CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen partiële herziening aansluiting N315-N768

Gemeenteraad 30 november 2022, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening aansluiting N315 – N768’30.734 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.4

Externe veiligheid

Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengen risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke lading vrij kan komen. De discipline externe veiligheid houdt zich bezig met het beheersen van de hieraan verbonden risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden. Daarnaast horen bij externe veiligheid de risico’s volgend uit het in werking hebben van windturbines en luchthavens.

27 | 62

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gericht op de bescherming van individuen die zich bevinden in beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten2. Deze twee soorten (kwetsbare) objecten worden ook wel de risico-ontvangers genoemd. In het kader van het vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen zoals een bestemmingsplan of afwijking van een bestemmingsplan moet worden getoetst of het realiseren van het plan een onacceptabel extern veiligheidsrisico oplevert. Bij de toetsing moet gekeken worden naar twee soorten risico’s, plaatsgebonden risico en groepsrisico. In deze paragraaf wordt eerst het toetsingskader beschreven met de daarbij behorende definities van het plaatsgebonden risico en groepsrisico. Daarna komen de risicobronnen die zich in het gebied bevinden aan de orde en is getoetst aan de geldende wet- en regelgeving.

4.4.1

Toetsingskader

Het doel van het externe veiligheidsbeleid is tweeledig: - de bescherming van personen middels het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten; - het mogelijk maken om te werken met gevaarlijke stoffen. De gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen: - stationaire bronnen, zoals een fabriek of een lpg-vulpunt; - mobiele bronnen, zoals transport van gevaarlijke stoffen over wegen en door leidingen. Voor inrichtingen (bedrijven) zijn het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) en de ‘Regeling externe veiligheid inrichtingen’ (Revi) van belang. In het Bevi wordt externe veiligheid omschreven als 'de kans om buiten een inrichting te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen de inrichting waar een gevaarlijke stof bij betrokken is'. De richtlijnen voor buisleidingen zijn weergegeven in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als ook de bijbehorende regeling (Revb). Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen' van belang. Daarnaast is er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is, waaronder het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt tussen een plaatsgebonden risico en een groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Binnen de 10-6-contour mogen geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Het groepsrisico (GR) is de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloedsgebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden. Naast het bovenstaande toetsingskader heeft de gemeente Utrecht de Nota Externe veiligheid opgesteld (juli 2003). Hierin is de visie op externe veiligheid vastgelegd.

2

In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is de definitie opgenomen van kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten.

28 | 62

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

4.4.2

Resultaten

In de directe nabijheid van het plangebied liggen twee risicobronnen. De risicobronnen zijn op afbeelding 4.2 weergegeven. 1 N768 (groene lijn); 2 aardgasleiding (rood onderbroken lijn). Op onderstaande afbeelding is de N18 niet als risicobron weergeven. Dit heeft vermoedelijk ermee te maken dat de nieuwe N18 nog niet verwerkt is in de risicokaart als de Regeling basisnet. Echter is de nieuwe N18 op een dusdanige afstand van het plangebied gelegen dat deze buiten beschouwing gelaten kan worden. Ook de aardgasleiding ter hoogte van Rietmolen wordt vanwege de afstand buiten beschouwing gelaten. Van het transport met gevaarlijke stoffen dat voorheen over de N768 (oude N18) reed, kan niet worden aangenomen dat deze nu 1-op-1 over de nieuwe N18 rijdt. De N768 (in de Regeling basisnet nog de N18) wordt daarom in deze paragraaf wel behandeld. De rotonde zelf is geen risicobron.

Afbeelding 4.2 Ligging risicobronnen ten opzichte van plangebied (in het blauwe kader)

Transport gevaarlijke stoffen over de weg De oude N18 (tegenwoordig N768) is opgenomen in de Regeling basisnet. Over deze weg vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Tabel 4.4 toont de informatie van het relevante wegvak uit de Regeling Basisnet.

Tabel 4.4 Details Regeling basisnet Wegvak nr.

Naam Basisnetweg

G22

N18: afrit N822 (Eibergen) - afrit N347 (Haaksbergen)

PR 10-6

PR 10-7 (GR)

PAG

GF3

0m

9m

NEE

1000

Plaatsgebonden risico De plaatsgebonden risicocontour van de N768 is 0 meter, gemeten vanaf de middenberm. De PR-6 contour van 0 meter leidt daarmee conform artikel 3 Bevt niet tot een belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

29 | 62

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

Groepsrisico Het transport van LPG (stofcategorie GF3) is maatgevend voor de waarde van het groepsrisico. De N768 heeft voor wegvak nummer G22 een groepsrisico (PR 10-7) van 9 meter. De N768 wordt in de nieuwe situatie iets verlegd richting het westen, omdat deze moet afbuigen naar de rotonde welke iets westelijker ligt dan de huidige kruising. De risico’s als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen over de weg dienen te worden meegenomen in een beperkte verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. De redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen neemt met de aanleg van de rotonde niet toe. De oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. Het is daarom aannemelijk dat het groepsrisico niet toeneemt en leidt daarom niet tot een belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Plasbrand aandachtsgebied (PAG) De N768 heeft geen PAG, waardoor dit niet tot een belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling leidt.

4.4.3

Conclusie

Zowel het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en het PAG van de N768 leiden niet tot een belemmering voor het voorgenomen initiatief. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen bezwaren voor de aanleg van de nieuwe rotonde.

4.5

Natuur

In deze paragraaf wordt ingegaan op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de voorgenomen tijdelijke functiewijziging vanuit het oogpunt van natuur. De volledige quickscan natuur is opgenomen in bijlage III.

4.5.1

Toetsingskader

De Wet natuurbescherming regelt op hoofdlijnen drie zaken: 1 bescherming van planten- en diersoorten; 2 bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000-gebieden; 3 bescherming van bos en houtopstanden. Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming maakt de Wet natuurbescherming onderscheid in drie categorieën: - vogels: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; - Habitatrichtlijnsoorten: dit zijn soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I en II van het Verdrag van Bern en bijlage II van het Verdrag van Bonn; - andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om een aantal zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving zoals foerageergebieden of vliegroutes) van beschermde soorten uit de eerste en tweede categorie mogen niet (opzettelijk) verstoord of vernietigd worden. Daarnaast mag geen enkele beschermde soort (opzettelijk) worden gedood of verwond. Bij vogels zijn daarnaast de nesten van belang. Er zijn 5 categorieën broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (categorie 1-4) of waarvan de nesten beschermd zijn als er onvoldoende alternatieven zijn (categorie 5).

De categorie ‘andere soorten’ gaat om soorten die niet onder de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn vallen. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren beschermd moeten worden. De overige soorten uit deze bijlage worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee wordt door Nederland uitvoering gegeven aan het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantsoorten te garanderen.

