EDOP-#6082719-v1-Provinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte Veen Bijlagen bij de toelichting
Tekst van het document
Zoals gezegd betreft de in het profiel weergegeven situatie bij benadering een GVGsituatie. Dus onder GHG-omstandigheden is deze aanvoer nog een stuk sterker. Vanwege de nabijheid van de keileem-/kleiondergrond is het grondwater in de zandlaag zwak gebufferd (B118A: alkaliniteit =0,6 meq/l). In verdunde vorm bereikt dit gebufferde grondwater ook het veenpakket (B118B: alkaliniteit =0,4 meq/l). Dergelijke zwak gebufferde omstandigheden zijn (met een alkaliniteit van 0,4 à 0,8 meq/l onderin het veenpakket ter plaatse van B139, B140 en B141) ook elders onderin het veenpakket van het hoogveenrestant aangetroffen. Onder deze zwak gebufferde omstandigheden wordt de veenafbraak gestimuleerd waardoor extra veel methaan en kooldioxide vrijkomt. Deze omstandigheden zijn (tezamen met de hoge waterstand en het gedempte waterstandsverloop) zeer gunstig voor de hoogveenontwikkeling. Onder invloed van de voeding met zwak gebufferd grondwater groeien aan de westzijde van het hoogveenrestant ook soorten als Veldrus en Grauwe wilg in het hoogveengebied en zijn omvangrijke drijftillen van de grondwaterafhankelijke Sphagnum palustre tot ontwikkeling gekomen.
Ter plaatse van de dekzandrug ten oosten van het hoogveenrestant treedt op 16-2-2017 (dus bij benadering in de GVG-situatie) geen opbolling van de grondwaterspiegel boven het niveau van de (grond)waterstand in het hoogveenrestant op (zie dwarsprofiel B-B’). Dus vanaf deze zijde treedt in de huidige situatie veel minder / vrijwel geen grondwatervoeding op. In het dwarsprofiel is te zien dat de opbolling van de grondwaterspiegel in de oostelijke dekzandrug wordt verstoord door de afgraving van de bovengrond en het uitgraven van slenken in het kader van het Duitse natuurontwikkelingsproject dat hier is uitgevoerd. Dit negatieve effect geldt in nog sterkere mate voor het gedeelte van het natuurontwikkelingsgebied ten noordoosten van het hoogveenrestant, vanwege het aflopen van het maaiveld in het natuurontwikkelingsgebied in noordelijke richting en het overeenkomstig hiermee ook lager worden van de afvoerniveaus van de slenken (zie figuur 2.4: hoogtekaart). Op zijn beurt heeft de diepe afvoersloot op de oostgrens van het Witte Venn / in het oostelijke deel van het natuurontwikkelingsgebied weer een drainerende werking op het natuurontwikkelingsgebied. In het noordelijke deel van het hoogveenrestant is de grondwaterstand in de zandondergrond wel het gehele jaar door lager dan de waterstand in het veenpakket (zie dwarsprofiel A-A’).
Dit leidt ertoe dat hier wel een versterkte wegzijging optreedt van water vanuit het veenpakket naar de zandondergrond. De lage stijghoogte wordt vooral veroorzaakt door de sterk drainerende werking van de sloten in de enclave Jannink op het grondwater in de zandlaag.
45
Verder is in de dwarsprofielen te zien dat het hoogveenrestant in de zomer ook aan de west-, oost en zuidzijde water verliest naar de dekzandgronden in de omgeving. Dit waterverlies heeft tot op zekere hoogte te maken met de geringere bergingscoëfficiënt van een zandbodem ten opzichte van de veenputten, waardoor in de zandbodem de grondwaterstand onder invloed van een verdampingsoverschot veel sneller wegzakt dan in de het veengebied. De geringe omvang van het hoogveenrestant maakt het kwetsbaar voor dergelijke verliezen. Het wegzakken van de grondwaterstand wordt echter ook versterkt door de aanwezigheid van bos op de dekzandgronden: door het relatief hoge verdampingsverlies van bos ten opzichte van heide zakt de grondwaterstand in de zomer extra ver weg en is dus ook het verlies vanuit het hoogveenrestant extra groot.
4.3.2 Grensvennen (dwarsprofielen G-G’ en H-H’) Vanwege de afgraving van het hoogveen zijn hier twee vennen ontstaan. Alleen in het centrale deel van Noordelijke Grensven is een restveenlaag achtergebleven. Met name langs de oevers van het Noordelijke Grensven treedt secundaire veenvorming op. Ook in beide Grensvennen is op de overgang naar de zandondergrond een gyttja (ofwel meerbodem) aangetroffen, van doorgaans circa 15 cm en oplopend tot 40 cm in het noordelijke deel van het Zuidelijke Grensven. Ook hier is de gyttja kleiig ontwikkeld. In dwarsprofiel H-H’ is te zien dat vanaf het hoogveenrestant een getrapt systeem aanwezig is: het hoogveenrestant (met tpb147) ligt het hoogst, dan volgt het Noordelijke Grensven en het Zuidelijke Grensven ligt het laagst, wat ook verklaart waarom de gyttja hier het dikst is. Gezien deze getrapte ligging wordt het Noordelijke Grensven via de zandondergrond gevoed vanuit het hoogveenrestant en wordt het Zuidelijke Grensven op zijn beurt gevoed vanuit het Noordelijke Grensven. De grondwatervoeding van het Zuidelijke Grensven vanuit het hoger gelegen gebied aan de oost- en zuidoostzijde is vrijwel geheel weggevallen door de diepe ontwatering van de hier aanwezige landbouwgronden (zie oostelijke uiteinde dwarsprofiel G-G’ en zuidoostelijke uiteinde dwarsprofiel H-H’).
Het Zuidelijke Grensven ligt in het bovenstroomse uiteinde van een smeltwatergeul (zie figuur 2.3). In deze geul is de zandlaag dikker en ook grover dan elders in het projectgebied, en zodoende is het doorlaatvermogen hier veel groter dan elders in het projectgebied. Omdat de geul bovendien onder een aanzienlijk verhang ligt, vindt via de geul in sterke mate grondwaterstroming plaats in zuidwestelijke richting. Hierdoor en vanwege het wegvallen van de voeding uit het hoog gelegen gebied aan de (zuid)oostzijde zakt de grondwaterstand in de zandondergrond van het Zuidelijke Grensven in de zomer behoorlijk ver weg. Dit wegzakken wordt bevorderd door de aanwezigheid van veel bos rond het Zuidelijke Grensven, vanwege het relatief grote verdampingsverlies van bos ten opzichte van heide: het bos aan de (zuid)oostzijde gaat ten koste van de aanvoer en het bos aan de (zuid)westzijde versterkt de afvoer. Vanwege de aanwezigheid van de weerstandsbiedende gyttja zakt de waterstand in het ven zelf veel minder ver weg dan in de zandondergrond. Dit voorkomt echter niet dat de waterstandsdynamiek in het Zuidelijke Grensven vanwege de bovengenoemde oorzaken veel groter is dan in het Noordelijke Grensven: terwijl in het Noordelijke Grensven de waterstand tussen 16-2-2017 en 11-7-2017 met 22 cm is weggezakt bedraagt dit verschil in het Zuidelijke Grensven 39 cm.
Het verschil tussen de GHG en GLG voor B136/L136 bedraagt 24 cm. Omdat er bij L137 te veel gaten in de meetreeks zijn kon voor dit meetpunt het verschil tussen de GHG en GLG niet bepaald worden, maar op grond van de metingen in het kader van het veldonderzoek / vergelijking met B136/L136 mag verwacht worden dat dit verschil hier 40 à 45 cm bedraagt.
46
Ook in dit deelgebied is het grondwater vanwege aanrijking vanuit de keileem- / kleiondergrond zwak gebufferd. Dankzij de eerder genoemde lichte grondwatervoeding van beide vennen is het venwater zeer zwak gebufferd. Onder invloed hiervan treedt met name in de noordelijke oeverzones van beide vennen een voorspoedige veenmosontwikkeling op en is vooral in de oeverzone van het Zuidelijke Grensven veel Veelstengelige waterbies aanwezig.
4.3.3 Bosgebied ten zuiden van het hoogveenrestant (dwarsprofielen A-A’ en G-G’)
In een aantal slenken in het bosgebied ten zuiden van het hoogveenrestant is sinds het dempen van de restanten van voormalige afvoersloten (in 2007) een lichte zekere vernatting opgetreden. Dit heeft vooral geresulteerd in hogere grondwaterstanden in de slenken in het winterhalfjaar, zoals aan het grondwaterstandsverloop van peilbuis B135 kan worden afgeleid. In de zomer blijft de grondwaterstand in het gebied in aanzienlijke mate beneden maaiveld wegzakken, ter plaatse van B135 tot circa 80 cm -mv en ter plaatse van B29 tot circa 120 cm mv (zie bijlage 1), ofwel tot circa 1 m -mv. Om af te leiden in hoeverre de aanwezigheid van het bos debet is aan het ver wegzakken van de grondwaterstand in de zomer is een indicatieve berekening uitgevoerd. Hiertoe is op basis van gegevens van weerstation Twente voor de periode 1981 t/m 2010, de interceptiefactoren van loofbos en zwaar naaldbos en de verdampings-gewasfactoren voor loofbos, zwaar naaldbos en heide zoals vermeld in het Grondwaterzakboekje (Bram Bot, 2016) bepaald in welke mate de grondwateraanvulling door de aanwezigheid van bos wordt gereduceerd (zie tabel 4.2). In het betreffende gebied is gemengd bos aanwezig en daar waar naaldbos aanwezig is, is dit niet specifiek als zwaar te bestempelen, dus zodoende kunnen het best de factoren voor loofbos gehanteerd worden.
