EDOP-#6082727-v1-Provinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte Veen Toelichting
Tekst van het document
P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 26
De bestaande natuurterreinen in eigendom van de natuurbeherende instanties en particulieren zijn bestemd als 'Natuur', evenals de overige gronden in de NNN en die gronden waarvoor een particuliere natuurovereenkomst is afgesloten. Het beleid is gericht op het behoud en herstel van natuurlijke en aardkundige waarden in combinatie met recreatief medegebruik. Ook bij de bestemmingen 'Bos' en 'Natuur' geldt weer dat de bescherming van de aanwezige waarden via een aantal gebruiksverboden en een aanlegvergunningenstelsel. De specifieke habitattypen in de Natura 2000-gebieden zijn afhankelijk van het aanwezige watersysteem. In het gebied waar de waterbeheerder de (bestaande) natuurdoelen ondersteunt ligt de verantwoordelijkheid van het watersysteem bij het waterschap en is deze vastgelegd in de Keur. Om dubbele regelgeving te voorkomen, is in het bestemmingsplan voor deze gebieden geen aanlegvergunningenstelsel opgenomen voor ingrepen die van invloed kunnen zijn op het watersysteem. Bij nieuw te ontwikkelen natuur worden hydrologische bufferzones begrensd.
3.4
Gebiedsopgave
3.4.1 Kernopgaven
"Witte Veen" heeft twee kernopgaven: verbetering kwaliteit herstellende hoogvenen H7120 met het oog op ontwikkeling van actieve hoogvenen (hoogveenlandschap) *H7110_A (Opgave 7.05); herstel van randzones van herstellende hoogvenen H7120 met onder andere hoogveenbossen *H91D0, zure vennen H3160, galigaanmoerassen *H7210 (Opgave 7.06). In "Witte Veen" is geen sprake van een 'sense of urgency'. Dit betekent dat voor de korte termijn geen onherstelbare situatie wordt verwacht waardoor de kernopgave en hierbij behorende instandhoudingsdoelstellingen niet meer realiseerbaar zijn. Voor de genoemde kernopgaven geldt een wateropgave. Een wateropgave is toebedeeld wanneer de watercondities in meer of mindere mate niet op orde zijn. Ten behoeve van het behoud van oppervlakte en kwaliteit van de habitattypen zure vennen en veenbossen, de ontwikkeling van het habitattype hoogvenen en het behoud van oppervlakte en de verbetering van de kwaliteit van herstellend hoogveen is een verbetering van de watercondities noodzakelijk. In "Witte Veen" liggen geen beschermde natuurmonumenten.
3.4.2 Instandhoudingsdoelstellingen
De onderstaande tabel (figuur 3.2) bevat een overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied "Witte Veen", de kwaliteit en het areaal van de habitattypen en de ontwikkeling daarvan in de afgelopen jaren (de beschrijving is te vinden in paragraaf 2.3 van het Beheerplan. Op de habitattypenkaart van dit Natura 2000-gebied komen ook de habitattypen H5130 jeneverbesstruwelen, H6510A glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver), H7120 herstellende hoogvenen, H7150 pioniervegetaties met snavelbiezen en H91E0C vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) voor. Deze habitattypen komen niet voor in het aanwijzingsbesluit. Bij het beheer en de uitvoering van de maatregelen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van deze habitattypen. Overzicht van doelstellingen, huidig areaal, huidige kwaliteit en trends in areaal en kwaliteit voor habitattypen in het "Witte Veen" Doel
NL.IMRO .9923.ipWitteveen-on01
27
Oppervlak te
Kwalitei t
Huidig Huidige areaal kwaliteit (opp) (indien in ha voorkomend: per deelopp. aangeven)
Trend in areaal (tot Nu toe)
Trend in kwaliteit (tot nu toe)
G?
=
-
Habitattypen uit AWB H3130
Zwakgebufferde vennen
=
>
2,0
H3160
Zure vennen
=
=
0.02
G?
=
=
H4010A
Vochtige heiden (hogere zandgronden)
=
>
13,1
Gm
=
=
H4030
Droge heiden
=
=
14,4
G
=
=
H91D0
*Hoogveenbossen
=
=
0,55
?
?
+
H7110B
*Actieve hoogvenen (heideveentjes)
>
>
0,30
G
+
+
H1166
Kamsalamander
=
>
?
?
?
?
Legenda Doelstelling en huidige kwaliteit: Trend in oppervlakte of kwaliteit: =
Behoudsdoelstelling
>
Uitbreiding- of verbeterdoelstelling
+
Positieve trend
G
Goede kwaliteit =
Stabiele trend
M
Matige kwaliteit ?
Trend onbekend
-
Negatieve trend
Gm Overwegend goede kwaliteit, lokaal matig ontwikkeld ?
Informatie ontbreekt
Mg Overwegend matige kwaliteit, lokaal goed ontwikkeld Figuur 3.2: Tabel instandhoudingsdoelstellingen (Bron: Beheerplan, tabel 10)
3.4.3 Beheerplan
Het beheerplan voor het Natura 2000-gebied is vastgesteld op 29 maart 2016. Het plan is onherroepelijk (zie bijlage 2). In het beheerplan staan de maatregelen die genomen dienen te worden om de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied "Witte Veen" te behalen. In het beheerplan is ook een effectbeoordeling van de instandhoudingsmaatregelen opgenomen. De conclusie van deze beoordeling is dat negatieve effecten voor de meeste maatregelen uitgesloten zijn. Alleen voor het aanleggen van enkele poelen voor de kamsalamander is de voorwaarde opgenomen dat deze poelen niet binnen bestaande habitattypen worden aangelegd. Van een aantal maatregelen is ook de uitvoeringsfase beoordeeld. Het betreft hier de maatregelen die een aanpassing inhouden van het bestaande, cyclische reguliere natuurbeheer. Waar nodig zijn aanvullende voorwaarden gesteld aan de uitvoering van deze maatregelen. Op deze manier zijn negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen las gevolg van deze maatregelen uitgesloten.
3.4.4 Overig beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) schrijft voor dat de waterkwaliteit van de Europese wateren vanaf 2015 aan bepaalde eisen moet voldoen. De Kaderrichtlijn heeft tot doel het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand in alle wateren. De Buurserbeek en de Hegebeek zijn aangewezen als waterlichaam. De beoogde ecologische maatregelen voor de periode 2016-2021 zijn: Buurserbeek: geen Hegebeek: verondiepen
P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 28
3.5
Omschrijving inrichtingsplan
De maatregelen uit het Natura 2000-beheerplan (zie bijlage 2) zijn verwerkt in het inrichtingsplan (zie bijlage 1 bij de regels). De inrichtingsplannen hebben tot doel de Natura 2000-opgave, in combinatie met overige opgaven, uit te werken naar concrete maatregelen en een definitief ontwerp. De inrichtingsplannen dienen als basis voor: het ruimtelijk plan en de invulling en onderbouwing van het ruimtelijk ordeningsproces; overleg met de grondeigenaren ten behoeve van afspraken met betrekking tot grondverwerving of over beperkende voorwaarden op landbouwpercelen; verdere detaillering naar een technisch ontwerp om te komen tot uitvoering en realisatie van de maatregelen; het beheer- en onderhoudsplan; het monitoringsplan; de vergunningencheck; de aanbesteding.
3.5.1 Inrichtingsplan
In het inrichtingsplan zijn de maatregelen nader onderbouwd en op perceelsniveau uitgewerkt voor het uitwerkingsgebied in en rondom het "Witte Veen" (zie figuur 3.3).
