CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

DB bijlage 6. Ruimtelijke onderbouwing Zoutwinningsproject Haaksbergen

Gemeenteraad 15 november 2023, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Raadsvoorstel Verklaring van geen bedenkingen zoutwinning Haaksbergen20.990 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'wro-zone – wijzigingsgebied' kunnen burgemeester en wethouders het plan wijzigen en de bestemming wijzigen ten behoeve van een zoutwinningslocatie. Wijziging van de bestemming is mogelijk onder de volgende voorwaarden:       

niet meer dan 60 boorhuisjes mogen worden gerealiseerd; de bouwhoogte van een boorhuisje niet meer dan 5,00 m bedraagt; de oppervlakte van één boorhuisje niet meer dan 30 m2 bedraagt; de gezamenlijke oppervlakte van de boorhuisjes niet meer dan 1.500 m2 bedraagt; één pompstation gerealiseerd mag worden; het aanleggen van leidingen, glasvezelkabels en stroomkabels is toegestaan; het boren van winningsputten is toegestaan.

De toelichting bij het bestemmingsplan vermeldt dat deze wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan is opgenomen, omdat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan nog onduidelijkheid bestond over de exacte ruimtelijke inpassing van de zoutwinningsactiviteiten op deze locatie. De locatie was wel al aangewezen als voorkeurslocatie voor zoutwinning in Twente. AkzoNobel (destijds) had ook een winningsvergunning op basis van de Mijnbouwwet om op deze locatie zoutwinningsactiviteiten uit te voeren. AkzoNobel had nog geen uitgewerkt winningsplan. Dat was wel nodig om een concreet beeld te hebben van de ruimtelijke inpassing van bijvoorbeeld de leidingen en boorvoorzieningen. Vooruitlopend hierop heeft de raad een wijzigingsbevoegdheid opgenomen in artikel 39.8 van het bestemmingsplan.1 Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Nobian heeft voor de voorgenomen ontwikkeling bij het bevoegd gezag een aanvraag ingediend om omgevingsvergunningen voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3° Wabo. De omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Deze goede ruimtelijke onderbouwing maakt onderdeel uit van de aanvraag en onderbouwt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening op de locatie.

De ontwikkeling van de locaties H-03 t/m H-09 (met uitzondering van H-06) is in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening op de locatie, omdat het bestemmingplan voor de ontwikkeling een wijzigingsbevoegdheid bevat. De ontwikkeling is in overeenstemming met de voorwaarden waaronder de wijzigingsbevoegdheid kan worden uitgeoefend. Het gaat om de realisatie van 8 zouthuisjes met een omvang van iets meer dan 30 m² (maatvoering is 6058 x 5038 mm met overhang) per zouthuisje. De hoogte van het zouthuisje bedraagt niet meer dan 5,00 meter. De gezamenlijke oppervlakte van de zouthuisjes blijft ruim onder de maximale gezamenlijke oppervlakte van niet meer dan 1.500 m². Dat betekent dat de planologische aanvaardbaarheid van deze ontwikkeling in beginsel een gegeven is.2 De ontwikkeling van deze locaties past bovendien in het rijksbeleid, het provinciaal beleid en het gemeentelijk beleid (waaronder de structuurvisie). Zie hierover de nadere toelichting in de paragrafen 3.2, 3.3 en 3.4. 3.4.1.2 Bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening veegplan 1 Het bestemmingsplan 'Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening veegplan 1', is vastgesteld door de raad op 1 november 2017 en gewijzigd n.a.v. een gerechtelijke uitspraak op 1 mei 2019. Dit bestemmingsplan kent de volgende relevante dubbelbestemmingen:   

dubbelbestemming: Waarde – Lage archeologische verwachting; dubbelbestemming: Waarde – Middelmatige archeologische verwachting; dubbelbestemming: Waarde – Hoge archeologische verwachting.

1 Toelichting bij het bestemmingsplan en Nota van beantwoording zienswijzen bij het bestemmingsplan, p. 160. 2 Zie bijvoorbeeld ABRvS 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1362, r.o. 12.3.

Afbeelding 15: Uitsnede bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening veegplan 1. Rode omlijning geeft globaal het onderzoeksgebied weer (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Archeologische verwachtingswaarden Gronden met een archeologische verwachtingswaarde zijn mede bestemd voor de bescherming van de aanwezige archeologische waarden van de grond. Ter plaatse van 6 van de 8 zoutwinningslocaties gelden verschillende verwachtingswaarden (hoge, middelmatige en lage verwachtingswaarden). Ter plaatse van een hoge archeologische verwachtingswaarde geldt dat er zonder omgevingsvergunning geen werken of werkzaamheden uitgevoerd mogen worden die dieper gaan dan 40 centimeter onder maaiveld en die een maximale oppervlakte bestrijken van 2.500 m2. Bij een middelmatige archeologische verwachtingswaarde is deze oppervlakte 5.000 m2. Bij een lage archeologische verwachting is deze oppervlakte 100.000 m2. Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. Hierover geeft een deskundige en onafhankelijke instantie advies. Met de voorgenomen ontwikkeling zal er dieper geboord worden dan 40 centimeter. Bij aanleg wordt een gebied van 4.800 m2 gebruikt waarvan uiteindelijk 2.400 m2 door de feitelijke zoutwinningslocatie. De andere 2400 m2 dient voor tijdelijke opslag van materialen en bouwketen. Elke zoutwinningslocatie bestrijkt dus een totaal oppervlak van circa 2.400 m2 die zal worden voorzien van een vloeistofkerende laag.

Dit betekent dat per locatie naar alle waarschijnlijkheid meer dan 2.500 m2 grond wordt geroerd. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De ontwikkeling past in het Bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening veegplan 1. Nobian heeft voor de werkzaamheden een omgevingsvergunning aangevraagd. Om aan te tonen dat de voorgenomen ontwikkeling de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig schaadt, wordt voor alle 8 de locaties een archeologisch onderzoek uitgevoerd. In de paragraaf 4.3 van voorliggende ruimtelijke onderbouwing is het aspect archeologie nader uitgewerkt.

