CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

TOE BP Zwarteland (vastgesteld 13-11-2024)

Gemeenteraad 18 december 2024, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Bestemmingsplan toelichting19.083 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Met het voornemen worden namelijk verouderde woningen gesloopt en vervangen door woningen die voldoen aan de hedendaagse wensen en eisen die aan woningen worden gesteld. Op die manier ontstaat in het plangebied weer een aantrekkelijk woonklimaat. Geconcludeerd wordt dat de ‘Structuurvisie 2030, Haaksbergen: groenste dorp van Twente’ geen belemmering vormt voor het voorgenomen initiatief. 4.3.2

Woonvisie ‘Goed wonen in Haaksbergen’

4.3.2.1 Algemeen Op 5 juli 2023 heeft de gemeenteraad de nieuwe woonvisie voor Haaksbergen vastgesteld: ‘Goed wonen in Haaksbergen’. De Woonvisie is opgesteld voor de periode 2023-2028 met een doorkijk naar de periode tot 2032. Het uitgevoerde woonbehoefteonderzoek van begin 2021 heeft belangrijke input geleverd voor (delen van) de Woonvisie. Het is een visie waar op hoofdlijnen puntig is geformuleerd waar Haaksbergen naartoe wil de komende jaren, maar niet tot achter de komma. De gemeente wil namelijk per situatie ruimte bieden aan creativiteit van de inwoners en ruimte maken voor goede initiatieven in nieuwbouw. De belangrijkste uitgangspunten voor de Woonvisie zijn: • • • •

•

De ontwikkeling van de bevolking: als gemeente groeien we op korte en middellange termijn door; De veranderende samenstelling van de bevolking van Haaksbergen: we vergrijzen en ontgroenen. De kenmerken van de huidige woningmarkt: hoge woningprijzen en beperkt aanbod, voor zowel starter als oudere. De gemeente Haaksbergen realiseert zich ook dat verreweg het leeuwendeel van de woningen er over 10, 20 en 30 jaar nog steeds staat en dat alle woningeigenaren staan voor een goede en duurzame kwaliteit van de bestaande woningvoorraad; In de nieuwbouwprogrammering vinden we het belangrijk dat deze zo goed mogelijk aansluit bij de toekomstige woonbehoefte van alle inwoners.

Uit de verwachte huishoudensontwikkeling komt naar voren dat ondanks de vergrijzing, het aantal huishoudens in Haaksbergen groeit, dit wordt met name veroorzaakt door migratie. De huishoudensgroei wordt met name verwacht in oudere huishoudens. Het aantal alleenstaanden en stellen van 65 jaar en ouder kent een verwachte groei van 15% in de periode 2020-2030. In onderstaande tabel is de verwachte groei te zien.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

22

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening Zwarteland, Beatrixstraat en Zieneschstraat” Vastgesteld

Tabel 1:

Huishoudensontwikkeling gemeente Haaksbergen 2020-2030 (bron: Primos, bewerkt Stec-groep)

In de afgelopen jaren zijn er relatief weinig woningen gebouwd in de gemeente en is er op provinciaal niveau sprake van woningtekort. De Primos prognose houdt geen rekening met inlopen tekorten, mogelijk is de werkelijke woningbehoefte iets groter dan de prognose. 4.3.2.2 Gemeentelijke woonambitie De ambitie van de gemeente Haaksbergen is groter dan de lange termijnbehoefte op basis van de Primos prognose (2020) en het plus scenario. Dit komt mede voort uit de grote landelijke ambitie (in de Nationale woon- en bouwagenda is een lange termijndoel van 900.000 woningen tot 2030 opgenomen) en de afspraken die de provincie Overijssel vervolgens heeft gemaakt met het Rijk en de regiogemeenten in het kader van de Woondeal Twente. In de Woondeal Twente, die op 21 december door partijen is ondertekend, is afgesproken dat elke regionale gemeente, dus ook de gemeente Haaksbergen, een bijdrage levert aan de regionale woningbouwopgave van 14.100 woningen. Het aantal woningen per regiogemeente wordt “fair share” verdeeld. Hierbij is wel de kanttekening gemaakt dat de bijdrage moet passen bij de lokale opgave en het karakter van de gemeente. De gemeente streeft er naar om met de nieuwbouw aan te sluiten op de marktbehoefte en doorstroming mogelijk te maken/op gang te brengen.