Over een jaar bezien leidt de aanwezigheid van het bos in vergelijking tot heide tot een verminderde grondwateraanvulling van circa 170 mm. In het voorjaar en de zomer bedraagt het verschil circa 140 mm.
Tabel 4.2 Vergelijking grondwateraanvulling loofhout, zwaar naaldhout en heide Weerstation Twente, gemiddeld 1981-2010 (mm) Bron interceptiefactor en gewasfactor: Grondwaterzakboekje, Gwz 2016 (Bram Bot) maand neerslag referentie(mm) gewasverdamping volgens Makkink (mm) jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec
71,5 51,6 65,1 45,2 62,4 67,7 74,5 71 65,4 67,5 68,9 74,1
7,7 14,1 32,2 58,4 85,7 90,9 95,8 79,5 49,2 27,3 10,4 5,9
interceptiefactor % loofhout zwaar naaldhout 10 10 10 25 25 25 25 25 25 10 10 10
gewasfactor% loofhout zwaar naaldhout 35 35 35 35 35 35 35 35 35 35 35 35
80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80
heide
80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 totaal jaar totaal mrt t/m sept
grondwateraanvulling loofhout zwaar heide (mm) naaldhout (mm) (mm) 90 58,2 40,3 64,6 90 35,2 22,3 38,9 75 32,8 16,6 41,0 60 -12,8 -17,3 10,2 70 -21,8 -28,0 2,4 80 -21,9 -28,7 -5,0 80 -20,8 -28,2 -2,1 70 -10,4 -17,5 15,4 70 9,7 3,2 31,0 75 38,9 22,0 47,0 90 53,7 36,5 59,5 90 62,0 43,4 68,8 202,8 -45,1
64,5 -100,0
371,5 92,7
Uitgaande van een bergingscoëfficiënt µ = 0,15 voor de hier aanwezige zandbodem zou dit een verschil in grondwaterstand van ruim 90 cm betekenen, waarmee de grondwaterstand ook in de zomer direct aan maaiveld zou komen te liggen, wat
47
onwaarschijnlijk is. Verwacht mag namelijk worden dat ook bij aanwezigheid van een heideachtige begroeiing (met venachtige situaties op de laagste plekken) onder invloed van het verdampingsoverschot de grondwaterstand in de zomer minimaal enkele decimeters beneden maaiveld weg zal blijven zakken. Ook zal een deel van de extra aanvulling via de zandlaag lateraal afstromen naar het gebied benedenstrooms van het bos, ofwel de Natte Weide, maar dit is uiteraard ook winst. In de praktijk mag in het gebied ongeveer een situatie verwacht worden zoals nu aanwezig in de vergelijkbare noordelijke slenk langs de Wargerinkweg, met op de laagste plekken veenontwikkeling en op de flanken van de slenken ontwikkeling van natte heide. Dus op grond van deze oriënterende berekening / beschouwing volgt wel dat de bijdrage van het hoge verdampingsverlies (middels interceptie) van het bos aan het wegzakken van de grondwaterstand substantieel is. In combinatie hiermee hebben ook de nog aanwezige greppelrestanten (en met name de intensieve greppelstelsels in sommige delen van het bosgebied) een negatieve invloed: hierdoor wordt met name de opbolling van de grondwaterspiegel in dekzandruggetjes de GHG-situatie negatief beïnvloed, waardoor de geleidelijke voeding van de laagten / slenken is verminderd.
De aanwezigheid van het bos leidt bovendien tot een versterkte invang van verzurende depositie vanuit de lucht. De aanwezigheid van het bos en de greppels vormen niet alleen een grote belemmering voor herstel van hoogveenslenkvegetaties in de slenken en laagten van het deelgebied zelf, maar veroorzaken vanwege de ver wegzakkende grondwaterstanden in de zomer in het gebied als geheel ook verdroging van het hoogveenrestant, de beide Grensvennen en de Natte Weide. De aanwezigheid van het bos en de greppels staan dus zowel de verbetering van de kwaliteit als de uitbreiding van habitattype H7120 Herstellende hoogvenen in de weg.
4.3.4 Bramerveld (dwarsprofielen B-B’, C-C’ en D-D’) Het Bramerveld ligt grotendeels in het relatief sterk hellende westelijke deel van het Natura 2000-gebied (zie dwarsprofiel B-B’). Vanwege de geringe dikte van de zandlaag is het doorlaatvermogen ervan laag. In samenhang met het sterke verhang treedt echter wel een duidelijke grondwaterstroming op. Ook hier is het grondwater in de zandlaag vanwege aanrijking vanuit de ondiep gelegen keileem-/kleiondergrond gebufferd, over het algemeen zwak maar ter plaatse van het steilste deel van de helling (met een alkaliniteit van rond de 3 meq/l ter plaatse van B19 en Tpb181) zelfs matig sterk. Onder invloed van het lateraal afstromende grondwater komt in het heidegebied plaatselijk Beenbreek voor en vanwege de combinatie met de enigszins gebufferde omstandigheden groeien op diverse plekken soorten als Blauwe zegge en Geelgroene zegge in het natte heidegebied. Dit maakt de heide extra soortenrijk en dus ecologisch waardevol. Vanwege het geringe doorlaatvermogen is de invloedafstand van de diepe ont- en afwateringsstelsels in het landbouwgebied ten westen van het Natura 2000-gebied (en dus ook de hoofdwaterloop ter plaatse van het westelijke uiteinde van dwarsprofiel B-B’) beperkt, namelijk maximaal 150 meter (TAUW, 2017).
Er is in het Bramerveld dus geen negatief effect hiervan op de habitattypen H4010A Vochtige heide en H3130 Zwak gebufferde vennen / de invloed reikt alleen tot in de zone van de voormalige landbouwgrond met productieve vegetatie langs de buitenrand van het Natura 2000gebied. De slootrestanten die in het Bramerveld zijn aangetroffen hebben nog wel een licht drainerende werking op het grondwater in het natuurgebied, zoals vooral is te zien ter plaatse van Tpb180 in dwarsprofiel D-D’). Tevens wordt het wegzakken van de grondwaterstand in de zomer in het Bramerveld versterkt door het relatief sterke
48
verdampingsverlies van de hier op grote schaal aanwezige productieve graslandvegetaties ter plaatse van de voormalige landbouwgronden. De verdrogende werking van de greppelrestanten en de productieve graslanden werkt in lichte mate ook door in de oude heidekernen van het Bramerveld met onder andere habitattype H4010A. De aanwezigheid van de productieve graslanden betekent eveneens dat de hoge potenties die de voormalige landbouwgronden zelf hebben voor herstel / ontwikkeling van grondwaterafhankelijke natuur (en met name vochtige heide en vochtig heischraal grasland) nu niet tot uiting komen. In paragraaf 4.4 wordt beschreven of en in welke mate de fosfaatrijkdom van de toplaag van de bodem hierbij een knelpunt is. Ter plaatse van de zuidflank van het verder zuidelijk gelegen tweede slenkje is in 2002 in een zone ten zuidoosten van peilbuis B180 de fosfaatrijke bovengrond afgegraven. Dankzij deze maatregel konden hier de potenties die ook elders in het Bramerveld op grote schaal aanwezig zijn wel tot uiting komen: onder invloed van de laterale afstroming van zwak gebufferd grondwater via de dunne zandlaag is hier inmiddels een ecologisch waardevol Veldrusschraalland tot ontwikkeling aan het komen met onder andere Geelgroene zegge, Veldrus en Gevlekte orchis.
In de slenk ten zuiden van de Bramerveldweg is ten behoeve van de realisatie van een Boomkikkerbiotoop de bovengrond (tot in de keileem- / kleiondergrond) afgegraven en in dit afgegraven gedeelte van de slenk zijn enkele dammen aangebracht: zo zijn drie kleine vennetjes ontstaan (zie dwarsprofiel B-B’). De vennen worden via de watervoerende zandlaag vanuit de hoger op de helling gelegen zones aan de noord-, zuid- en oostzijde gevoed met grondwater. Het grondwater dat vanaf het oosten toestroomt is (vanwege de hier zeer ondiepe ligging van de keileem-/kleiondergrond) matig sterk gebufferd (alkaliniteit = 3,3 meq/l). Door bijmenging met neerslagwater is het venwater zelf (met een alkaliniteit van 0,5 meq/l) zwak gebufferd. Dankzij de voeding met het gebufferd grondwater zijn in de ’s-zomers net droogvallende oeverzones van de vennen waardevolle Pilvaren-vegetaties tot ontwikkeling gekomen en ook Vlottende bies en Duizendknoopfonteinkruid groeit in de vennetjes. De vennetjes zijn daarom begrensd als habitattype H3130 Zwak gebufferde vennen. In de diepe delen groeit echter Grote lisdodde en in de directe omgeving van de vennen is een ruige Pitrusvegetatie aanwezig. Bit betekent dat de venontwikkeling niet optimaal is en ook dat een ecologisch waardevolle gradiënt in het hogere deel van de oeverzone ontbreekt.
Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemchemisch onderzoek wordt in paragraaf 4.4 toegelicht in hoeverre de voedselrijkdom van de toplaag van de voormalige landbouwgronden in het Bramerveld hierbij een rol speelt.
4.3.5 Slenk langs de Wagerinkweg (dwarsprofielen E-E’ en F-F’) Van de twee slenken tussen de Wargerinkweg en de Witte Veenweg is in het kader van het dwarsprofielen-onderzoek alleen de noordelijke slenk onderzocht. In de slenk is een aanzienlijk verhang aanwezig, waardoor (ondanks het geringe doorlaatvermogen) ook hier een duidelijke grondwaterstroming optreedt. Vanwege de aanrijking vanuit de ondiep gelegen keileem-/kleiondergrond is ook in deze slenk het grondwater gebufferd. De mate van buffering loopt hier sterk uiteen, namelijk van 0,2 tot tot 3,8 meq/l. In het bovenstroomse deel van de slenk is het grondwater met een alkaliniteit van 0,5 meq/l gelijk al zwak gebufferd. Dit resulteert in de talrijke aanwezigheid van grondwaterafhankelijke soorten als Blauwe zegge, Geelgroene zegge, Veldrus en Sphagnum fimbriatum in de natte heide ter plaatse van Tpb196 en de aanwezigheid van een kleine poel in het meest bovenstrooms gelegen deel van de slenk (nabij Tpb196). Ter plaatse van Bo184 is in de slenk een kleine laagte in de zandondergrond aanwezig. Hierin ligt het hoogveenven. De bodem van het hoogveenven bestaat uit een dunne restveenlaag met hieronder een dunne verkitte B-horizont. Het hoogveenven wordt in de
49
winter vanaf drie zijden gevoed met grondwater vanuit de watervoerende zandlaag: niet alleen vanuit het bovenstroomse deel van de slenk (zie dwarsprofiel E-E’), maar ook vanuit de dekzandruggen aan weerszijden van de slenk (zie dwarsprofiel F-F’). Het grondwater dat vanuit het bovenstroomse deel van de slenk toestroomt is met een alkaliniteit van 3,2 meq/l ter plaatse van Tpb183 matig sterk gebufferd. De hier relatief sterke buffering hangt samen met de zeer ondiepe ligging van de keileem- / kleiondergrond. De voeding met het gebufferde grondwater zorgt niet alleen voor een voorspoedige hoogveenontwikkeling, maar verklaart ook de aanwezigheid van Wateraarbei in het ven. Vanwege het ontbreken van een hydrologisch meetpunt in het hoogveenven is het waterstandsverloop ervan niet bekend. In het kader van het veldonderzoek is aan de bovenstroomse zijde van het ven dus wel Tpb183 geplaatst, maar hiermee is alleen de grondwaterstand in de zandlaag gemeten. Ter plaatse van Tpb183 was de grondwaterstand op 11-7-2017 35 cm lager dan op 16-2-2017. Gezien de aanwezigheid van de verkitte B-horizont onder het ven en getuige de aanwezigheid van de goed ontwikkelde hoogveenvegetatie in (de oeverzone van) mag verwacht worden dat het waterpeil in het ven zelf veel minder ver wegzakt en dus minder sterk fluctueert dan ter plaatse van Tpb181.
Het wegzakken van de grondwaterstand in de zomer ter plaatse van Tpb183 wordt versterkt door de aanwezigheid van bos in de zone direct ten oosten van Tpb183, vanwege het sterke verdampingsverlies van bos ten opzichte van heide. Dit effect werkt waarschijnlijk ook door in het hoogveenven: het ven zal hierdoor meer water verliezen door wegzijging naar de zandondergrond. Verder benedenstrooms is in de slenk ter plaatse van B181 nog een klein, ondiep vennetje aanwezig in de slenk. In dit vennetje is de waterstandsdynamiek veel groter, waardoor het ’s-zomers veelvuldig droogvalt. De sterkere dynamiek heeft te maken met de hier relatief grote dikte van de watervoerende zandlaag en het aanzienlijke hoogteverschil met het direct benedenstrooms gelegen slenkgedeelte, waardoor vanuit deze zone een relatief sterke grondwaterafvoer plaatsvindt. Met behulp van een dammetje wordt getracht om water hier toch zo goed mogelijk vast te houden. Aan de voet van dit dammetje ligt een slootrestant dat nog een drainerende werking heeft op het grondwater. In zijn totaliteit levert dit behalve een aanzienlijke (grond)waterstandsdynamiek ook (relatief) zure omstandigheden in het vennetje op (pH =4,6). Desondanks groeit toch Duizenknoopfonteinkruid in het vennetje. Het slootrestant ligt op de overgang naar de voormalige landbouwgrond die verder benedenstrooms in de slenk aanwezig is.
In dit benedenstroomse gedeelte is al op zeer geringe diepte matig sterk gebufferd grondwater aanwezig (alkaliniteit van 2,2 meq/l in het ondiep filter van Tpb182) en ook de grondwaterstandsdynamiek is hier zeer gering. Hoewel hier ook soorten als Veldrus, Holpijp en Kale Jonker voorkomen, wordt de vegetatie nog altijd gedomineerd door Pitrus. In paragraaf 4.4 wordt aangegeven in hoeverre de aanwezigheid van een fosfaatrijke toplaag hierbij een knelpunt vormt.
4.3.6 Natte weide en driehoekig natuurontwikkelingsgebied (A-A’ en G-G’) De Natte Weide en ook het ven in de zuidhoek van het driehoekig natuurontwikkelingsgebied liggen in de smeltwatergeul (zie dwarsprofiel A-A’ en figuur 2.3). In deze geul is de zandlaag dikker en (vooral onderin) is het zand ook grover dan elders in het projectgebied. Zodoende is het doorlaatvermogen hier veel groter dan elders in het projectgebied. Omdat de geul bovendien onder een aanzienlijk verhang ligt, vindt hierlangs in sterke mate grondwaterstroming plaats in zuidwestelijke richting.
50
Het diepere grondwater in de geul is (met een alkaliniteit van 1,6 meq/l ter plaatse van Tpb190-2) matig gebufferd en het ondiepe grondwater is (met een alkaliniteit van 0,9 meq/l) zwak gebufferd. In de winter stijgt de grondwaterstand tot aan / iets boven maaiveld en vindt over maaiveld heen oppervlakkige afvoer plaats. In de zomer zakt de grondwaterstand echter behoorlijk ver beneden maaiveld weg: op 11-7-2017 lag de grondwaterstand ter plaatse van Tpb190 op 112 cm beneden maaiveld. Uit het grondwaterstandsverloop van B29 (zie bijlage 1) is te zien dat de grondwaterstand elke zomer behoorlijk ver wegzakt. In de Natte Weide zijn bij het gezamenlijke veldbezoek met A. Jansen (op 29-3-2017) resten aangetroffen van een verkitte B-horizont, wat erop wijst dat ook hier in het verleden een hoogveenachtige situatie aanwezig was, zoals ook blijkt uit de historische kaarten van 1850 (figuur 2.2c) en 1915 (figuur 2.2d). De groene inkleuring van de drassige zones op de kaart van 1915 en de huidige aanwezigheid van het zwak gebufferde grondwater doen vermoeden dat het hier om een zwak gebufferde veenontwikkeling ging, kenmerkend voor de lagg van een intact hoogveenlandschap. Het veen is echter verdwenen en de verkitte B-laag is verstoord door uitvoering van ploegwerkzaamheden, die tot op een diepte van 35 à 40 cm zijn uitgevoerd.
Vanwege de verstoorde en fosfaatrijke toplaag is de Natte Weide grotendeels begroeid met een ruige Pitrusvegetatie. Plaatselijk (zo ook in de omgeving van Tpb190) groeit hierin dankzij de voeding met zwak gebufferd grondwater ook Veldrus. Het ver wegzakken van de grondwaterstand in de zomer wordt in de eerste plaats veroorzaakt door de aanwezigheid van de minerale bodem (gezien de lage bergingscoëfficiënt ten opzichte van een hoogveenbodem). In de tweede plaats komt dit door de sterk verminderde voeding vanuit het met bos begroeide verder bovenstrooms gelegen gebied: niet alleen de met bos begroeide hoofdgeul / hoofdslenk, maar ook de vele kleine slenkjes die vanuit het bosgebied in de hoofdslenk van de Natte Weide samenstromen. Dit is het gevolg van vanwege het hoge verdampingsverlies (via interceptie) van bos ten opzichte van heide. Verder zorgt ook het sterke verdampingsverlies van de productieve Pitrusvegetatie in het gebied zelf voor het ver wegzakken van de grondwaterstand in de zomer. Het wegzakken van de grondwaterstand in de Natte Weide wordt waarschijnlijk niet of hooguit slechts in beperkte mate versterkt door de sterk drainerende werking van het diepe ontwateringsstelsel in het landbouwgebied aan de westzijde en meer specifiek de diepe sloot langs de zuidwestzijde van het driehoekige natuurontwikkelingsgebied.