3.4.1.3 Bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen (2000) Het bestemmingsplan Buitengebied is vastgesteld door de raad op 29 november 2000. De zoutwinningslocaties H-01 en H-02 en een gedeelte van het distributie- en transportleidingtracé ligt binnen de bestemming ‘agrarisch cultuurgebied – gebied A’ van dit bestemmingsplan. Deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, zoals een veehouderij, akkerbouw- of tuinbouwbedrijf, een champignonkwekerijbedrijf of een paardenhouderij. De zoutwinningslocaties H-01 en H-02 liggen in een klein deelgebied met een afwijkende bestemming ten opzichte van de omringende plangebieden. Het wordt omsloten door (i) aan de noordzijde de Rijksweg N18, (ii) aan de oostzijde het bedrijventerrein Stepelerveld, waarop het bestemmingsplan Bedrijventerrein Stepelerveld, fase 1 en de enkelbestemming 'bedrijventerrein' van toepassing is en waarop verschillende bedrijven gevestigd zijn en (iii) aan de westzijde de gronden waarop bestemmingsplan Buitengebied (2013) en de wijzigingsbevoegdheid voor zoutwinningslocaties op van toepassing is (zie hiervoor). Op onderstaande afbeelding is dit zichtbaar (de locaties van H-01 en H-02 omkaderd):

Uit de toelichting bij bestemmingsplan Bedrijventerrein Stepelerveld, fase 1 volgt bij de vaststelling van dat bestemmingsplan was gekozen voor een specifieke begrenzing van dit plangebied (zonder dus locaties H-01 en H-02) om het bedrijventerrein Stepelerveld gefaseerd te kunnen ontwikkelen. De gemeenteraad heeft voor deze gefaseerde ontwikkeling de gebiedsvisie "Stepelerveld, het duurzaamste bedrijventerrein van Twente" vastgesteld in november 2014 (zie hierna par. 3.4). De gebiedsvisie wijst de locaties voor H-01 en H-02 aan als plangebied

voor toekomstige gefaseerde ontwikkeling. Op basis van de gebiedsvisie is het de bedoeling dat deze gronden in de toekomst worden ontwikkeld van agrarisch naar bedrijventerrein. Zie hierover nadere toelichting in par. 3.4.3. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Nobian heeft voor de voorgenomen ontwikkeling bij het bevoegd gezag een aanvraag ingediend om omgevingsvergunningen voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3° Wabo. De omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Deze ruimtelijke onderbouwing maakt onderdeel uit van de aanvraag en onderbouwt dat de ontwikkeling past binnen een goede ruimtelijke ordening op de locatie. De ontwikkeling past niet in het bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen (2000). De ontwikkeling van de locaties H-01 en H-02 en de leidingen zijn in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. De ontwikkeling past namelijk in het rijksbeleid, het provinciaal beleid en het gemeentelijk beleid (waaronder de structuurvisie en de gebiedsvisie). In het gemeentelijk beleid is al vastgelegd dat deze locaties zijn voorzien voor de ontwikkeling van agrarisch naar bedrijventerrein als uitbreiding van bedrijventerrein Stepelerveld. Zie hierover de nadere toelichting in par. 3.

3.4.2. Structuurvisie 2030; Haaksbergen, groenste dorp van Twente Op 5 maart 2014 heeft de gemeenteraad van Haaksbergen de Structuurvisie 2030; Haaksbergen, groenste dorp van Twente vastgesteld. Met de structuurvisie wil de gemeente Haaksbergen de bijzondere leefkwaliteit van Haaksbergen op zijn hoge niveau houden en waar mogelijk verbeteren. Het accent zal daarbij liggen op het versterken van de cultuurhistorische kwaliteiten en het groene karakter. De gemeenteraad heeft in de structuur visie als algemeen beleidsdoel neergelegd dat alle nieuwe ontwikkelingen een bijdrage gaan leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Haaksbergen. Dat betekent dat de gemeenteraad aandacht vraagt voor een goede ruimtelijke inpassing daarvan. Nieuwe ontwikkelingen mogen in geen geval een negatief effect hebben op de kwaliteit van de dorpen en het landschap. Deze algemene beleidsdoelstelling is in negen ambities uitgewerkt, die hieronder zullen worden besproken.

Afbeelding 16: Plankaart horende bij de structuurvisie en ingezoomd op het onderzoeksgebied. Rode cirkel geeft globaal het onderzoeksgebied weer. (bron: gemeente Haaksbergen)

De essentie van het streven naar ruimtelijke kwaliteit zit hem in het verbinden van nieuwe ontwikkelingen met bestaande gebiedskwaliteiten, waarbij bestaande kwaliteiten worden beschermd en versterkt, en nieuwe kwaliteiten worden toegevoegd.3 De gemeenteraad heeft hiervoor in de structuurvisie negen concrete ambities geformuleerd. Deze ambities vormen het toetsingskader voor toekomstige ontwikkelingen.4 Een ontwikkeling hoeft niet aan alle ambities te voldoen, maar het mag niet tegen ambities ingaan, en waar mogelijk moet het bijdragen aan meerdere ambities.5 Ambities De structuurvisie formuleert de volgende negen ambities: 1. Verbeteren van de relatie en verzachten van de overgangen tussen dorp en buitengebied. 2. Een sfeervol groen centrum met de Markt als stralend middelpunt. 3. Stimuleren van een gezonde plattelandseconomie en op peil houden van de ecologische en cultuurhistorische kwaliteiten van het buitengebied. 4. Versterken van de cultuurhistorische kwaliteit van de dorpsstructuur. 5. Benutten van de toeristische potentie van de samenhang tussen dorp en landschap. 6. Versterken van de veelzijdigheid van de Haaksbergse economie. 7. Verbreden van het aanbod aan woonmilieus. 8. Op peil houden en concentreren van het voorzieningenniveau. 9. Verduurzamen en beleefbaar maken van het watersysteem.

