CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

EDOP-#6082727-v1-Provinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte Veen Toelichting

commissie Ruimte 13 januari 2021, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Voorstel om geen zienswijze in te dienen ten aanzien van ontwerp Provinciaal Inpassingsplan (PIP) Witteveen25.418 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Nabij het Natura 2000-gebied "Witte Veen" liggen naast het "Buurserzand-Haaksbergerveen" meerdere Natura 2000-gebieden, waaronder in Overijssel, Gelderland en Duitsland: Overijssel: Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek, Lemselermaten, Landgoederen Oldenzaal, Lonnekermeer, Aamsveen, Dinkelland en Borkeld; Gelderland : Stelkampsveld; Duitsland: Witte Venn und Krosewickerwald, Amts Venn und Huafelder Moor, Graeser Venn und Lasterveld, Luenter Fischteich und Ammeloer Venn, Schattet Gatt, Wacholderheide Hoersteloe, Zwillbrocker Venn und Ellewickerfeld en Moore und Heiden des Westliche Münsterlandes. In een straal van 10 kilometer kunnen effecten op Natura 2000-gebieden optreden als gevolg van

P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 52

onder andere de ontwikkeling van de landbouw. Voor Natura 2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen gedefinieerd. Deze doelstellingen zijn nader uitgewerkt in een Natura 2000-beheerplan. Voor het Witte Veen is het beheerplan vastgesteld op 26 maart 2016. Voor ingrepen met (mogelijk) significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen is een vergunning nodig. Dit geldt niet alleen voor ingrepen in de Natura 2000-gebieden, maar ook voor ingrepen op grote afstand: de zogenaamde externe werking. De maatregelen dienen de instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000-gebied en het NNN. De mate waarin het voorkeursalternatief uit de MER bijdraagt aan de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Witte Veen is beoordeeld als het effect op de NNN/Natura 2000-doelstellingen. Voor het Natura 2000-gebied Witte Veen gelden de volgende kernopgaven: Kwaliteitsverbetering van zwakgebufferde vennen; Kwaliteitsverbetering van vochtige heiden; Kwaliteitsverbetering en uitbreiding van actieve hoogvenen en heideveentjes; Kwaliteitsverbetering van het leefgebied van de kamsalamander. In het MER worden de verschillende maatregelen ten opzichte van de instandhoudingsdoelstellingen besproken.

Door de realisatie van de maatregelen uit het voorkeursalternatief worden de (a)biotische omstandigheden voor de verschillende habitattypen met een instandhoudingsdoelstelling sterk verbeterd. De maatregelen uit het voorkeursalternatief adresseren de knelpunten zoals deze in het beheerplan zijn benoemd. Hoewel de maatregelen bijdragen aan het herstel, nemen de maatregelen de bestaande knelpunten op het gebied van waterhuishouding en stikstofdepositie niet geheel weg. Tijdelijke effecten tijdens realisatiefase Het kappen, plaggen en afgraven gaat gepaard met machines die een tijdelijke verstoring en geluidsoverlast in het plangebied veroorzaken. Hoewel werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden kunnen de werkzaamheden effect hebben op aanwezige dieren. Het kappen van bomen en afplaggen leidt tot een tijdelijke afname van de biodiversiteit. De maatregelen worden genomen om op lange termijn natuurherstel te bewerkstelligen maar tijdens de realisatiefase wordt de natuur verstoord door geluid, licht en beweging. Als gevolg van de tijdelijke werkzaamheden is er ook sprake van stikstofuitstoot (machines, extra vrachtverkeer, e.d.).

Om te bepalen of de werkzaamheden leiden tot een negatief effect als gevolg van de stikstofberekeningen is gekeken naar de berekende stikstofuitstoot van een ander natuurontwikkelingsproject in een Natura 2000-gebied, het vellen van bomen in de Varkensbossen14. Uitgaande van enkele worst-case aannames blijkt uit de AERIUS-berekening dat de werkzaamheden in de Varkensbossen leiden tot een tijdelijk maximale toename van 1,25 mol N/ha/jaar op het naastgelegen Natura 2000-gebied. De maatregelen in het Witte Veen betreffen naar verwachting (afhankelijk van uitwerking) minder houtkap dan het referentieproject, maar meer grondwerkzaamheden (afgraven, plaggen en dempen/verondiepen van sloten). De verwachting is dat de depositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied daarom minimaal gelijk is aan de berekende depositie voor het referentieproject Varkensbossen. In de eindsituatie leiden de werkzaamheden echter tot een betere uitgangssituatie voor de betreffende habitattypen en dragen deze bij aan kwaliteitsverbetering en uitbreiding van de habitattypen in het gebied. Netto is er dus sprake van een positief effect.

4.4.3 Conclusie

Ten aanzien van het aspect ecologie wordt geconcludeerd dat met het voorliggende plan en de daarin opgenomen maatregelen ten behoeve van de realisatie van de natuurdoelstellingen, zoals in dit plan is beschreven, geen nadelige effecten ontstaan.

NL.IMRO .9923.ipWitteveen-on01

53

4.5

Archeologie en cultuurhistorie

4.5.1 Archeologie

Wettelijk kader In 1992 werd het Europese Verdrag van Malta ondertekend door een groot aantal EU-landen, waaronder Nederland. Doelstelling van dit verdrag is de veiligstelling van het (Europese) archeologische erfgoed. Dit moet met name gestalte krijgen in het ruimtelijke ordeningsbeleid. C oncreet heeft dit tot gevolg dat bij de voorbereiding van inpassingsplannen meer aandacht moet worden besteed aan de aanwezigheid van archeologische waarden en dat in inpassingsplannen een beschermende regeling moet worden opgenomen ten aanzien van archeologische waarden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed, namelijk de: Monumentenwet 1988; Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten; Wet tot behoud van cultuurbezit; Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied; Uitvoeringswet UNESC O-verdrag 1970 inzake onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen; Regeling materieel beheer museale voorwerpen. In de Erfgoedwet staat beschreven hoe er met ons erfgoed omgegaan moet worden, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe daar toezicht op gehouden moet worden. Voor archeologie geldt dat gestreefd moet worden naar behoud 'in situ' (in de bodem) van de archeologische waarden.

In het geval het behoud niet mogelijk is, moet de historische (= archeologische) informatie door middel van verantwoord archeologisch onderzoek de in de bodem aanwezige waarden worden veiliggesteld. Tevens is er een certificeringsstelsel ingevoerd. Dat moet garanderen dat opgravingen volgens de wettelijke norm op professionele wijze worden uitgevoerd. Beleidskader Provinciaal beleid De omgevingsvisie richt zich vooral op de ruimtelijke kant van het cultureel erfgoed; op de sporen uit het verleden die zichtbaar en tastbaar aanwezig zijn in onze leefomgeving en dan specifiek op het zogenaamde 'onroerende erfgoed'. Er is ook cultureel erfgoed dat niet direct zichtbaar is in de leefomgeving. In de ondergrond zijn archeologische waarden te vinden die het verhaal vertellen van menselijke activiteiten uit het verleden. De ambitie is het behouden en versterken van het cultureel erfgoed als drager van identiteit. Gemeenten moeten bij planontwikkeling onderzoek doen naar het aanwezige erfgoed en aangeven hoe zij hiermee rekening willen houden. In de verordening staat dat gemeenten ook aan moeten geven hoe zij deze waarden, indien mogelijk, benutten bij verdere uitwerking van de plannen. Gemeentelijk beleid De gemeente Haaksbergen heeft in 2009 een archeologische beleidsadvieskaart laten opstellen.

