02 Bijlage 1 Ontwerp-Masterplan Zijlweg-West
Tekst van het document
5.8.2 Groenkwaliteit Groen in de stad is onmisbaar en van groot belang voor een leefbare toekomst. Hoe groter de biodiversiteit, hoe veerkrachtiger de leefomgeving van de toekomst. Het nut van stadsgroen bestaat uit de effecten die door al het stadsgroen plus het bijbehorende dieren- en bodemleven bij elkaar worden veroorzaakt; de zogenaamde ecosysteemdiensten. Een goede groenkwaliteit is waardevol wat betreft ecologische, klimatologische, economische en gezondheidswaarde. Randvoorwaarden 1. De provinciale randvoorwaarden met betrekking tot bomen en groen langs provinciale wegen, zie Eisen en Richtlijnen Bouw en Infraobjecten paragraaf 3.2 Obstakelvrije zone en 3.3 Bermen. 2. CROW publicatie Handboek wegontwerp bladzijde 328 tot en met 331.
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 5 Randvoorwaarden, eisen en wensen
60
Algemene eisen 1. Inrichting openbare ruimte volgens het ‘groen, tenzij’principe uit het Groenbeleidsplan: Maaiveld wordt groen ingericht, tenzij dit niet mogelijk is. 2. Er dient voldoen te worden aan de beplantingseisen in hoofdstuk 7 van het Handboek Inrichting Openbare Ruimte. 3. Het ontwerp van het groen moet afgestemd zijn op het beheerniveau. 4. Het ontwerp van het groen moet afgestemd zijn op het behalen van te bepalen natuurdoelen. 5. Er dient een (concept) beplantingsplan opgesteld te worden. 6. Voldoen aan de 3-30-300-vuistregel uit het Groenbeleidsplan: vanuit elke woning zijn drie bomen te zien; 30% van het totale oppervlak van de wijk bestaat uit openbaar groen; binnen 300 meter van een woning is een groen park of plantsoen toegankelijk. Voor de kaders m.b.t. ecologie, bomen en klimaatadaptatie zie paragrafen 5.5.1, 5.5.2 en 5.5.3. Locatiespecifieke eisen 1. Er komt een continu profiel langs het spoor met doorgaande boomstructuur. Overmaat richting spoor wordt groen/blauw ingericht met een afmeting die ruimte biedt voor een gevarieerde beplanting en een aaneengesloten groene route voor wandelaars. 2. Het enkele-laan-karakter van de Zijlweg wordt waar nodig aangeheeld, in de omgeving van de kruising met de Randweg staan de bomen in een los verband.
De mogelijkheid om privé-groen en bomen in de zone van voortuinen te realiseren en daarmee positief bij te dragen aan het versterken van het karakter van de straat, wordt ook bij toekomstige ontwikkelingen gewaarborgd en gestimuleerd. Eventueel vrijkomende ruimte door rijstrookaanpassing o.a. inzetten ten gunste van vergroening. 3. Het landschap van de Campus en omgeving realiseren in het karakter van ‘duinrand-landschap’, volgens de methode ‘groen, tenzij’ (hier ‘duinrand-landschap, tenzij’). 4. Bestaand groen blijft behouden en wordt zichtbaarder, beter te gebruiken waardoor het beter beleefd wordt. 5. De ‘Koepel tot Campus’-route krijgt een groen karakter en wordt verbonden met nieuwe groene plekken. Wensen 1. Vergroening Westelijke Randweg. Vergroenen en bomen toevoegen ter plaatse van middenberm, tussenbermen en zijbermen en in de eventuele ruimte
die mogelijk ontstaat in geval van het aanpassen van rijstroken. Deze vergroening en bomenstructuur afstemmen op het aangrenzende landschap (ter hoogte van weidelandschap in losse setting en ter hoogte van Campus eveneens in losse setting aansluitend op het te realiseren duinrand- landschap van de Campus en omgeving). 2. Aaneengesloten groene routes voor wandelaars en fietsers. 3. Ruimte laten voor buurt-initiatieven.
5.8.3 Maaiveldinrichting Bij een passende inrichting van straten, pleinen, lanen en parken hoort een goede kwaliteit van de inrichting van de openbare ruimte. Om de openbare ruimte op een goede kwaliteit te houden en duurzamer en toekomstbestendiger te maken, dient voldaan te worden aan de kaders uit het Handboek Inrichting Openbare Ruimte (HIOR). Eisen 1. De openbare ruimte moet voor iedereen toegankelijk zijn. Daarvoor dient het ontwerp voor de (her) inrichting van de openbare ruimte te voldoen aan de toegankelijkheidsmaatregelen uit het ASVV van het kennisplatform CROW. De belangrijke onderdelen hierin en specifieke richtlijnen voor toegankelijkheid zijn opgenomen in paragraaf 2.7. van het HIOR. 2. Boomspiegels en plantvakken liggen verlaagd/a-niveau. In overleg met de gemeente kan hiervan eventueel worden afgeweken waar het een situatie betreft met bomen op een parkeergarage die omwille van voldoende wortelruimte in boombakken worden geplaatst. 3. Laden en lossen in de openbare ruimte vindt plaats op één dubbele plek per blok - eventueel binnen venstertijden - met de mogelijkheid voor dubbelgebruik als reguliere parkeerplek. Zie ook paragraaf 5.7.7. 4. Trafo’s, WKO-ruimten en andere nutsvoorzieningen voor de gebouwen, worden niet in de openbare ruimte geplaatst. Zie ook paragraaf 5.10.6. 5.
WKO-bronnen zijn alleen in de openbare ruimte toegestaan als deze niet in het groen geplaatst worden en niet boven het maaiveld uitsteken. Ze mogen dus alleen als putdeksel in de rijbaan, fietspad of trottoir te zien zijn. 6. Lichtmasten moeten minstens drie meter vanaf de stam van de boom staan. 7. Bezoekersfietsparkeren niet in de openbare ruimte maar op eigen terrein, zie paragraaf 5.7.4.
5.8.4 Speel- en sportvoorzieningen Buiten spelen is goed voor de sociale en fysieke ontwikkeling van kinderen. De gemeente zet zich in voor meer speelruimte en een betere spreiding over de stad. Schoolpleinen en sportvelden moeten waar mogelijk openbaar toegankelijk worden. Ook stimuleert Haarlem natuurlijk spelen: speelplekken zonder vaste inrichting waar kinderen kunnen ontdekken. Ook de routes tussen de speelvoorzieningen in een wijk wil de gemeente verbeteren. Op plekken die zich ervoor lenen wil Haarlem ook het buitensporten stimuleren. Randvoorwaarden 1. Veiligheid en inrichting dienen te voldoen aan Warenwetbesluit Attractie- en Speeltoestellen. Toestellen dienen te voldoen aan NEN 1176 en valondergronden aan de NEN1177. 2. Er geldt een meldplicht voor bepaalde toestellen en een meldplicht voor ongevallen. Eisen 1. Het speelruimtebeleid zoals beschreven in de Nota Speelruimtebeleid en in het HIOR, is de basis voor het maken van uitwerkingsplannen samen met de betrokkenen uit de verschillende wijken. 2. Het aanbod dient divers, toegankelijk, inclusief en overlast beperkend te zijn en tot stand te komen met participatie en communicatie. 3. Er dient gebruik gemaakt te worden van de voorkeurs leveranciers van de gemeente. 4. Er dient gebruik gemaakt te worden van zoveel mogelijk duurzaam gefabriceerde, recyclebare, circulaire en natuurlijke materialen. 5.
Een speel- of sportplek dient eenvoudig en voordelig zijn te beheren en onderhouden. 6. De inrichting en overdracht van een speel- of sportlocatie dient tijdig te worden afgestemd met de gemeente en Spaarnelanden, zodat deze goed in beheer en onderhoud kan worden opgenomen. 7. De levensduur van speeltoestellen dient minimaal 14 jaar te zijn en van bijbehorende valondergrond 7 jaar. 8. De volgende zaken dienen bij het terreinontwerp integraal meenemen te worden: a. Groen en bomen. b. Klimaatadaptatie (waterinfiltratie, materialen die niet gloeiend heet worden, positionering glijbanen afstemmen op temperatuur (richting noorden of in schaduw, ivm verhitting). c. Aandacht voor hygiëne. d. Ontmoeten (zorg voor zitplekken, afvalbakken en beschutting, ga slim om met inrichting om overlast te beperken).
