CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

TOE vastgesteld BP 't Kempke, Haaksbergen

Gemeenteraad 22 december 2021, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiele herziening ’t Kempke en Lourdeskerk”20.496 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening ’t Kempke en Lourdeskerk” Ontwerp jongeren. De te realiseren grondgebonden woningen dienen de doelgroep starters en gevorderde starters/ doorstromers. Geconcludeerd wordt dat de ‘Structuurvisie 2030, Haaksbergen: groenste dorp van Twente’ geen belemmering vormt voor het voorgenomen initiatief. 4.3.2

Woonvisie ‘Keuzes voor de toekomst – Woonvisie van nu naar 2020’

4.3.2.1 Algemeen De Woonvisie ‘Keuzes voor de toekomst’ is in 2011 door de gemeenteraad van Haaksbergen vastgesteld. Deze woonvisie geeft concrete plannen voor de periode tot 2015 met een doorkijk tot 2020. De woonvisie is opgebouwd aan de hand van een aantal thema’s, te weten keuzevrijheid, flexibiliteit en mix & match. Daarnaast is er een uitvoeringsprogramma opgenomen. 4.3.2.2 Keuzevrijheid: Kwalitatief bouwprogramma/woonwensenonderzoek Op basis van een woonwensenonderzoek is een kwalitatief bouwprogramma opgesteld. Uit het onderzoek blijkt dat het aantal huishoudens toeneemt en het bevolkingsaantal stabiel. Belangrijke uitkomst is dat tot 2020 het aantal zorgvragers behoorlijk gaat toenemen, de wens om te verhuizen naar een zorggeschikte woning is dan ook aanwezig, een verzorgingstehuis is nauwelijks nog een optie. Mensen willen graag zo lang mogelijk zelfstandig blijven wonen. Uit het woonwensenonderzoek blijkt eveneens dat er veel interesse is in een appartement (met minimaal 2 slaapkamers). Het bouwprogramma, voor zover dat bekend is, bestaat voor bijna 30% uit appartementen. Dit komt overeen met de behoefte die in het woonwensenonderzoek is geuit. 4.3.2.3 Mix & match In de woonvisie is onderscheid gemaakt in doelgroepen. Hiermee kan de specifieke vraag per doelgroep in beeld worden gebracht.

Echter wordt gestreefd naar een mix van tussen jong en oud, in prijsklassen en eigendom. Daarnaast wordt meer ingezet op functiemenging. Het plan voldoet aan de woonvisie. In het kader van dat beleidsdocument is een woonwensenonderzoek uitgevoerd, waaruit is gebleken dat wonen in en nabij het centrum zeer gewild is. De woonvisie is flexibel opgesteld. Dit betekent dat er niet voor is gekozen om bepaalde types woningen uit te sluiten of juist toe te staan op een markt waarbij men potentiële doorstromers op de woningmarkt wil bedienen. 4.3.2.4 Flexibel wonen Bij het thema ‘flexibel wonen’ gaat het voornamelijk om het levensloopbestendig maken van zowel de woningen als het bestemmingsplan. Om op deze manier in een eerder stadium te kunnen inspelen op veranderingen. Hierbij blijven ruimtelijke kwaliteit en het uitgangspunt 'inbreiding voor uitbreiding' belangrijke aspecten. 4.3.2.5 Uitvoeringsprogramma De visie op het gebied van wonen is doorvertaald naar een uitvoeringsprogramma, waarin 9 speerpunten zijn opgenomen, de speerpunten die van belang zijn voor dit plan zijn opgenomen: • • • • • •

Senioren moeten kunnen blijven wonen in hun woning of woonomgeving; Toekomstige starters op de woningmarkt moeten een plek kunnen krijgen in Haaksbergen; Zorgbehoevenden moeten zoveel mogelijk in en om Haaksbergen zorg verleend krijgen; In Haaksbergen moet ruimte zijn voor een wooncarrière; Woningen moeten duurzaam worden gebouwd of aangepast; Inbreiding voor uitbreiding;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening ’t Kempke en Lourdeskerk” Ontwerp 4.3.2.6 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie ‘Keuzes voor de toekomst – Woonvisie van nu naar 2020’ Uit het woonwensenonderzoek blijkt dat er vraag is naar appartementenwoningen. Daarnaast is er vraag naar levensloopbestendige woningen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet hierin. Het merendeel van de te realiseren woningen in het plangebied zijn levensloopbestendig of eenvoudig levensloopbestendig te maken. Het voornemen ziet daarnaast toe op de realisatie van woningen die geschikt zijn voor starters. Ook hiermee wordt bijgedragen aan het uitvoeringsprogramma. Daarnaast wordt ook een bijdrage geleverd aan het streven van duurzaam bouwen. In voorliggend geval worden namelijk verouderde woningen gesloopt en worden nieuwe woningen teruggebouwd. De nieuwe woningen zullen voldoen aan de hedendaagse eisen die worden gesteld aan duurzaamheid en worden tevens niet op het gasnet aangesloten. Het voornemen betreft tot slot een ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Hierdoor wordt eveneens aangesloten op het beleid dat inbreiding voor uitbreiding gaat. Het initiatief is in overeenstemming met de Woonvisie ‘Keuzes voor de toekomst – Woonvisie van nu naar 2020’. 4.3.3