Figuur 3.3: Ligging en begrenzing Natura 2000-gebied "Witte Veen" (groen) met daaromheen het uitwerkingsgebied (geel) en het Duitse Natura 2000-gebied Witte Venn (Bron: Inrichtingsplan) Afbakening inrichtingsplan De uitwerkingsgebieden zijn gelegen bij de Hegebeek in het noorden van het "Witte Veen" en aan de westkant bij de Natuurdriehoek. Ten noorden van de Wargerinkweg ligt een perceel in het Natura 2000-gebied, welke ook bij het uitwerkingsgebied hoort. Het laatstgenoemde perceel is in eigendom van Natuurmonumenten. De maatregelen die hier nodig zijn worden meegenomen in het
NL.IMRO .9923.ipWitteveen-on01
29
interne inrichtingsplan dat door Natuurmonumenten wordt opgesteld (zie Bijlage 2). In het interne inrichtingsplan zijn de natuurherstelmaatregelen opgenomen die nodig zijn om de aangewezen habitattypen in stand te houden. Direct grenzend aan het "Witte Veen" ligt op Duits grondgebied het Witte Venn, welke gedeeltelijk een Natura 2000-gebied is. De nadere uitwerking door Natuurmonumenten en maatregelen ten behoeve van het Duitse Witte Venn maken geen onderdeel uit van dit inrichtingsplan. De maatregelen voor de Hegebeek op Duits grondgebied worden in overleg door de Duitse partners uitgevoerd in afstemming met het gebiedsproces aan Nederlandse zijde. Inrichtingsmaatregelen uitwerkingsgebieden In het "Witte Veen" zijn vanaf de jaren ‘90 veel maatregelen uitgevoerd ten behoeve van de waterhuishouding. In het kader van de PAS zijn aanvullende maatregelen nodig voor het herstel van de waterhuishouding. De maatregelen in onderstaande tabel zijn gericht op het verminderen van het drainerende effect van de directe omgeving van het "Witte Veen". Op de PAS-maatregelenkaart staan de uitwerkingsgebieden voor de maatregelen aan Nederlandse zijde voor de 1e PAS-periode. De begrenzing van het in te richten perceel M2 (noordoostelijk van het "Witte Veen") is aangepast t.o.v. de kaart uit de PAS-gebiedsanalyse (2017) omdat het perceel gedeeltelijk is omgevormd naar natuur.
Maatregel M1c wordt nader uitgewerkt door Natuurmonumenten. De maatregelen aan Duitse zijde kunnen alleen op basis van vrijwilligheid worden uitgevoerd en staan gepland voor de 2e/3e PAS-periode. Voor het merendeel van de maatregelen geldt dat er nader onderzoek nodig is in de vorm van een hydro-ecologische systeemanalyse (M22).
Tabel 3.1: Instandhoudingsmaatregelen op gebiedsniveau (Bron: Inrichtingsplan)
P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 30
Figuur 3.4: PAS-maatregelenkaart "Witte Veen" (Bron: Inrichtingsplan) M1a Verminderen ontwatering door sloten ten westen begrenzing te verondiepen c.q. dempen Uit het onderzoek naar de randsloot tussen de Natuurdriehoek van het "Witte Veen" is gebleken dat op basis van de beschikbare informatie geen conclusie kan worden getrokken over het uitvoeren van deze maatregel. Besloten is om de sloot in de huidige toestand te handhaven (M1a.1) en de Natte Weide niet af te koppelen totdat meetgegevens zijn verzameld op basis waarvan definitief kan worden geconcludeerd of de sloot gedempt moet worden of open kan blijven. M2 Verondiepen Hegebeek (2a), deels nog verwerven en inrichten alle percelen Jannink (2b) Het verondiepen van de Hegebeek (M2a.1) heeft een positief effect op de habitattypen H91E0 *Bossen op alluviale grond en H4010A Vochtige heide. In de ecohydrologische systeemanalyse is een voorstel gedaan voor de inrichting gebaseerd op systeemherstel. Hierbij is niet in detail gekeken naar de effecten op de aanwezige habitats. De exacte inrichting van de Hegebeek moet daarom op basis van de standplaatseisen van de habitats langs de beek nog nader worden uitgewerkt. De globale uitwerking omvat het verondiepen van de huidige loop van de Hegebeek van de oostelijke begrenzing tot aan de westelijke begrenzing van het Natura 2000-gebied.
De huidige inrichting van de enclave Jannink heeft een negatief effect op het herstellend hoogveen in het "Witte Veen". Op basis van de ecohydrologische systeemanalyse en het advies dat hieruit volgde, heeft de projectgroep Natura 2000 Haaksbergen op 12 februari 2019 gekozen om het voorgestelde pakket aan maatregelen gefaseerd uit te voeren. Er is gekozen om de 1e PAS-periode de sloten rond het perceel te dempen (M2b.1, M2b.2 en M2b.3). Hiermee wordt naar verwachting de grootste winst behaald voor de habitats. Het afgraven van de bouwvoor en het herstellen van dekzandruggen wordt nu niet uitgevoerd, omdat het zeer kostbaar is en een beperktere bijdrage levert aan de Natura 2000 doelen. De effecten van het dempen van de sloten op de habitats worden gemeten en geëvalueerd. Naar aanleiding daarvan wordt besloten of in de 2e/3e PAS-periode aanvullende maatregelen nodig zijn.
NL.IMRO .9923.ipWitteveen-on01
31
Naast het dempen van de sloten rond het perceel wordt ter plaatse van de gedempte sloot M2b.1 een wal aangelegd ten behoeve van de hydrologie van het veengebied. Tot slot worden de sloten bij het erf dat in het perceel ligt gehandhaafd of verondiept om voldoende drooglegging van het erf te garanderen. De exacte inrichting van de sloten wordt meegenomen bij het onderzoek naar de nadere uitwerking van de Hegebeek. C oncreet gaat het in deze fase om de volgende maatregelen: dempen sterk drainerende sloten (M2b.1 en M2b.2) en greppel (M2b.3) in de enclave; aanleg wal ter plaatse van gedempte sloot tussen natuurgebied en perceel; handhaven/verondiepen sloten westzijde van bebouwing (M2b.4).
P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 32
Figuur 3.5: Inrichtingskaart met nader uitgewerkte maatregelen in de uitwerkingsgebieden rondom "Witte Veen" (Bron: Inrichtingsplan) In hoofdstuk 5 van deze toelichting is uitgewerkt hoe bovenstaande maatregelen juridisch en planologisch mogelijk worden gemaakt in dit inpassingsplan.
NL.IMRO .9923.ipWitteveen-on01
33
Hoofdstuk 4 Overige ruimtelijke beleidsaspecten
4.1
Inleiding
Bij de voorbereiding van een inpassingsplan moet worden nagegaan of dat plan uitvoerbaar is, onder andere gelet op omgevingsaspecten zoals milieu, water, ecologie en archeologie. Voor deze onderwerpen is specifiek beleid en regelgeving vastgesteld, in diverse wetten en regelingen. In dit hoofdstuk wordt het beschreven plan uit het vorige hoofdstuk (verwijzing toevoegen naar relevant hoofdstuk) getoetst aan deze aspecten. Bij dat alles past de volgende aantekening. Zoals eerder in deze toelichting omschreven, heeft het voorliggende inpassingsplan betrekking op het vertalen van de maatregelen uit het inrichtingsplan. Deze maatregelen hebben alle betrekking op het realiseren van specifieke natuurdoelstellingen. Daarmee worden geen nieuwe milieugevoelige functies toegevoegd, hetgeen betekent dat milieuaspecten slechts in beperkte mate aan de orde zijn.