Belangrijk daarbij is het onderscheid tussen in enerzijds archeologische waarden en anderzijds archeologische verwachtingswaarden. Archeologische waarden zijn bekend en worden op de verbeeldingen van ruimtelijke plannen aangegeven. Voor de verwachtingswaarden geldt dat niet. Op basis van kennis en bestaande gegevens zijn wel drie verschillende verwachtingszones te onderscheiden, zie onderstaande afbeelding.

P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 54

4.10: Archeologische verwachtingswaarden Buitengebied gemeente Haaksbergen)

gemeente

Haaksbergen

(Bron:

Bestemmingsplan

Archeologische monumenten hebben een hoge archeologische verwachtingswaarde en voor deze gronden is een dubbelbestemming opgenomen. Voor deze gronden geldt, naast de andere opgenomen bestemmingen, een beschermingsregeling voor de aanwezige archeologische waarden. Archeologie en het plangebied In het archeologisch beleid van de gemeente Haaksbergen zijn verschillende delen van het plangebied aangewezen met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Daarnaast komen gebieden voor met een middelmatige of lage archeologische verwachting. Voor bodemingrepen ondieper dan 40 cm - Mv geldt vrijstelling van de onderzoeksverplichting. Voor gebieden met hoge archeologische verwachtingswaarde geldt daarnaast dat een vrijstelling van onderzoek bij een plangebied of ingrepen kleiner dan 2.500 m 2 buiten de bebouwde kom. Voor een middelmatige of lage verwachting geldt een vrijstelling bij een plangebied of ingrepen kleiner dan respectievelijk 5.000 m 2 of 10 hectare.

De voorgenomen maatregelen hebben betrekking op beperkte (grond)werkzaamheden in de vorm van het verondiepen van de Hegebeek, het verondiepen en dempen van detailontwatering, herstellen van voormalige vennen (maximaal 45 cm -mv), het afgraven van delen van het gebied tot maximaal 40 cm onder maaiveld (in totaal circa 30 ha), het ophogen van terrein na afgraven (maximaal 75 cm), het uitmijnen van fosfaat/stoppen van bemesting, bemesting met steenmeel en het graven van nieuwe watergangen. Nieuwe watergangen worden aangelegd in de deelgebieden interne maatregelen (een nieuwe greppel 30 cm-mv) en perceel Wargerinksweg (nieuwe randsloot 100 cm-mv). Diepe graafwerkzaamheden, of graafwerkzaamheden over een grote aaneengesloten oppervlakte vinden niet plaats. Het grootste aaneengesloten gebied dat wordt afgegraven ligt in het deelgebied interne maatregelen en bedraagt circa 6,2 ha. In het archeologisch beleid van de gemeente Haaksbergen zijn delen van het plangebied (interne maatregelen) aangewezen als gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. In het kader van het project is daarom archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (ADC Archeoprojecten, 2020, bijlage 6). Op basis van het bureauonderzoek kunnen in het plangebied archeologische resten uit met name de periode Paleolithicum – Middeleeuwen worden verwacht.

Op basis van oude kaarten is er geen specifieke aanwijzing voor nieuwetijdse resten behalve in de omgeving van de Gervingshoekweg waar resten of grondsporen kunnen voorkomen die samenhangen met een boerderij. Voor de gebieden waar de ingrepen kunnen worden beperkt tot een verstoring van 40 cm –mv of minder worden geen effecten verwacht op Archeologie en is geen nader onderzoek nodig. Ter plaatse van deelgebied Perceel Wargerinksweg wordt een nieuwe sloot met een diepte van meer

NL.IMRO .9923.ipWitteveen-on01

55

dan 40 cm (100 cm) gegraven. Het oppervlak van deze ingreep is echter 990 m². De oppervlaktegrens van 2.500 m² in het vigerende bestemmingsplan wordt daarmee niet overschreden. Voor dit deelgebied is daarom geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Verder blijft de verplichting uit de Erfgoedwet van kracht om eventuele toevalsvondsten via gemeente of provincie aan het bevoegd gezag te melden. Vanwege de beperkte omvang van de ingreep en de meldplicht van eventuele toevalsvondsten wordt geen aantasting van archeologische resten verwacht. Conclusie Ten aanzien van het aspect archeologie wordt geconcludeerd dat met het voorliggende plan en de daarin opgenomen maatregelen ten behoeve van de realisatie van de natuurdoelstellingen, zoals in dit plan is beschreven, vooralsnog geen nadelige effecten ontstaan. Het inpassingsplan is op dit punt uitvoerbaar. Er dient wel rekening gehouden te worden met de mogelijkheid dat archeologisch materiaal bij toeval gevonden wordt, dat kan leiden tot nieuwe inzichten, waarbij nader onderzoek niet uitgesloten kan worden.

4.5.2 Cultuurhistorie en landschap

Wettelijk kader Het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat bij de vaststelling van een inpassingsplan een beschrijving hoort van de cultuurhistorische waarden in het plangebied. C ultuurhistorische waarden zijn alle structuren, elementen en gebieden die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Het landschap is een belangrijke drager van de cultuurhistorie. Aan veel landschapselementen (essen, reliëf, houtwallen, bosjes) en de verkaveling en de wegen- en waterlopenstructuur is de ontstaans- en ontginningsgeschiedenis nog af lezen. Beleidskader Provinciaal beleid - Omgevingsvisie De Omgevingsvisie bevat drie leidende principes of 'rode draden'. Eén daarvan is ruimtelijke kwaliteit en cultuurhistorie is daar onderdeel van. Ruimtelijke kwaliteit wordt bepaald op basis van vier lagen: de natuurlijke laag, de laag van de agrarische cultuurlandschappen, een stedelijke laag en een laag van de beleving. Nieuwe ruimtelijke opgaven worden verbonden met bestaande gebiedskenmerken. Die spelen namelijk een belangrijke rol bij de vraag hoe een initiatief invulling kan krijgen.

