CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

EDOP-#6082719-v1-Provinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte Veen Bijlagen bij de toelichting

commissie Ruimte 13 januari 2021, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Voorstel om geen zienswijze in te dienen ten aanzien van ontwerp Provinciaal Inpassingsplan (PIP) Witteveen36.460 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Datum: Status: Identificatienummer:

06-11-2020 ontwerp NL.IMRO.9923.ipWitteveen-on01

Het Provinciaal Inpassingsplan (PIP) Provinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte Veen is opgesteld door:

en:

In samenwerking met:

Samen economisch sterker, met de kracht van de natuur Overijssel telt 24 natuurgebieden die zo bijzonder zijn, dat ze zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. Het Natura 2000-programma stelt ons in staat om samen te werken aan het behoud en herstel van kwetsbare natuur. Dat is geen luxe, maar pure noodzaak. Provincie, andere overheden en natuur- en belangenorganisaties hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de kwaliteit van het leefgebied van zeldzame dieren en planten te verbeteren, voor nu en in de toekomst. Met maatwerk maken we de natuur veerkrachtig en weerbaar tegen invloeden van buiten, zoals verdroging en de uitstoot van stikstof. Waar nodig wordt de bestemming en/of het gebruik gewijzigd en planologisch vastgelegd in een ruimtelijk plan. De maatregelen kunnen effect hebben op de gronden in de directe omgeving van de Natura 2000-gebieden. Samen met de grondeigenaren zorgen we voor een passende oplossing voor hun toekomst.

Meer informatie over Provinciale Inpassingsplannen Natura 2000? Kijk ook op: www.overijssel.nl/natura2000Of neem contact op via: natura2000pip@overijssel.nl onder vermelding van het betreffende Natura 2000-gebied.

Inhoudsopgave

Bijlagen bij de toelichting

5

Bijlage 1

Bijlagen bij Interne maatregelen Natuurmonumenten

6

Bijlage 2

Natura 2000-beheerplan

321

Bijlage 3

Notitie reikwijdte en detailniveau

322

Bijlage 4

MER

382

Bijlage 5

Watertoets waterschap Vechtstromen

921

Bijlage 6

Archeologisch bureauonderzoek

927

Bijlage 7

Gebiedsscan ruimtelijke kwaliteit

968

Bijlage 8

Quickscan conventionele explosieven

1011

Bijlage 9

Reactienota

1099

NL.IMRO .9923.ipWitteveen-on01

3

P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 4

Bijlagen bij de toelichting

NL.IMRO .9923.ipWitteveen-on01

5

Bijlage 1 Bijlagen bij Interne maatregelen Natuurmonumenten

P IP P rovinciaal inpassingsplan Natura 2000-gebied Witte V een 6

Ontwerp Inrichtingsplan Natura 2000-herstelmaatregelen en aanvullend beheer

Bijlagen De ontbrekende bijlagen zijn vanwege de AVG en andere gevoeligheidsredenen weggelaten.

Ontwerp Inrichtingsplan Natura 2000-herstelmaatregelen en aanvullend beheer

Bijlage 1 M22: Ecohydrologische systeemanalyse

Ecohydrologische systeemanalyse en uitwerking maatregelenplan Natura 2000-gebied Witte Veen In het kader van de uitwerking van PAS-maatregelen Definitief rapport Zwolle, april 2018

Bell Hullenaar Ecohydrologisch Adviesbureau

in opdracht van:

Bell Hullenaar Ecohydrologisch Adviesbureau Schellerweg 112 8017 AK Zwolle Telefoon: 038-4774559 E-mail: hullenaar@live.com Projecttitel: Opdrachtgever: Auteurs:

Ecohydrologische systeemanalyse en maatregelenplan Natura 2000-gebied Witte Veen Gemeente Haaksbergen J.S. Bell en J.W. van ’t Hullenaar

Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook zonder voorafgaande toestemming van de projectuitvoerder en opdrachtgever.

Inhoud 1

Inleiding

1

2

Gebiedsbeschrijving

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6

Oriëntatie en huidige topografische situatie Historische ontwikkeling Geologie en geohydrologische opbouw Hoogteligging Hoofd-oppervlaktewatersysteem Vegetatie

7 7 9 15 17 18 20

3

Analyse grondwaterstandsverloop

3.1 3.2 3.3

Inleiding Resultaten per meetpunt Totaalbeeld

4

Veldonderzoek

4.1 4.2 4.3

Methode Resultaten inventarisatie oppervlaktewatersysteem Resultaten onderzoek ecohydrologische dwarsprofielen 4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.3.4 4.3.5 4.3.6 4.3.7 4.3.8 4.3.9

Hoogveenrestant Grensvennen Bosgebied ten zuiden van het hoogveenrestant Bramerveld Slenk langs Wargerinkweg Natte weide en driehoekig natuurontwikkelingsgebied Het Markslag Hegebeek en omgeving Buurserbeek en omgeving

4.4

Belangrijkste resultaten van het bodemchemisch onderzoek

5

Synthese, conclusies en herstelmogelijkheden

5.1 5.2 5.3

Ontstaansgeschiedenis, verval en eerste herstel Huidig ecohydrologisch functioneren en knelpunten Herstelmogelijkheden

6

Maatregelenplan

6.1 6.2

Inleiding Maatregelen ten behoeve van het hoogveen 6.2.1. Overzicht maatregelen 6.2.2 Toelichting maatregelen Nederlandse deel 6.2.3 Toelichting maatregelen Duitse deel

6.3

Maatregelen ten behoeve van de randzone van het hoogveen 6.3.1 6.3.2 6.3.3 6.3.4 6.3.5 6.3.6

6.4

Overzicht en algemene toelichting maatregelen Toelichting maatregelen Bramerveld Toelichting maatregelen Slenken Wargerinkweg Toelichting maatregelen Natte Weide en omgeving Toelichting maatregelen Oude Basisbiotoop en Het Markslag Toelichting maatregelen aan de Duitse zijde

Maatregelen ten behoeve van de beekdalen 6.4.1 Toelichting maatregelen dal van de Hegebeek 6.4.2 Toelichting maatregelen dal van de Buurserbeek

Literatuur Bijlagen

24 24 27 34 37 37 39 44 44 46 47 48 49 50 52 53 54 55 57 57 59 65 67 67 68 68 69 73 75 75 78 82 82 84 86 88 88 90

1

Inleiding

Het Natura 2000-gebied Witte Veen betreft een bijna 300 ha groot, ecologisch waardevol hoogveen- en heidegebied met vennen in de gemeente Haaksbergen aan de grens met Duitsland. Het Witte Veen vormt samen met het Duitse Witte Venn een aaneengesloten, grensoverschrijdend natuurgebied (zie figuur 1.1). Met name vanwege knelpunten in de waterhuishouding en een te hoge stikstofdepositie staan de ecologische waarden van het Natura 2000-gebied onder druk. De gemeente Haaksbergen heeft bureau Bell Hullenaar in het kader van de PAS-regeling verzocht om een ecohydrologische systeemanalyse voor het Natura 2000-gebied Witte Veen uit te voeren en op basis hiervan een maatregelenplan op te stellen voor duurzaam behoud en herstel van grondwaterafhankelijke habitattypen. Het betreft hierbij maatregel M22 uit de PAS-gebiedsanalyse voor het Witte Veen. De systeemanalyse moet aansluiten op het al eerder door Bell Hullenaar voor dit gebied uitgevoerde ecohydrologisch onderzoek (Bell Hullenaar, 2005), dat met name gericht was op het hoogveenrestant. Als invulling van de Natura 2000-opgaven dient de systeemanalyse een bredere opzet te hebben, zodat ook duidelijk wordt op welke wijze de standplaatsomstandigheden van andere habitattypen tot stand komen door processen in de waterhuishouding op landschapsschaal.

Op basis van de systeemanalyse dient te worden bepaald of en welke aanvullende hydrologische maatregelen in en nabij het Natura2000-gebied nodig en haalbaar zijn.

Doelstelling en onderzoeksvragen Doelstelling van het project is het opstellen van een maatregelenplan voor het Natura 2000-gebied Witte Veen op basis van een ecohydrologische systeemanalyse. Op basis van de systeemanalyse dient in zijn algemeenheid een compleet beeld gevormd te worden van de verdroging van het Witte Veen door interne en externe ontwatering en de beste wijze voor aanpak van dit probleem ten behoeve van behoud, herstel en uitbreiding van ecologisch waardevolle grondwaterafhankelijke natuurwaarden, met daarbij specifieke aandacht voor de belangrijkste Natura 2000-doelstellingen: • Verbetering van de kwaliteit van habitattype H7120 Herstellende hoogvenen met het oog op ontwikkeling van Actieve hoogvenen (hoogveenlandschap) H7110 (N2000-kernopgave 7.05). • Herstel van randzones van herstellende hoogvenen H7120 met onder andere hoogveenbossen H91D0 en zure vennen H3160 (N2000-kernopgave 7.06). • Instandhouding en kwaliteitsverbetering van habitattypen H3130 Zwak gebufferde vennen en H4010A Vochtige heiden.