4.2
Milieu
4.2.1 MER
4.2.1.1
M.e.r.-plicht
In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) is de m.e.r.-procedure geregeld. In artikel 7.2 staat beschreven voor welke plannen en besluiten het maken van een milieueffectrapport (MER) verplicht is. Er zijn drie sporen die leiden tot een m.e.r.-procedure: 1. Besluiten en plannen die worden genoemd in het Besluit m.e.r. (artikel 7.2 Wm) 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming moet worden gemaakt (artikel 7.2a Wm) 3. Activiteiten die door de provincie zijn opgenomen in de provinciale milieuverordening die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (artikel 7.6 Wm) Spoor 1 Besluiten en plannen opgenomen in het Besluit m.e.r. In artikel 7.2 Wm staat beschreven dat bij algemene maatregel van bestuur (het Besluit me.r.) activiteiten worden aangewezen: a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor geldt een m.e.r.-plicht; b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Hiervoor geldt een m.e.r. beoordelingsplicht. De m.e.r.(beoordelings)plichtige activiteiten zijn opgenomen in bijlagen C en D van het Besluit
P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 34
m.e.r. Hierbij zijn drempelwaarden genoemd, waaraan getoetst moet worden om te beoordelen of er sprake is van een m.e.r.-plicht, een m.e.r.-beoordelingsplicht of een vormvrije m.e.r.-beoordeling, figuur 4.1. geeft dit weer.
Figuur 4.1. Overzicht om te komen tot een m.e.r.-plicht, een m.e.r.-beoordeling of een vormvrije m.e.r.-beoordeling (Bron: www.infomil.nl) In het inrichtingsplan (zie paragraaf 3.5) zijn de volgende maatregelen opgenomen die volgens de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn: Ontgrondingen ten behoeve van het afplaggen en afgraven van percelen Functiewijziging ruimtelijk plan: nieuwe natuur Ontgrondingen ten behoeve van het afplaggen en afgraven van percelen (C 16: grenswaarde van 25 hectare of meer hectare 'winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem') Binnen het plangebied wordt grond afgegraven (geplagd) met een oppervlakte meer dan 25 ha (circa 42 ha). Deze werkzaamheden gelden als een ontgronding in het kader van de m.e.r.-procedure. Op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (onderdeel C , categorie 16.1) geldt een planm.e.r -plicht voor de vaststelling van een Provinciaal Inpassingsplan dat de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem mogelijk maakt, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een terreinoppervlakte van 12,5 ha of meer. In het Provinciaal Inpassingsplan wordt een ontgronding (inclusief plaggen) mogelijk gemaakt voor circa 42 ha. Hiermee wordt de grens van 12,5 ha overschreden. De ontgrondingenvergunning wordt op een later moment aangevraagd.
Daarvoor wordt een afzonderlijke m.e.r.-procedure voor doorlopen. Naast de planm.e.r.-plicht voor het kaderstellende plan dat de ontgronding mogelijk maakt, geldt er voor de ontgronding zelf namelijk ook een project-m.e.r.-plicht, aangezien een ontgrondingsvergunning nodig is voor een oppervlakte van meer dan 25 ha. Functiewijziging ruimtelijk plan: nieuwe natuur (D9: grenswaarde van 125 hectare of meer, functiewijziging in ruimtelijk plan) Dit inpassingsplan heeft betrekking op een gebied ter grootte van circa 290 hectare. Het grootste deel van dit gebied heeft in het huidige bestemmingsplan al de bestemming 'Natuur'. Voor deze gronden geldt dat er geen sprake is van functiewijzigingen zoals bedoeld in het Besluit m.e.r., omdat deze gronden ook in dit inpassingsplan de bestemming 'Natuur' krijgen. Als gevolg van de maatregelen (die natuurherstel tot doel hebben) worden er echter ook gronden die in het huidige bestemmingsplan de bestemming 'Bos' hebben, bestemd naar 'Natuur'. Het gaat om circa 9 ha bosgrond die in het Provinciaal Inpassingsplan "Witte Veen" de bestemming 'Natuur' krijgt. Hiermee wordt de grens van 125 ha zoals genoemd in de Wet milieubeheer voor functiewijziging niet overschreden en is er sprake van een vormvrije project-m.e.r.-beoordelingsplicht.
Vanwege de plan-m.e.r.-plicht voor de ontgrondingen (zie ook bovenstaande paragraaf), wordt er geen aparte vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld.
NL.IMRO .9923.ipWitteveen-on01
35
Spoor 2 plan waarvoor passende beoordeling moet worden gemaakt In de Wet milieubeheer staat in artikel 7.2a beschreven dat er een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden bij de voorbereiding van een plan (bijvoorbeeld een ruimtelijk plan) waarvoor op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) een passende beoordeling moet worden gemaakt. Dat is het geval wanneer activiteiten die in het plan zijn opgenomen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, kunnen leiden tot significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied. Artikel 2.7 Wnb maakt duidelijk dat er geen verplichting geldt om een passende beoordeling te maken, wanneer het gaat om plannen die verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied. In dit plan "Witte Veen" worden naast maatregelen geen meekoppelkansen meegenomen. Er is geen passende beoordeling nodig. Er geldt dus geen plan-m.e.r.-plicht voor spoor 2. Spoor 3 Activiteiten milieuverordening
die door de provincie
zijn opgenomen
in de provinciale
De provincie Overijssel heeft geen activiteiten opgenomen in de provinciale milieuverordening die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (artikel 7.6 Wm). Dit spoor is dus niet van toepassing. M.e.r.-procedure Op grond van het Besluit m.e.r. is het dus verplicht om voor de activiteiten opgenomen in het inrichtingsplan de m.e.r.-procedure te doorlopen. Deze procedure heeft als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en besluitvorming van het PIP en de ontgrondingenvergunning. Notitie reikwijdte en detailniveau Voor het doorlopen van de m.e.r.-procedure stelt de gemeente Haaksbergen als initiatiefnemer van het PIP de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) op. De NRD informeert over de start van de m.e.r.-procedure en geeft inzicht in de reikwijdte en het detailniveau van het MER en de onderzoeksopzet. Door publicatie van deze NRD krijgt een ieder de gelegenheid zienswijzen te geven op de onderzoeksopzet. De NRD is gelijktijdig met het voorontwerp PIP ter inzage gelegd. De NRD is in Bijlage 3 opgenomen. Plan-/project-MER t.b.v. ontwerp PIP en ontwerp ontgrondingenvergunning Na het vaststellen van de NRD en de Reactienota stelt de gemeente Haaksbergen, als initiatiefnemer, een MER op.
Bij het opstellen van het MER worden alle ervaring, kennis en informatie opgedaan tijdens het gebiedsproces van de planuitwerking voor Witte Veen betrokken. Verder zijn de projectgroep, kennisteam en bestuurlijk overleg betrokken bij dit proces. De m.e.r.-procedure wordt gekoppeld aan de besluitvormingsprocedure van het Provinciaal Inpassingsplan. In de MER wordt ook onderzocht of, en zo ja welke alternatieven er zijn om de beoogde doelstellingen van het project te realiseren. Mogelijke alternatieven worden in het MER systematisch, transparant en objectief in beeld gebracht. De C ommissie voor de milieueffectprocedure (verder C ie. m.e.r.) is wettelijk verplicht advies uit te brengen over het MER. Dat gebeurt tijdens de ter visie legging van het ontwerp PIP.
4.2.1.2
Effectbeoordeling m.e.r.