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 5 Randvoorwaarden, eisen en wensen
61
Wensen 1. Voldoen aan de NUSO-norm: drie procent van de beschikbare openbare ruimte is bestemd voor speelruimte. 2. Schoolpleinen en sportvelden waar mogelijk openbaar toegankelijk maken. 3. ‘Natuurlijk spelen’ bevorderen: speelplekken zonder vaste inrichting waar kinderen kunnen ontdekken.
5.8.5 Afvalinzameling Voor alle gebruikers dienen op loopafstand voldoende containers aanwezig te zijn om op een duurzame manier afval te deponeren. Afvalinzameling leidt niet tot gevaarlijke verkeerssituaties. In de openbare ruimte worden de grondstoffen centraal ingezameld. Dit gebeurt in een vijftal stromen: restafval, papier en karton, verpakkingsglas, PBD (plastic, blik en drankenkartons) en GFT (groente-, fruit- en tuinafval). Dit geldt zowel voor particulier- als voor bedrijfsafval. Algemene eisen Om te komen tot een doelmatig afvalstoffenbeheer en bescherming van het milieu, moet voldaan moet worden aan: 1. Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Haarlem 2019 2. Richtlijnen zoals opgenomen in het HIOR 3. Richtlijnen inzamelmiddelen en -voorzieningen Afval 4. Structuurvisie openbare ruimte (SOR) Eisen particulier afval 1. Locatiebepaling van (semi)ondergrondse containers en van opstelplaatsen voor mini(rol)containers, dient plaats te vinden in overleg met Spaarnelande. Hierbij geldt dat iedere locatie optimaal toegankelijk is voor inzamelwagen als voor bewoners. De gebruikelijke plaats is in de parkeer-/voorzieningenstrook. 2. De richtlijn voor de loopafstand naar een container voor restafval is maximaal 250 meter (artikel 4 lid 8 Uitvoeringsbesluit) . 3.
Eisen ondergrondse vuilcontainer (OGVC) boven gronds conform Richtlijnen inzamelmiddelen en -voorzieningen afval. 4. Het inrichten van aanbiedplaatsen voor particulier afval gebeurt volgens de richtlijnen uit de structuurvisie openbare ruimte (SOR) om de ruimtelijke impact van deze containers te beperken: a. Containers zijn niet zichtbaar vanaf ‘lange lijnen’. b. Containers zijn minimaal zichtbaar vanaf straat- of pleinzijde.
c. Containers worden centraal geclusterd in lijn- of blokopstelling. d. Clustering vindt plaats met overig meubilair. e. Groenstroken blijven vrij van containers. Eisen bedrijfsafval 1. Bedrijfsafval wordt op eigen terrein en niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte, gestald. Voor commerciële en maatschappelijke voorzieningen die niet beschikken over achterterrein, betekent dit dat deze een inpandige opslagruimte voor bedrijfsafval hebben. 2. Alleen de toegangen tot deze ruimten zijn zichtbaar vanaf de openbare ruimte.
5.9 Privaat maaiveld Haarlem streeft ernaar om de gemeente zo veel mogelijk te vergroenen en past daarvoor het ‘Groen, tenzij’principe toe: alleen verharden als het noodzakelijk is. Ook kiest Haarlem hierbij voor natuurinclusief bouwen, zie paragraaf 5.5.1. Deze principes past de gemeente toe bij de inrichting van de openbare ruimte en vraag het ook de ontwikkelende partijen toe te passen bij de inrichting van de private buitenruimten rond de gebouwen. Deze paragraaf geeft de kaders waaraan de inrichting van het private maaiveld rond de gebouwen moet voldoen. De kaders zijn onderverdeeld in de volgende thema’s: 1. Overgangszone tussen openbare ruimte en gebouw 2. Voortuinen bij woningen 3. Overige privaat maaiveld 4. Collectief maaiveld 5. Hagen als erfafscheiding Hoofdstuk 6 geeft de beeldkwaliteitscriteria voor privaat en collectief maaiveld. Samen met onderstaande randvoorwaarden, eisen en wensen worden maaiveldontwerpen hieraan getoetst. Voor de kaders met betrekking tot vergroenen van de daken en gevels, zie paragraaf 5.10.7.
5.9.1 O vergangszone tussen openbare ruimte en gebouw De overgangszone tussen straat en gebouw is een belangrijk onderdeel van de ontwerpopgave. De inrichting ervan is namelijk van grote invloed op het straatbeeld en of mensen zich er prettig voelen. De inrichting en afmeting van deze zone bepaald ook of bewoners en gebruikers
voldoende privacy ervaren zodat de plinten van gebouwen een levendige uitstraling krijgen, zie paragraaf 5.10.2. Eisen 1. Tussen de openbare ruimte en privéterrein moet een duidelijke scheiding zijn i.v.m. aansprakelijkheid. 2. Tussen de openbare ruimte en het gebouw wordt in principe een private groenstrook van minimaal 2 meter breed aangelegd. Plantsoorten afstemmen op de te realiseren natuurhabitat, zie paragraaf 5.5.1. 3. Bij de (hoofd)entrees van appartementen- en voorzieningengebouwen worden op eigen terrein voldoende opstelplekken voor fietsen van bezoekers geplaatst, zie paragraaf 5.7.4. 4. Balkons, dakoverstekken en dergelijken steken maximaal 1 meter over de private groenstrook heen waardoor voldoende neerslag voor het groen gegarandeerd is.
5.9.2 Voortuinen bij woningen Grondgebonden woningen en appartementengebouwen krijgen bij voorkeur voortuinen met hagen als erfafscheiding. Dit is positief voor het groene straatbeeld en het creëren van voldoende afstand tot de straat voor privacy in de woning. Het bevordert ook (informele) contacten tussen bewoners (zie ook paragraaf 5.10.1). Eisen 1. Uitgangspunt bij grondgebonden woningen en appartementengebouwen is een voortuin met een diepte van minimaal 2 meter gemiddeld (afhankelijk van de oriëntatie ten opzichte van de zon). 2. Erfafscheidingen worden bij voortuinen als haag of heesterstrook uitgevoerd, zie paragraaf 5.9.5. 3. Daar waar nodig kan voor de haag of heesterstrook een opstaande rand of laag muurtje geplaatst worden.
5.9.3 Overig privaat maaiveld Inrichting van privaat maaiveld (voor-, achter- en zijtuinen) is uiteraard aan de bewoners. Hier wordt alleen een eis gesteld aan de erfafscheiding de overige punten zijn wensen. Eis 1. Erfscheidingen tussen privaat maaiveld en openbare ruimte in de vorm van een haag of heesterstrook. Zie paragraaf 5.9.5.
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 5 Randvoorwaarden, eisen en wensen
62
Wensen 1. De ontwikkelende partij of verhuurder informeert de bewoners over de voordelen van een groene tuininrichting met waterdoorlatende verharding (voorkomen van wateroverlast, tegengaan hittestress, verbeteren biodiversiteit). 2. De ontwikkelende partij of verhuurder stimuleert de bewoners te kiezen voor een groene tuininrichting, bijvoorbeeld door het schenken van een boom, aanbieden van een (collectieve) onderhoudsdienst, etc.
5.9.4 Collectief maaiveld Collectieve buitenruimten kunnen toegepast worden bij appartementen-, zorgcomplexen en onderwijsinstellingen. Voor de inrichting wordt ook het ‘Groen, tenzij’-principe toegepast. Indien aan deze collectieve ruimten woningen grenzen, dan zijn de private buitenruimte altijd integraal onderdeel van de ontwerpopgave. Eisen 1. Een collectieve buitenruimte wordt ingericht met het Groen, tenzij-principe: alleen verharding waar noodzakelijk en alleen waterdoorlatende verharding toepassen. 2. Een collectieve buitenruimte wordt zodanig ingericht dat het maximaal bijdraagt aan de vereiste waterberging op eigen kavel, zie paragraaf 5.5.3. Denk hierbij aan de aanleg van een vijver of wadi. 3. Een collectieve buitenruimte wordt zodanig ingericht dat het maximaal bijdraagt aan het voorkomen van hittestress. Bomen en plantsoorten afstemmen op de te realiseren natuurhabitat, zie paragraaf 5.5.1. 4. Private buitenruimte van aangrenzende (tuin of terras) heeft voldoende diepte met een heldere afbakening. 5. Erfscheidingen tussen openbare en collectieve ruimte in de vorm van een haag of heesterstrook. Zie paragraaf 5.9.5.
