CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Fusieschool Holthuizen - Dr. Ariëns, Haaksbergen Toelichting

Gemeenteraad 25 januari 2023, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan ‘Haaksbergen, Fusieschool Holthuizen, dr. Ariëns’18.223 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Notitie inbreidingslocaties 2025

4.3.2.1 Algemeen Om tot de periode 2025 een beeld te hebben van aanstaande ontwikkelingen met betrekking tot inbreidingslocaties, heeft de gemeente Haaksbergen de ‘Notitie inbreidingslocaties’ opgesteld. Deze notitie heeft als doel om de komende jaren een leidraad te vormen voor binnenstedelijke herontwikkelingen. Deze notitie kent, in tegenstelling tot de verouderde notitie uit 2006, geen gedetailleerde beschrijvingen van individuele locaties. Hiervoor is bewust gekozen, omdat de toekomst andere details kan vragen dan de nu geldende normen. Hierdoor is er een zeker mate van flexibiliteit ontstaan, wat de bruikbaarheid ten goede komt. 4.3.2.2 Locaties in ontwikkeling of uitvoering In de notitie is een paragraaf opgenomen waarin de locaties zijn opgenomen waarop reeds gebouwd wordt of waarvan vrij zeker is dat deze voor 2020 in uitvoering worden genomen. Daarnaast zijn er locaties aangewezen die mogelijk in de toekomst (na 2020) geschikt kunnen zijn voor herontwikkeling. 4.3.2.3 Randvoorwaarden voor inbreidingslocaties Op basis van de analyse van vraag, aanbod en toekomstige capaciteit kan geconcludeerd worden dat er vooralsnog voldoende ruimte is voor de herontwikkeling van andere inbreidingslocaties die nog niet in deze notitie staan beschreven. Daar worden dan wel enkele randvoorwaarden aan gekoppeld: •

• • •

Indien een locatie reeds in eigendom is van de gemeente dan wil de gemeente de herontwikkeling zelf oppakken, mits dat realistisch en haalbaar is. Daarbij geldt het uitgangspunt dat er welstandsvrij gebouwd kan worden, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om dit niet te doen. Zodra een dergelijke locatie zich aandient, wordt aan de raad gevraagd om de kaders voor die specifieke locatie aan te geven; De herontwikkeling van de inbreidingslocatie moet een bijdrage leveren aan minimaal 1 en liefst meerdere van de ambities uit de structuurvisie; De herontwikkeling van de inbreidingslocatie moet zo veel mogelijk een bijdrage leveren aan de versterking van het woonmilieu; De herontwikkeling van de inbreidingslocatie moet in kwalitatieve zin een verrijking zijn van het woonprogramma;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Bestemmingsplan “Fusieschool Holthuizen – Dr. Ariëns, Haaksbergen” Ontwerp •

De omvang van de herontwikkeling moet passend zijn binnen het grotere geheel (zowel qua omvang alsook qua fasering in relatie tot de woningprogrammering).

4.3.2.4 Toetsing van het initiatief aan de Notitie inbreidingslocaties 2025 De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op vervangende bouw van reeds verouderde bestaande schoolbebouwing. Met het voornemen wordt zodoende een bijdrage geleverd aan het versterken en op niveau brengen van het stedenbouwkundig (woon)milieu ter plaatse van het plangebied. In paragraaf 4.3.1 is reeds geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling eveneens in overeenstemming is met de structuurvisie van de gemeente Haaksbergen. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de randvoorwaarden uit het inbreidingsbeleid. 4.3.3

Welstandsnota gemeente Haaksbergen

4.3.3.1 Algemeen De Welstandsnota van de gemeente Haaksbergen is vastgesteld in 2014 en beschrijft het kader en de ambitie voor de beoordeling van bouwplannen in relatie ook tot de omgeving en met het oog op toekomstige ontwikkeling. In de welstandsnota wordt een aantal deelgebieden onderscheiden. Het plangebied is gelegen in het deelgebied ‘Woongebieden’. 4.3.3.2 Woongebieden Voor dit deelgebied zijn de ambitieniveaus behouden en respecteren het uitgangspunt voor het ontwerp. Het deelgebied kenmerkt zich door een grote variatie in bebouwing (ontstaan door de verschillende periodes waarin de realisatie heeft plaatsgevonden). Onderstaand staan de criteria die van belang zijn voor de redelijke eisen van welstand per thema benoemd. Stedenbouwkundige aspecten •