Gebiedskenmerken zijn de ruimtelijke kenmerken van een gebied of een gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Terugkerende elementen zijn beleefbaarheid, toegankelijkheid, zichtbaarheid, bruikbaarheid, en cultuurhistorische waarden van landschap en bebouwing (structuren). Een catalogus met gebiedskenmerken is als onderdeel bij de verordening opgenomen. Gemeenten moeten in de toelichting op bestemmingsplannen onderbouwen dat de nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Provinciaal beleid - Gebiedsscan ruimtelijke kwaliteit De provincie Overijssel heeft een ‘Gebiedsscan ruimtelijke kwaliteit’ opgesteld die randvoorwaarden in inspiratie geeft voor de ontwikkelopgave Natura 2000. Deze gebiedsscan betreft de gebieden "Buurserzand en Haaksbergerveen en Witte Veen". De gebiedsscan vormt geen nieuw beleid, maar kan gezien worden als een samenvatting van de C atalogus Gebiedskenmerken. Het maakt inzichtelijk wat de ruimtelijke kwaliteit van een gebied is en hoe dit behouden dan wel versterkt kan worden. Het maakt inzichtelijk wat de ruimtelijke kwaliteit van een gebied is en hoe dit behouden dan wel versterkt kan worden. De Gebiedsscan kan gezien worden als het begin van een gesprek over ruimtelijke kwaliteit. Een

P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 56

gesprek over de manier waarop de Natura 2000 maatregelen het beste ingepast kunnen worden op een specifieke plek. Daarbij is altijd zorgvuldigheid en maatwerk nodig. In hoofdstuk 5 van de gebiedsscan zijn de kansen, inspiraties en ontwerpaanleidingen beschreven. Deze worden hieronder kort toegelicht. De 'Gebiedsscan ruimtelijke kwaliteit' is als Bijlage 7 bij de toelichting gevoegd. Buurserzand, Haaksbergerveen, Witte Veen en Lankheet verbinden Buurserzand, Haaksbergerveen, het iets verderop gelegen "Witte Veen" en het landgoed Lankheet ten zuiden van Haaksbergen zijn natuurgebieden die tot het begin van de 20ste eeuw deel uitmaakten van een aaneengesloten hoogveengebied dat zich uitstrekte tot in Duitsland. Midden in dit voormalige hoogveengebied ligt als een eiland op wat hoger gelegen zandruggen het dorp Buurse omringd door tal van kleine buurtschappen met hun bijbehorende essen en esjes. De gebieden, met elk hun eigen verschijningsvorm, natuur- en recreatieve waarden, kunnen elkaar versterken als zij beter met elkaar worden verbonden, dat geldt zowel voor de natuurwaarden als voor de recreatieve en cultuurhistorische waarden. Zoek daarom naar aangrijpingspunten en meekoppelkansen die de onderlinge relaties tussen de gebieden kunnen versterken.

Denk daarbij aan natuurlijke verbindingen als die van de Buurserbeek, aan recreatieve routes tussen de gebieden onderling, maar ook aan routes vanuit de kern Haaksbergen naar het gebied ten oosten van het dorp. Na realisatie van het nieuwe tracé van de N18 ten westen van Haaksbergen en het afwaarderen van het huidige tracé ten oosten liggen hier goede mogelijkheden. Beken als structuurdragers Rondom en door Buurserzand, Haaksbergerveen en "Witte Veen" stromen meerdere beken vanaf het Oost-Nederlands plateau en de Oldenzaalse stuwwal richting het noordwesten. Zij liggen vrijwel parallel aan elkaar tussen de zandruggen. Door kanalisatie van de beken zelf en de mogelijkheid tot peilbeheersing, zijn de beekdalen vaak niet meer als zodanig herkenbaar. De Buurserbeek is de grootste beek. Daarnaast is in het plangebied ook de Hegebeek aanwezig. De beken hebben niet alleen een belangrijke hydrologische functie, maar zijn ook van grote cultuurhistorische, ecologische, landschappelijke en recreatieve waarde. Probeer de werkzaamheden die in dit kader nog moeten worden uitgevoerd integraal op te pakken met de uitvoeringsmaatregelen t.b.v. Natura 2000. Op die manier kunnen de verschillende doelen elkaar versterken en kan werk met werk worden gemaakt. Een grensovergang voor smokkelaars "Witte Veen" en Haaksbergerveen vormen letterlijk een grensgebied.

Zoals eerder al benoemd is de Rijksgrens met Duitsland de oostelijke respectievelijk zuidelijke begrenzing van deze natuurgebieden. "Witte Veen" was vroeger een geliefde grensovergang voor smokkelaars. Vanuit de boerderij het Markslag liepen controlebeambten hun surveillance over een zogenaamd commiezenpad. Hoewel de grenzen nu open zijn, herinnert nog veel aan oude tijden. Het commiezenpad, een bospad langs de Nederlandse kant van de grens, is nog steeds aanwezig. Net als de grenspalen van voor 1795, die nog steeds hun oorspronkelijke inscriptie dragen. Het verdient aanbeveling de Rijksgrens en de geschiedenis van deze plek zichtbaar en beleefbaar te maken. Bijvoorbeeld door het grenspad met grenspalen op te nemen in een wandel- en/of fietsroute en een extra, grensoverschrijdende beleving toe te voegen. Daarnaast moet onderzocht worden hoe er aangesloten kan worden op het bosgebied aan Duitse zijde. Hiermee kan niet alleen de ecologische waarde, maar ook de recreatieve waarde worden vergroot. Restanten woeste grond met rafelranden en doodlopende wegen Veranderende maatschappelijke inzichten en ontwikkelingen leidden er begin jaren ’60 van de vorige eeuw vrij abrupt toe dat met het ontginnen van woeste grond werd gestopt ten behoeve van natuurbescherming en openluchtrecreatie.

Buurserzand, Haaksbergerveen, "Witte Veen" en het landgoed Lankheet zijn enkele van de vele restanten woeste grond die gespaard bleven en als fragmenten verspreid in het jonge heide- en broekontginningslandschap liggen. De grillige randen van de gebieden, evenals de wegen die als zandpaden doodlopen in de huidige natuurgebieden, verraden het abrupt stoppen van de ontginning. De leesbaarheid van het landschap vergroten

NL.IMRO .9923.ipWitteveen-on01

57

door: De kenmerkende rafelranden respecteren en/of opnieuw vormen, zodanig dat woeste grond en jong ontginningslandschap in elkaar grijpen. Kenmerkend voor de relicten woeste grond zijn de rafelranden die op het kaartbeeld duidelijk te herkennen zijn en die ruimtelijk een zeer gevarieerd beeld opleveren van bosranden, heidevelden, weilanden en af en toe een akker. Het rafelige van de randen wordt versterkt door wegen die vanuit de omgeving tot in het gebied doorlopen als onverhard pad en uiteindelijk vaak doodlopen. Ook de (onverharde) wegen en paden respecteren, aangezien dit bijdraagt aan het in elkaar grijpen van beide gebieden. Een Twentse waterlinie De venen en moerassen bij Buurse waren een perfecte verdedigingslinie. Alleen over de Buurserbeek en de naastliggende zandrug konden soldaten zich verplaatsen. Rond 1600 werd daarom de Harrevelderschans aangelegd. Zo kon de over de zandrug lopende transportader worden gecontroleerd. De bodemsporen van de hessenwagens die langs de schans trokken kun je terugvinden op een gedetailleerde hoogtekaart. Tijdens invallen van Bernhard van Galen, Bisschop van Munster, in 1665 en 1672 werd bij Buurse de beek afgedamd waardoor het gebied onder water liep en vijandige troepen werden verdreven. Een heuse waterlinie op de Twentse zandgrond! Zorg ervoor dat cultuurhistorische elementen zoals deze zichtbaar blijven of worden.