In voorgaande paragraaf is beschreven op welke grond voor dit plan een m.e.r.-plicht geldt. Naar aanleiding hiervan is een gecombineerd plan-/project-MER opgesteld. Het rapport is als Bijlage 4 MER bij deze toelichting gevoegd. In deze paragraaf is kort weergegeven wat de conclusie van de effectbeoordeling is en hoe rekening is gehouden met uitkomsten van het MER in dit inpassingsplan. Resultaten effectbeoordeling
P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 36
In onderstaande tabel zijn de beoordelingscriteria weergegeven waarvoor in het MER is vastgesteld dat een effect optreedt (beoordelingscriteria met een effect dat als neutraal is beoordeeld, zijn niet opgenomen in onderstaande tabel, hiervoor wordt verwezen naar het MER). Milieuthema
Beoordelingscriteria
Beoordeling
Bodem & water
Effecten op bodemkwaliteit
+
Effecten op de hydrologische situatie
+
Effecten op bebouwing
0/-
Effecten op grondgebruik
0/-
Tijdelijke effecten tijdens realisatiefase
0/-
Effecten op NNN en Natura 2000-gebied (doelbereik)
+/++
Tijdelijke effecten tijdens realisatiefase (verzuring/vermesting, verstoring door geluid, licht en beweging)
0/-
Beïnvloeding gebiedskarakteristiek (landschappelijke lijnen, gebieden en elementen)
0/+
Ruimtelijke kwaliteit van het gebied na realisatie
+
C ultuurhistorie & archeologie
Effect op aanwezige cultuurhistorische waarden in het plan- en studiegebied (historische bouwkunde en –geografie)
+
Woon-, werk- en leefmilieu
Tijdelijke hinder (geluid, trillingen) tijdens realisatiefase
0/-
Effecten op agrarische verkavelingsstructuur
0/-
Tijdelijke effecten tijdens realisatiefase
0/-
Verkeer
Tijdelijke effecten tijdens realisatiefase
0/-
Lucht
Tijdelijke effecten tijdens realisatiefase
0/-
Natuur
Landschap
In deze tabel valt op dat de maatregelen over het algemeen als neutraal, licht positief of licht negatief effect worden beoordeeld. Voor bodemkwaliteit, hydrologie, natuur (doelbereik), landschap en cultuurhistorie is sprake van (zeer) positieve effecten. Door de realisatie van de maatregelen uit het voorkeursalternatief worden de (a)biotische omstandigheden voor de verschillende habitattypen met een instandhoudingsdoelstelling sterk verbeterd. De maatregelen uit het voorkeursalternatief adresseren de knelpunten zoals deze in het beheerplan zijn benoemd. Hoewel de maatregelen bijdragen aan het herstel, nemen de maatregelen de bestaande knelpunten op het gebied van waterhuishouding en stikstofdepositie niet geheel weg omdat deze slechts deels binnen de gestelde kaders van het project vallen. Het voorkeursalternatief scoort daarom positief tot sterk positief (+/++). Dit is grotendeels een afgeleide van de verbetering van de hydrologische situatie in het Natura 2000-gebied. De maatregelen worden genomen om verslechtering van de beschermde habitats te voorkomen en op lange termijn natuurherstel mogelijk te maken. De verstoring van natuur tijdens de werkzaamheden is licht negatief beoordeeld.
De mitigerende maatregelen voor de verstoring van de natuur tijdens de werkzaamheden richten zich met name op het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen en het werken volgens een ecologisch werkprotocol. Hoewel de maatregelen ingrijpend zijn tijdens de realisatiefase, is het belang voor de natuurdoelstellingen op lange termijn overstijgend. De werkzaamheden dragen bij
NL.IMRO .9923.ipWitteveen-on01
37
aan het herstel van de hydrologische en bodemkundige situatie voor de habitattypen in het plangebied. Daarmee draagt het voorkeursalternatief bij aan de Natura 2000-doelstellingen en de NNN-opgave wat blijkt uit de positieve beoordeling van deze effecten. De licht negatieve effecten op grondgebruik (landbouwkundig) hangen samen met de wijziging van de hydrologische situatie. Als gevolg daarvan zullen enkele percelen natschade ondervinden, in een enkel geval zodanig dat percelen te nat worden voor landbouwkundig gebruik. Omdat het slechts een zeer beperkt aantal percelen betreft die onderdeel zijn van de door de in de gebiedsanalyse aangewezen uitwerkingsgebieden, is het effect slechts licht negatief beoordeeld. Er is sprake van een positief effect op landschap en cultuurhistorie omdat de maatregelen bijdragen aan de gebiedskarakteristiek (met name de landschappelijke lijnen), de ruimtelijke kwaliteit van het gebied (natuur en belevingswaarden) en het cultuurhistorische landschap als voormalig woeste grond met hei. De tijdelijke werkzaamheden van de realisatiefase hebben een licht negatief effect op woon-, werk- en leefmilieu en verkeer. Deze kunnen (gedeeltelijk) gemitigeerd worden. Zo kunnen aanen afvoerroutes worden aangepast en kan de inzet van bijvoorbeeld stille nieuwe vrachtwagens en/of de aanleg van rijplaten geluidsoverlast en trillingen beperken.
C umulatieve effecten treden vooral op bij de tijdelijke werkzaamheden. Als verkeershinder en geluidshinder door meerdere werkzaamheden wordt versterkt, zijn geluidreducerende maatregelen en afstemming in transportroutes nodig om het effect te mitigeren. Gezien aard en omvang van de maatregelen zijn voor overige thema’s geen cumulatieve effecten te verwachten. De uitgevoerde modellering laat geen grensoverschrijdende hydrologische effecten zien, maar kunnen niet worden uitgesloten op direct omliggende percelen als gevolg van de vernattingsmaatregelen. Wanneer monitoring uitwijst dat er grensoverschrijdende effecten optreden worden er mitigerende maatregelen genomen. Het gaat om maatregelen ten behoeve van het verbeteren van de lokale ontwatering (aanleg sloten) en drainage. Ook kunnen Duitse grondeigenaren in het geval van natschade aan percelen of bebouwing in aanmerking komen voor een schadecompensatieregeling. Een aandachtspunt is de invloed van klimaatverandering op de natuurherstelmaatregelen. Hoewel de effecten van klimaatverandering op natuurdoelstellingen niet zeker zijn, worden ingrijpende maatregelen uitgevoerd. Het creëren van robuuste natuur tijdens veranderende abiotische omstandigheden blijft een punt van aandacht. Er wordt ingezet op zogenaamde 'no regret' maatregelen.
Conclusie Het MER wijst uit dat er op plan- en projectniveau geen belemmeringen zijn voor de uitvoering van de maatregelen die het PIP en de ontgrondingsvergunning mogelijk maken. De maatregelen kunnen daadwerkelijk uitgevoerd worden als de vergunningen hiervoor aangevraagd zijn.
4.2.2 Bodemkwaliteit
Wettelijk kader Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient bij functiewijziging te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functie. De Wet bodembescherming is daarbij het toetsingskader. In het kader van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) zijn gemeenten en waterkwaliteitsbeheerders (waterschappen/Rijkswaterstaat) bevoegd gezag voor toepassing van bouwstoffen, grond en baggerspecie binnen hun beheersgebied. Voordat bouwstoffen, grond of baggerspecie mogen worden toegepast, moet op grond van het Bbk in een aantal gevallen een melding plaatsvinden bij het bevoegd gezag (via het Meldpunt bodemkwaliteit). Het Bbk biedt twee keuzemogelijkheden voor gemeenten om grondverzetbeleid te voeren namelijk Generiek beleid of Gebiedspecifiek beleid.
P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 38
Beleidskader De gemeente Haaksbergen heeft eigen beleid opgesteld voor bodemkwaliteit, maar dit is verouderd. De bodemkwaliteitskaart dateert uit 2009 en heeft een geldigheidsduur van 5 jaar. Het landelijk generiek beleid van het Besluit bodemkwaliteit maakt gebruik van functieklassen. Uitgangspunten zijn: Hergebruikmogelijkheden worden beoordeeld op basis van twee toetsen: 1. ‘stand-still': toepassing mag niet leiden tot verslechtering van de bodem; 2. toepassing mag niet leiden tot ongewenste risico's voor de functie van een gebied. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de functies 'wonen', 'industrie' en 'overig' (landbouw/natuur/recreatie); de toe te passen grond wordt op basis van de kwaliteit ingedeeld in de klasse ‘AW2000’, ‘wonen’ of ‘industrie’; de kwaliteit van de toe te passen grond en de kwaliteit van de ontvangende bodem kan worden bepaald middels een partijkeuring of op basis van de Bodemkwaliteitskaart; de functie van de ontvangende bodem moet worden bepaald met behulp van de functieklassenkaart. Bodemkwaliteit en het Natura 2000-gebied "Witte Veen" In het beheerplan is uitgebreid stilgestaan bij de bodemsamenstelling van dit Natura 2000-gebied. De maatregelen die voor het gebied nodig zijn, hebben geen nadelige gevolgen voor de samenstelling van de bodem. Binnen deze maatregelen worden evenmin gevoelige functies mogelijk gemaakt.
