EDOP-#6082719-v1-Provinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte Veen Bijlagen bij de toelichting
Tekst van het document
Hierdoor zijn op sommige plekken nu al kieren aanwezig waarlangs water beneden het beoogde stuwpeil weglekt. Dit gebeurt nu nog slechts in lichte mate, maar zal zonder het doorvoeren van aanpassingen in de loop der tijd vanwege het voortschrijdende rottingsproces toenemen. Bovendien belemmeren de vaste overlopen een eventuele verdere peilverhoging in het compartiment. Daarbij hebben de overlopen in feite ook geen duidelijke functie, aangezien het water zich vanwege de aanwezigheid van het puttencomplex en de gecreëerde plagstrook aan de benedenstroomse zijde van de veendijk met damwand goed kan verspreiden over het benedenstroomse compartiment. Er kan dus ook bij het zuidelijke compartiment volstaan worden met één afvoerstuw: de vier extra overlaten zijn overbodig. Vanwege de zeer hoge (grond)waterstanden, het gedempte (grond)waterstandsverloop en de zwak gebufferde omstandigheden onderin de veenputten verloopt het hoogveenherstel al behoorlijk goed: het voorheen in het zuidelijke deel aanwezige Berkenbroekbos is grotendeels afgestorven, er is een sterke toename van Eenarig wollegras ten koste van Pijpenstrootje en de groei van veenmossen is weer goed op gang gekomen. Meer kritische hoogveensoorten, en met name bultenvormende hoogveenmossen, zijn echter nog maar in zeer beperkte mate aanwezig.
Om de kwaliteit van het habitattype H7120 Herstellend hoogvenen te verbeteren en te laten ontwikkelen in de richting van H7110 Actieve hoogvenen dienen in de eerste plaats de hierboven genoemde knelpunten te worden aangepakt, zodat de waterstandsdynamiek verder wordt gedempt tot het natuurlijke niveau van dit systeem en zodoende ondanks het negatieve effect van de hoge stikstofdepositie een goede vestiging en uitbreiding van kritische hoogveenmossen gerealiseerd kan worden. Om het restant minder kwetsbaar te maken voor verdrogende invloeden van buitenaf dient, middels aanpak van knelpunten in de overige delen van het oorspronkelijke hoogveengebied, ook uitbreiding van het hoogveengebied plaats te vinden.
60
Huidig ecohydrologisch functioneren en knelpunten van de overige delen van het oorspronkelijke hoogveengebied (bosgebied ten zuiden van het hoogveenrestant, Grensvennen en omgeving) •
•
•
•
•
De aanwezigheid van het bos ten zuiden van het hoogveenrestant zorgt vanwege het grote verdampingsverlies (via interceptie) voor een sterke vermindering van de grondwateraanvulling in het betreffende gebied. Uit indicatieve berekening (zie tabel 4.2) volgt dat hierdoor de grondwateraanvulling in de huidige situatie met bos in het totale groeiseizoen circa 140 mm geringer is dan in een situatie met heide. Uitgaande van een bergingscoëfficiënt µ = 0,15 voor de hier aanwezige zandbodem zou dit een verschil in grondwaterstand van ruim 90 cm betekenen, waarmee de grondwaterstand ook in de zomer direct aan maaiveld zou komen te liggen, wat onwaarschijnlijk is. Verwacht mag namelijk worden dat ook bij aanwezigheid van een heideachtige begroeiing onder invloed van het verdampingsoverschot de grondwaterstand in de zomer minimaal enkele decimeters beneden maaiveld weg zal blijven zakken. Ook zal een deel van de extra aanvulling via de zandlaag lateraal afstromen naar het gebied benedenstrooms van het bos, ofwel de Natte Weide (maar dit is uiteraard ook winst). In de praktijk mag een situatie verwacht worden zoals nu aanwezig in de vergelijkbare noordelijke slenk langs de Wargerinkweg, dus met in de slenken veenontwikkeling en op de flanken van de slenken ontwikkeling van natte heide.
Dus op grond van de oriënterende berekening / beschouwing volgt wel dat de bijdrage van het hoge verdampingsverlies (middels interceptie) van het bos aan het wegzakken van de grondwaterstand substantieel is. De aanwezigheid van het bos leidt bovendien tot een versterkte invang van verzurende depositie vanuit de lucht. In combinatie hiermee hebben ook de nog aanwezige greppelrestanten (en met name de intensieve greppelstelsels in sommige delen van het bosgebied) een negatieve invloed: hierdoor wordt met name de opbolling van de grondwaterspiegel in dekzandruggetjes de GHG-situatie negatief beïnvloed, waardoor de geleidelijke voeding van de laagten / slenken is verminderd. De aanwezigheid van het bos en de greppels vormen niet alleen een grote belemmering voor herstel van hoogveenslenkvegetaties in de slenken en laagten van het deelgebied zelf, maar veroorzaken vanwege de ver wegzakkende grondwaterstanden in de zomer in het gebied als geheel ook verdroging van het hoogveenrestant, de beide Grensvennen en de Natte Weide. De aanwezigheid van het bos en de greppels staan dus zowel de verbetering van de kwaliteit als de uitbreiding van habitattype H7120 Herstellende hoogvenen in de weg. Beide Grensvennen worden vanuit de zandlaag in lichte mate gevoed met zwak gebufferd grondwater. Het Zuidelijke Grensven ligt in het bovenstroomse uiteinde van een smeltwatergeul (zie figuur 2.3).
In deze geul is de zandlaag dikker en ook grover dan elders in het projectgebied, en zodoende is het doorlaatvermogen hier veel groter dan elders in het projectgebied. Omdat de geul bovendien onder een aanzienlijk verhang ligt, vindt via de geul in sterke mate grondwaterstroming plaats in zuidwestelijke richting. Hierdoor en vanwege het wegvallen van de voeding uit het hoog gelegen gebied aan de (zuid)oostzijde zakt de grondwaterstand in de zandondergrond van het Zuidelijke Grensven in de zomer behoorlijk ver weg. Dit wegzakken wordt bevorderd door de aanwezigheid van veel bos rond het Zuidelijke Grensven, vanwege het relatief grote verdampingsverlies van bos ten opzichte van heide: het bos aan de (zuid)oostzijde gaat ten koste van de aanvoer en het bos aan de (zuid)westzijde versterkt de afvoer. Het ontwaterings- en afwateringsstelsel van het landbouwgebied in het laag gelegen gebied ten oosten van het Witte Venn heeft negatieve invloed op het ecohydrologisch functioneren van het Duitse hoogveenrestant, de beide Grensvennen en het Duitse natuurontwikkelingsgebied: de sterk drainerend werking van het stelsel veroorzaakt verdroging. De verdroging van het Duitse hoogveenrestant / het Noordelijke Grensven werkt op zijn beurt ook weer door in het Nederlandse hoogveenrestant, aangezien hierdoor de wegzijging via de zandlaag wordt gestimuleerd.
