EDOP-#6082719-v1-Provinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte Veen Bijlagen bij de toelichting
Tekst van het document
24
Kwaliteit van de meetreeksen Bij de vervaardiging van de grafieken van het (grond)waterstandsverloop bleken er bij een aantal meetpunten meetfouten aanwezig, zowel in de meetreeksen als in de technische gegevens van de meetpunten. Voor de belangrijkste peilbuizen zijn de fouten voor zover mogelijk gecorrigeerd. Bij de behandeling van de resultaten per meetpunt (paragraaf 3.2) wordt ook aangegeven waar fouten zijn geconstateerd en (indien bekend) wat de fouten zijn / hoe deze gecorrigeerd zijn.
Methode In bijlage 1 zijn de grafieken opgenomen van de meetreeksen. De reeksen zijn geanalyseerd met behulp van het programma Menyanthes: • Voor een selectie van de reeksen is in de eerste plaats door middel van tijdreeksmodelleringen bepaald of de reeksen goed verklaarbaar zijn op grond van het verloop van de neerslag en de verdamping. Ook is berekend of er een vernattingseffect van de in het jaar 2007 uitgevoerde maatregelen in het hoogveengedeelte aanwezig is. • In de tweede plaats zijn voor voldoende lange / goede meetreeksen met behulp van het programma Menyanthes ook de GXG-waarden bepaald: de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG), de Gemiddelde Voorjaars Grondwaterstand (GVG) en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG). De GXG-waarden zijn bepaald voor de periode na het uitvoeren van de vernattingsmaatregelen in 2007, dus voor de reeksen vanaf 2008 tot en met 2016 (dus in principe 9 meetjaren). Dit is dus ook gedaan voor de reeksen waar geen veranderingen zijn opgetreden als gevolg van de maatregelen in 2007, om zo de resultaten van de meetpunten op eerlijke wijze onderling te kunnen vergelijken.
Uitleg tijdreeksmodelleringen m.b.v. Menyanthes Een tijdreeksanalyse is uitgevoerd met behulp van het programma Menyanthes. Menyanthes is een door KIWA, Artesia en TU Delft ontwikkeld programma voor het uitvoeren van tijdreeksanalyses op grondwaterstanden. Met het programma zijn tijdreeksmodellen vervaardigd, aan de hand waarvan (op basis van een statistische methode) de invloed van verklarende factoren (zoals onder andere neerslag en verdamping) op het grondwaterstandsverloop bepaald kan worden. Elk model heeft een aantal kentallen. Een daarvan is de verklaarde variantie (ofwel Exp Var). Hiermee wordt aangegeven in welke mate een tijdreeksmodel een bepaalde meetreeks kan verklaren. Een algemene vuistregel is dat een goed model een verklaarde variantie van minstens 70% moet hebben. Daarnaast moeten ook de andere berekende statistieken aanneembaar zijn. Het betreft hierbij onder andere: M0 prec. Dit is de gain van de respons van de grondwaterstand op de neerslag. Hoe hoger de respons hoe meer de grondwaterstand reageert op de neerslag. Een lage respons wordt gevonden in gebieden met een beperkte grondwaterstandsfluctuatie. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn in gebieden met drainage of kwel. Evap F. Dit is de verdampingsreductiefactor. De KNMI-verdampingsreeks komt min of meer overheen met de verdamping van kort gras dat optimaal van vocht wordt voorzien.
Menyanthes kent zelf aan de verdampingsreeks een schaalfactor toe: de verdampingsfactor. Voor kort gras bedraagt de Evap F in principe dus 1,0. Dbase. Dit is het niveau waarop de grondwaterspiegel zou instellen zonder neerslag of andere invloed.
25
Elke parameter heeft een standaarddeviatie. Dit is een maat voor de betrouwbaarheid van de parameters en dus ook van hoe goed het tijdreeksmodel is. Hoe kleiner de standaarddeviatie hoe betrouwbaarder de waarde. Nog een controle van het model is de residureeks: de reeks van de verschillen tussen de gemeten en berekende grondwaterstanden. Uit deze reeks blijkt ook de eventuele aanwezigheid van trends. Met Menyanthes is het mogelijk om zowel een lineair model als een niet-lineair model te maken. Niet-lineariteit kan veroorzaakt worden door de aanwezigheid van een onverzadigde zone maar ook doordat een beek, sloot of andere drainagemiddel droog valt of doordat het grondwater het maaiveld bereikt en al dan niet oppervlakkig wegstroomt. Dit soort niet-lineariteit is bekend als drempel niet-lineariteit. Als de grondwaterstand boven een bepaalde drempelhoogte (threshold) komt (zoals het maaiveld) dan heeft het systeem een andere respons op de neerslag (M02 prec). Voor deze tijdreeksmodellering zijn neerslag- en verdampingsgegevens gebruikt van weerstation Twente. Omdat de verdampingsgegevens beschikbaar zijn vanaf april 1987 zijn ook de tijdreeksanalyses vanaf april 1987 uitgevoerd. Voor alle behandelde meetpunten zijn in eerste instantie lineaire tijdreeksmodellen vervaardigd en voor een selectie van meetpunten zijn vervolgens ook niet lineaire modellen gemaakt.
Op basis van de grafische weergaven van de modelleringsresultaten (en meer specifiek de verschillen tussen berekende waarden en de gemeten waarden, ofwel de residuals) is per meetreeks visueel beoordeeld of er sprake is van een trend en zijn zo nodig staptrends aan de analyse toegevoegd om zo eventuele veranderingen die hebben voorgedaan als gevolg van ingrepen in het systeem te kwantificeren.
26
3.2
Resultaten per meetpunt
De resultaten van de tijdreeksmodelleringen zijn opgenomen in bijlage 2: in de tabel zijn de resultaten samengevat en voor een selectie van meetpunten zijn de resultaten van de modelberekeningen ook grafisch weergegeven. In de onderstaande tekst worden de resultaten per meetpunt toegelicht, waarbij telkens eerst wat technische informatie van het betreffende meetpunt wordt gegeven.
Peilbuizen met zeer lange reeksen B5 (B34F1496, B34F1497, B34F3743) • Deze peilbuis staat vlak bij de Hegebeek. • De peilbuis heeft opnames vanaf eind maart 1980. De peilbuis is vervangen in 1996. Vervolgens is er gemeten tot 2002 en hierna is er een lange onderbreking in de reeks totdat herplaatsing van de peilbuis plaatsvindt in 2015. • In de grafiek is ook het verloop van P4 (P34F0011) weergegeven: een piketmeetpunt waarmee het verloop van het oppervlaktewaterpeil in de Hegebeek wordt geregistreerd. P4 heeft een meetfout op 14 mei 2016. • Vanwege de grote onderbreking zijn de GXG’s niet berekend en is geen tijdreeksanalyse uitgevoerd. B6 (B34F1498) • Deze peilbuis staat ten noorden van de Hegebeek, langs de Hegeveldweg. • Het betreft een peilbuis met één filter, met de onderkant van het filter op 220 cm onder maaiveld. • De peilbuis heeft opnames vanaf eind maart 1980. Er is een lange reeks beschikbaar met weinig onderbrekingen en geen mutaties in Dino • De meetwaarde op 15-8-2014 is onwaarschijnlijk hoog. • De reeks is voor 72,6% verklaarbaar op grond van alleen het verloop van de neerslag en verdamping en er zijn geen trends in de residuals. • Een niet-linear model geeft een hogere verklaarde variantie (79,4%). Ook in het niet-linear model is er geen duidelijk trend aanwezig. B14 (B34F1505) • Peilbuis B14 staat in het westen van het Bramerveld.
• De metingen zijn hier begonnen in 1980. Vanaf de zomer 2006 wordt het wegzakken van de grondwaterstand onder het niveau van 34,4 mNAP niet meer geregistreerd, vanwege de aanwezigheid van rommel onderin de buis. De opname van de peilbuis is daarom vanaf eind juni 2016 beëindigd. • Vanwege dit technische mankement zijn geen GXG’s berekend en is geen tijdreeksanalyse gedaan. B19 (B34F1509) • Peilbuis B19 staat langs de Bramerveldweg in het Bramerveld • De peilbuis heeft 1 filter, met de onderkant van het filter op 208 cm onder maaiveld. • De peilbuis heeft opnames vanaf eind maart 1980. Er is een lange reeks beschikbaar met weinig onderbrekingen • In juni 2010 is de peilbuis overgenomen door de Provincie. De peilbuis is daarbij voorzien van een metalen beschermkoker, de buis is verlengd en is een datalogger geplaatst. • De reeks is voor slechts 67,7% verklaarbaar op grond van alleen het verloop van de neerslag en verdamping. Er is een trendbreuk zichtbaar in de residuals omstreeks 1999 (zie bovenste grafiek van B19 in bijlage 2).