30 | 62

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

Gebiedsbescherming Natura 2000 De minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat de Wet natuurbescherming de bescherming van Natura 2000-gebieden regelt. Het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden nagenoeg gelijk blijft aan de bepalingen uit de voormalige Natuurbeschermingswet 1998. Voor beschermde natuurmonumenten geldt echter dat de beschermingsstatus van deze gebieden in de nieuwe wet is komen te vervallen. Toetsing aan (oude doelen van) beschermde natuurmonumenten is derhalve vanaf het moment van inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming niet meer noodzakelijk. Stikstofdepositie Op grond van artikel 2.7 lid 2 Wet natuurbescherming is een vergunning vereist voor het realiseren van projecten waar op voorhand significante negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten.

Specifiek voor het aspect stikstof geldt dat sinds de rechterlijke uitspraak van de Raad van State van 29 mei 20193 de ecologische gevolgen van iedere berekende depositie van meer dan 0,005 mol N/ha/jr beoordeeld moet worden. De berekening moet uitgevoerd worden met de meest actuele versie van het rekeninstrument AERIUS Calculator. Kader vergunningverlening stikstof Momenteel geldt het volgende kader voor de vergunningverlening voor projecten: - op basis van de Wet natuurbescherming is een vergunning vereist voor projecten die een significant gevolg kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied4. Dit is dus niet het geval indien significante gevolgen op voorhand zijn uit te sluiten. Dit is voor stikstof bijvoorbeeld het geval indien er volgens de stikstofberekeningen geen toename van stikstofdepositie plaatsvindt naar aanleiding van het te realiseren project, of indien significante gevolgen kunnen worden uitgesloten in de voortoets (bijvoorbeeld door interne saldering); - indien niet op voorhand kan worden uitgesloten dat mogelijke significante gevolgen optreden, dient een Passende Beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante gevolgen aan de orde zijn. In een Passende Beoordeling mogen ook mitigerende maatregelen (zoals externe saldering) betrokken worden.

De vergunning kan worden verleend indien (eventueel met toepassing van deze mitigerende maatregelen) de voorgenomen activiteit de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten5; - als uit de Passende Beoordeling blijkt dat significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, kan een vergunning enkel worden verleend indien de ADC-toets succesvol wordt doorlopen: · A: er zijn geen alternatieve oplossingen; · D: het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang; · C: door middel van compenserende maatregelen wordt gewaarborgd dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft6. Partiële vrijstelling activiteiten bouwsector Op 1 juli 2021 is zowel de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) als het bijbehorende Besluit stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Deze wet voorziet onder andere in een partiële vrijstelling. Op basis van deze vrijstelling worden de gevolgen van stikstofdepositie door ‘activiteiten van de bouwsector’ uitgezonderd van de vergunningplicht op grond van artikel 2.7 lid 2 Wet natuurbescherming. In het bijbehorende Besluit stikstofreductie en natuurverbetering is nader uitgewerkt welke activiteiten worden aangemerkt als ‘activiteiten van de bouwsector’. Het betreft het verrichten van een bouw- of een 3

ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603.

4

Artikel 2.7 lid 2 Wet natuurbescherming.

5

Artikel 2.7 lid 3 jo. Artikel 2.8 lid 3 Wet natuurbescherming.

6

Artikel 2.8 lid 2 Wet natuurbescherming.

31 | 62

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft of het aanleggen, wijzigen of opruimen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Voor de (gevolgen van) stikstofdepositie door deze activiteiten hoeft dus in beginsel geen natuurvergunning te worden aangevraagd. Andere effecten dan stikstof en stikstofeffecten in de gebruiksfase blijven wel vergunningplichtig. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zorgt voor een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden en natuurontwikkelingsgebieden die met elkaar verbonden worden door ecologische verbindingszones. Houtopstanden Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: - alleen bossen die buiten de 'bebouwde kom Boswet' liggen; - alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); - bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de 'bebouwde kom Boswet' bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de 'bebouwde kom Verkeerswet'. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd.

4.5.2

Resultaten

Voor het onderdeel natuur is een quickscan uitgevoerd. Het doel van deze quickscan is om te toetsen: - welke effecten de rotonde in zowel de aanleg- als gebruiksfase heeft op: · beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming; · beschermde gebieden (Natura 2000) in het kader van de Wet natuurbescherming; · het Natuurnetwerk Nederland (NNN); · houtopstanden dan wel gemeentelijk bomenbeleid; - wat de consequenties van deze mogelijke effecten zijn in het kader van de natuurwetgeving en het natuurbeleid (ontheffings- en/of vergunningaanvraag in combinatie met mitigerende/compenserende maatregelen). Soortenbescherming Aan de hand van de geplande werkzaamheden voor en gebruik van de drie varianten en de verstoringgevoeligheid van aanwezige beschermde soorten is bepaald of negatieve effecten optreden en of er sprake is van een overtreding van de Wet natuurbescherming (Wnb). Tevens is beschreven welke maatregelen genomen moeten worden om effecten te voorkomen. Afbakening van effecten Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase is een mogelijk effect vernietiging van leefgebied. Dit effect treedt op in de aanlegfase, maar werkt door tijdens de gebruiksfase. Verstoring is geen verwacht effect tijdens de gebruiksfase.

Het gebruik van de weg zal niet noemenswaardig veranderen (expert judgement: hoogte enkele tienden van dB(A)), waardoor er geen verandering in verstoring door geluid wordt verwacht. Ook wordt geen lichtverstoring verwacht. De huidige verkeerslichten verdwijnen. Zowel in de huidige situatie als in de nieuwe situatie met de rotonde blijven de lantaarnpalen. Een mogelijk positief effect op lichtverstoring wordt hierdoor ook niet verwacht. Aanlegfase De mogelijke effecten tijdens de aanlegfase zijn verstoring door licht of geluid, en sterfte van individuen. Verstoring wordt bijvoorbeeld veroorzaakt door gebruik van materieel en bouwlampen en de aanwezigheid

32 | 62

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

van mensen. Dier- en plantensoorten die beschermd zijn onder het beschermingsregime ‘andere soorten’ zijn vrijgesteld van verstoring. Vleermuizen Van vernietiging van essentieel leefgebied of verblijfplaatsen is geen sprake. Ook sterfte treedt niet op. Bij de rotonde kan wel verstoring van vleermuizen optreden in de aanlegfase: - verstoring door licht treedt op als kunstmatige verlichting in het kader van de werkzaamheden, in de actieve periode van vleermuizen (maart-november, tussen een uur voor zonsondergang tot een uur na zonsopkomst) uitstraalt tot op essentiële vliegroutes en essentiële foerageergebieden, of op de uitvliegopeningen van verblijfplaatsen. Met name de laatvlieger is hier gevoelig voor; - verstoring door geluid treedt op als in de actieve periode van vleermuizen (maart-november, tussen een uur voor zonsondergang tot een uur na zonsopkomst) een geluidsbelasting van meer dan 80 dB optreedt met een frequentie tussen de 4 en 110 kHz ter hoogte van essentiële vliegroutes en essentiële foerageergebieden, of op de uitvliegopeningen van verblijfplaatsen. Verstoring van vleermuizen in essentieel leefgebied is een overtreding van artikel 3.5 lid 2 van de Wnb. Hiervoor moet een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffingsaanvraag is niet nodig als verstoring aantoonbaar volledig wordt voorkomen door het nemen van mitigerende maatregelen.