Woonbehoefteonderzoek gemeente Haaksbergen ‘Goed wonen in Haaksbergen’

4.3.3.1 Algemeen Begin 2021 heeft de gemeente Haaksbergen een woonbehoefteonderzoek laten uitvoeren. Door middel van dit onderzoek zijn de actuele woonbehoeften in Haaksbergen in beeld gebracht. Met deze inzichten kan de gemeente de woningvoorraad als geheel zo goed mogelijk laten aansluiten bij de vraag van de inwoners. Het woonbehoefteonderzoek is gevat in het rapport ‘Goed wonen in Haaksbergen’. Het onderzoeksrapport schrijft een aantal conclusies en aanbevelingen voor. Op de voor voorliggend bestemmingsplan relevante conclusies en aanbevelingen wordt hierna kort ingegaan. 4.3.3.2 Het aantal huishoudens in Haaksbergen groet tot 2030 met circa 230 huishoudens Op basis van de meest recente Primos prognoses groeit het aantal huishoudens tot 2030 met circa 230 huishoudens tot circa 10.520 huishoudens. Dit is een toename van 2% te opzichte van 2020. Het aantal inwoners neemt naar verwachting de komende jaren verder af, in lijn met de ontwikkeling van de afgelopen jaren. Het aantal huishoudens groeit licht terwijl het aantal inwoners afneemt. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de groei van eenpersoonshuishouders. 4.3.3.3 Nieuwbouw moet gericht zijn op het faciliteren van de doorstroming Starters en thuiswonende geven aan dat de hoge prijzen voor woningen voor heb een probleem vormen in de zoektocht naar een woning.

Senioren geven aan dat er te weinig geschikt aanbod voor hen is. Hierdoor stokt de doorstroming in de woningmarkt. Nieuwbouw moet bijdragen aan de doorstroming in de woningmarkt en inwoners van Haaksbergen de mogelijkheid bieden wooncarrière te maken. Het is van belang verhuisketens daarbij zo lang mogelijk te maken door aan het eind van de keten woningen toe te voegen. Door woning toe te voegen die aansluiten bij de voorkeuren van oudere huishoudens komen elders in de voorraad woningen vrij voor andere huishoudens zoals starters thuiswonenden en de middengroep. 4.3.3.4 Gebruik (sloop-)nieuwbouw en herontwikkelingsmogelijkheden als kwalitatieve aanvulling op de bestaande woningvoorraad Door de toename van het aantal oudere huishoudens en de grote voorraad eengezinswoningen kan er een mismatch ontstaan tussen de vraag en het aanbod op de woningmarkt. Oudere huishoudens hebben voorkeur een gelijkvloerse woning, zoals een appartement of een levensloopbestendige grondgebonden woning. Deze woningtypen zijn echter beperkt aanwezig in de gemeente Haaksbergen. In deze segmenten ontstaan tekorten, terwijl in de bestaande woningvoorraad een overschot ontstaat aan eengezinswoningen. Gebruik

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening ’t Kempke en Lourdeskerk” Ontwerp (sloop-)nieuwbouw en herontwikkelingsmogelijkheden daarom als kwalitatieve aanvulling op de bestaande woningvoorraad. 4.3.3.5 Toetsing van het initiatief aan het woonbehoefteonderzoek gemeente Haaksbergen ‘Goed wonen in Haaksbergen’ Door middel van de voorgenomen ontwikkeling wordt een grotendeels bestaande woonlocatie getransformeerd. Binnen het plangebied wordt een grote diversiteit aan woningen teruggebouwd. Hierbij wordt onder andere ingezet op de bouw van appartementen, boven-beneden-woningen en specifiek seniorenwoningen. De appartementen en de boven en benedenwoningen zijn kwalitatief geschikt voor de doelgroepen waar binnen de gemeente Haaksbergen een behoefte is naar woningen, namelijk starters en ouderen. Daarmee draagt de voorgenomen ontwikkeling tevens bij aan een verdere doorstroming op de woningmarkt in Haaksbergen. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met het woonbehoefteonderzoek ‘Goed wonen in Haaksbergen’. 4.3.4