27
• •
Een niet-linear model geeft een hogere verklaarde variantie (77,8%). Ook in het niet-linear model is er duidelijk trendbreuk aanwezig omstreeks 1999. Het toevoegen van een step trend op 1 november 1999 aan het linear model (zie onderste grafiek van B19 in bijlage 2) geeft een verklaarde variantie van 77,7% met een step van 25,6 cm. Deze waarde moet echter als indicatief worden opgevat, want het verloop is waarschijnlijk niet lineair, maar met de niet lineaire benadering kan geen step worden berekend. Wel is duidelijk dat eind 1999 een vernatting heeft plaatsgevonden. Het betreft hierbij waarschijnlijk het effect van de reductie van de drainerende werking van het slotenstelsel in het aangrenzende voormalige landbouwgebied / de sloten langs de Bramereldweg, vanwege het afdammen en laten verlanden van de sloten.
B21 (B34F1511) • Peilbuis B21 staat in de dekzandrug ten westen van het hoogveenrestant. • De peilbuis heeft één filter en de onderkant van het filter bevindt zich op 225 cm onder maaiveld. • De peilbuis heeft opnames vanaf eind maart 1980. Er is een lange reeks met weinig onderbrekingen beschikbaar en er zijn geen mutaties in Dino. • De reeks is voor slechts 69,7% verklaarbaar op grond van alleen het verloop van de neerslag en verdamping (zie bovenste grafiek in bijlage 2). • Een niet-linear model geeft een hogere verklaarde variantie (77,6%). Er is een duidelijke trend aanwezig in het niet-linear model en deze begint eind 2007. • Het toevoegen van een step trend op 1 november 2007 aan het linear model (zie onderste grafiek in bijlage 2) geeft een verklaarde variantie van 75,1% met een step van 19,5 cm: dit is het effect van de waterconservering in hoogveenrestant. Het effect hiervan heeft dus ook doorgewerkt in de dekzandrug ten westen van het hoogveenrestant. De afgeleide waarde voor de step moet echter wel als indicatief worden beschouwd, want het verloop is waarschijnlijk niet lineair, maar met de niet lineaire benadering kan geen step worden berekend. B22 (B34F1512) • Peilbuis B22 staat in de dekzandrug ten oosten van het hoogveengebied • De peilbuis heeft één filter en de onderkant van het filter bevindt zich op 229 cm onder maaiveld.
• De peilbuis heeft opnames vanaf eind maart 1980. Er is een lange reeks met weinig onderbrekingen en geen mutaties in Dino. • Rare meting op 14 januari 2015. Waarschijnlijk een meter fout. • De reeks is voor slechts 59,7% verklaarbaar op grond van alleen het verloop van de neerslag en verdamping (zie bovenste grafiek in bijlage 2). • Trendbreuk in de residuals omstreeks 2001 • Een niet-linear model geeft een hogere verklaarde variantie (65,2%). Ook in het niet-linear model is er duidelijk trend aanwezig omstreeks 2001. • Het toevoegen van een step trend op 1 november 2001 aan het linear model (zie onderste grafiek in bijlage 2) geeft een verklaarde variantie van 74,1% met een step van 26,6 cm. Dit is het effect van het verwijderen van de drainage uit de voormalige akker bij de omvorming tot het huidige Duitse natuurontwikkelingsgebied. De afgeleide waarde voor de step moet echter wel als indicatief worden beschouwd, want het verloop is waarschijnlijk niet lineair, maar met de niet lineaire benadering kan geen step worden berekend. B25 (B34F1514) • Deze peilbuis staat aan de westzijde van de Natte Weide, aan de voet van de wal die hier is aangelegd voor het vasthouden van water in de (plas van de) Natte Weide.
Het betreft een peilbuis die al voor de aanleg van de wal aanwezig is, en sinds de aanleg van de wal in feite niet meer op een goede plek staat: enerzijds wordt niet het verloop in de plas van de Natte Weide geregistreerd en anderzijds ook niet het verloop in het gebied ten westen van de Natte Weide.
28
•
•
Toch kan aan het verloop wel worden afgeleid dat er hier in twee fasen een sterke vernatting is opgetreden, de eerste keer in 1992 en de tweede keer vanaf 2000. Verder is er een schijnbare verandering vanaf 2011: vanaf 2011 wordt de peilbuis ook opgenomen als de bovenzijde ervan onder water staat (namelijk met een negatieve waarde) en tot die tijd werd de buis dan gewoon niet opgenomen en werd op het opnameformulier een W (= code voor onder water) genoteerd. Er zijn van deze reeks geen GXG’s berekend en er is geen tijdreeksanalyse gedaan.
B29 (B34F1518, B34F1519) • Peilbuis B29 stond in een slenk in het bosgebied tussen het Zuidelijke Grensven en de Natte Weide. De opname van de peilbuis is vanaf eind maart 2012 beëindigd. • De metingen zijn begonnen vanaf eind maart 1980. Er zijn twee mutaties in de databank, in 1989 en 1995. Bij (in ieder geval) de eerste mutatie zit een sprong in de grondwaterstanden. • Vanwege de verdachte sprong (in relatie tot de mutatie in de databank) en het ontbreken van recente meetgegevens is geen tijdreeksanalyse gemaakt. • De GXG-waarden zijn wel afgeleid, maar voor een (ten opzichte van de overige peilbuizen) afwijkende periode, aangezien er geen recente meetgegevens bekend zijn. B36 (B34F1580, B34F1581) • De peilbuis staat langs de Witte Veenweg. De peilbuis heeft één filter, met de onderkant van het filter op 149 cm onder maaiveld. • De peilbuis heeft opnames vanaf eind maart 1980. Er is een mutatie in Dino op 13 september 1995. De buis is herplaatst. • De reeks is voor slechts 67,7% verklaarbaar op grond van alleen het verloop van de neerslag en verdamping. Er is geen trendbreuk in de residuals. • Een niet-linear model geeft een hogere verklaarde variantie (79,6%). Ook in het niet-linear model is er geen trend aanwezig.
Peilbuizen geplaatst in 1993 B115 (B34H0105) • Deze peilbuis staat nabij de oever van het oude basisbiotoop van de Boomkikker. De peilbuis heeft één filter, met de onderkant van het filter op 118 cm onder maaiveld. • De coördinaten van de peilbuis staan niet goed in Dino. De juiste coördinaten zijn X=256652 Y=462291. De locatie van de peilbuis is wel goed op de kaarten in dit rapport aangegeven. • De peilbuis heeft opnames vanaf juni 1993. Er zijn geen mutaties in Dino. De buis staat vaak onder water waardoor het niet altijd mogelijk is om hem op te nemen. Door alle gaten in de metingen zijn er maar 2 jaren die voldoen aan de criteria van Menyanthes om de GXG’s te berekenen. • Door overstroming is de buis niet geschikt voor een analyse. B116 (B34H0106, B34H0107) • Deze peilbuis staat in het bosgebied tussen de Markslagweg en de Buurserbeek. De peilbuis heeft één filter, en de onderkant van het filter bevindt zich op 367 cm onder maaiveld. • De peilbuis heeft opnames vanaf juni 1993. In de databank is tot 13 september 1995 een filterdiepte van 175 cm onder maaiveld, maar dat klopt waarschijnlijk niet, want er worden in die periode ook waarnemingen gedaan onder die waarde. • De reeks is voor 80,5% verklaarbaar op grond van alleen het verloop van de neerslag en verdamping en er is geen trendbreuk in de residuals
29
B117 (B34H0108, B34H0109) • • •
Deze buis stond in het zuiden van het natuurgebied, vlakbij de Buurserbeek. Laatste meting in Dinoloket is 14-10-2005. Dus geen GXG’s afgeleid en geen tijdreeksanalyse uitgevoerd.