Doorgaans is verstoring door licht en geluid goed te mitigeren. Mitigerende maatregelen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit werken bij daglicht, gebruik maken van vleermuisvriendelijke verlichting en het verminderen van het aantal lampen. Gebruiksfase In de gebruiksfase van de rotonde vindt er geen vernietiging van essentieel leefgebied plaats. Aanlegfase In de aanlegfase kan er mogelijk verstoring door licht en geluid plaatsvinden. Verstoring kan worden voorkomen door mitigerende maatregelen te treffen. Grondgebonden zoogdieren Grote delen van het plangebied bieden geen vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor grondgebonden zoogdieren. Tijdens aanvullend veldbezoek is ook de aanwezigheid van nesten van eekhoorns uitgesloten. Door de werkzaamheden kan er wel sterfte van grondgebonden zoogdieren plaatsvinden tijdens de aanlegfase, door rijden met groot materieel. Dit is een overtreding van artikel 3.10 lid 1a van de Wnb. Voor de niet-uitgesloten soorten zijn mitigerende maatregelen voldoende om sterfte te voorkomen. Grondgebonden zoogdieren zijn schuwe en mobiele soorten, die bij aanvang van de werkzaamheden het plangebied zullen ontvluchten. Om deze migratie te verzekeren kan men voor aanvang van de eigenlijke werkzaamheden de dieren opschrikken met geluid, bijvoorbeeld door het werkmaterieel reeds kort te laten draaien.

In de nabijheid van het plangebied zijn voldoende gebieden aanwezig voor een eventuele (tijdelijke) uitwijking gedurende de werkzaamheden. Om sterfte verder uit te sluiten is het aan te raden om werkzaamheden zoveel mogelijk te beperken en buiten de voortplantingsperiode te werken. Gebruiksfase Van vernietiging van leefgebied is tijdens de gebruiksfase van de rotonde geen sprake. Er vinden geen negatieve effecten plaats. De effecten van licht- en geluidsverstoring zijn niet meegenomen, omdat deze voor dit beschermingsregime geen overtreding betreffen. Aanlegfase In de aanlegfase van de rotonde kunnen aanwezige grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) worden gedood. Dit is te mitigeren, bijvoorbeeld door het werkmaterieel reeds kort te laten draaien, waardoor de dieren zullen vertrekken.

33 | 62

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

Vogels Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor vogelsoorten in de vorm van foerageergebied. Van vernietiging is daarom geen sprake. Een aantal te kappen bomen in de berm ten oosten van de nieuwe rotonde vormen wel potentiële nestplaatsen vogels met een jaarrond beschermd nest. De aanwezigheid van deze nesten is echter tijdens een aanvullend veldbezoek uitgesloten. Door de werkzaamheden kunnen ook overige nestelende vogels verstoord worden: verstoring door licht en geluid. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat opzettelijk verstoren in het broedseizoen (individuen, nesten of eieren) verboden is volgens de Wnb. Het verkrijgen van ontheffing voor het verstoren van broedvogels is meestal niet mogelijk. De effecten op vogels en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb zijn namelijk gemakkelijk te voorkomen door buiten het broedseizoen te werken. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli, met het risico dat sommige vogels tot in september kunnen broeden. Een andere optie is om de werkzaamheden vlak voor het broedseizoen te starten en dan continu door te werken (werkzaamheden niet langer dan enkele dagen stilleggen), zodat vogels niet gaan broeden in het gebied waar gewerkt wordt.

Als werkzaamheden plaatsvinden in het broedseizoen, moet een deskundige eerst vaststellen dat er geen broedende vogels aanwezig zijn in het deel van het plangebied waar gewerkt wordt. Wanneer wordt geconstateerd dat in de directe omgeving van de werkzaamheden geen vogels broeden bij de start van de werkzaamheden, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Mochten er wel broedende vogels aanwezig zijn binnen de verstoringcontour van de werkzaamheden, dan mag pas met de werkzaamheden worden gestart als er niet meer gebroed wordt. Doorgaans zijn de meeste vogels rond half juli uitgebroed, er zijn echter vogelsoorten die tot in september broeden. Gebruiksfase In de gebruiksfase treden er geen effecten op omdat er geen vernietiging van jaarrond beschermde nesten van vogelsoorten plaatsvindt en er geen potentieel leefgebied wordt vernietigd. Aanlegfase In de aanlegfase kan sterfte en verstoring van broedvogels optreden bij de aanleg van de rotonde maar dit is te mitigeren. Amfibieën en reptielen Effecten op amfibieën kunnen worden uitgesloten. De aanwezigheid van de reptielen hazelworm en levendbarende hagedis kan echter niet worden uitgesloten. Voor beide soorten bevindt zich geschikt habitat in de berm. De effecten van licht- en geluidsverstoring worden niet meegenomen, omdat verstoring voor soorten in dit beschermingsregime geen overtreding betreft.

Beide soorten overwinteren in holen in de grond nabij geschikt leefgebied. De beperkende voorwaarde is daarom dat er enkel gegraven mag worden in de actieve periode (mei-september), om ervoor te zorgen dat overwinterende dieren niet worden gedood terwijl ze in de ruststand zijn. Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase zullen er geen negatieve effecten zijn op reptielen in of rondom het plangebied. Vervolgstappen om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen zijn zodoende niet nodig. Wel geldt de algemene zorgplicht. Aanlegfase Dat door werkzaamheden tijdelijk het leefgebied ongeschikt zal worden voor reptielen, is geen overtreding van de Wnb, omdat de berm geen onderdeel is van essentieel leefgebied. Incidentele aanwezigheid van de reptielen hazelworm en levendbarende hagedis kan niet worden uitgesloten. De soorten komen in de regio voor en voor beide soorten bevindt zich beperkt geschikt habitat in de berm. Het betreft echter geen essentieel habitat. De hazelworm heeft een voorkeur voor enigszins vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden. Ze zonnen weinig op open plekken en verschuilen zich doorgaans onder planten, strooisel of ondergronds. De levendbarende hagedis is een vochtminnende soort die een voorkeur heeft voor redelijk

34 | 62

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

dicht begroeide gebieden, zoals heide- en hoogveengebieden, maar ook voor schraal grasland, open plekken in bossen en rijk begroeide bosranden, wegbermen, dijktaluds, hagen en houtwallen. In de genoemde landschapstypen wordt de soort veel aangetroffen op oevers en vochtige terreindelen met structuurrijke overgangen van vochtige naar droge terreindelen. Verdroging is een belangrijke negatieve factor. Hij is afhankelijk van structuurrijk habitat met daarbinnen open zon beschenen, snel opwarmende plekken in de nabijheid van dekkingsmogelijkheden om zich te beschermen tegen uitdroging en predatie. De berm langs de weg is (te) droog en wordt periodiek gemaaid. De vegetatie is er te open en het is er te droog om als essentieel leefgebied voor hazelworm en levendbarende hagedis te dienen. Om toch sterfte van incidenteel voorkomende dieren te voorkomen, dient het plangebied voorafgaand aan de werkzaamheden ongeschikt te maken voor de hazelworm en de levendbarende hagedis. Vegetatie wordt kort gehouden, takken worden verwijderd en eventuele (muizen)holen worden uitgegraven buiten de overwinteringsperiode van de soorten. Het werkt dient in één richting uitgevoerd te worden, zodat eventueel aanwezig dieren kunnen vluchten. Een andere mogelijkheid is het plangebied af te rasteren en individuen af te vangen.