Complementair bouwen voor de juiste doelgroen op de juiste locaties draagt bij aan gezonde mix in de voorraad en bevolking. Het aantal huishoudens stijgt sneller dan het aantal inwoners. De trend van steeds meer kleine huishoudens hangt samen met stijging van aantal eenpersoonshuishoudens. Het gaat om oudere alleenstaanden en singels in alle andere leeftijdscategorieën. Er is een streven naar woningen voor ouderen. 4.3.2.3 Betaalbaarheid en beschikbaarheid van woningen De betaalbaarheid van een woning is niet voor iedereen vanzelfsprekend. Naast de huur of hypotheek zijn ook woonlasten zoals energielasten en andere kosten relevant voor de betaalbaarheid van wonen. Voor sommige doelgroepen staat de betaalbaarheid van het wonen continu onder druk, ongeacht economische ontwikkelingen. Bijvoorbeeld voor (alleenstaande) ouderen die een klein pensioen of alleen AOW ontvangen, jongeren en (jong)volwassenen met een blijvend laag inkomen. Ook zien we dat de betaalbaarheid voor middeninkomens onder druk staat. Vaak verdienen zij teveel om in een sociale huurwoning te kunnen wonen of om in aanmerking te komen voor tegemoetkomingen zoals een huurtoeslag. Tegelijkertijd worden ze geconfronteerd met hoge woonlasten. Daarnaast is betaalbaarheid belangrijk voor verscheidene zorgdoelgroepen. Energiearmoede is bij betaalbaarheid een risicofactor.

Doordat een groot deel van het (lage) inkomen opgaat aan de energiekosten komen sommige huishoudens in de problemen. Het is slechts één oorzaak van armoede, maar een belangrijke om zicht op te houden gezien de overgang naar het gebruik van duurzame energie. Omvang van de sociale woningvoorraad is voldoende groot, maar niet altijd voldoende toegankelijk De absolute omvang van de sociale woningvoorraad met een huurprijs tot de liberalisatiegrens (€ 808,06,

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

23

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening Zwarteland, Beatrixstraat en Zieneschstraat” Vastgesteld prijspeil 2023) in Haaksbergen is op dit moment in absolute zin nagenoeg voldoende. Tegelijkertijd is de voorraad niet overal voldoende toegankelijk voor de doelgroep. Herstructurering draagt bij aan woningaanbod dat beter is afgestemd op de huidige en toekomstige woonwensen. De vraagdruk op de sociale huurwoningvoorraad neemt op korte termijn naar verwachting toe, terwijl er om demografische redenen op middellange en lange termijn overschotten kunnen ontstaan in de minder aantrekkelijke delen van de sociale woningvoorraad. 4.3.2.3 Aanpasbaarheid en duurzaamheid Er ligt een opgave om de woningvoorraad verder te verduurzamen. In het Convenant Energiebesparing Huursector is vastgelegd dat de sociale huurwoningvoorraad in Nederland in 2020 ten minste gemiddeld energielabel B heeft bereikt. De woningcorporaties in Haaksbergen hebben de energielabels de afgelopen jaren aanzienlijk verbeterd. Ook in het particuliere woningbezit zijn de energielabels verbeterd door toepassing van energiebesparende maatregelen. Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen tot het niveau van minimaal Energielabel A.

4.3.2.4 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie ‘Keuzes voor de toekomst – Woonvisie van nu naar 2020’ Het voornemen ziet niet op de toename van woningen in de sociale woningvoorraad. De bestaande woningen in het plangebied zijn verouderd en niet duurzaam. Met de bouw van 45 energieneutrale sociale huurwoningen wordt ook een bijdrage geleverd aan het streven van duurzaam bouwen. De nieuwe woningen voldoen aan de hedendaagse eisen die worden gesteld aan duurzaamheid. Het initiatief is in overeenstemming met de woonvisie. 4.3.4

Welstandsnota gemeente Haaksbergen

4.3.4.1 Algemeen De Welstandsnota van de gemeente Haaksbergen is vastgesteld in 2014 en beschrijft het kader en de ambitie voor de beoordeling van bouwplannen in relatie ook tot de omgeving en met het oog op toekomstige ontwikkeling. 4.3.4.3 Toetsing van het initiatief aan de Welstandsnota In voorliggend geval wordt voor specifiek het plangebied een beeldkwaliteitsplan vastgesteld door de gemeenteraad van Haaksbergen. Door middel van dit beeldkwaliteitsplan worden er welstandseisen vastgelegd die specifiek voor het plangebied gelden. Het beeldkwaliteitsplan vormt een aanvulling op de welstandsnota en wordt hiermee het welstandsbeleid voor het plangebied. Het beeldkwaliteitsplan is als bijlage 1 opgenomen bij dit bestemmingsplan. 4.3.5

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het relevante gemeentelijke beleid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening Zwarteland, Beatrixstraat en Zieneschstraat” Vastgesteld

HOOFDSTUK 5

PLANOLOGISCHE EN MILIEUTECHNISCHE UITVOERBAARHEID

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In het kader van de milieukundige uitvoerbaarheid worden in dit hoofdstuk de volgende thema’s behandeld: bodem, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie en cultuurhistorie en het besluit milieueffectrapportage.