B118 (B34F1575) • Deze peilbuis staat in het westelijke deel van het hoogveenrestant. De peilbuis heeft twee filters: een ondiep filter (B118B) in het veenpakket en een diep filter (B118A) in de zandondergrond (dus de filteraanduiding van dit oude meetpunt is omgekeerd aan de filteraanduiding van meer recentelijk geplaatste meetpunten!). • De peilbuis heeft opnames vanaf juni 1993. Tot juli 2000 stond het ondiepe filter 43 cm hoger. Deze filter is toen blijkbaar vervangen met een filter dat onderin de veenlaag staat. • Vermoedelijk zijn de opnames van beide filters gewisseld vanaf 15 oktober 1993 tot en met 19 april 1995. • Beide filters zijn verlengd en voorzien van divers in 2014. • Vanaf de aanleg van de veendijken (met in de kernen houten damwanden) eind 2007 is duidelijk sprake van vernatting. Voordat (begin 2014) verlenging van de peilbuizen plaatsvond kwamen ze vanwege de vernatting in de winter regelmatig onder water te staan. Hierdoor zijn er gaten in de reeksen aanwezig. • De reeksen vanaf juli 2000 zijn gebruikt voor de berekeningen van de GXG’s en de tijdreeksanalyse. • De ondiepe reeks (B118B) is voor slechts 19,9% verklaarbaar op grond van alleen het verloop van de neerslag en verdamping en de diepe reeks (B118A) voor 37,8%. Beide reeksen hebben een duidelijk trend breuk in de residuals rondom november 2007.
• Het toevoegen van een steptrend op 1 november 2007 aan het linear model van B118B levert een verklaarde variantie van 86,8% met een step van 37,0 cm. Bij B118A is de verklaarde variantie met een steptrend 86,8% met een step van 32,0 cm. Dit is het vernattingseffect van de compartimentering van het hoogveenrestant met behulp van aanleg van veendijken met in de kernen houten damwanden. • Uit vergelijking van het verschil tussen de GHG en GLG voor de realisatie van de compartimentering (GHG-GLG=32 cm) en het verschil hierna (GHG-GLG= 24 cm) volgt dat door de compartimentering ook de waterstandsdynamiek is afgenomen.
Peilbuizen geplaatst na 2000 B119 (B34F1585) • Deze peilbuis staat in de dekzandrug ten noorden van de slenk langs de Wargerinkweg. De peilbuis heeft één filter en de onderkant van het filter bevindt zich op 166 cm onder maaiveld. • De peilbuis heeft opnames vanaf 15 oktober 2001. Er zijn geen mutaties in dino. • De reeks is voor 78,8% verklaarbaar op grond van alleen het verloop van de neerslag en verdamping. Er zijn geen trends. B133 (B34F1588) • Deze peilbuis staat in het noordelijke deel van het hoogveenrestant, in de zone tussen de leemkade en de noordelijke veendijk met houten damwand, en nabij de enclave Jannink. De peilbuis heeft opnames vanaf 14 april 2004. • In de grafiek is ook het verloop van het oppervlaktewaterpeil van S001 (ter plaatse van de afvoerstuw in de leemkade) weergegeven. • Uit vergelijking van de grafiek van S1 en B133 volgt dat er in dit noordelijke deel van het hoogveenrestant sprake is van wegzijging vanuit het veen naar de
30
ondergrond. De oorzaak hiervan wordt inzichtelijk gemaakt aan de hand van ecohydrologisch dwarsprofiel A-A’ (zie hoofdstuk 4). B134 (B34F1589) • Peilbuizen B134 en B135 staan in een slenk tussen het hoogveenrestant en de Natte Weide. B134 staat in het bovenstroomse uiteinde van deze slenk in een gebied met natte heide. • Ook deze peilbuis heeft opnames vanaf 14 april 2004. • Het niet-lineair model heeft een goede fit zonder trends. B135 (B341590) • Peilbuis B135 staat in bosgebied en halverwege de slenk tussen het hoogveenrestant en de Natte Weide. • De peilbuis heeft één filter en de onderkant van het filter bevindt zich op 93 cm onder maaiveld. • De peilbuis heeft opnames vanaf 14 april 2004 en er zijn geen mutaties in dino. • De reeks is voor slechts 40,9% verklaarbaar op grond van alleen het verloop van de neerslag en verdamping. • Een niet-lineair model geeft een iets hogere verklaarde variantie (45,9%) maar is nog steeds slecht. • De fit is waarschijnlijk slecht doordat de buis in de zomer vaak droog valt: hierdoor zijn er veel gaten in de reeks. • Het toevoegen van een step eind 2007 (moment van demping van de sloot in de slenk) levert een verklaarde variantie van 58,6%. Dit is wel duidelijk hoger dan zonder step, maar nog altijd niet bevredigend, waarschijnlijk met name vanwege het droogvallen van de peilbuis in de zomer.
De berekende step bedraagt 25 cm, maar moet dus met enige terughoudendheid worden geïnterpreteerd. B136 (B34F3744) • Deze peilbuis staat in de noordelijke oever van het Noordelijke Grensven. • De peilbuis is geplaatst in 2014 en de eerste opname is in februari 2015 gedaan. • In de grafiek is ook het oppervlaktewaterstandsverloop van peillat L136 weergegeven. Dit meetpunt is al vanaf 2004 opgenomen. • L136 tijdreeksmodel niet-lineair beste fit met verklaarde variantie 74,5%. Geen trends. L137 (P34F0035) • L137 betreft een peillat in het Zuidelijke Grensven en heeft opnames vanaf 2004. • Er zitten veel gaten in de reeksen door droogval van de peillat in droge zomerperioden. Hierdoor is het niet mogelijk om de GXG’s af te leiden. B138 (B34F2957) • Deze buis staat net bovenstrooms van de noordelijke veendijk met damwand in het hoogveenrestant. De peilbuis is geplaatst in november 2007, dus na het plaatsen van de damwanden. • De peilbuis heeft twee filters. Het ondiepe filter (B138A) is 50 cm lang en staat in het veenpakket. Het diepe filter (B138B) is 50 cm lang en staat in het zandpakket onder de veenlaag. • Er is een mutatie in de databank op 25 augustus 2014 wanneer beide filters zijn verlengd en voorzien van divers • Bij de mutatie treedt een sprong op in de reeksen. Dit is vermoedelijk een schijn sprong doordat de oude referentiehoogte niet klopte.
Als de buis alleen verlengd is moeten de filterdieptes hetzelfde zijn maar in dino staan ze 7cm hoger na het verlengen. Daarom hebben wij de referentiehoogtes van beide filters voor 25 augustus 2014 met 7 cm verhoogd. Hierdoor gaan de grondwaterstanden ook met 7 cm omhoog waardoor de sprong in de reeksen verdwijnt.
31
• •
• •
In de grafiek is ook het verloop van de oppervlaktewaterstanden van S2 (ter plaatse van de afvoerstuw van het compartiment) weergegeven. Er is een lineair tijdreeksmodel gemaakt voor de reeks van het ondiepe filter. De ondiepe (gecorrigeerde) reeks (B138A) is voor slechts 62,6% verklaarbaar op grond van alleen het verloop van de neerslag en verdamping. Er zijn geen trends in de residuals. Een niet-lineair tijdreeksmodel van de ondiepe reeks levert een hogere verklaarbare variantie, namelijk 77,7% (zonder trends). Het verschil tussen de GHG en de GLG bedraagt hier slechts 20 cm.
B139 (B34F2958) • Deze peilbuis staat in het noordelijke deel van het hoogveenrestant, ongeveer halverwege de twee veendijken met houten damwanden. De peilbuis is geplaatst in november 2007, dus na het plaatsen van de damwanden. • De peilbuis heeft twee filters. Het ondiepe filter (B139A) is 50 cm lang en staat in het veenpakket. Het diepe filter (B139B) is 50 cm lang en staat in het zandpakket onder de veenlaag. • Er zijn geen mutaties in de databank • Opname op 14 september 2016: filterwisseling. Dit is gecorrigeerd in de grafiek. • Vergelijking van referentiehoogtes in Dino en eigen veldwerk: de ondiepe peilbuis (filter A) is los en dus onbetrouwbaar. Wij meten 11 cm lager bij de ondiepe buis. Bij de diepe buis (filter B) meten wij 5 cm hoger. De verhoging die in de grafiek te zien is komt dus door de losse buis en niet door een echte grondwaterstandsverhoging. • De GXG’s zijn berekend met gebruik van de reeks van het diepe filter (want ondiep filter is onbetrouwbaar). Er is geen tijdreeksanalyse gedaan. B140 (B34F2959) • Deze buis staat net bovenstrooms van het zuidelijkste veendijk met damwand in het hoogveengebied. De peilbuis is geplaatst in april 2008 en opgenomen vanaf april 2009 dus na het plaatsen van de damwanden. • De peilbuis heeft 2 filters. Het ondiepe filter (B140A) is 50 cm lang en staat in het veenpakket.