Vlinders, libellen en andere ongewervelden Insecten zijn ongevoelig voor verstoring. Libellen hebben bovendien geen risico op sterfte. De beekrombout is mobiel genoeg om geen hinder te ondervinden van de werkzaamheden. Het plangebied vormt daarnaast geen essentieel leefgebied. Er treden zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen effecten op. Flora Als gevolg van het ontbreken van geschikt leefgebied in en rondom het plangebied, kan de aanwezigheid van beschermde flora binnen het plangebied worden uitgesloten. Negatieve effecten als gevolg van het voornemen, voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase zijn daarmee uitgesloten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn zodoende niet nodig. Wel geldt de algemene zorgplicht. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Op afbeelding 4.3 zijn omliggende Natura 2000-gebieden weergegeven. De rode punt ligt op het plangebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Buurserzand & Haaksbergerveen, ligt op meer dan vier kilometer afstand van het plangebied. Op deze afstand zijn vrijwel alle effecten, behalve stikstofdepositieeffecten, voor de gebruiksfase op voorhand uit te sluiten. Uit de berekeningen blijkt dat de berekende stikstofdepositie voor zowel 2024 als 2033 lager is dan 0,005 mol/ha/jaar.

Mogelijke significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden door stikstof zijn daarmee ook op voorhand uit te sluiten. Er geldt geen vergunningsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. De AERIUS-berekeningen zijn te vinden in bijlage IV van deze toelichting.

35 | 62

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

Afbeelding 4.3 Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied7

Natuurnetwerk Nederland Het zuidoostelijk deel van het plangebied is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), zie afbeelding 4.4.

Afbeelding 4.4 Globale ligging plangebied ten opzichte van NNN (bron: geodataoverijssel.nl)

7

https://services.geodataoverijssel.nl/viewer/layer/B46_natuur_en_landschap/B46_Natuurnetwerk_Nederland.

36 | 62

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

De aanleg van de rotonde en de aansluiting van de Assinkweg hierop heeft een permanent ruimtebeslag op de NNN (zie afbeelding 4.5). Dit betreft ongeveer 615 m2. Na aanleg van de rotonde vervalt een deel van de huidige Assinkweg omdat deze dan overbodig is geworden. Dit deel van de weg kan omgevormd worden tot NNN-gebied (invulling van de compensatieopgave). Het Lankheet wil daartoe met de gemeente Haaksbergen tot een grondruil komen, waarbij het landgoed het vervallen deel van het huidige zandpad overneemt en de gemeente Haaksbergen eigenaar wordt van de verlegde Assinkweg. In de huidige situatie ligt er natuurtype N16.03 Droog bos met productie. Dit bos wordt echter in het kader van ziektebestrijding (letterzetter) reeds gekapt (autonome ontwikkeling). Het is nog onbekend welke toekenning (beheertype) dit bos krijgt. In deze effectbeoordeling wordt daarom vooralsnog uitgegaan van het huidige NNN-beheertype. Er is dus sprake van permanent ruimtebeslag op N16.03 Droog bos met productie. Het permanent ruimtebeslag op een NNN-gebied dient ongeacht het aantal ha gecompenseerd te worden. De weg wordt in gebruik genomen na aanplant van een klimaatbos in het voormalige N16.03 Droog bos met productie. De aansluiting van de Assinkweg op de rotonde zal kunnen leiden tot een toename in gebruik in de toekomstige situatie.

Op voorhand zijn effecten in de gebruiksfase door verstoring echter uit te sluiten. De toename van verkeer is minimaal en resulteert (expert judgement geluidsexpert) slechts in een toename van enkelen tienden dB(A). Deze toename is niet merkbaar voor dieren.

Afbeelding 4.5 Ruimtebeslag door de rotonde/verlegging Assinkweg op het NNN

Houtopstanden De reconstructie van het kruispunt naar een rotonde heeft invloed op de aanwezige houtopstanden. Vanwege de aanleg van de rotonde moeten zes bomen gekapt worden. De bomen staan hoofdzakelijk langs de fietspaden naast de Eibergsestraat. Deze vallen buiten de kap van het bosperceel (vanwege verlegging Assinkweg), waardoor dit effect een gevolg is van het aanpassen van het kruispunt. De bomen aan de oostzijde van de Eibergsestraat maken onderdeel uit van een bomenrij van minimaal 21 bomen en vallen niet onder één van de uitzonderingen zoals genoemd in art. 4.1 van de Wnb. Ze vallen daarmee onder de bescherming van Wnb houtopstanden, waarvoor een kapmelding en herplant noodzakelijk is. Daarnaast

37 | 62

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

vallen de bomen onder de APV van de gemeente Haaksbergen. Hoewel ze niet onder een van de uitzonderingen vallen zoals genoemd in art. 4.5.2 van de APV, vallen ze wel onder de bescherming van de APV. En hiervoor is een omgevingsvergunning ‘vellen van een houtopstand’ noodzakelijk is. Advies Omgevingsdienst Twente (Z2022-ODT-005374) Door de gemeente is advies gevraagd in verband met uitgevoerde van een planstudie (drie opties) voor de herinrichting van het kruispunt van de N315 met de N768. Ervan uitgaande dat de werkzaamheden zich tot de weg beperken, is de Quickscan in dit kader voldoende uitgevoerd. De bebouwing is niet onderzocht in het kader van de soortenbescherming. Indien er werkzaamheden plaatsvinden ter plaatse van de bebouwing dient voorafgaand een nader onderzoek uitgevoerd te worden. Advies - de zorgplicht artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing en voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving; - voor de uitvoerbaarheid van het plan vormt het onderdeel soortenbescherming van de Wet natuurbescherming geen belemmering zolang er rekening wordt gehouden met bezette vogelnesten, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren en amfibieën.

Dit kan door de werkzaamheden uit te voeren volgens de Gedragscode soortbescherming gemeenten onderdeel Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van Stadswerk.

4.5.3

Conclusie

In onderstaande tabel zijn de conclusie voor het onderdeel natuur samengevat. Als onderstaande zaken in acht worden genomen zijn er vanuit het aspect natuur zijn er geen bezwaren voor de aanleg van de nieuwe rotonde.