Notitie inbreidingslocaties 2025

4.3.4.1 Algemeen Om tot de periode 2025 een beeld te hebben van aanstaande ontwikkelingen met betrekking tot inbreidingslocaties, heeft de gemeente Haaksbergen de ‘Notitie inbreidingslocaties’ opgesteld. Deze notitie heeft als doel om de komende jaren een leidraad te vormen voor binnenstedelijke herontwikkelingen. Deze notitie kent, in tegenstelling tot de verouderde notitie uit 2006, geen gedetailleerde beschrijvingen van individuele locaties. Hiervoor is bewust gekozen, omdat de toekomst andere details kan vragen dan de nu geldende normen. Hierdoor is er een zeker mate van flexibiliteit ontstaan, wat de bruikbaarheid ten goede komt. 4.3.4.2 Locaties in ontwikkeling of uitvoering In de notitie is een paragraaf opgenomen waarin de locaties zijn opgenomen waarop reeds gebouwd wordt of waarvan vrij zeker is dat deze voor 2020 in uitvoering worden genomen. Daarnaast zijn er locaties aangewezen die mogelijk in de toekomst (na 2020) geschikt kunnen zijn voor herontwikkeling. 4.3.4.3 Randvoorwaarden voor inbreidingslocaties Op basis van de analyse van vraag, aanbod en toekomstige capaciteit kan geconcludeerd worden dat er vooralsnog voldoende ruimte is voor de herontwikkeling van andere inbreidingslocaties die nog niet in deze notitie staan beschreven. Daar worden dan wel enkele randvoorwaarden aan gekoppeld: •

• • • •

Indien een locatie reeds in eigendom is van de gemeente dan wil de gemeente de herontwikkeling zelf oppakken, mits dat realistisch en haalbaar is. Daarbij geldt het uitgangspunt dat er welstandsvrij gebouwd kan worden, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om dit niet te doen. Zodra een dergelijke locatie zich aandient, wordt aan de raad gevraagd om de kaders voor die specifieke locatie aan te geven; De herontwikkeling van de inbreidingslocatie moet een bijdrage leveren aan minimaal 1 en liefst meerdere van de ambities uit de structuurvisie; De herontwikkeling van de inbreidingslocatie moet zo veel mogelijk een bijdrage leveren aan de versterking van het woonmilieu; De herontwikkeling van de inbreidingslocatie moet in kwalitatieve zin een verrijking zijn van het woonprogramma; De omvang van de herontwikkeling moet passend zijn binnen het grotere geheel (zowel qua omvang alsook qua fasering in relatie tot de woningprogrammering).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening ’t Kempke en Lourdeskerk” Ontwerp 4.3.4.4 Toetsing van het initiatief aan de Notitie inbreidingslocaties 2025 De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op vervangende woningbouw van reeds verouderde woningen. Met het voornemen wordt zodoende een bijdrage geleverd aan het versterken en op niveau brengen van het woonmilieu ter plaatse van het plangebied. In paragraaf 4.3.1 is reeds geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling eveneens in overeenstemming is met de structuurvisie van de gemeente Haaksbergen. Dit doordat het voornemen voorziet in een kwalitatief woningaanbod waar nadrukkelijk behoefte aan is. In paragraaf 4.3.2 is daarnaast aangetoond dat het voornemen ook past binnen woningbouwprogramma in Haakbergen. Daarbij wordt opgemerkt dat de voorgenomen ontwikkeling voorziet in een reductie van het aantal woningen in het plangebied, maar dat deze kwalitatief beter aansluiten op de behoefte. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de randvoorwaarden uit het inbreidingsbeleid. 4.3.5

Welstandsnota gemeente Haaksbergen

4.3.5.1 Algemeen De Welstandsnota van de gemeente Haaksbergen is vastgesteld in 2014 en beschrijft het kader en de ambitie voor de beoordeling van bouwplannen in relatie ook tot de omgeving en met het oog op toekomstige ontwikkeling. In de welstandsnota wordt een aantal deelgebieden onderscheiden. Het plangebied is gelegen in het deelgebied ‘Woongebieden’. 4.3.5.2 Woongebieden Voor dit deelgebied zijn de ambitieniveaus behouden en respecteren het uitgangspunt voor het ontwerp. Het deelgebied kenmerkt zich door een grote variatie in bebouwing (ontstaan door de verschillende periodes waarin de realisatie heeft plaatsgevonden). Onderstaand staan de criteria die van belang zijn voor de redelijke eisen van welstand per thema benoemd. Stedenbouwkundige aspecten •

• •

Het kleinschalige en afwisselende bebouwingsbeeld van individueel herkenbare panden moet in stand worden gehouden. Gebouwen hebben daarom een eigen vormgeving en onderscheiden zich van de aanwezige bebouwing in de gevelwand, tenzij er sprake is van; o Woningblokken die één stedenbouwkundig geheel vormen, waaronder ook seriematige (repeterende) bebouwing. In die situaties moet de samenhang van elk blok worden gewaarborgd. Toevoegingen zijn ondergeschikt aan de hoofdstructuur van het blok. Nieuwbouw mag in een eigentijdse bouwstijl plaatsvinden, mits er qua maatvoering, schaal en massa wordt aangesloten op de directe omgeving. Als de stedenbouwkundige opzet hiertoe aanleiding geeft dan is de oriëntatie (dakrichting) van deze opzet richtinggevend.