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De structuurvisie bevat per ambitie een aantal concrete opgaven/deeluitwerkingen voor specifieke locaties in Haaksbergen.6 Voor de locatie van de voorgenomen ontwikkeling is geen specifieke opgave of ontwikkeling vastgesteld. Met het toevoegen van acht nieuwe zoutwinningslocaties in het buitengebied van Haaksbergen worden nieuwe ontwikkelingen verbonden met bestaande gebiedskwaliteiten. Door de locaties landschappelijk in te passen, op basis van de landschappelijk kenmerken zoals benoemd in de Omgevingsvisie van Overijssel en het landschapsontwikkelingsplan Haaksbergen en Hof van Twente, wordt als volgt invulling gegeven aan de volgende ambities uit de structuurvisie 1. Verbeteren van de relatie en verzachten van de overgangen tussen dorp en buitengebied. De zoutwinningslocaties worden ontwikkeld in het buitengebied dat grenst aan de noordzijde van Haaksbergen. Het specifieke gebied van de zoutwinningslocaties H01 en H-02 is ingesloten door enerzijds de N18 en anderzijds het industrieterrein Stepelerveld. De structuurvisie wijst Stepelerveld aan als "de entree van 3 4 5 6

Structuurvisie, p. 79. Structuurvisie, p. 29 en 78. Structuurvisie, p. 78. Structuurvisie, p. 9 en p. 80 e.v.

Haaksbergen vanaf de N18". Het streven in de structuurvisie is dat Stepelerveld een groene overgang krijgt naar het omringende landschap door de realisatie van nieuwe landschapselementen die de overgang tussen grote schaal van de bedrijven en het landschap en de wegen in de omgeving verzachten.7 De zoutwinningslocaties en het pompgebouw dragen bij aan dit streven. Bij de inrichting van de zoutwinningslocaties is rekening gehouden met de landschappelijke inpassing. De zouthuisjes en het pompgebouw krijgen een agrarische uitstraling. Het ontwerp is erop gericht dat alles wat "industrieel" kan ogen beneden maaiveld (ondergronds) of in een zouthuisje wordt geplaatst. De zoutwinningslocaties (en specifiek locaties H-01 en H-02) vormen op deze manier de aanzet tot een zachte overgang van het bedrijventerrein Stepelerveld (met een industriële uitstraling) naar het buitengebied (met een landschappelijke uitstraling). Door de aard van de zoutwinningslocaties, zie ook afbeelding 5 die weergeeft hoe locaties H-01 (voorgrond) en H-02 (achtergrond), wordt daarmee op goede wijze invulling gegeven aan deze zachte overgang. Aan deze ambitie wordt dus voldaan. 2. Een sfeervol groen centrum met de Markt als stralend middelpunt. Deze ambitie is vanzelfsprekend niet op de locatie van de voorgenomen ontwikkeling van toepassing omdat de voorgenomen locatie niet het centrum betreft. 3.

Stimuleren van een gezonde plattelandseconomie en op peil houden van de ecologische en cultuurhistorische kwaliteiten van het buitengebied Door de realisatie van de zoutwinningslocaties worden de cultuurhistorische kwaliteiten van het buitengebied verbeterd. Zoutwinning en dan met name ook de zouthuisjes maken onderdeel uit van het Twentse landschap en in die zin zijn deze van cultuurhistorische betekenis. Bovendien wordt door een goede inpassing van de zoutwinningslocaties de ecologische kwaliteit van het gebied versterkt. Mogelijkheden hiertoe zijn bijvoorbeeld het gebruik van bomen, andere beplanting en/of andere landschapsculturele elementen die het Twentse essenlandschap versterken. Dit in overleg met gemeente en omwonenden (zie ook bijlage 7: NH20230915 Memo Landschappelijke inpassing Haaksbergen). Bovendien kan na afloop van de winning en nadat de infrastructuur is verwijderd het landschap worden hersteld of aangepast zodanig dat deze cultuurhistorische waarden blijvend worden ingepast of versterkt. Aan deze ambitie wordt dus voldaan. 4. Versterken van de cultuurhistorische kwaliteit van de dorpsstructuur. Deze ambitie is vanzelfsprekend niet op de locatie van de voorgenomen ontwikkeling van toepassing omdat de voorgenomen locatie niet in de dorpsstructuur ligt. 5. Benutten van de toeristische potentie van de samenhang tussen dorp en landschap.

7

Structuurvisie, p. 52.

Deze ambitie is vanzelfsprekend niet op de locatie van de voorgenomen ontwikkeling van toepassing omdat de voorgenomen locatie niet in de dorpsstructuur ligt en geen of beperkte toeristische waarde heeft. 6. Versterken van de veelzijdigheid van de Haaksbergse economie. De structuurvisie benoemt de grote diversiteit aan soorten bedrijven (detailhandel, groothandel, bouwbedrijven, autoreparatie en industrie) als grote waarde voor de werkgelegenheid en de lokale economie van Haaksbergen.8 De ontwikkeling van een zoutwinningslocatie in Haaksbergen draagt bij aan de diversiteit van de Haakbergse economie. Dit biedt kansen voor de regio en Nederland om ook in de toekomst een essentieel en duurzaam onderdeel van de maakindustrie in eigen land te kunnen behouden. Aan deze ambitie wordt dus voldaan. 7. Verbreden van het aanbod aan woonmilieus. Deze ambitie is vanzelfsprekend niet op de locatie van de voorgenomen ontwikkeling van toepassing omdat de voorgenomen locatie in het buitengebied ligt en in de structuurvisie niet is aangewezen als voorziene woningbouwlocatie. 8. Op peil houden en concentreren van het voorzieningenniveau. Deze ambitie is vanzelfsprekend niet op de locatie van de voorgenomen ontwikkeling van toepassing omdat de voorgenomen locatie in het buitengebied ligt een locatie waar voorzieningen zijn (dorpsstructuur, bedrijventerrein). 9.

Verduurzamen en beleefbaar maken van het watersysteem. Deze ambitie is vanzelfsprekend niet op de locatie van de voorgenomen ontwikkeling van toepassing omdat de voorgenomen locatie niet in een watersysteem ligt. 3.4.3. Stepelerveld, het duurzaamste bedrijventerrein van Twente De gemeenteraad heeft de gebiedsvisie "Stepelerveld, het duurzaamste bedrijventerrein van Twente" vastgesteld in november 2014. Deze gebiedsvisie is een uitwerking van de structuurvisie voor de gefaseerde ontwikkeling van bedrijventerrein Stepelerveld. Het doel van de gebiedsvisie is om een voorbeelduitwerking te geven van hoe het bedrijventerrein Stepelerveld ontwikkeld kan worden. De ambitie uit de gebiedsvisie is om van bedrijventerrein Stepelerveld een duurzaam bedrijventerrein te maken. De gebiedsvisie selecteert geen bedrijven en stelt geen duurzaamheidseisen, maar informeert en stimuleert de bedrijven via de gebiedsvisie om zich duurzamer te ontwikkelen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De gebiedsvisie wijst de zoutwinningslocaties H-01 en H-02 aan als plangebied voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein Stepelerveld.9 De bedoeling is dat dit gebied