Tabel 4.5 Conclusie natuur Onderdeel

Conclusie

soortenbescherming (soort alleen weergeven als er een effect optreedt/mitigatie noodzakelijk is)

vleermuizen: in de aanlegfase kan er mogelijk verstoring door licht en geluid plaatsvinden. Verstoring kan worden voorkomen door mitigerende maatregelen. grondgebonden zoogdieren: in de aanlegfase van de rotonde dienen mitigerende maatregelen genomen te worden om te voorkomen dat aanwezige grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) worden gedood. vogels: in de aanlegfase kan sterfte en verstoring van broedvogels optreden bij de aanleg van de rotonde maar dit is te mitigeren

gebiedsbescherming

Natura 2000: het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Buurserzand & Haaksbergerveen ligt op meer dan vier kilometer afstand van het plangebied. Op deze afstand zijn vrijwel alle effecten, behalve stikstofdepositie-effecten, voor de gebruiksfase op voorhand uit te sluiten. Uit de berekeningen blijkt dat de berekende stikstofdepositie voor zowel 2024 als 2033 lager is dan 0,005 mol/ha/jaar. Mogelijke significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden door stikstof zijn daarmee ook op voorhand uit te sluiten. Natuurnetwerk Nederland: de aanleg van de rotonde met de aansluiting van de Assinkweg hierop heeft een permanent ruimtebeslag op de NNN. Het permanent ruimtebeslag op een NNN-gebied dient ongeacht het aantal hectare gecompenseerd te worden

houtopstanden

38 | 62

voor de 6 bomen buiten het NNN dient een melding Wnb - houtopstanden en een omgevingsvergunning ‘vellen van een houtopstand’ te worden aangevraagd

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

4.6

Water

Een ruimtelijke ontwikkeling kan effecten hebben op de waterhuishoudkundige situatie, zowel kwantitatief als kwalitatief. In Nederland is daarom de watertoets een onderdeel van elke ruimtelijke ontwikkeling.

4.6.1

Toetsingskader

De watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht geworden voor ruimtelijke plannen. De watertoets is een procesinstrument waarbij de waterbeheerders in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de voorgenomen ontwikkeling, zodat verschillende aspecten van ‘water’ een goede plaats krijgen in de planvorming. In de waterparagraaf worden de effecten van het ontwerp op deze verschillende aspecten omschreven, zoals waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, beheer en onderhoud en het effect op grondwaterpeilen.

4.6.2

Resultaten

Voor de bestemmingsplanwijziging op de locatie van het planvoornemen is een watertoets uitgevoerd (opgenomen in bijlage V). In deze waterparagraaf zijn de bestaande situatie en effecten door het planvoornemen beschouwd voor verschillende wateraspecten. De resultaten worden hier in het kort beschreven. In het kader van het watertoetsproces dient afstemming plaats te vinden met waterschap Rijn en IJssel. Effecten op afstroming hemelwater In het planvoornemen neemt de oppervlakte verharding af met circa 600 m 2. Hierdoor komt minder hemelwater tot afstroming en infiltreert meer hemelwater in de bodem. Dit is mogelijk door de zandige bodemopbouw. Effecten op geohydrologie Door de verhardingsafname zal meer hemelwater ter plekke infiltreren. Dit zou kunnen leiden tot iets hogere gemiddelde grondwaterstanden. Het effect hiervan is echter gering door de beperkte verhardingsafname. Indien er bron- of bouwputbemaling plaatsvindt, is een melding bij het waterschap of een vergunning noodzakelijk. Er kan volstaan worden met een melding, mits: - de hoeveelheid te onttrekken grondwater niet meer bedraagt dan 100.000 m 3 per aaneengesloten periode van 30 dagen; - de onttrekking niet langer duurt dan 180 dagen; - de pompcapaciteit minimaal 10 m3 per uur bedraagt. Een melding dient minstens vier weken voor aanvang van de werkzaamheden te worden gedaan.

Indien niet wordt voldaan aan bovenstaande voorwaarden, dient een vergunning te worden aangevraagd. Effecten op oppervlaktewater Door de verhardingsafname stroomt minder hemelwater af richting greppels en het oppervlaktewater. Het afstromend wegwater vormt geen bedreiging voor de waterkwaliteit, omdat het een uitvoerige berm- en bodempassage ondergaat. Effecten op keringen Binnen het plangebied zijn geen waterkeringen gesitueerd. Het planvoornemen heeft hier dus ook geen effecten op.

39 | 62

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

Aandachtspunt drainage Het planvoornemen ligt deels in een beperkingengebied voor drainage. De consequenties hiervan worden besproken met het waterschap. Naar verwachting wordt er geen drainage aangelegd als onderdeel van het planvoornemen.

4.6.3

Conclusie

Mogelijk is een melding of vergunning benodigd als er bemaling plaatsvindt bij de uitvoering. Voor de overige waterthema’s omvat het planvoornemen geen vergunnings- of meldingsplichtige activiteiten. Vanuit het aspect water zijn er geen bezwaren voor de aanleg van de nieuwe rotonde.

4.7

(Water)bodem

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Met andere woorden: is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt voor de beoogde bestemming(en)/functie(s)? Is er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, levert dit gezondheidsrisico’s, ecologische risico’s of verspreidingsrisico’s op en kan er tijdig iets aan gedaan worden? Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde standstill-beginsel.

4.7.1

Toetsingskader

De Wet bodembescherming (Wbb) is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

4.7.2

Resultaten

Het volledige bodemonderzoek wordt opgenomen in bijlage VI. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat, zoals voor elk onderzoek geldt, het onderzoek een steekproef betreft. Grond Op basis van de resultaten blijkt dat verspreid over de onderzoekslocatie in de bovengrond of onder constructie geen tot hooguit licht verhoogde gehalten zijn gemeten. Uitzondering hierop vormt de grond onder de constructie van de middengeleider van de fietsoversteek van de N768 waarin matig verhoogde gehalten aan kobalt en koper zijn gemeten. In de tussenlagen/ondergrond zijn geen verhoogde gehalten met betrekking tot de geanalyseerde stoffen gemeten. Uitzondering hierop vormt de grond direct onder constructie van de hoofdrijbanen van de N768 waarin licht verhoogde gehalten aan kobalt en/of koper zijn gemeten. De gemeten verhoogde gehalten zijn niet te relateren aan bodemvreemde bijmengingen. Asbest Ter plaatse van de voormalige boerderij (deellocatie F) is asbest in de bovengrond niet aangetoond. In de ondergrond zijn geen bodemvreemde en/of asbestverdachte bijmengingen aangetroffen. Er zijn derhalve geen aanwijzingen dat er nog restanten van de boerderij aanwezig zijn.

40 | 62

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

Grondwater In het grondwater zijn hooguit licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen gemeten. De gemeten gehalten zijn niet eenduidig te verklaren en betreffen, gelet op het ontbreken van aanwijzingen dat ter plaatse de grond verontreinigd is, waarschijnlijk natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden en/of hangen samen met het (voormalig) gebruik als landbouwgrond (vermesting). Secundaire bouwstoffen Asfalt Uit de resultaten van uitgevoerd onderzoek blijkt dat op basis van de resultaten van Proef 77.3 het asfalt overwegend als teervrij kan worden beoordeeld. Uitzondering hierop vormt een slijtlaag die in 12 asfaltcilinders middels Proef 77.2 is aangetoond aan. Het betreft slijtlagen die voorkomen in cilinders uit de hoofdrijbanen van de N768 en het oostelijk fietspad. Halfverharding - asbest E - deel terrein ‘Danspaleis’ Op het centrale deel van de niet-vormgegeven verharding is een totaal gehalte aan asbest van 73 mg/kg.ds aangetoond. Op het westelijk en oostelijk deel van het terrein is asbest niet aangetoond. G - Assinkweg Uit de resultaten blijkt dat asbest niet is aangetoond. Veiligheidsklasse Uit de toetsing van de gemeten gehalten blijkt geen veiligheidsklasse van toepassing. De basishygiëne is van toepassing en dient in acht genomen te worden.