61
Huidig functioneren en knelpunten van de randzone van het hoogveen •
•
• •
•
•
•
De kenmerkende eigenschappen van de slenkenrijke, enigszins hellende westelijke randzone van het hoogveen, met relatief sterke invloed van lateraal afstromend grondwater en basenaanrijking vanuit de keileem- / kleiondergrond, zijn met name goed bewaard gebleven in de slenk langs de Wargerinkweg: onder invloed hiervan is hier niet alleen een soortenrijke vochtige heidevegetatie aanwezig, maar is in een kleine verveende laagte een ecologisch waardevol hoogveenven tot ontwikkeling gekomen, dat kwalificeert als habitattype H7110 Actieve hoogvenen. Ter plaatse van de voormalige landbouwgronden binnen het Natura 2000-gebied kunnen de hoge potenties van de randzone echter niet tot uiting komen, met name vanwege de doorgaans nog altijd hoge fosfaatrijkdom van de toplaag van de bodem en ook door de licht drainerende werking van de hier nog aanwezige slootrestanten. Door de aanwezigheid van de productieve graslandvegetaties is bovendien het verdampingsverlies relatief groot ten opzichte van schrale heidevegetaties, waardoor de grondwaterstand in de zomer in verstrekte mate wegzakt. De verdrogende werking van de slootrestanten en de productieve graslanden werkt in lichte mate ook door in de oude heidekernen van het natuurgebied met onder meer habitattype H4010A Vochtige heide.
Daar waar de fosfaatrijke toplaag wel is afgegraven en ook de slootrestanten zijn gedempt heeft wel een goed herstel plaatsgevonden van waardevolle natuurtypen van de randzone: in het driehoekig natuurontwikkelingsgebied is binnen enkele decennia een waardevolle gradiënt van heide, via soortenrijk vochtig heischraal grasland naar zwak gebufferde vennen tot ontwikkeling gekomen. De diepe ontwatering (met behulp van sloten en buisdrainage) van het landbouwgebied ten westen van het Natura 2000-gebied vormt op één plek een bedreiging voor de instandhouding / kwaliteitsverbetering van grondwaterafhankelijk habitattypen in het Natura 2000-gebied en vormt geen bedreiging voor het herstel van de randzone van het hoogveen, eventuele ontwikkeling / uitbreiding van grondwaterafhankelijke habitattypen in de randzone en ook niet voor het de ontwikkeling van het herstellende hoogveen in de richting van actief hoogveen. De enige plek waar het diepe ontwateringsstelsel van het landbouwgebied aan de westzijde wel een negatief effect heeft is ter plaatse van het ven in de zuidhoek van het driehoekige natuurontwikkelingsgebied (ten westen van de Natte Weide).
Dit ven ligt in een smeltwatergeul (zie figuur 2.3), waardoor de dikte van de watervoerende zandlaag hier relatief groot is (circa 3 m), waardoor het negatieve effect van het diepe ontwateringsstelsel stelsel hier relatief ver in het Natura 2000-gebied kan doordringen (200 à 250 m), waardoor hier de grondwatervoeding van het ven vanuit de smeltwatergeul van het ven negatief beïnvloed wordt, wat ten koste gaat van de buffering van het venwater. Elders is vanwege de zeer geringe dikte van de watervoerende zandlaag (doorgaans 1 à 2 m) is de invloedafstand van het diepe ontwateringsstelsel zeer beperkt (circa 100 à 150 m op basis van berekeningen TAUW, 2017). Dus de invloed reikt hier alleen tot in de buitenste zone van het Natura 2000-gebied. In deze zone ligt behalve het zojuist behandelde ven alleen een grondwater gebonden habitattype in de zuidwesthoek van Het Markslag, namelijk het ven met habitattype H3130 Zwak gebufferde vennen, maar zelfs dit ven wordt niet negatief beïnvloed. Weliswaar ligt de westelijke helft van het ven binnen de invloedafstand (van 100 à 150 m) van het diepe ontwateringsstelsel ten westen van het Natura 2000-gebied, maar het verder naar het noordoosten, oosten en zuidoosten gelegen voedingsgebied niet, dus de grondwatervoeding van dit ven wordt niet negatief beïnvloed, dus de buffering van het venwater loopt hier geen gevaar.
62
Huidig functioneren en knelpunten van de vennen •
•
•
•
In het Bramerveld, het driehoekige natuurontwikkelingsgebied en Het Markslag zijn dankzij het in enkele slenken plaatselijk afgraven van de fosfaatrijke toplaag zwak gebufferde vennen tot ontwikkeling gekomen. De vennen worden vanuit hoger op de helling gelegen delen en via de watervoerende zandlaag gevoed met grondwater. Vanwege de aanrijking vanuit de keileem- / kleiondergrond is dit grondwater gebufferd. De venontwikkeling van alle zwak gebufferde vennen wordt echter bedreigt door eutrofiëring vanwege uit- en afspoeling van fosfaat vanuit de fosfaatrijke toplaag van de voormalige landbouwgronden in de voedingsgebieden van de slenken. De aanwezigheid van de fosfaatrijke toplaag betekent eveneens dat geen goede ontwikkeling van gradiënten mogelijk is vanuit de vennen naar hun omgeving. Het ecohydrologisch functioneren van het zwak gebufferde ven in de zuidhoek van het driehoekige natuurontwikkelingsgebied wordt ook negatief beïnvloed door het diepe ontwateringsstelsel van het aangrenzende landbouwgebied ten westen ervan. Voor nadere toelichting: zie zesde bullet van vorige subparagraaf. Het ecohydrologisch functioneren van het ven in de zuidwesthoek van Het Markslag wordt niet negatief beïnvloed door het ontwateringsstelsel van het landbouwgebied ten westen ervan. Voor nadere toelichting: zie zevende (ofwel laatste) bullet van vorige subparagraaf.