5.9.5 Hagen als erfafscheiding Erfafscheidingen worden in principe uitgevoerd als groenblijvende, inheemse hagen als erfafscheiding. Dit is positief voor het groene straatbeeld en het creëren van voldoende afstand tot de straat voor privacy in de woning. Het bevordert ook (informele) contacten tussen bewoners. Zie ook paragraaf 5.10.1. Eisen 1. Erfafscheidingen worden in principe als haag of heesterstrook uitgevoerd, maximaal 1 meter hoog aan
de voorzijde van het gebouw en maximaal 2 meter aan de zijkant en achterzijde. 2. Hagen bestaan overwegend uit bladhoudende soorten waardoor ook in de winter privacy geborgd is. Denk hierbij bijvoorbeeld aan liguster en haagbeuk. 3. Hagen of heesterstroken bestaan uit bloeiende, inheems en gebiedseigen soorten. Plantsoorten afstemmen op de te realiseren natuurhabitat, zie paragraaf 5.5.1. 4. Gebouweigenaren dienen de hagen en heesterstroken in stand te houden en te onderhouden. 5. Voor koopwoningen dient de ontwikkelaar de hagen of heesterstroken de eerste 5 jaar te onderhouden en wordt in het verkoopcontract een instandhoudings- en onderhoudsplicht opgenomen.
5.10 Gebouwen Deze paragraaf geeft de algemene kaders waar de gebouwontwerpen aan moeten voldoen. Per ontwikkellocatie worden er ook nog specifieke kaders met betrekking tot rooilijnen, bouwhoogten, setbacks, balkons e.d. opgesteld. Deze worden samengevat op de Spelregelkaart in het PvEL van de betreffende locatie. De algemene kaders voor de gebouwontwerpen zijn onderverdeeld in de volgende thema’s: 1. Sociaal veilig en toegankelijk 2. Gebouwplinten 3. Entreepartijen 4. Bergingen en (collectieve) stallingsruimten 5. Parkeergarages 6. Technische ruimten en installaties 7. Vergroenen daken en gevels Hoofdstuk 6 geeft de beeldkwaliteitscriteria voor de vormgeving van gebouwen. Samen met onderstaande randvoorwaarden, eisen en wensen worden gebouw ontwerpen hieraan getoetst.
5.10.1 Sociaal veilig en toegankelijk Gebouwen dienen zodanig ontwerpen te worden dat ze bijdragen aan een sociaal veilige leefomgeving. Gebouwen dienen voor iedereen goed toegankelijk te zijn. Gebouwen worden zodanig ontwerpen dat bewoners en gebruikers elkaar kunnen ontmoeten. Dit draagt bij aan het tegengaan van anonimiteit en vereenzaming.
Randvoorwaarden 1. Gebouwen worden sociaal veilig ontworpen en voldoen aan het Politiekeurmerk. 2. Gebouwen zijn toegankelijk zijn voor personen met een handicap en voldoen aan de betreffende eisen in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving. Eisen 1. Gebouwen worden zodanig ontworpen dat bewoners en gebruikers elkaar op een prettige (informele) manier kunnen ontmoeten. Dit draagt bij aan het voorkomen van anonimiteit en vereenzaming. 2. Gebouwen worden zodanig ontwerpen dat overlast situaties (geluid, stank) en aantasting van privacy zo veel mogelijk voorkomen wordt.
5.10.2 Gebouwplinten De juiste programmering en vormgeving van de begane grond gericht op de openbare of collectieve ruimte – de zogenaamde gebouwplint, draagt bij aan sociale interactie en een prettige leefomgeving waar het zowel overdag als ’s avonds sociaal veilig is. Zie voor de beeldkwaliteitscriteria paragraaf 6.2.4. Algemene eisen gebouwplinten 1. Plinten worden zodanig geprogrammeerd en ontworpen dat voldaan wordt aan de 10 geheimen van een goede plint (Stipo). 2. Plinten met doods programma zijn niet toegestaan. Denk hierbij aan bergingen, autoparkeren, magazijnen, etc. 3. Plinten met te veel technische ruimten naast elkaar zijn niet toegestaan. Denk hierbij aan ruimten voor trafo’s en WKO’s, zie ook paragraaf 5.10.6. Eisen voorzieningenplinten 1. Voorzieningen op de begane grond hebben een rechtstreekse ontsluiting op de openbare ruimte zodat deze direct geactiveerd wordt, zie ook paragraaf 5.9.1. 2. Voorzieningen op de begane grond hebben een vrije hoogte van minimaal 4 meter (van vloer tot plafond). 3. Privacygevoelige voorzieningen die door de gebruiker afgedekt gaan worden met folie of lamellen, zijn niet toegestaan in de plint. Denk hierbij bijvoorbeeld aan (medische) behandelkamers. Eisen woonplinten 1. Woningen op de begane grond krijgen een eigen voordeur zodat de openbare ruimte direct geactiveerd wordt, zie ook paragraaf 5.9.2.
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 5 Randvoorwaarden, eisen en wensen
63
2. Woningen op de begane grond van relatief hoge bebouwing hebben een vrije hoogte van minimaal 3,5 meter (van vloer tot plafond). Deze eis geldt ook voor begane grondwoningen die om andere redenen weinig zon- en daglichttoetreding krijgen. 3. Aan de kant van de openbare ruimte zijn alleen levendige functies toegestaan. Denk hierbij aan keuken, kantoor of woonkamer. Slaapkamers zijn geen levendige functies en zijn op de begane grond aan de kant van de openbare ruimte niet toegestaan.
5.10.3 Entreepartijen De juiste afmeting, vormgeving, inrichting en verlichting van een entreepartij is een belangrijk aandachtspunt. Niet alleen voor de sociale veiligheid, maar ook voor het bevorderen van (informele) contacten tussen bewoners en gebruikers waardoor anonimiteit wordt verminderd. Bij woongebouwen moet het aantal woningen op één entreepartij niet te hoog zijn. Zie voor de beeldkwaliteitscriteria paragraaf 6.2.4. Algemene eisen entreepartijen 1. Een entreepartij is vanaf de openbare ruimte goed vindbaar en toegankelijk (zie ook paragraaf 5.9.1). 2. Entreepartijen krijgen royale afmetingen in breedte en hoogte passend bij het aantal voorzieningen, bedrijven en/of woningen dat vanuit deze entree wordt ontsloten.
bergingen, dan zijn losse bergingen niet nodig. Als deze toch worden toegepast, dan zijn ze niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte. Zie voor de beeldkwaliteitscriteria paragraaf 6.2.4. Eis bergingen 1. Bergingen zijn vanaf de openbare buitenruimte niet zichtbaar en leiden niet tot een dode plint. Eisen collectieve stallingsruimten 1. Overdekte stallingsruimten voor fietsen, scooters, scootmobielen, e.d. worden bij de (hoofd)entrees geplaatst. Zie ook eisen paragraaf 5.7.4. 2. Openbare en collectieve stallingsruimten worden sociaal veilig ontworpen; zijn overzichtelijk ingericht en bij gebruik goed verlicht. Zie ook eisen paragraaf 5.7.4.
5.10.5 Parkeergarages In de Zijlwegzone waar in relatief hoge dichtheid gebouwd wordt, vindt het parkeren voor bewoners en werknemers van de nieuwe bebouwing plaats in garages onder, in of op de gebouwen of in losse parkeergebouwen. Deze parkeerfaciliteiten mogen de leefomgeving van de bewoners en omwonenden niet domineren of significant negatief beïnvloeden. Zie voor de beeldkwaliteitscriteria paragraaf 6.2.4.
de schil van het parkeergebouw geplaatst. 4. Gevels van parkeergebouwen zijn in beginsel groen en natuurinclusief, zie paragraaf 5.10.7. 5. Daken van parkeergebouwen worden in beginsel uitgevoerd met zonnepanelen en/of als groen dak.
5.10.6 Technische ruimten en installaties Noodzakelijke ruimten voor trafo’s, WKO-installaties, afvalcontainers e.d. worden op privaat terrein opgelost. Vanaf de openbare ruimte zijn deze ruimten zo min mogelijk zichtbaar. Ook installaties en liftopbouwen op het dak zijn vanaf de openbare ruimte niet zichtbaar of krijgen een schil passend bij de architectuur van het gebouw. Zie voor de beeldkwaliteitscriteria paragraaf 6.2.4. Randvoorwaarden 1. Traforuimten dienen zodanig ontworpen en gepositioneerd te worden dat het jaargemiddelde magneetveld op de omliggende verblijfsruimten binnen de richtlijnen blijft. 2. Brandwerendheid van traforuimten dient te voldoen aan de richtlijnen.