Massa en vorm • • • • •

Hoofdgebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm. Bijbehorende bouwwerken zijn ondergeschikt vormgegeven. Hoofdgebouwen worden afgedekt met een kap, tenzij een plat dak op basis van het bestemmingsplan mogelijk gemaakt wordt. Nieuwbouw sluit qua maatvoering, schaal en massa aan op de directe omgeving. Wijzigingen en/of uitbreidingen sluiten in maat, schaal en vormgeving aan op het bestaande gebouw. Dakopbouwen mogen uitsluitend worden gerealiseerd in het achterdakvlak en hebben een sterk ondergeschikte omvang, waarbij de dakhelling is afgestemd op de dakhelling van het dakvlak waarin deze wordt geplaatst.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening ’t Kempke en Lourdeskerk” Ontwerp Gevels • •

Gevels die goed zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte worden ‘open’ en representatief vormgegeven. Bij wijzigingen en/of uitbreidingen worden de bestaande bouwstijl, gevelopbouw en ritmiek gerespecteerd.

Materiaal-, kleurgebruik en detaillering • • •

Bij wijzigingen en/of uitbreidingen worden materiaal-, kleurgebruik en detaillering afgestemd op het bestaande gebouwd. Bij nieuwbouw is het kleurgebruik in de omgeving het uitgangspunt en wordt een traditionele materialisering toegepast; baksteen, keramische pannen, deuren en kozijnen in hout (of op hout gelijkend materiaal) met diepe neggen. Er worden rustige (onverzadigde) kleuren toegepast. Sterk met de omgeving contrasterende kleuren zijn niet toegestaan.

4.3.5.3 Toetsing van het initiatief aan de Welstandsnota In voorliggend geval is voor specifiek het plangebied een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Door middel van dit beeldkwaliteitsplan worden er welstandseisen vastgelegd die specifiek voor het plangebied gelden. Het beeldkwaliteitsplan wordt hiermee het welstandsbeleid voor het plangebied. 4.3.6

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het relevante gemeentelijke beleid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening ’t Kempke en Lourdeskerk” Ontwerp

HOOFDSTUK 5

PLANOLOGISCHE EN MILIEUTECHNISCHE UITVOERBAARHEID

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In het kader van de milieukundige uitvoerbaarheid worden in dit hoofdstuk de volgende thema’s behandeld: bodem, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie en cultuurhistorie en het besluit milieueffectrapportage.

5.1

Bodem

5.1.1

Algemeen

Bij het vaststellen van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.1.2

Beoordeling plangebied

In voorliggend geval is door Geofoxx milieu expertise ter plaatse van het plangebied een verkennend bodemen asbestonderzoek uitgevoerd. De bodem rondom de Lourdeskerk is door BAS onderzocht. De onderzoeksrapporten zijn opgenomen in respectievelijk bijlage 1 en 2 bij deze toelichting. Hierna wordt op de bevindingen ingegaan. 5.1.2.1 Bodemonderzoek Geofoxx Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek conform de NEN5740 blijkt dat de geroerde bovengrond hooguit licht verontreinigd is met zware metalen, PCB en PAK. In de ongeroerde ondergrond vanaf 0,5 m-mv zijn geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater overschrijden de concentratie barium en zink de streefwaarden en kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden. De resultaten van het verkennend bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Uit de resultaten van het verkennend en aanvullend asbestonderzoek blijkt dat ter plaatse van de terrassen achter de woningen en ter plaatse van de tegelpaden rondom de woonblokken vanaf de verharding een bodemlaag aanwezig is met bijmengingen van deeltjes puin en baksteen en waarin op meerdere plekken asbesthoudende materiaal is aangetroffen in de grove fractie. Het asbest is sterk heterogeen aanwezig binnen deze laag. In de fijne fractie ligt over het algemeen het gewogen gehalte asbest beneden de 50 mg/kg ds.