In de systeemanalyse dient specifiek te worden ingegaan op: • Het ecohydrologisch functioneren van het herstellende hoogveen: in hoeverre zijn met de eerder uitgevoerde herstelmaatregelen de juiste hydrologische condities gerealiseerd voor verbetering van de kwaliteit van het habitattype H7120 Herstellende hoogvenen / ontwikkeling van habitattype H7110 Actieve hoogvenen, welke lekverliezen zijn nog aanwezig en welke aanvullende maatregelen zijn nodig om de lekverliezen tegen te gaan. Deelvragen hierbij zijn: o Is er een probleem met wegzijging naar de diepere ondergrond? o Treden er nog lekverliezen op via de veendijken met (in de kernen) houten damwanden die zijn aangelegd voor de conservering van water in het hoogveenrestant? o Treden er verliezen op naar de landbouwgrond ten noorden van het hoogveenrestant (enclave Jannink)? o Is de inrichting van het natuurontwikkelingsgebied aan de Duitse zijde voldoende voor het tegengaan van lekverliezen in oostelijke richting?

1

o

•

•

•

Zijn er nog andere knelpunten die een ontwikkeling in de richting van H7110 Actieve hoogvenen in de weg staan? Het ecohydrologisch functioneren van de randzone en het afleiden van de mogelijkheden om tot verbetering hiervan te komen om zo tot een completer, gradiëntenrijk heide- en hoogveenlandschap te komen en daarmee ook tot een kwaliteitsverbetering van de reeds aanwezige habitattypen. Specifiek aandachtspunt hierbij vormt de aanwezigheid van een grote oppervlakte voormalige landbouwgronden in de randzone waarvan de fosfaatrijke bovengrond niet is verwijderd en waar ook op andere wijze geen verschraling van de bodem heeft plaatsgevonden: in hoeverre belemmert dit de beoogde ontwikkeling van het completere gradiëntenrijke heide- en hoogveenlandschap? Het ecohydrologisch functioneren van de vennen en met name habitattype H3130 Zwak gebufferde vennen en een hoogveenvennetje met habitattype H7110 Actieve hoogvenen, met daarbij specifieke aandacht voor: o Het inzichtelijk maken van de wijze van voeding van de vennen en de wijze waarop de vennen water verliezen naar de omgeving. o De oorsprong van het zwak gebufferde water waarmee de vennen en mogelijk ook het hoogveenvennetje gevoed worden. o Het risico op eutrofiëring van de vennen door uitspoeling van fosfaat vanuit de voormalige landbouwgronden die op grote schaal in het Natura 2000-gebied aanwezig zijn.

De invloed van de diepe Hegebeek en de Buurserbeek op het ecohydrologisch functioneren van het Natura 2000-gebied Witte Veen, met daarbij specifieke aandacht voor: o Het effect van de beken op het ecohydrologisch functioneren van de zones met habitattype H91E0C Vochtige alluviale bossen in beide beekdalen. o Het effect van de Buurserbeek op de ontwikkeling van twee slenkjes met onder andere habitattype H4010A Vochtige heide in het heidegebied aan de noordzijde van de beek. o Het effect van de Hegebeek op het gebied met habitattype H4010A Vochtige heide ten zuiden van de beek. .

Afstemming met andere projecten De diepe insnijding van de Hegebeek wordt veroorzaakt door de hoge afvoerpieken die de beek vanuit het Duitse achterland ontvangt: hierdoor is de beekbodem in de loop der jaren steeds verder geërodeerd en is zodoende diep ingesneden, waardoor de beek een sterk drainerende werking heeft op het grondwater. In het kader van de N2000/PASprocessen wordt momenteel door Waterschap Vechtstromen (in samenwerking met Wasserverbund Kreis Borken) een project uitgevoerd om tot effectieve aanpak van het knelpunt van de diepe insnijding van de Hegebeek te komen. De eerste fase omvat de aanleg van een retentiebekken op Duits grondgebied om tot een afvlakking van de piekafvoeren te komen. In de tweede fase is het de bedoeling om tot een verondieping van de beek te komen, om zo de drainerende werking ervan te reduceren. De mate waarin dit dient te gebeuren wordt in het kader van de ecohydrologische systeemanalyse onderzocht. Al eerder is in het kader van het PAS-programma het ‘Hydrologisch onderzoek randzone Witte Veen’ uitgevoerd (TAUW, 2017). In dat kader wordt met de term randzone het overgangsgebied van het Natura-2000 gebied naar de externe gronden in de omgeving bedoeld.

In het kader hiervan zijn twee zaken onderzocht: • Wat is de invloedsafstand van de ontwateringssloten in de landbouwpercelen aan de westzijde op de grondwaterstanden in de randzone van het Natura 2000 gebied Witte Veen. Ook dit onderzoek maakt deel uit van de PAS maatregel M22 en heeft betrekking op het nut en noodzaak van het herstel van de hydrologie M1a en M1c (provincie Overijssel, 2015). Hierbij wordt echter niet ingegaan op

2

•

het effect van de ontwatering op de habitattypen, want dit wordt gedaan in het kader van deze ecohydrologische systeemanalyse. Heeft de Buurserbeek invloed op de grondwaterafhankelijke habitattypen in de twee heideslenkjes in het heideterrein aan de noordzijde van de beek? Deze vraag komt voort uit een kennislacune die is gesignaleerd in het kader van het GGOR-proces. Deze vraag wordt in het kader van de studie van TAUW op oriënterende wijze beantwoord. In het kader van deze ecohydrologische systeemanalyse wordt dieper op dit onderwerp ingegaan.

Aanpak Het project is opgebouwd uit de volgende hoofdonderdelen: • Bureaustudie. • Veldonderzoek. • Synthese en conclusies. • Uitwerking maatregelenplan.

Bureaustudie In het kader van het eerdere onderzoek (Bell Hullenaar, 2005) is reeds een bureaustudie uitgevoerd, maar deze was beknopt en had met name betrekking op het herstellende hoogveen en de directe omgeving hiervan. Daarom is een nieuwe bureaustudie uitgevoerd waarin de verschillende onderdelen van de systeemanalyse zijn geactualiseerd en verbreed ten behoeve van een analyse op landschapsschaal. Deze bureaustudie is opgebouwd uit twee onderdelen: • Gebiedsbeschrijving (hoofdstuk 2): o Oriëntatie en beschrijving huidige topografische situatie. o Opstellen van een brede, grensoverschrijdende beschrijving van de historische ontwikkeling van het veencomplex en de omgeving hiervan, met name op basis van historische kaarten. o Actualiseren en verbreden van de beschrijving van de geologie en vooral de geohydrologische opbouw op basis van beschikbare (boor)gegevens. o Vervaardiging van een grensoverschrijdende hoogtekaart met toelichting. o Actualiseren en verbreden van de beschrijving van het hoofdoppervlaktewatersysteem op basis van beschikbare gegevens. o Opstellen van een geactualiseerde beschrijving van de vegetatie op basis van beschikbare gegevens. • Analyse en interpretatie van het grondwaterstandsverloop op basis van de beschikbare meetreeksen van alle peilbuizen in het Natura 2000-gebied (hoofdstuk 3).

Met behulp van tijdreeksanalyse-programma Menyanthes wordt afgeleid wat de effecten zijn geweest van eerder uitgevoerde herstelmaatregelen en worden de GXG-waarden afgeleid waarmee karakterisering van het grondwaterstandsverloop kan plaatsvinden.

3

Veldonderzoek Het veldonderzoek bestaat uit de volgende onderdelen: • Inventarisatie van het lokale oppervlaktewatersysteem: kartering van sloten, slootrestanten en greppels in het complete projectgebied, de compartimentering van het hoogveengebied met bijbehorende stuwen vastleggen, visuele inspectie van eventuele lekverliezen en het karteren van de oppervlakkige afvoer van het herstellend hoogveen, de vennen en veentjes. • Vervaardigen van elf ecohydrologische dwarsprofielen, zowel van het complete systeem op landschapsschaal als van inzoomgebieden, daarbij zoveel mogelijk gebruik makend van bestaande peilbuizen en daar waar nodig middels (bij)plaatsing van aanvullende tijdelijke peilbuizen en uitvoering van aanvullende boringen. • Uitvoeren van hydrochemisch onderzoek, vooral om de mate van buffering van het (grond)water te bepalen en om eventuele antropogene beïnvloeding af te leiden, met name in relatie tot de eventuele aanwezigheid van voedingsstoffen. Hiertoe zijn alle tijdelijke peilbuizen en een selectie van de permamente peilbuizen eenmalig bemonsterd en zijn een aantal monsters van het oppervlaktewater (in de vennen) verzameld. Dit deelonderzoek is uitgevoerd door B-WARE.

• Het uitvoeren van bodemchemisch onderzoek, om te bepalen in hoeverre de aanwezigheid van een fosfaatrijke toplaag ter plaatse van de voormalige landbouwgronden de ontwikkeling van een completer hoogveen- en heidelandschap in de weg staat, uitspoeling van fosfaat kan leiden tot eutrofiëring van de vennetjes in de randzone en het (zo nodig) afleiden van de juiste maatregelen voor het tegengaan van deze mogelijke problemen. Ook het bodemchemisch onderzoek is uitgevoerd door B-WARE.

Synthese en conclusies & opstellen van het maatregelenplan •

•

Op basis van de resultaten van de systeemanalyse worden de synthese en de conclusies weergegeven, en wordt beschreven welke herstelmogelijkheden er zijn. Deze beschrijving vormt de basis van het maatregelenplan. Voordat het maatregelenplan is opgesteld zijn eerst de resultaten van de systeemanalyse met de projectgroep besproken. Vervolgens is het maatregelenplan opgesteld (hoofdstuk 6). De opzet hiervan wordt toegelicht in paragraaf 6.1 (inleiding). Het maatregelenplan is in conceptvorm op 6 februari 2017 besproken met de projectgroep en is vervolgens definitief gemaakt.