8 9

Structuurvisie, p. 70. Gebiedsvisie, p. 7.

uiteindelijk wordt ontwikkeld van agrarisch gebied tot bedrijventerrein. De ontwikkeling past daarom in de gebiedsvisie. 3.4.4. Catalogus Gebiedskenmerken Overijssel (12 april 2017) Sturen op ruimtelijke kwaliteit betekent volgens de structuurvisie beoordelen of een ontwikkeling past binnen beleid, waar de ontwikkeling past en hoe het uitgevoerd kan worden op basis van de Catalogus Gebiedskenmerken Overijssel (12 april 2017). 3.4.5. Gemeentelijk KGO-beleid Bij grootschalige ontwikkelingen in het buitengebied (nieuw of uitbreiding van bestaande situatie) is de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van de provincie Overijssel toepassing.10 De Gemeenteraad heeft een beleidskader vastgesteld voor de wijze van invulling van dit beleid in het KGO-beleid gemeente Haaksbergen van mei 2016 (KGO-beleid).11 Het KGO-beleid heeft als doel om ontwikkelingen in het buitengebied te koppelen aan een kwaliteitsverbetering in de (nabije) omgeving van de ontwikkeling. Met de vaststelling van het KGO-beleid wil de gemeenteraad bereiken dat elke ontwikkeling in het buitengebied op een eenduidige wijze wordt beoordeeld en leidt tot een kwaliteitsverbetering op het gebied van ruimtelijke kwaliteit passend binnen de structuurvisie.12 Het KGO-beleid richt zich op ontwikkelingen die niet (geheel) binnen het bestemmingsplan passen, maar die wel de vitaliteit van het buitengebied versterken.

Het KGO-beleid noemt als voorbeeld een ontwikkeling die een extra economische impuls geeft aan het buitengebied. Deze ontwikkeling moet worden getoetst aan de hieronder genoemde randvoorwaarden.13 Relatie KGO-beleid met de ruimtelijke ontwikkeling De ruimtelijke ontwikkeling past als volgt in het gemeentelijke KGO-beleid: 1. De ontwikkeling is naar aard en omvang passend op de locatie. Bij aard wordt bekeken of een ontwikkeling gebiedsvreemd of gebiedseigen is. Een ontwikkeling die gebiedsvreemd is, is een ontwikkeling die niet past in het vigerende bestemmingsplan. De locaties H-01 en H-02 zijn gebiedseigen, omdat hier in de gebiedsvisie uitbreiding van het bedrijventerrein Stepelerveld is voorzien. De locaties H-03 t/m H-09 (met uitzondering van H-06) zijn gebiedseigen, omdat het bestemmingsplan zoutwinning toestaat. Bij de beoordeling van de omvang zijn de Catalogus Gebiedskenmerken Overijssel (12 april 2017) en het Landschapsontwikkelingsplan de basis om te beoordelen of de ontwikkeling geen afbreuk doet aan de aanwezige kwaliteiten. De ontwikkeling past in het Landschapsontwikkelingsplan. Zie hieronder een nadere toelichting. 2. De ontwikkeling past in het provinciaal- en rijksbeleid. Zie een nadere toelichting in par. 3.2 en 3.3. 3. De ontwikkeling is passend bij de gebiedskenmerken.

De landschappelijke inpassing is een belangrijk aandachtspunt in de ontwerpen van de zoutwinningslocaties. Voor het ontwerp van het zouthuisje is een begeleidingscommissie samengesteld waarin een 10-tal huishoudens (10 10 11 12 13

Structuurvisie, p. 79. Zie: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR424954. Zie: Gemeentelijk KGO-beleid, par. "Doel". Gemeentelijk KGO-beleid, p. 4.

verschillende adressen, ca. 15-20 personen) hebben plaatsgenomen. Nobian heeft samen met deze bewoners gewerkt aan de ruimtelijke inpassing ervan. Zoutwinningslocaties maken sinds jaar en dag kenmerkend onderdeel uit van het Twentse landschap. Bij de inrichting van de zoutwinningslocaties is rekening gehouden met dit landschap. Bij de ontwikkeling van het ontwerp van de zoutwinningslocaties zijn de effecten op het landschap zo klein mogelijk gehouden. De wijze waarop deze inpassing gaat plaatsvinden is nader toegelicht in bijgevoegde memo “Landschappelijke inpassing project Haaksbergen” van 15 september 2023. De zouthuisjes en het pompgebouw krijgen een agrarische uitstraling. Het ontwerp van de zouthuisjes en de daarbij horende wellpad is erop gericht dat alles wat "industrieel" kan ogen beneden maaiveld (ondergronds) of in een zouthuisje wordt geplaatst. De zoutwinningslocaties zullen ook niet meer omsloten worden door hekwerk. Daarnaast komt kunstgras op het verharde oppervlak, zodat dit een natuurlijke uitstraling zal hebben. 4. De ontwikkeling draagt bij aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. De ontwikkeling draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit, omdat het een extra economische impuls geeft aan het buitengebied. Daarnaast draagt de ontwikkeling bij aan de ruimtelijke kwaliteit vanwege de landschappelijke inpassing ervan.

Uitgangspunt van het KGO-beleid is dat er een relatie bestaat met de bebouwing en de huidige omgeving. Als een bebouwing “meegaat” in het landschap kan het op die manier bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Het ontwerp van de zouthuisjes en de wellpad is aangepast zodat het meegaat in het landschap en de ruimtelijke kwaliteit versterkt. 3.4.6. Landschapsontwikkelingsplan Haaksbergen en Hof van Twente De gemeenten Haaksbergen en Hof van Twente hebben een gezamenlijk landschapsontwikkelingsplan laten opstellen (vastgesteld mei 2005). Dit plan geeft een samenhangende visie op landschapskwaliteit en bouwstenen en inrichtingsprincipes voor landschapsontwikkeling.

Afbeelding 17: Landschapsontwikkelingsplan. Rode cirkel geeft globaal het onderzoeksgebied weer.