4.7.3

Conclusie bodemonderzoek

Grond Bij de voorgenomen werkzaamheden zijn grondroerende werkzaamheden voorzien, waarbij het aannemelijk is dat niet alle vrijkomende grond (volledig) op of in de onmiddellijke nabijheid van de onderzoekslocatie kan worden toegepast (geen gesloten grondbalans). Ten aanzien van de hergebruikmogelijkheden van bij werkzaamheden vrijkomende grond is in het bodemonderzoek (bijlage VI) een prioritering gesteld en een aantal aandachtspunten benoemd. Secundaire bouwstoffen Asfalt Het teervrij asfalt beoordeelde asfalt kan worden be-/verwerkt. De belangrijkste mogelijkheden voor vrijkomend teervrij asfalt zijn: - hergebruik als warm asfalt door een asfaltcentrale; - hergebruik als ongebonden koud asfalt (al dan niet binnen hetzelfde werk); - hergebruik als gebonden koud asfalt. Het teerhoudend asfalt dient gescheiden gefreesd en afgevoerd te worden naar een erkende verwerker. Halfverharding - asbest Op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek asbest kan nog niet worden vastgesteld of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming (>100 mg/kg d.s. asbest). Omdat het criterium voor nader onderzoek asbest (>50 mg/kg d.s.) wordt overschreden, dient nader onderzoek asbest ter plaatse van de halfverharding van het deel terrein ‘Danspaleis’ te worden uitgevoerd. Dit betreft een nader onderzoek asbest conform de NEN 5897.

41 | 62

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

Veiligheidsklasse De resultaten van de bepaling van de veiligheidsklasse dienen gevalideerd te worden door een Middelbaarof Hogere Veiligheidskundige. Tijdens de uitvoering van werken moet men bedacht zijn op (zintuiglijke) afwijkingen. Zo nodig moet de veiligheidsklasse tijdens het werk worden bijgesteld. Doorkijk naar de Omgevingswet Formeel heeft nog geen inbedding van het Handelingskader PFAS in de Regeling bodemkwaliteit plaatsgevonden en zal eerst bij de inwerkingtreding worden van de Omgevingswet het geval zijn. Het wordt dan ook aanbevolen om ontwikkelingen ten aanzien van de daarmee samenhangende normering van deze stoffengroep te volgen en, indien daar aanleiding toe bestaat, voorafgaand aan de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden te bezien of dit consequenties heeft ten aanzien van de uitkomsten van het onderhavige onderzoek. Advies Omgevingsdienst Twente (Z2022-ODT-005378) Het onderzoek voldoet aan de geldende normen en richtlijnen. Het onderzoek geeft inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem binnen de onderzoekslocatie. Er is geen aanleiding om de aanwezigheid van een sterke bodemverontreiniging te verwachten. Er zijn op basis van de milieuhygiënische bodemkwaliteit geen belemmeringen voor de bestemmingsplan wijziging.

Asbest Wel blijkt het centrale deel van de erfverharding op het perceel van het voormalige Danspaleis, met een aangetoond gewogen asbestgehalte van 73 mg/kg.d.s., asbesthoudend te zijn. Aanbevolen wordt om een nader onderzoek conform de NEN 5897 uit te laten voeren. Voorafgaand aan het ter plaatse uitvoeren van werkzaamheden, is dit in het kader van de CROW-400 zelfs noodzakelijk.

4.7.4

Conclusie bodem i.r.t. dit bestemmingsplan

Uit de resultaten van de analyses asbest blijkt dat ter plaatse van het centrale deel van de niet-vormgegeven verharding van het terrein ‘Danspaleis’ is een totaal gewogen concentratie aan asbest van 73 mg/kg droge stof is aangetoond. Dit gehalte is hoger dan het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg.ds). Op het westelijk en oostelijk deel van het terrein ‘Danspaleis’ is asbest niet aangetoond. Op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek asbest kan nog niet worden vastgesteld of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming (>100 mg/kg d.s. asbest). Hiertoe dient nog een nader onderzoek asbest (conform de NEN 5897) uitgevoerd te worden. Voorafgaand aan het ter plaatse uitvoeren van werkzaamheden, is dit in het kader van de CROW-400 zelfs noodzakelijk.

4.8

Niet-gesprongen explosieven

In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de mogelijke aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven in het plangebied en de gevolgen hiervan op voorgenomen ontwikkeling.

4.8.1

Toetsingskader

Na de Tweede Wereldoorlog zijn op diverse plekken in Nederland niet-gesprongen explosieven (verder NGE genoemd) achtergebleven. Deze NGE vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd, zoals graven. Voorafgaand aan deze bodemroerende werkzaamheden dient de aanwezigheid van deze NGE uitgesloten te worden of dienen eventuele NGE verwijderd te worden.

42 | 62

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

4.8.2

Resultaten

Voor het aspect niet-gesprongen explosieven is een vooronderzoek uitgevoerd conform het Werkveldspecifiek Certificatieschema voor het Systeem Opsporen van Conventionele Explosieven (WSCSOCE). Dit vooronderzoek is opgenomen in bijlage VII. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat er geen duidelijke indicaties zijn gevonden die er op wijzen dat in de omgeving van het onderzoeksgebied oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het onderzoeksgebied is daarmee ‘onverdacht’ op het voorkomen van Conventionele Explosieven (CE. De werkzaamheden kunnen om deze reden op reguliere wijze worden uitgevoerd zonder dat er vervolgstappen in de CE-opsporing noodzakelijk zijn.

4.8.3

Conclusie

Het onderzoeksgebied is ‘onverdacht’ op het voorkomen van niet-gesprongen explosieven. De werkzaamheden kunnen om deze reden op reguliere wijze worden uitgevoerd. Vanuit het aspect nietgesprongen explosieven zijn er geen bezwaren voor de aanleg van de nieuwe rotonde.

4.9

Archeologie

Voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan dient inzicht te zijn verkregen in bekende en te verwachten archeologische waarden in het plangebied en omgeving, en wat de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden.

4.9.1

Toetsingskader

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet regelt onder andere de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd indien er sprake is van een hoge trefkans of indien het plangebied niet is gekarteerd.