4

Hegebeek

Witte Veen Witte Venn

Legenda rijksgrens

natuurontwikkelingsgebied Duitsland

Buurserbeek

begrenzing Natura 2000-gebied Nederland Duitsland

PAS-maatregel inrichten

verwerven/inrichten

Figuur 1.1 Overzichtskaart met PAS-maatregelen

1:20000

6

2

Gebiedsbeschrijving

2.1

Oriëntatie en huidige topografische situatie

Het Witte Veen ligt in het zuidoosten van Twente, zuidelijk van Enschede en tegen de Duitse grens aan. Het Natura 2000-gebied heeft een oppervlakte van 293 ha en bestaat behalve een hoogveenrestant ook uit natte heide, vennen, graslanden en loof- en naaldbossen. Natuurmonumenten is eigenaar en beheerder. De eerste grondverwerving heeft plaatsgevonden in 1981. Het Witte Veen vormt samen met het circa 42 ha grote Duitse Witte Venn een aaneensluitend, grensoverschrijdend natuurgebied. Van het Duitse deel is 23 ha aangewezen als Natura 2000-gebied (voor ligging: zie figuur 1.1). Binnen het grensoverschrijdende natuurgebied kunnen de volgende deelgebieden worden onderscheiden (zie figuur 2.1): • Het Nederlandse hoogveenrestant: dit is een veenputtencomplex waar vooral sinds de aanleg van (damwand)kaden in 2007 hoogveenregeneratie plaatsvindt. Indien in het vervolg van het rapport gesproken wordt van ‘het hoogveenrestant’, dan wordt hiermee het Nederlandse hoogveenrestant bedoeld. Indien het Duitse hoogveenrestant wordt bedoeld, dan wordt dat ook als zodanig aangegeven. • Ten westen van het Nederlandse hoogveenrestant, aan weerszijden van de Bramerveldweg, ligt het Bramerveld. Het betreft een gebied met enkele oude heidekernen, veel voormalige landbouwgronden en enkele bosjes, die deels op voormalige landbouwgrond liggen.

Ter plaatse van de voormalige landbouwgronden is bijna overal een voedselrijke vegetatie met veel Pitrus aanwezig. In een slenk ten zuiden van de Bramerveldweg is ten behoeve van de realisatie van een boomkikkerbiotoop de fosfaatrijke toplaag afgegraven en zijn in de slenk enkele dammen aangelegd: zo zijn drie kleine vennetjes ontstaan. In 2002 is in een verder naar het zuiden gelegen zone (met peilbuis B180) de fosfaatrijke toplaag afgegraven. Hier is een ontwikkeling richting vochtig heischraal grasland / schraalgrasland gaande. Met de vrijgekomen grond zijn walletjes aangelegd rond de akkertjes ten zuiden van het schraalland. • Ten oosten van het Nederlandse hoogveenrestant ligt een Duits natuurontwikkelingsgebied. Het deel direct ten oosten van het hoogveenrestant is in 2002 ingericht en in de hierop volgende jaren ook de verder noordelijk en oostelijk gelegen delen. Voorheen was hier een diep gedraineerde akker aanwezig. In het kader van de herinrichting tot natuurgebied is de buisdrainage verwijderd, de bovengrond afgegraven en zijn diverse slenken uitgegraven. • Ten noorden van het Bramerveld ligt de Hegebeek. Vanaf de plek waar de beek Nederland binnenstroomt ligt de beek grotendeels in natuurgebied. Aan de noordzijde ligt echter een landbouwkundig beheerd graslandperceel en langs de beek is hier ook bebouwing aanwezig.

Een nadere beschrijving van de beek(processen) wordt gegeven bij de behandeling van het hoofdoppervlaktewatersysteem (paragraaf 2.5). • Tussen de Hegebeek en het Nederlandse hoogveenrestant ligt een kleine landbouwenclave (enclave Jannink) en ook hier is bebouwing aanwezig. • Ten zuiden van het Nederlandse hoogveenrestant ligt een bosgebied. Het bos bestaat uit een combinatie van naald- en loofhout. • Ten oosten van dit bosgebied liggen, op de grens met Duitsland, twee vennen: de Grensvennen. Ten oosten van het Noordelijke Grensven ligt een heidegebied met hierin enkele laagten met hoogveenachtige vegetaties. Voor zover gelegen aan de Duitse zijde van de grens betreft het gebied van de Grensvennen en het heidegebied met hierin de venige laagten het Duitse hoogveenrestant.

7

•

• •

•

• •

Ten westen van het bosgebied, tussen de Wargerinksweg en de Witteveenweg, liggen twee slenken die worden aangeduid als de ‘Slenken Wargerinkweg’. Het oostelijke deel van dit deelgebied bestaat uit heide, met hierin een klein hoogveenvennentje, en enkele bosjes. Het westelijke deel bestaat uit voormalige landbouwgronden. In de zuidelijke slenk is door het aanbrengen van een dam op de buitengrens van het natuurgebied een plas ontstaan. In het bosgebied ter plaatse van de externe voortzetting van de noordelijke slenk ligt camping De Leemkoel. Ten zuiden van het bosgebied ligt de zogenaamde ‘Natte Weide’. Ook dit is een voormalig landbouwgebied. Vanwege de aanleg van een dam is in het westelijke deel van de Natte Weide een plas ontstaan. Ten westen van de Natte Weide en langs de Witteveenweg ligt een driehoekig natuurontwikkelingsgebied: de fosfaatrijke toplaag is hier in 1993 afgegraven en er is een ecologisch waardevolle gradiënt van droog heischraal grasland, via vochtig heischraal grasland (met onder meer Heidekartelblad) naar zwak gebufferde vennen tot ontwikkeling gekomen. In het centrale deel is ook een poel uitgegraven. Ten zuiden van de Natte Weide ligt Het Markslag. Dit deelgebied bestaat grotendeels uit voormalige landbouwgronden. Het zuidelijke deel betreft een oude ontginning die al aan het einde van de 18e eeuw aanwezig was (zie Hottingerkaart, figuur 2.1b).

In het oostelijke deel van het deelgebied is in 1990 middels afgraving van de bovengrond een omvangrijk basisbiotoop voor de boomkikker aangelegd: het oude basisbiotoop. De populatie Boomkikker die zich hier aanvankelijk vestigde is inmiddels echter verdwenen. In 2000 is in de zuidwesthoek van het deelgebied een nieuw basisbiotoop voor de Boomkikker aangelegd, eveneens door afgraving van de bovengrond. Hier is in de huidige situatie wel een populatie Boomkikker aanwezig. Ten zuiden van Het Markslag is vooral bos aanwezig. In het zuidelijke deel van dit bosgebied (en nabij de Buurserbeek) ligt een heideterrein met hierin twee vochtige slenken. Ten zuiden van het bosgebied en het heideterrein ligt de Buurserbeek. Een nader beschrijving van de beek en de hier uitgevoerde maatregelen wordt gegeven bij behandeling van het hoofd-oppervlaktewatersysteem (paragraaf 2.5).

Beheer Sinds 1989 wordt ongeveer 200 ha jaarrond begraasd met Schotse Hooglanders (In ’t Veld & De Bruijn, 2004). Naast grasland worden ook heide, bos en het hoogveenrestant begraasd. De begrazing heeft geleid tot meer structuur in de graslanden en meer geleidelijke overgangen tussen open en gesloten terreindelen. De begrazing beperkt ook de groei van berken (Betula spec.). De resterende bosopslag wordt handmatig verwijderd. Plaatselijk is door de begrazing een gevarieerd mozaïek ontstaan van heide, braamstruweel en grazige stukken. Veel dieren profiteren hiervan.

8

Legenda

tijdelijk peilbuis met ondiepe filter

!

tijdelijke peilbuis met diepe filter

( !

tijdelijke peilbuis met diepe en ondiepe filter

! ( !

piket

raai dwarsprofielen

­ H ege bee

stuw / drempel

tpb174 !

k

A

tp215 tpb146 !

( !

greppel buiten onderzoeksgebied

droge greppel in onderzoeksgebied

D

tpb176 !

( !

%

landgebruik

­

%

voedselrijke graslanden binnen natuurgebied

tpb58 ! B019

Bramerveld Zuid

productie grasland

( F' !

L119 tpb182 B181 !

D'

D

D

Wargerinkw eg

( !

D

­

B136 L136

tpb188 !

tpb186w187

L137

( !

( !

B34F1518

­

tpb190 !

G'

tpb189

B029

( !

( H' !

tpb192 !

H

I

tpb206

( !

tpb201 !

­

H H

H

H

H

B34H0312

!

J tpb204

Het Markslag

tpb205

( !

B115

( I' !

( !

( !

( !

tpb202

tpb225 !

tpb203 !

Oude basisbiotoop

tpb200

! tpb199 ( !

%

%

g

­

sh

we

( !

J'

Markslagw e

tpb212 !

( !

­

ng rv i e G H

k oe

tpb198

H

­

H

B025

G

( !

­

B34H0311

Duitse Hoogveenrestant

( !

( !