Conclusie Voor de te nemen maatregelen ten behoeve van de realisatie van de natuurdoelstellingen zoals in dit plan bedoeld, is geen bodemonderzoek noodzakelijk. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het voornemen.
4.2.3 Geluid
Wettelijk kader Op grond van de Wet geluidhinder is een geluidszone van kracht rond inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/u en rond spoorwegen. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones is akoestisch onderzoek nodig om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de in de wet bepaalde voorkeursgrenswaarde. Het gaat daarbij om geluidsgevoelige bestemmingen als woningen, scholen en ziekenhuizen. Een andere wet waarin de beperking van geluidhinder een rol speelt is de Luchtvaartwet. Deze wet regelt de vaststelling van grenswaarden voor luchtvaarthavens. Sinds de sluiting van Vliegbasis Twenthe is deze wet niet meer planologisch relevant voor het plangebied. Beleidskader De gemeente Haaksbergen beschikt niet over vastgesteld geluidbeleid. Conclusie geluid en het plangebied Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan, er wordt namelijk geen geluidsgevoelig object gerealiseerd. Evenmin is sprake van activiteiten die structureel ernstige geluidhinder met zich mee brengen. Daarnaast brengen de te treffen maatregelen zoals beschreven in het inrichtingsplan (zie bijlage 1 bij de regels) geen structureel geluidoverlast met zich mee. Een akoestisch onderzoek is niet nodig.
4.2.4 Externe veiligheid
Wettelijk kader
NL.IMRO .9923.ipWitteveen-on01
39
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving als gevolg van gebruik en opslag van gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het water, het spoor en door buisleidingen. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over 'externe veiligheid' om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de C irculaire risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). De normen zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een transportroute of inrichting bevindt, overlijdt door een ongeval met het transport van gevaarlijke stoffen op die route of binnen die inrichting. De grenswaarde is 10-6 per jaar. Dit betekent dat de overlijdenskans niet groter mag zijn dan één op de miljoen per jaar. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Bevi.
Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde transportroute of inrichting. Het aantal personen dat in de omgeving van de route of inrichting verblijft, bepaalt daardoor mede de hoogte van het GR. Ten aanzien van (beperkt) kwetsbare objecten binnen de GR-contour moet een bestuurlijke verantwoording plaatsvinden. De verantwoording bevat de volgende elementen: de personendichtheid; de hoogte van het groepsrisico; maatregelen ter beperking van het groepsrisico; de voor- en nadelen van alternatieve locaties; de mogelijkheden voor bestrijding van calamiteiten; de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van personen binnen het invloedsgebied. Ten aanzien van de bestrijdbaarheid van calamiteiten moet de veiligheidsregio om advies worden gevraagd. Externe veiligheid en het plangebied Voor het Natura 2000-gebied "Witte Veen" is inzicht verkregen in aanwezige risicobronnen en risico-ontvangers op basis van de risicokaart (www.risicokaart.nl), voor zowel in als buiten het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de risicokaart voor het plangebied weer.
Figuur 4.2: Risicokaart Natura 2000-gebied "Witte Veen" (Bron: www.risicokaart.nl )
P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 40
Risicovolle inrichtingen Uit de kaart blijkt dat de er een tweetal inrichtingen in of nabij het deelgebied "Witte Veen" aanwezig zijn. De eerste relevante inrichting is C amping Markslag aan de Markslagweg in Haaksbergen waar een bovengrondse propaantank met een inhoud van 13.000 liter staat. Volgens het Bevi dient bij deze hoeveelheid een afstand van 60 meter tot kwetsbare en 20 meter tot beperkt kwetsbare objecten in acht te worden genomen. Binnen deze afstanden bevinden zich geen kwetsbare dan wel beperkt kwetsbare objecten. Deze risicobron vormt op dit moment geen knelpunt in verband met het plaatsgebonden of groepsrisico. De tweede relevante inrichting is Tankstation Ter Huurne aan de Alsteedseweg 64 in Haaksbergen. In het onderhavige geval zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen de zone van 150 meter aanwezig. Het groepsrisico voor dit LPG-station blijft binnen aanvaardbare grenzen. Het voorliggende plan voorziet niet in de realisatie van kwetsbare objecten. Tevens ligt het plangebied niet binnen de invloedssfeer van overige inrichtingen waarin gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. De voorgenomen ontwikkeling ligt buiten de invloedssfeer van risicovolle inrichtingen waardoor geen beperkingen aanwezig zijn ten aanzien van de realisatie van het plan. Transport gevaarlijke stoffen Het Rijk heeft het Basisnet Weg, Water en Spoor opgesteld.
Het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen bestaat uit drie kaarten: vervoer over de weg, de binnenwateren en het spoor. In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen wegen, spoorlijnen of binnenwateren aanwezig waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het transporteren van gevaarlijke stoffen levert geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van het plan. Buisleidingen Op de risicokaart staan de planologisch relevante buisleidingen weergegeven. In de uitsnede van het plangebied is geen buisleiding aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling wordt niet beïnvloed door buisleidingen. Hoogspanningsleidingen Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft een kaart gemaakt van de in Nederland voorkomende hoogspanningsleidingen. Op geruime afstand van het plangebied zijn twee bovengrondse hoogspanningsleidingen aanwezig. Het gaat om de 110 kV-lijn Goor-Haaksbergen en de 110 kV-lijn Eibergen-Haaksbergen. De voorgenomen ontwikkeling wordt niet beïnvloed door hoogspanningsleidingen.
NL.IMRO .9923.ipWitteveen-on01
41
Figuur 4.3: Uitsnede netkaart Hoogspanningsleidingen (Bron: http://geodata.rivm.nl/netkaart.html ) Conclusie Het voorliggende plan levert geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van het plan gelet op het aspect externe veiligheid.
4.2.5 Luchtkwaliteit
Wettelijk kader Voor het aspect luchtkwaliteit geldt hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Hierin staan de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit. Voor de ruimtelijke ordening zijn met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10) belang. Projecten die in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging, zijn op grond van het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de Regeling Niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) zijn onder andere de volgende projecten vrijgesteld van toetsing: woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen; kantoorlocaties met een vloeroppervlak van minder dan 100.000 m 2; projecten die minder dan 3% van de (toekomstige) grenswaarde voor stikstofdioxide of fijnstof bijdragen. Dit komt overeen met 1,2 µg/m 3. Luchtkwaliteit en het plangebied De in het inpassingsplan voorgestane ontwikkelingen zijn perceelsgebonden en zullen geen nieuwe luchtverontreiniging toevoegen. De realiseringswerkzaamheden van de ontwikkeling zullen geen zodanig luchtverontreiniging met zich meebrengen dat daardoor grenswaarden worden overschreden. Overigens is de eventuele verontreiniging van tijdelijke aard.
Voor wat betreft de in en rond het plangebied optredende emissie kan opgemerkt worden dat de in het inpassingsplan voorgestane ontwikkelingen geen zodanige nieuwe luchtverontreiniging toe zullen voegen dat daardoor grenswaarden zouden kunnen worden overschreden. Het besluit en de regeling 'niet in betekende mate' is op dit inpassingsplan zodoende van toepassing.