Het diepe filter (B140B) is 50 cm lang en staat in het zandpakket onder de veenlaag. • De buizen zijn verlengd in augustus 2014 en voorzien van dataloggers. • In de grafiek is ook het verloop van de oppervlaktewaterstand van S3 (ter plaatse van de afvoerstuw van het compartiment) weergegeven. • De GXG’s zijn berekend met gebruik van de reeks van de ondiepe peilbuis en er is geen tijdreeksanalyse gedaan. • Het verschil tussen de GHG en de GLG bedraagt hier slechts 21 cm. B141 (B34F2960 en B34F3199) • Deze peilbuis staat aan de zuidwestrand van het hoogveenrestant. Filters A en B zijn geplaatst in november 2007 en opgenomen vanaf april 2009, dus na het plaatsen van de damwanden. • Er zijn in totaal drie filters. Het ondiepe filter (B141A) is 50 cm lang en staat in het veenpakket. De middeldiepe filter (B141B) is 50 cm lang en staat in het zandpakket onder de veenlaag. Het diepste filter (B141C) staat in een lemig zandlaagje in de keileemondergrond. Deze filter is later bijgeplaatst in 2011 en opname is begonnen op 14 juni 2012. Op hetzelfde moment zijn de A- en B-filters verlengd en voorzien van divers. • De oudere delen van de reeksen van de A- en B-filters zien er raar uit in vergelijking met de nieuwere reeksen, vermoedelijk vanwege foutieve referentiehoogten voor de oude reeksen. Dus alleen de nieuwe reeksen zijn betrouwbaar.
In de nieuwe reeksen zit echter een gat in de metingen. • Er zijn zodoende geen GXG’s berekend en er is geen tijdreeksanalyse gedaan.
32
B142 (B34F2961) • Deze peilbuis staat in een natte heidevegetatie ten zuidwesten van het hoogveenrestant en is geplaatst in 2007. De onderkant van het filter bevindt zich 100 cm onder maaiveld. Het filter staat in de zandlaag onder een dun oppervlakkig veenlaagje. • De buis is verlengd en voorzien van een datalogger in juni 2012. • GXG’s berekend. B180 (B34F3745) • Deze peilbuis staat in het nieuwe schraalland in het zuiden van Bramerveld Zuid. De peilbuis is geplaatst in augustus 2014 en heeft een onderkant filter op 162 cm onder maaiveld in de keileem. • Vanaf het plaatsen is de peilbuis voorzien van een datalogger. • GXG’s bepaald op basis van 2 meetjaren. B181 (B34F3746) • Deze peilbuis staat aan de oever van een klein vennetje in de slenk langs de Wargerinkweg. De peilbuis is geplaatst in augustus 2014 en meteen voorzien van een datalogger. De onderkant van het filter bevindt zich op 256 cm onder maaiveld in de zandlaag. • In de grafiek is ook het verloop van peillat L119 (P34F0031) weergegeven. Hiermee wordt het peilverloop in het vennetje zelf gemeten. Deze peillat wordt vanaf 2001 opgenomen. Rare waarde op 14 december 2016. • Voor de reeks van B181 zijn de GXG’s bepaald op basis van 2 meetjaren.
Korte meetreeksen van de nieuwe peilbuizen van het provinciale meetnet B34F3240 • Peilbuis heeft een filter van 100 cm met de onderkant op 211 cm onder maaiveld. • Er zijn opnames vanaf 5 april 2012. Opname vindt plaats met een datalogger. • De peilbuis staat in het driehoekige natuurontwikkelingsgebied ten westen van de Natte Weide. • De reeks is voor 71,9% verklaarbaar op grond van alleen het verloop van de neerslag en verdamping. Een niet-linear model geeft een betere fit (expvar = 85,5%). Er zijn geen trends in de residuals. B34H0322 • Peilbuis B34H0322 heeft een filter van 100 cm met de onderkant op 169 cm onder maaiveld. • Er zijn opnames vanaf 5 april 2012. Opname vindt plaats met een datalogger. • De peilbuis staat in de zuidelijke slenk van het heideterrein nabij de Buurserbeek. • De reeks is met een linear model voor 86,1% verklaarbaar op grond van alleen het verloop van de neerslag en verdamping. B34H0323 • Peilbuis B34H0323 heeft een filter van 100 cm met de onderkant op 158 cm onder maaiveld. • Er zijn opnames vanaf 5 april 2012. Opname vindt plaats met een datalogger. • De peilbuis staat in de noordelijke slenk van het heideterrein nabij de Buurserbeek. • De reeks is met een linear model 91,9% verklaarbaar op grond van alleen het verloop van de neerslag en verdamping.
33
3.3
Totaalbeeld grondwaterstandsverloop
Herstellende hoogveen •
•
•
•
Uit de tijdreeksanalyse volgt dat ter plaatse van B118 (in het zuidelijke compartiment en in het uiterste westen van het hoogveenrestant) sinds de aanleg van de veendijken met houten damwanden (in 2007) een grondwaterstandsstijging is opgetreden van circa 35 cm. In het noordelijke compartiment was voor de aanleg van de compartimenten nog geen meetpunt aanwezig, maar op basis van de metingen in dwarsprofiel A-A’ in het kader van het veldonderzoek zal in paragraaf 4.3 worden afgeleid in welke mate hier de grondwaterstand is gestegen. Bovendien is dankzij de compartimentering de waterstandsfluctuatie afgenomen, van een GHG-GLG van 32 cm ter plaatse van B118 in de oude situatie naar een GHG-GLG van 24 cm in de nieuwe situatie. In het centrale en noordelijke deel van het gecompartimenteerde hoogveenrestant is de fluctuatie met een GHGGLG van slechts 21 cm ter plaatse van B140 en een GHG-GLG van slechts 20 cm ter plaatse van B138 nog geringer. Op grond van onderlinge vergelijking van de grafieken van B141 met B140 en B138 volgt dat ter plaatse van B141, dus in het zuidelijke deel van het hoogveenrestant, een overeenkomstig verschil tussen GHG en GLG aanwezig moet zijn, maar vanwege technische complicaties in het functioneren van het meetpunt is een onvoldoende lange betrouwbare meetreeks van dit meetpunt beschikbaar om dit op de standaardmethode te kunnen bepalen.
Met deze verschillen tussen de GHG en GLG wordt voldaan aan een belangrijke randvoorwaarde voor hoogveenontwikkeling: hiervoor geldt een verschil van maximaal 30 cm tussen de GHG en GLG voor intacte hoogvenen en van 20 à 25 cm voor herstellende hoogvenen. Dit neemt niet weg dat met een nog geringer fluctuatiebereik de condities voor hoogveenherstel nog beter worden en zo dus ook een betere verlichting van het negatieve effect van de stikstofdepositie kan worden gerealiseerd. Met een nog geringer fluctuatiebereik kunnen de meer kritische bultenvormende veenmossen zich namelijk veel beter vestigen en over grote oppervlakten uitbreiden, waardoor herstel op kan treden van het voor habitattype H7110 Actieve hoogvenen kenmerkende hoogveenbulten- en slenkenpatroon. Vooral in het centrale en zuidelijke deel van het hoogveenrestant (B140 en B141) zijn vrijwel geen verschillen aanwezig tussen het grondwaterstandsverloop in het veenpakket en het grondwaterstandsverloop in de zandondergrond en ook elders (B118 en B138) zijn de verschillen beperkt. Dit vormt een belangrijke aanwijzing dat er (praktisch) geen wegzijging optreedt naar de diepere ondergrond. Er is overigens wel sprake van een lateraal waterverlies via de zandlaag (zoals bij de behandeling van de resultaten van het veldonderzoek zal blijken).
Als gevolg van de compartimentering in 2007 is ter plaatse van B21 in de dekzandrug aan de westzijde de grondwaterstand met circa 20 cm gestegen. Ter plaatse van B22 in de dekzandrug ten oosten van het hoogveenrestant treedt dan geen verhoging op. Hier is echter al eerder, in 2001, een grondwaterstandsstijging opgetreden als gevolg ven het verwijderen van de buisdrainage bij omvorming van de hier voorheen aanwezige akker in het huidige natuurontwikkelingsgebied. Dit wil overigens nog niet zeggen dat dit gebied geen invloed meer heeft op het hoogveenrestant: hierop wordt in paragraaf 4.3 aan de hand van dwarsprofiel B-B’ ingegaan.
34
Bosgebied ten zuiden van het hoogveenrestant •
•
Op basis van de meetreeks van B135 volgt dat de slenk in het bosgebied tussen het hoogveenrestant en de Natte Weide sinds het hier dempen van de afvoersloot in 2007 met name in het winterhalfjaar natter is geworden: de wintergrondwaterstand is hier met 1 à 2 dm gestegen. In de zomer blijft de grondwaterstand echter snel en ver wegzakken. In paragraaf 4.3 zal aan de hand van dwarsprofiel A-A’ ingegaan worden op de oorzaak hiervan. Waarschijnlijk is vanwege het in 2007 dempen van sloten ook in het slenkenstelsel tussen het Zuidelijke Grensven en de Natte Weide een vernatting opgetreden, maar dat kan vanwege technische complicaties in het functioneren van peilbuis B29 niet goed op basis van de meetreeks worden onderbouwd. Wat wel te zien is, is dat ook hier de grondwaterstand in de zomer na de maatregelen in 2007 nog in aanzienlijke mate blijft wegzakken.