H

Den Braam

­

Grensvennen

H

­

D

eg

B34F3240

H

Braamweg

W

nw

­

B135

Natte Weide

e Ve itte

%

( !

B036

D

B'

w157

tpb155 !

H

B134

D

34FL0018

S003

tpb147 !

tpb213 !

Slenken Wargerinkweg

E

gebied

B140

tpb144 ! B142

tpb183 ! tpb197

­ Natuurontwikkelings-

%Hoogveenrestant (NL)

B141 B34F3199

( !

#

poel / plas

S002

B022

tpb196 !

B119

( !

B021

( !

E'

tpb181

heide

tpb159 !

F

B138

tpb140 ! B139

B118B/A

tpb179 ! tpb178 ! B180

bos

D

%

eldw eg

tpb161 !

­ tpb180 !

B133

#

rijksgrens

­

#

begrenzing Natura2000-gebied DE

Goor

%

S001

#

( !

enclave Jannink

#

B

begrenzing Natura 2000-gebied NL

Bramer v

tpb164 ! B014

( ­ !

Bramerveld Noord

wal veendijk met damwand

tpb145 !

D

waterloop

C'

#

sloot

tpb175 !

­

greppel(restant) in onderzoeksgebied

akkerland

eg

#

g

H

H

B34H0310

­

tpb210 !

B34H0309

A'

K

B116

tpb208 !B34H0322

( !

B34H0313

Gerwinghook

( !

tpb207 B34H0323 !

( !

tpb209 !

( !

B117

K' Buurserbeek

Haarmühle

tp223

#

%

tpb172 w173 !P004 B5

#

duiker

ve

w en

#

duiker met bochtstuk

H

H

D

D

ist Tw

tpb171 ! B006

##

stromingsrichting oppervlaktewater

­

C

Hegeveldweg

­

#

bestaande peilbuis

B34H0058

Figuur 2.1 Topografische kaart

1:10000

2.2

Historische ontwikkeling

De historische ontwikkeling van het Witte Veen en omgeving wordt toegelicht aan de hand van een aantal historische kaarten (zie figuur 2.2).

Kaart van 1820 Op deze kaart is te zien dat er begin 19e eeuw ten zuiden van de Hegebeek een grensoverschrijdend veengebied aanwezig was: het hoogveencomplex Witte Veen Witte Venn. Dit complex vormde bovendien een samenhangend geheel met het ten noorden van de Hegebeek gelegen Wussing Veen (dat later in de tijd en ook elders in dit rapport) wordt aangeduid als het Weussink-Broekheurneveen). De Hegebeek ontspringt in het veengebied, op de naden van de veenkoepels van het Witte Veen / Witte Venn in het zuiden en het Weussink-Broekheurneveen in het noorden. Zodoende was waarschijnlijk met name hier, op het snijvlak van de twee veenkoepels, een waardevolle lagg aanwezig.

Figuur 2.2a

Topografische kaart van 1820

9

Hottingerkaart (eind 18e eeuw)

De Hottingerkaart is nog iets ouder dan de eerder behandelde kaart, maar deze kaart biedt bijna geen informatie over het Duitse deel en wordt zodoende pas als tweede behandeld. Ook uit deze kaart volgt de samenhang met het Wussingveen en de kaart levert met name een scherper beeld van het Witte Veen aan het einde van de 18 e eeuw: tussen de Hegebeek en de Buurserbeek is een uitgestrekt en ogenschijnlijk ongeschonden drassig gebied aanwezig. Alleen een zone langs de Buurserbeek is niet drassig.

Figuur 2.2b

Hottingerkaart

10

Kaart van 1850 Ook deze kaart geeft een behoorlijk scherp beeld. Bij de interpretatie ervan moet beseft worden dat het Duitse deel echter niet correct is ingetekend (zoals straks zal blijken bij de behandeling van de wel correcte kaart van 1915). Belangrijk aspect van de kaart is dat het hoogveengebied van het Witte Veen hierop duidelijk zichtbaar is (in de situatie van 1850). Aan de westzijde loopt het veengebied door tot aan de Witte Veenweg en aan de zuidzijde tot en met Natte Weide en het gebied van het oude basisbiotoop.

Figuur 2.2c

Topografische kaart van 1850

11

Kaart van 1915 De grensoverschrijdende topografische kaart van 1915 geeft een fraai beeld van het toen aan weerszijden van de rijksgrens nog aanwezige honderden hectaren groot heidegebied met venige laagten. Behalve ter plaatse van het huidige hoogveenrestant zijn in het Nederlandse deel venige laagten aanwezig in het huidige bosgebied ten zuiden van het hoogveenrestant, de Natte Weide, ter plaatse van de laagte van het oude basisbiotoop, in de slenk langs de Wargerinkweg en plaatselijk in het Bramerveld. Aan de Duitse zijde is vanaf de huidige Grensvennen tot en met het natuurontwikkelingsgebied een uitgestrekt veengebied aanwezig. Ten zuiden van de Grensvennen ligt nog een venige laagte en deze laagte vormt één geheel met de laagte ter plaatse van het oude basisbiotoop. In sommige venige laagten zijn op de kaart veenputjes ingetekend, wat aangeeft dat er kleinschalige turfwinning heeft plaatsgevonden. In de heidegebieden zijn dan ook al sloten / greppels aangelegd. Dus het heide- en hoogveenlandschap was niet ongeschonden: ook toen was al sprake van verdroging.

Figuur 2.2d

Topografische kaart van 1915

12

Kaart 1960

Vooral in de periode 1925 - 1950 vindt grootschalige ontginning plaats. In het Nederlandse deel worden grote delen van het heidegebied ontgonnen tot landbouwgebied en het bos ten zuiden van het huidige hoogveenrestant wordt aangeplant. In Duitsland wordt bijna het complete hoogveengebied tot aan de rijksgrens ontgonnen tot landbouwgebied. In 1960 zijn aan de Duitse zijde alleen de Grensvennen en enkele kleine stukjes strook heide nog aanwezig en aan de Nederlandse zijde resteren alleen het hoogveenrestant en enkele kleine heidevelden.

Figuur 2.2e

Topografische kaart van 1960

13

Verwerving en herstelbeheer Circa 90 ha heide en hoogveen blijft van ontginning gespaard en wordt in 1981 door Natuurmonumenten aangekocht. Vooral in de jaren 1990 wordt het natuurgebied door verwerving van landbouwgronden flink uitgebreid, niet alleen in het Bramerveld, maar ook in het gebied tussen het hoogveenrestant en de Buurserbeek. Na verwerving worden hier sloten gedempt of afgedamd en zo is een beschermende hydrologische buffer om het resterende heide- en hoogveengebied gerealiseerd. In 2000 wordt op de noordgrens van het hoogveenrestant een leemkade aangelegd om het waterverlies naar het noordelijk gelegen landbouwgebied (enclave Jannink) te verminderen. Bovendien verwerft Kreis Borken een akker die aan het hoogveenrestant grenst, en in de periode 2001/2002 wordt de drainage uit de akker verwijderd, de voedselrijke bovengrond afgegraven en worden enkele slenken uitgegraven. Hoewel deze maatregelen zorgden voor een verbetering van de waterhuishouding van het hoogveenrestant, volgde uit ecohydrologisch onderzoek in 2004 dat het hoogveenrestant nog altijd veel water verloor (Bell Hullenaar, 2005). Daar waar mogelijk zijn deze lekkages middels uitvoering van maatregelen in 2007 tegengegaan. Bij behandeling van de resultaten van het veldonderzoek (in hoofdstuk 4) volgt meer informatie hierover.

14

2.3

Geologie en geohydrologische opbouw

Geologie Het grensoverschrijdend natuurgebied Witte Veen / Witte Venn ligt op het OostNederlandse plateau, een rijzingsgebied. Oude, tertiaire klei ligt hierdoor dicht onder het aardoppervlak. In het Saalien is de kleiondergrond door het landijs gemodelleerd en is een stugge, sterk kleiige keileem als grondmorene achtergebleven. Door smeltwater van het landijs zijn in de keileem dalen uitgesleten. In het Weichselien werd op de keileem en in de smeltwaterdalen een dun pakket fluvioperiglaciale zanden en dekzanden afgezet (Formatie van Boxtel). Plaatselijk is dit zand weer door de wind verstoven of door sneeuwsmeltwater weggespoeld waardoor vele laagten en slenken zijn ontstaan. In de laagten trad in het Holoceen hoogveengroei op. Door vervening is het hoogveen grotendeels verdwenen: in de huidige situatie is vrijwel alleen in het hoogveenrestant nog veen aanwezig. Ook hier resteert echter slechts een netwerk van dijkjes met hoogveenputjes waarin secundaire hoogveengroei plaatsvindt.