Hegebeek en omgeving •
•
•
De zeer diep ingesneden Hegebeek heeft een sterk drainerende werking op het grondwater. Dit veroorzaakt met name sterke verdroging van het beekdal zelf, niet alleen vanuit het oogpunt van sterk verlaagde grondwaterstanden, maar vanwege de afvang van het gebufferde grondwater in het dal, waardoor dit in het grootste deel van het dal niet meer in de wortelzone van de vegetatie door kan dringen. Vanwege de verdroging komt het habitattype H91E0C Vochtige alluviale bossen nu maar over beperkte oppervlakte voor, en daar waar dit habttattype wel voorkomt is het vanwege de verdroging slecht ontwikkeld. Vanwege de zeer geringe dikte van de watervoerende zandlaag dringt de verdrogende werking van de Hegebeek echter niet ver in de hogere gronden buiten het dal door. Ter plaatse van het Bramerveld, waar de dikte van de watervoerende zandlaag slechts circa 1 meter bedraagt, heeft de beek tot op een afstand van slechts circa 100 meter een negatief effect (zie figuur 4.1b, dwarsprofiel C-C’). Dit negatieve effect werkt zodoende alleen door in het meest noordelijke deel van de zone met habitattype H4010A Vochtige heide. Als gevolg hiervan ontbreken in deze zone meer kritische soorten als Blauwe zegge, Moerawolfsklauw en Beenbreek hier terwijl ze van de beek af wel voorkomen.
Ter plaatse van de enclave Jannink kan de negatieve invloed van de Hegebeek wel verder dan in het Bramerveld doorwerken (circa 200 à 250 meter conform berekeningen TAUW, 2017), omdat hier een zijgeul aanwezig is, waardoor hier de dikte van de watervoerende zandlaag ook groter is, namelijk circa 2,5 meter. Het hydrologisch functioneren van de deze zijgeul wordt nu echter in veel sterkere mate verstoord door de sterk drainerende werking van het slotenstelsel van de enclave (zie dwarsprofiel A-A‘). Indien alleen dit lokale knelpunt opgelost wordt, en de drainerende werking van de diepe beek niet zou worden aangepakt, dan zou dit met name de ontwikkeling van een ecologisch waardevolle lagg tussen het hoogveenrestant en het beekdal belemmeren, maar niet de ontwikkeling van het hoogveenrestant zelf: de noordrand van het hoogveenrestant ligt namelijk op circa 300 meter van de beek.
63
Buurserbeek en omgeving • •
•
Ook de diepe Buurserbeek heeft een sterk drainerende werking op het gebufferde grondwater en ook hier veroorzaakt dit een slechte ontwikkeling van het habitattype H91E0C Alluviale bossen in het dal. Op grond van de zeer sterke opbolling van de freatische grondwaterspiegel in het gebied ten noorden van het dal (zie figuur 4.1a, dwarsprofiel A-A’) volgt dat het doorlaatvermogen van de zandlaag hier laag is. Zodoende is de invloedafstand van de Buurserbeek beperkt en is er hooguit een licht negatief effect van de Buurserbeek op het ecohydrologisch functioneren van de beide heideslenkjes (met habitattypen H3160 Zure Vennen, H4010A Vochtige heide en H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen) in het heidegebied nabij de beek, temeer omdat in het zuidelijke slenkje in het winterhalfjaar (en dus ook de GVG-situatie) een schijngrondwatersysteempje werkzaam is. In de zomer valt het schijn(grond)watersysteempje droog, dus de GLG wordt wel bepaald door de freatische grondwaterstand. Dus hierop kan de drainerende werking van de beek wel doorwerken. Voor de hier voorkomende habitattypen is echter de GVGsituatie het meest bepalend. Wel betekent het ver wegzakken van de grondwaterstand onder invloed van de sterk drainerende werking van de Buurserbeek dat meer kritische soorten van deze habitattypen hier nu niet kunnen groeien.
De diepe Buurserbeek staat hiermee de instandhouding van de basisvarianten van grondwaterafhankelijke habitattypen in de slenkjes niet in de weg. De diepe Buurserbeek heeft dus geen negatief effect op het ecohydrologisch functioneren van de rest van het Natura 2000-gebied.
64
5.3
Herstelmogelijkheden
Het Witte Veen biedt grote kansen voor een verregaand herstel van een betrekkelijk compleet en gradiëntenrijk hoogveenlandschap met lagg en hiermee kunnen de volgende Natura 2000- en PAS-doelstellingen gerealiseerd worden: • Verbetering van de kwaliteit van habitattype H7120 Herstellende hoogvenen in de richting van habitattype H7110 Actieve hoogvenen (N2000-kernopgave 7.05). • Instandhouding en kwaliteitsverbetering van habitattypen H3130 Zwak gebufferde vennen en H4010A Vochtige heide (N2000-kernopgave 7.06). • Herstel van de randzones van herstellende hoogvenen H7120, met onder meer ontwikkeling / uitbreiding van grondwaterafhankelijke heischrale graslanden, blauwgraslanden, vochtige heide en (zowel zure als zwak gebufferde) vennen. Door het herstel van een compleet hoogveenlandschap gaan ook de verschillende onderdelen ervan beter functioneren, zowel vanuit hydrologisch als ecologisch oogpunt. Door niet alleen hoogveenherstel na te streven in het bestaande hoogveenrestant, maar dit ook te doen in andere laagten en slenken waar in het verleden hoogveen voorkwam, ontstaat een uitgestrekter netwerk van veentjes. Dit stimuleert op zijn beurt weer de vermorsing van de tussenliggende delen, waardoor op termijn weer een uitgestrekt en robuust hoogveensysteem ontstaat, dat minder gevoelig is voor invloeden vanuit de omgeving.
De grote kansen zijn met name te danken aan de gunstige geohydrologische gesteldheid: omdat de hydrologische basis dicht nabij het oppervlak ligt zijn hier uitsluitend lokale systemen werkzaam, die ondanks sterke aantasting van de grondwatersystemen in de wijdere omgeving goed zijn te herstellen via maatregelen in het Natura 2000-gebied en de directe omgeving hiervan. In combinatie hiermee biedt de fijnmazige afwisseling van ruggen, laagten en slenken, met de bijbehorende overgangen van droog naar nat en de afwisseling van zure en (zwak) gebufferde milieus grote kansen voor herstel van ecologisch waardevolle gradiënten. De maatregelen die getroffen moeten worden om de kansen te benutten en zo tot duurzame instandhouding, kwaliteitsverbetering en uitbreiding van de genoemde grondwaterafhankelijke habitattypen te komen zijn in hoofdstuk 6 uitgewerkt.