P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 42
Tevens kan in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied, met het oog op het aspect luchtkwaliteit, sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Door beëindiging van landbouwkundig gebruik op diverse landbouwpercelen worden ook het negatieve effecten van pesticiden en herbiciden op de luchtkwaliteit opgeheven. De maatregelen ten behoeve van de realisatie van de natuurdoelstellingen, zoals in het voorkeursalternatief beschreven, hebben geen effect op de luchtkwaliteit in het gebied.
Conclusie De in dit plan mogelijk gemaakte maatregelen ten behoeve van de realisatie van de natuurdoelstellingen, zoals in dit plan zijn beschreven, hebben geen nadelige invloed op de luchtkwaliteit in het gebied.
4.2.6 Wet ammoniak en veehouderij
Wettelijk kader De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is bedoeld om de ammoniakuitstoot in heel Nederland terug te dringen. Binnen zeer kwetsbare gebieden en in een zone van 250 meter daaromheen gelden aanvullende ammoniakregels om de ammoniakdepositie op die gebieden te verminderen. Vestiging van nieuwe veehouderijen is hier niet meer mogelijk. Bestaande veehouderijen hebben slechts beperkte uitbreidingsmogelijkheden tot een voor deze veehouderijen vastgelegd emissieplafond. Zeer kwetsbare gebieden op grond van de Wav worden aangewezen door Provinciale Staten. Wav en het plangebied Figuur 4.4 geeft de zeer kwetsbare gebieden weer in en rondom de Natura 2000-gebieden "Buurserzand - Haaksbergerveen" en "Witte Veen". De kwetsbare gebieden zijn binnen het kader in groen weergegeven.
NL.IMRO .9923.ipWitteveen-on01
43
Figuur 4.4: Wav-gebieden (groen) in het Natura 2000-gebied "Witte Veen" (geel) (Bron: Atlas van Overijssel) Conclusie De in dit plan mogelijk gemaakte maatregelen ten behoeve van de realisatie van de natuurdoelstellingen, zoals in dit plan zijn beschreven, dragen bij aan de bescherming van de zeer kwetsbare gebieden en geven die gebieden de mogelijkheid zich te herstellen.
4.2.7 Overige aspecten
In het plangebied komen functies voor die relevant zijn voor nieuwe ontwikkelingen. Het gaat om de overige omgevingsaspecten, zoals de aanwezigheid van een zandwinningslocatie, radarposten, vliegfunnels en straalpaden bij kabels en leidingen. Zandwinning Mogelijke effecten van zandwinningen op instandhoudingsdoelstellingen zijn verdroging en verstoring. Significant negatieve of verstorende effecten op instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten als de afstand van de zandwinning tot het betreffende Natura 2000-gebied groter is dan één kilometer. Op meer dan een kilometer afstand van het Natura 2000-gebied "Witte Veen" ligt langs de N18 de zandwinlocatie Het Rutbekerveld. In de directe omgeving van Natura 2000-gebied "Witte Veen" ligt geen zandwinlocatie. Radarverstoringsgebieden en invliegfunnels Radarverstoring In Nederland staan verschillende militaire en civiele radarposten. Bij het ontwikkelen van (bouw)projecten moet in een aantal gevallen worden onderzocht of deze de radars niet verstoren. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de radarverstoringsgebieden beschreven, waarvoor bouwhoogte-beperkingen gelden.
P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 44
Radarverstoring komt het vaakst voor bij bijvoorbeeld windturbines, maar direct bij militaire vliegvelden en bij Schiphol moeten de radars vanaf 300 voet (minder dan 100 m) vliegtuigen kunnen waarnemen en in het verkeersleidinggebied in de omgeving van deze vliegvelden op 500 voet. Daartoe gelden in deze gebieden ook algemene bouwhoogtebeperkingen voor alle soorten gebouwen en bouwwerken. Dit moet ook de betrouwbare werking van andere navigatiesystemen van de civiele luchtvaart garanderen.
Figuur 4.5: Kaart radarstations en radarverstoringsgebieden (Bron: Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro)) Plannen voor windturbines zijn toetsingsplichtig indien zij zijn gepland op een afstand van minder dan 75 km van één van de 7 radarposten en indien de tiphoogte van de wieken de opstelhoogte van die radarinstallatie met een bepaalde hoogte overstijgt. Plannen voor gebouwen en bouwwerken zijn toetsingsplichtig indien zij zijn voorzien binnen 15 km van een radarpost en indien de hoogte het opstelpunt van de radarinstallatie met een bepaalde hoogte overstijgt. Invliegfunnel Bij de voormalige vliegbasis Twenthe was een invliegfunnel van toepassing. Dit is een denkbeeldige door vlakken gevormde ruimte, die aansluit op en ligt in het verlengde van de startbaan van het vliegveld. Geprojecteerd op het aardoppervlak beslaat deze ruimte een bepaald gebied waarboven de start- en landingsprocedures nog veilig kunnen worden uitgevoerd. Qua bouwhoogte mag dit gebied nergens door enige bebouwing worden doorstoken. In bestemmingsplannen worden voor vliegfunnels obstakelvrije hoogtes vastgelegd. Voor het oprichten van obstakels als hoge gebouwen, windturbines, hoogspannings- en antennemasten boven de 30 meter was toestemming nodig van het Ministerie van Defensie. In het Luchthavenbesluit Twente Airport zijn eveneens zones opgenomen met hoogtebeperkingen.
Het gaat om de zogenaamde Approach en Transitional Surfaces en de Take-off climb Surfaces. Deze zones liggen ten noorden van Losser, ten zuiden van Hengelo, ten westen van Enschede en Haaksbergen.
NL.IMRO .9923.ipWitteveen-on01
45
Figuur 4.6: Invliegfunnels vliegveld Twenthe en vliegroutes Lelystad Airport (Bron: Atlas van Overijssel) De vliegroute naar Lelystad Airport loopt over het plangebied maar heeft er vanwege de hoogte geen invloed op. C onclusie Het voorliggende plan vormt geen belemmeringen voor de aanwezigheid en werking van de radarverstoringsgebieden of invliegfunnels. Overige infrastructuur Transport van informatie, energie en water vindt plaats met kabels en leidingen. De infrastructuur hiervoor is zowel bovengronds (hoogspanningsleidingen) als ondergrond (bijvoorbeeld gasleidingen) aanwezig. Om te voorkomen dat er activiteiten gebeuren die strijdig zijn met deze vorm van infrastructuur, dient doorgaans een minimale afstand of maximale hoogte in acht te worden genomen. Overige infrastructuur en het plangebied Hoogspanningsleidingen en aardgastransportleidingen zijn in het kader van externe veiligheid reeds benoemd. Andere kabels en leidingen behoudens de bestaande aansluitingen bij de woningen binnen het plangebied zijn niet aanwezig. C onclusie Het voorliggende inpassingsplan levert geen knelpunten op met betrekking tot de kabels en leidingen.
4.2.8 Conclusie
Het voorliggende inpassingsplan levert geen knelpunten op met betrekking tot het aspect milieu.
P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 46
4.3
Water
4.3.1 Wettelijk en beleidsmatig kader
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de waterhuishouding. Dit betekent dat effecten van nieuwe ontwikkelingen op de waterhuishouding inzichtelijk moeten worden gemaakt. Daarnaast is sinds 2003 de Watertoets wettelijk verplicht om op te nemen in ruimtelijke plannen. De watertoets heeft als doel om negatieve effecten (zoals bijvoorbeeld wateroverlast, achteruitgaande waterkwaliteit, verdroging van natuurgebieden, e.d.) te voorkomen en mogelijke kansen voor watersystemen te benutten. Deze waterparagraaf is de watertoets voor onderhavig inpassingsplan. Het relevante waterbeleid is beschreven in paragraaf 2.6 en wordt daarom hieronder niet herhaald.