Zij dragen bij aan de beleving van het gebied. Gemeentelijk beleid In paragraaf 2.7 kwam bij het gemeentelijke beleidskader het landschapsontwikkelingsplan (LOP) al aan de orde. In het LOP staan ook de voorkomende landschapstypen beschreven.

Figuur 4.11: Landschapstyperingen Haaksbergen & Hof van Twente)

gemeente Haaksbergen en Hof van Twente (Bron: LOP

"Witte Veen" is gelegen in het grootschalig veldontginningslandschap. Een aantal delen van dit landschap is niet ontgonnen ten behoeve van agrarisch gebruik. Deze gebieden zijn behouden gebleven als bosgebied, heideterrein of hoogveenrestant. "Witte Veen" is één van deze gebieden. Cultuurhistorie en het plangebied In

de

Gebiedsscan

ruimtelijke

kwaliteit,

P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 58

zie

hierboven,

zijn

de

cultuurhistorische

en

landschappelijke waarden en de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied beschreven. Er is bij de uitwerking van de maatregelen in het inrichtingsplan rekening gehouden met de ruimtelijke kwaliteit zoals verwoord in de Gebiedsscan ruimtelijke kwaliteit. Waar dit mogelijk was is aangesloten bij andere opgaven en/of kansen voor natuur. De maatregelen die genomen worden dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele natuurgebied. Het bestaande landschap wordt in het hele gebied omgevormd naar een meer natuurlijk landschap wat voor de belevingswaarde positief is. Voorts komen binnen het plangebied geen rijksmonumenten voor die beschermd zijn op basis van de Erfgoedwet. Ook provinciale monumenten en gemeentelijke monumenten zijn niet in het plangebied aanwezig. De natuurherstelwerkzaamheden hebben daarom geen negatieve invloed op monumenten. De natuurherstelmaatregelen leiden kortom tot meer openheid en bevorderen de ontwikkeling van vochtige en droge heide. Hiermee worden de cultuurhistorische waarden van het vroegere heidelandschap en de woeste gronden hersteld. Conclusie De maatregelen hebben geen invloed op het aspect cultuurhistorie. In het geheel dragen de ontwikkelingen wel bij aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied, en daarmee ook aan het beleefbaar maken van landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

Aan de kansen uit de gebiedsscan is met dit plan invulling gegeven. Het inpassingsplan is daarmee uitvoerbaar voor wat betreft het aspect cultuurhistorie en landschap.

4.6

Explosieven

4.6.1 Beleidskader

Op meerdere plaatsen in Nederland liggen nog bommen en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog in de grond. Blindgangers en achtergebleven explosieven vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd. Daarnaast kunnen weersomstandigheden en grondwater van invloed zijn op de toestand waarin de explosieven zich bevinden. In geval van grondverzet of vergelijkbare ontwikkelingen kan dat risico's voor werknemers of omwonenden met zich meebrengen. Daarnaast vormen deze vondsten een zware belasting voor het milieu. Als een gebied verdacht is voor niet-gesprongen explosieven, zal het nader onderzocht moeten worden.

4.6.2 Explosieven en het plangebied

Binnen het plangebied is beoordeeld of de werkzaamheden effect hebben op het risico dat uitgaat van eventueel aanwezige niet gesprongen explosieven (NGE). Om de effecten op niet gesprongen explosieven in beeld te brengen is een quickscan conventionele explosieven uitgevoerd (Tavela, 2019, bijlage 8). Op basis van de geraadpleegde bronnen, de beoordeling van de indicaties en luchtfoto-analyse is vastgesteld dat het onderzoeksgebied deels betrokken is geweest bij oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog en verdacht is op de aanwezigheid van afwerpmunitie, geschutsmunitie en klein kaliber munitie, handgranaten en geweergranaten.

NL.IMRO .9923.ipWitteveen-on01

59

Figuur 4.12: Onderzoeksgebied (groen) met verdachte locaties (rood) (bron: Bijlage 8 Quickscan conventionele explosieven) De verdachte locaties in het projectgebied worden daarom voor aanvang van de (grond)werkzaamheden onderzocht op de aanwezigheid van C E. Eventueel aangetroffen C E worden verwijderd. In de onverdachte gebieden kunnen de voorgenomen werkzaamheden plaatsvinden zonder dat er vervolgstappen noodzakelijk zijn in de explosievenopsporing. Ondanks het onderzoek is het altijd mogelijk dat niet gesprongen explosieven worden aangetroffen, bijvoorbeeld door (naoorlogse) dumping in de watergang of het natuurgebied. Dit wordt gezien als een spontane vondst. Wanneer een spontane vondst plaatsvindt wordt het werk stilgelegd en wordt de vondst bij de politie gemeld. Met het onderzoek en de bijbehorende voorzorgsmaatregelen bij een toevalsvondst is de verwachting dat het plan geen risico’s toe voegt voor het aspect niet gesprongen explosieven.

4.6.3 Conclusie

Het initiatief zoals dat in dit plan is beschreven, ervaart geen nadelige invloed van de mogelijke aanwezigheid van explosieven. Voor aanvang van de (grond)werkzaamheiden wordt het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van C E.

P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 60

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische planopzet

Algemene juridische opzet

Het inpassingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. In dit inpassingsplan worden met name de Natura 2000-doelstellingen en natuurherstelmaatregelen vastgelegd. Een inpassingsplan kan op verschillende manieren worden opgezet. In dit geval is ervoor gekozen het plan op te zetten als een gewoon bestemmingsplan. Dit in tegenstelling tot een zogenaamde facetregeling, waarin slechts delen van een bestemmingsregeling worden aangepast en het vigerend bestemmingsplan geheel of gedeeltelijk intact blijft. Deze laatste vorm wordt toegepast om het onderscheid tussen de nieuwe en oude regeling goed tot uitdrukking te brengen en daarmee ook procedurele gevolgen van het plan in te perken. Het nadeel van dit soort facetregelingen is dat wanneer deze regelingen niet worden geconsolideerd (samengevoegd tot één regeling op ruimtelijkeplannen.nl), de leesbaarheid van de planologische regeling van een gebied sterk kan worden beperkt. Voor onderhavig gebied had ook voor een dergelijke facetregeling kunnen worden gekozen, maar om de natuurdoelstelling van het gebied explicieter te kunnen uitdrukken en om vorengenoemd nadeel qua leesbaarheid te voorkomen, is gekozen voor een algehele herziening van de planologische regeling voor het gebied.