Geohydrologische opbouw Overal waar in het grensoverschrijdende natuurgebied diepe boringen zijn uitgevoerd is een dikke leem- en kleilaag aangetroffen. Al deze boorlocaties en de hier aangetroffen dikte van de leem- / kleilaag zijn specifiek op de kaart van figuur 2.3 aangegeven. De aangetroffen dikte van de leem- / kleilaag loopt uiteen van veelal circa 4 tot 17 meter. Ter plaatse van een diepe boring op de westgrens van het hoogveenrestant bedraagt de dikte van de leem- en kleilaag 14 meter en verder naar het westen (in het Bramerveld) neemt de dikte nog verder toe: via 17 meter langs de Bramerveldweg naar 27 meter buiten het Natura 2000-gebied langs de Braamweg. In het Duitse deel is de kleilaag dunner, maar nog altijd minimaal ruim 5 meter op de oostgrens van het huidige natuurgebied. Naar het noordoosten toe wordt de leem- en kleilaag nog dunner, maar ook in het ten noordoosten is nog altijd een leem- en kleilaag van enkele meters aanwezig. In het zuidelijke deel van het projectgebied is ter hoogte van de zuidoosthoek van de Natte Weide een kleidikte van > 7,8 meter aangetroffen en ter hoogte van de Markslagweg van 3,8 meter. Deze dikke leem- en kleilaag vormt de hydrologische basis van het grensoverschrijdende natuurgebied.

Op basis van de diepe boorgegevens, het zeer snel optreden van oppervlakkige afvoer bij een neerslagoverschot (zie paragraaf 4.2) en het niet of slechts in beperkte mate wegzakken van de grondwaterstand in de zandondergrond beneden de waterstand in het veenpakket van het hoogveenrestant (zie hoofdstukken 3 en 4) volgt dat de hydrologische basis als praktisch ondoorlatend kan worden beschouwd en dat hierin dus ook geen gaten aanwezig zijn. Wel volgt zowel uit de beschikbare boorgegevens in Dino als uit de boorbeschrijvingen van het hydrologisch meetnet dat in het Witte Veen op sommige plekken na het aanboren van de keileem zandlagen zijn aangetroffen. Deze zandlagen moeten (gezien het bovenstaande) worden beschouwd als lokale zandnesten in de keileem of tussen de keileem en de tertiaire klei in de ondergrond en hebben dus geen grote betekenis voor het functioneren van het hydrologische systeem. De hydrologische basis ligt in het Witte Veen / Witte Venn over het algemeen slechts één tot hooguit circa vier meter onder de oppervlakte. Het zandpakket van de Formatie van Boxtel vormt het (zeer) dunne en enige watervoerende pakket. Het watervoerende pakket bestaat hoofdzakelijk uit matig fijn tot (vooral onderin) matig grof zand.

In het hoogveenrestant ligt op de zandlaag een dun veenpakket met (in het centrale deel) aan de basis hiervan een kleiige gyttja, ofwel een meerbodemafzetting. De gyttja heeft een weerstandsbiedende werking. Het veenpakket bestaat uit een dunne laag restveen

15

(van hooguit een halve meter) en secundair gevormd veen in veenputten (eveneens van hooguit een halve meter). Vooral het secundair gevormde veen is zeer goed doorlatend.

Hoogteligging van de bovenzijde van de leem- en kleilaag In het zeer ondiepe hydrologische systeem van het Witte Veen / Witte Venn is de hoogteligging van de bovenzijde van de leem- en kleilaag sterk bepalend voor de werking ervan. Zodoende is op basis van alle beschikbare boorgegevens (zowel diepe als ondiepe) en aangevuld met de boringen uit het eigen veldonderzoek (van zowel het onderzoek in 2005 als in 2017), een kaart vervaardigd van de bovenzijde van de leemen kleilaag (zie figuur 2.3). Het beeld van de hoogteligging is als volgt: • In het zuidelijke deel van het hoogveenrestant ligt de bovenzijde van de leem- en kleilaag, ofwel de hydrologische basis, het hoogst, namelijk op circa 40 mNAP. • Ter plaatse van het hoogveenrestant loopt de hydrologische basis geleidelijk in noordoostelijke richting af, naar circa 37 mNAP. • Ter plaatse van het Bramerveld is een veel steilere helling aanwezig in de hydrologische basis, vanaf circa 40 mNAP ter plaatse van de Witte Veenweg naar circa 33,5 mNAP op de westgrens van het Natura 2000-gebied. • Er zijn drie hoofdgeulen aanwezig in de leem- en kleiondergrond, namelijk ter plaatse van de Hegebeek, ter plaatse van de Buurserbeek en ook vanaf het Zuidelijke Grensveen naar de Natte Weide en het driehoekig natuurontwikkelingsgebied ten westen hiervan.

• Uit vergelijking met de hoogtekaart (figuur 2.4) volgt dat de geul van de Buurserbeek met name aan de noordzijde veel breder is dan het huidige dal. De geul van de Natte Weide is vanwege de opvulling met zand nog slechts deels herkenbaar in de huidige hoogteligging. Ook is opvallend dat de Hegebeek ter plaatse van de zuidflank van de hier aanwezige geul ligt. Bij de behandeling van de resultaten van het veldonderzoek wordt aan de hand van ecohydrologische dwarsprofielen (paragraaf 4.3) per deelgebied in meer detail ingegaan op de betekenis van de hoogteligging van de hydrologische basis op het hydrologisch functioneren.

16

B34F1811

35

< 31.70

B34F1819

B34F1812

37.7

36.9

37

B34F0139

C

B34F1808

B34F1498 33.9

35.6

34.5

33.2

37.05

B34F1809

B34F1813

B34F1797

H ege bee

tpb174

k

33.9

9

B34F1496 B34F1495 35.73 36.76

A

36.74B34F1494 37.62

Bo25 tpb146 36.9 37.08

31.85

33

B34F1722 31.3

35.2

C'

17.1 B34F1728

31

B34F1730 33.2

B

B34F1723

33

33.65

B34F1505 tpb164

33.75 34.04 B34F1735

B34F1504 34.64

B34F1731 B34F0168 30.732.3

17.1

32.4

B34F1724

29.9

33.76

Bo10 39.1

B34F1738

B34F1729

32.2

33.1

B34F1353 < 34.03

>18.3

31.8

B34F1726

tpb182

39.71

B34F0772

39.86

< 39.10 B34F1673

B34F1590

39.3 39.29

38.2

38.58

< 37.86 < 36.87 tpb188

B34F1517 <tpb190 36.27

< 37.35

Braamweg

B34F1661 32.5

W

Legenda B34F1579 38.58

e Ve itte

33.2

e nw

34.4 >9.6

34.9

J B34H0298

tpb206

< 32.30

hoogte bovenzijde keileem / klei 33.4 (m+NAP) Den Braam < 31

B34H0026

31 - 32

36.75

B34H0025

30.2 grondboringB34H0302 in DABO Duitsland >4.0

I

B34H0300 < 29.70

<34.22

31.8

32.2

34 - 35 35 - 36

B34H0260 < 31.0

< 32.2

36 -37

>8.0 28

< 33.1

B34H0013

37 - 38 B34H0256 33.6

39 - 40 > 40

B34H0257 33.9

B34H0029

geen leem

> 9.6

dikte van keileem / klei (m)

33.8

B34H0262

<34.07

33.9

36.4

B34H0042

B34H0058 B34H0269 < 32.91 B34H0041 32.5 < 33.20

< 34.8

271110 35.58

32.63 B34H0267 < 33.40

g

>1.50

K

32

B34H0261

B34H0268

tpb210

A'

33.5

38 - 39

Markslagw e

<34.11

B34H0271

14.5

< 39.20

< 36.67 Bo23

31.8

Buurserbeek

40.2

B34H0105

< 34.90 B34H0106

B34H0265

31

B34H0006

B34H0028

Bo17

38.49

I'

tpb212

B34H0044

B34H0263

H'

B34H0306

3.8 35.2

35.28

B34H0043

tpb189

B34H0019

< 32.60

33 - 34

tpb202

<38.61

J'

32 - 33 B34H0255

38.85

B34H0307 tpb203 34.4 35.24 tpb205

<35.46

32.5

G'

B34H0308

B34H0254

B34H0027

< 30.0

Het Markslag <38.17

tpb204

34

grondboring boorgat Bell Hullenaar 2004

tpb201

38.21

Oude basisbiotoop

tpb199

<37.73

tpb186

Bo16 <39.77

36.4

< 39.50

38.92

>5.20

39.23

39.63

tpb198

B34H0304

< 32.20

<39.07 B34F1520

B34F1669 B34F0169 38.3 B34F0770 38.2 >7.5

36.6

B34H0299

grondboring in DINO B34H0303

G

B34H0009

< 29.90 B34H0024tijdelijk peilbuis Bell Hullenaar 2017 < 27.10

34.5

grondboring met code en hoogte bovenkant keileem / tertiare klei (m +NAP)

B34H0301 bron bodemopbouw

36.09 tpb192 B34F1513 <36.46B34F1514 < 35.30 < 35.91 B34F1521 B34F1668 < 37.96 Bo22 36.7

B34F1667

37.52

<37.46

B34F1515

g

B34F1518

40.37

Grensvennen

< 37.00 Bo13Bo14

39.22 B34F1671

B34F1523

31.8

271104 Bo15

Bo12

B34F1580 B34F1666

B'

Bo8

40.11

B34F1579

B34F1663

Bo156 Bo6 39.70 39.27

39.09

40.01

tpb213

36.5

B34F1662

38.99

tpb147

B34F1589

37.29

B34F1670

34.3

33.2

F'

Bo5

38.47

H

B34F1739 B34F2961 40.1 < 40.27

39.85 40.19

E

Wargerinkw eg

B34F1665

39.47 tpb197 Bo195 Bo9

<40.08

D'