5.1

Bodem

5.1.1

Algemeen

Bij het vaststellen van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.1.2

Beoordeling plangebied

In voorliggend geval is door Dumea ter plaatse van het plangebied een verkennend bodemonderzoek NEN5740 uitgevoerd. Daarnaast is een vooronderzoek NEN5707 Asbest gedaan. De onderzoeksrapportage is opgenomen in bijlage 2 bij deze toelichting. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. 5.1.2.1 Onderzoeksresultaten Verkennend bodemonderzoek NEN5740 In de bovengrondmengmonsters zijn maximaal verhogingen zware metalen, PAK en PCB’s aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarde. In de ondergrondmengmonsters zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 is een lichte verhoging nikkel aangetroffen. In het grondwatermonster Pb2wm1 is een lichte verhoging barium aangetroffen. In de mengmonsters BM2, BM3, BM4 en BM5 zijn concentraties aangetroffen boven de toepassingsnorm van 1,4 μg/kg voor PFOS en overige PFAS. Bij eventueel grondverzet op de locatie dient formeel de grond te worden gekeurd conform de regels uit het Besluit Bodemkwaliteit. Op basis van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek voldoet een deel van de bovengrond aan klasse Wonen en een deel van de bovengrond aan klasse Industrie. De ondergrond voldoet aan klasse Altijd toepasbaar. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht.

De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Vooronderzoek NEN 5707 Asbest Binnen het plangebied zijn zeven druppelzones aanwezig. Vijf van de zeven druppelzones zijn onderzocht. Op het adres Beatrixstraat 96 bevinden zich twee druppelzones. Tot op heden is er geen toestemming van de huidige eigenaar om deze druppelzones te onderzoeken. Hierna wordt ingegaan op de onderzoeksresultaten van de vijf onderzochte druppelzones. In de mengmonsters van DZ1, DZ4 en DZ5 is analytisch geen asbest aangetoond. De mengmonsters van DZ2 en DZ3 zijn licht asbesthoudend; de gewogen asbestgehalten zijn (ruim) lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. 5.1.2.2 Vervolg Het onderzoek van de twee druppelzones ter plaatse van de Beatrixstraat 96 moet nog worden uitgevoerd. Dit onderzoek wordt gedaan wanneer deze locatie vrij toegankelijk is. In de regels van dit bestemmingsplan is een

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening Zwarteland, Beatrixstraat en Zieneschstraat” Vastgesteld voorwaardelijke verplichting opgenomen dat het bevoegd gezag pas een omgevingsvergunning voor het bouwen verleent indien de milieuhygienische geschiktheid van de bodem is aangetoond middels bodemonderzoek en/of de eventueel noodzakelijke bodemsanering is uitgevoerd. 5.1.3

Conclusie

Het milieuaspect ‘bodem’ vormt geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.2

Geluid

5.2.1

Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.2.2

Situatie plangebied

De beoogde woningen liggen binnen de geluidzone van het industrieterrein en liggen op korte afstand van het ten zuiden/zuidwesten gelegen bedrijf TKF. Hierdoor kan geluid een belemmering zijn voor de realisatie van de woningen en voor de bedrijfsvoering van TKF. Om deze redenen de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, (het ‘gemiddelde’ geluid) als gevolg van het totale industrieterrein, en de maximale geluidniveaus (‘pieken’) vanwege TKF bepaald en getoetst aan de wettelijke normen. Daarnaast zijn in de omgeving van het plan 30 km/uur wegen gelegen, die ervoor zorgen dat het plan wordt belast met geluid van wegverkeer. Railverkeerlawaai is in dit geval niet relevant, aangezien spoorwegen op ruime afstand van het plangebied liggen. In dit geval is door Alcedo een akoestisch onderzoek industrielawaai- en wegverkeerlawaai uitgevoerd. Hierna wordt op de resultaten ingegaan. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze toelichting. 5.2.2.1 Onderzoeksresultaten Industrielawaai Uit het onderzoek naar het geluidgezoneerde industrieterrein blijkt dat vanwege de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A)- etmaalwaarde en de maximaal toelaatbare hogere waarde van 55 dB(A)-etmaalwaarde, die geldt voor volledig nieuw bestemde woningen, wordt overschreden.