65
66
6
Maatregelenplan
6.1
Inleiding
Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is in dit hoofdstuk uitgewerkt met welke maatregelen de in paragraaf 5.3 beschreven mogelijkheden benut kunnen worden en dus uitwerking gegeven kan worden aan de doelstellingen zoals geformuleerd in het Natura 2000-beheerplan en de PAS-analyse. De maatregelen zijn aangegeven op de plankaart (figuur 6.1). Voor de nadere afstemming en fijnregeling van de maatregelen heeft op 10 januari 2018 een veldbezoek plaatsgevonden met de betrokkenen van Natuurmonumenten. Het maatregelenplan is op 6 februari 2018 ook besproken met de brede projectgroep en is vervolgens definitief gemaakt. In hoofdlijnen betreft het een plan met alle te treffen maatregelen binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied Witte Veen en het Duitse deel van het grensoverschrijdende natuurgebied, niet alleen het Natura 2000-gebied Witte Venn maar ook het natuurontwikkelingsgebied ten noorden hiervan. In combinatie hiermee zijn in bepaalde deelgebieden ook externe maatregelen nodig. De deelgebieden waar dit het geval is of waar vernatting op kan treden als gevolg van aanpak van de Hegebeek zijn (conform de weergave op de PAS-maatregelenkaart) op de plankaart (figuur 6.1) op abstracte wijze met grijze vlakken aangegeven als ‘inrichting omgeving’.
De uitwerking van de hier benodigde maatregelen aan de Nederlandse zijde vindt plaats via een ander traject, namelijk door het deskundigenteam dat voor het opstellen van PAS-inrichtingsplannen voor de Natura 2000-gebieden in de gemeente Haaksbergen is geformeerd. Een uitzondering is gemaakt voor de enclave Jannink, gezien de nauwe samenhang van het functioneren van dit deelgebied met het hoogveenrestant en de hoge urgentie die hier geldt voor het treffen van maatregelen. Zodoende heeft voor dit deelgebied wel een concrete uitwerking van maatregelen plaatsgevonden. In de tekst van de planuitwerking wordt ook aandacht besteed aan de uitwerking van benodigde maatregelen in de in te richten gebieden aan de Duitse zijde. Bij de planuitwerking is de volgende onderverdeling aangehouden: • Maatregelen ten behoeve van verbetering van de kwaliteit van habitattype H7120 Herstellende hoogvenen in de richting van habitattype H7110 Actieve hoogvenen, waarmee (als tegenwicht voor de hoge stikstofdepositie) tevens een goede instandhouding van de het habitattype H7120 Herstellende hoogvenen wordt gerealiseerd (paragraaf 6.2). Eerst wordt een overzicht van de benodigde maatregelen gegeven (paragraaf 6.2.1), vervolgens wordt ingegaan op maatregelen in het Nederlandse deel (paragraaf 6.2.2) en hierna op de maatregelen in het Duitse deel (paragraaf 6.2.3).
• Maatregelen ten behoeve van herstel van de randzone van het hoogveen, om zo onder meer te komen tot de instandhouding / kwaliteitsverbetering en uitbreiding van habitattypen H3110 Zwak gebufferde vennen en H4010A Vochtige heide. Ook hierbij wordt eerst een overzicht gegeven en daarbij worden gelijk de belangrijkste maatregelen in hoofdlijnen behandeld (paragraaf 6.3.1). Op deze wijze wordt bij de toelichting van de maatregelen per deelgebied (in paragrafen 6.3.2 t/m 6.3.5) herhaling zoveel mogelijk voorkomen. • Maatregelen ten behoeve van beekdalherstel, met daarbij specifieke aandacht voor maatregelen ten behoeve van de instandhouding / kwaliteitsverbetering van habitattype H91E0C Vochtige alluviale bossen (paragraaf 6.4).
67
Bij de behandeling van de maatregelen wordt ook telkens aangegeven welke Natura 2000-doelstelling(en) met de betreffende maatregel gerealiseerd kunnen worden. Daarbij wordt ook zo goed mogelijk gespecificeerd of het gaat om de instandhouding / kwaliteitsverbetering van bepaalde grondwaterafhankelijke habitattypen, dan wel de uitbreiding hiervan. Bij de behandeling van de maatregelenoverzichten gebeurt dit op globale wijze en bij de nadere toelichting van de maatregelen wordt dit nader gespecificeerd. In februari 2018 is door de provincie Overijssel (M. Duineveld) in samenwerking met Bell Hullenaar (J.W. van ’t Hullenaar) voor het Witte Veen ook een ontwerp gemaakt voor het meetnet PAS-procesindicatoren. Op deze wijze is gezorgd voor een goede aansluiting van het ontwerp van het PAS-meetnet op de resultaten van de ecohydrologische systeemanalyse, de hierbij gesignaleerde knelpunten en de maatregelen die in hoofdstuk 6 zijn uitgewerkt voor aanpak van deze knelpunten. Het ontwerp is zonder verdere inhoudelijke toelichting opgenomen in bijlage 5 van dit rapport en is ingestoken in het bredere proces dat momenteel gaande is voor het tot stand brengen van PASmeetnetten in de Natura 2000-gebieden in de provincie Overijssel.
6.2
Maatregelen ten behoeve van het hoogveen
6.2.1
Overzicht maatregelen
Voor instandhouding / verbetering van de kwaliteit van habitattype H7120 Herstellende hoogvenen in de richting van habitattype H7110 Actieve hoogvenen dienen in het Nederlandse deel de volgende maatregelen getroffen te worden: • Inrichting van de enclave Jannink. • Dichtmaken van de onnodige overlopen in de zuidelijke damwand. • Verwijderen van het bos op de dekzandruggen in de omgeving van het hoogveenrestant. • Nadere afweging maken ten aanzien van wenselijkheid / noodzaak van verwijdering van het bos ten zuiden van het hoogveenrestant. Met deze maatregel kan behalve instandhouding / kwaliteitsverbetering van het bestaande hoogveen ook uitbreiding hiervan plaatsvinden. Voor instandhouding / verbetering van de kwaliteit van habitattype H7110 Actieve hoogvenen is het van belang om in het Nederlandse deel de volgende maatregel te treffen: • Verwijderen van bos rondom het hoogveenven met H7110 Actief hoogveen. Voor instandhouding / verbetering van de kwaliteit van habitattype H7120 Herstellende hoogvenen in de richting van habitattype H7110 Actieve hoogvenen in het Nederlandse deel dienen in het Duitse deel de volgende maatregelen getroffen te worden: • Aanpak drainerende werking Duits natuurontwikkelingsgebied. • Verbetering van de waterconservering in het Duitse hoogveenrestant. • Verwerving en inrichting van de akker ten oosten van het Duitse hoogveenrestant.