Op basis van de indicatieve berekeningen die in het kader van het ‘Hydrologisch onderzoek randzone’ (TAUW, 2017) zijn uitgevoerd volgt namelijk dat voor deze sloot een invloedafstand een waarde van circa 200 à 250 meter kan worden aangehouden geldt en ook in ecohydrologisch dwarsprofiel G-G’ is geen duidelijk effect van de sloot herkenbaar. Het water in het ven in de zuidhoek van het driehoekige natuurontwikkelingsgebied is verrijkt met fosfaat (ow8: 1,6 µmol/ ortho-P en 3,8 µmol/l totaal-P). Dit fosfaatrijke water is afkomstig uit de Natte Weide: het fosfaat dat hier in de fosfaatrijke toplaag van de voormalige landbouwgrond in oplossing gaat, belandt middels oppervlakkige afvoer eerst in de plas van de Natte Weide (waardoor dus ook het plaswater is verrijkt met fosfaat) en vervolgens in het ven. De venbodem zelf is vanwege het hier afgraven van de fosfaatrijke bovengrond wel voedselarm (totaal-P 1,9 mmol/l en Olsen-P 357 µmol/l). Dankzij de voedselarme bodem en onder invloed van een lichte voeding met zwak gebufferd grondwater is in het ven een vegetatie met onder andere Moerashertshooi en Holpijp tot ontwikkeling gekomen en kwalificeert het ven als habitattype H3130 Zwakgebufferde Vennen. Deze positieve ontwikkeling wordt echter wel bedreigt door de instroming van het fosfaatrijke water vanuit de Natte Weide.
Mogelijk vindt in combinatie hiermee ook toevoer van fosfaatrijk water plaats vanuit de Pitruszone direct rond het ven, waar de fosfaatrijke toplaag blijkbaar niet of slechts deels is afgegraven.
51
Het ecohydrologisch functioneren van het ven wordt wel negatief beïnvloed door de diepe sloot langs de buitenzijde van het Natura 2000-gebied: het ven ligt namelijk ruim binnen de invloedsafstand van de sloot van 200 à 250 meter. De sloot heeft zodoende een drainerende werking op het grondwater en als gevolg hiervan wordt de voeding van het ven met gebufferd grondwater vanuit de geul en de zandgronden aan weerszijden van het ven gereduceerd en valt het ven in de loop van de zomer versneld droog. Het droogvallen van het ven in de zomer is niet zo’n groot probleem / is zelfs wenselijk. De afvang van gebufferd grondwater vormt wel een knelpunt, omdat dit een bedreiging vormt voor de buffering van het venwater: met een alkaliniteit van 0,2 meq/l is de mate van buffering nu (gezien de positie van het ven in het hydrologische systeem) minimaal.
In het vennetje in de uiterste westhoek van het driehoekige natuurontwikkelingsgebied spelen vergelijkbare problemen: ook hier is de bodem dankzij het afgraven van de fosfaatrijke toplaag fosfaatarm waardoor waardevolle soorten als Schildereprijs, Haaksterrenmos en Moeraswalstro zich hebben gevestigd, ook hier wordt de venontwikkeling negatief beïnvloed door de instroming van fosfaatrijk water (waardoor flab in het venwater aanwezig is) en ook hier is sprake van reductie van de voeding van het ven met zwak gebufferd grondwater vanwege de sterk drainerende werking van de diepe sloot. Het iets hogerop de helling gelegen heischraal grasland en ook de vochtige heide lijken getuige de goede ontwikkeling ervan niet te lijden onder de sterk drainerende werking van de diepe sloot.
4.3.7 Het Markslag (dwarsprofielen A-A’, I-I’ en J-J’) In het hoog gelegen oostelijke deel van deelgebied Het Markslag is onder de dunne oppervlakkige dekzandlaag geen keileem / klei maar een fijnzandige grondmorene aangetroffen (zie zone vanaf Tpb200 t/m Tpb202 in dwarsprofiel A-A’). Het betreft hierbij veelal een afwisseling van zwak en sterk lemig, zeer fijn zand, met hierin ook grind en steentjes. Op basis van de diepe boringen B34F0169 en B34H0019 is echter bekend dat ook hier dieper in de bodem een dikke leem- / kleilaag aanwezig is (namelijk B34H0019 > 7,5 m en B34F0169 3,8 meter). Als gevolg zijn ook in dit relatief hoog gelegen gebied vochtige tot natte omstandigheden aanwezig. Vanuit de iets hoger gelegen delen worden de slenkjes die in het gebied aanwezig zijn lateraal gevoed met ondiep afstromend grondwater. Daarbij is vanwege de aanrijking vanuit de grondmorene het diepere grondwater matig sterk gebufferd en het ondiepe grondwater over het algemeen zwak gebufferd. In de noordelijke slenk is ter plaatse van Tpb200 ook het ondiepe grondwater zelfs matig sterk gebufferd: blijkbaar is de grondmorene hier op geringe diepte al basenrijk. In samenhang met deze omstandigheden heeft het gebied hoge potenties voor ontwikkeling van (zwak tot matig sterk) gebufferde vegetaties die typerend zijn voor de lagg.
Deze potenties komen nu echter niet tot uiting vanwege de afvang van het gebufferde grondwater door de slootrestanten die nog in de slenken aanwezig zijn en door de aanwezigheid van de fosfaatrijke toplaag in dit voormalige landbouwgebied: zodoende zijn nu in de slenken vooral soortenarme Pitrusvegetaties aanwezig. Het ven (met habitattype H3130) dat in de zuidelijke slenk ligt wordt via de dekzandlaag over de leem- / kleiondergrond heen vanaf drie zijden gevoed met lateraal toestromend grondwater (zie dwarsprofielen I-I’ en J-J’). Met name onder invloed van de voeding met het matig sterk gebufferde grondwater vanuit het bovenstroomse deel van de slenk (Tpb203: alkaliniteit = 1,1 meq/l) is ook het venwater in aanzienlijke mate gebufferd (alkaliniteit = 0,8 meq/l). Dankzij het afgraven van de fosfaatrijke bovengrond is de bodem van het ven fosfaatarm (Olsen-P = 158 µmol/l en totaal-P = 1,8 mmol/l). Dankzij de voedselarme bodem en de voeding met gebufferd grondwater is in het ven een
52
ecologische waardevolle vegetatie tot ontwikkeling gekomen, met onder meer (zeer veel) Holpijp, Pilvaren en Moerashertshooi. De toplaag van de bodem in het voedingsgebied van het ven is zeer fosfaatrijk (WV37 en WV50: totaal-P circa 27 mmol/l en Olsen-P 1900 à 2550 µmol/l) en ook fosfaatverzadigd: zodoende treedt uit- en afspoeling op van labiel gebonden P in de toplaag naar het ven, waardoor het venwater is verrijkt met fosfaat (ow13: ortho-P = 0,7 µmol/l). Deze toevoer van fosfaat vanuit de fosfaatrijke toplaag in het voedingsgebied vormt dus een bedreiging voor de venontwikkeling en de aanwezigheid van de fosfaatrijke toplaag betekent eveneens dat er geen goede gradiënt vanuit het ven naar de omgeving tot ontwikkeling kan komen.
4.3.8 Hegebeek en omgeving (dwarsprofielen A-A’ en C-C’) Vanwege de hoge afvoerpieken die de beek vanuit het Duitse achterland ontvangt is de bodem van de Hegebeek in de loop der jaren steeds verder geërodeerd en zodoende zeer diep ingesneden: ter plaatse van dwarsprofielen A-A’ en C-C’ is de beek nu 1,8 meter diep. Als gevolg van de zeer grote diepte heeft de beek een sterk drainerende werking op het grondwater. Dit leidt niet alleen tot sterk verlaagde grondwaterstanden, maar ook tot een sterke afvang van het gebufferde grondwater in het dal. Zodoende kan dit gebufferde grondwater niet in de wortelzone van de (bos)vegetatie in het dal doordringen, waardoor het habitattype H91E0C Vochtige alluviale bossen hier nu in slecht ontwikkelde vorm voorkomt. Vanwege de aanwezigheid van een zijgeul (zie figuur 2.3), met hierin een relatief dikke zandlaag (zie dwarsprofiel A-A’) waarvan het onderste deel matig grof tot zelfs zeer grof is (zie boorbeschrijvingen in bijlage 3), werkt de negatieve invloed van de Hegebeek met name ter plaatse van de enclave Jannink ver in zuidelijke richting door. De sterk drainerende werking van de Hegebeek belemmert zodoende de ontwikkeling van een ecologisch waardevolle lagg aan de noordzijde van het hoogveenrestant.