Bij deze opzet wordt uitgegaan van het principe dat in de regels van het plan het belang van die overheid, provincie of gemeente, prevaleert indien daarvoor specifiek beleid is opgesteld. Voor de natuurbestemming is het provinciaal belang/beleid primair. Dat betekent dat de provincie Overijssel in de eerste plaats zal aangeven op welke wijze de bestemming en regels vormgegeven moeten worden ten aanzien van Natuur. Voor andere bestemmingen speelt uiteraard het natuurbeleid ook mee maar blijft uitgangspunt dat de gemeentelijke bestemmingsplanopzet wordt gehanteerd. Ten aanzien van de archeologische beschermingen hebben gemeenten ook veelal eigen beleid opgesteld dat niet in strijd is met provinciale uitgangspunten. Ook daarvoor wordt dan zo veel mogelijk de gemeentelijke systematiek gehanteerd.

5.2

Standaarden en opbouw

In bestemmingsplannen en ook in dit inpassingsplan worden aan alle gronden ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening (en specifieke natuurdoelstellingen) bestemmingen toegewezen. Aan deze bestemmingen worden regels gekoppeld omtrent het gebruik van de gronden en van de zich daarop bevindende opstallen. Naast de (enkel)bestemmingen kunnen ook dubbelbestemmingen voorkomen. Deze overlappen de 'gewone' bestemmingen en geven eigen regels, waarbij sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen. Bij bestemmingen kunnen aanduidingen voorkomen met als doel bepaalde zaken nader of specifieker te regelen. De (dubbel)bestemmingen en de aanduidingen staan ook op de verbeelding en worden beschreven in dit inpassingsplan.

NL.IMRO .9923.ipWitteveen-on01

61

5.2.1 SVBP 2012

Het inpassingsplan is opgezet als een digitaal raadpleegbaar plan en voldoet aan de landelijke Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). In deze standaard staan normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding. Het Besluit ruimtelijke ordening stelt de SVBP verplicht als standaard systematiek. Op deze manier is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen gewaarborgd. De SVBP heeft geen betrekking op de toelichting van het plan en ook niet op de inhoud. Naast een digitale versie kan er ook een papieren versie van het inpassingsplan gebruikt worden. Indien er verschillen zijn tussen de digitale en analoge versie is de digitale versie leidend (Uitzonderingen daargelaten: zie bv. Uitspraak 201307446/1/R3 appellant 2 en 4).

5.2.2 Opbouw regels

De regels kennen een vaste volgorde en indeling. Hoofdstuk 1 Inleidende regels 1. Begrippen 2. Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels 1. Bestemmingen 2. Voorlopige bestemmingen 3. Uit te werken bestemmingen 4. Dubbelbestemmingen Hoofdstuk 3 Algemene regels 1. Anti-dubbeltelregel 2. Algemene bouwregels 3. Algemene gebruiksregels 4. Algemene aanduidingsregels 5. Algemene afwijkingsregels 6. Algemene wijzigingsregels 7. Verwezenlijking in de naaste toekomst 8. Algemene procedureregels 9. Overige regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels 1. Overgangsrecht 2. Slotregel Vervolgens kennen de bestemmingsregels ook een vaste opbouw: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid.

P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 62

5.3

Toelichting op de bestemmingen en regels

5.3.1 Plangebied

Bij het bestemmen is het bevoegd gezag in beginsel vrij in de keuze van de begrenzing van het plangebied. Bij een inpassingsplan is het logisch om alleen dat te regelen wat in verband met provinciaal belang ingepast of aangepast moet worden ten opzichte van de vigerende planologische regeling van de gemeenten. In dit inpassingsplan zijn alleen die gebieden opgenomen voor zover er ter plaatse maatregelen worden getroffen ten behoeve van de natuurontwikkeling. Daar waar geen maatregelen worden genomen, is zoveel mogelijk afgestemd op de bestemmingsplansystematiek van de betreffende gemeente. Dit leidt er bijvoorbeeld toe dat de doorgaande wegen in de gemeente buiten het plan zijn gelaten, terwijl andere (zand)wegen zijn ondergebracht in de bestemming 'Natuur'. Dit met het oog op de voorgenomen kap van de wegbeplanting. De opname van een aantal wegen in de bestemming 'Natuur' betekent overigens niet dat deze wegen hun verkeersfunctie niet behouden maar dat op deze wegen mogelijk wel aanpassingen plaats kunnen vinden (kap van bomen, aanpassing van profielen).

5.3.2 Regels

De regels uit het inpassingsplan voor het Natura 2000-gebied "Witte Veen" worden kort toegelicht. Artikel 1 en 2 Begrippen en wijze van meten Voor de begripsomschrijvingen en wijze van meten is aangesloten bij de SVBP 2012. Deze begrippen zijn aangevuld met voor het plan relevante begrippen. Artikel 3 Agrarisch met waarden - Natuur en landschap Enkele agrarische cultuurgronden in het noorden van het plangebied hebben de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur en landschap'. Deze gronden zijn als agrarische cultuurgrond in gebruik en daarnaast zijn bepalingen opgenomen voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke waarde van de gronden, zoals deze tot uitdrukking komt in het reliëf, de kleinschaligheid, de openheid, de beplantingselementen (houtsingels en houtwallen), kwelgebieden, bijzondere graslanden en/of met deze biotopen samenhangende fauna. Artikel 4 Natuur De bestemming 'Natuur' betreft gronden die voor een deel al de bestemming 'Natuur' hadden in het bestemmingsplan Buitengebied van Haaksbergen. Voor een deel betreft het gronden die in het bestemmingsplan Buitengebied een agrarische bestemming hadden en op grond van het inrichtingsplan en de bijbehorende maatregelen nu de bestemming 'Natuur' hebben gekregen. Tot slot betreft het gronden die in het bestemmingsplan Buitengebied de bestemming 'Bos' hadden.

Deze gronden zijn gewijzigd in de bestemming 'Natuur' omdat deze bestemming de beoogde doelstelling voor het Natura 2000-gebied "Witte Veen" beter weergeeft. De bestemming 'Bos' geeft ook vaak de mogelijkheid voor productiebos. Bovendien is boskap in de Natura 2000-gebieden soms noodzakelijk om de beoogde Natura 2000-doelstellingen te halen (het beheerplan Natura 2000 biedt bovendien voldoende borging om de beoogde doelstellingen te halen). De gronden die binnen het Natura 2000-gebied 'Witte Veen' liggen, hebben behalve de bestemming 'Natuur' ook nog de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - natura 2000'. Deze aanduiding is opgenomen om aan te geven dat het omgevingsvergunningstelsel hier niet geldt. Het Natura 2000-gebied valt immers al onder het beschermingsregime van artikel 2.9 van de Wet natuurbescherming. Artikel 5 Water De bestemming 'Water' betreft water binnen (klein deel) en buiten Natura 2000-gebied langs de

NL.IMRO .9923.ipWitteveen-on01

63

Hegebeek. Voor deze bestemming geldt een omgevingsvergunningstelsel voor het aanleggen, verdiepen en verondiepen van sloten, greppels en andere watergangen, tenzij het gaat om werken en werkzaamheden die in overeenstemming zijn met het Inrichtingsplan. Het omgevingsvergunningstelsel geldt niet voor gronden die zijn aangeduid als 'specifieke vorm van natuur - natura 2000'. Artikel 6 Waarde - Hoge archeologische verwachting Voor de gronden met deze dubbelbestemming geldt dat een omgevingsvergunning nodig is voor werken en werkzaamheden over en oppervlakte groter dan 2.500 m 2 en dieper dan 0,4 m. Artikel 7 Waarde - Lage archeologische verwachting Voor de gronden met deze dubbelbestemming geldt dat een omgevingsvergunning nodig is voor werken en werkzaamheden over en oppervlakte groter dan 101.000 m 2 en dieper dan 0,4 m. Artikel 8 Waarde - Middelmatige archeologische verwachting Voor de gronden met deze dubbelbestemming geldt dat een omgevingsvergunning nodig is voor werken en werkzaamheden over en oppervlakte groter dan 5.000 m 2 en dieper dan 0,4 m. Artikel 9 Anti-dubbeltelregel In het Besluit ruimtelijke ordening staat een standaardbepaling die verplicht is voor alle inpassings-/bestemmingsplannen.