Overige zaken •
•
• •
Op basis van de meetreeks van B25 volgt dat hier in twee fasen, namelijk in 1992 en in 2000, een sterke vernatting is opgetreden. De vernatting hangt samen met de aanpak van de drainerende werking van de sloten bij de omvorming van landbouw naar natuur, en de aanleg van de wal op de westzijde van de Natte Weide (waarover straks meer bij de behandeling van dwarsprofiel G-G’ in paragraaf 4.3). Omdat de peilbuis aan de voet van de wal staat (aan de benedenstroomse kant) is het verloop ervan echter niet representatief voor het grondwaterstandsverloop in de Natte Weide zelf en ook niet voor het gebied ten westen hiervan: de peilbuis staat sinds de aanleg van de wal niet heel handig. Op basis van de meetreeks van B19, in het uiterste westen van het heiderestant in het Bramerveld, kan worden afgeleid dat hier rond 1999 een vernatting is opgetreden van circa 25 cm. Het betreft hierbij waarschijnlijk het effect van de reductie van de drainerende werking van het slotenstelsel in het aangrenzende voormalige landbouwgebied / de sloten langs de Bramereldweg, vanwege het afdammen en laten verlanden van de sloten. Elders zijn gedurende de meetperioden geen structurele veranderingen gedetecteerd.
Voor alle meetpunten met meetreeksen van voldoende kwaliteit zijn de GXGwaarden bepaald (zie tabel 3.1) en deze waarden worden bij de behandeling van de dwarsprofielen (in paragraaf 4.3) mede gebruikt voor de beschrijving van het ecohydrologisch functioneren van de verschillende deelgebieden.
35
Tabel 3.1
GXG-waarden peilbuizen Witte Veen
peilbuis code filter periode B6 B19 B21 B22 B29 B29 B115 B116 B118B B118B B118A B36 B119 B134 B135 L136 B138A B139B B140A B141A B141C B142 B180 B181
1 2008-2016 1 2008-2016 1 2008-2016 1 2008-2016 1 2009 en 2011 1 1997-2011 1 2008-2016 1 2008-2016 1 2001-2007 1 2015-2016 2 2015-2016 1 2008-2016 1 2008-2016 1 2008-2016 1 2008-2016 1 2008-2016 1 2010-2016 2 2010-2016 1 2010-2016 1 2010-2016 1 2015-2016 1 2010-2016 1 2015-2016 1 2015-2016
GHG GVG GLG (mNAP) (mNAP) (mNAP) 37,14 40,24 41,53 41,25 39,99 39,91 40,65 37,37 40,89 41,28 41,32 40,12 41,05 41,03 40,08 40,93 41,06 40,98 41,19 41,22 41,23 41,38 37,07 39,90
36,93 40,15 41,37 41,07 39,91 39,88 40,58 37,16 40,86 41,25 41,26 39,96 40,80 41,01 40,06 40,90 41,02 40,95 41,15 41,16 41,20 41,32 37,05 39,81
36,24 39,17 40,61 40,32 39,04 39,14 39,90 36,37 40,57 41,04 40,84 39,37 39,99 40,32 39,64 40,69 40,86 40,67 40,98 40,94 40,95 40,59 36,39 38,95
36
MV GHG-GLG GHG GVG GLG (m) (m -mv) (m -mv) (m -mv) 37,43 40,33 41,74 41,79 40,09 40,09 40,50 38,46 40,90 40,90 40,90 40,43 41,28 41,01 40,07 40,92 40,69 40,83 40,84 41,00 40,98 41,32 37,04 39,92
0,90 1,07 0,92 0,93 0,95 0,77 0,75 1,00 0,32 0,24 0,48 0,75 1,06 0,71 0,44 0,24 0,20 0,31 0,21 0,28 0,28 0,79 0,68 0,95
0,29 0,09 0,21 0,54 0,10 0,18 -0,15 1,09 0,01 -0,38 -0,42 0,31 0,23 -0,02 -0,01 -0,01 -0,37 -0,15 -0,35 -0,22 -0,25 -0,06 -0,03 0,02
0,50 0,18 0,37 0,72 0,18 0,21 -0,08 1,30 0,04 -0,35 -0,36 0,47 0,48 0,00 0,01 0,02 -0,33 -0,12 -0,31 -0,16 -0,22 0,00 -0,01 0,11
1,19 1,16 1,13 1,47 1,05 0,95 0,60 2,09 0,33 -0,14 0,06 1,06 1,29 0,69 0,43 0,23 -0,17 0,16 -0,14 0,06 0,03 0,73 0,65 0,97
4
Veldonderzoek
4.1
Methode
Het veldonderzoek is opgebouwd uit de volgende onderdelen: • Kartering oppervlaktewatersysteem. • Onderzoek ecohydrologische dwarsprofielen. • Hydrochemisch veldonderzoek. • Bodemchemisch onderzoek.
Kartering oppervlaktewatersysteem Deze kartering is uitgevoerd op 12 en 23 januari 2017 en op 19 december 2017 is een aanvullende kartering uitgevoerd van het Duitse deel. De resultaten zijn verwerkt in de verscheidene thematische kaarten die in dit rapport zijn opgenomen en worden toegelicht in paragraaf 4.2.
Onderzoek ecohydrologische dwarsprofielen Het functioneren van het grondwatersysteem is inzichtelijk gemaakt door middel van de vervaardiging van elf ecohydrologische dwarsprofielen. Hiertoe zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd: • Op de hoofdmeetpunten en/of de plekken waar ook inzicht nodig is in de hydrochemische situatie zijn tijdelijke peilbuizen geplaatst. De tijdelijke peilbuizen zijn met Edelman- en zuigerboor geplaatst. Op de hoofdmeetpunten is telkens getracht de keileem aan te boren, zodat ook inzicht ontstaat in de dikte van het watervoerende pakket en de hoogteligging van de hydrologische basis. De boorbeschrijvingen van de bijgeplaatste tijdelijke peilbuizen zijn opgenomen in bijlage 3. • Op locaties met een voldoende dikke zandlaag (> 1,5 meter) zijn per peilbuislocatie twee filters aangebracht, om zo ook de hydrochemische zonering van het grondwater op oriënterende wijze inzichtelijk te maken. • In de tijdelijke peilbuizen is de grondwaterstand twee keer gemeten: één keer aan het einde van de winter (op 16-2-2017) en één keer in een droge zomersituatie (op 11-7-2017). • Er zijn ook aanvullende ondiepe grondboringen uitgevoerd, om het inzicht in zowel horizontale als verticale zin te verfijnen. • Alle tijdelijke peilbuizen en boorgaten zijn ingemeten ten opzichte van NAP.
• Daar waar mogelijk zijn ook de permanente peilbuizen opgenomen in de dwarsprofielen en ook hier zijn de grondwaterstanden gemeten. Ook de boorbeschrijvingen van deze peilbuizen zijn geraadpleegd. • Op basis van de verzamelde gegevens zijn de elf ecohydrologische dwarsprofielen vervaardigd. De resultaten worden toegelicht in paragraaf 4.3. Uit vergelijking van de meetwaarden van de uitgevoerde (zeer) vroege voorjaars- en zomermetingen en de GXG-waarden die voor de meetreeksen van de betreffende peilbuizen zijn afgeleid (zie tabel 4.1) volgt de representativiteit van de metingen die in het kader van het veldonderzoek zijn uitgevoerd.