Wens entreepartijen woongebouwen 1. Richt een entreepartij van een woongebouw zodanig in dat het contacten tussen bewoners op een informele manier bevordert. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het plaatsen van een leestafel in een huiselijk ingericht deel van de entreepartij (gemeenschappelijke woonkamer).
Algemene eisen parkeervoorzieningen 1. De benodigde parkeerplaatsen voor bewoners, werknemers en bezoekers worden op eigen terrein en uit het zicht vanaf de openbare ruimte geplaatst. Zie de eisen in paragraaf 5.7.5. 2. Parkeren voor bewoners en werknemers vind plaats in garages onder, in of op de gebouwen of in losse parkeergebouwen. 3. Parkeerfaciliteiten domineren de leefomgeving niet en veroorzaken geen significant geluid-, stank- en lichtoverlast voor bewoners en omwonenden.
5.10.4 Bergingen en collectieve stallings ruimten fietsen, scooters en scootmobielen
Eis parkeergarages in, onder of op gebouwen 1. Ontsluiting van parkeergarages naar de woningen niet rechtstreeks vanuit de garage, maar via de (centrale) entreepartij van het gebouw, zie ook paragraaf 5.10.3.
Eisen technische ruimten op de begane grond 1. De ontwikkelende partij inventariseert zo vroeg mogelijk in het ontwerpproces bij de verschillende nuts- en telecombedrijven de behoefte aan technische ruimten voor trafostations, stadsverwarming, WKO-installaties, etc. en bijbehorende technische randvoorwaarden waaronder toegankelijkheid. 2. Technische ruimten voor trafostations, WKO’s (met uitzondering van bronputten - zie paragraaf 5.8.3), loading docks, opstelruimten voor (bedrijfs)afvalcontainers, etc. worden niet in de openbare ruimte, maar op privaat terrein opgelost. 3. Toegangen tot technische ruimten voldoen aan de toegankelijkheidscriteria van de verschillende nutsbedrijven. Let hierbij op of dit de eisen of wensen betreffen. 4. Toegangen tot technische ruimten veroorzaken geen onveilige situaties of overlast van onderhoudsvoertuigen op fiets- en wandelpaden.
Eisen parkeergebouw 1. Een parkeergebouw wordt goed geïntegreerd in de omgeving. 2. De plint van een parkeergebouw krijgt een actieve, levendige voorziening. 3. Hellingbanen en noodzakelijke trafo’s worden binnen
Eisen installaties en andere opbouwen op het dak 1. De ontwikkelende partij inventariseert zo vroeg mogelijk in het ontwerpproces wat de omvang van de installaties en ander opbouwen op het dak gaat worden. Denk hierbij aan liftopbouwen, klimaatinstallaties en duurzame energieopwekking.
Eis entreepartijen woongebouwen 1. Maximaal 50 woningen ontsluiten op één entreepartij en bij voorkeur niet meer dan 35.
Goed toegankelijke fietsenstallingen voor bewoners en werknemers zijn cruciaal voor de Haarlemse mobiliteitstransitie. Fietsenstallingen voor bewoners en werknemers worden inpandig bij de (hoofd)entrees van de gebouwen geplaatst. Zie de eisen in paragraaf 5.7.4. Deze stallingsruimten domineren de plint van het gebouw niet. Als er wordt voldaan aan de Haarlemse beleidsregel
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 5 Randvoorwaarden, eisen en wensen
64
2. Noodzakelijke ruimte voor installaties en opbouwen op het dak dient integraal afgestemd te zijn op de andere functies van het dak (buitenruimte bewoners, natuuren waterbergingsfunctie).
5.10.7 Vergroenen daken en gevels Zoals in paragraaf 5.5.1 beschreven staat, wordt in de zone Zijlweg-West natuurinclusief ontwikkeld. Voor platte of licht hellende daken betekent dit dat deze als Natuurdak uitgevoerd worden. Een Natuurdak is een dak dat door ontwerp en inrichting aansluit bij lokale ecologische omgeving en zo het leefgebied verbetert of vergroot voor soorten planten en dieren. Voor de gevels wordt ontwikkelaars gevraagd naar vergroeningsmogelijkheden te kijken en nest- en rustplekken te realiseren voor gebouwbewonende soorten passend bij de te realiseren natuurhabitat.
zie paragraaf 5.5.1. 2. Integreren van bloembakken aan de balustraden van balkons. Dit vergroot niet alleen het groene beeld, maar heeft ook een gunstig effect op verkoeling, individuele expressie en geborgenheid. Bij voorkeur bewateren met collectief bewateringssysteem gevoed vanuit regenwaterberging.
Eisen daken 1. Platte en licht hellende daken worden minimaal als (extensief) natuurdak uitgevoerd, ook als dit samengaat met het plaatsen van zonnepanelen. Dit betekent een bodemdikte van minimaal 15cm waarop een mengel van een ruim assortiment aan plantsoorten wordt aangelegd. 2. Daken die moeten bijdragen aan de opvang van hemelwater krijgen een dakopbouw dat voldoet aan de betreffende waterbergingseisen, zie paragraaf 5.5.3. 3. (Collectieve) buitenruimten op daken worden buiten de benodigde verharding voorzien van een deklaag met een gemiddelde dikte van 60cm. Ter plekke van de kolommen is de dikte minimaal 100cm zodat er voldoende groeiruimte voor tweede orde bomen is. Eis gevels 1. Gevels en dakranden worden voorzien van voldoende nestkasten en rustplekken voor vogels, vleermuizen, solitaire bijen en vlinders. Deze worden op een zodanige manier in de gevelontwerpen integreren dat het een verrijking van de plastiek en textuur van de gevels oplevert. Aantal en type nestkasten en rustplekken afstemmen op de diersoorten van de te realiseren natuurhabitat. Wensen gevels 1. Daar waar mogelijk gevels minimaal voorzien van een grondgebonden groensysteem met klimmende plantsoorten passend bij de te realiseren natuurhabitat,
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 5 Randvoorwaarden, eisen en wensen
65
6 Beeldkwaliteit 6.1 Inleiding De Nota Ruimtelijke Kwaliteit (NRK) beschrijft de beoogde ruimtelijke kwaliteit van de openbare ruimte en gebouwen in Haarlem. In de beoordelingskaders zijn de criteria per type gebied beschreven. De criteria zijn onderverdeeld in vier deelaspecten: 1. Openbare ruimte 2. Ruimtelijke structuur bebouwing 3. Massa en vorm van de bebouwing 4. Materiaal, kleur en detaillering bebouwing
Spo o
rzon
Campus
Ran d
Zijl
Korte Verspronckweg
e
weg
we g
Eerst worden de algemene criteria die voor de hele zone gelden behandeld, daarna volgen de specifieke criteria voor de Zijlweg, de Westelijke Randweg, de spoorzone en het fijnmazig langzaam verkeersnetwerk.
Zijlweg 183-185
Zijlweg 250
or
el
Sp o
Buurtparken
Koe p
zo n
Zijlweg
De criteria in dit hoofdstuk moeten altijd samen met randvoorwaarden, eisen en wensen in hoofdstuk 5 worden toegepast. Voor de ontwikkellocaties worden in het betreffende Programma van Eisen voor de fysieke Leefomgeving (PvEL) hier nog locatiecriteria aan toegevoegd. Toetsing of een ontwerp aan de relevante kaders en criteria voldoet wordt in eerste instantie door de supervisor met zijn kwaliteitsteam gedaan (zie paragraaf 1.7). Bij aanvraag omgevingsvergunning gebruikt de Adviescommissie Omgevingskwaliteit (AOK) de criteria voor de uiteindelijke welstandstoets. Zie voor het planproces paragraaf 7.3.
Spoorwegstraat
e
Aanvullend op de NRK geeft dit hoofdstuk de gebieds gerichte beeldkwaliteitscriteria voor de ontwikkelzone Zijlweg-West. Deze criteria zijn beeldkwaliteitseisen waar de ontwerpen aan moeten voldoen. Afwijken van een criterium kan alleen als er een gelijkwaardige oplossing voor gevonden wordt of dat het om goed onderbouwde redenen niet mogelijk is om aan het criterium te voldoen.