Het doel van de anti-dubbeltelbepaling is te voorkomen dat door het herhaaldelijk gebruik van dezelfde oppervlakte van gronden als berekeningsgrondslag voor de oppervlaktebepaling van met name gebouwen, er op het betreffende of het aangrenzende perceel een situatie ontstaat die in strijd is met het inpassingsplan. Door het ‘overhevelen’ van gronden tussen percelen, via al of niet tijdelijke huurcontracten of eigendomsoverdrachten, zou op een van de percelen of op alle betrokken percelen uiteindelijk een bebouwde oppervlakte kunnen ontstaan, die groter is dan het inpassingsplan blijkens de regels beoogt toe te staan. Artikel 10 Algemene bouwregels Deze regels zijn - voor zover relevant - overgenomen uit het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Haaksbergen omdat in de enkelbestemmingen een aantal keren wordt verwezen naar deze regels. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels De regels bevatten een algemene afwijkingsbevoegdheid om een aantal nodige zaken en ondergeschikte afwijkingen mogelijk te maken, zoals het met maximaal 10% afwijken van de voorgeschreven maatvoering. Artikel 12 Algemene procedureregels Dit betreft de regels voor de voorbereidingsprocedure voor een besluit tot het stellen van een nadere eis.

Artikel 13 Overige regels In de overige regels is op basis van het bepaalde in artikel 3.26 lid 5 van de Wro bepaald dat na de uitvoering van dit inpassingsplan de betreffende gemeenteraden weer zelf bevoegd zijn om voor het plangebied regels te stellen onder de voorwaarden dat de natuurwaarden geborgd blijven. Hiermee wordt voorkomen dat actualisering van planregels gedurende 10 jaar niet meer mogelijk is. Artikel 14 Overgangsrecht Uitgangspunt in een nieuw inpassingsplan is dat bestaande bouwwerken en gebruiksvormen in principe positief worden bestemd, dus als zodanig als recht zijn toegestaan. De overgangsrechtelijke regels dienen om te waarborgen dat een bestaand bouwwerk of een bestaand gebruik dat niet in overeenstemming is met het nieuwe plan en waarvan sloop respectievelijk beëindiging wordt beoogd, als zodanig voorlopig kan blijven voortbestaan. Het bouwwerk of gebruik wordt dan als zodanig gedoogd totdat in de loop van de planperiode de sloop respectievelijk beëindiging plaatsvindt. Bouwwerken en gebruiksvormen die al strijd zijn met het vorige bestemmingsplan worden expliciet

P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 64

uitgesloten van het overgangsrecht van het nieuwe plan. Ze worden niet gedoogd onder het nieuwe plan, maar blijven in strijd daarmee. Handhaving door sloop respectievelijk gebruiksbeëindiging blijft daardoor een optie. Uitgangspunt is dat overgangsrechtelijke situaties, zowel voor bouwen als voor gebruik, uitzonderingen zijn. Die situaties worden tijdelijk gedoogd. De regels van het overgangsrecht zijn voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regels zijn zodoende overgenomen. Voor dit inpassingsplan is ook de volgende regeling van belang: "met dien verstande dat het gebruik onder 1, 2 en 3 vanaf twee jaar na inwerkingtreding van dit inpassingsplan is ingeperkt vanwege de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979, respectievelijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna". Bovenstaande houdt in dat de standaardbepalingen voor het overgangsrecht niet onverkort kunnen worden toegepast, indien uit de Wet natuurbescherming gebruiksbeperkingen voortvloeien. In dat geval gaat de 'hogere regelgeving' boven het overgangsrecht.

Om de gebruikers van de gronden de tijd te geven hun bedrijfsvoering of ander gebruik aan te passen aan de nieuwe situatie is in de overgangsbepalingen voor het gebruik opgenomen dat de beperking in het overgangsrecht pas intreedt vanaf twee jaar na de inwerkingtreding van het inpassingsplan. Artikel 16 Slotregel Bij deze regel is vermeld hoe het plan kan worden aangehaald, in dit geval als: Regels behorende bij het ‘Provinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte Veen.

NL.IMRO .9923.ipWitteveen-on01

65

Hoofdstuk 6

6.1

Uitvoerbaarheid

Juridische uitvoerbaarheid

6.1.1 Provinciale coördinatieverordening

Voor de uitvoering van de Ontwikkelopgave Natura 2000 moeten per gebied diverse besluiten worden genomen door verschillende bevoegde gezagen. Ten behoeve van het vergunningentraject heeft de provincie Overijssel een coördinatieverordening vastgesteld d.d. 9 november 2016. Alle benodigde besluiten voor de uitvoering van de Ontwikkelopgave Natura 2000 zullen per gebied zoveel mogelijk gelijktijdig of geclusterd voorbereid worden. De gecoördineerde besluiten doorlopen dezelfde voorbereidingsprocedure en liggen tegelijk ter inzage bij één loket. Desgewenst kan met één zienswijze gereageerd worden op diverse ontwerpbesluiten. Hierdoor hoeft niet voor elk besluit een aparte procedure en rechtsgang doorlopen te worden. Dit zorgt voor meer overzichtelijkheid van de procedures. Voor het Natura 2000-gebied inpassingsplan gecoördineerd.

"Witte

Veen"

worden

geen

vergunningen

samen

met

dit

6.1.2 Aanpassen beheerplan

De maatregelen voor het behalen van de Natura 2000-doelen staan beschreven in de Natura 2000-beheerplannen. Tijdens het gebiedsproces van het gebied zijn deze maatregelen onderzocht op nut en noodzaak en verder geconcretiseerd. Met in achtneming van de gebiedsanalyse en de noodzakelijke maatregelen ten behoeve van de instandhoudingsdoelstellingen die van toepassing zijn op het betreffende Natura 2000-gebied wordt niet verder gegaan dan datgene wat minimaal nodig is. Het inrichtingsplan wordt te zijner tijd verwerkt in het nieuwe beheerplan.