De maximaal toelaatbare hogere waarde van 65 dB(A) voor vervangende nieuwbouw, wordt niet overschreden. Afscherming Het is mogelijk om de geluidbelasting in de achtertuinen te verlagen door het plaatsen van schermen rondom de tuinen en/of tussen de tuinen. Om een merkbaar effect te hebben, dienen deze schermen minimaal 2,5 meter hoog te zijn. De schermen hebben onvoldoende effect om op de gevel van de woningen te voldoen aan de voorkeursgrenswaarden. Stedenbouwkundig zijn schermen rondom de tuinen van meer dan 2 meter hoog niet gewenst. Een scherm tussen het plangebied en TKF met een hoogte van 3 meter en voorbij de grens met TKF aflopend naar 2 meter, heeft in de tuinen zelf weinig effect. Aan de westzijde van het plangebied met openbaar groen is wel sprake van verlaging van het geluid, waardoor de beleving van het geluid gunstiger uitpakt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening Zwarteland, Beatrixstraat en Zieneschstraat” Vastgesteld Stedenbouwkundig is een scherm aan de rand van het plangebied wel inpasbaar. Dit heeft visueel minder impact dan schermen rondom de tuinen. Visueel zal dit effect ook gunstig zijn, omdat er hiermee minder zicht is op het bedrijfsterrein van TKF en dit scherm groen aangekleed kan worden. Om deze redenen zal het scherm zoals weergegeven in de volgende figuur gerealiseerd worden. Het scherm wordt absorberend uitgevoerd om ongewenste reflecties tegen het scherm te voorkomen, bijvoorbeeld vanwege de dakbronnen. Het scherm dient geheel gesloten, behoudens eventuele afwateringsvoorzieningen, uitgevoerd te worden met een minimale massa van 10 kg/m².

Afbeelding 5.1

Ligging geluidsscherm tussen TKF en plangebied (Bron: Alcedo)

Met name voor de westgevel van de woningen in blok 5 is sprake van een hoge geluidbelasting vanwege industrielawaai. Bij de slaapkamers van deze woningen, aan de westgevel, wordt geadviseerd een gebouwgebonden afscherming voor de draaiende delen (te openen ramen) te plaatsen, zodat de geluidbelasting voor het open raam niet hoger is dan 55 dB(A). Dit geldt ook voor de 3e bouwlaag, zuidgevel van woning 5 in blok 10 en voor de zuidgevel van woning 5 in blok 5, 2e en 3 bouwlaag. Hogere waarden Geadviseerd wordt om voor alle woningen binnen het plan een hogere waarde van minimaal 55 dB(A) voor industrielawaai vast te stellen, zodat de bedrijven op het geluidgezoneerde industrieterrein niet belemmerd worden in hun bedrijfsvoering. Voor de volgende woningen dient een hogere waarde vastgesteld te worden van: • • • • • •

Blok 5, woning 1: 56 dB(A); Blok 5, woning 2: 57 dB(A); Blok 5, woning 3: 57 dB(A); Blok 5, woning 4: 57 dB(A); Blok 5, woning 5: 58 dB(A); Blok 10, woning 5: 56 dB(A).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening Zwarteland, Beatrixstraat en Zieneschstraat” Vastgesteld Bij deze woningen moet wel worden gezorgd voor voldoende geluidwering zodat in de woningen sprake is van een binnenniveau van ten hoogste 35 dB(A) industrielawaai. Wegverkeerslawaai Maatregelen in de vorm van een stiller wegdektype en/of het toepassen van een geluidscherm zijn redelijkerwijs niet mogelijk of wenselijk. Hogere waarden zijn vanwege de 30 km/uur wegen niet van toepassing. Geadviseerd wordt om vanwege de hoge geluidbelasting wel aandacht te besteden aan de geluidwering, zodat een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. In tabel 2 van dit rapport is aangegeven welke geluidwering minimaal benodigd is. Verder wordt geadviseerd om langs de tuinen van woning 1, blok 1 en woning 1, blok 6 een afscherming te plaatsen, zodat het wegverkeerslawaai in de achtertuin verlaagd wordt. Gecumuleerde geluidbelasting In de tabellen in bijlage 3 en 4 van het akoestisch onderzoek is de gecumuleerde geluidbelasting weergegeven. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 60 dB bij de woningen waar wegverkeerslawaai maatgevend is en ten hoogste 59 dB bij de woningen waar industrielawaai maatgevend is. Hiermee wordt voldaan aan de ten hoogst toelaatbare hogere waarde voor wegverkeers- en industrielawaai. Hiermee is de situatie aanvaardbaar.