Het hoogveenrestant zelf wordt aan de noordzijde in de huidige situatie sterk negatief beïnvloed door de drainerende werking van het slotenstelsel van de enclave Jannink, maar niet door de Hegebeek, omdat vanwege de geringe dikte van de watervoerende zandlaag op basis van de berekeningen van TAUW (2017) is af te leiden dat de invloedsafstand van de diepe beek beperkt is tot circa 200 à 250 meter en de noordrand van het hoogveenrestant op circa 300 meter van de beek ligt. Omdat de Hegebeek tegen de zuidrand van de hoofdgeul in de keileem/kleiondergrond aan ligt (zie figuur 2.3), is het negatieve effect ervan in zijn algemeenheid aan de noordzijde (waar de as van de geul ligt) sterker dan aan de zuidzijde (zie dwarsprofiel CC’). Desalniettemin heeft de zeer diepe beek tot op een afstand van circa 100 meter toch een negatief effect op het gebied aan de zuidzijde en deze invloed reikt ook tot in de zone met habitattype H4010A Vochtige heide. Als gevolg hiervan is de vochtige heide in deze zone minder goed ontwikkeld dan verder van de beek af: meer kritische soorten als Blauwe zegge, Beenbreek en Moeraswolfsklauw ontbreken hier terwijl ze verder van de beek af wel voorkomen.
Ook de bosontwikkeling vormt een bedreiging voor de ontwikkeling van habitattype H4010A Vochtige heide: de oppervlakte van de heide neemt af en het resterende heidegebied wordt negatief beïnvloed door de verdrogende werking van het omringende bos, als gevolg van het relatief hoge verdampingsverlies van bos.
53
4.3.9 Buurserbeek en omgeving (dwarsprofielen A-A’ en K-K’) Het dal van de Buurserbeek is diep (het maaiveld van het dal ligt zo’n 4 meter beneden het maaiveld van de omgeving) en de Buurserbeek is diep in de dalbodem ingesneden: 1,3 meter te plaatse van dwarsprofiel K-K’ en 1,7 meter ter plaatse van dwarsprofiel A-A’. Zodoende heeft de Buurserbeek een sterk drainerende werking op het grondwater in het dal. Hierdoor zijn hier niet alleen de grondwaterstanden sterk verlaagd, maar vindt ook afvang plaats van het gebufferde grondwater, waardoor dit grondwater de wortelzone van de vegetatie niet kan bereiken. In combinatie met de overstroming met voedselrijk beekwater bij afvoerpieken is hier beekbegeleidend bos met zeer ruige ondergroei met dominantie van Grote brandnetel aanwezig. Ondanks de diepe ligging van het dal en de diepe insnijding van de beek in het dal is in het veel hoger gelegen gebied ten noorden van de beek in beide dwarsprofielen een zeer sterke opbolling van de grondwaterspiegel in de zandlaag te zien: op nog geen afstand van 100 meter bolt de grondwaterspiegel 3 à 4 meter op, niet alleen in de winter- maar ook in de zomersituatie. Dit duidt op een gering doorlaatvermogen en dus geringe dikte van de watervoerende zandlaag.
Ter plaatse van Tpb207 wordt dit op basis van de hier uitgevoerde boring ook bevestigd: hier is vanaf een diepte van 2,9 m -mv zeer stugge en dus slecht doorlatende tertiaire klei aangetroffen en aangenomen mag worden dat deze klei de bovenzijde van de praktische ondoorlatende basis vormt. Ter plaatse van Tpb208 en B116 is de keileem- / kleiondergrond niet bereikt, maar zal (gezien het sterk opbollen van de grondwater-spiegel) naar verwachting niet veel lager liggen dan de einddiepte van de boringen. Vanwege het geringe doorlaatvermogen is de invloedafstand van de Buurserbeek dus beperkt. Waarschijnlijk heeft de beek wel enige invloed op de freatische grondwaterstand in de zandlaag ter plaatse van het nabij gelegen zuidelijke heideslenkje en (vrijwel) niet op het op grotere afstand gelegen noordelijke slenkje. In het zuidelijke slenkje is echter een schijn(grond)watersysteempje aanwezig: de (grond)waterspiegel in het hier aanwezige vennetje en ook in een zone hieromheen is vanwege de aanwezigheid van een enigszins weerstandsbiedende slenk-/venbodem gedurende het winterhalfjaar (en dus ook in de GVG-situatie) een stuk hoger dan de freatische grondwaterstand (zie dwarsprofiel K-K’).
Een verlaging van de freatische grondwaterstand kan in deze situatie wel leiden tot een versterkte infiltratie vanuit het schijngrondwatersysteem, wat dus ook tot een verlaging kan leiden, maar in nog geringere mate dan de freatische grondwaterstand. In de zomer valt het schijn(grond)watersysteempje droog, dus de GLG wordt wel bepaald door de freatische grondwaterstand. Dus hierop kan de drainerende werking van de beek wel doorwerken. Voor de hier voorkomende habitattypen is echter de GVG-situatie is meest bepalend. Wel betekent het ver wegzakken van de grondwaterstand onder invloed van de sterk drainerende werking van de Buurserbeek dat meer kritische soorten van deze habitattypen hier nu niet kunnen groeien. Samenvattend heeft de diepe Buurserbeek dus een sterk negatief effect op het ecohydrologisch functioneren van het beekdal zelf (met habitattype H991E0C Alluviale bossen), waarschijnlijk een klein negatief effect op de beide heideslenkjes (met habitattypen H3160 Zure Vennen, H4010A Vochtige heide en H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen) en geen negatief effect op de rest van het Natura 2000-gebied. De diepe Buurserbeek staat hiermee de instandhouding van de basisvarianten van grondwaterafhankelijke habitattypen in de slenkjes niet in de weg.
54
4.4
Belangrijkste resultaten van het bodemchemisch onderzoek.
Algemene beeld •
•
•
De veelal 20 tot 30 cm dikke bouwvoor van de voormalige landbouwgronden is in meerdere of mindere mate verrijkt met fosfaat. De Olsen-P van de bouwvoor bedraagt gemiddeld 1700 µmol/l en de totaal P concentraties gemiddeld circa 13 mmol/l. Er is daarbij geen verschil in het bovenste en het onderste deel van de bouwvoor. Met uitzondering van de enclave Jannink en het hoog gelegen deel van het zuidelijke deel van Het Markslag zijn de Olsen-P en totaal P concentraties direct onder de bouwvoor over het algemeen fors lager dan in de bouwvoor. Door middel van het afgraven van de bouwvoor (en eventueel in combinatie met een beperkt aanvullend verschralingsbeheer) kunnen (met uitzondering van de genoemde gebieden) overal de benodigde fosfaat gelimiteerde omstandigheden worden gecreëerd voor de ontwikkeling van soortenrijke, schrale vegetatietypen. Er zijn in dit gebied met name hoge potenties voor ontwikkeling van heide, heischraal grasland, (plaatselijk) veldrussschraalland / blauwgrasland en (eveneens plaatselijk) zwak gebufferde vennen. Dit betekent overigens nog niet automatisch dat afgraving van de bouwvoor ook daadwerkelijk op alle plekken met hoge potenties wenselijk is.
Dit is namelijk ook afhankelijk van de inpasbaarheid in het hydrologische systeem en verdere overwegingen ten aanzien van de inrichting en het beheer van het natuurgebied (zie paragraaf 5.3: herstelmogelijkheden).
Enclave Jannink • • •
Alleen het oostelijke deel van de enclave is bemonsterd. Voor het westelijke deel kon geen toestemming worden verkregen voor de bemonstering. De bouwvoor is hier zeer fosfaatrijk en er heeft hier ook een aanzienlijke sterke uitspoeling van fosfaat plaatsgevonden naar de zandbodem onder de bouwvoor, vooral naar de bodemlaag 0-10 cm onder de bouwvoor. Uitsluitend afgraving van de fosfaatrijke toplaag voor de ontwikkeling van de lagg is hier niet goed in het systeem inpasbaar, omdat het gebied moet gaan functioneren als een hydrologische buffer voor het hoogveenrestant. Temeer omdat het betreffende gebied enkele decennia geleden is afgegraven is afgraving van de fosfaatrijke toplaag in combinatie met ophoging met schraal zand wel een interessante optie.
Bramerveld •
•
De bouwvoor van het Bramerveld is over het algemeen licht verrijkt met fosfaat. Toch is zelfs hier wel een periode van vaak 20 à 80 jaar en soms 100 jaar nodig om middels een beheer van maaien en afvoeren een voldoende mate van verschraling te bereiken voor herstel / ontwikkeling van heischrale graslanden en heide. En vervolgens moet voor een goede vegetatieontwikkeling dan ook de zode nog worden verwijderd. Door middel van afgraving van de fosfaatrijke bouwvoor van hier veelal slechts 15 à 20 cm (al dan niet in combinatie met een beperkt aanvullend verschralingsbeheer) kunnen wel op korte termijn fosfaat gelimiteerde omstandigheden worden gecreëerd voor de ontwikkeling van soortenrijke, schrale vegetatietypen. In het Bramerveld liggen vooral kansen voor ontwikkeling van heide en heischraal grasland en soms (lager op de helling) ook blauwgrasland.