In de grove fractie is asbesthoudende materiaal aanwezig, waardoor op een aantal plaatsen de interventiewaarde wordt overschreden. De omvang van de gehele geroerde en asbesthoudende laag, met gehalte onder en boven de interventiewaarde, wordt geschat op 1.870 m³ (vast). Geadviseerd wordt om in overleg met het bevoegd gezag deze laag volledig te ontgraven en af te voeren naar een erkende verwerker. De werkzaamheden zullen onder Kwalibo worden uitgevoerd. In overleg met het bevoegd gezag kunnen de werkzaamheden mogelijk onder een BUS-melding worden uitgevoerd. 5.1.2.2 Bodemonderzoek BAS Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek worden de volgende conclusies getrokken: •

In de zand bodem zijn geen verhoogde gehaltes van de onderzochte parameters aangetoond;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening ’t Kempke en Lourdeskerk” Ontwerp • • •

In het grondwater zijn verhoogde gehaltes aan barium en naftaleen aangetoond. Dit heeft naar verwachting een natuurlijke herkomst; In de bodem in het projectgebied is visueel geen asbest aangetroffen; Ter plaatse van gat 3 is analytisch asbest aangetroffen (0,3 mg/kg ds). Omgerekend is een gewogen gemiddelde van 0,3 mg/kg d.s. aanwezig.

Aanvullende maatregelen worden niet noodzakelijk geacht. Er zijn op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geen milieuhygiënische belemmeringen voor de herinrichting van de locatie met het beoogde toekomstige gebruik. 5.1.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het milieuaspect ‘bodem’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.2

Geluid

5.2.1

Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.2.2

Situatie plangebied

De in het plangebied te realiseren woningen worden op basis van de Wgh aangemerkt als geluidsgevoelige objecten. Hierna wordt ingegaan op de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai als bedoeld in de Wgh. 5.2.2.1 Railverkeer- en industrielawaai In voorliggend geval zijn de aspecten railverkeerslawaai en industrielawaai niet van belang. Aangezien het plangebied niet ligt in of nabij een zone van een gezoneerd bedrijventerrein en tevens niet is gelegen in de nabijheid van een spoorlijn. Wat betreft de invloed van voorliggend initiatief op omliggende woningen wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). 5.2.2.2 Wegverkeerslawaai Algemeen In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken

Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m

Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m

De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: •

wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2);

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening ’t Kempke en Lourdeskerk” Ontwerp •

wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).

BJZ.nu heeft in voorliggend geval een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting. Resultaten Het plan ligt in de nabijheid van de Eibergsestraat en de Koningin Wilhelminastraat. Deze wegen hebben een wettelijke geluidszone. Het projectgebied ligt tevens in de nabijheid van verscheidene wegen waar een 30 km/uur regime geldt. Dit betreffen onder andere ’t Kempke, de W.H. Jordaansingel, de Ambachtstraat, de Sonderenstraat, de Voskamp en de Molenstraat. Gezien het in alle gevallen gaat om wegen die uitsluitend worden gebruikt voor bestemmingsverkeer, zijn deze wegen niet in het akoestisch onderzoek meegenomen. Redelijkerwijs kan worden aangenomen dat voor deze wegen aan de voorkeurswaarde wordt voldaan. Ter plaatse van de te realiseren woningen bedraagt de geluidsbelasting inclusief reductie maximaal 40 dB als gevolg van de Eibergsestraat. Deze geluidbelasting wordt gemeten op de noordgevels van het meest oostelijk appartementengebouw en de twee tweekappers. Op de overige woningen wordt een lagere geluidsbelasting gemeten. De maximale geluidbelasting als gevolg van de Koningin Wilhelminastraat bedraagt 46 dB. Deze geluidbelasting wordt gemeten ter plaatse van de zuidgevels van de zorgwoningen rondom de kerk.

Hiermee wordt aan de voorkeurswaarde voldaan. Een hogere waarde is niet noodzakelijk. 5.2.3

Conclusie

Gelet op het vorenstaande vormt de Wet geluidhinder geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Ter plaatse van een plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening ’t Kempke en Lourdeskerk” Ontwerp Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van voorliggend initiatief, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in 5.3.1.1 wordt gesteld dat voorliggend initiatief ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Daarnaast wordt de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit initiatief.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening ’t Kempke en Lourdeskerk” Ontwerp Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie in en bij het plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode ster) en de directe omgeving weergegeven.

Afbeelding 5.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Opgemerkt wordt dat ten zuiden van het plangebied, over de Koningin Wilhelminastraat, vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ten aanzien hiervan geldt geen plaatsgebonden risicocontour. De contour voor het groepsrisico ligt op 9 meter vanaf de weg. Het gevoelige functies binnen het plangebied liggen niet binnen deze afstand. Tevens wordt opgemerkt dat in het plangebied het aantal wooneenheden wordt gereduceerd, en de kerkfunctie komt te vervallen. Al met al zal de personendichtheid binnen het plangebied afnemen en kan daarmee ook worden aangenomen dat van een toename van het groepsrisico in geen geval sprake is. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening ’t Kempke en Lourdeskerk” Ontwerp 5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het initiatief vanuit het oogpunt van externe veiligheid verantwoord is.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als ‘gemend gebied’. Bij ‘gemengde gebieden’ moet gedacht worden aan: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied.

Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening ’t Kempke en Lourdeskerk” Ontwerp Aangezien het plangebied in hoofdzaak is omgeven door woningen wordt in voorliggend geval uitgegaan van het gebiedstype ‘rustige woonwijk’.

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe milieugevoelige functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functies. De onderstaande tabel geeft een overzicht van relevante milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied, alsmede de richtafstand en de feitelijke afstand tussen de milieubelastende functie en het plangebied: Adres

Functie

Milieucategorie

Sonderenstraat 22 Molenstraat 56 W.H. Jordaansingel 20

Kapper Buurthuis Basisschool

1 2 2

Richtafstand (meter) 10 10 30

Feitelijke afstand (meter) 18 6 0

Op basis van de vorenstaande tabel is zichtbaar dat het plangebied zicht bevindt binnen de richtafstand van het buurthuis aan de Molenstraat 56 en de basisschool aan de W.H. Jordaansingel 20. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening ’t Kempke en Lourdeskerk” Ontwerp Buurthuis Ten aanzien van het buurthuis wordt opgemerkt dat dit een zeer kleinschalige inrichting is, waarbij de activiteiten hoofdzakelijk inpandig plaatsvinden, dat naar aard en omvang goed is in te passen in een woonomgeving. Van het buurthuis wordt dan ook niet verwacht dat deze een belemmering vormt voor het woon- en leefklimaat van de (te realiseren) woningen. Basisschool Doordat het plangebied binnen de richtafstand van de basisschool ligt, en deze richtafstand uitsluitend geldt voor het milieuaspect ‘geluid’, is in voorliggend geval door Buijvoets bouw- en geluidsadvisering, een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 4 bij deze toelichting. Hierna wordt op de bevindingen ingegaan. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT De streefwaarde van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT (45 dBA etmaal) wordt overschreden als gevolg van stemgeluid relatief dicht bij de woningen. Ook de bovengrens van de VNG (50 dBA etmaal) wordt overschreden bij de appartementen op 1e verdieping. Bij de appartementen en grondgebonden woningen op 1.5 m hoogte kan, uitgezonderd in punt 5 (zie bijlage 4), aan de bovengrens worden voldaan.

In de bestaande situatie bevinden zich op de positie van de twee nieuwe blokken met 10 appartementen op de 1e verdieping 3 blokken met duplefxwoningen (18 appartementen op de 1e verdieping) op vrijwel dezelfde afstand met dezelfde geluidbelasting. Het aantal woningen op de 1e verdieping met een hoge geluidbelasting zal bij het nieuwe plan lager zijn ten opzichte van de bestaande situatie. Omdat de streefwaarde wordt overschreden is het noodzakelijk maatregelen te onderzoeken. Maatregelen worden onderzocht in de volgorde van bron, overdracht, ontvanger. Bronmaatregelen tegen stemgeluid zijn niet mogelijk zonder beperkingen voor de school (bijv. kortere speeltijden). Woningen op ruimere afstand van de school positioneren is stedenbouwkundig niet wenselijk of mogelijk. Afscherming heeft effect op 1.5 m. Voor voldoende effect op 5 m hoogte (appartementen 1e verdieping) is een 4 á 5 m hoog scherm nodig wat stedenbouwkundig niet is gewenst. Op de zuidgevel van de appartementen op 1e verdieping een hogere geluidbelasting toestaan en het binnenniveau waarborgen op 35 dBA is eenvoudig realiseerbaar met gevelmaatregelen. Bij een maximale geluidbelasting van 55 dBA is de vereiste geluidwering van de gevel (55 – 35 =) 20 dBA. Volgens het Bouwbesluit heeft een standaard gevel met roosters al een geluidwering van 20 dBA.