• •

Het kleinschalige en afwisselende bebouwingsbeeld van individueel herkenbare panden moet in stand worden gehouden. Gebouwen hebben daarom een eigen vormgeving en onderscheiden zich van de aanwezige bebouwing in de gevelwand. Nieuwbouw mag in een eigentijdse bouwstijl plaatsvinden, mits er qua maatvoering, schaal en massa wordt aangesloten op de directe omgeving. Als de stedenbouwkundige opzet hiertoe aanleiding geeft dan is de oriëntatie (dakrichting) van deze opzet richtinggevend.

Massa en vorm • • • • •

Hoofdgebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm. Bijbehorende bouwwerken zijn ondergeschikt vormgegeven. Hoofdgebouwen worden afgedekt met een kap, tenzij een plat dak op basis van het bestemmingsplan mogelijk gemaakt wordt. Nieuwbouw sluit qua maatvoering, schaal en massa aan op de directe omgeving. Wijzigingen en/of uitbreidingen sluiten in maat, schaal en vormgeving aan op het bestaande gebouw. Dakopbouwen mogen uitsluitend worden gerealiseerd in het achterdakvlak en hebben een sterk ondergeschikte omvang, waarbij de dakhelling is afgestemd op de dakhelling van het dakvlak waarin deze wordt geplaatst.

Gevels • •

Gevels die goed zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte worden ‘open’ en representatief vormgegeven. Bij wijzigingen en/of uitbreidingen worden de bestaande bouwstijl, gevelopbouw en ritmiek gerespecteerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Bestemmingsplan “Fusieschool Holthuizen – Dr. Ariëns, Haaksbergen” Ontwerp Materiaal-, kleurgebruik en detaillering • •

•

Bij wijzigingen en/of uitbreidingen worden materiaal-, kleurgebruik en detaillering afgestemd op het bestaande gebouwd. Bij nieuwbouw is het kleurgebruik in de omgeving het uitgangspunt en wordt een traditionele materialisering toegepast; baksteen, keramische pannen, deuren en kozijnen in hout (of op hout gelijkend materiaal) met diepe neggen. Er worden rustige (onverzadigde) kleuren toegepast. Sterk met de omgeving contrasterende kleuren zijn niet toegestaan.

4.3.3.3 Toetsing van het initiatief aan de Welstandsnota In voorliggend geval wordt binnen het plangebied bestaande bebouwing behorend bij een basisschool gesloopt en wordt hier in nieuwe basisschool voor teruggebouwd die voldoet aan de hedendaagse (duurzaamheids)eisen en wensen. Ten tijde van de officiële aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen zal een definitief welstandsadvies worden uitgebracht. 4.3.4

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het relevante gemeentelijke beleid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Bestemmingsplan “Fusieschool Holthuizen – Dr. Ariëns, Haaksbergen” Ontwerp

HOOFDSTUK 5

PLANOLOGISCHE EN MILIEUTECHNISCHE UITVOERBAARHEID

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In het kader van de milieukundige uitvoerbaarheid worden in dit hoofdstuk de volgende thema’s behandeld: bodem, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie en cultuurhistorie en het besluit milieueffectrapportage.

5.1

Bodem

5.1.1

Algemeen

Bij het vaststellen van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.1.2

Beoordeling plangebied

In voorliggend geval is door Terra Agri Business ter plaatse van het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. • • • • •

In de bovengrondmengmonsters bm1 en bm3 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het bovengrondmengmonster bm2 is een lichte verhoging PAK 10 VROM aangetroffen. In de ondergrondmengmonsters om1 en om2 zijn eveneens geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 zijn lichte verhogingen cadmium en barium aangetroffen. In het grondwatermonster Pb2wm1 zijn lichte verhogingen nikkel en barium aangetroffen.

Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 5.1.3

Conclusie

Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen plan. Het plangebied wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.

5.2

Geluid

5.2.1

Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.2.2

Situatie plangebied

De in het plangebied te realiseren bebouwing wordt op basis van de Wgh aangemerkt als geluidsgevoelige object. Een school zoals wordt gerealiseerd in het plangebied betreft namelijk een geluidsgevoelige functie. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Bestemmingsplan “Fusieschool Holthuizen – Dr. Ariëns, Haaksbergen” Ontwerp Onderwijsgebouwen en kinderdagverblijven vallen immers onder de definitie van “andere geluidsgevoelige gebouwen”. Hiervoor geldt een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB op de gevel, als het gebouw binnen de zone van een weg worden geprojecteerd (blijkens art. 3.1 lid 2 Bgh) en voor zover achter die gevel leslokalen zijn gelegen. Het plangebied ligt binnen de zone van de Albert Cuyplaan (50 km/uur). De aangrenzende Adriaen Brouwerstraat is in de huidige vorm een typische woonbuurt-straat (met parkeren op straat) en de andere omliggende wegen (waaronder de Gerard Terborghstraat) zijn gelegen in een 30 km/uur zone waardoor de verkeersbelasting op deze wegen volgens de nu geldige regelgeving buiten beschouwing kunnen worden gelaten. De Albert Cuyplaan valt daarmee feitelijk gezien wel buiten de 30 km/uur zone. Aan de zijde van de Albert Cuyplaan wordt echter de gym(sport)zaal voor de basisschool en eventueel voor sportverenigingen gelokaliseerd. Deze schermt de school gedeeltelijk af, die afwaarts van het verkeersgeluid van de drukke Albert Cuyplaan wordt herbouwd.

Op grond van de beschikbare verkeersgegevens voor 2030 en de geluidcontouren (ontvangen van de Omgevingsdienst Twente) als gevolg van wegverkeersgeluid zal de geluidsbelasting op de school niet meer dan de voorkeurswaarde van 48 dB bedragen. Hiermee is verder akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. 5.2.2.1 Railverkeer- en industrielawaai In voorliggend geval zijn de aspecten railverkeerslawaai en industrielawaai niet van belang. Aangezien het plangebied niet ligt in of nabij een zone van een gezoneerd bedrijventerrein en tevens niet is gelegen in de nabijheid van een spoorlijn. Wat betreft de invloed van voorliggend initiatief op omliggende woningen wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). 5.2.3

Conclusie

Gelet op het vorenstaande vormt de Wet geluidhinder geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan “Fusieschool Holthuizen – Dr. Ariëns, Haaksbergen” Ontwerp Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

In paragraaf 5.3.1.1 zijn voorbeelden van de lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van voorgenomen ontwikkeling in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, wordt geconcludeerd dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. De voorliggende schoollocatie wordt wel aangemerkt als gevoelige bestemming zoals is opgenomen in het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Binnen een straal van 300 meter rondom het plangebied zijn echter geen rijkswegen aanwezig. Ook zijn binnen een straal van 50 meter rondom het plangebied geen provinciale wegen aanwezig. Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat inzake het aspect luchtkwaliteit. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit initiatief.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan “Fusieschool Holthuizen – Dr. Ariëns, Haaksbergen” Ontwerp Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie in en bij het plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (blauwe contour) en de directe omgeving weergegeven.

Afbeelding 5.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Buisleiding In het zuidwesten van het plangebied ligt een aardgastransportleiding van de Gasunie. Het betreft leiding N569-81. De leiding heeft een diameter van 5.90 inch met een druk van 40 bar. Deze leiding heeft een belemmeringenstrook van 4 m aan weerszijde. De effectafstand, van belang voor de bepaling van het groepsrisico, bedraagt 80 m. Het plangebied is gelegen op een (grote) afstand van circa 338 meter. Er is daarom geen nadere toetsing of onderzoek naar deze buisleiding nodig. Het plangebied is eveneens niet gelegen binnen reserveringsstroken ten behoeve van de ontwikkeling van de nieuwe buisleidingeninfrastructuur.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan “Fusieschool Holthuizen – Dr. Ariëns, Haaksbergen” Ontwerp 5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het initiatief vanuit het oogpunt van externe veiligheid verantwoord is.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een 'gemengd gebied'. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. De planlocatie is omgeven door kavels met de bestemming wonen, maatschappelijk, verkeer en groen.