1 Zijlweg
2 Randweg
3 Spoorzone
4 Fijnmazig LV Netwerk
• •
• •
• •
• • •
Historisch lint Ontsluitingsweg
Groene stadsboulevard Provinciale weg
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 6 Beeldkwaliteit
Ecologische zone Focus op vergroenen en vernatten
Verbinden ontmoetingsplekken Verbinding met de stad Focus op verblijfskwaliteit
66
6.2 Algemene beeldkwaliteitscriteria De zone Zijlweg-West is in de NRK aangemerkt als onderdeel van de ‘geconsolideerde stad’. Het omvat de gebieden waar net als in de beschermde stad, niet zo snel iets zal veranderen aan de stedelijke structuur. De zone Zijlweg-West bestaat uit een aantal hoofdstructuren Zijlweg, Randweg met daarachter een schakering van buurten uit verschillende tijdsperiodes met elk hun eigen karakteristiek. Onderstaande criteria zetten in op behoud en versterking van de hoofdstructuur en de buurten.
6.2.1 Openbare ruimte Paragraaf 5.8 geeft de randvoorwaarden, eisen en wensen met betrekking tot de openbare ruimte. Hierbij horen de volgende algemene beeldkwaliteitscriteria. Criteria 1. De diverse onderdelen van de openbare ruimte in de zone wordt zodanig (her)ingericht dat er voldoende mate van samenhang ontstaat. 2. Bomen en heesters worden zodanig gepositioneerd dat noodzakelijk zichtlijnen vrijgehouden worden, maar er ook aantrekkelijke groene ruimten en verrassende doorzichten ontstaan. 3. Alle materialen, formaten, standaarddetails, objecten, meubilair en armaturen, kleuren en verbanden zijn eenduidig voor het gehele gebied conform het Handboek Inrichting Openbare Ruimte (HIOR).
6.2.2 Ruimtelijke structuur van de bebouwing Paragraaf 5.3 geeft de randvoorwaarden, eisen en wensen met betrekking tot de stedenbouwkundige hoofdopzet van de bebouwing in de zone Zijlweg-West. De beeldkwaliteitscriteria die bij de verschillende ruimtelijke eenheden binnen de zone horen, de Zijlweg, Westelijke Randweg, spoorzone en het fijnmazig langzaam verkeersnetwerk, worden in paragraaf 6.3 t/m 6.6 behandeld.
6.2.3 Collectief en privaat maaiveld Paragraaf 5.9 geeft de randvoorwaarden, eisen en wensen met betrekking tot het private en collectieve maaiveld. Hierbij horen de volgende algemene beeldkwaliteitscriteria. Criteria 1. Collectief en privaat maaiveld wordt niet als restruimte tussen de (nieuwe) bebouwing behandeld, maar
is altijd het vertrekpunt voor het ontwerp van de betreffende ontwikkellocatie. 2. Het maaiveldontwerp dient voldoende ruimtelijke kwaliteit te krijgen en is zorgvuldig afgestemd op de gebouwontwerpen. 3. Bomen en heesters worden zodanig gepositioneerd dat noodzakelijk zichtlijnen vrijgehouden worden, maar er ook aantrekkelijke groene ruimten en verrassende doorzichten ontstaan. 4. Het ontwerp van een entreezone wordt zorgvuldig afgestemd op het ontwerp van de entreepartij van het gebouw. 5. De voortuinen met hagen wordt integraal met de aangrenzende woningen ontworpen. De gebruikswaarde van de voortuin is hierbij een belangrijk uitgangspunt. 6. Private buitenruimten van woningen grenzend aan collectief maaiveld zijn integraal onderdeel van de ontwerpopgave en wordt zorgvuldig vormgegeven.
6.2.4 Massa en vorm van de bebouwing Paragraaf 5.10 geeft de randvoorwaarden, eisen en wensen met betrekking tot de gebouwen. Hierbij horen de volgende algemene beeldkwaliteitscriteria. Criteria gebouwvorm 1. Nieuwe bebouwing voegt zich harmonieus binnen de zone Zijlweg-West. Geen grote contrasten tussen nieuwe en bestaande bebouwing. 2. De massa en vorm van een gebouw is passend binnen de bestaande en nieuwe context van het gebouw. 3. Gebouwen hebben een eenvoudige geometrie. Criteria gevels 1. De architectuur van de gevels is zorgvuldig, met een scherp oog voor compositie. Gevels zijn gelaagd, verfijnd en kennen voldoende variatie. Ze vertellen zowel een verhaal op afstand als van dichtbij. 2. Bij hoekpanden zijn gesloten kopgevels niet toegestaan. Hoekpanden hebben altijd twee voorgevels met voldoende openingen. 3. Buitenzonwering voor kozijnen in zuid- en westgevels en vergroening van gevels mee-ontwerpen in de architectuur. Criteria gebouwplint 1. De begane grondgevel aan de openbare of collectieve ruimte (de gebouwplint) heeft voldoende transparantie. Doods of privacygevoelig programma is hier niet toegestaan.
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 6 Beeldkwaliteit
2. Kozijnen in de plint worden voorzien van een borstwering die voldoende hoog is. Dit is een van de maatregelen om te voorkomen dat vanwege privacy ook overdag ramen dichtgezet worden met gordijnen en lamellen. 3. De gebouwplint wordt zorgvuldig vormgegeven met als doel het creëren van een sterke relatie en interactie met de openbare of collectieve ruimte. 4. Het ontwerp van de gebouwplint wordt zorgvuldig afgestemd op het ontwerp van het aangrenzende private, collectieve of openbare maaiveld. Criteria entreepartij 1. Een entreepartij is integraal onderdeel van de architectuur en worden verfijnd en aantrekkelijk vormgegeven. Entrees zijn verbijzonderingen in de architectuur. 2. Entrees zijn uitnodigend en waar mogelijk voorzien van zitelementen en luifels. 3. De entreepartij is transparant, ruim, overzichtelijk en ’s avonds goed verlicht. 4. Postkasten, bellentableaus, verlichting, huisnummers zijn zorgvuldig uitgewerkt. 5. Bij een entreepartij waar veel woningen op ontsloten zijn, worden brievenbussen niet in de buitengevel geplaats (waardoor het zicht op de entreehal ontnomen wordt). 6. Extra aandacht voor het functioneren en de vorm geving van entrees bij menging van functies zoals voorzieningen, bedrijven en/of woningen. Criteria technische ruimten, stallingen en parkeerentrees in de plint 1.
Technische ruimten en toegangen daartoe worden zo veel mogelijk uit het zicht geplaatst. Indien ze in de plint opgenomen moeten worden, dan worden ze zodanig gepositioneerd en geïntegreerd in de architectuur dat ze de kwaliteit van plint zo min mogelijk verstoren. 2. Stallingsruimten voor fietsen, scooters, scootmobielen, e.d. worden zodanig gepositioneerd en geïntegreerd in de architectuur dat ze de plint niet domineren en niet tot een dode plint leiden. 3. Geen autoparkeren in de plint. Toegang tot een parkeergarage wordt zoveel mogelijk uit het zicht geplaatst. Niet aan pleinen of in zichtlijnen van straten of langzaamverkeerroutes. 4. Indien de toegang tot een parkeergarage toch in de plint moet komen, dan is de breedte en hoogte ervan minimaal en wordt de poort zodanig gepositioneerd en geïntegreerd in de architectuur dat het de kwaliteit van plint zo min mogelijk verstoord.
67
6.2.5 M ateriaal, kleur en detaillering van de bebouwing
5. Eventuele hellingbanen worden binnen het gebouw opgelost en zijn niet zichtbaar vanaf de buitenkant. Criteria balkons en loggia’s 1. Buitenruimten liggen achter het gevelvlak of deels binnen en deels buiten het gevelvlak. 2. Aangehangen balkons zijn niet toegestaan. 3. Eventuele bloem- en plantbakken zijn onderdeel van de architectuur. Criteria gebouwbeëindiging en daken 1. De gebouw beëindiging is een logisch onderdeel van het architectonisch concept. Tot de mogelijkheden behoren een setback, een bijzondere dakvorm, een afwijkende maat van de verdiepingshoogte of een verbijzondering in de architectuur. 2. Installaties en andere opbouwen op het dak zijn door een verhoogde dakrand niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte of krijgen een schil passend bij de architectuur van het gebouw (worden meeontworpen). 3. Installaties en opbouwen op het dak dienen in samenhang met de andere functies op het dak ontworpen te worden. Dit dakenplan is integraal onderdeel van de ontwerpopgave en dient in een vroeg stadium in het ontwerpproces opgepakt te worden. Criteria parkeergebouw 1. Parkeergebouwen moeten in maat, schaal en vormgeving aansluiten op de andere gebouwen in de omgeving. 2. Parkeergebouwen bevinden zich aan de randen van de ontwikkellocaties, op korte afstand van de ontsluitingswegen (auto’s bij de entrees van de locaties afvangen). 3.