Dit betekent dat zonder speciale gevelmaatregelen het binnenniveau aanvaardbaar is. Piekgeluiden LAmax Zonder maatregelen wordt de maximale norm voor piekgeluiden LAmax met maximaal 8 dBA zeer ruim overschreden. Tegen het roepen schreeuwen van kinderen op een schoolplein zijn geen reële maatregelen denkbaar. Net als voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau zijn bron- en overdrachtsmaatregelen niet haalbaar in tegenstelling tot voldoende gevelwering. Dat betekent bij een geluidbelasting LAmax in de dagperiode van 78 dBA een vereiste geluidwering van (78 – 55 =) 23 dBA. Een geluidwering van 23 dBA kan eenvoudig worden bereikt met standaardmaatregelen (dubbel glas en een goede kierdichting) en susroosters of mechanische toevoer met warmteterugwinning. De meerkosten voor susroosters zijn verwaarloosbaar. Toetsing Activiteitenbesluit Conform het Activiteitenbesluit wordt stemgeluid 1 uur voor en 1 uur na schooltijd niet getoetst. Dat betekent dat de school niet wordt beperkt in haar activiteiten. Het gebruik van het schoolplein buiten deze periode in de avond of weekend kan tot een normoverschrijding leiden. Er zijn voorbeelden waarin een school maatregelen moet treffen (bijv. afsluiten speelveld) om een normoverschrijding te voorkomen. Opgemerkt wordt dat in de bestaande sitautie al sprake is van een afgesloten schoolplein.

Hierdoor kan buiten schooltijden om geen gebruik worden gemaakt van het schoolplein.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening ’t Kempke en Lourdeskerk” Ontwerp Conclusie effecten basisschool Op basis van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat met standaard gevelwering aan de woningen, de geluidsbelasting van de school geen belemmering vormt. Er dient wel een hogere waarde te worden aangevraagd. Ter plaatse van de woningen in het plangebied is, mits een hogere waarde wordt verleend, sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom wordt de basisschool niet belemmerd in de bedrijfsvoering. 5.5.4

Conclusie milieuzonering

Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit de bedrijven- en milieuzonering ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omliggende milieubelastende bedrijven worden als gevolg van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet in de bedrijfsvoering belemmerd. Het aspect milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.

5.6

Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 5.6.1

Gebiedsbescherming

Nederland heeft de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Wet natuurbescherming verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Buurserzand & Haaksbergerveen’ ligt op circa 1,8 kilometer afstand van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd.

Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is van directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. In voorliggend geval is door BJZ.nu een stikstofonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 5 bij deze toelichting. Hierna wordt op de resultaten ingegaan. Als gevolg van de huidige NOx emissie veroorzakende activiteit is reeds sprake van stikstofdepositie op in totaal vier Natura 2000-gebieden. Bij de vergelijking van de bestaande stikstofemissies tegenover de tijdelijke stikstofemissies (tijdens de aanlegfase) is er per saldo geen sprake van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden. Tijdens de gebruiksfase (gewenst gebruik) is geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening ’t Kempke en Lourdeskerk” Ontwerp Gelet op het vorenstaande is hiermee dan ook geen sprake van een stikstofdepositie met een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Ten aanzien van de ligging van het plangebied ten opzichte van NNN wordt opgemerkt dat gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren, op circa 1,5 kilometer afstand van het plangebied liggen. Gezien de aard van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 5.6.2

Soortenbescherming

5.6.2.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet er worden bekeken of hier een vrijstelling voor geldt anders moet er een ontheffing worden gevraagd. 5.6.2.2 Beoordeling plangebied In voorliggend geval is door Natuurbank Overijssel een Quickscan flora & fauna uitgevoerd. De quickscan gaf aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek naar de vleermuis, huismus en gierzwaluw. De quickscan en het nader onderzoek zijn opgenomen in respectievelijk bijlage 6 en 7 bij deze toelichting, hierna wordt op de bevinden ingegaan. Quickscan flora en fauna De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende algemeneen weinig kritische beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten verschillende grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats, bezetten vleermuizen er een vaste verblijfplaats en nestelen er vogels.

Behalve vogelsoorten, waarvan de nestplaats niet beschermd is (wel een het bezette nest), nestelt de huismus en vermoedelijk ook de gierzwaluw in de te slopen woningen (niet in het kerkgebouw). De nestplaat van de huismus en gierzwaluw is jaarrond beschermd en mag alleen vernield worden indien daarvoor een ontheffing is verleend. Nader onderzoek is verplicht om de functie van de bebouwing voor huismus en gierzwaluw vast te kunnen stellen. Nader onderzoek vleermuis, gierzwaluw en huismus Vleermuizen Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren. Huismus Door het slopen van de woningen in ’t Kempke wordt een vaste rust- en voortplantingsplaats van de huismus verstoord, beschadigd en vernield. Indien de woningen gesloopt worden tijdens de voortplantingsplaats wordt mogelijk een vogel gedood en eieren beschadigd en vernield. De huismus en de nestplaats van de huismus is beschermd volgens de Vogelrichtlijn. Om de woningen met de nestplaatsen van de huismus te mogen slopen dient een ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen te worden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening ’t Kempke en Lourdeskerk” Ontwerp Gierzwaluw Door het slopen van de woningen in ’t Kempke wordt een vaste rust- en voortplantingsplaats van de gierzwaluw verstoord, beschadigd en vernield. Indien de woningen gesloopt worden tijdens de voortplantingsplaats wordt mogelijk een vogel gedood en eieren beschadigd en vernield. De gierzwaluw en de nestplaats van de gierzwaluw is beschermd volgens de Vogelrichtlijn. Om de woningen met de nestplaatsen van de gierzwaluw te mogen slopen dient een ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen te worden. Overige soorten De steenmarter en de vaste rust- en voortplantingsplaats van de steenmarter is beschermd. Door het slopen van de aanbouw aan de kerk wordt de vaste rust- en voortplantingsplaats van de steenmarter verstoord, beschadigd en vernield. Afhankelijk van de tijd van het jaar waarin de aanbouw gesloopt wordt, wordt mogelijk een steenmarter gedood. De steenmarter en de vaste rust- en voortplantingsplaats van de steenmarter is beschermd. Om de vaste rust- en voortplantingsplaats van de steenmarter te mogen verstoren, beschadigen en vernielen dient een ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen te worden. 5.6.3