55
Slenken langs de Wargerinkweg • • •
De 15 tot 35 cm dikke bouwvoor van de voormalige landbouwgronden in de slenken langs de Wargerinkweg is behoorlijk sterk verrijkt met fosfaat. Bij het afgraven van de bouwvoor (en al dan niet in combinatie met een beperkt aanvullend verschralingsbeheer) kan de bodem op effectieve wijze verschraald worden. Vooral in de wat sterker gebufferde noordelijke slenk liggen mogelijkheden voor ontwikkeling van blauwgrasland. De zuidelijke slenk heeft potenties voor ontwikkeling van heischraal grasland. De voedselrijke plas in het afgedamde westelijke deel kan bij verwijdering van de bouwvoor (en handhaving van het huidige afvoerniveau) worden omgevormd tot een zwak gebufferd ven.
Natte Weide •
•
•
In de Natte Weide is op twee van de vijf bemonsterde plekken tot op een diepte van 50 à 55 cm een verstoorde toplaag aangetroffen. Op deze plekken is niet alleen de bouwvoor maar ook de geroerde laag hieronder (licht) verrijkt met fosfaat. Op de overige drie plekken is alleen de bouwvoor van 20 à 30 cm fosfaatrijk. Bij het afgraven van de bouwvoor en (daar waar aanwezig) de geroerde laag onder de bouwvoor kan in combinatie met de handhaving van het huidige afvoerniveau van het gebied een omvangrijk zwak gebufferd ven tot ontwikkeling worden gebracht. Omdat het hierbij gaat om een grote oppervlakte en omdat de Natte Weide een belangrijke hydrologische buffer vormt voor het slenken- en laagtenstelsel ten noorden en oosten ervan is grootschalige afgraving van de bovengrond echter niet gemakkelijk in het systeem inpasbaar (zie voor verdere overwegingen: paragraaf 6.3.4).
Markslag en omgeving •
•
•
In het noordelijke deel van Het Markslag is alleen de bouwvoor van doorgaans 20 à 30 cm fosfaatrijk, en zijn gelijk hieronder fosfaatarme omstandigheden aanwezig. In dit gebied liggen zowel mogelijkheden voor ontwikkeling van heischraal grasland als voor blauwgrasland. In het zuidelijke deel van Het Markslag is de bodem ter plaatse van de hoog gelegen gronden tot op grote diepte fosfaatrijk. Zodoende liggen hier geen kansen voor ontwikkeling van voedselarme natuur. In het lage deel, op de overgang naar het zwak gebufferde ven, is echter alleen de bouwvoor fosfaatrijk, en de laag hieronder (matig) fosfaatarm. Hier liggen bij het afgraven van de bouwvoor en het uitvoeren van een beperkt verschralingsbeheer mogelijkheden voor ontwikkeling van blauwgrasland. Ter plaatse van het grasland rond het oude basisbiotoop voor de Boomkikker is de 25 à 30 cm dikke bouwvoor op twee van de drie bemonsterde plekken fosfaatrijk en op één plek is de toplaag van de bodem fosfaatarm. Op de plekken met fosfaatrijke bouwvoor zijn onder de bouwvoor gelijk (matig) fosfaatarme omstandigheden aanwezig.
56
Ecohydrologisch dwarsprofiel A-A' (eerste deel) Hoogveengebied
Enclave Jannink
Hegebeek 42
ow17 EGV=43 pH=5,2 Alk=0,3 Tpb145
41
B133 & S1
B138AB &S2
Bo138
ow2 EGV=42 pH=4,4 Alk=0,1
Hoogte (mNAP)
39
ow1 EGV=453 pH=7,1 Alk=2,0 EGV=326 pH=5,4 Alk=0,3
B140AB & S3
B139AB
EGV=167 pH=6,3 Alk=1,3
B141ABC
ow4 EGV=39 pH=4,5 Alk=0,1
Tpb140
Tpb213
B142
B135
EGV=51 pH=5,5 Alk=0,4
EGV=51 pH=5,5 Alk=0,4
EGV=27 pH=4,6 Alk=0,2
41 EGV=67 pH=4,6 Alk=0,1
40
EGV=81 pH=5,5 Alk=0,7
39
EGV=177 pH=6,5 Alk=1,8
38
42
Tpb144
EGV=84 pH=5,9 Alk=0,8
EGV=97 pH=6,0 Alk=0,8
Tpb146
40
Bosgebied
38
EGV=441 pH=7,0 Alk=4,1
37
37
36 200
100
300
400
500
600
700
800
900
1000
1100
1200
36 1400
1300
Afstand (m)
Ecohydrologisch dwarsprofiel A-A' (tweede deel)
Graslanden ten noordoosten van 't Markslag
Natte weide 41
B34F0169
B34H0019
Tpb201
B116
Tpb190
40
EGV=477 pH=6,6 Alk=2,9
EGV=129 pH=5,9 Alk=0,9
EGV=120 pH=5,8 Alk=0,9
40
EGV=262 pH=5,1 Alk=0,3
EGV=134 pH=6,0 Alk=0,9
Tpb212
EGV=98 pH=6,0 Alk=0,5
EGV=474 pH=6,4 Alk=3,1
EGV=355 pH=6,4 Alk=2,1
EGV=150 pH=5,9 Alk=1,6
38
Hoogte (mNAP)
41
Tpb202 Tpb200 Tpb199
Tpb198
39
Buurserbeek
39
38
37
EGV=274 pH=6,0 Alk=?
37
36
EGV=138 pH=5,4 Alk=0,3
36 EGV=119 pH=4,3 Alk=0,1
35
35 ow14 EGV=499 pH=7,5 Tpb210 Alk=2,9
34
34
EGV=671 pH=4,6 Alk=0,1
33
32
33
32
EGV=406 pH=6,2 Alk=0,9
1500
1600
1700
1800
1900
2000
Afstand (m)
Figuur 4.1a Ecohydrologisch dwarsprofiel A-A' (voor legenda: zie figuur 4.1d)
2100
2200
2300
2400
2500
2600
2700
Ecohydrologisch dwarsprofiel B-B' Bramerveld
Bramerveld
Bramerveld
Hoogveengebied B19
B21
42
Duits natuurontwikkelingsgebied B22
B140A/B
B118B/A
Tpb159 / B34F0170 Bo158 Tpb155
41
Tpb58
40 EGV=51 pH=5,0 Alk=0,3
Hoogte (mNAP)
39
EGV=58 pH=5,6 Alk=0,4
EGV=28 pH=4,9 Alk=0,2 EGV=45 pH=5,3 Alk=0,1
EGV=106 pH=6,1 Alk=0,8
41
Bo156
EGV=84 pH=5,9 Alk=0,8
EGV=79 pH=5,3 Alk=0,3
EGV=148 pH=6,1 Alk=0,6
40
EGV=122 pH=5,5 Alk=0,5
EGV=277 pH=6,6 Alk=2,6
39
Tpb161
38
37
38
EGV=414 pH=6,8 Alk=3,3
ow5 EGV=70 pH=6,4 Alk=0,5
37
Bo162 Bo165
36
36
Tpb164 B34F1730 EGV=126 pH=6,0 Alk=0,4
35
35
EGV=136 pH=6,2 Alk=1,2
34
200
100
34
300
400
600
500
700
800
1100
1000
900
1200
1300
1400
1500
1600
Afstand (m)
Ecohydrologisch dwarsprofiel D-D'
Ecohydrologisch dwarsprofiel C-C' Hegebeek 39
B6
B5
Bramerveld
Bramerveld
39
B180
36
35
Tpb172
Tpb174
Tp173
38
37
EGV=396 EGV=205 pH=4,3 pH=6,3 Alk=0,0 Alk=2,6
37
36
EGV=85 pH=5,6 Alk=0,5
Tpb179
Tpb180
EGV=109 pH=5,9 Alk=0,6
EGV=130 pH=5,6 Alk=0,3
EGV=126 pH=6,0 Alk=0,4
35
EGV=118 pH=6,3 Alk=1,0
EGV=331 pH=5,0 Alk=0,3
EGV=100 pH=5,7 Alk=0,5
Tpb164
36
EGV=207 EGV=217 pH=4,7 pH=6,1 Alk=0,1 Alk=1,4
38
Tpb178
Tpb176
Hoogte (mNAP)
Hoogte (mNAP)
37
Tpb171
39
39
Tp175
38 38
Tpb181
36 EGV=113 pH=6,1 Alk=0,7
35 EGV=136 pH=6,2 Alk=1,2
35
34
34
100
200
300
400
500
Afstand (m)
Figuur 4.1b Ecohydrologische dwarsprofielen B-B', C-C'en D-D' (voor legenda: zie figuur 4.1d)
37
100
200
300
400
Afstand (m)
500
600
700
800
Ecohydrologisch dwarsprofiel F-F'
Ecohydrologisch dwarsprofiel E-E' Slenk langs Wagerinkweg
Slenk langs Wagerinkweg
42 Hoogveenven
B119
42 Tpb197
Tpb196
Hoogte (mNAP)
40
39
Bo195 Bo184 Tpb183
ow6 EGV=54 pH=4,6 Alk=0,1 B181
EGV=302 pH=6,2 Alk=3,2
ow7 EGV=74 pH=5,7 Tpb182 Alk=0,5
EGV=78 pH=5,7 Alk=0,5
41
40
40
39
EGV=207 pH=6,2 Alk=2,2
38
41
EGV=66 pH=5,6 Alk=0,5
Hoogte (mNAP)
41
EGV=74 pH=4,9 Alk=0,2
EGV=361 pH=6,7 Alk=3,8
38
37
37
200
100
300
400
41
Tpb183 EGV=83 pH=4,6 Alk=0,2
EGV=302 pH=6,2 Alk=3,2
EGV=32 pH=4,7 Alk=0,1
40
39
39
38
38
37
37
500
200
100
Afstand (m)
Afstand (m)
Ecohydrologisch dwarsprofiel G-G' 271104
Driehoekig natuurontwikkelingsgebied
Zuidelijke grensven
Bosgebied tussen natte weide en grensvennen
Natte Weide
Natte Weide
41
ow11
Tpb186
Tp187
L137 EGV=38 Tpb188
B34F1520
pH=5,3 Bo152 Alk=0,2
41
B34F0169 B25 B34F1514
40 ow8 EGV=77 pH=5,4 Alk=0,2
Hoogte (mNAP)
39
Bo166
B29 B34F1518