Parkeergebouwen die meteen aan de straat staan worden geïntegreerd in straatwanden en voorzien van een levendige voorziening in de plint en kwalitatieve zichtgevels. 4. De in- en uitrit van een parkeergarage wordt geïntegreerd in het gebouwontwerp waarbij de kwaliteit van de plint zo min mogelijk wordt verstoord. 5. Vereiste elementen zoals slagbomen en hellingbanen bevinden zich inpandig. 6. De eisen m.b.t. groene en natuurinclusieve gevels en daken met zonnepanelen (zie paragraaf 5.10.5) zijn integraal onderdeel van de ontwerpopgave.
Paragraaf 5.10 geeft de randvoorwaarden, eisen en wensen met betrekking tot gebouwen. Hierbij horen de volgende algemene beeldkwaliteitscriteria. Criteria materiaal, kleur en detaillering 1. De toe te passen materialen, kleuren en detaillering dient de tand des tijds goed te doorstaan zodat gebouwen ook lang nadat ze zijn opgeleverd er nog mooi uitzien. 2. Indien beton wordt toegepast, dan dient de kwaliteit, afwerking en detaillering ervoor te zorgen dat algengroei en streepvorming niet optreedt en dient de kleur te passen bij het architectonische concept van het gebouw. 3. De kleur van de toegepaste materialen is gebiedseigen en contrasteert niet met die in de omgeving. 4. Toepassen van nieuwe materialen waarvan niet kan worden aangetoond hoe deze er over 10 jaar uit komen te zien, zijn niet toegestaan. 5. De kleur van de zonwering dient zorgvuldig afgestemd te zijn op de kleur van het gevelmateriaal.
Criteria kunst of ornamenten op of aan gebouwen 1. De gemeente staat positief tegenover het toepassen van kunst op of aan een gebouw. Ook kunnen ornamenten aangebracht worden. 2. Kunst of ornamenten zijn in grootte, vorm en kleur passend bij de architectuur van het gebouw. 3. Eventuele verlichting van kunst of ornamenten leidt niet tot overlast in de omgeving.
Let op: Alle toe te passen materialen en voegwerk moeten worden bemonsterd en ter goedkeuring van het voorlopig en definitief ontwerp voorgedragen worden aan het kwaliteitsteam en de AOK. Criteria hemelwaterafvoer 1. Hemelwaterafvoer (HWA) wordt binnen het gebouw oplost of geïntegreerd in de architectuur van de gevel. 2. Het is niet toegestaan een HWA voor het gevelvlak te plaatsen. Criteria naamgeving en reclame-uitingen 1. De aanduiding van de naam van het gebouw of reclame-uitingen op het gebouw zijn in grootte, vormgeving en kleurstelling afgestemd op en ondergeschikt aan de architectuur van het gebouw. 2. Bij een verzamelgebouw kan alleen de naam van het gebouw op de gevel aangebracht worden. Individuele huurder/gebruikers worden vermeld ter plaatse van een bord bij de hoofdentree. 3. Eventuele verlichting van de gebouwnaam of van andere reclame-uitingen leidt niet tot overlast in de omgeving.
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 6 Beeldkwaliteit
68
6.3 Zijlweg
Ran d
weg
De Zijlweg is een oude toegangsroute tot de stad en onderdeel van het netwerk van historische lange lijnen. De NRK kent bijzondere regie toe aan deze lange lijnen. In paragraaf 6.2 zijn de algemene criteria die voor de hele zone gelden behandeld, deze paragraaf geeft de specifieke beeldkwaliteitscriteria voor de Zijlweg. Zijlwe
g
6.3.1 Inventarisatie De Zijlweg is ingericht als een 50km/uur stadsentreeweg met smalle vrijliggende fietspaden en smalle trottoirs. Plaatselijk is er langsparkeren. Er is weinig ruimte voor groen. In het oostelijke deel is de vooroorlogse bebouwing veelal aaneengesloten met entrees aan de Zijlweg. De bebouwing staat aan het trottoir of heeft een kleine voortuin met een haag als afscheiding. De bomen die hier en daar in de voortuinen staan dragen eveneens bij aan de groenbeleving. Ter hoogte van de kruising met de Westelijke Randweg schuift de bebouwing naar achteren en verbreedt het profiel. De continue gevelwanden van het oostelijke deel van de Zijlweg maken plaats voor lossere bebouwing met afwijkende schaal en materialisering. Ten westen van de kruising met de Randweg is er een lossere bebouwingsstructuur zichtbaar, maar met een heldere rooilijn, coherente hoogte, materialisering en detaillering, en een voortuin.
Vooroorlogse bebouwing: aansluitende bebouwing, entree aan de straat, voortuin
Morfologische structuur bebouwing Zijlweg
Naoorlogse bebouwing: vrijstaande bebouwing met afwijkende materialisering, kopgevel aan de Zijlweg
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 6 Beeldkwaliteit
Inrichting straatprofiel: 50km/u met langsparkeerplekken, weinig ruimte voor groen
69
6.3.2 Principes openbare ruimte en bebouwing Zoals in paragraaf 4.2 te lezen is worden voor de herinrichting van de openbare ruimte en nieuwe bebouwing aan de Zijweg de volgende principes toegepast: 1. Verbeteren van de verkeersveiligheid door een inrichting conform de principes van een GOW30-profiel met vrijliggende fietspaden waardoor ook de oversteekbaarheid wordt verbeterd. 2. Verbeteren van de verblijfskwaliteit voor voetgangers door ruimte te maken voor brede trottoirs met zitplekken en bomen. 3. De nieuwe bebouwing rondom de Westelijke Randweg (deel B in de afbeelding) volgt de wijkende rooilijnen en worden voorzien van voortuinen met hagen als erfafscheiding.
Deel A
Deel B
Deel A volgt de criteria zoals deze zijn opgesteld in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit.
Aanhelen historisch lint: bebouwing zoveel mogelijk in de rooilijn, met een groene voorzone.
A
6.3.3 Openbare ruimte Voor de openbare ruimte wordt onderscheid gemaakt tussen de lange lijn en bijzondere plekken en pleinen naast de lange lijn. De opgave voor de lange lijn is voldoende samenhang in het lengteprofiel creëren (door bomen, verlichting, inrichtingsprincipes en materialisering) zodat afwisseling in het breedteprofiel mogelijk is. De openbare ruimte van de bijzondere plekken en pleinen kan zich onderscheiden in materiaalgebruik, verlichting, beplanting, objecten.
B
Hoek: overgang van kleinschalige bebouwing Zijlweg naar grote schaal Westelijke Randweg
Criteria 1. Meer ruimte voor groen, fietser en voetganger ten koste van langsparkeerplaatsen. 2. Realiseren van een bomenrij passend in de hoofdbomenstructuur.
A
Nieuwe ontwikkelingen zorgen voor aanheling van het historische lint
6.3.4 Ruimtelijke structuur van de bebouwing
| Overzichtskaart principes Zijlweg
Aan de Zijlweg is de structuur van de bebouwing twee ledig: deel A omvat voornamelijk bestaande vooroorlogse bebouwing die karakteristiek is voor het historische lint. Deel B omvat voornamelijk naoorlogse bebouwing rondom de kruising met de Westelijke Randweg (zie afbeelding). Deze bebouwing is grootschaliger met grotere afstand tot de Zijlweg en een veel lossere opzet. Voor de bebouwing in deel A gelden de beeldkwaliteitseisen die zijn opgesteld in de NRK voor gebieden van 1920-1960. Voor deel B gelden onderstaande specifieke criteria. Criteria 1. Nieuwe bebouwing zoekt binding met de Zijlweg, Afstand tussen voorgevel en straat blijft beperkt maar heeft voldoende maat voor de aanleg van een voortuin. 2. Nieuwe bebouwing heeft een duidelijke adressering aan de Zijlweg. Entreepartijen en voordeuren worden
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 6 Beeldkwaliteit
70
in principe direct ontsloten op de Zijlweg.
6.3.5 Privaat en collectief maaiveld De kwaliteit van de Zijlweg wordt voor een belangrijk deel ontleent aan groene voortuinen met bomen en heesters en hagen als erfafscheiding. Nieuwe bebouwing draagt bij aan dit groene straatbeeld door voldoende afstand tot de straat te houden. Tussen de bebouwing en de straat worden voortuinen met hagen als erfafscheiding aangelegd. Zie ook paragrafen 5.9 en 6.2.3. Criteria 1. Monumentale voortuinen met hagen, heesters en bomen koesteren. 2. Nieuwe voortuinen dragen bij aan het versterken van het groene karakter van de Zijlweg. 3. Eventueel kan de erf afscheidende haag langs de Zijlweg gecombineerd worden met een laag muurtje mits dit zorgvuldig vormgegeven wordt.