39.76 39.78

39.60

Bo4

37.83

tpb155 B34F1512 Bo7 39.42 39.1939.42

B34F2960 B34F3199

tpb183

37.91

<36.57

B34F0171B34F1500 33 33.48

< 39.58

B34F1737

39.44

tpb196

3.80 1.80

Bo11 B34F1511 39.53 B34F1575 39.54 39.6 B34F2959

E'

B34F1585

tpb181 35.7

B34F1732

B34F1733 B34F1510 tpb159 40.3 39.61 39.38

14.25 39.4

F

B34F1501

34.3

B34F2958 tpb140 B34F1741 39.33 <39.83 38.3

B34F0170

35.54

<36.18

< <38.06 38.11 B34F1588 38.22 B34F2957

tpb161B34F1734 B34F1508 B34F1509 37.19 38.4 37.25 38.43

35.66

35.75

Bo2 Bo3 37.86

38.96

eldw eg

tpb179 tpb178 36.03

< 32.08

B34F1725

Bramer v

10395 271103 38.4 38.15

tpb145

Bo1

< 37.91

B34F1506

B34F1806 38.7

39.4

B34F1493

tpb180

B34F1503

B34F1502 33.79

B34F1664

B34F1736

B34F0172

31.5

27.5

B34F1710

D

tpb176

38.8 14.8

< 38.32

37.78

35.62

B34F0660

Bo26 B34F0173

tpb175

B34F1799

B34F0661

34.63

B34F1804 B34F1798

< 37.90

B34F1499

36.2

Hegeveldweg

32.5

19.25

B34F1815

B34F1817 < 37.00

B34F0141

>13

F0393

11.0

B34F1810

B34F1802

tpb208

tpb207

34.16 B34H0045 tpb209 B34H0108 29 31.44 B34H0274 < 34.05 32.30 B34H0109 B34H0273

Haarmühle

K'

< 30.40 B34H0018

B34H0270 32.9

B34H0040 38.2

1.7

Figuur 2.3 Hoogte bovenzijde keileem / tertiare klei met dikte van de keileem / klei 7.95

1:10000

2.4

Hoogteligging

Het reliëf van het projectgebied wordt vooral bepaald door de aanwezigheid van de grondmorene, de hierin uitgesleten smeltwatergeulen, de dunne laag fluvioperiglaciale afzettingen en/of dekzand die hierop in afgezet en plaatselijk weer door de wind verstoven of door sneeuwsmeltwater weggespoeld, waardoor een fijnmazige afwisseling van laagten / slenken en ruggen is ontstaan. Op basis van AHN2-hoogtebestand van het Nederlandse deel en een DGM-bestand van het Duitse deel is een grensoverschrijdende maaivelds-hoogtekaart vervaardigd (zie figuur 2.4). Deze hoogtekaart geeft een gedetailleerd beeld van dit fijnmazige reliëf: • Het hoogveenrestant ligt in een langgerekte laagte die in noordelijke richting via de enclave Jannink doorloopt naar de Hegebeek. De laagte is aan de west-, zuiden oostzijde omgeven door dekzandruggen. De dekzandruggen lopen door in de enclave Jannink, maar zijn hier vervlakt. • Ten noorden van enclave Jannink ligt ook de Hegebeek zelf in een laagte. Deze laagte wordt aan weerszijden omsloten door dekzandruggen en ten noordwesten van het uiteinde van de raai van dwarsprofiel A-A’ snijdt de Hegebeek hier doorheen. Pas verder benedenstrooms is sprake van een doorlopende dal. • Het Bramerveld ligt vooral in het relatief sterk hellende westelijke deel van het natuurgebied en op de overgang naar het dal van de Hegebeek.

Ten zuiden van de Bramerveldweg ligt een slenk met hierin de drie eerder genoemde vennetjes. Ook tussen de Wargerinkweg en de Witte Veenweg liggen twee slenken. • In het Duitse deel is vanaf het Noordelijke Grensven tot en met het natuurontwikkelingsgebied een omvangrijke laagte aanwezig en deze laagte omvat ook een groot deel van de huidige akker ten oosten van het natuurgebied. Dit is de venige laagte waar in het verleden het grootste deel van het Duitse hoogveengebied was gesitueerd (zie topografische kaart van 1915, figuur 2.2d). In het natuurontwikkelingsgebied is door het afgraven van de bovengrond en het uitgraven het maaiveld sterk verlaagd, waardoor het niet meer goed aansluit op het niet afgegraven zuidelijke deel en er ook een aanzienlijk hoogteverschil is ontstaan met het maaiveld in het hoogveenrestant. • Een dekzandrug scheidt het Noordelijke Grensven van het Zuidelijke Grensven. De laagte van het Zuidelijke Grensven sluit via een slenkje in het bosgebied aan op de hoofdslenk ter plaatse van de Natte Weide. Aansluitend op de hoofdslenk van de Natte Weide liggen in het bosgebied nog diverse andere kleine slenken. Één van deze zijslenken loopt door tot in het hoogveenrestant. Ter plaatse van het oude basisbiotoop, de plas ten oosten hiervan en de akker die hier weer aan grenst is een aanzienlijke grensoverschrijdende laagte aanwezig.

De hoogteligging van het Nederlandse deel van deze laagte wordt vanwege de dichte (Pitrus)begroeiing. Het maaiveld van deze laagte is mogelijk iets te hoog aangegeven op de AHN2-hoogtekaart. Ook in deze slenken en laagten was in het verleden hoogveen aanwezig (zie figuren 2.2c en 2.2d). • Ook in het deelgebied Het Markslag is een fijnmazig slenkenstelsel aanwezig, met in het westelijke deel van de zuidelijke slenk het nieuwe basisbiotoop. Tenslotte liggen ook in het heideterrein langs de Buurserbeek twee kleine slenken en ten zuiden hiervan ligt het dal van de Buurserbeek.

17

2.5

Hoofd-oppervlaktewatersysteem

In deze paragraaf wordt alleen het hoofdstelsel behandeld: de Hegebeek in het noorden, de Buurserbeek in het zuiden en (in hoofdlijnen) de landbouwkundige stelsels aan de westzijde (in Nederland) en aan de oostzijde (in Duitsland). Het lokale systeem van het grensoverschrijdende natuurgebied zelf wordt behandeld in hoofdstuk 4.

Hegebeek De Hegebeek ziet er vanwege het optreden van natuurlijke beekprocessen aantrekkelijk uit, maar vanwege de hoge afvoerpieken die de beek vanuit het Duitse achterland ontvangt, is de beekbodem in de loop der jaren steeds verder geërodeerd en zodoende diep ingesneden, waardoor de beek een sterk drainerende werking heeft op het grondwater. In het verleden is getracht om middels het aanbrengen van drempels de erosie te beteugelen. De meeste drempels zijn echter weggespoeld. Alleen de stevige keiendrempel ter plaatse van de brug over de beek tussen raaien A-A’ en C-C’ heeft stand gehouden. In het kader van de N2000/PAS-processen wordt momenteel door Waterschap Vechtstromen een project uitgevoerd om tot effectieve aanpak van dit knelpunt te komen. Het project is opgesplitst in twee fasen. De eerste fase omvat de aanleg van een retentie / retenties op Duits grondgebied om tot een afvlakking van de piekafvoeren te komen. In de tweede fase is het de bedoeling om tot een verondieping van de beek te komen, om zo de drainerende werking ervan te reduceren. De mate waarin dit dient te gebeuren is in het kader van deze ecohydrologische systeemanalyse (aan de hand van dwarsprofielen A-A’ en C-C’) onderzocht.

In de uiterste noordwesthoek van het Natura 2000-gebied en in het beektraject direct ten westen hiervan is al eerder een beekherstelproject uitgevoerd: ten noorden van de hier voorheen gekanaliseerde beekloop is de meanderende beekloop hersteld. De gekanaliseerde beekloop wordt nog wel gebruikt als extra afvoerweg bij afvoerpieken.

Buurserbeek Ook de Buurserbeek is diep. Voorheen waren in de beek veel stuwen aanwezig. In 2005 zijn in het kader van een beekherstelproject stuwen verwijderd of vervangen voor cascades, zijn oude meanders weer aangesloten, en gekanaliseerde trajecten gedempt. Deze maatregelen zijn gunstig geweest voor het optreden van natuurlijke beekprocessen. De beek is echter nog altijd diep. Het effect hiervan op het ecohydrologisch functioneren van het Natura 2000-gebied is aan de hand van ecohydrologische dwarsprofielen A-A’ en K-K’ inzichtelijk gemaakt (zie paragraaf 4.3).

Landbouwkundige stelsels aan de west- en oostzijde Aan de Nederlandse zijde, ofwel ten westen van het Natura 2000-gebied, zijn van noord naar zuid over de gehele lengte van het Natura 2000-gebied diepe landbouwkundige ontwaterings- en afwateringsstelsels aanwezig, die een sterk drainerende werking hebben op het grondwater. Ook de effecten hiervan op het ecohydrologisch functioneren van het Natura 2000-gebied zijn aan de hand van de enkele dwarsprofielen inzichtelijk gemaakt (zie paragraaf 4.3) en door TAUW is middels analytische berekeningen de invloedsafstand van de stelsels bepaald. De resultaten hiervan worden behandeld in samenhang met de behandeling van de ecohydrologische dwarsprofielen. Aan de westzijde van het Natura 2000-gebied zijn ook twee deelgebieden specifiek als ‘inrichten’ begrensd, om de negatieve invloed weg te nemen.