37
Tabel 4.1
peilbuis code B6 B19 B21 B22 B116 B118B B118A B119 B135 L136 B138A B139B B140A B141A B34F3199 B142
Vergelijking van de op 3-3-2017 en 18-7-2017 gemeten grondwaterstanden in de permanente peilbuizen met de voor deze peilbuizen afgeleide GXG-waarden
GHG GVG GLG (mNAP) (mNAP) (mNAP) 37,14 40,24 41,53 41,25 37,37 41,28 41,32 41,05 40,08 40,93 41,06 40,98 41,19 41,22 41,23 41,38
36,93 40,15 41,37 41,07 37,16 41,25 41,26 40,80 40,06 40,90 41,02 40,95 41,15 41,16 41,20 41,32
36,24 39,17 40,61 40,32 36,37 41,04 40,84 39,99 39,64 40,69 40,86 40,67 40,98 40,94 40,95 40,59
refh dino 37,43 40,70 41,69 41,70 38,69 41,81 41,77 41,52 40,55 40,22 41,75 41,30 41,88 41,73 41,66 41,85
meetwaarde (m+NAP) 16-feb-17 11-jul-17 36,94 36,16 40,14 39,22 41,33 40,58 41,03 40,60 36,86 36,39 41,21 41,00 41,23 40,86 40,74 39,90 40,02 39,27 40,92 40,71 41,04 40,91 40,96 40,71 41,21 40,99 41,18 40,98 41,16 40,91 41,34 40,47
verschil (m) verschil (m) verschil (m) GHG met GVG met GLG met meting 16-2-17 meting 16-2-17 meting 11-7-2017 0,20 -0,01 0,08 0,10 0,01 -0,05 0,20 0,04 0,03 0,22 0,04 -0,28 0,51 0,30 -0,02 0,07 0,04 0,04 0,09 0,03 -0,02 0,31 0,06 0,09 0,06 0,04 0,37 0,01 -0,02 -0,02 0,02 -0,02 -0,05 0,02 -0,01 -0,04 -0,02 -0,06 -0,01 0,04 -0,02 -0,04 0,07 0,04 0,04 0,04 -0,02 0,12
Uit de vergelijking volgt dat: • Op 16-2-2017 op de meeste locaties bij benadering GVG-omstandigheden aanwezig waren. Dus hoewel aan het einde van de winter werd gemeten (en bij de behandeling van de resultaten de metingen van 16-2-2017 ook worden aangeduid als de ‘wintersituatie’), waren (vanwege de relatief droge winter van 2016-2017) op 16-2-2017 bij benadering al GVG-omstandigheden aanwezig. • Op 11-7-2017 bij benadering GLG-omstandigheden aanwezig waren.
Hydrochemisch onderzoek Het hydrochemisch onderzoek is vooral bedoeld om de mate van buffering van het grond- en oppervlaktewater vast te stellen. In combinatie hiermee zijn ook de overige standaardparameters geanalyseerd (onder andere sulfaat, nitraat, chloride, ammonium). De watermonsters zijn door B-WARE genomen. Ook de analyse van de watermonsters is gedaan door B-WARE (standaardpakket voor hydrochemisch onderzoek). De bemonstering heeft plaatsgevonden op 21, 22 en 23 februari 2017. In totaal zijn 104 watermonsters genomen. Interpretatie van de resultaten is in eerste instantie door BWARE gedaan (zie rapportage in bijlage 4). De parameters EGV, Alkaliniteit en pH zijn per meetpunt ook in de ecohydrologische dwarsprofielen weergegeven en in de hoofdtekst (paragraaf 4.4) van interpretatie voorzien.
Bodemchemisch onderzoek Het bodemchemisch onderzoek is uitgevoerd om de fosfaattoestand van de bodem vast te stellen, en op grond hiervan te bepalen of ontgraving van de toplaag een goede optie is, en zo ja, tot op welke diepte er dan ontgraven moet worden. Het al dan niet afgraven van de toplaag hangt echter niet alleen af van de fosfaattoestand maar ook van de inpasbaarheid van de maatregel in het te herstellen hydrologische systeem. Dus de uiteindelijke keuze ten aanzien hiervan volgt pas na de behandeling van de synthese en de conclusies, bij bespreking van de herstelmogelijkheden (aan het einde van hoofdstuk 5).
38
In het kader van het bodemchemisch onderzoek zijn in de periode van 26 t/m 29 juni 2017 ter plaatse van de (voormalige) landbouwgronden op 50 locaties bodemmonsters genomen. Per locatie is op 4 dieptes een monster genomen. In combinatie hiermee zijn 36 aanvullende boringen uitgevoerd. Ook zijn op een aantal plekken met goed ontwikkelde vegetatie referentiemonsters genomen. Het bodemchemisch onderzoek is uitgevoerd door B-WARE en hiervan is ook een afzonderlijke rapportage opgesteld (zie bijlage 4).
4.2
Resultaten kartering lokale oppervlaktewatersysteem
Hoogveenrestant en omgeving Op de noordgrens van het hoogveenrestant is in 2000 een leemkade aangelegd om het waterverlies naar de enclave Jannink tegen te gaan. In de kade is een duiker met bochtstuk aangebracht, waarmee de afvoer van overtollig water plaatsvindt en een zekere regulatie van het waterpeil mogelijk is. In 2007 is het waterverlies in sterke mate verder gereduceerd door de aanleg van twee veendijken met houten damwanden als kern. Hiermee zijn twee grote compartimenten gecreëerd. Beide compartimenten zijn voorzien van een afvoerstuw. Om een zo diffuus mogelijke afvoer vanuit het zuidelijke naar het noordelijke compartiment te realiseren is de zuidelijke veendijk voorzien van vier extra (vaste) overlopen. Deze overlopen maken de constructie kwetsbaar: doordat de houten damwanden hier niet zijn afgedekt met veenplaggen rotten ze vanaf de bovenzijde sneller weg. Hierdoor zijn op sommige plekken nu al kieren aanwezig waarlangs water beneden het beoogde stuwpeil weglekt. Dit gebeurt nu nog slechts in lichte mate, maar zal zonder het doorvoeren van aanpassingen in de loop der tijd vanwege het voortschrijdende rottingsproces toenemen. Bovendien belemmeren de vaste overlopen een eventuele verdere peilverhoging in het compartiment.
Daarbij hebben de extra overlopen in feite ook geen duidelijke functie, aangezien het water zich vanwege de aanwezigheid van het puttencomplex en de gecreëerde plagstrook aan de benedenstroomse zijde van de veendijk met damwand goed kan verspreiden over het benedenstroomse compartiment. Er kan dus ook bij dit zuidelijke compartiment volstaan worden met één afvoerstuw. Op de grens van het hoogveenrestant en de enclave Jannink ligt een diepe sloot en deze sloot watert in noordelijke richting via een diepe sloot af op de Hegebeek. In beide sloten zijn sterke kwelverschijnselen waargenomen. Aan de hand van ecohydrologisch dwarsprofiel A-A’ wordt het effect van het slotenstelsel op het ecohydrologisch functioneren van het hoogveengebied inzichtelijk gemaakt (zie paragraaf 4.3). Langs de Witte Veenweg liggen greppels met hierin onderbrekingen. Er is via deze greppels geen oppervlakkige afvoer waargenomen. Met name greppeltrajecten die dekzandruggen aansnijden kunnen echter de opbolling van de grondwaterspiegel in de ruggen reduceren.
Duitse natuurontwikkelingsgebied In het direct aangrenzende Duitse natuurontwikkelingsgebied zijn diverse slenken uitgegraven. In het slenkenstelsel zijn op diverse plekken overloopdrempels aanwezig. Zowel bij de inventarisatie van 23-1-2017 als van 19-12-2017 trad oppervlakkige afvoer op over deze drempels heen. Ter plaatse van de drempel waarmee afwatering van het vrijwel het gehele natuurontwikkelingsgebied op de bovenloop van de Hegebeek plaatsvindt was de afvoer ook zeer sterk.
39
De meeste overloopdrempels zijn niet verhard en zodoende gevoelig voor erosie. Ter plaatse van de overloopdrempel van de slenk die het meest nabij het Nederlandse hoogveenrestant ligt is ook aan het eroderen. De erosie wordt hier bevorderd door het aanzienlijke peilverschil met de slenk aan de benedenstroomse zijde. Als de erosie verder voortschrijdt, zal het afvoerniveau van deze slenk gaan dalen. De overloopdrempel waarmee het gebied als geheel afwatert op de bovenloop van de Hegebeek is wel verhard (met in beton vastgelegde keien). Voor de afwatering van het zuidelijk gelegen landbouwgebied is in het oostelijke deel van het natuurontwikkelingsgebied een diepe kronkelende watergang uitgegraven.