6.3.6 Massa en vorm van de bebouwing Nieuwe bebouwing aan de Zijlweg moet qua massaopbouw en vorm zorgvuldig afgestemd worden op de (vooroorlogse) bebouwing langs de Zijlweg. Beoordeling is gericht op het beeld inclusief dakcontour van de gevelwand als geheel en de wijze waarop overgangen tussen bebouwing en private en openbaar ruimte worden vormgegeven. Extra aandacht gaat uit naar de vormgeving van hoekpanden die zowel onderdeel zijn van de Zijlweg als de Westelijke Randweg. Criteria 1. Nieuwe bebouwing is in massaopbouw en vorm zorgvuldig afgestemd op de maat en schaal van de (vooroorlogse) bebouwing langs de Zijlweg. 2. De gevelexpressie en parcellering van de (vooroorlogse) bebouwing langs de Zijlweg wordt doorgezet in de nieuwe bebouwing. 3. Nieuwe bebouwing aan de Zijlweg kent een duidelijke geleding van de gevel in plint, middendeel en beëindiging. 4. Eventuele kopgevels aan de Zijlweg worden altijd vormgegeven als representatieve voorgevels. Kopgevels kunnen worden voorzien van verbijzonderingen (kunst, ornamenten, klok). 5. Hoekpanden ter plaatse van de kruising met de Westelijke Randweg worden zodanig vormgeven
| Erfafscheiding Zijlweg met groenblijvende hagen
| Haag met daarvoor een laag bakstenen muurtje
| Voortuinen met groenblijvende hagen
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 6 Beeldkwaliteit
71
dat ze in maat en schaal zowel passend zijn bij de kleinere korrelmaat van de Zijlweg-bebouwing als bij de grotere maat van de bebouwing langs de Westelijke Randweg (zie paragraaf 6.4).
6.3.7 M ateriaal, kleur en detaillering van de bebouwing Nieuwe bebouwing aan de Zijlweg moet qua materiaalgebruik, kleur en detaillering zorgvuldig afgestemd worden op rijke baksteenarchitectuur van de (vooroorlogse) bebouwing langs de Zijlweg. Criteria 1. De architectuur van de nieuwe bebouwing verwijst naar de baksteenarchitectuur van de vooroorlogse bebouwing in de Zijlweg zonder historiserend te zijn. 2. Gevelmateriaal bestaat voornamelijk uit metselwerk met houten of aluminium kozijnen. Schuine daken worden afgedekt met pannen of leien. 3. De roodbruine kleurtinten van het metselwerk van de vooroorlogse bebouwing is uitgangspunt voor de kleur van het metselwerk voor de nieuwe bebouwing. 4. Eigentijdse toepassing van de lichte onderdelen in de gevel: lateien, kaders, dorpels, goten, entrees. 5. Gevels zijn reliëfrijke door een geraffineerd spel van ‘half-in/half-uit’-balkons, neggediepten, metselwerkverbanden en ornamenten. Extra verfijning in de plint en bij de entrees. 6. De plastiek van de gevels wordt geborgd door een minimale afstand van 190mm tussen kozijn en buitenste gevelvlak. Deze 190mm mag in één keer bij de negge van de ramen worden ingezet, maar kan ook door middel van een inspringing in het metselwerk van 100mm en een 90mm negge van de ramen, gerealiseerd worden.
| Gevelexpressie en parcellering bestaande bebouwing
| Eigentijdse toepassing van witte onderdelen (Raaks 3)
| Hoekpanden sluiten aan op verschillende korrelmaten
| Reliefrijk metselwerk en ‘half-in/half-uit’-balkons
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 6 Beeldkwaliteit
72
6.4 Westelijke Randweg De Westelijke randweg wordt in de NRK gecategoriseerd als ‘nieuwe route’. Nieuwe routes zijn ontworpen en gedimensioneerd op de verkeersfunctie en vaak gekoppeld aan brede groenstructuren. Nieuwe routes liggen veelal in transformatiegebieden en zijn daarmee aan verandering onderhevig.
6.4.1 Inventarisatie De Westelijke Randweg in de zone Zijlweg-West is onderdeel van de N208. Het profiel bestaat uit 2x2 rijbanen met uitvoegvakken ter plaatse van de kruising met de Zijlweg. Naast de weg liggen vrijliggende fiets- en voetpaden, onderling gescheiden door groene bermen. Er staan weinig bomen langs de Randweg of in de middenberm. Delen van de route hebben een filmisch karakter: zijden met bebouwing worden afgewisseld met doorzichten naar het landschap.
De oostzijde is te beschouwen als stadsrand met veelal aaneengesloten bebouwing parallel aan de Randweg. De bebouwing aan de westzijde staat niet in een vaste rooilijn maar veel losser in de ruimte. Prominent aanwezig is het voormalig Rijkswaterstaatgebouw. Dit gebouw staat met de lange zijde op enige afstand parallel aan de Randweg. Het telt vijf lagen boven een halfverdiepte plint. De bovenste laag heeft een setback. De gevel bestaat uit baksteen. De horizontaliteit wordt benadrukt door aaneengesloten kozijnen in een betonnen omlijsting.
6.4.2 P rincipes openbare ruimte en bebouwing Zoals in paragraaf 4,2 is uitgelegd en op naaststaande afbeeldingen verbeeld is, worden voor het maaiveld en nieuwe bebouwing langs de Randweg de volgende principes toegepast: 1. Het filmisch karakter van de Randweg wordt versterkt door bomen zodanig te groeperen dat het afwisselend beeld met doorzichten naar het landschap en dichtbij
en verder van de Randweg gelegen bebouwing wordt versterkt. 2. De bebouwing aan de oostzijde vormt een stadsrand, de bebouwing aan de westzijde krijgt een lossere setting in het landschap. 3. Ter plekke van de Campus snijdt de Randweg door het beoogde duinrand-landschap van de Campus. De losse plaatsing van bomen op de Campus wordt doorgezet in de bermen van de Randweg.
6.4.3 Openbare ruimte Het groen langs de Randweg (van hoge ecologische waarde) wordt ingericht met veel afwisseling zodat het landschappelijke en filmische karakter van de Randweg wordt versterkt.
Losse gebouwen in het groen
Doorzicht naar het landschap
| Voormalig Rijkswaterstraatgebouw
gebouwen met geluidsluwe zijde vanwege geluid Randweg
| Overzichtskaart principes Westelijke Randweg
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 6 Beeldkwaliteit
73
Criteria 1. Het wegprofiel proberen te versmallen door bij de kruising met de Zijlweg dubbele uitvoegvakken terug te brengen tot enkele. 2. Vrijgekomen ruimte benutten voor het creëren van een zo breed mogelijke groene middenberm. 3. Verschillende soorten inheemse bomen en struiken aritmisch in de bermen planten met als doel een natuurlijk en afwisselend beeld met verrassende doorzichten. 4. Onderbegroeiing bestaat uit bloemrijk grasland. 5. Ter plaatste van de Campus wordt het duinrand landschap doorgezet in de bermen van de Randweg. 6. Voet en fietspaden liggen los in het groen. Afwateren in de bermen en naastgelegen watergangen.