4.3.2 Watertoetsproces
Het waterschap Vechtstromen is formeel geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (www.dewatertoets.nl ). De uitkomsten van deze watertoets zijn opgenomen in bijlage 5 van dit inpassingsplan. Het waterschap Rijn en IJssel is geïnformeerd via het vooroverleg. Daarnaast zijn de waterschappen intensief betrokken geweest in het gebiedsproces bij het uitwerken van de benodigde maatregelen. De maatregelen zijn beschreven in paragraaf 3.5 van dit inpassingsplan. De waterschappen Vechtstromen en Rijn en IJssel zijn akkoord met het onderhavig plan.
4.3.3 Water en het plangebied
In deze waterparagraaf zijn de keuzes die zijn gemaakt ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd. Binnen het inpassingsplan wordt geen nieuwe verharding gerealiseerd. Er is geen sprake van toename van het verharde oppervlak. Voor een omschrijving van het inrichtingsplan en de doelen die worden nagestreefd wordt verwezen naar paragraaf 3.5 van deze toelichting. In het plangebied zijn verder de volgende wateraspecten aan de orde. Waardevolle grote en kleine wateren Binnen het plangebied ligt een aantal kleine waardevolle wateren. In het gebied "Witte Veen" gaat het om een aantal vennen (zie figuur 4.7). Het beheerplan en het inrichtingsplan zijn er op gericht de kwaliteit van de waterelementen te behouden en te verbeteren.
NL.IMRO .9923.ipWitteveen-on01
47
Figu ur 4.7: Waardevolle grote en kleine wateren in het Natura 2000-gebied "Witte Veen" (Bron: Atlas van Overijssel) Waterveiligheid De Buurserbeek, die door/langs het zuidelijke deel van "Witte Veen" loopt, is aangemerkt als essentiële watergang voor de waterafvoer. Daarnaast is ook de Hegebeek, die in het noorden van "Witte Veen" loopt, een essentiële watergang voor de waterafvoer. Beide beken zijn als dikke, blauwe lijnen op figuur 4.8 weergegeven. Binnen stroken van 100 meter aan weerszijden van de waterloop mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die de waterafvoer beperken of de toekomstige verruiming van de waterloop onmogelijk maken.
Figuur 4.8: Essentiële waterlopen en waterbergingsgebieden in het Natura 2000-gebied "Witte Veen" (Bron: Atlas van Overijssel)
4.3.4 Waterkwaliteit
P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 48
Kaderrichtlijn Water (KRW) De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) stelt eisen aan de kwaliteit van het oppervlaktewater waaraan de Europese wateren moeten voldoen. Op nationaal en regionaal niveau is de Waterwet het kader voor ingrepen aan het watersysteem. Daarnaast schrijft de Waterwet een vorm van integraal waterbeheer voor die gericht is op vasthouden - bergen en afvoeren en schoon houden scheiden en schoonmaken van water. De Keur is een verordening met de regels die een waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. De Keur heeft een aanvullende functie op de Waterwet omdat de Keur algemene regels geeft die in bepaalde gevallen de vergunningplicht uit de Waterwet opheft. Er is onderscheid gemaakt in kwantitatieve aspecten (waterhoeveelheid) en kwalitatieve aspecten (waterkwaliteit). Hiermee wordt dus de KRW in het Nederlandse recht geïmplementeerd. Drinkwaterwinning Na raadpleging van de Atlas van Overijssel zijn er geen waterwingebieden in de nabijheid van het plangebied, voor zover gelegen binnen de provincie Overijssel. Ten zuidoosten van Eibergen, binnen de gemeente Berkeland, provincie Gelderland bevindt zich waterwingebied Olden Eibergen, zie figuur 4.9.
Figuur 4.9: Fragment Drinkwaterkaart provincie Gelderland (Bron: provincie Gelderland) De afstand van het intrekgebied (streeparcering) tot het Natura 2000-gebied bedraagt meer dan 10 km. De effecten van de maatregelen die ten behoeve van de instandhouding van de te beschermen habitats worden genomen reiken niet tot aan het intrekgebied. De waterwingebieden binnen Overijssel liggen op nog grotere afstanden.
4.3.5 Waterkwantiteit
Verdroging In het uitwerkingsgebied rondom "Witte Veen" geldt als belangrijkste knelpunt de ontwatering van landbouwgronden binnen en buiten de Natura 2000-begrenzing. Het merendeel van de habitattypen in het Witte Veen zijn afhankelijk van langdurige natte omstandigheden en worden in de huidige situatie in meer of mindere mate met verdroging geconfronteerd. De maatregelen in het inrichtingsplan hebben daarom alle te maken met het herstel van de waterhuishouding. Vernatting De uitvoering van de in het Inrichtingsplan voorgestelde PAS-maatregelen zorgt naast grondwaterstandsverhogingen binnen het Natura 2000-gebied en het uitwerkingsgebied ook voor vernatting in het daaromheen liggende gebied. Maatregelen die nodig zijn om overlast op
NL.IMRO .9923.ipWitteveen-on01
49
landbouwpercelen buiten het uitwerkingsgebied en rond bebouwing en infrastructuur te voorkomen zijn in het Inrichtingsplan opgenomen als mitigerende maatregelen. Effecten op gronden in omgeving Om habitats de juiste standplaatsfactoren te bieden wordt de Hegebeek verondiept (M2a). Hierdoor wordt een effect verwacht op (landbouw)percelen aan de noordkant van het "Witte Veen". Op de percelen in het uitwerkingsgebied rondom de Hegebeek worden negatieve effecten verwacht bij het verondiepen van de Hegebeek. Op drie percelen buiten het uitwerkingsgebied kunnen negatieve effecten voor de huidige landbouwkundige functie optreden. Deze natschade vindt echter met name in de winter en het voorjaar plaats waardoor de landbouwfunctie behouden kan blijven. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat slechts één perceel te maken krijgt met negatieve effecten door de verhoging van het grondwater. De effecten van inundatie worden gemonitord. De enclave Jannink (M2b) wordt minder geschikt voor landbouw door het dempen van de watergangen. Het dempen van de watergangen rond de enclave heeft gezien de ligging alleen invloed op het perceel zelf en de omliggende natuur. Effecten op bebouwing en infrastructuur Voor de omgeving van de Hegebeek (M2) is het hydrologisch effect in het MER nader uitgewerkt.
Waar ongewenste vernattingseffecten op bebouwing/infrastructuur optreden worden mitigerende maatregelen getroffen. Voor woningen geldt een minimale drooglegging van 70 cm. Er zal een nul-situatie worden opgenomen bij de bebouwing om eventuele onvoorziene schade in de toekomst te kunnen beoordelen. Dit geldt voor een aantal woningen aan de noordkant van het "Witte Veen". Naast de bestaande bebouwing moet er ook rekening gehouden worden met vernattingseffecten op de aanwezige wegen. Binnen het effectgebied liggen een tweetal wegen, de Hegeveldweg en de Witteveenweg. Verhoging van de grondwaterstand als gevolg van de verondieping van de beek leidt voor deze wegen niet of nauwelijks tot negatieve effecten, zeker wanneer bermsloten worden aangelegd waar deze in de huidige situatie niet aanwezig zijn. Voor een traject van circa 180 meter van de Hegeveldweg ten noorden van de Hegebeek treedt mogelijk inundatie op met een interval van minder dan eens per 10 jaar. Deze inundatie heeft geen negatieve effecten voor de constructie van de weg en leidt enkel tot verminderde bereikbaarheid in de inundatieperiode.