ow9 EGV=76 pH=5,4 Alk=0,2
Tpb190 Bo167 B34F1515
Tpb192
40 EGV=157 pH=5,0 Alk=0,2
EGV=120 pH=5,8 Alk=0,9
B34F1667
38
EGV=59 pH=4,7 Alk=0,2
B34F1517
EGV=65 pH=5,4 Alk=1,1
38
EGV=150 pH=5,9 Alk=1,6
EGV=109 pH=5,9 Alk=0,7 EGV=110 pH=5,8 Alk=0,7
37
39
37
36
36
35
35
100
200
300
400
600
500
Afstand (m)
Figuur 4.1c Ecohydrologische dwarsprofielen E-E', F-F' en G-G' (voor legenda: zie figuur 4.1d)
700
800
900
1000
1100
1200
1300
Ecohydrologisch dwarsprofiel H-H' Zuidelijke grensven
Noordelijke grensven B136 & L136
42
Bo148
Hoogte (mNAP)
41
40
EGV=65 pH=4,4 Alk=0,1
Bo149
Bo150 Bo152
ow11 EGV=38 pH=5,3 Alk=0,2
(Grond)waterspiegel in veenpakket: = (grond)waterspiegel op 16-2-2017
= veen (slap / secundair)
Tpb189
= (grond)waterspiegel op 11-7-2017
Bo153
= veen (vast / restveen)
41
= gyttja / verkitte B-horizont (& gliede)
EGV=52 pH=5,0 Alk=0,3
EGV=56 pH=5,0 Alk=0,4
= open water (situatie 16-2-2017)
42
L137 ow10 EGV=41 pH=5,2 Alk=0,1
Tpb147
Legenda
(Grond)waterspiegel in oppervlakkige / ondiepe zandlaag: = (grond)waterspiegel op 16-2-2017
= leemarm / zwak lemig zand
40 EGV=279 pH=5,8 Alk=0,5
= (grond)waterspiegel op 11-7-2017
= (sterk) lemig zand
(Grond)waterspiegel in diepere zandlaag (alleen bij B141C):
= (kei)leem / klei
39
39
38
38
= (grond)waterspiegel op 16-2-2017
Bo16
Tpb2
B133 = (grond)waterspiegel op 11-7-2017
= boorpunt /
= maaiveld voor afgraving
tijdelijke peilbuis / permanente peilbuis
37
37
200
100
300
400
500
600
700
EGV=133 = Elektrisch Geleidings Vermogen (µS/cm)
Bell Hullenaar
pH=5,9
= zuurgraad (-)
Alk=0,6
= alkaliniteit (meq/l)
Ecohydrologisch Adviesbureau
800
Afstand (m)
40
Ecohydrologisch dwarsprofiel J-J'
Ecohydrologisch dwarsprofiel I-I'
41
Tpb202
Buurserbeek
Het Markslag
Het Markslag
Landbouwgebied
Ecohydrologisch dwarsprofiel K-K'
41
40
38
40
40 Tpb204
ow13 EGV=154 pH=6,5 Alk=0,8
37
Tpb206
Bo170
Tpb203 EGV=171 pH=6,2 Alk=1,1
36 EGV=150 pH=6,1 Alk=?
35
38
EGV=185 pH=6,2 Alk=1,6
37
EGV=181 pH=6,3 Alk=0,9
36
34
200
300
400
Afstand (m)
Figuur 4.1d Ecohydrologische dwarsprofielen H-H', I-I', J-J' en K-K'
EGV=135 pH=4,7 Alk=0,2
EGV=171 pH=6,2 Alk=1,1
36
500
600
38
37
Tpb203
36
EGV=150 pH=6,1 Alk=?
EGV=183 pH=6,2 Alk=1,9
100
Tpb205
38
37
37
39
39
Hoogte (mNAP)
Hoogte (mNAP)
Tpb225
38
39
Hoogte (mNAP)
EGV=98 pH=6,0 Alk=0,5
39
38 Tpb207
Tpb208
35
36 EGV=161 pH=4,5 Alk=0,1
EGV=133 pH=5,9 Alk=0,6
Tpb209
34
35
33
34
34
34
32
200
35
34
EGV=169 pH=5,2 Alk=0,2
35
Afstand (m)
EGV=25 pH=5,1 Alk=0,1
36
35
100
37 EGV=76 pH=4,7 Alk=0,1
EGV=697 pH=6,2 Alk=1,9
EGV=516 pH=6,7 Alk=5,6
100
Afstand (m)
200
300
33
32
5
Synthese, conclusies en herstelmogelijkheden
5.1
Ontstaansgeschiedenis, verval en eerste herstel
Ontstaansgeschiedenis •
•
•
•
•
•
Het grensoverschrijdende natuurgebied Witte Veen / Witte Venn ligt op het OostNederlandse Plateau, een rijzingsgebied. Oude, tertiaire klei ligt hierdoor dicht onder het aardoppervlak. In het Saalien is de kleiondergrond door het landijs gemodelleerd en is een stugge, sterk kleiige keileem als grondmorene achtergebleven. Door smeltwater van het landijs zijn in de keileem dalen uitgesleten. In het Weichselien werd op de keileem en in de smeltwaterdalen een dun pakket fluvioperiglaciale zanden en dekzanden afgezet (Formatie van Boxtel). Plaatselijk is dit zand weer door de wind verstoven of door sneeuwsmeltwater weggespoeld waardoor een fijnmazige afwisseling van laagten / slenken en ruggen is ontstaan. Ter plaatse van het Natura 2000-gebied Witte Veen is het keileem- en kleipakket 4 tot 17 dik en dit pakket vormt zodoende de (praktisch) ondoorlatende basis van het hydrologische systeem. In de keileem en op de overgang naar de klei kunnen zich hierin wel zandnesten bevinden, maar deze zijn van ondergeschikt belang in het functioneren van het systeem. Buiten de smeltwatergeulen ligt de hydrologische basis zeer dicht (veelal 1 à 2 meter) nabij maaiveld en in de geulen ligt de basis nog steeds niet heel diep (3 à 4 meter). De hierboven gelegen dunne zandlaag vormt het enige en zeer dunne watervoerende pakket.
Vooral in het grensoverschrijdende laagten- en slenkenstelsel van het relatief hoog en vlak gelegen oostelijke deel van het grensoverschrijdende natuurgebied trad in het Holoceen veenvorming op. Gezien de aanwezigheid van een gyttja (ofwel meerbodemafzetting) is de veenvorming in de laagste delen als verlandingsveen in open water begonnen. Na een fase met bosveen trad eerst (getuige de aanwezigheid van resten van Riet en Veenbloembies) onder invloed van toestromend grondwater nog veenvorming op onder zwak gebufferde omstandigheden voordat de veenmossen de veengroei gingen domineren. De voortgaande uitbreiding van veenmossen zorgde voor vernatting van de hogere omgevingen vervolgens voor de geleidelijke vorming van slecht doorlatende lagen (verkitte B-horizont, al dan niet met gliede) in de daar aanwezige podzolbodems. Zo kwam in het grensgebied een uitgestrekt hoogveengebied tot ontwikkeling en dit vormde bovendien één geheel met het verder noordelijk gelegen WeussinkBroekheurneveen (zie figuur 2.2a). De Hegebeek ontsprong in het hoogveengebied, op de naden van de veenkoepels van het Witte Veen / Witte Venn in het zuiden en het Weussink-Broekheurneveen in het noorden.
Het hoogveencomplex van het Witte Veen / Witte Venn omvatte niet alleen het huidige hoogveenrestant, maar liep in zuidelijke richting door tot in de Natte Weide en het oude basisbiotoop van de Boomkikker in het zuiden en omvatte dus ook de huidige Grensvennen en het bosgebied ten zuiden van het hoogveenrestant. Aan de Duitse zijde was de omvang van het hoogveen nog groter dan aan de Nederlandse zijde. Hoewel het landschap aan het begin van de 20e eeuw zeker niet ongeschonden meer was (er was vanwege de aanleg van greppels / sloten al sprake van verdroging), geeft de topografische kaart van 1915 (zie figuur 2.2d) hiervan een beeld. Hoewel minder extreem dan in het vlak gelegen oostelijke deel, waren ook in het sterker hellende westelijke deel van het Natura 2000-gebied vochtige omstandigheden aanwezig: hier was in de 19e eeuw / tot in het begin van de 20e eeuw een uitgestrekt vochtig heidegebied met hierin natte slenken en kleine
57
venige laagten aanwezig (zie figuren 2.2b en 2.2d). Vanwege de helling en de aanrijking vanuit de ondiep gelegen keileem-/kleiondergrond werden veel plekken in dit landschap in relatief sterke mate gevoed met zwak gebufferd grondwater, waardoor ook hier natuurtypen aanwezig waren die kenmerkend zijn voor de lagg en er dus een gevarieerde randzone van het hoogveen aanwezig was.