18

Legenda

tijdelijk peilbuis met ondiepe filter

( ! ! ( !

tijdelijke peilbuis met diepe filter tijdelijke peilbuis met diepe en ondiepe filter piket

#

bestaande peilbuis

H ege bee

stuw / drempel

greppel(restant) in onderzoeksgebied

tpb174 !

k

A

tp215 tpb146 !

#

%

tpb172 w173 !P004 B5

( !

droge greppel in onderzoeksgebied greppel buiten onderzoeksgebied

( !

%

rijksgrens

%

39.0 - 39.5 39.5 - 40.0 40.0 - 40.5

37.0 - 37.5

40.5 - 41.0

37.5 - 38.0

41.0 - 41.5

38.0 - 38.5

41.5 - 42.0

38.5 - 39.0

> 42.0

D

tpb159 !

E'

( !

tpb181 L119 tpb182 B181 !

D

Wargerinkw eg

( !

B134

D

L136

tpb186w187

L137

( !

( !





B136

B34F1518

tpb190 !

G'

tpb189

B029

( H' !

%



eg J

H

H

tpb204

H

I

H

H

H

B34H0312

tpb206

( !

( ! tpb201 !

Het Markslag

tpb205

( !

B115

( I' !

( !

( !

( !

tpb202

tpb225 !

tpb203 !

Oude basisbiotoop

tpb200 ! ! tpb199



ho

( !

J'

Markslagw e

tpb212 !

( !



rv Ge H

s ing

w ek

tpb198

H

%

H

B025

G





Duitse Hoogveenrestant

tpb192 !

( !



B34H0311

( !

( !

H

Den Braam



tpb188 !

( !

H

eg

B34F3240

D

nw

H



Grensvennen

Natte Weide

H

Braamweg

W

e Ve itte

%

B135

B036

D

B'

w157

tpb155 !

( !

D

34FL0018

S003

tpb147 !

tpb213 !

Slenken Wargerinkweg

E

gebied

B140

tpb144 ! B142

( F' !

Natuurontwikkelings-

%Hoogveenrestant (NL)

B141 B34F3199

tpb183 ! tpb197

D'

S002

B022

tpb196 !

B119

( !

B021

( !

F

tpb179 ! tpb178 ! B180

B138

tpb140 ! B139

B118B/A

Bramerveld Zuid

D

36.5 - 37.0

tpb58 ! B019

#



maaiveldhoogte (m +NAP)

tpb161 !



tpb180 !

%

eldw eg

#

begrenzing Natura2000-gebied DE

( !

B133

#

B



S001

#

begrenzing Natura 2000-gebied NL

Goor

%

(  !

Bramerveld Noord

Bramer v

tpb164 ! B014

enclave Jannink

tpb145 !

#

veendijk met damwand

C'

D

wal

36.0 - 36.5

D

tpb176 !

waterloop

tpb175 !

#

sloot

< 36.0

ve

eg



H

duiker

H



D

duiker met bochtstuk

#

D

ist Tw

tpb171 ! B006

w en

#

stromingsrichting oppervlaktewater

C

Hegeveldweg

##



raai dwarsprofielen



!

g

H

H



tpb210 !

B34H0309

A'

K

B116

tpb208 !B34H0322

( !

B34H0313

Gerwinghook

( !

tpb207 B34H0323 !

( !

tpb209 !

( !

B117

K' Buurserbeek

Haarmühle

tp223

#

B34H0310

B34H0058

Figuur 2.4 Hoogtekaart

1:10000

Aan de Duitse zijde, ten noordoosten en oosten van het natuurgebied, is een diep landbouwkundige ontwaterings- en afwateringsstelsel aanwezig van het ontgonnen gebied het ‘Goor’. Dit stelsel watert af op Hegebeek en is de veroorzaker van de piekafvoeren met de bijbehorende erosie in de Hegebeek. Vooral aan de hand van dwarsprofiel B-B’ wordt het effect van dit stelsel op het ecohydrologisch functioneren van het grensoverschrijdende natuurgebied inzichtelijk gemaakt (zie paragraaf 4.3). Aan de zuidoostzijde ligt een diepe afvoersloot die de zuidoosthoek van de grensoverschrijdende laagte van het oude basisbiotoop doorsnijdt.

19

2.6

Vegetatie

Inleiding De vegetatie is beschreven aan de hand van een vegetatiekaart uit 2012 (Altenburg & Wymenga, 2013), waarnemingen die door de ecoloog R. Ketelaar van Natuurmonumenten de laatste jaren zijn gedaan en waarnemingen van A. Jansen (van de Unie van Bosgroepen) en J.W. van ’t Hullenaar (van Bell Hullenaar) bij een gezamenlijk veldbezoek op 29 maart 2017. Bij de beschrijving wordt ook vermeld welke grondwaterafhankelijke vegetaties begrensd zijn als habitattypen. De habitattypenkaart is als figuur 2.5 in deze paragraaf opgenomen.

Hoogveenrestant De veenputten compartimenten van het hoogveenrestant bestaan voor een belangrijk deel uit hoogveenslenkvegetaties van het type van Veenpluis en in mindere mate het type van Witte Snavelbies. In de slenken komt plaatselijk Klein blaasjeskruid voor. Naast de slenkvegetaties komen ook vegetaties voor die verwant zijn aan hoogveenbultvegetaties. Dit betreft het type van Waterveenmos, de vorm van Eenarig wollegras. Plaatselijk komt het type van Wrattig veenmos voor. Met name in het noordelijke deel zijn drijvende kraggen met Witte snavelbies en Ronde zonnedauw aanwezig. In het gehele hoogveenrestant komt Eenarig wollegras over grote oppervlakten frequent tot dominant voor. Aan de westkant van de kern, tegen de dekzandrug aan, is Wrattig veenmos plaatselijk aan te treffen. Er is sinds de aanleg van de veendijkje met damwanden in 2007 sprake van een duidelijke vernatting, getuige de vele dode en stervende berken en de sterke toename van Eenarig wollegras ten koste van Pijpenstrootje en het weer goed op gang komen van de groei van veenmossen. Het voormalige Berkenbroek in het zuidelijke deel heeft zich ontwikkeld tot een aan hoogveen verwante vegetatie met veel Eenarig wollegras. Plaatselijk komen vegetaties met Fraai veenmos voor. Dit is een stadium verder dan de echte slenkvegetaties met voornamelijk Waterveenmos.

Bij voortschrijdende ontwikkeling kunnen zich in deze vegetaties ook hoogveensoorten vestigen. Het gehele hoogveenrestant en de directe omgeving hiervan is begrensd als habitattype H7120 Herstellende hoogvenen.

Bramerveld De oude heidekernen bestaan voornamelijk uit natte heidevegetaties, type van snavelbiezen en Kleine zonnedauw, vorm van Bruine snavelbies en type van Gewone dophei, typische vorm. Soms is ook het type van snavelbiezen en Kleine zonnedauw, vorm van Moeraswolfsklauw aanwezig. Vooral op de overgang naar het dal van de Hegebeek zijn plaatselijk typen / vormen aanwezig die duiden op een lichte grondwaterinvloed: vorm met Blauwe zegge, type van Geelgroene zegge en vorm met Beenbreek. Op één plek hogerop de helling (en direct ten westen van de Witte Veenweg) komt type van Gewone dophei, vorm met hoogveensoorten voor. Hier groeit behalve Wrattig veenmos ook Hoogveenveenmos. Het betreft een overgang tussen natte heide en hoogveenbultvegetaties. De hoger gelegen delen zijn begroeid met het type van Struikhei en Gewone dophei, veelal in verarmde vorm. In recentelijk geplagde delen groeit vaak Bruine snavelbies en Kleine zonnedauw. De natte heidevegetaties zijn begrensd als habitattype H4010A Vochtige heide, met hierin kleine zones H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen.

20

In de (als Boomkikkerbiotoop aangelegde) twee oostelijke vennetjes in de slenk langs de Bramerveldweg zijn twee typen vegetaties van zwak gebufferde vennen aanwezig: type van Duizendknoopfonteinkruid en type van Pilvaren. Zodoende zijn deze vennetjes begrensd als habitattype H3130 Zwakgebufferde vennen. In het westelijke vennetje groeit Gewone waterbies. Hogerop de oevers van de drie vennetjes wordt de vegetatie echter gedomineerd door Pitrus en in de diepe delen ervan groeit Grote lisdodde. Dit geeft aan dat de vennen in de huidige situatie vanwege eutrofiëring niet goed ontwikkeld zijn.

Slenken langs de Wargerinkweg In de noordelijke slenk is een hoogveenvennetje aanwezig, met de vormen van Witte snavelbies en van Geoord veenmos van het type van Waterveenmos. In de laatste vorm komt ook veel Wateraardbei voor. De randzone rond dit verlandende watertje betreft het type van Lavendelheide en Hoogveenmos, vorm van Witte snavelbies. Dit is de best ontwikkelde hoogveenbultvegetatie in het Witte Veen. Het hoogveenvennetje is begrensd als habitattype H7110B Actieve hoogvenen. In combinatie hiermee zijn in de niet ontgonnen delen van de slenken vooral natte heidevegetaties aanwezig. Op twee plekken komt het type van Gewone dophei, vorm met hoogveensoorten voor (met zowel Wrattig veenmos als Hoogveenveenmos), ofwel een overgang tussen natte heide en hoogveenbultvegetaties. Verder zijn ook hier delen aanwezig waar een meer grondwaterafhankelijke natte heidevegetatie met Blauwe zegge en Geelgroene zegge voorkomt. Ook dit natte heidegebiedje is begrensd als habitattype H4010A Vochtige heide, soms in combinatie met habitattype H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen. Bovendien is er een klein deel met habitattype H91D0 Hoogveenbossen aanwezig.