In het landschapsontwikkelingsplan zijn enkele specifieke gebiedskenmerken benoemd. Volgens de visiekaart van het landschapsontwikkelingsplan is het onderzoeksgebied aangemerkt als beekzone, halfopen dekzandlandschap en veldontginning landschap. Beken en beekzones worden ontwikkeld tot dragende structuurlijnen in het landschap die kerngebieden voor landschap, cultuurhistorie, recreatie en natuur met elkaar verbinden. Ten behoeve van de landbouwfunctie en de landschapsstructuur wordt in het agrarisch werklandschap (naast de beekzones uit het watersysteem) ingezet op ontwikkeling van erf- en wegbeplanting en behoud van de bestaande landschapselementen. Het veldontginning landschap komt in grote eenheden voor op het plateau en de stuwwal waar voor behoud en versterking van het landschapspatroon wordt gepleit. Dit betekent behoud van de open verkaveling van het uitgestrekte veld met zichtbare ontginningsgrenzen. In de voorgenomen ontwikkeling wordt een groot deel van de te realiseren zoutwinningslocaties geplaatst in het halfopen dekzandlandschap. Deze locaties worden landschappelijk ingepast door keuze van beplanting alsmede de uitvoering van de feitelijke locatie in de vorm van agrarisch ogende zouthuisjes en kunstgras. Het sortiment dat gebruikt wordt voor de landschappelijke inpassing wordt afgestemd met het cultuurhistorisch landschapstype.

Door de landschappelijke inpassing af te stemmen op het type landschap wordt voldaan aan de eisen vanuit het landschapsontwikkelingsplan. Met de voorbereiding van de vergunningsaanvraag is reeds in 2018 een start gemaakt en de feitelijke aanvraag is in 2021 ingediend bij de Minister van Economische Zaken en Klimaat. Bij het aanvragen van de vergunning is daarom in eerste instantie gekeken naar de doelstellingen, zoals vastgelegd in het coalitie programma 2018-2022 “Samen duurzaam vooruit” van het toenmalig college. Inmiddels is er een nieuw college gevormd die uitvoering geeft aan het nieuwe coalitieprogramma 2022-2026 onder de naam “Meer voor mekaar”. 3.4.7. Coalitieprogramma 2018-2022 “Samen duurzaam vooruit” Het coalitieprogramma is opgesteld door de fracties van CDA, VVD, PvdA en GGH. Zij vormen met elkaar de coalitie op basis waarvan het college van B&W in de periode van 2018-2022 aan de slag gaat. In dit coalitieprogramma bevinden zich op hoofdlijnen de ambities die de coalitie, met elkaar en samen met anderen, de komende vier jaar willen realiseren. Voor een evenwichtige inrichting van het Haaksbergse grondgebied, is het belangrijk dat ruimtelijke ontwikkelingen elkaar niet in de weg staan, maar elkaar juist opzoeken, versterken en rekening met elkaar houden. Ook voor initiatieven van ondernemers in het buitengebied moet de gemeente ruimte bieden in bestemmingsplannen.

Zo is dat ook bedoeld in de nieuwe Omgevingswet. Dat vraagt om een meer meedenkende en adviserende houding van de ambtelijke organisatie. De ruimte binnen de regels moet maximaal worden benut. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De realisatie van 8 zoutwinningslocaties in het buitengebied van Haaksbergen past binnen de ambities van deze coalitie. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de benoemde ruimte die de coalitie wil bieden maximaal benut.

3.4.8. Coalitieprogramma 2022-2026 “Meer voor mekaar” Het coalitieprogramma van het CDA en Nieuw Haaksbergen zoals dat in juni 2022 is vastgesteld heeft een specifieke paragraaf over zoutwinning. Behoud van het plattelandskarakter met ruimte voor transformatie naar een duurzame vorm van platteland is één van de speerpunten uit het akkoord. Ten aanzien van zoutwinning en in het bijzonder de benutting van de cavernes na afloop van de winning wil men invloed uitoefenen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De realisatie van 8 zoutwinningslocaties in het buitengebied van Haaksbergen past ruimtelijk binnen plannen van deze coalitie. De zoutwinningslocaties krijgen een sterk agrarisch karakter doordat per locatie slechts twee zouthuisjes zichtbaar zijn en de locatieverharding voorzien wordt van een natuurlijk ogende kunstgraslaag. De zoutwinningslocatie waarborgt ook het behoud van een agrarische omgeving: De omliggende gronden van Nobian zijn voor agrarisch gebruik, waarmee het plattelandskarakter wordt versterkt. In haar brief van 29 augustus 2023 bevestigt de minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer dat de cavernes in Twente niet zullen worden gebruikt voor opslag van waterstof of andere stoffen. 3.4.9.

Raadsafspraken Haaksbergen 2022 2026 De gemeenteraad heeft op 25 mei 2022 afspraken gemaakt over het besluitvormingsproces en over de kaders waarbinnen de besluitvorming over bepaalde specifieke onderwerpen de komende vier jaar moet plaatsvinden. De voorgenomen ontwikkeling van zoutwinning is onderdeel van deze raadsafspraken. Hierin heeft de gemeenteraad onder meer afgesproken om het college op korte termijn te vragen een notitie op te stellen over:     

welk standpunt vanuit de gemeenteraad over zoutwinning richting de verantwoordelijke staatssecretaris (rijksoverheid) wordt doorgegeven, en op welke manier dat zal gebeuren; op welke manier het college de inwoners van Haaksbergen wil informeren over het verloop van de zoutwinning; hoe het college wil monitoren wat de effecten zijn zoutwinning voor de inwoners van Haaksbergen; welke bevoegdheden de gemeenteraad wel en niet heeft om zoutwinning en zoutwinning gerelateerde zaken te reguleren (bestemmingsplan); en welke compensatie voor Haaksbergen mogelijk is.

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Gedurende de vergunningsprocedure in de afgelopen twee jaar heeft Nobian zich bereid getoond om daar waar concrete zorgen rezen in de omgeving, gemeentebestuur of raad, waarborgen te bieden of aanpassingen aan het project te doen. Nobian heeft daarom de volgende toezeggingen gedaan:    

Oprichting van een onafhankelijk Garantiefonds. Bouwkundige nulmetingen op gebouwen in nabijheid van veld. Extra metingen op bodemdaling. Extra metingen op trillingen.