Bramerveld Ter plaatse van de voormalige landbouwgronden in het Bramerveld zijn veel slootrestanten aangetroffen. In Bramerveld Noord liggen vooral in het oostelijke deel nog veel slootrestanten en in Bramerveld Zuid liggen vooral in het westelijke deel nog veel slootrestanten. Ook langs de Bramerveldweg liggen nog slootrestanten. Veel van deze slootrestanten hebben (in het winterhalfjaar) nog een licht drainerende werking: hoewel de sloten zijn afgedamd / delen van de sloten zijn gedempt vindt via de slootrestanten (over de dammen heen) in natte perioden (zoals tijdens de veldinventarisatie op 12 en 13 januari 2017) oppervlakkige afvoer plaats en de waterpeilen in de slootrestanten liggen daarbij veelal ook één tot enkele decimeters beneden maaiveld. Dit is vanwege het aanwezige maaiveldsverhang ook het geval bij slootrestanten waar de dammen zijn aangebracht tot op het lokale maaiveldsniveau. Ofwel: vanwege de aanwezige algemene terreinhelling en lokale ruggen snijden de slootrestanten ondanks de aanwezigheid van dammen / gedempte trajecten vaak het grondwatersysteem nog enigszins aan. In de slenk ten zuiden van de Bramerveldweg treedt in de winter over het maaiveld en over de dwarsdammetjes tussen de vennetjes heen oppervlakkige afvoer op. Via een klein loopje en een sterk vervallen houten schot watert de slenk af op de sloot op de grens van het natuurgebied.
Het kleine slenkje ten noorden van B180 watert af via een slootrestant en onder een vervallen houten schotbalkstuw door op het slotenstelsel ten westen van het natuurgebied.
Slenken Wargerinkweg Ten zuiden van B181 (ofwel op de noordgrens van de voormalige landbouwgrond) is een drainerend slootrestant aangetroffen, want hier is tijdens de veldinventarisatie op 12 januari 2017 bij een waterpeil van enkele decimeters beneden maaiveld oppervlakkige afvoer geconstateerd en in dit slootrestant zijn tijdens een veldbezoek op 29-3-n017 (samen met A. Jansen van de Bosgroepen) zelfs kwelverschijnselen (in de vorm van oliefilm) waargenomen. Ook in dit deelgebied liggen langs de Witte Veenweg greppels met onderbrekingen. Op de buitengrens van het natuurgebied zijn in beide slenken dwarswallen aangebracht. Hiermee vindt opstuwing van water plaats in de twee slenken. In de noordelijke slenk ligt het waterpeil iets boven maaiveld en er is een kleine poel uitgegraven. In de zuidelijke slenk ligt het waterpeil ver boven maaiveld waardoor hier (in combinatie met het achterwege laten van afgraven van de fosfaatrijke bovengrond) een voedselrijke plas tot ontwikkeling is gekomen. Beide slenken wateren via duikers met bochtstukken (die in de wal zijn aangebracht) af op het externe stelsel. De afwatering van de noordelijke slenk verloopt via een klein loopje op camping de Leemkoel.
40
Grensvennen en Duitse hoogveenrestant Het Noordelijke en Zuidelijk Grensven zijn van elkaar gescheiden door een dekzandrug. Het Noordelijke Grensven en het laagtenstelsel van het Duitse hoogveenrestant wateren af op de sloot die op de oostgrens van het natuurgebied ligt en via deze sloot verloopt de afwatering in noordelijke richting, naar (uiteindelijk) de Hegebeek. In de afvoersloot op de oostgrens is een houten schot / damwand aangebracht, waarmee het water tot enkele decimeters beneden maaiveld wordt opgestuwd. In het Duitse hoogveenrestant zijn greppelrestanten aanwezig. Langs de sloot op de oostgrens ligt een kleine wal, met hierin een aantal gaten: via deze gaten staan de greppelrestanten in verbinding met de afvoersloot. Via twee van de greppels werd op 1912-2017 oppervlakkige afvoer geconstateerd. Op één van de locaties was de afvoer ook sterk en kon het water ook tot op laag niveau afstromen. Het Zuidelijke Grensven watert middels overstroming van een klein walletje af op de smalle slenk in het bosgebied ten westen van het ven, en deze smalle slenk sluit aan op de hoofdslenk ter plaatse van de Natte Weide.
Bosgebied ten zuiden van het hoogveenrestant In 2007 zijn in het kader van de uitvoering van het eerste herstelplan de relatief diepe afvoersloten die voorheen in het slenken- en laagtenstelsel van het bosgebied aanwezig waren gedempt, zo ook in de afvoerslenk van het Zuidelijke Grensven en de slenk die vanaf het hoogveenrestant naar de Natte Weide loopt. Zodoende vindt de waterafvoer hier nu op diffuse wijze via de slenkbodems plaats. Bij de inventarisatie zijn nog wel zeer ondiepe greppelrestanten langs de paden aangetroffen en in enkele delen van het bosgebied zijn nog (vervallen) intensieve greppelstelsels aanwezig (het betreft hier dus geen rabatten). De intensieve greppelstelsels zijn niet afzonderlijk ingetekend op de kaarten maar zijn wel goed herkenbaar op de hoogtekaart (zie figuur 2.4). Gezien de slechte toegankelijkheid van sommige delen van het bosgebied (vanwege de aanwezigheid van omgewaaide bomen en dicht struweel) bestaat de mogelijkheid dat in 2007 niet alle slootjes en greppels in het slenken- en laagtenstelsel (goed) zijn gedempt. Om dezelfde reden konden deze delen nu ook niet goed geïnventariseerd worden.
Natte weide en driehoekig natuurontwikkelingsgebied Ter plaatse van de Natte Weide stromen de verscheidene kleine slenken van het bosgebied samen tot één hoofdslenk. In de Natte weide zijn nog enkele slootrestanten aanwezig. Vanwege de aanleg van een wal is in het westelijke deel van de Natte Weide een grote plas ontstaan. De plas heeft een uitloper in noordoostelijke richting. De waterafvoer vindt over maaiveld heen en via de plas plaats. Via een duiker (in de vorm van een plastic pijpje) die in de wal is aangebracht wordt het overtollig water afgevoerd naar het ven in de zuidhoek van het driehoekig natuurontwikkelingsgebied. Aan de zuidwestzijde en in het laagste deel ook aan de noordwestzijde van het driehoekige natuurontwikkelingsgebied is (op de buitengrens van het natuurgebied) een wal aangelegd. Bovenlangs deze wal vindt over maaiveld heen de waterafvoer vanuit dit zuidelijke ven naar de lage westhoek van het natuurontwikkelingsgebied plaats, waar ook een klein vennetje aanwezig is. In de lage westhoek is een duiker met bochtstuk aangebracht in de wal, waarlangs de waterafvoer plaatsvindt naar het externe slotenstelsel.
41
Langs de zuidwestgrens van het driehoekig natuurontwikkelingsgebied is een diepe sloot aanwezig. Het effect van deze sloot op het ecohydrologisch functioneren van het natuurgebied wordt aan de hand van dwarsprofiel G-G’ inzichtelijk gemaakt (zie paragraaf 4.3).
Duitse gebied ten oosten van het Oude Basisbiotoop In het oostelijke deel van de grensoverschrijdende laagte waarin het Oude Basisbiotoop ligt (zie figuur 2.4) is een intensief beheerd landbouwgebied aanwezig. Het landbouwperceel wordt ontwatert met een diepe sloot aan de zuidzijde en een drain aan de westzijde. De sloot watert in zuidelijke richting af op de Buurserbeek. De gronden ten westen van dit landbouwgebied zijn inmiddels omgevormd tot natuurgebied. In het westelijke deel hiervan, dus tegen het basisbiotoop aan, is in een afgraving uitgevoerd, waardoor hier nu een rechthoekige plas is ontstaan. In de zone tussen de plas en het intensief beheerde landbouwgebied is nu een extensief beheerd grasland aanwezig en de voormalige afvoersloot is omgevormd in een kunstmatig afvoerslenkje met poeltjes, waarin de Boomkikker zich heeft gevestigd. Niet alleen het ontwateringssysteem van het landbouwgebied maar ook het afvoerslenkje heeft een drainerende werking op het grondwater. Bovendien vindt vanuit de plas over het maaiveld van de laagte heen in natte winterperioden oppervlakkige afvoer plaats.
Oude Basisbiotoop en Het Markslag In het kader van de inrichting van het Oude Basisbiotoop is voor de waterafvoer vanuit de plas een stuw geplaatst en een kronkelend afvoerloopje gegraven. In de praktijk vindt echter nooit afvoer via de stuw plaats (mondelinge mededeling R. Meulenbroek, Natuurmonumenten). Vermoedelijk hangt dit samen met de diepe ontwatering / afwatering van het oostelijke deel van de laagte: de afvoer vindt blijkbaar (ondergronds) in oostelijke richting plaats. Mogelijk vindt in extreem natte perioden wel oppervlakkige afvoer over het pad heen plaats in westelijke richting. Behalve het kronkelende loopje zijn ook elders in het fijnmazige slenkenstelsel van deelgebied Het Markslag nog slootrestanten aanwezig. Vooral het slootrestant in het noordelijke slenkje heeft getuige de hier geconstateerde kwelverschijnselen nog een drainerende werking op het grondwater (zie voor verdere analyse: paragraaf 4.3). Dit slootrestant doorsnijdt aan de westzijde ook een dekzandruggetje. Het slootrestant mondt uit in een kleine poel in een kleine laagte. Ten westen hiervan is geen duidelijke loop meer aanwezig, maar vindt de afvoer op diffuse wijze over maaiveld heen af: de kleine laagte stroomt over naar een klein slenkje en op de buitengrens van het natuurgebied is in het slenkje recentelijk een stuwtje geplaatst waarmee de afvoer plaatsvindt naar het externe stelsel.