De woningen waar extra geluidswering voor industrielawaai nodig is (geluidswering hoger dan 20 dB(A)), hebben geen hoge geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai en andersom. Hiermee is er geen sprake van relevante cumulatie ten gevolge van meerdere zoneringsplichtige geluidbronnen. Hogere grenswaarden Geadviseerd wordt om voor alle woningen binnen het plan een hogere waarde van minimaal 55 dB(A) voor industrielawaai vast te stellen, zodat de bedrijven op het geluidgezoneerde industrieterrein niet belemmerd worden in hun bedrijfsvoering. Voor de volgende woningen dient een hogere waarde vastgesteld te worden van: • • • • • • 5.2.3

Blok 5, woning 1: 56 dB(A); Blok 5, woning 2: 57 dB(A); Blok 5, woning 3: 57 dB(A); Blok 5, woning 4: 57 dB(A); Blok 5, woning 5: 58 dB(A); Blok 10, woning 5: 56 dB(A). Conclusie

Gelet op het vorenstaande en met het vaststellen van het hogere waarde vormt de Wet geluidhinder geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Aanvullend wordt in voorliggend bestemmingsplan vastgelegd dat tussen het terrein van TKF en het plangebied conform afbeelding 5.1 een geluidsscherm van 3 meter hoog wordt gerealiseerd. Ter plaatse van een plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening Zwarteland, Beatrixstraat en Zieneschstraat” Vastgesteld 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

Omdat de beoogde transformatie niet past binnen het geldende is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. In het kader van de bestemmingsplanherziening is onder andere van belang om vast te stellen wat de lokale luchtkwaliteit is en in welke mate de emissies ten gevolgen van voorgenomen ontwikkeling bijdragen. De Wet luchtkwaliteit bevat normen voor ruimtelijke initiatieven op het gebied van luchtkwaliteit. In dit geval is door BJZ.nu een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd naar de relevante luchtkwaliteitsaspecten. Hierin wordt de bestaande luchtkwaliteit beschouwd en de NIBM-toets uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting. Uit dit onderzoek blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Daarnaast vormt het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’ geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Tot slot is voldoende duidelijk dat het woon- en leefklimaat voor het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is voor realisatie van voorgenomen ontwikkeling, waarbij ter plaatse wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden en dat het aannemelijk is dan in toekomst tevens wordt voldaan aan de alle advieswaarden van de WHO. 5.3.3

Conclusie

Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit initiatief.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening Zwarteland, Beatrixstraat en Zieneschstraat” Vastgesteld veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie in en bij het plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode cirkel) en de directe omgeving weergegeven.

Afbeelding 5.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening Zwarteland, Beatrixstraat en Zieneschstraat” Vastgesteld • • • •

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; wel binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Opgemerkt wordt dat ten zuiden en oosten van het plangebied een gasleiding van de Gasunie loopt. Gelet op het feit dat het aantal woningen afneemt is onderzoek niet noodzakelijk. De personendichtheid binnen het plangebied neemt af en daarmee kan ook worden aangenomen dat van een toename van het groepsrisico in geen geval sprake is. 5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het initiatief vanuit het oogpunt van ‘externe veiligheid’ verantwoord is.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als ‘gemend gebied’. Bij ‘gemengde gebieden’ moet gedacht worden aan: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening Zwarteland, Beatrixstraat en Zieneschstraat” Vastgesteld direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Aangezien het plangebied in omgeven door industrie, bedrijfspercelen en woningen wordt in voorliggend geval uitgegaan van het gebiedstype ‘gemengd gebied’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe milieugevoelige functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functies. Ten zuiden en ten westen van het plangebied bevindt zich een geluidgezoneerd industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder. Doordat er sprake is van een industrieterrein, moet volgens artikel 40 Wgh een geluidszone om het industrieterrein worden vastgesteld. Op de zonegrens mag de totale geluidsbelasting afkomstig van het geluidsgezoneerde industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen. Binnen de geluidszone zijn geluidsgevoelige objecten aanwezig. Dit zijn voornamelijk woningen.

Ter plaatse van de geluidsgevoelige objecten mag de geluidsbelasting niet hoger zijn dan de vastgestelde maximaal toelaatbare grenswaarde van 51, 53 of 55 dB(A). Binnen de zone gelden beperkingen voor (toevoeging van) geluidgevoelige bestemmingen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening Zwarteland, Beatrixstraat en Zieneschstraat” Vastgesteld De woningen liggen binnen de geluidzone van het industrieterrein en op korte afstand van het ten zuiden/zuidwesten gelegen bedrijf TKF. Hiervoor zijn de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, (het ‘gemiddelde’ geluid) als gevolg van het totale industrieterrein, en de maximale geluidniveaus (‘pieken’) vanwege TKF bepaald en getoetst aan de wettelijke normen. Alcedo heeft een akoestisch onderzoek gedaan naar de geluidbelasting. Hier in paragraaf 5.2 al op ingegaan. Verder wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze toelichting. Uit het onderzoek volgt een advies om voor alle woningen binnen het plangebied een hogere waarde van 55 dB(A) voor industrielawaai vast te stellen, zodat de bedrijven op het geluidgezoneerde industrieterrein niet belemmerd worden in hun bedrijfsvoering. In bijlage 5 van het akoestisch onderzoek is een totaaloverzicht van de geluidbelastingen, hogere waarden en dove gevels opgenomen. Met de minimale geluidswering van 20 dB(A) volgens het Bouwbesluit, wordt in de woningen voldaan aan het maximaal toelaatbare binnenniveau van 35 dB(A). 5.5.4