4.9.2

Resultaten

Het gehele plangebied heeft in het bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening veegplan 1 de dubbelbestemming ‘Waarde - Hoge archeologische verwachting’. Echter, zowel de noordwestelijke als de zuidwestelijke oksel van het kruispunt is in werkelijkheid al een vergraven, natuurlijk profiel en ligt verlaagd ten opzichte van de omgeving, waardoor de archeologische verwachtingswaarden voor deze delen kunnen worden bijgesteld naar ‘laag’ (in plaats van ‘hoog’). De zuidoostelijke oksel van de kruising kan niet zonder nader onderzoek naar ‘laag’ worden bijgesteld. Daarom is een inventariserend veldonderzoek (IVO; verkennend booronderzoek; zie bijlage VIII) uitgevoerd, om vast te stellen of er voor dit deel effecten te verwachten zijn. Tijdens het booronderzoek is vastgesteld dat de natuurlijke ondergrond uit dekzand bestaat. De natuurlijke bodem bleek in het overgrote deel van het gebied te zijn vergraven tot in de C-horizont, hetgeen vermoedelijk verband houdt met zandwinning in het verleden. Ook eventuele archeologische resten zullen hierbij grotendeels zijn verstoord. Ook voor dit deel kan dus de verwachtingswaarde worden bijgesteld naar ‘laag’. Op basis van de resultaten van dit booronderzoek blijkt dat in het plangebied waarschijnlijk geen archeologische resten bedreigd worden.

Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht.

43 | 62

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

Advies Oversticht (4 januari 2021) Het Oversticht, een organisatie die gemeenten en provincie Overijssel in het kader van hun wettelijke taak adviseert over onder andere archeologie, heeft ingestemd met de resultaten, conclusies en aanbevelingen van het uitgevoerde onderzoek. Het Oversticht heeft de gemeente Haaksbergen als het bevoegd gezag voor archeologie, geadviseerd om het selectie-advies over te nemen.

4.9.3

Conclusie

De verwachtingswaarde van de nieuw aan te snijden gronden voor de aanleg van de rotonde en verlegging Assinkweg is bijgesteld naar ‘laag’. In het plangebied worden waarschijnlijk geen archeologische resten bedreigd. Vanuit het aspect archeologie zijn er geen bezwaren voor de aanleg van de nieuwe rotonde.

4.10

Landschap

4.10.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet in de planvorming rekening worden gehouden met het aspect landschap. Hierbij gaat het onder andere om kenmerkende ruimtelijke patronen / structuren, karakteristieke beplantingsvormen en gebruikte soorten, de ruimtelijke opbouw van bebouwing in een gebied en de natuurwaarden in de omgeving.

4.10.2 Resultaten Op basis van het 2D-ontwerp is een landschappelijke inpassing gemaakt van de nieuwe rotonde. De nieuwe rotonde grenst aan een NNN-gebied Landgoed Lankheet. Landgoed Lankheet heeft plannen ontwikkeld om het landgoed/ NNN-gebied verder te ontwikkelen tot een westelijke entree naar het Landgoed Lankheet en de natuurgebieden rondom Haaksbergen. Het volledige rapport van de landschappelijke inpassing is opgenomen in bijlage IX. Visualisaties van de landschappelijke inpassing zijn weergegeven op de afbeeldingen 4.6 tot en met 4.11. Aantrekkelijke groene entreezone De rotonde maakt onderdeel uit van de toekomstige westelijke entree. Deze vormt een landmark langs de Eibergsestraat en de invulling van de rotonde verwijst naar het landgoed Het Lankheet en de nabijgelegen natuurgebieden. De Assinkweg wordt benadrukt met groepen van nieuw aan te planten boomsoorten die aansluiten op het assortiment in het naastgelegen klimaatbos. Dit wordt aangevuld met brede bloemrijke bermen langs de weg en op de rotonde met een minimale breedte van 3 meter. Klimaatbos Door aantasting van de letterzetter wordt het naaldbos binnen drie jaar gekapt en weer aangeplant met andere boomsoorten, zoals de zoete kers, esdoorn en linde. Op de randen van het bosperceel is ruimte voor mantel-zoomvegetatie, waardoor er een overgangszone ontstaat tussen het bos en de Eibergsestraat/landgoedlaan.

Deze overgangszone met mantel-zoomvegetatie zal een plaats krijgen tussen het bosgebied en de verlegde sloot langs de Eibergsestraat en aan weerszijden van de landgoedlaan. Meerdere stobben en/of stenen muurtjes zullen in deze zone toegevoegd worden ten behoeve van reptielen. Nieuwe bomen worden geplant in een houtwal langs de grens van het Danspaleis. Om een samenhangend beeld te creëren, wordt de entree benadrukt met solitaire of clusters bomen. Dit valt ook binnen de ambitie die er ligt om meer bomen te planten, dan wettelijk moet. Nieuwe landmark Een nieuwe landmark of een hek aan het einde van de landgoedlaan is een centraal punt van de lange landgoedlaan en markeert de in- en uitgang voor fietsers en wandelaars vanaf de Eibergsestraat. Het zou

44 | 62

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

ook een houten kunstwerk kunnen zijn dat verwijst naar het landgoed Het Lankheet en de nabijgelegen natuurgebieden. Het landgoed heeft nog een werkende houtwerf en binnen het landgoed zijn meerdere houten kunstwerken in het landschap opgenomen.

Afbeelding 4.6 Landschappelijke inpassing

Afbeelding 4.7 Toepassing nieuwe bomen in de landschappelijke inpassing

45 | 62

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

Afbeelding 4.8 Bestaand en toekomstig beeld vanaf de Assinkweg

46 | 62

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

Afbeelding 4.9 Bestaand en toekomstig beeld vanaf de N315

47 | 62

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

Afbeelding 4.10 Bestaand en toekomstig beeld vanaf de N768 (noordkant)

48 | 62

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

Afbeelding 4.11 Bestaand en toekomstig beeld vanaf de N768 (zuidkant)

4.10.3 Conclusie Bij het ontwerp van de rotonde is rekening gehouden met de landschappelijke inpassing. Vanuit het aspect landschap zijn er geen bezwaren voor de aanleg van de nieuwe rotonde.

49 | 62

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

4.11

Duurzaamheid

De drie inrichtingsvarianten (zie ook paragraaf 1.4) uit de planstudiefase (het Plan in Hoofdlijnen) zijn tijdens twee duurzaamheidssessies in de eerste helft van 2020 breed behandeld op het aspect duurzaamheid. Van de behandelde thema’s uit deze sessies worden de resultaten voor de inrichtingsvariant 1 (rotonde) ten opzichte van de variant 0 en 0+ in deze paragraaf weergeven. De onderwerpen energieverbruik, circulaire economie en materialen, en CO2-emissies worden apart beschouwd in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase.

4.11.1 Energieverbruik Huidige situatie Bij energieverbruik wordt gekeken naar het energieverbruik van materieel ten behoeve van de aanleg (bouw) en het energieverbruik van elementen uit het ontwerp. In de huidige situatie is er geen sprake van aanleg: van energieverbruik vanwege aanleg is daarom geen sprake. Daarnaast is er in de huidige situatie evenmin sprake van energieopwekking. De verkeersregelinstallatie is juist een energieverbruiker. Het verbruik wordt geschat op gemiddeld 437 kWh/per jaar. Openbare verlichting wordt buiten beschouwing gelaten; het energieverbruik van de lichtmasten ter plaatse van het kruispunt is vrijwel verwaarloosbaar. Beoordeling Gebruiksfase De verkeersregelinstallatie van de huidige situatie is een energieverbruiker die bij de rotonde niet aanwezig is, waardoor de rotonde beter (+) scoort op het energieverbruik in de gebruiksfase. De openbare verlichting is als verwaarloosbaar beschouwd. Aanlegfase Energieverbruik in de aanlegfase wordt beschouwd aan de hand van de inzet van materieel (uitgaand van traditioneel materieel op diesel) tijdens de bouw. Bij de rotonde, zijn de werkzaamheden significant groter ten opzichte van de huidige situatie handhaven (met een nieuwe verkeersregelinstallatie). De aanleg van een rotonde zorgt voor een gehele reconstructie van het huidige kruispunt, en is daarmee ook ingrijpender dan de huidige situatie handhaven.