Omdat in de directe nabijheid van het plangebied sprake is van een menging van functies, kan in voorliggend geval worden uitgegaan van het omgevingstype 'gemengd gebied’. Worst-case wordt er in voorliggend geval bij toetsing aan het aspect ‘milieuzonering’ echter uitgegaan van het gebiedstype ‘rustige woonwijk’.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan “Fusieschool Holthuizen – Dr. Ariëns, Haaksbergen” Ontwerp Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De basisschool en buitenschoolse opvang en gymvoorziening kan op basis van de basiszoneringslijst van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' het best wordt aangemerkt als 'Scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs'. Dergelijke functies worden aangemerkt als milieucategorie 2 functies, met een grootste richtafstand in een rustige woonwijk van 30 meter voor het aspect geluid. Voor de aspecten stof, geur en gevaar geldt geen richtafstand (0 meter). In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Alcedo een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 2 van deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek. Activiteitenbesluit milieubeheer Uit de berekeningsresultaten blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de dagperiode inclusief stemgeluid bij de woningen ter plaatse van de begane grond ten hoogste 58 dB(A) en exclusief stemgeluid ten hoogste 40 dB(A) bedraagt.

Hiermee wordt exclusief stemgeluid voldaan aan de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 58 dB(A) inclusief stemgeluid overschrijdt de richtwaarde voor een gemengd gebied van 50 dB(A). In de avond- en nachtperiode bedraagt het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten hoogste 38 dB(A). Hiermee wordt zowel aan de richtwaarde voor gemengd gebied als aan de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit voldaan. Uit de berekeningsresultaten blijkt daarnaast dat: Stemgeluid Het maximale geluidsniveau ten gevolge van stemgeluid bedraagt ten hoogste 70 dB(A) ter plaatse van de woning Frans Halsstraat 55. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarde voor gemengd gebied en het geluidsvoorschrift uit het Activiteitenbesluit.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan “Fusieschool Holthuizen – Dr. Ariëns, Haaksbergen” Ontwerp Autoportieren Het maximale geluidsniveau ten gevolge van dichtslaande autoportieren bedraagt ter plaatse van de omliggende woningen ten hoogste 63 dB(A) in de dag- en avondperiode. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarde voor gemengd gebied. Voertuigen Het maximale geluidsniveau ten gevolge van het optrekken en afremmen van voertuigen bedraagt ter plaatse van de omliggende woningen ten hoogste 63 dB(A) in de dag- en avondperiode. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarde voor gemengd gebied. Installaties Het maximale geluidsniveau ten gevolge van de installatie bedraagt in alle perioden ten hoogste 44 dB(A). Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarde voor gemengd gebied en het geluidsvoorschrift uit het Activiteitenbesluit Conclusie onderzoek Uit de berekeningsresultaten blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter plaatse van een aantal omliggende woningen in de dagperiode hoger is dan de richtwaarde. Ook de grenswaarde volgens het Activiteitenbesluit wordt overschreden, als stemgeluid wordt meegenomen in de beoordeling. Het stemgeluid van de kinderen op het buitenterrein is in de dagperiode maatgevend. Op dit moment is ook al sprake van een school op deze locatie en een trapveldje aan de zijde van de Frans Halsstraat.