68
6.2.2 Toelichting maatregelen Nederlandse deel Inrichting van de enclave Jannink Inrichting van de enclave Jannink vindt primair plaats voor instandhouding / verbetering van de kwaliteit van habitattype H7120 Herstellende hoogvenen in de richting van habitattype H7110 Actieve hoogvenen. In combinatie hiermee wordt gelijk gewerkt aan het herstel van de lagg, ofwel de N2000-kernopgave ‘Herstel van de randzone van het herstellend hoogveen’. Hiertoe dient het huidige sterke laterale waterverlies vanuit het hoogveenrestant via de zandlaag onder het veenpakket in noordelijke richting naar de enclave te worden weggenomen. Zodoende wordt het wegzijgingverlies vanuit het noordelijke deel van het hoogveenrestant verminderd en zo treedt verdere afname van de waterstandsdynamiek op, naar het natuurlijke niveau dat nodig is voor voorspoedige vestiging van bultenvormende veenmossen. Hiertoe dienen in de eerste plaats de nu sterk drainerende sloten in de enclave gedempt te worden en dient in de tweede plaats de oorspronkelijke geomorfologie en natuurlijke waterhuishouding van het gebied weer te worden hersteld middels ophoging van de bodem en herstel van de venachtige situatie in de hier aanwezige laagte. Met de ophoging wordt de afgraving die hier enkele decennia is uitgevoerd weer ongedaan gemaakt.
Met het dempen van de sloten, de ophoging en het herstel van de venachtige situatie ontstaat hier een goede hydrologische buffer voor het hoogveenrestant en kan tevens herstel van de lagg gerealiseerd worden in het betreffende gebied zelf. Om tot een goede ontwikkeling van de lagg te komen dient de ophoging uitgevoerd te worden met schraal zand en heeft het de voorkeur om eerst de fosfaatrijke bovengrond te verwijderen voordat de ophoging plaatsvindt. De verwijdering van de fosfaatrijke bovengrond is niet alleen van belang als garantie voor een goede ecologische ontwikkeling van het betreffende gebied zelf, maar ook om te voorkomen dat het benedenstrooms gelegen gebied (ofwel het dal van de Hegebeek) gevoed blijft worden met fosfaatrijk water uit de enclave. Dit is temeer van belang omdat bij het laten liggen van de fosfaatrijke bovengrond de fosfaatrijkdom van het afstromende water naar verwachting zal toenemen, vanwege de interne eutrofiëring die gaat optreden onder invloed van de vernatting. Gezien de zeer hoge fosfaatconcentraties die hier in de bovengrond zijn gemeten mag ook verwacht worden dat dit proces zonder afgraving nog zeer lang (honderden jaren) zou voortduren, want zelfs met een actief beheer van maaien en afvoeren zou het afvoeren van de fosfaatvoorraad al 175 à 190 jaar in beslag nemen (zie rapport B-WARE in bijlage 4).
Weliswaar wordt het dal van de Hegebeek ook (en met name) vanuit de intensief beheerde landbouwgronden (voornamelijk akkers) in het Duitse bovenloopgebied gevoed met fosfaatrijk water, maar dit mag geen reden zijn om bij de herinrichting van de enclave al wel gelijk voor een duurzame inrichting te kiezen. Uit het bodemchemisch onderzoek dat in het oostelijke deel van de enclave is uitgevoerd volgt dat op de plekken waar onder de bouwvoor geen geroerde bodem is aangetroffen (deze plekken liggen tevens in de zone waar herstel van de lagg moet plaatsvinden) het grootste deel van de fosfaatvoorraad is opgeslagen in de bouwvoor (van 30 à 35 cm) en dat er ook uitspoeling van fosfaat heeft plaatsgevonden naar de laag (van 10 cm dikte) direct onder de bouwvoor. De laag hieronder (vanaf 40 à 45 cm -mv) is fosfaatarm. Dus voor een effectieve verschraling van de bodem dient de bovengrond tot op een diepte van 40 à 45 cm te worden afgegraven. Met de ophoging dienen vooral de dekzandruggen aan weerzijden hersteld worden, zodat de opbolling van de grondwaterspiegel in de dekzandruggen goed hersteld kan worden: dit levert een belangrijke bijdrage in de realisatie van de hydrologische buffer en resulteert in het herstel van gradiënten in het gebied zelf. De ligging van de
69
dekzandruggen is goed te traceren aan de hand van de hoogtekaart (zie figuur 2.4). Voor de ophoging dient ten opzichte van de huidige maaiveldshoogte een zandlaag van circa 70 cm te worden aangebracht, ofwel een laag van 110 à 115 cm na afgraving van de fosfaatrijke bovengrond. In de laagte tussen beide dekzandruggen in is in het verleden waarschijnlijk minder of geen zand afgegraven en kan naar verwachting volstaan worden van het compenseren van de afgraving van de fosfaatrijke bovengrond. Wel dient aan de noordzijde (door middel van een ophoging met schraal zand, in combinatie met een keiendrempel) een drempel te worden aangebracht, zodat in de laagte weer een venachtige situatie ontstaat, met dus een waterpeil (van meerdere decimeters) boven maaiveld, waarmee ook in deze zone een goede hydrologische buffer tot stand wordt gebracht. Vanwege de hoge bergingscoëfficiënt van open water (µ = 1,0) ten opzichte van een (zand)bodem (µ = 0,1 à 0,15) zakt in droge zomerperioden (onder invloed van het verdampingsoverschot) de waterstand bij venherstel bovendien minder snel weg dan zonder venherstel. Zodoende levert het venherstel een belangrijke extra bijdrage aan de realisatie van de hydrologische buffer voor het hoogveenrestant. Naar verwachting zal hier een zuur ven tot ontwikkeling komen.