6.1.3 Wijziging begrenzing provinciale Omgevingsverordening en -visie

Wanneer bepaalde percelen niet ingezet hoeven te worden voor het bereiken van de Natura 2000-doelen, dan wordt de begrenzing van het uitwerkingsgebied Ontwikkelopgave Natura 2000 in het voorkomende geval aangepast conform hoofdstuk 10.3 van de Omgevingsvisie. Percelen waar geen maatregelen getroffen worden of waar na uitvoering van de maatregelen de functie landbouw gehandhaafd kan blijven, worden uit het NNN gehaald. Op grond van artikel 2.7.2 lid 3 en lid 5 van de Omgevingsverordening is GS bevoegd om de begrenzing van het provinciale NNN aan te passen op basis van aanpassing van het Natuurbeheerplan en andere provinciale besluiten.

P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 66

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Provinciale sturingsfilosofie

De provincie Overijssel past voor haar rol in het ruimtelijk domein een bestuursfilosofie toe die er naar streeft om maatschappelijke resultaten te boeken waar inwoners van Overijssel belang aan hechten. De sturingsfilosofie van de provincie Overijssel is kort samen te vatten als 'resultaat door partnerschap'. De provincie vormt vitale coalities met de partners en netwerken waarin verschillende partners gezamenlijk in actie komen om maatschappelijk resultaat te boeken. Hoofdlijnen van deze sturingsfilosofie zijn: C omplexe maatschappelijke uitdagingen integraal en samen met publieke, private en maatschappelijke partners in vitale coalities aanpakken; Ruimte voor bestuurlijke partners om op het meest geëigende schaalniveau op eigen gezag te handelen; Eenvoudige en heldere regels. Gebiedsprocessen In het kader van deze sturingsfilosofie is Samen Werkt Beter in het leven geroepen. In hoofdstuk 1 is ingegaan op Samen Werkt Beter en de bijbehorende gebiedsprocessen van het Natura 2000-gebied "Buurserzand - Haaksbergerveen" en "Witte Veen". Keuze ruimtelijk instrument In de provinciale sturingsfilosofie is ook beschreven op welke momenten de provincie Overijssel (selectief) gebruik maakt van het ruimtelijke instrument 'inpassingsplan'.

Dit instrument kan de provincie Overijssel in de volgende situaties inzetten: Als er sprake is van provinciaal belang, en; Als er uit overleg blijkt dat de gemeente niet bereid is om een bestemmingsplan vast te stellen of hiertoe niet (tijdig) overgaat, of; Als de gemeente aan de provincie vraagt om een inpassingsplan vast te stellen. De te nemen maatregelen in het kader van de Ontwikkelopgave Natura 2000 passen in veel gevallen niet binnen de nu geldende bestemmingsplannen. Dit zorgt ervoor dat een groot aantal ruimtelijke procedures noodzakelijk is om deze maatregelen mogelijk te maken. Vanwege de benodigde proceduretijd ligt de ruimtelijke planvorming op het kritieke tijdpad van de planning van de Ontwikkelopgave Natura 2000. Het is daarom van groot belang om de ruimtelijke planvorming zo efficiënt mogelijk in te richten. Essentieel onderdeel hierbij is de vraag of een bestemmingsplan of een inpassingsplan opgesteld gaat worden om de benodigde maatregelen planologisch-juridisch mogelijk te maken. Eén van de grote voordelen van een provinciaal inpassingsplan is dat de beroepstermijn aanzienlijk (circa 1 jaar) korter is dan bij een bestemmingsplan. Een provinciaal inpassingsplan valt namelijk onder de C risis- en herstelwet waardoor de Raad van State binnen een half jaar een uitspraak moet doen op ingestelde beroepen.

Deze verplichting geldt niet bij beroep tegen een bestemmingsplan. Daardoor is de doorlooptijd van een bestemmingsplan bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State circa een jaar langer. Om bovenstaande redenen heeft de provincie Overijssel de betrokken gemeenten door middel van een brief (maart 2016) gevraagd om een voorkeur uit te spreken over de inzet van het ruimtelijk instrument: een bestemmingsplan of een inpassingsplan. De gemeenten Dinkelland en Tubbergen hebben de provincie bij brief van respectievelijk 16 juni 2016 (kenmerk U16.011510) en 21 juli 2016 (kenmerk U16.015798) gevraagd een provinciaal inpassingsplan op te stellen voor de noodzakelijke Natura 2000-maatregelen. Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben daarom op 27 september 2016 besloten om voor het Natura 2000-gebied "Witte Veen" een inpassingsplan te gaan voorbereiden.

NL.IMRO .9923.ipWitteveen-on01

67

6.2.2 Voorontwerpfase

Het voorontwerp-PIP is van 6 augustus 2019 tot en met 16 september 2019 ter visie gelegd en er is voor een ieder (o.a. belanghebbenden, inwoners en wethouders van de betreffende gemeenten en de wettelijke overlegpartners) gelegenheid een inspraakreactie te geven. Verder is 12 juni 2019 een inloopbijeenkomst georganiseerd. Gedurende de termijn zijn er een 6 inspraakreacties en 4 vooroverlegreacties ontvangen waarvan er een aantal hebben geleid tot aanpassing van dit inpassingsplan. De resultaten op het voorontwerp zijn verwerkt in een Reactienota en waar nodig in het ontwerp-PIP. De Reactienota is als bijlage 9 bij deze toelichting gevoegd.

6.2.3 Ontwerpfase

Het ontwerp-PIP zal, inclusief de Reactienota, gedurende zes weken ter inzage worden gelegd. Tijdens deze periode bestaat voor een ieder de mogelijkheid voor het indienen van zienswijzen. De ontvangen zienswijzen worden beantwoord in een Nota van zienswijzen en voor zover nodig verwerkt in het definitief vast te stellen PIP. Dit definitieve PIP zal ter vaststelling worden aangeboden aan Provinciale Staten. De indieners van de zienswijzen worden hiervan op de hoogte gesteld en krijgen voorafgaand aan de vaststelling van het PIP de mogelijkheid om te reageren op de concept-beantwoording van hun zienswijze.

6.2.4 Beroepsfase

Na vaststelling van het definitieve PIP zal het plan voor zes weken ter inzage liggen. In deze periode kunnen belanghebbenden beroep en/of een voorlopige voorziening bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State indienen. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State zal vervolgens een uitspraak doen op het beroep en/of de voorlopige voorziening.

6.3

Economische uitvoerbaarheid

6.3.1 Grondexploitatie

De Wet ruimtelijke ordening bepaalt in artikel 6.12 dat samen met het inpassingsplan ook een exploitatieplan vastgesteld moet worden. Indien de kosten van het inpassingsplan/bestemmingsplan anderszins zijn verzekerd is geen exploitatieplan noodzakelijk. Wel benoemen hoe de kosten dan anderszins zijn verzekerd. De kosten zijn in dit geval anderszins verzekerd, omdat de kosten opgenomen zijn in de provinciale begroting. Zie paragraaf 6.3.3.

6.3.2 Grondverwerving

De Natura 2000-beheerplannen hebben grote invloed op het provinciale grondbeleid. Het maatregelenpakket om de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden te realiseren kan tot gevolg hebben dat de functie van de gronden verandert. De Nota Grondbeleid 2015 van de provincie Overijssel bevat de interventieladder. Dit is de verwervingsstrategie voor de Ontwikkelopgave Natura 2000. Kort samengevat gaat de ladder uit van zelfrealisatie door grondeigenaren tot inzet van ruilgronden of aankoop van gronden en als laatste stap onteigening.