Verval •
•
•
•
Door vervening en ontginning is niet alleen het hoogveen maar ook de randzone van het hoogveen grotendeels verdwenen. De meeste gronden werden ontgonnen tot landbouwgebied en ten zuiden van het Nederlandse hoogveenrestant werd bos aangeplant. Van het oorspronkelijke hoogveen bleven zowel aan de Nederlandse als aan de Duitse zijde van de grens alleen restanten gespaard: in het Nederlandse deel een netwerk van dijkjes met hoogveenputjes en in het Duitse deel de beide Grensvennen met ten oosten van het Noordelijke Grensven een kleine venige laagte (in de natte heide). In combinatie hiermee bleven alleen enkele kleine delen van de oorspronkelijke randzone van het hoogveen bewaard: een paar heideveldjes in het Bramerveld en het bovenstroomse deel van de slenk langs de Wargerinkweg. Onder invloed van hoge afvoerpieken vanuit het ontgonnen Duitse achterland sneedt de Hegebeek zich steeds dieper in, waardoor de beek een veel sterkere drainerende werking op het grondwater kreeg. Dit leidde met name tot sterke verdroging van het dal zelf en dus het verdwijnen van de waardevolle lagg die hier aanwezig was. Vanwege de zeer geringe dikte van de watervoerende zandlaag dringt het verdrogende effect van de diepe beek echter niet ver in de hogere gronden buiten het dal door (voor nadere specificatie: zie paragraaf 5.2, onder subparagraaf ‘Hegebeek en omgeving’).
Ook de Buurserbeek kreeg vanwege verdieping van de beekloop een sterk drainerende werking op het grondwater, maar dat had vanwege de positie van het beek in het landschap als geheel vooral nadelige gevolgen voor de grondwaterafhankelijke natuur in het beekdal zelf en (vrijwel) niet voor het hoogveenlandschap van het Witte Veen / Witte Venn.
Eerste herstel •
•
• •
De 90 ha van het hoogveenlandschap die van ontginning gespaard blijft, wordt in 1981 door Natuurmonumenten verworven. Vooral begin jaren negentig wordt het natuurgebied door verwerving van landbouwgronden flink uitgebreid. Met name middels afdamming en soms middels demping van sloten worden de gronden vernat en hiermee wordt een hydrologische buffer rond de hoogveen- en heiderestanten gerealiseerd. Ook worden in de randzone poelen gegraven en enkele slenken afgedamd, waardoor plassen ontstaan. In 2000 wordt op de noordgrens van het hoogveenrestant een leemkade aangelegd, maar deze maatregel was niet afdoende voor een effectieve waterconservering in het enigszins hellende hoogveenrestant. Sinds de compartimentering van het hoogveenrestant in 2007 met behulp van twee veendijken met in de kernen houten damwanden vindt wel een effectieve waterconservering plaats. Door Kreis Borken wordt een akker verworven die direct aan het hoogveenrestant grenst. Door het hier verwijderen van de buisdrainage wordt het waterverlies van het hoogveenrestant in oostelijke richting gereduceerd. In 1993 wordt in het driehoekige perceel ten westen van de Natte Weide de fosfaatrijke bovengrond afgegraven, waardoor hier heide, vochtig heischraal grasland en enkele zwak gebufferde vennen tot ontwikkeling kunnen komen.
58
• •
5.2
In sommige slenken is voor de realisatie van Boomkikkerbiotopen lokaal de fosfaatrijke toplaag afgegraven, waardoor ook hier zwak gebufferde vennen tot ontwikkeling zijn gekomen. In 2002 is in het zuiden van het Bramerveld in een zone ter plaatse van de flank van een slenk de fosfaatrijke bovengrond afgegraven. Hier is onder invloed van de laterale afstroming van zwak gebufferd grondwater via de dunne zandlaag een ecologisch waardevol Veldrusschraalland tot ontwikkeling aan het komen.
Huidig ecohydrologisch functioneren en knelpunten
Huidig ecohydrologisch functioneren en knelpunten van het hoogveenrestant •
• •
•
•
•
Het hoogveenrestant bestaat uit een restveenlaagje en veenputten waarin secundaire veenvorming plaatsvindt (zie figuur 4.1a, dwarsprofielen A-A’ en BB’). Aan de basis van het veen is in het centrale deel een 5 tot 15 cm dikke, kleiige gyttja aanwezig en langs de randen een verkitte B-horizont al dan niet met gliede. Onder het hoogveenrestant ligt een dunne zandlaag (van veelal circa 0,5 meter) en het hoogveenrestant wordt aan drie zijden begrensd door dekzandruggen. De ondergrond bestaat uit een meters dikke keileem- / kleilaag met hierin soms zandnesten. Dankzij de aanwezigheid van de dikke keileem- / kleilaag verliest het hoogveenrestant praktisch geen water door wegzijging naar de diepere ondergrond. Het hoogveenrestant verliest nog wel water via de zandlaag: met name vanwege de sterk drainerende werking van de diepe sloten in de enclave Jannink is de stijghoogte in de watervoerende zandlaag in het noordelijke deel van het hoogveenrestant verlaagd, waardoor hier (ondanks de aanwezigheid van de weerstandsbiedende gyttja / verkitte B-horizont aan de veenbasis) een versterkte wegzijging optreedt van water vanuit het veenpakket naar de zandondergrond. Dankzij de verwijdering van de buisdrainage bij de omvorming van de voorheen aanwezige akker ter plaatse van het Duitse natuurontwikkelingsgebied is het waterverlies via de zandlaag in oostelijke richting gereduceerd.
In de dekzandrug ten oosten van het hoogveenrestant kan vanwege het fors afgraven van de bovengrond en het uitgraven van diverse slenken in het natuurontwikkelingsgebied echter nog altijd geen goede opbolling van de grondwaterspiegel plaatsvinden. Bovendien verliest het hoogveenrestant in de zomer water naar de aangrenzende dekzandruggen. Dit waterverlies heeft tot op zekere hoogte te maken met de geringere bergingscoëfficiënt van een zandbodem ten opzichte van de veenputten, waardoor in de zandbodem de grondwaterstand onder invloed van een verdampingsoverschot veel sneller wegzakt dan in het veengebied. De geringe omvang maakt het hoogveenrestant kwetsbaar voor dergelijke verliezen. Het wegzakken van de grondwaterstand wordt ook versterkt door de aanwezigheid van bos op de dekzandgronden, en met name het omvangrijke bos aan de zuidzijde: door het relatief hoge verdampingsverlies (via interceptie) van bos ten opzichte van heide zakt de grondwaterstand in de zomer extra ver weg en is dus ook het verlies vanuit het hoogveenrestant extra groot. Wel wordt nu dankzij de compartimentering van het hoogveenrestant met behulp van de veendijken met (in de kernen) houten damwanden zowel de oppervlakkige afvoer als de laterale afvoer via de veenputten / doorlatende veendijkjes vanuit het enigszins hellende hoogveenrestant op effectieve wijze tegengegaan.
Hierdoor is niet alleen de (grond)waterstand met circa 35 cm gestegen, maar is ook een aanzienlijke demping van de (grond)waterstandsdynamiek gerealiseerd: het verschil tussen de GHG en GLG is afgenomen van
59
•
•
•
•
30 à 35 cm naar 20 à 25 cm. Met deze verschillen tussen de GHG en GLG wordt voldaan aan een belangrijke randvoorwaarde voor hoogveenontwikkeling: hiervoor geldt een verschil van maximaal 30 cm tussen de GHG en GLG voor intacte hoogvenen en van 20 à 25 cm voor herstellende hoogvenen. Dit neemt niet weg dat met een nog geringer fluctuatiebereik de condities voor hoogveenherstel nog beter worden en zo dus ook een betere verlichting van het negatieve effect van de hoge stikstofdepositie kan worden gerealiseerd. Met een nog geringer fluctuatiebereik kunnen de meer kritische bultenvormende veenmossen zich namelijk veel beter vestigen en over grote oppervlakten uitbreiden, waardoor herstel op kan treden van het voor habitattype H7110 Actieve hoogvenen kenmerkende hoogveenbulten- en slenkenpatroon met alle bijbehorende soorten. Dankzij de aanrijking vanuit de ondiep gelegen keileem- / kleiondergrond is het grondwater onderin de veenputten zwak gebufferd, waardoor de afbraaksnelheid van het veen extra groot is en er veel methaan / kooldioxide vrijkomt, wat de omstandigheden voor hoogveengroei extra gunstig maakt. De vier extra overlopen in de zuidelijke veendijk met houten damwand maken de constructie kwetsbaar: doordat de houten damwanden hier niet zijn afgedekt met veenplaggen rotten ze vanaf de bovenzijde sneller weg.