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen invloed op beschermde natuurgebieden. Ten aanzien van soortenbescherming is een ontheffing aangevraagd. Vooruitlopen hierop zijn reed maatregelen in de vorm van het plaatsen van kasten voor de gierzwaluw genomen.

5.7

Archeologie & cultuurhistorie

5.7.1

Archeologie

5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied In voorliggend geval is door Laagland Archeologie een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Het rapport behorende bij dit archeologisch onderzoek is opgenomen in bijlage 8 bij deze toelichting. Hierna wordt op de bevinden ingegaan. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat, afgezien van eventuele diepe grondsporen en wellicht off-site resten. Gezien de mate waarin het bodemprofiel is verstoord, wordt deze kans klein geacht. Om deze reden wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven. 5.7.2

Cultuurhistorie

5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening ’t Kempke en Lourdeskerk” Ontwerp In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie plangebied Binnen het plangebied bevindt zich een gemeentelijke monument. Dit betreft het kerkgebouw. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden de niet monumentale aangebouwde onderdelen aan de kerk gesloopt. Voor het overige wordt het kerkgebouw behouden en voorzien van een vervolgfunctie (wonen). Door de kerk een nieuwe functie te geven, wordt nu en in de toekomst geïnvesteerd in het onderhoud van het kerkgebouw. Zodoende wordt dit gemeentelijke monument behouden. Voor het overige wordt bij bouwtechnische ingrepen aan de bebouwing rekening gehouden met de status van het kerkgebouw en vinden er uitpandig geen grootschalige ingrepen plaats die de uitstraling van het kerkgebouw schaden. Voor het overige bevinden zich in en om het plangebied geen cultuurhistorische waarden die als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden geschaad. Het aspect cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 5.7.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect archeologie geen belemmering vormt. Doordat wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor archeologie, zijn de binnen het plangebied van oorsprong voorkomende archeologische dubbelbestemmingen, in voorliggend bestemmingsplan niet overgenomen. Er is tevens geen sprake van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.8

Besluit milieueffectrapportage

5.8.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • • •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening ’t Kempke en Lourdeskerk” Ontwerp geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.8.2

Situatie plangebied

5.8.2.1 Passende beoordeling Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in het realiseren van maximaal 72 woningen met bijbehorende voorzieningen. Gelet op de ruime afstand tot Natura-2000 gebieden alsmede de resultaten uit het stikstofonderzoek (zie ook paragraaf 5.6.1) wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van de aantasting van de instandhoudingsdoelstelingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8, lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk, aangezien er geen significante negatieve effecten zijn te verwachten. Er is dus geen sprake van een m.e.r.plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.8.2.2 Drempelwaarde Besluit m.e.r. Voor de ontwikkeling is een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. Uit deze aanmeldnotitie is gebleken dat ten gevolge van het plan geen significant negatieve effecten op de omgeving zullen optreden. Voor een uitgebreide beschrijving van de milieueffecten wordt verwezen naar de aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling, opgenomen in bijlage 9 van deze toelichting.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening ’t Kempke en Lourdeskerk” Ontwerp

HOOFDSTUK 6

WATERASPECTEN

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4

Beleid waterschap Vechtstromen

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober het ‘Waterbeheerplan 2016-2021’ vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema’s waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op:

• • • 6.1.5

voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. Gemeentelijk rioleringsplan 2017-2020

Het belangrijkste doel van riolering is om bij te dragen aan de volksgezondheid. Daarnaast is riolering van belang voor de bewoonbaarheid van de leefomgeving in de zin van droge voeten en voor bescherming van het milieu. Riolering is vooralsnog onmisbaar in stedelijk gebied. De aanleg en het beheer ervan is een kostbare

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10841317/1