Mogelijk wordt in de huidige situatie ook al niet voldaan aan de richtwaarde van 50 dB(A). Daarom is in eerste instantie onderzocht welke langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in de huidige situatie te verwachten zijn en zijn deze resultaten vergeleken met de niveaus in de toekomstige situatie. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau neemt niet toe ten opzichte van de huidige situatie óf 55 dB(A) (stap 3 VNG-uitgave ‘bedrijven en milieuzonering’). Aangenomen mag worden dat de geluidsisolatie van de gevels van de woningen minimaal 20 dB(A) voor stemgeluid bedraagt. Bij een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de gevel van ten hoogste 55 dB(A), wordt voldaan aan het maximaal toelaatbare langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 35 dB(A) in de woning. Hiermee is sprake van een goed woon- en leefklimaat in de woningen. Het woon- en leefklimaat in de tuin bij de woningen is dan echter niet overal optimaal. Voor de woningen waar sprake is van een niveau hoger dan 55 dB(A), is er echter naar verwachting geen sprake van een verslechtering ten opzichte van de huidige situatie. Doorwerking onderzoek in het bestemmingsplan De locatie ziet de gemeente Haaksbergen als een bestaande locatie voor een basisschool. Ondanks dat er op dit moment 80 leerlingen zijn is de huidige capaciteit van de school vele malen groter. Ook is er sprake van een zogenaamd gemengd gebied.

Naast wonen zijn er andere functies in de omgeving. Uit het onderzoek “IKC Het Palet, Adriaen Brouwerstraat te Haaksbergen, d.d. 22 juli 2021” blijkt dat de maximale geluidsniveaus voldoen in alle perioden aan de richtwaarde voor gemengd gebied en de geluidsvoorschriften uit het activiteitenbesluit. Wel wordt er in het rapport aandacht gevraagd voor het stemgeluid en worden hiervoor een aantal adviezen gedaan. De gemeente Haaksbergen is geen voorstander van het plaatsen van geluidsschermen i.v.m. sociale controle. De gemeente zal daarom dit advies dan ook niet overnemen. Wel vormt het akoestisch onderzoek de basis voor de nadere uitwerking. De komende periode zal er een architectenselectie plaatsvinden. Bij de uitwerking van de architect wordt bekend op welke wijze de buitenspeelterreinen worden ingericht. Ook zullen de kinderen van de opvang, de BSO en de basisschool niet tegelijkertijd buiten zijn en is dit een verspreiding over de dag. Wanneer we het aspect geluid op deze manier benaderen liggen de pieken bij de speelkwartieren en dat zijn korte periodes die ook nu door de omgeving worden beleefd en eindig zijn. De verstoring is van relatief korte duur. Hierdoor wordt de hinder van de school losgekoppeld van de nieuwe activiteiten die nu in het onderzoek bij elkaar zijn opgeteld.

Hierdoor blijven de nieuwe activiteiten binnen de grenswaarden voor een gemengd gebied en zijn maatregelen niet eens nodig. Ook daarbij meegenomen dat de school als een bestaande situatie wordt benaderd (met een lichte groei in aantal leerlingen).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan “Fusieschool Holthuizen – Dr. Ariëns, Haaksbergen” Ontwerp Gezien bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er in voorliggend bestemmingsplan voldoende is gewaarborgd dat in de toekomst als gevolg van het planvoornemen geen sprake is van enige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe milieugevoelige functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functies. In de omgeving van de nieuw te realiseren bebouwing zijn reeds maatschappelijke functies aanwezig, waaronder de schoollocatie uit voorliggende bestemmingsplan. Zoals reeds in voorgaande paragraaf is aangegeven zorgt de basisschool en kinderopvang c.q. buitenschoolse opvang niet voor een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Daarnaast is er reeds in de bestaande situatie een maatschappelijke functie en bestemming aanwezig, deze wijzigt niet. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de in de omgeving voorkomende milieubelastende functies niet (onevenredig) in de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. 5.5.4

Conclusie milieuzonering

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.6

Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 5.6.1

Gebiedsbescherming

Nederland heeft de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Wet natuurbescherming verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Buurserzand & Haaksbergerveen’ ligt op circa 2,5 kilometer afstand van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd.

Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is van directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. In voorliggend geval is door BJZ.nu een stikstofonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 3 bij deze toelichting. Hierna wordt op de resultaten ingegaan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan “Fusieschool Holthuizen – Dr. Ariëns, Haaksbergen” Ontwerp Als gevolg van de huidige NOx emissie veroorzakende activiteit is reeds sprake van stikstofdepositie op in totaal vier Natura 2000-gebieden. Bij de vergelijking van de bestaande stikstofemissies tegenover de tijdelijke stikstofemissies (tijdens de aanlegfase) is er per saldo geen sprake van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden. Tijdens de gebruiksfase (gewenst gebruik) is geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Gelet op het vorenstaande is hiermee dan ook geen sprake van een stikstofdepositie met een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Ten aanzien van de ligging van het plangebied ten opzichte van NNN wordt opgemerkt dat gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren, op circa 2,4 kilometer afstand van het plangebied liggen. Gezien de aard van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 5.6.2

Soortenbescherming

5.6.2.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet er worden bekeken of hier een vrijstelling voor geldt anders moet er een ontheffing worden gevraagd. 5.6.2.2 Beoordeling plangebied In voorliggend geval is door Natuurbank Overijssel een Quickscan flora & fauna (opgenomen in bijlage 4) uitgevoerd. Het plangebied is op 2 juni 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot een negatief effect op Natura 2000-gebied.

Nader onderzoek, zoals een effectbeoordeling of passende beoordeling, is niet nodig. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde dieren. Beschermde dieren benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats, nestelen er vogels en bezetten vleermuizen er een vaste rust- en voortplantingsplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de toegankelijke bebouwing gesloopt en de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Vleermuizen en hun vaste rust- en voortplantingsplaatsen zijn beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden.

Om de functie van de bebouwing voor vleermuizen vast te kunnen stellen is een aanvullend onderzoek conform het vleermuisprotocol uitgevoerd (opgenomen in bijlage 5). Dit onderzoek is uitgevoerd in de periode half mei-half september (half oktober). BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan “Fusieschool Holthuizen – Dr. Ariëns, Haaksbergen” Ontwerp Samenvatting en conclusies aanvullend onderzoek In de periode half mei-half september is de bebouwing binnen het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. De onderzoeken zijn uitgevoerd volgens het vleermuisprotocol 2021 en zijn volledig en onder gunstige weersomstandigheden uitgevoerd. Uit het onderzoek is niet gebleken dat vleermuizen een verblijfplaats bezetten in het onderzoekgebied. Als gevolg van het slopen van de bebouwing, wordt geen vleermuis en geen verblijfplaats van een vleermuis negatief beïnvloed. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden. Samenvatting en conclusies quickscan m.b.t. soortbescherming Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen het `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’.

Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. 5.6.3

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen invloed op beschermde natuurgebieden. Ten aanzien van vleermuizen is een nader onderzoek uitgevoerd, deze is afgerond. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden.

5.7

Archeologie & cultuurhistorie

5.7.1

Archeologie

5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied In voorliggend geval is door Laagland Archeologie een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Het rapport behorende bij dit archeologisch onderzoek is opgenomen in bijlage 6 bij deze toelichting. Hierna wordt op de bevinden ingegaan. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat, afgezien van eventuele diepe grondsporen en wellicht off-site resten. Gezien de mate waarin het bodemprofiel is verstoord, wordt deze kans klein geacht. Om deze reden wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven. 5.7.2

Cultuurhistorie

5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan “Fusieschool Holthuizen – Dr. Ariëns, Haaksbergen” Ontwerp In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie plangebied Binnen het plangebied bevinden zich geen gemeentelijke monumenten. Verder bevinden zich in en om het plangebied geen cultuurhistorische waarden die als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden geschaad. Het aspect cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 5.7.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect archeologie geen belemmering vormt. Doordat wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor archeologie, zijn de binnen het plangebied van oorsprong voorkomende archeologische dubbelbestemmingen, in voorliggend bestemmingsplan niet overgenomen. Er is tevens geen sprake van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.8