4.3.6 Monitoring
De effecten van de voorgestelde maatregelen op de instandhouding van de habitattypen (intern) en op de omgeving (extern) zijn in het inrichtingsplan vastgesteld op basis van berekeningen en expert kennis. Om tijdens en na realisatie van de maatregelen de effecten in de praktijk te toetsen aan de theoretische effectberekeningen, wordt een monitoringsplan opgesteld en uitgevoerd. De interne en externe monitoring hebben een ander doel en daarom worden twee aparte monitoringsplannen opgesteld. Het effect op de habitattypen wordt bepaald met behulp van zogenaamde procesindicatoren. Dit kunnen grondwaterstandsmetingen zijn, maar ook vegetatieopnamen of bodemonderzoek. Voor de externe monitoring is een peilbuizenmeetnet ingericht en worden al meetgegevens verzameld. In het meetnet zijn naast bestaande buizen (met meerjarige meetreeksen) ook nieuwe buizen opgenomen. In overleg met de grondeigenaren zijn op verschillende strategische punten, bij bebouwing en in percelen, in en rond het uitwerkingsgebied extra peilbuizen geplaatst. De peilbuisdata worden aan de eigenaren beschikbaar gesteld (via internet). Op deze manier ontstaat er volledige transparantie voor wat betreft de effecten van de maatregelen op de grondwaterstanden en worden eventuele afwijkingen vroegtijdig gesignaleerd.
P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 50
4.3.7 Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het maatregelenpakket in het inrichtingsplan: hydrologisch voldoende is onderbouwd door middel van theoretische modellen en/of expert judgement; voorziet in een adequate monitoring om de theoretische aannames te toetsen; heeft een positief effect op de waterhuishouding ten behoeve van de gewenste (PAS) doelen en ziet toe op mitigatie of compensatie van mogelijk negatieve effecten op gebruiksfuncties in de omgeving; is het resultaat van een zorgvuldig doorlopen gebiedsproces met alle betrokken partijen conform de afspraken in het samen werkt beter akkoord. Het waterschap heeft onder voorbehoud van goede afspraken over beheer, onderhoud en eigendom ingestemd met het inpassingsplan. Ruimtelijke vertaling van het inrichtingsplan De verbeelding en de regels vormen de juridische basis voor de gebruiksfuncties, en voor het waterbeheer. De bestemmingen en de regels maken het uitvoeren van de benodigde hydrologische maatregelen en een duurzaam waterbeheer ten behoeve van de beoogde gebruiksfuncties mogelijk. Het voorliggende PIP voorziet door de wijze van bestemmen in voldoende mate in: het realiseren en handhaven van het gewenste grond- en oppervlaktewater regime (GGOR); ruimte voor beheer en onderhoud leggerwaterlopen en overig oppervlaktewater in beheer bij het waterschap; ruimte voor waterberging en meanderstroken.
Ten aanzien van het aspect water wordt geconcludeerd dat met het voorliggende plan en de daarin opgenomen maatregelen ten behoeve van de realisatie van de natuurdoelstellingen, zoals in dit plan is beschreven, geen nadelige effecten ontstaan.
4.4
Ecologie
4.4.1 Wettelijk en beleidskader
Dit inpassingsplan voorziet in de planologisch-juridische regeling om maatregelen in het kader van de ambities en verplichtingen in het natuurbeleid mogelijk te maken. Ecologie is daarmee een zeer zwaar meewegend omgevingsaspect en moet goed onderzocht worden. Voor de geldende wet- en regelgeving omtrent het omgevingsaspect ecologie wordt verwezen naar hoofdstuk 2 van dit inpassingsplan.
4.4.2 Ecologie en het plangebied
Soortenbescherming De voorgenomen maatregelen kunnen (met name in de aanlegfase) negatieve effecten hebben op soorten die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor het onderdeel soortbescherming uit de Wet natuurbescherming geldt dat er een wettelijke vrijstelling bestaat voor maatregelen ten behoeve van instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied. Wel geldt hier de zorgplicht. Hoewel door de bijdrage van de ontwikkelingen aan de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied de duurzame instandhouding op gebiedsniveau niet in het geding is, kan bij uitvoering wel sprake zijn van een overtreding van verbodsbepalingen Wet natuurbescherming. Hierdoor kan het nodig zijn mitigerende (verzachtende) maatregelen te treffen, of indien dit niet afdoende is, compenserende maatregelen te treffen en te voldoen aan de daaruit volgende ontheffingsplicht.
NL.IMRO .9923.ipWitteveen-on01
51
Ten behoeve van de opgave voor dit Natura 2000-gebied is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek (een quick scan) is uitgevoerd door Tauw (bijlage 4). Het onderzoek heeft plaatsgevonden voor twee deelgebieden: de Hegebeek en de ecologische heidecorridor. Er is geconstateerd dat de aanwezigheid van verschillende beschermde soorten niet uit kan worden gesloten. Het gaat om onder andere de das, eekhoorn, en de boommarter; broedvogels, waaronder nachtzwaluw en roodborsttapuit; jaarrond beschermde nesten van roofvogels, levendbarende hagedis en diverse soorten vleermuizen. Hieronder is opgesomd voor welke verschillende soortgroepen er nader onderzoek dient plaats te vinden: Grondgebonden zoogdieren: mogelijke verblijfplaatsen aanwezig van boommarter, bunzing, das, eekhoorn, egel, grote bosmuis, hermelijn en wezel; Vleermuizen: Mogelijke aantasting verblijfplaatsen bij kap van bomen. Nadere check in winter uitvoeren; Vogels jaarrond beschermd: Mogelijke aantasting nestlocaties bij kap van bomen. Nadere check in winter uitvoeren; Reptielen: mogelijke winterhabitat van levendbarende hagedis aanwezig. Wat betreft vogels (broedvogels) is geen nader onderzoek nodig, mits buiten het broedseizoen wordt gewerkt. Anders is een broedvogelcontrole noodzakelijk.
De uitvoeringspraktijk van ontheffingverlening leert dat er doorgaans een duidelijke voorkeur is voor het zoveel mogelijk voorkomen of beperken van de negatieve effecten. Dit geldt dan ook als voorwaarde voor het voorkomen van een ontheffingsplicht of het verkrijgen van een ontheffing als dit onverhoopt toch nodig is. Voor alle genoemde beschermde soorten bestaan er in de praktijk mogelijkheden om effecten te voorkomen of te minimaliseren door een passende inrichting en uitvoeringstijdstip. Zo nodig kunnen aanvullend ook andere mitigerende (verzachtende) maatregelen worden getroffen zoals het aanbieden van alternatieve broedgelegenheid (bijvoorbeeld nestkasten) en kan de kwaliteit van het omringende leefgebied worden behouden of zelfs verbeterd. Dit betekent wel dat bij de aanwezigheid van beschermde soorten een gericht plan en/of werkprotocol dient te worden ontwikkeld, waarbij de aanwezige waarden worden ontzien en het leefgebied wordt ingepast in de ruimtelijke ontwikkeling. Negatieve effecten kunnen door uitvoering van de maatregelen echter niet worden uitgesloten. Na uitvoering van de maatregelen worden effecten op de soorten die voorkomen in deze gebieden waar mogelijk voorkomen door de beperkende bouw- en gebruiksregels binnen de bestemming natuur.
In het MER is per deelgebied een inschatting gemaakt van de voorkomende beschermde soorten, de mogelijke effecten van de maatregelen en de mogelijke mitigerende maatregelen per soort. Omdat tijdelijke verstoring van beschermde soorten is beoordeeld onder het criterium 'tijdelijke effecten tijdens realisatiefase' wordt het aspect effecten op beschermde diersoorten beoordeeld op de effecten na uitvoering in de gebruiksfase. De verwachting is dat een ontheffing kan worden verkregen voor de werkzaamheden die leiden tot verstoring, dat voldoende alternatieve habitats beschikbaar zijn in de directe omgeving en dat de maatregelen uiteindelijk leiden tot een kwaliteitsverbetering en uitbreiding van de habitats en daarmee een positief effect hebben op deze beschermde soorten. Gebiedsbescherming Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden Het Witte Veen is een Natura 2000-gebied en vormt onderdeel van het NatuurNetwerk Nederland (NNN).