  

Zoutwinning via tussenstappen (hold-points) en het bewaken van de voortgang en winning. Acceptatie van de omgekeerde bewijslast bij schade. Het oprichten van een onafhankelijk omgevingsfonds voor het (mede)financieren van projecten die bijdragen aan het maatschappelijk belang in de regio.

3.4.10. Conclusie gemeentelijk beleid Gezien de aard en omvang van het voornemen, en vooral de locaties waar deze plaatsvindt, wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling van de zoutwinningslocaties H01 en H-02 in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid dat deze locaties aanwijst voor de uitbreiding van bedrijventerrein Stepelerveld. De ontwikkeling van de zoutwinningslocaties H-03 t/m H-09 (met uitzondering van H-06) is in overeenstemming met de wijzigingsbevoegdheid voor zoutwinning in het bestemmingsplan. De integrale ontwikkeling past daarnaast binnen het gemeentelijk beleid (waaronder de structuurvisie) zoals hiervoor beschreven. Dit heeft onder andere te maken met de landschappelijke inpassing van de ontwikkeling en de wijze waarop de ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied versterkt, mede door de ruimtelijke inpassing en de economische impuls die de ontwikkeling aan het buitengebied geeft. De ontwikkeling is daarom in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening zoals vastgelegd in het gemeentelijk beleid. 3.5. Conclusie Het voorliggende ruimtelijke plan past binnen het rijks-, provinciale, en gemeentelijk beleid, zoals ook vastgelegd in de provinciale verordening. Het plan past binnen de geldende ontwikkelingsperspectieven en de geldende gebiedskenmerken.

4. Waardentoets 4.1. Inleiding In dit hoofdstuk wordt de waardentoets beschreven. Hieronder vallen flora & fauna, archeologie en water. Er wordt beschreven wat er is onderzocht en welke resultaten hieruit zijn gekomen. Vervolgens wordt hier een conclusie uit getrokken met betrekking tot de ontwikkeling. 4.2. Natuurwaarden Bescherming in het kader van de natuurwet- en regelgeving is op te delen in gebiedsen soortenbescherming. Bij soortenbescherming heeft men per 1 januari 2017 te maken met de nieuwe Wet natuurbescherming (dit was de Flora- en faunawet). Bij gebiedsbescherming heeft men ook te maken met de Wet natuurbescherming (was de Natuurbeschermingswet) en met het Natuurnetwerk Nederland (NNN). In het kader van de Wet natuurbescherming is eerder door Eelerwoude een natuurtoets uitgevoerd voor een plan waarin 12 zoutwinningslocaties waren opgenomen. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 1 behorend bij deze toelichting. De voor dit project gekozen 8 locaties zijn onderdeel van de (uitgebreidere) toetsomvang van Eelerwoude. De natuurtoets is uitgevoerd voor de aanleg het gehele leidingtracé. De aanleg van leidingen is geen onderdeel van voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Echter, vinden de werkzaamheden voor de aanleg van leidingen tevens plaats op de zoutwinningslocaties. Hiermee is deze natuurtoets ook van toepassing op de realisatie van de zoutwinningslocaties.

De belangrijkste conclusies zijn hier benoemd. Soortenbescherming Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime andere soorten. Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien dit niet mogelijk blijkt, is het nodig om na te gaan of een ontheffing kan worden verkregen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling In het onderzoeksgebied komen een aantal beschermde soorten voor. Het gaat hierbij onder meer om vleermuizen, broedvogels, vogels met jaarrond beschermde rust- en verblijfplaatsen en grondgebonden zoogdieren zoals eekhoorn, steenmarter, kleine marterachtigen, egel en mogelijk das en boommarter. Essentiële functies als verblijfplaatsen van deze soorten zijn ter hoogte van de werkzaamheden niet vastgesteld.

Om negatieve effecten op de functionele leefomgeving van de voorkomende soorten te beperken, is het noodzakelijk de opgaande beplanting buiten de broedperiode te verwijderen, deze periode loopt globaal van half maart tot half juli. Om de impact van de kap van opgaande beplanting tot een minimum te beperken wordt geadviseerd deze in de periode november – februari te verwijderen. Om negatieve effecten op nachtactieve soorten te beperken is het daarnaast noodzakelijk de werkzaamheden

overdag uit te voeren buiten de kwetsbare voortplantingsperiode. Indien de werkzaamheden onder deze voorwaarden worden uitgevoerd, is nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. In de natuurtoets, zoals opgenomen in Bijlage 1, wordt specifieker in gegaan op de effecten van de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de aanwezigheid van beschermde soorten. Gebiedsbescherming Natura2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. De NNN is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Natura2000 gebieden Met het onderdeel gebiedenbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura2000 gebieden beschermd. Natura2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Voor alle Natura2000 gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen.

De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden. Niet stikstof-gerelateerde effecten Op ongeveer 3 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura2000 gebied Buurserzand & Haaksbergerveen. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten (niet stikstofgerelateerd) uitsluitend tot het onderzoeksgebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura2000 gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden met (wegen, houtwallen, bosjes en bebouwing) en de voorgenomen werkzaamheden is er derhalve geen reden om aan te nemen dat er kans is op een belemmering van de kernopgaven van het Natura2000 gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Ten behoeve van het beoordelen van mogelijke effecten in relatie tot de instandhoudingsdoelen van de omliggende gebieden heeft Antea Group een Voortoets Wet natuurbescherming uitgevoerd. Deze is separaat bijgevoegd.

Uit de voortoets komt naar voren dat (significante) negatieve effecten van de meeste storingsfactoren kunnen worden uitgesloten. Slechts “vernatting” en “verzuring/vermesting door stikstofdepositie” blijven over als relevante storingsfactoren. Om de mogelijke effecten van vernatting en stikstof depositie in beeld te brengen is respectievelijk gebruik gemaakt van een geohydrologisch onderzoek naar vernatting door bodemdaling uitgevoerd. Uit het geohydrologisch onderzoek blijkt dat vernatting door bodemdaling lokaal is en het invloedsgebied van het project voor wat betreft vernatting niet overlapt met enig Natura2000 gebied. Daarom zijn negatieve effecten door vernatting met zekerheid uit