Besluit milieueffectrapportage

5.8.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • •

•

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.8.2

Situatie plangebied

5.8.2.1 Passende beoordeling Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in het realiseren van een nieuw schoolgebouw met bijbehorende voorzieningen. Gelet op de ruime afstand tot Natura-2000 gebieden alsmede de resultaten uit het stikstofonderzoek (zie ook paragraaf 5.6.1) wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van de aantasting van BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan “Fusieschool Holthuizen – Dr. Ariëns, Haaksbergen” Ontwerp de instandhoudingsdoelstelingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8, lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk, aangezien er geen significante negatieve effecten zijn te verwachten. Er is dus geen sprake van een m.e.r.plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.8.2.2 Drempelwaarde Besluit m.e.r. Voor de ontwikkeling is een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. Uit deze aanmeldnotitie is gebleken dat ten gevolge van het plan geen significant negatieve effecten op de omgeving zullen optreden. Voor een uitgebreide beschrijving van de milieueffecten wordt verwezen naar de aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling, opgenomen in bijlage 7 van deze toelichting.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan “Fusieschool Holthuizen – Dr. Ariëns, Haaksbergen” Ontwerp

HOOFDSTUK 6

WATERASPECTEN

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4

Beleid waterschap Vechtstromen

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober het ‘Waterbeheerplan 2016-2021’ vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema’s waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op:

• • • 6.1.5

voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. Gemeentelijk rioleringsplan 2017-2020

Het belangrijkste doel van riolering is om bij te dragen aan de volksgezondheid. Daarnaast is riolering van belang voor de bewoonbaarheid van de leefomgeving in de zin van droge voeten en voor bescherming van het milieu. Riolering is vooralsnog onmisbaar in stedelijk gebied. De aanleg en het beheer ervan is een kostbare aangelegenheid. Reden genoeg om als gemeente een rioleringsplan (GRP) te willen hebben waarin staat aangegeven:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan “Fusieschool Holthuizen – Dr. Ariëns, Haaksbergen” Ontwerp • • • • • • •

welk beleid de gemeente voert voor de zorgplichten riolering, wat de gemeente aan rioleringsvoorzieningen heeft, hoe deze worden beheerd, inclusief beleid voor personeel en middelen, welke voorzieningen aan vervanging of renovatie toe zijn, uitbesteding, welke verbeteringen nog nodig zijn, onder meer voor wateroverlast en milieu, hoeveel dat alles kost en hoe deze kosten op de burgers en bedrijven worden verhaald.

Watertoets De watertoets - zoals deze in het kader van ruimtelijke plannen dient te worden uitgevoerd - is het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets wordt uitgevoerd binnen de bestaande wet- en regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening en water. De watertoets vormt de verbindende schakel tussen het waterbeheer en de ruimtelijke ordening. Uitgangspunten Vanuit het oogpunt van duurzaamheid wordt gestreefd naar een zoveel mogelijk gesloten waterbalans. Voor een toename van de afvoer van water door uitbreiding van verharde oppervlakken dienen waterbeheersmogelijkheden te worden gecreëerd. Op deze manier worden eventuele problemen betreffende waterafvoer niet op omliggende gebieden afgewenteld. Door voldoende bergingsoppervlakte en een gedoseerde afvoer van het water op het hoofdwatersysteem zal de afvoer van het deelstroomgebied niet groter zijn dan in de huidige situatie. Huidige situatie waterhuishouding De bodem bestaat in het algemeen uit fijn tot matig fijn zand. De ontwateringsdiepte in het gebied is beperkt. In de directe omgeving is open water (ten oosten, eveneens voorzien van een groen- en waterbestemming) gesitueerd waarop regenafvoer vanuit het plangebied kan worden aangesloten.

Deze aansluiting moet indirect zijn, wat inhoudt: vooraf vasthouden, eventueel infiltreren en uiteindelijk gedoseerd afvoeren. In en rondom het plangebied ligt een gemengd rioolstelsel. Toekomstige situatie waterhuishouding Door de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is er geen sprake van een uiteindelijke toename van verhard oppervlak. Ten tijde van nadere planuitwerking dienen de bergingseisen te worden gehanteerd, welke uitgaan van het totale afvoerende oppervlak. Dit zal te zijner tijd nader worden uitgewerkt. Ten aanzien van huishoudelijk afvalwater geldt dat aangesloten moet worden op het bestaande vuilwaterstelsel. Bij de planvorming wordt dit verder uitgewerkt. Duurzaam stedelijk waterbeheer In relatie tot duurzaam stedelijk waterbeheer zal bij de inrichting van het plangebied rekening worden gehouden met de te gebruiken materialen in de te realiseren gebouwen of bouwwerken en verhardingen. De nadruk wordt gelegd op het gebruik van duurzame bouwmaterialen om schoon regenwater in het gebied te conserveren.