Van alle planmaatregelen ten behoeve van de invulling van kernopgave 7.05 ( instandhouding / verbetering van de kwaliteit van habitattype H7120 Herstellende hoogvenen in de richting van habitattype H7110 Actieve hoogvenen) zijn de maatregelen in de enclave Jannink het meest urgent. Het treffen van deze maatregelen levert namelijk de grootste bijdrage aan de demping van de grondwaterstandsfluctuaties in het hoogveenrestant. Deze demping is van groot belang voor verbetering van de condities voor hoogveenherstel en dus ook voor verlichting van het negatieve effect van de hoge stikstofdepositie. Met een geringer fluctuatiebereik kunnen de meer kritische bultenvormende veenmossen zich namelijk veel beter vestigen en over grote oppervlakten uitbreiden, waardoor herstel op kan treden van het voor habitattype H7110 Actieve hoogvenen kenmerkende hoogveenbulten- en slenkenpatroon met alle bijbehorende soorten. Daarbij kan niet volstaan worden met het alleen dempen van de sloten in de enclave. Ook de ophoging en het herstel van de venachtige situatie zijn essentieel voor realisatie van een goede hydrologische buffer. Bovendien is dit de enige plek waar direct gekoppeld aan het herstellende hoogveen de lagg hersteld kan worden.
Het betreft dus een unieke plek in het streven naar een compleet en gradiëntenrijk hoogveenlandschap, ofwel voor invulling van kernopgave 7.06 (herstel van de randzone van hoogveen). Bij de inrichting moet rekening gehouden worden met de aanwezigheid van de bebouwing met bijbehorende tuin van Jannink. Hiertoe moet de sloot aan de westzijde van de bebouwing worden gehandhaafd. Wellicht kan deze sloot wel verondiept worden, aangezien de diepte ervan nu is afgestemd op de realisatie van een voldoende landbouwkundige drooglegging van de landbouwgrond in de laagte direct ten noorden van het herstellende hoogveen en niet specifiek op het bebouwde perceel. In combinatie hiermee kan een sloot aan de zuid- en oostzijde worden toegevoegd. De exacte inrichting kan het best nader worden uitgewerkt door waterschap Vechtstromen, in combinatie met de planuitwerking voor aanpassing van de Hegebeek. Om de risico’s goed in te schatten is het raadzaam om de bebouwing ook in te meten. In de zone van de enclave ten oosten van de bebouwing hoeft na afgraving van de bouwvoor geen ophoging met schraal zand plaats te vinden. Deze zone ligt namelijk buiten de zone die van belang is voor de vorming van een hydrologische buffer voor het hoogveenrestant. Om ook hier een goede uitgangssituatie te creëren voor herstel van de lagg is het wel van belang om de fosfaatrijke bovengrond te verwijderen.
Mogelijk kan (een deel van) deze zone ook een bijdrage leveren aan de benodigde waterberging ten behoeve van de demping van de afvoerpieken van de Hegebeek, in combinatie met de realisatie van bergingsgebied(en) verder bovenstrooms in Duitsland. Nader onderzoek dat momenteel ter onderbouwing van de hydrologische herstelmaatregelen voor het Natura 2000-gebied (door Arcadis in de opdracht van de gemeente Haaksbergen) wordt uitgevoerd zal dit uit moeten wijzen.
70
Van het gedeelte ten oosten van de bebouwing is het gedeelte dat direct langs de beek ligt het meest geschikt voor waterberging (zie figuur 5.1, plankaart). Hier is een wat diepere afgraving van de bodem namelijk inpasbaar zonder dat dit ten koste gaat van het hydrologisch functioneren van het hoogveenrestant. Bovendien is hier in het kader van het bodemchemisch onderzoek tot op grote diepte een sterk verstoorde en fosfaatrijke bodem aangetroffen (zie rapport B-WARE in bijlage 4).
Dichtmaken van overbodige overlopen in zuidelijke veendijk met damwand Voor instandhouding / verbetering van de kwaliteit van habitattype H7120 Herstellende hoogvenen in de richting van habitattype H7110 Actieve hoogvenen dienen ook de overbodige overlopen in de zuidelijke veendijk met houten damwand te worden dichtgemaakt. Deze overlopen maken de constructie namelijk kwetsbaar: doordat de houten damwanden hier niet zijn afgedekt met veenplaggen rotten ze vanaf de bovenzijde sneller weg. Hierdoor zijn op sommige plekken nu al kieren aanwezig waarlangs water beneden het beoogde stuwpeil weglekt. Dit gebeurt nu nog slechts in lichte mate, maar zal zonder het doorvoeren van aanpassingen in de loop der tijd vanwege het voortschrijdende rottingsproces toenemen. Bovendien belemmeren de vaste overlopen een eventuele verdere peilverhoging in het compartiment. Daarbij hebben de overlopen in feite ook geen duidelijke functie, aangezien het water zich vanwege de aanwezigheid van het puttencomplex en de gecreëerde plagstrook aan de benedenstroomse zijde van de veendijk met damwand goed kan verspreiden over het benedenstroomse compartiment. Er kan dus ook bij het zuidelijke compartiment volstaan worden met één afvoerstuw: de vier extra overlaten zijn overbodig.
Verwijderen van bos op de dekzandruggen Voor instandhouding / verbetering van de kwaliteit van habitattype H7120 Herstellende hoogvenen in de richting van habitattype H7110 Actieve hoogvenen dient ook het bos op de dekzandruggen rond het hoogveenrestant te worden verwijderd, zodat het huidige sterke verdampingsverlies (via interceptie) van het bos wordt weggenomen, waardoor de grondwaterstanden hier in de zomer minder ver wegzakken en dus ook de wegzijging vanuit het hoogveenrestant zal afnemen.
Nadere afweging maken ten aanzien van wenselijkheid / noodzaak van verwijdering van het bos ten zuiden van het hoogveenrestant Zowel voor de instandhouding / verbetering van de kwaliteit van het habitattype H7120 Herstellende hoogvenen in de richting van habitattype H7110 Actieve hoogvenen als voor de uitbreiding hiervan wordt overwogen om het bos ten zuiden van het hoogveenrestant te verwijderen, de hier nog aanwezige greppels te dempen en in combinatie hiermee eventueel dammetjes aan te brengen in het hier aanwezige slenkenstelsel om de hoogveengroei hier weer op gang te brengen. Met het verwijderen van het bos kan het verdampingsverlies (via interceptie) worden tegengegaan waardoor het wegzakken van de grondwaterstand in de zomer wordt tegengegaan (voor nadere toelichting: zie paragraaf 4.3.3 / tabel 4.2). Door het dempen van de greppels kan de opbolling van de grondwaterspiegel in de dekzandruggen weer worden hersteld, waardoor weer een geleidelijke grondwatervoeding vanuit deze ruggen naar de slenken zal gaan plaatsvinden, wat eveneens een bijdrage levert aan het verminderen van het wegzakken van de grondwaterstand in de zomer. Door deze maatregelen te combineren met de aanleg van enkele dwarsdammen kan het waterpeil in de slenken tot iets boven maaiveldsniveau worden opgezet.