te sluiten. Uit de voortoets kan worden geconcludeerd dat - gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura2000 gebieden - de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van de Natura2000 gebieden niet zal aantasten. Een passende beoordeling of een aanvraag van een vergunning in kader van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Stikstof-gerelateerde effecten In opdracht van Nobian is door Antea Group een stikstofberekening middels AERIUS Calculator (versie 2022.2) uitgevoerd om de stikstofdepositie in omliggende Natura2000 gebieden te berekenen. Deze rapportage is separaat bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing bijgevoegd. In paragraaf 5.10 wordt nader ingegaan op het aspect stikstof. Houtopstanden Er worden binnen het onderzoeksgebied bomen gekapt die behoren tot een bomenrij of een bosperceel buiten de bebouwde kom. Dit betekent dat er een kapmelding dient te worden gedaan bij provincie Overijssel. Ter compensatie dienen nieuwe bomen te worden aangeplant. De wijze van compensatie wordt met Provincie Overijssel nader afgestemd. Ook dient er volgens de APV van gemeente Haaksbergen een kapvergunning te worden aangevraagd. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Provincies hebben hiervoor soms een andere benaming. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De 8 zoutwinningslocaties worden gerealiseerd buiten het NNN, hierdoor worden er met de realisatie van de zoutwinningslocaties geen kenmerken of waarden van het NNN-gebied aangetast. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing ziet enkel toe op de realisatie van de zoutwinningslocaties. De transportleiding is geen onderdeel van voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Aangezien de zoutwinningslocaties worden aangesloten op de te leggen ondergrondse leidingen wordt hieronder in hoofdpunten de conclusie uit de NNN- toetsing benoemd. Zie voor een verdere uitwerking de natuurtoets, zoals opgenomen in Bijlage 1. De transportleiding wordt over 38 meter door NNN gebied en 1.595 meter door zone ‘ondernemen met natuur en water’ gelegd.

Doordat met het aanleggen van de transportleiding door middel van een open ontgraving wordt naderhand de bodem en de vegetatie weer hersteld. Hierdoor is geen sprake van verlies aan areaal, verlies aan kwaliteit en geen verlies aan samenhang. In het NNN-gebied worden geen bomen gekapt. Daar waar het tracé een houtwal doorkruist wordt de leiding aangelegd door een gestuurde boring. Het gebied dat behoort tot de droge dooradering blijft, doordat de vegetatie hersteld na aanleg van de leiding, zorgen

voor een samenhangend netwerk van landschapselementen. De kwaliteit van het natuurtype droge dooradering blijft goed. Bij aanleg van de transportleiding door middel van een gestuurde boring zijn negatieve effecten op de kenmerkende waarden afwezig. De hogere natuurwaarde van de Hagmolenbeek, het moeras en de houtwal aan de Deelweg worden hierdoor bespaard. Conclusie natuurwaarden Vanuit de eisen van het natuurbeleid NNN is het plan uitvoerbaar. Met betrekking tot het onderdeel houtopstanden dienen de te kappen bomen te worden gecompenseerd door het inplanten van bomen. 4.3. Archeologische en cultuurhistorische waarden Archeologie Op basis van het Verdrag van Malta en de Wet op de archeologische monumentenzorg is het uitgangspunt gesteld om archeologische erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en maatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. De verstoorder van de bodem is verantwoordelijk voor het behoud van de archeologische resten. Daar waar behoud ter plekke niet mogelijk is, betaalt de verstoorder het archeologisch onderzoek en de mogelijke opgravingen. Voor ruimtelijke plannen die archeologische waarden bedreigen, moeten betrokken partijen in beeld brengen welke archeologische waarden in het geding zijn. De gemeente Haaksbergen heeft haar archeologische waarden beschermd middel een archeologische verwachtingskaart (zie afbeelding 18).

Deze verwachtingskaart is door vertaald in het bestemmingsplan 'Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening veegplan 1'. In het geldende bestemmingsplan komt dit tot uiting door de aanwezigheid van de dubbelbestemmingen 'Waarde - Hoge archeologische verwachtingswaarde', 'Waarde - Middelmatige archeologische verwachtingswaarde' en 'Waarde - Lage archeologische verwachtingswaarde'. In de regels behorend bij het geldende bestemmingsplan is opgenomen dat ter plaatse van een hoge archeologische verwachtingswaarde werkzaamheden zijn toegestaan wanneer deze niet dieper gaan dan 40 centimeter onder maaiveld en een maximale oppervlakte bestrijken van 2.500 m2. Bij een middelmatige verwachting is dit 5.000 m2 een lage archeologische verwachting is deze oppervlakte 100.000 m2.

Afbeelding 18: Weergave Archeologische beleidskaart (indicatief, hier zijn 12 potentiële zoutwinningslocaties aangegeven) (bron: gemeente Haaksbergen)

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling. Van de 8 zoutwinningslocaties die binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening veegplan 1' vallen zijn er 2 locaties met een hoge archeologische verwachting, 2 met een middelmatige verwachting en 2 met een lage archeologische verwachting. De twee oostelijke locaties, H-01 en H-02 die buiten het bestemmingsplan vallen liggen, behoren volgens de beleidskaart in een lage tot middelmatige archeologische verwachting. Met de voorgenomen ontwikkeling zal er dieper geboord en gegraven worden dan 40 centimeter. Elke winningslocatie heeft een oppervlakte van circa 2.400 m2 met daarom liggend een onbewerkt oppervlak van 2.400 m die slechts tijdens aanleg wordt gebruikt voor het opstellen van keten en neerleggen van materiaal. Op de 8 locaties wordt daarnaast dieper gegraven dan 40 centimeter. Ter plaatse van de hoge archeologische verwachtingswaarde wordt naar alle waarschijnlijkheid de grenswaarden worden overschreden. Ter plaatse van de middelhoge en lage archeologische verwachtingswaarden wordt de grenswaarde niet overschreden. Om aan te tonen dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening heeft ADC Archeoprojecten in opdracht van Nobian een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de zoutwinningslocaties.