Conclusie milieuzonering

Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit de bedrijven- en milieuzonering ter plaatse van de beoogde woningen, mits wordt voldaan aan de minimale geluidswering, sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Omliggende milieubelastende bedrijven worden, mits een hogere waarde wordt vastgesteld, als gevolg van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet in de bedrijfsvoering belemmerd. Het aspect milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.

5.6

Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 5.6.1

Gebiedsbescherming

Nederland heeft de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Wet natuurbescherming verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Buurserzand & Haaksbergerveen’ ligt op circa 2,4 kilometer afstand van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd.

Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is van directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. In voorliggend geval is door BJZ.nu een stikstofonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 5 bij deze toelichting. Hierna wordt op de resultaten ingegaan. Geconcludeerd wordt dat voor per saldo geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening Zwarteland, Beatrixstraat en Zieneschstraat” Vastgesteld voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden aan artikel 2.7, lid 1 van de Wet natuurbescherming. Ten aanzien van de ligging van het plangebied ten opzichte van NNN wordt opgemerkt dat gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren, op circa 1,5 kilometer afstand van het plangebied liggen. Gezien de aard van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 5.6.2

Soortenbescherming

5.6.2.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet er worden bekeken of hier een vrijstelling voor geldt anders moet er een ontheffing worden gevraagd. 5.6.2.2 Beoordeling plangebied In voorliggend geval is door Eelerwoude een nader onderzoek naar de vleermuis, huismus, gierzwaluw en egel. Het nader onderzoek is opgenomen in bijlage 6 bij deze toelichting, hierna wordt op de bevinden ingegaan. Nader onderzoek vleermuis, gierzwaluw en huismus Vleermuizen Binnen het plangebied is één paar- en baltsverblijfplaats aangetroffen in mogelijk later te verduurzamen woningen. In de te slopen woningen zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor vleermuizen dan ook niet noodzakelijk. Broedvogels In totaal zijn drie broedlocaties van huismus en vier van gierzwaluw vastgesteld. Hiervan bevonden alle gierzwaluwen en twee nesten van huismus zich in de te slopen woningen. Door de sloop worden deze locaties vernietigd.

Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming is hierom aan de orde voor beide soorten. Hiernaast is het nemen van maatregelen noodzakelijk. Egel Bij de sloop van de woningen moet mogelijk beplanting worden verwijderd uit de voor en/of achtertuinen. Een negatief effect op de aanwezige egels is hierom mogelijk niet te voorkomen. Een ontheffing voor egel is hierom noodzakelijk. Conclusie Een ontheffing is noodzakelijk voor huismus, gierzwaluw en egel voor de sloop van de 51 woningen binnen het plangebied. 5.6.2.2 Ontheffing Wnb Op 30 mei 2023 heeft de provincie Overijssel een beschikking afgegeven voor de ontheffing van verbodsbepalingen voor nationaal beschermde soorten en soorten van de Vogelrichtlijn en van de Habitatrichtlijn. Deze ontheffing heeft betrekking op de renovatie en de sloop en nieuwbouw van woningen aan de Zwarteland, de Beatrixstraat en Zieneschstraat in Haaksbergen. Deze ontheffing treedt in werking één dag na de verzenddatum en is geldig tot en met 1 oktober 2028. Aan het besluit zijn voorschriften verbonden die zijn opgenomen in de beschikking.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening Zwarteland, Beatrixstraat en Zieneschstraat” Vastgesteld 5.6.3

Conclusie

Het aspect ‘ecologie’ vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.7

Archeologie & cultuurhistorie

5.7.1

Archeologie

5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied In voorliggend geval is door Laagland Archeologie een bureauonderzoek uitgevoerd. Het rapport behorende bij dit archeologisch onderzoek is opgenomen in bijlage 7 bij deze toelichting. Nadien is door Laagland tevens een archeologisch veldonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 8 bij deze toelichting. Hierna wordt op de bevindingen ingegaan. Op basis van het bureauonderzoek (bijlage 7) ligt het plangebied op een grote dekzandwelving. Vermoedelijk is een podzolbodem aanwezig in de top van de natuurlijke ondergrond. Daarbovenop is een plaggendek aanwezig. Op oude kaarten komen geen boerenerven voor in de omgeving van het plangebied. In de omgeving zijn geen archeologische vondsten bekend. Het plangebied is in de loop van de afgelopen eeuw bebouwd geraakt.