Mede door de gunstige bergingscondities die hiermee worden gecreëerd wordt ook een bijdrage geleverd aan de
71
vermindering van het wegzakken van de grondwaterstand in de zomer. Met het totaalpakket aan maatregelen kan naar verwachting de groei van veenmossen in de slenken / laagten weer goed op gang worden gebracht en ontstaan er op de flanken van de slenken goede mogelijkheden voor ontwikkeling van vochtige heide. In de eerste plaats kan met deze maatregelen herstel optreden van de vroeger aanwezige veentjes in de slenkjes en laagten van het gebied zelf, wat dus zal leiden tot de uitbreiding van het herstellende hoogveen. In de tweede plaats wordt zo ook het waterverlies vanuit het bestaande gebied met H7120 Herstellende hoogvenen (ofwel het hoogveenrestant en het Noordelijke Grensven) tegengegaan. Bovendien neemt zo de omvang en dus robuustheid van het hoogveengebied als geheel toe. In de derde plaats wordt met de verwijdering van het bos de invang van verzurende depositie verminderd. Dit is niet alleen positief voor het betreffende gebied zelf maar ook voor het verder benedenstrooms gelegen gebied (Natte Weide). Het huidige bos heeft echter ook belangrijke ecologische waarden: het betreft het belangrijkste en ook enige goede rustgebied voor de fauna binnen het grensoverschrijdende natuurgebied en in delen van de slenken is onder invloed van de demping van de sloten in 2007 een ontwikkeling richting hoogveenbos gaande.
Door Natuurmonumenten zal daarom een nadere afweging gemaakt worden ten aanzien van het al dan niet uitvoeren van deze maatregelen, zodat goed duidelijk wordt wat de huidige situatie in ecologisch opzicht oplevert en wat hiervoor in de plaats komt bij het uitvoeren van de maatregelen. Ook andere aspecten (kosten, vervolgbeheer, recreatie, cultuurhistorie, etc.) zullen worden meegenomen in de afweging.
Verwijderen van bos in de omgeving van het hoogveenven Ten behoeve van de instandhouding / kwaliteitsverbetering van habitattype H7110 Actieve hoogvenen in het hoogveenven langs de noordelijke slenk van de Wargerinkweg is het nodig om het (Berken)bos dat op twee plekken in de directe omgeving van het hoogveenven tot ontwikkeling is gekomen te verwijderen. Vanwege het hoge verdampingsverlies (via interceptie) leidt dit bos namelijk tot verdroging. De bosjes veroorzaken bovendien een versterkte invang van verzurende depositie vanuit de lucht. De invang van het bosje aan de bovenstroomse zijde van het hoogveenven veroorzaakt verzuring van het grondwater waarmee het hoogveenven wordt gevoed, waardoor de voeding van de veenbasis met zwak gebufferd grondwater negatief wordt beïnvloed, wat dus ten koste gaat van de hoogveenontwikkeling. Het bosje ten zuiden van het hoogveenven is begrensd als habitattype H91D0 Hoogveenbossen.
Hoewel ook verwijdering van dit bosje nodig wordt geacht voor een goede instandhouding / kwaliteitsverbetering van habitattype H7119 Actieve hoogvenen in het hoogveenven, zal ten aanzien hiervan nog wel een nadere afweging plaats moeten vinden: wat levert de huidige situatie in ecologisch opzicht en wat krijg je ervoor terug bij het treffen van de maatregel? Bij de verwijdering van het bos dienen eventueel nog aanwezige restanten van greppels volledig gedempt te worden. Er zijn in deze omgeving bij de kartering weliswaar geen greppels aangetroffen, maar het kan niet worden uitgesloten dat zich in de slecht toegankelijke bosjes toch nog greppelrestanten bevinden. Voor de eventuele dempingen kan lokaal aanwezig materiaal gebruikt worden: er zijn voldoende Pijpenstrootjepollen beschikbaar en door het wegplaggen van de pollen ontstaan gelijk goede plekken voor vestiging van veenmossen.
72
6.2.3
Toelichting maatregelen Duitse deel
De maatregelen die voor het Duitse deel worden aangegeven zijn allen van belang voor een goed hoogveenherstel in het Nederlandse deel: veel van de nog aanwezige verstoringen van het hydrologische systeem van het Nederlandse deel liggen namelijk op Duits grondgebied. Met het uitvoeren van deze maatregelen wordt gelijk ook een belangrijke bijdrage geleverd aan hoogveenherstel in het Duitse deel. Uiteindelijk kunnen met niet al te ingewikkelde inrichtingsmaatregelen en een uitbreiding van het natuurgebied aan de Duitse zijde alle verstoringen grotendeels worden weggenomen, waardoor een goed herstel van het totale hydrologische systeem mogelijk is en dus herstel plaats kan vinden van het complete grensoverschrijdende hoogveenlandschap.
Tegengaan drainerende werking Duits natuurontwikkelingsgebied Voor instandhouding / verbetering van de kwaliteit van habitattype H7120 Herstellende hoogvenen in de richting van habitattype H7110 Actieve hoogvenen met betrekking tot het Nederlandse hoogveenrestant en ook voor herstel van het Duitse hoogveenrestant dient in de eerste plaats de drainerende werking van het aangrenzende Duitse natuurontwikkelingsgebied te worden tegengegaan (voor toelichting van dit knelpunt: zie paragraaf 4.3.1 en dwarsprofiel B-B’). Aangezien het hierbij gaat om een groot knelpunt voor het Nederlandse hoogveenrestant, is het van groot belang dit knelpunt op effectieve wijze aan te pakken, ook al ligt het knelpunt op Duits grondgebied en ontwikkelt het betreffende gebied zich inmiddels in ecologisch opzicht heel aardig. Met de hieronder beschreven weloverwogen herinrichting van een beperkt deel van het natuurontwikkelingsgebied kan aanpak van het knelpunt ook plaatsvinden zonder het doorvoeren van aanpassingen in de rest van het natuurontwikkelingsgebied. Voor effectieve aanpak van de drainerende werking dient ophoging plaats te vinden van de die direct tegen het hoogveenrestant aan ligt, inclusief de slenken die in deze zone aanwezig zijn. Op basis van ecohydrologisch dwarsprofiel B-B’ (zie figuur 4.1b) wordt geschat dat deze ophogingszone 100 à 150 meter breed dient te zijn.