6.4.4 Ruimtelijke structuur van de bebouwing De bebouwing aan de oostzijde vormt een stadsrand, de bebouwing aan de westzijde krijgt een lossere setting in het landschap. De schaal van de bebouwing is passend bij de schaal van de Randweg. Criteria 1. De schaal van de gebouwen sluit aan op de schaal van de Randweg. 2. Nieuwe bebouwing aan de oostzijde vormt een stadsrand, nieuwe gebouwen aan de westzijde staan als solitairen in een groen landschap.
| Duinrand-landschap van de Campus doorzetten in de bermen van de Randweg
6.4.5 Privaat en collectief maaiveld Om het groene en landelijke karakter van de Randweg te behouden staan nieuwe gebouwen nooit ‘koud’ aan de randweg, het beeld wordt altijd verzacht door groen. Criteria 1. Bomen en struiken verzachten altijd het zicht vanaf de Randweg op de nieuwe bebouwing. 2. Op plekken waar onvoldoende ruimte is voor het plaatsen van voldoende bomen en struiken in de bermen van de Randweg, wordt op eigen terrein groen toegevoegd voor de bebouwing. 3. Langs de gevel alleen een smalle strook verharding voor onderhoud.
| Fietspaden los in het groen
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 6 Beeldkwaliteit
74
6.4.6 Massa en vorm van de bebouwing De bebouwing langs de Westelijke randweg kan een grotere korrelmaat krijgen dan de bebouwing aan de Zijlweg. Dit kan ook tot uitdrukking worden gebracht in de architectuur. Het voormalige Rijkswaterstaatgebouw is een goede referentie: een gebouw met een eenvoudige geometrie en een heldere architectonische uitwerking. Criteria 1. Aan de Randweg kan de bebouwing een grotere korrelmaat krijgen dan aan de Zijlweg, maar de hoogte is altijd passend in de omgeving. Er is dus nooit sprake van te grote schaalsprongen. 2. Nieuwe gebouwen aan de Randweg hebben een eenvoudige hoofdvorm. In de architectuur wordt óf de horizontaliteit van het gebouw benadrukt óf het compacte karakter. 3. Maatregelen om verkeerslawaai tegen te gaan, leiden niet tot te lange, monotone of doodse gevels. 4. Bij voorkeur geen galerijen aan de Randweg situeren. Als dit toch noodzakelijk is, dan worden ze voorzien van een zorgvuldig vormgegeven buitengevel die overdag en ’s avonds kwaliteit heeft. 5. Hoekpanden ter plaatse van de kruising met de Zijl weg worden zodanig vormgeven dat ze in maat en schaal zowel passend zijn bij de grotere maat van de bebouwing langs de Randweg als bij de kleinere korrel maat van de Zijlweg-bebouwing (zie paragraaf 6.3).
6.4.7 Materiaal, kleur en detaillering van de bebouwing
| Gebouw met een grotere korrelmaat en eenvoudige vorm
Materiaal, kleur en detaillering moet passen bij de beoogde architectonische uitstraling van het gebouw waarin of de verticaliteit of de compactheid van het gebouw tot uitdrukking komt. Criteria 1. Gevels kunnen in verschillende materialen uitgevoerd worden, maar er is altijd sprak van één duidelijk hoofdmateriaal: steen, hout, glas. 2. De toe te passen kleuren zijn altijd in harmonie met het groene, landschappelijke karakter van de Randweg. Felle of contrasterende kleuren zijn niet toegestaan. 3. De materialisering en detaillering van noodzakelijke dove of geluidwerende gevels worden met veel aandacht voor het aanzicht vanaf de Randweg ontworpen. | Representatieve dove gevel
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 6 Beeldkwaliteit
75
6.5 Spoorzone In de NRK zijn geen criteria opgenomen voor de spoorzone. Zoals in de voorgaande hoofdstukken is omschreven wil Haarlem hier niet alleen de ecologische waarde versterken, maar moet ook de ruimtelijke kwaliteit worden verbeterd.
De inrichting van de spoorzone is een continue, brede ecologisch ingerichte zone
6.5.1 Inventarisatie
Nieuwe gebouwen houden voldoende afstand en krijgen een representatieve gevel aan de zijde van het spoor.
Door de hoge ligging van het spoor vormen taluds de overgang naar de aanliggende ontwikkelgebieden. Watergangen en hekken scheiden het spoor van de aanliggende ruimte. Bebouwing in de spoorzone vertoont weinig samenhang en bestaat voor het grootste deel uit achterkanten. Langs de spoorzone is veel verharding aanwezig, parkeerplekken aan de achterzijde van gebouwen, smalle watergangen en harde kades.
6.5.2 P rincipes openbare ruimte en bebouwing Zoals in paragraaf 4.2 is uitgelegd en op naaststaande afbeeldingen verbeeld is, worden voor het maaiveld en nieuwe bebouwing langs de spoordijken de volgende principes toegepast: 1. De inrichting van de spoorzone is een continue, brede ecologisch ingerichte zone met doorlopende watergangen evenwijdig aan het spoor die als scheiding en buffer fungeren tussen spoor en bebouwing. 2. Nieuwe gebouwen houden voldoende afstand tot de watergangen waardoor er voldoende ruimte is voor de aanplant van bomen en struiken. Bebouwing krijgt een representatieve gevel aan de zijde van het spoor.
6.5.3 Openbare ruimte
| Overzichtskaart principes spoorzone
Zoals in de Masterplan is uitgelegd is het primaire doel van de openbare ruimte langs het spoor het versterken van de ecologische waarde ervan. Daar waar barrières zijn worden faunapassages aangelegd. Door de aanleg van watergangen met natuuroevers worden hekken overbodig. Dit profiel, zoals hiernaast is verbeeld, wordt toegepast op plekken waar dit ruimtelijk mogelijk is. Criteria 1. De spoorzone is een groene zone met een natuurlijke overgang van een droge spoordijk naar (waar mogelijk) een natte watergang met ecologische oevers. Variatie in beplanting; bomen, bloemrijk gras, maar ook een struweel voor voldoende beschutting en foerageergebied voor verschillende doelsoorten.
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 6 Beeldkwaliteit
76
2. Water als ruimtelijke scheiding toepassen om hekwerken te vermijden; als er geen water te realiseren is, worden de hekken ingepast in een dichtbegroeide groenzone of struweel. 3. De oeverzijde waar de zon op schijnt (de noordzijde) krijgt een ecologische oever met een minimaal talud van 1:3 en waar mogelijk een talud van 1:5. 4. Faunapassages (plankier) toepassen in verschillende duikers, bijvoorbeeld onder de Randweg en onder het spoor. 5. Naast het water is een zone van 4 meter vrij voor onderhoud met maaimachines. Waar dit niet mogelijk is, wordt het beheer aangepast uitgevoerd (bijvoorbeeld vanaf het water). 6. Indien er ruimte is voor recreatiepaden en dit niet tot verstoring van de natuur leidt, dan worden deze in halfverharding uitgevoerd conform HIOR. Als verlichting hierbij noodzakelijk is dan leidt deze niet tot verstoring van de fauna die ’s avonds en ’s nachts actief is.
| Gemengde kruidenlaag
| Struweel met gemengde haag
| Halfverharding
6.5.4 Ruimtelijke structuur van de bebouwing Nieuwe bebouwing langs de sporen moet bijdragen aan het groene karakter van de spoorzone en is hier ondergeschikt aan. Het krijgt een losse setting met ervoor en ertussen voldoende ruimte voor groen. Criteria 1. De nieuwe bebouwing in de spoorzone krijgt een losse setting met voldoende ruimte voor bomen en struiken voor en tussen de bebouwing. 2. De schaal van de bebouwing is passend bij de schaal van de spoorzone en de omliggende bebouwing.
| Plankier
| Natuurvriendelijke oevers
| Voorbeeld talud 1:3
| Voorbeeld talud 1:5
6.5.5 Privaat en collectief maaiveld Om het groene karakter van de spoorzone te behouden en versterken staan nieuwe gebouwen nooit ‘koud’ aan de watergang langs het spoor, het beeld wordt altijd verzacht door groen. Criteria 1. Bomen en struiken verzachten altijd het zicht vanaf het spoor op de nieuwe bebouwing. 2. Op plekken waar onvoldoende ruimte is voor het plaatsen van voldoende bomen en struiken in openbare ruimte langs het spoor, wordt op eigen terrein groen toegevoegd voor de bebouwing.
Ontwikkelzone Zijlweg-West | Masterplan | 6 Beeldkwaliteit
77
6.5.6 Massa en vorm van de bebouwing Er moet rekening gehouden worden met geluid afkomstig van het spoor. Bouwvlakken zijn in het masterplanontwerp buiten de ‘rode’ geluidscontour van het spoor geplaatst waardoor dove gevels hier niet nodig zijn (zie bijlage 5). Gevels gericht op het spoor krijgen een hoogwaardige, representatieve uitstraling. Criteria 1. Nieuwe gebouwen krijgen een hoogwaardige, representatieve gevel aan de spoorzijde. 2. De gebouwen zijn aan de spoorzijde voorzien van voldoende gevelopeningen en dragen daarin bij aan een sociaal veilige buitenruimte. 3. Aan de spoorzijde heeft de gebouwplint een sterke (visuele) relatie met de buitenruimte.
6.5.7 M ateriaal, kleur en detaillering van de bebouwing Materiaal, kleur en detaillering moet passen bij de beoogde architectonische uitstraling van het gebouw. Criteria 1. Gevels kunnen in verschillende materialen uitgevoerd worden, maar er is altijd sprak van één duidelijk hoofdmateriaal: steen of hout. 2. De toe te passen kleuren zijn altijd in harmonie met het groene karakter van de spoorzone. Felle of contrasterende kleuren zijn niet toegestaan.