In het plangebied zijn resten vanaf het Midden-Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen te verwachten (hoge trefkans). Daarnaast kunnen resten uit de Nieuwe Tijd worden verwacht; dat gaat dan hoofdzakelijk om sporen van perceelinrichting, esgreppels en dergelijke. De aanwezige en vroegere bebouwing heeft waarschijnlijk tot bodemverstoring geleid. Omvang en diepte van deze bodemverstoring is in dit stadium niet bekend. Om die redenen is toen een Inventariserend Veldonderzoek – verkennende fase geadviseerd. Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de bodem, afgezien de bovenste 50 à 70 cm in de humeuze bovenlaag, onverstoord is. Het overgrote deel van het plangebied lag echter oorspronkelijk in een landschap dat niet erg geschikt was voor bewoning omdat het daarvoor te nat was. Archeologische resten zijn niet uit te sluiten binnen het plangebied (off-site resten), maar nederzettingen zijn vrijwel uit te sluiten. Het archeologisch belang is laag.

Om deze reden wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd en kan het plangebied worden vrijgegeven. 5.7.2

Cultuurhistorie

5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening Zwarteland, Beatrixstraat en Zieneschstraat” Vastgesteld 5.7.2.2 Situatie plangebied Deze buurt Zwarteland (het plangebied), ten noordwesten van het historische centrum heeft zijn oorsprong in de jaren ‘20 van de twintigste eeuw. In opdracht van de gemeente Haaksbergen heeft Het Oversticht een cultuurhistorische analyse uitgevoerd van de buurt het Zwarteland in Haaksbergen. Door middel van het cultuurhistorische onderzoek wordt inzicht verkregen in de cultuurhistorische waarden van, de buurt en de bebouwing. Het Oversticht heeft de historie en betekenis van het gebied in beeld gebracht en tekstueel uiteengezet middels een cultuurhistorische analyse. In het rapport wordt onderbouwd over welke cultuurhistorische kwaliteiten en waarden het precies gaat en waar deze zich manifesteren. Hierna worden de belangrijkste conclusies weergegeven. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar bijlage 9 van deze toelichting. Uit voorgaande cultuurhistorische analyse is gebleken dat het Zwarteland cultuurhistorische waarden bezit. De belangrijkste daarvan zijn: • • • • • •

Eerste arbeiderswijkje van Haaksbergen; Herkenbare stedenbouwkundige principes van de tuindorpgedachte; Sobere, maar zorgvuldige detaillering; Gelaagdheid door de schakering van woningen uit verschillende tijdslagen waarbij toch duidelijk een geheel is ontstaan; Ontwerp door meerdere bekende Twentse architecten; Zeldzaam informeel, dorps karakter dat ondanks verschraling herkenbaar is gebleven.

Daarnaast doet het Oversticht een aantal aanbevelingen. De cultuurhistorische analyse is meegenomen in het ontwerp van de nieuwe woonbuurt. De toekomstige situatie voor het buurtje Zwarteland is gebaseerd op de huidige situatie. Vanwege de cultuurhistorische waarde zal de bestaande infrastructuur behouden blijven. Dit geldt ook voor de bijbehorende parkeerplaatsen en bestaande bomen. Ook zal de bestaande groene wig aan de noordelijke zijde intact blijven. Dit wordt doorvertaald in een beeldkwaliteitsplan, dat gelijktijdig met dit bestemmingsplan wordt vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Haaksbergen. 5.7.3

Conclusie

De aspecten ‘archeologie’ en ‘cultuurhistorie’ vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Gelet op de resultaten van de uitgevoerde archeologisch onderzoeken, wordt de archeologische dubbelbestemming ter plaatse van het plangebied verwijderd.