P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 68

Voor het Natura 2000-gebied "Witte maatregelen uit te kunnen voeren.

Veen"

wordt

de

interventieladder

doorlopen

om

de

6.3.3 Financiering

Provinciale Staten van Overijssel hebben 23 april 2014 budget beschikbaar gesteld voor de Ontwikkelopgave Natura 2000. De financiële haalbaarheid is onderbouwd in het statenvoorstel. Uit deze onderbouwing blijkt dat de opgaven haalbaar zijn met de begrote budgetten. In de programma-administratie zal per gebied en per deelgebied het begrote budget worden aangegeven. Daarnaast zijn in het statenvoorstel spelregels opgenomen om een verantwoorde besteding van het geld te garanderen. Tevens kunnen Gedeputeerde Staten flexibel omgaan met budgetten zo lang zij binnen het totale budget blijven.

6.4

Monitoring, toezicht en handhaving

Dit inpassingsplan richt zich op het herstel, het behoud en de ontwikkeling van het Natura 2000-gebied "Witte Veen" en bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen. Echter, de ontwikkeling van natuur is grillig en afhankelijk van (veranderende) situaties ter plaatse. Met monitoring wordt gevolgd of de instandhoudingsmaatregelen het gewenste resultaat opleveren en of veranderingen in het gebied of het gebruik in en om het gebied effect hebben op het realiseren van de doelen. Er zijn verschillende meetnetten die de benodigde informatie leveren. Voor de KRW en (beleids)doelen van de Waterschappen worden de waterkwaliteit en -kwantiteit gemonitord. De grondwaterkwaliteit en -kwantiteit worden gemonitord onder regie van de provincie (het Meetnet Verdroging). Daarnaast zijn er nog twee voor Natura 2000 belangrijke meetnetten over natuurkwaliteit: het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) en de monitoring in het kader van Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). De meetnetten zijn zo vormgegeven dat deze informatie opleveren die gebruikt kan worden voor het beantwoorden van verschillende vragen en ten behoeve van verschillende monitoringsvereisten. De uit de monitoring volgende informatie wordt gebruikt bij het opstellen van het Natura 2000-beheerplan voor de daaropvolgende beheerplanperiode en voor de door het Rijk aan de Europese C ommissie te leveren natuurrapportage.

De informatie is ook van belang voor vergunningverlening, handhaving en beheer van het Natura 2000-gebied. De provincie is verantwoordelijk voor de monitoring van de natuur binnen de Natura 2000-gebieden. De provincie maakt hiervoor afspraken met betrokken partijen over de uitvoering van de monitoring. De provincie maakt met betrokken partijen afspraken over de uitvoering van de monitoring. De uitvoering van de aspecten vegetatie, typische soorten en structuur zal veelal uitgevoerd worden door de terreinbeheerders. Waterschappen voeren veelal de monitoring van de waterkwaliteit en -kwantiteit uit. De provincie bewaakt de uitvoering van de afspraken.

6.4.1 SNL-monitoring

Over de manier waarop de monitoring wordt uitgevoerd zijn landelijke afspraken gemaakt. De belangrijkste is dat de Natura 2000-monitoring integraal is opgenomen in de 'Werkwijze Natuurmonitoring en -beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS' (hierna: werkwijze SNL-monitoring). In deze werkwijze wordt gedetailleerd beschreven hoe de kwaliteit van natuur moet worden gemonitord. De beschreven monitoringsmethodiek is onafhankelijk van het Natura 2000-gebied: eenzelfde habitattype wordt overal op dezelfde manier gemonitord. Deze werkwijze is te vinden op het portaal Natuur en Landschap.

NL.IMRO .9923.ipWitteveen-on01

69

6.4.2 Natuurmonitoring specifiek ten behoeve van het PAS

Ten behoeve van het PAS wordt per gebied jaarlijks een gebiedsrapportage opgesteld met als doel de ontwikkeling van de stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten en de voortgang van de uitvoering van de herstelmaatregelen in beeld te brengen. De gebiedsrapportage bevat een presentatie van de stand van zaken van de natuurontwikkeling en de uitvoering van de herstelmaatregelen op gebiedsniveau, inclusief o.a.: Geactualiseerde informatie over omvang en kwaliteit van de stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten; Verslagen van de jaarlijkse veldbezoeken (toets of de stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten zich ontwikkelen volgens verwachting); Proces(meet)indicatoren en de informatie die hieruit voorkomt. Procesindicatoren worden gebruikt om de voortgang van het herstelproces als gevolg van het uitvoeren van bepaalde herstelmaatregelen te volgen. Ondanks de uitspraak van de Raad van State wordt deze natuurmonitoring nog wel uitgevoerd.

6.4.3 Gebiedsspecifieke natuurmonitoring

De monitoring t.b.v. de SNL zal zich, naar verwachting, beperken tot periodieke herhaalde vegetatiekarteringen, de monitoring van de populaties van de VHR-soorten (Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten) en de monitoring van stikstofemissie. Dit houdt in dat voor gebiedsspecifieke monitoring een aparte monitoring geregeld moet worden. Voor het Natura 2000-gebied "Witte Veen" staat dit beschreven in hoofdstuk 8 van het beheerplan.

6.4.4 Toezicht en handhaving

De Wet natuurbescherming biedt het kader voor toezicht en handhaving in relatie tot de Natura 2000-beheerplannen (gebiedscontrole, naleving vergunningen etc.). Adequaat toezicht en handhaving zijn nodig voor een goede naleving en dus voor een goede uitvoering van de Wet natuurbescherming. Toezicht en handhaving zien toe op de controle op de naleving van vergunningen en op het opsporen van en optreden (in het veld) tegen overtredingen van een aantal artikelen van de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming biedt het bevoegd gezag ook de mogelijkheid maatregelen te nemen ter voorkoming van schade aan natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Zo kan het bevoegd gezag verleende vergunningen intrekken of wijzigen als de situatie daartoe noopt. Het bevoegd gezag kan als dat nodig is ook besluiten de toegang tot een beschermd gebied te beperken. Op basis van de landelijk ontwikkelde en vastgestelde 'Handreiking handhavingsplan Natura 2000' (IPO, 2013xiv) worden toezicht en handhaving nader uitgewerkt in toezichts- en handhavingsplannen voor de Natura 2000-beheerplannen en handhavingsuitvoeringsprogramma's. Bij het opstellen van het handhavingsplan wordt samengewerkt met de partijen die een taak hebben op dit gebied (zoals de terreinbeherende organisaties).

Gelet op bovenstaande kan geconcludeerd worden dat met behulp van monitoring, toezicht en handhaving de natuurdoelen van het gebied rondom het "Witte Veen" zullen worden gehaald.

P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 70

NL.IMRO.9923.ipWitteveen-on01

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9584660/1