Middels nadere rekenkundige onderbouwing kan worden bepaald of deze breedte inderdaad voldoende is. De benodigde mate van ophoging bedraagt doorgaans circa 50 cm en in de te dempen slenkdelen dient een extra laag aangebracht te worden om de benodigde geleidelijke overgang te creëren. Alleen op deze wijze zal hier namelijk weer een geleidelijk verhang in grondwaterspiegel ontstaan en kan de opbolling van de grondwaterspiegel in de dekzandrug ten oosten van het hoogveenrestant weer hersteld worden. Deze ophoging sluit aan op de beoogde ophoging in enclave Jannink in het Nederlandse deel. Ook in het Duitse deel kan het best schraal zand gebruikt worden, ten behoeve van een goede ecologische ontwikkeling van het betreffende gebied na herinrichting. Voor de benodigde ophoging kan voor een (klein) deel gebruikt gemaakt worden van de wal die langs de rijksgrens is opgeworpen bij het uitgraven van de slenken. Deze hoeveelheid is echter niet toereikend, dus er zal ook zand aangevoerd moeten worden. Het tegengaan van de drainerende werking van het Duitse natuurontwikkelingsgebied is niet goed mogelijk middels het uitsluitend verhogen van de afvoerniveaus van de slenken, omdat hiermee het geleidelijke verhang (en dus ook de opbolling) van de grondwaterspiegel niet goed herstel kan worden.
Overigens is het ook niet goed mogelijk deze afvoerniveaus te verhogen, omdat in de meeste slenken het afvoerniveau nu al op maaiveldsniveau ligt. Alleen bij de slenk die het meest tegen het hoogveenrestant aanligt is zo wel verbetering mogelijk, omdat hier erosie is opgetreden van de afvoerdrempel onder invloed van het afstromende water. Het tegengaan van de drainerende werking van het Duits natuurontwikkelingsgebied kan beter niet gerealiseerd worden met behulp van de plaatsing van een damwand op de
73
grens tot op de keileem/ kleiondergrond. Ten eerste is dit een erg kunstmatige oplossing terwijl een natuurlijke oplossing hier goed mogelijk is. Ten tweede zou bij gebruik van hout vanwege fluctuatie van de grondwaterstand in de dekzandrug / minerale bodem het bovenste deel van de damwand vaak bloot staan aan zuurstof, en zodoende snel wegrotten. En gebruik van een folie zou nog kunstmatiger / onnatuurlijker zijn. Ten derde zou hiermee de (te herstellen) natuurlijke gradiënt verloren gaan van het hoogveenrestant naar het natuurontwikkelingsgebied met een subtiele, natuurlijke, zeer lichte grondwaterstroming vanuit de dekzandrug naar het Duitse deel (met een daarbij in de loop van de seizoenen enigszins wijzigende positie van de waterscheiding).
Verbetering van de waterconservering in het Duitse Hoogveenrestant Voor de instandhouding / verbetering van de kwaliteit van habitattype H7120 Herstellende hoogvenen in de richting van habitattype H7110 Actieve hoogvenen in het Nederlandse deel is het ook van belang de waterconservering in het Duitse hoogveenrestant te verbeteren. Momenteel gaat namelijk nog water verloren via de greppelrestanten die hier nog aanwezig zijn en middels oppervlakkige afvoer over maaiveld heen naar de sloot op de oostgrens van het hoogveenrestant. Met een verbetering van de waterconservering wordt niet alleen een bijdrage geleverd aan bestrijding van de verdroging van het Duitse hoogveenrestant en het hieraan gekoppelde herstellende hoogveen van het Noordelijke Grensven, maar (op indirecte wijze) ook aan het Nederlandse hoogveenrestant, vanwege de hiermee gepaard gaande reductie van de wegzijging vanuit het Nederlandse hoogveenrestant naar het systeem van het Noordelijke Grensven / Duits hoogveenrestant. Voor verbetering van de waterconservering dienen de nog aanwezige greppelrestanten bij voorkeur te worden gedempt (of anders intensief te worden afgedamd) en is het wenselijk om langs de laaggelegen buitengrens van het hoogveenrestant een goede kade aan te leggen.
Deels is al wel een walletje aanwezig, maar hierin zitten gaten, het walletje is aan de lage kant en het sluit niet goed aan op de hoger gelegen delen.
Verwerving en inrichting van de akker ten oosten van het Duitse hoogveenrestant Voor verbetering van de kwaliteit van habitattype H7120 Herstellende hoogvenen in de richting van habitattype H7110 Actieve hoogvenen in het Nederlandse deel en herstel van het Duitse hoogveenrestant is het ook belangrijk de drainerende werking van het ontwateringsstelsel van het zeer laag gelegen landbouwgebied ten oosten van het Duitse hoogveenrestant tegen te gaan. Het ontwateringsstelsel in dit zeer laag gelegen akkergebied heeft namelijk op directe wijze een verdrogende invloed op het Duitse hoogveenrestant en het hieraan gekoppelde herstellende hoogveen van het Noordelijke Grensven. Bovendien werkt deze verdroging op indirecte wijze ook door op het Nederlandse hoogveenrestant. De beste wijze van aanpak van de drainerende werking van het ontwateringsstelsel is verwerving van het betreffende landbouwgebied / omvorming tot natuurgebied en opheffing van alle hier aanwezige ontwateringsmiddelen, door middel van het dempen van de sloten en het weghalen van de buisdrainage. Bij de keuze van de verdere inrichting is het raadzaam om het beoogde systeemherstel leidend te laten zijn. Dit betekent dat in het betreffende gebied de (hoogstwaarschijnlijk) fosfaatrijke bovengrond beter niet kan worden afgegraven.
Wel goed passend is verhoging van het afvoerniveau tot boven maaiveld zodat voedselrijk moeras tot ontwikkeling kan komen: hiermee wordt de werking van het gebied als hydrologische buffer optimaal en na verloop van tijd kan bij verdere peilverhoging en afvoer van het voedselarme wateroverschot uit het Duitse hoogveenrestant wellicht een ontwikkeling richting mesotroof veen plaatsvinden.
74