. De kaders zijn onderverdeeld in de volgende thema’s: 1. Sociale veilig en toegankelijk 2. Groenkwaliteit 3. Maaiveldinrichting 4. Speel- en sportvoorzieningen 5. Afvalinzameling Hoofdstuk 6 geeft de beeldkwaliteitscriteria voor de inrichting van de openbare ruimte. Samen met onderstaande randvoorwaarden, eisen en wensen worden maaiveldontwerpen hieraan getoetst.
5.8.1 Sociaal veilig en toegankelijk Op straat moet iedereen zich vrij en veilig voelen. In essentie gaat het erom dat het op straat – in de openbare ruimte – zo veilig mogelijk is en voelt. Eisen 1. De openbare ruimte is dag en nacht veilig en wordt zodanig ingericht dat overlastplekken worden voorkomen. 2. ’s Avonds en ’s nachts worden de openbare ruimte en collectieve ruimten voldoende verlicht. Dit wordt aangetoond met een verlichtingsplan en lichtberekening. Zie voor specifieke richtlijnen Beleidsplan Openbare Verlichting.
3. Alle plekken in de openbare ruimte, waaronder de plekken tussen de gebouwen zijn goed zichtbaar vanaf de openbare ruimte en vanuit de omliggende bebouwing (voldoende zichtrelaties, ‘ogen op straat’). 4. Collectieve ruimten zijn goed toegankelijk voor de beoogde gebruikers en ontoegankelijk voor ongewenste bezoekers. 5. Zorg op de Campus voor voldoende voorzieningen met een goed aanbod voor jongeren (snackbar, supermarkt, hang- en rookplek) die studenten verleiden daar te verblijven/hangen. 6. In het veiligheidsbeleid van de onderwijsinstellingen dienen ook het terrein en de omgeving/routes te worden meegenomen. Werk daarbij, zowel in de ontwerp- als in de beheerfase, samen met anderen (buurtbewoners, gemeente, politie, openbaar vervoer). 7. Het ontwerp van de brug over de Randweg moet het naar beneden gooien van zaken voorkomen. Wensen 1. Realiseer levendige functies, overdag en ’s avonds, langs de bochten van de ‘Koepel tot Campus’-route en woonbebouwing bij de (opgangen van de) brug voor toezicht vanuit bebouwing. 2. Voer voor de hele ‘Koepel tot Campus’-route, dus ook buiten de zone, uit in tweerichtingsverkeer waarbij de oost-west en west-oost route waar mogelijk van elkaar gescheiden worden.