Grensvennen In de oeverzone van het Noordelijke Grensven is een hoogveenslenkvegetatie aanwezig, (type van Waterveenmos, vorm van Veenpluis), in combinatie met een natte heidevegetatie (type van Gewone dophei, vorm met Waterveenmos en typische vorm). Deze vegetaties behoren tot het gebied dat is begrensd als habitattype H7120 Herstellende hoogvenen. In een kleine laagte ten oosten van het noordelijke Grensven (dus in het Duitse deel) komt een voor hoogveen kenmerkend bulten- en slenkencomplexen voor met de associatie Erico-Spagnetum magellanici (Denker, 1994). Soorten die hier groeien betreffen Witte snavelbies, Dopheide, Wrattig veenmos, Fraai veenmos, Veenpluis en Pijpenstrootje. Hoogveensoorten als Hoogveenveenmos, Lavendelheide en Kleine veenbes ontbreken echter. De associatie is daarom slechts fragmentarisch aanwezig. In het Zuidelijke Grensven was in het verleden (tot 1972) de Pilvaren-associatie aanwezig. Deze associatie komt voor onder zwak gebufferde, zwak zure tot neutrale omstandigheden (Schaminée, Weeda & Westhoff, 1995). Behalve Pilvaren kwam van deze associatie ook Oeverkruid voor. Deze twee soorten zijn sinds het uitbaggeren van het ven in 1972 verdwenen. In de huidige situatie is in het Zuidelijke Grensven nog wel de associatie van Veelstengelige waterbies aanwezig. Naast Veelstengelige waterbies bestaat de vegetatie grotendeels uit Waterveenmos.

Deze associatie komt voor onder (zwak) zure omstandigheden.

21

Natte weide en driehoekig natuurontwikkelingsgebied De Natte Weide bestaat uit een Pitrusruigte met plaatselijk Veldrus en een vrijwel vegetatieloze plas. In het driehoekig natuurontwikkelingsgebied is na het afgraven van de fosfaatrijke bovengrond in ruim 20 jaar tijd een ecologisch waardevolle vegetatie tot ontwikkeling gekomen, met hierin een zone die zich ontwikkeld tot vochtig heischraal grasland. Hierin groeien soorten als Veldrus, Heidekartelblad, Gewoon puntmos, Blauwe zegge, Geoord veenmos, Kale jonker en Zwarte zegge. Hogerop de helling is een ontwikkeling richting heide gaande. In de laagste delen liggen vennetjes. In het vennetje in de westpunt groeien soorten als Haaksterrenmos, Schildereprijs, Egelsboterbloem en Moeraswalstro. In het water is echter ook flab aanwezig. Deze situatie duidt op een fosfaatarme bodem met hierboven fosfaatrijk water. In het kader van het veldonderzoek, en met name het bodem- en hydrochemisch onderzoek, is deze situatie nader onderzocht (zie paragraaf 4.3). De zone met het heischraal grasland is begrensd als combinatie van habitattypen H3130 Zwak gebufferde vennen en H4030 Droge heiden. Een centraal gelegen poel en het vennetje in het zuidelijk deel van het natuurontwikkelingsgebied zijn begrensd als habitattype H3130 Zwak gebufferde vennen.

Het vennetje in de westpunt is niet begrensd als habitattype H3130 Zwak gebufferde vennen (maar als H4030 Droge heiden).

Markslag In het nieuwe Boomkikkerbiotoop in de zuidelijke slenk van deelgebied Het Markslag is een vegetatie van zwak gebufferde vennen tot ontwikkeling gekomen. Het betreft hierbij een venvegetatie van het type van Pilvaren. Hiervan zijn drie vormen aanwezig: dominantievorm van Pilvaren, soortenrijke vorm en een vorm met eutrafente soorten. In het centrale deel van het ven groeit Holpijp massaal. Ook dit ven is begrensd als habitattype H3130 Zwak gebufferde vennen. In de rest van het slenkenstelsel zijn productieve graslandvegetaties met hierin veel Pitrus aanwezig. In sommige delen van de slenken groeit ook Veldrus.

Heideslenkjes nabij de Buurserbeek In de oostelijke delen van de slenken zijn grondwaterafhankelijke vegetaties aanwezig. In de noordelijke slenk van het heideterrein is een natte heidevegetatie aanwezig, vooral van het type van snavelbiezen en Kleine zonnedauw, vorm van Bruine snavelbies. Deze zone is zodoende begrensd als habitattype H7150 Pioniervegetaties van snavelbiezen. In de zuidelijke slenk is een combinatie aanwezig van een hoogveenslenkvegetatie (type van Waterveenmos, vorm van Veenpluis), met hierin onder meer Veenpluis, Waterveenmos en Witte snavelbies en een natte heidevegetatie (type van Pijpenstrootje, vorm met Waterveenmos) met hierin onder meer Dophei en Bruine snavelbies. Op de habitatypenkaart is voor deze slenk zodoende een combinatie van habitattypen H3160 Zure vennen, H7150 Pioniervegetaties van snavelbiezen en H4010A Vochtige heiden aangegeven.

Dalen van de Hegebeek en de Buurserbeek Twee langgerekte zones langs de noordoever van de Hegebeek en twee kleine zones ter plaatse van de binnenbochten van meanders van de Buurserbeek zijn begrensd als habitattype H91E0C Vochtige alluviale bossen. De bossen zijn echter slecht ontwikkeld: zo groeit in de bosjes langs de Buurserbeek massaal Grote Brandnetel en is in de zones langs de Hegebeek veel Braam aanwezig.

22

Figuur 2.5

Habitattypenkaart

23

3

Analyse grondwaterstandsverloop

3.1

Inleiding

Met behulp van tijdreeksanalyse-programma Menyanthes wordt in de eerste plaats afgeleid wat de effecten zijn geweest van de eerder uitgevoerde herstelmaatregelen, en vooral de aanleg van twee veendijken met (in de kernen) houten damwanden in het hoogveenrestant in 2007. In de tweede plaats wordt het grondwaterstandsverloop gekarakteriseerd. Ten behoeve hiervan zijn voor alle reeksen van voldoende kwaliteit de GXG’s bepaald, ofwel de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG), Gemiddelde Voorjaars Grondwaterstand (GVG) en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG). In hoofdstuk 3 worden de resultaten van de analyse alleen beknopt weergegeven. In hoofdstuk 4 geschiedt dit in samenhang met de interpretatie van de resultaten van het veldonderzoek op meer uitgebreide wijze, met daarbij de nadruk op het hoogveenrestant. Deze GXG-waarden worden in hoofdstuk 4 ook vergeleken met de meetwaarden van de uitgevoerde winter- en zomermetingen ter plaatse van de betreffende meetpunten in het kader van het veldonderzoek dat in 2017 is uitgevoerd. Aan de hand hiervan is de representativiteit van de metingen in 2017 afgeleid (zie paragraaf 4.1). In het vervolg van deze inleiding wordt ingegaan op de opbouw van het meetnet, de kwaliteit van de meetreeksen en wordt een korte uitleg gegeven over tijdreeksmodellering met behulp van het programma Menyanthes.

In paragraaf 3.2 worden de resultaten per meetpunt besproken (waarbij ook telkens eerst technische informatie wordt gegeven van het betreffende meetpunt) en in paragraaf 3.3 wordt het op basis van de tijdreeksanalyse gevormde totaalbeeld van het grondwaterstandsverloop beschreven.

Opbouw van het meetnet Het huidige hydrologische meetnet in het Witte Veen bestaat uit 23 peilbuizen verspreid over het gebied. Waar er een veenbodem aanwezig is hebben de peilbuizen dubbele filters: een filter in het veenpakket en een filter in de zandondergrond. Peilbuis B141 heeft zelfs een derde filter dat geplaatst is in een zandig laagje in de keileemondergrond. Acht peilbuizen worden al vanaf 1980 opgenomen (B5, B6, B14, B19, B21, B22, B25, B36). Drie peilbuizen zijn geplaatst in 1993 (B115, B116, B118). De resterende peilbuizen zijn later geplaatst en de nieuwste buizen (B180 en B181) zijn pas in 2014 geplaatst. Naast de grondwaterstanden worden op een aantal plekken oppervlaktewaterstanden waargenomen (P4, L119, L136, L137, S1, S2 en S3). Als onderdeel van het verdrogingsmeetnet Provincie Overijssel zijn in 2012 drie peilbuizen bijgeplaatst: B34F3240, B34F0322 en B34H0323. Hier vindt automatische peilregistratie plaats met behulp van dataloggers. De Provincie Overijssel heeft ten behoeve van het verdrogingsmeetnet ook meetpunten overgenomen van Natuurmonumenten en ook deze peilbuizen zijn voorzien van dataloggers. De locaties van alle nog in gebruik zijnde meetpunten zijn aangegeven op de topografische kaart (figuur 2.1) en de hoogtekaart (figuur 2.4).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9584662/1