In de aanlegfase verbruikt de rotonde meer energie dan de huidige situatie. Een mitigerende maatregel voor het verminderen van het energieverbruik is het uitvoeren van de werkzaamheden met elektrisch materieel. Wanneer dit materieel op groene energie werkt, is de milieuimpact van het energieverbruik verwaarloosbaar.

4.11.2 Circulaire economie en materialen Huidige situatie Onder circulaire economie valt het circulair toepassen van materialen. Het huidige kruispunt bestaat uit asfaltverharding, fundering, wegmeubilair en overige verharding (zoals bestrating van de vluchtheuvels). Deze materialen hebben, afhankelijk van de demontage- en recyclingmogelijkheden, een hergebruikpotentie. Dit hergebruik kan laag- of hoogwaardig zijn en binnen of buiten de projectgrenzen een herbestemming krijgen. Dit is afhankelijk van het programma van eisen, de contracteisen en de uiteindelijke uitvoering. Voor een totaalbeeld van de huidige materialenvoorraad in de verhardingsconstructie (materialenpaspoort) dient een boorkernenplan gemaakt te worden. Beoordeling Gebruiksfase Circulariteit wordt in de gebruiksfase beschouwd aan de hand van de (mogelijke) onderhoudscycli en het hergebruik van materialen aan het einde van de levensduur. Optimalisatie van deze twee onderdelen zijn afhankelijk van de mogelijkheden om reeds in het ontwerp hierop te anticiperen. Bij het handhaven van de

50 | 62

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

huidige situatie wordt veel materiaal behouden, waardoor er minder materiaal circulair ingezet kan worden. Ook kan er minder geanticipeerd worden op mogelijke toekomstige ontwikkelingen rondom het Danspaleis of het landgoed die een toename in verkeer kunnen veroorzaken. Hierdoor kan de huidige kruising mogelijk niet meer voldoen aan de toekomstige verkeersafwikkelingseisen. Bij de rotonde is deze anticipatiemogelijkheid er wel, waardoor het hergebruik gedurende en aan het einde van de levensduur hoger is en toekomstige ontwikkelen beter opgevangen kunnen worden. Hiervoor zijn wel mitigerende maatregelen nodig die dit garanderen (bijvoorbeeld het toepassen van circulaire materialen). De rotonde wordt daarom positief (+) beoordeeld. Aanlegfase Circulariteit wordt beschouwd aan de hand van een kwalitatieve materiaalstroomanalyse. Op basis van de inschatting van de werkzaamheden en het daaraan gerelateerd benodigde en vrijkomende materiaal. De mate van circulariteit wordt beoordeeld aan de hand van de circulaire ontwerpprincipes, zie afbeelding 4.12.

Afbeelding 4.12 Circulaire ontwerpprincipes

Bij de rotonde is de circulaire potentie lager dan de huidige situatie, omdat er amper waardebehoud van de bestaande objecten plaatsvindt. Wel zijn er veel kansen met betrekking tot waardebehoud van grondstoffen (zoals gerecycled asfalt) of waardecreatie van de nieuwe objecten (door modulaire of biobased toepassingen). Dit draagt bij aan de toekomstbestendigheid en circulariteit van de rotonde gedurende -of aan het eind- van zijn levensduur. Dit is sterk afhankelijk van de mitigerende maatregelen (zoals benoemd in de kansentabel van de tweede duurzaamheidssessie). De vrijkomende materialen bij de rotonde kunnen wel, mits ze voldoen aan mogelijke technische eisen, in-site of ex-site hoogwaardig hergebruikt worden, waardoor ze een positieve impact kunnen hebben op de circulaire economie. De effectbeoordeling zonder de mitigerende maatregelen is echter negatief (-).

4.11.3 CO2-emissie Huidige situatie De huidige (directe) CO2-emissie is afkomstig van het gemotoriseerde verkeer. Op basis van het onderzoek naar de verkeersafwikkeling kan er aangenomen worden dat de CO2-emissie niet hoger of lager is dan een

51 | 62

Witteveen+Bos | 129037/22-011.921 | Definitief 02

kruispunt elders. Daarnaast zorgen energieverbruikers zoals de verkeersregelinstallatie en de openbare verlichting voor indirecte emissies. De CO2-uitstoot gerelateerd aan het energieverbruik van de verkeersregelinstallatie is 207,6 kg CO2 per jaar. De CO2-uitstoot afkomstig van de openbare verlichting is verwaarloosbaar. Beoordeling Gebruiksfase De rotonde heeft een lagere CO2-uitstoot, vanwege de verbeterde doorstroming en verkeersafwikkeling (ten opzichte van de huidige situatie met een (vernieuwde) verkeersregelinstallatie). Hierdoor scoort de rotonde positiever (+) dan de huidige situatie. Daarnaast zorgt de rotonde ook voor een vermindering van de CO2-uitstoot vanwege het ontbreken van het energieverbruik door verkeersregelinstallatie en minder openbare verlichting. De gerelateerde uitstoot van het energieverbruik van de verkeersregelinstallatie is uiteindelijk verwaarloosbaar. Uitstoot gerelateerd aan onderhoud zal in alle varianten verwaarloosbaar zijn. Aanlegfase De CO2-emissie in de aanlegfase wordt beschouwd aan de hand van de werkzaamheden, de inzet van materieel en de vraag naar materialen. De emissie is afhankelijk van voornoemde onderdelen. Bij de rotonde zal de CO2-emissie aanzienlijk hoger zijn ten opzichte van de huidige situatie, vanwege de sloop van de bestaande kruising en de nieuwbouw van de rotonde.

Zowel de inzet van materieel als de vraag naar materiaal zal bij de rotonde hoger zijn. Daarom per saldo een waardering van sterk negatief (--). Het inzetten van elektrisch materieel en het toepassen van materiaal met een lage milieu-impact (type asfalt en/of wegmeubilair) zijn mitigerende maatregelen die de CO2-emissies in alle varianten kunnen verlagen.

4.11.4 Conclusie De tabel 4.6 geeft een samenvatting van de beoordeling van het aspect duurzaamheid. Vanuit het aspect duurzaamheid zijn er geen bezwaren voor de aanleg van de nieuwe rotonde. De daadwerkelijk impact op het gebied van duurzaamheid is uiteindelijk afhankelijk van ontwerpmaatregelen of het programma van eisen. Hierin kunnen duurzame maatregelen worden opgenomen die voor een positief effect zorgen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12003519/1