De (slootrestanten in de) verder zuidelijk gelegen slenkjes wateren via een (slootrestant in) een dwarsslenk af op het ven in de zuidwesthoek van deelgebied Het Markslag (ofwel het nieuwe Boomkikkerbiotoop). Vanuit het ven wordt via een slootrestant het water in westelijke richting afgevoerd naar het externe stelsel, en dit stelsel watert af op de Buurserbeek. In dit slootrestant is een gronddrempel aanwezig, die ervoor zorgt dat het afvoerniveau aan maaiveld ligt. Op de buitengrens van het natuurgebied ligt een verhoogd pad, ofwel een wal. Deze wal heeft echter geen stuwende werking. Via een oude betonnen duiker wordt de afvoer onder het pad doorgeleid. Langs de paden zijn over het algemeen nog hooguit zeer ondiepe greppelrestanten aanwezig, die geen drainerende werking meer hebben (en zodoende ook niet op de kaarten zijn weergegeven). Enige uitzondering hierop is een diepe greppel ten westen van het pad ter hoogte van de stuw van het oude basisbiotoop (dit traject is wel op de
42
kaarten aangegeven). In de bosgebieden van deelgebied Het Markslag zijn in drie delen vervallen greppelstelsels aanwezig.
Bosgebied en heideterrein ten zuiden van de Markslagweg In het (droge) bosgebied zijn geen sloot- en greppelrestanten aangetroffen. In de oostelijke delen van beide slenkjes in het heideterrein langs de Buurserbeek zijn ‘swinters natte omstandigheden aanwezig, en op de allerlaagste plekken kan het waterpeil in de winter tot iets boven maaiveld oplopen. Er is hier echter (ook in natte winterperioden) geen sprake van oppervlakkige afvoer via de slenken en er zijn ook hier geen sloot- of greppelrestanten aangetroffen. De noordelijke slenk loopt in oostelijke richting door tot over de rijksgrens heen en hier ligt een intensief beheerd graslandperceel. Dit perceel wordt ontwaterd met een buisdrainagesysteem (mondelinge mededeling J. in ‘t Veld, Natuurmonumenten).
43
4.3
Resultaten ecohydrologische dwarsprofielen
4.3.1 Hoogveenrestant (dwarsprofielen A-A’ en B-B’) Het hoogveenrestant bestaat uit een restveenlaagje (ofwel een laagje vast veen) van doorgaans 10 à 40 cm dik en veenputten waarin secundaire veenvorming plaatsvindt. Aan de basis van het veen is over het algemeen een 5 tot 15 cm dikke gyttja aanwezig. Gyttja is een meerbodemafzetting. De gyttja is kleiig ontwikkeld, is bovenin sterk humeus en wordt naar beneden toe zandiger. Op basis van een gezamenlijk veldbezoek met A. Jansen van de Unie van Bosgroepen (op 29-3-2017) is een beeld gevormd van de veenvorming in het Witte Veen. Gezien de aanwezigheid van de gyttja is de veenvorming in open water begonnen. Een verlandingsveen vormt dus de basis van het huidige hoogveen. In dat verlandingsveen zijn, toen de kragge dik genoeg was, delen begroeid geweest met bos, getuige de houtresten in de boringen. Dat bos is overgroeid geraakt door veenmossen. Er was aanvankelijk vermoedelijk nog geen sprake van een volledig van het grond- en oppervlaktewater onafhankelijk door veenmossen gedomineerd veen, zoals de resten van Riet en Veenbloembies aantonen in een (tijdens het gezamenlijke veldbezoek uitgevoerde) boring in het centrum van het huidige hoogveen.
De voortgaande uitbreiding van veenmossen zorgde voor vernatting van zijn hogere omgeving en vervolgens voor de geleidelijke vorming van slecht doorlatende lagen in de daar aanwezige podzolbodems. Zulke slecht doorlatende lagen kunnen bestaan uit gliede en/of zogenoemde verkitte of kazige B-horizonten. Een dergelijke verkitte B-horizont is aangetroffen op locatie Bo139 (nabij peilbuis B138) aan de noordzijde van het hoogveenrestant. Totdat in 2007 de veendijken met (in de kernen) houten damwanden werden aangelegd (zie dwarsprofiel A-A’), verloor het enigszins hellende hoogveenrestant veel water middels laterale afvoer via de veenputjes / doorlatende veendijkjes en middels oppervlakkige afvoer over de toen nog lage dijkjes heen. Sinds 2007 is dit waterverlies door de aanleg van de veendijken / houten damwanden sterk gereduceerd. Hierdoor is in het zuidelijke compartiment de (grond)waterstand met circa 35 cm gestegen (zie bijlage 1, grafiek B118B = ondiep filter in veenpakket). Bovendien is de waterstandsdynamiek afgenomen: terwijl in de oude situatie voor B118B het verschil tussen de GHG en GLG 32 cm bedroeg, bedraagt dit verschil in de huidige situatie 24 cm. Dit betekent dus dat ook een demping van de waterstandsdynamiek is gerealiseerd.
Aangezien in het noordelijke compartiment voor de aanleg van de veendijken met damwanden geen peilbuis aanwezig was, kan de waterstandsverhoging hier niet op basis van een peilbuismeetreeks worden vastgesteld. Wel is bekend dat het waterpeil ter plaatse van B138A (= ondiep filter in veenpakket) / S2 in de situatie voor de compartimentering bij benadering gelijk was aan het waterpeil ter plaatse van / S1, terwijl nu het waterpeil ter plaatse van B138A / S2 circa 35 cm hoger is. Uit vergelijking van de grafieken volgt ook dat de verhoging niet alleen voor de winter maar ook voor de zomer geldt en dus over de gehele linie doorwerkt. Daarbij is het verschil tussen de GHG en GLG ter plaatse van B138A nog geringer dan ter plaatse van B118B, namelijk 20 cm. Deze waarde geldt bij benadering ook voor B140A, in het centrale deel van het hoogveenrestant (GHG-GLG = 21 cm). Al eerder (in 2000) is langs de buitengrens de leemkade aangelegd, maar (zoals in dwarsprofiel A-A’) is te zien, was de aanleg hiervan onvoldoende voor de vernatting van het hoogveenrestant als geheel. In feite leverde de aanleg hiervan alleen een effectieve vernatting op van het allerlaagste deel van het hoogveenrestant ten noorden van de in 2007 aangelegde noordelijke veendijk met houten damwand.
44
De kleiige gyttja / verkitte B-horizont al dan niet met gliede vormt een weerstandsbiedende laag. Dit is de reden dat de (grond)waterstand in het veenpakket kan afwijken van de grondwaterstand in de zandondergrond (zie dwarsprofielen). Het is daarbij opvallend dat de verschillen nooit heel groot zijn en dat in het centrale deel en zuidelijke deel zelfs helemaal geen verschil aanwezig is. Ook het grondwater in de zandondergrond blijft het gehele jaar door dus zeer goed op druk. Bij de aanleg van de veendijken met de houten damwanden is de grondwaterstand in de zandlaag en zelfs in de dekzandrug aan de westzijde van het hoogveenrestant ook meegestegen. Deze zaken vormen tezamen met de zeer beperkte waterstandsdynamiek in het hoogveenrestant belangrijke aanwijzingen dat er geen of nauwelijks wegzijging optreedt naar de diepe ondergrond. Dit is te danken aan de meters dikke, praktisch ondoorlatende laag leem-/klei in de ondergrond. Blijkbaar bevinden zich hierin dus ook geen gaten, want anders zou dit zichtbaar zijn in het grondwaterstandsverloop. Onder invloed van de opbollende grondwaterspiegel in de dekzandrug ten westen van het hoogveenrestant (zie B21 in dwarsprofiel B-B’) is de stijghoogte van het grondwater in de zandlaag onder het veen in de winter hoger dan de (grond)waterstand in het veen, en wordt het hoogveen dus in lichte mate gevoed met kwelwater vanuit de zandlaag.