5.8

Besluit milieueffectrapportage

5.8.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • •

•

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening Zwarteland, Beatrixstraat en Zieneschstraat” Vastgesteld 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.8.2

Situatie plangebied

5.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet Natuurbescherming Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in het realiseren van maximaal 45 woningen met bijbehorende voorzieningen. Gelet op de ruime afstand tot Natura-2000 gebieden alsmede de resultaten uit het stikstofonderzoek (zie ook paragraaf 5.6.1) wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van de aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8, lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk, aangezien er geen significante negatieve effecten zijn te verwachten. Er is dus geen sprake van een m.e.r.plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.8.2.2 Drempelwaarde Besluit m.e.r Dit bestemmingsplan voorziet in het toevoegen van nieuwe functies binnen bestaand stedelijk gebied. Het plan voldoet daarmee aan de definitie van 'een besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r.

en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Voor de beoogde ontwikkelingen is onderstaande activiteit uit de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage relevant, namelijk 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De drempelwaarden van de betreffende categorie worden niet overschreden of zijn niet van toepassing (oppervlakte van 100 ha of meer, 2.000 of meer woningen en bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer). Dit betekent dat er geen sprake is van een directe m.e.r. plicht. Voor de ontwikkeling is een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. Uit deze aanmeldnotitie is gebleken dat ten gevolge van het plan geen significant negatieve effecten op de omgeving zullen optreden. Voor een uitgebreide beschrijving van de milieueffecten wordt verwezen naar de aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling, opgenomen in bijlage 10 van deze toelichting.

5.9

Trillingshinder

5.9.1

Algemeen

Bij het aspect trillingen gaat het in de afweging meestal om bescherming tegen trillingshinder door personen. Er kan ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen. Trillingen ontstaan doordat een bron (bijvoorbeeld een machine), eventueel via een gebouw, een kracht uitoefent op de bodem. Anders dan bij geluid vindt de overdracht niet plaats via de lucht (gasvormig medium), maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden en dergelijke). Weg- of railverkeer en industriële activiteiten kunnen trillingen in de bodem veroorzaken. De trilling verspreidt zich verder via de bodem. Hoewel de sterkte afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, kan de trilling ergens anders hinder of zelfs schade opleveren. Onder de noemer industriële activiteiten valt een variëteit van trillingsbronnen met allerlei zeer verschillende trillingskenmerken: •

stansmachines

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening Zwarteland, Beatrixstraat en Zieneschstraat” Vastgesteld • • • 5.9.2

draaiende motoren (met een bepaalde onbalans) heftrucks, of ander rijdend materieel op een oneffen ondergrond storten van zware materialen op vloeren of bodems Situatie plangebied

Het plangebied bevindt zich op relatief korte afstand van de Twentsche kabelfabriek (TKF). Hier vinden voor trillingen relevante activiteiten plaats. De te realiseren woning binnen het plangebied worden ten opzichte van de bestaande situatie niet op kortere afstand van TKF gerealiseerd. Wel wordt opgemerkt dat ten tijde van de bouwvergunning een trillingsadvies benodigd is en wordt ingewonnen. 5.9.3

Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat trillingshinder geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Tijdens de bouwvergunning van de woningen dient echter wel trillingsadvies te worden ingewonnen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening Zwarteland, Beatrixstraat en Zieneschstraat” Vastgesteld

HOOFDSTUK 6

WATERASPECTEN

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). 6.1.3

Provinciaal beleid

Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. 6.1.4

Beleid waterschap Vechtstromen

Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe. Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen.

Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt: Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan “Haaksbergen Dorp, partiële herziening Zwarteland, Beatrixstraat en Zieneschstraat” Vastgesteld Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem. Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem. Er is een gescheiden rioolstelsel voor hemelwater en rioolwater. Het hemelwater zal worden opgevangen op eigen terrein en in de grond worden geïnfiltreerd. 6.1.5

Gemeentelijk rioleringsplan

Het belangrijkste doel van riolering is om bij te dragen aan de volksgezondheid. Daarnaast is riolering van belang voor de bewoonbaarheid van de leefomgeving in de zin van droge voeten en voor bescherming van het milieu. Riolering is vooralsnog onmisbaar in stedelijk gebied. De aanleg en het beheer ervan is een kostbare aangelegenheid. Reden genoeg om als gemeente een rioleringsplan (GRP) te willen hebben waarin staat aangegeven: • • • • • • •

welk beleid de gemeente voert voor de zorgplichten riolering, wat de gemeente aan rioleringsvoorzieningen heeft, hoe deze worden beheerd, inclusief beleid voor personeel en middelen, welke voorzieningen aan vervanging of renovatie toe zijn, uitbesteding, welke verbeteringen nog nodig zijn, onder meer voor wateroverlast en milieu, hoeveel dat alles kost en hoe deze kosten op de burgers en bedrijven worden verhaald.

In het GRP is het hemelwaterbeleid voor nieuwbouw concreet uitgewerkt. Hierbij wordt de trits 'Vasthouden Bergen - Afvoeren' en de trits 'Schoonhouden - Scheiden - Zuiveren' gehanteerd: 1. 2. 3. 4. 5.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14832384/1