6.2

Waterparagraaf

6.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21 e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan “Fusieschool Holthuizen – Dr. Ariëns, Haaksbergen” Ontwerp de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2

Watertoetsprocedure

Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘normale procedure' van de watertoets van toepassing is, zie ook bijlage 8. Uit contact met het waterschap is gebleken, in het kader van vooroverleg, dat naast het plangebied aan de zijde van de Gerard Terborgsstraat een leggerwaterloop WL02199 is gesitueerd, welke in eigendom is van het waterschap Vechtstromen. De beschermingszone (5 meter vanaf de insteek) raakt hier vanaf de linkeroever de nieuwe planontwikkelingen. Het waterschap geeft daarom aan dat in het plangebied ruimte vrij moet worden houden voor beheer en onderhoud van de watergang. Hierna wordt ingegaan op de relevante wateraspecten. Binnen het plangebied zal het hemelwater en vuilwater gescheiden worden afgevoerd. Vuilwaterafvoer dient op het gemeentelijk riool te worden aangesloten en hemelwater dient te worden afgekoppeld van het gemeentelijk riool. Daarnaast dient het plangebied klimaat robuust worden ingericht. Binnen het plangebied wordt hemelwater naar alle waarschijnlijkheid in de toekomst via bergingsvoorzieningen geïnfiltreerd en geborgen.

Omdat het exacte bouwplan op het moment van opstellen van dit bestemmingsplan nog niet bekend is, is in overleg met het Waterschap Vechtstromen besproken dat dit aspect ‘waterberging’ gedurende het planontwerp mag worden uitgewerkt en onderzocht. De eis is namelijk van het waterschap dat waterberging binnen het plangebied zal worden aangelegd. De norm voor deze berging is 55 mm per m² verhard oppervlak, met vertraagde afvoer naar oppervlaktewater. Omdat het aspect ‘waterhuishouding’ momenteel nog niet verder kan worden uitgewerkt binnen deze waterparagraaf is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. Dit om te borgen dat dit aspect bij de aanvraag voor een bouwvergunning kan worden getoetst, en het waterschap Vechtstromen op dat moment het plan in zijn geheel kan beoordelen en toetsen of wordt voldaan aan het aspect ‘waterhuishouding’. Daartoe is onderstaande verplichting opgenomen in de regels van de bestemming ‘maatschappelijk’. Het waterschap Vechtstromen kan instemmen met deze wijze van bestemmen/verplichten. 3.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat: •

gebouwen alleen mogen worden gebouwd als door een waterhuishoudkundig rapport, welke akkoord dient te zijn bevonden door het Waterschap Vechtstromen, is aangetoond dat er sprake is van aanleg en haalbare instandhouding van voldoende waterbergingscapaciteit. Indien uit dit onderzoek blijkt dat er aanvullende maatregelen inzake waterberging nodig zijn, dienen deze te worden uitgevoerd bij de bouw;

3.5 Specifieke gebruiksregels 3.5.1. Voorwaardelijke verplichting - waterberging a.

b.

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk- voorwaardelijke verplichting' zonder de aanleg en in instandhouding van voldoende waterbergingscapaciteit. Deze waterbergingscapaciteit dient te zijn afgestemd met het Waterschap Vechtstromen in de vorm van een waterhuishoudkundig rapport en dient van het Waterschap Vechtstromen een positief wateradvies te hebben gekregen. In afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig de bestemming worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen 24 maanden na het tijdstip van onherroepelijk worden van het bestemmingsplan geheel uitvoering is gegeven aan de aanleg en instandhouding van de waterbergingscapaciteit conform het van positief wateradvies voorziene waterhuishoudkundig plan, ten einde te komen tot een goede waterhuishoudelijke inpassing.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan “Fusieschool Holthuizen – Dr. Ariëns, Haaksbergen” Ontwerp

HOOFDSTUK 7 7.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12236005/1