Dit inventariserend veldonderzoek is separaat bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing bijgevoegd. Uit het inventariserend veldonderzoek kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van de zoutwinningslocaties 1 tot en met 5, 8 en het westelijk deel van ontsluitingsweg 1 en ontsluitingsweg 2 (zie tevens onderstaande afbeelding) een grotendeels verstoorde bodemopbouw aanwezig is en de archeologische verwachting kan worden bijgesteld naar laag. Ter plaatse van zoutwinningslocaties 7 en 9 en het oostelijk deel van ontsluitingsweg 1 is een intact plaggendek aanwezig en blijft de archeologische verwachting gehandhaafd. Bij de zoutwinningslocaties 7 en 9 dient nader inventariserend onderzoek doormiddel van het aanleggen van proefsleuven te worden uitgevoerd. Deze vervolgstap wordt nog uitgevoerd. Voor de locaties 1 tot en met 5, 8 en het westelijk deel van ontsluitingsweg 1 en ontsluitingsweg 2 is geen vervolg onderzoek aan de orde en vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de uitvoering van de voorliggende ontwikkeling. Tot slot blijft ten allen tijde de archeologische meldingsplicht van kracht. Dit betekend dat wanneer bij werkzaamheden archeologische vondsten worden aangetroffen waarvan kan worden aangenomen dat dit archeologische waardevolle vondsten betreffen, dit gemeld wordt bij het bevoegd gezag.

Afbeelding 19: Onderzoeksgebied inventariserend veldonderzoek (met daarin 12 potentiële zoutwinningslocaties. bron: ADC Archeoprojecten)

Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, ook cultuurhistorische waarden in het onderzoeksgebied worden meegewogen bij ruimtelijke ontwikkelingen die met een nieuw bestemmingsplan planologisch mogelijk worden gemaakt. Met het voorliggende plan worden geen cultuurhistorische waarden gesloopt of aangetast. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het onderzoeksgebied ligt niet in een nationaal landschap. Met de realisatie van de 8 zoutwinningslocaties ontstaan er geen grote langdurige effecten op cultuurhistorisch waardevolle gebieden. Binnen het onderzoeksgebied zijn tevens geen waardevolle structuren, elementen en patronen aanwezig die door de ingreep beïnvloed kunnen worden. Met het voorliggende plan worden geen cultuurhistorische waarden aangetast. 4.4. Water De toelichting van een omgevingsvergunning dient, conform artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening, een beschrijving te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. In deze waterparagraaf wordt een overzicht gegeven van het beleid dat van toepassing is op het onderzoeksgebied.

Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het

46

Zoutwinningsproject Haaksbergen

uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebied beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan (NWP) is in december 2009 opgesteld en geeft de hoofdlijnen aan van het beleid dat het Rijk voert in de periode 2009 tot en met 2015 om tot een duurzaam waterbeheer te komen. Het NWP richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. NWP is een opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het NWP is tevens eens structuurvisie op basis van de Waterwet en de Wro. Een goede bescherming tegen overstromingen, het zoveel mogelijk voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit zijn de basisvoorwaarden voor welvaart en welzijn. De volgende generaties moeten Nederland als veilig en welvarend waterland ervaren. Water is mooi en Nederlanders genieten graag van water. Het doel van het NWP is: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst. De uitvoering van projecten van het NWP zijn al in volle gang.

Zo hebben we in Nederland het Hoogwaterbeschermingsprogramma, programma's voor de rivierverruiming (Ruimte voor de rivier en de maaswerken) en stroomgebied beheersplannen zodat de waterkwaliteit wordt verbeterd. Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel 2009 wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. De provincie werkt nauw samen met Waterschappen om haar ambities te realiseren. Hiervoor hebben de waterschappen eigen regionale waterbeheerplannen opgesteld. De Provinciale staten hebben de wettelijke bevoegdheid tot het instellen en opheffen van waterschappen, tot regeling van hun gebied, taken, inrichting, samenstelling van hun bestuur en tot de verder reglementering van waterschappen. De manier waarop de waterschappen hun taak uitoefenen is onderhevig aan provinciaal toezicht doordat het waterbeheerplan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten behoeft. Dus de provincie stelt de regels en de waterschappen doen verder de uitvoering van het waterbeheer.

Waterschap Vechtstromen Het waterschap Vechtstromen heeft het waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheerplan (voormalig waterschap Regge en Dinkel). Het plan is opgesteld in samenwerking met de vier andere waterschappen in Rijn-Oost (de Reest en Wieden, Groot Salland, Regge en Dinkel en Rijn en IJssel). Het nieuwe Waterbeheerprogramma 2022-2026 is op 15 december 2022 vastgesteld en volgt op het Waterbeheerplan 2016-2021 uit 2015. In het waterbeheerplan staan de korte

47

Zoutwinningsproject Haaksbergen

en de lange termijn doelstellingen van het waterschap. Het waterschap kiest daarbij voor aansluiting bij de nieuw in te voeren omgevingswet met als kernwaarden dat:   

dat we de leefomgeving altijd centraal zetten dat we zoveel mogelijk samenwerking zoeken met partners in ons beheergebied dat we streven naar optimale participatie.

Door de watertoets wordt er al meteen vroegtijdig nagedacht over de rol van water binnen een ontwikkeling. Voorkomen van wateroverlast Op grond van artikel 12 van het Besluit op de ruimtelijke ordening moeten ruimtelijke plannen voorzien worden van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Bij het watertoetsproces gaat het om het hele proces van vroegtijdig meedenken, informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Op 29 april 2020 is het waterschap Vechtstromen geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen, waaruit blijkt dat de zogenaamde normale procedure wordt doorlopen. Bij de normale procedure levert het waterschap uitgangspunten aan, gericht op de voorgenomen ontwikkeling en vindt hierover afstemming plaats met de initiatiefnemer. Gedurende het proces met Waterschap Vechtstromen zijn de uitgangspunten die in de watertoets zijn opgenomen gewijzigd. Deze uitgangspunten zijn met het waterschap besproken. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling is er sprake van een toename aan verharding. Deze toename dient gecompenseerd te worden in de vorm van waterberging om wateroverlast te voorkomen.

Het waterschap hanteert in haar beleid met betrekking tot waterberging de voorkeursvolgorde : vasthouden- bergen – vertraagd afvoeren, ook wel ‘trits’ genoemd. In verband hiermee gaat de voorkeur uit naar het vasthouden van hemelwater via infiltratie in de bodem. Daarnaast heeft het waterschap in een afstemmingsoverleg d.d. 17 februari 2021 aangegeven dat het creëren van extra oppervlaktewater (zoals het realiseren van een kavelsloot) ook tot de mogelijkheden van compensatie waterberging behoort. Ten gevolge van de realisatie van 8 zoutwinningslocaties en een pompstation, gaat onverhard terrein (grasland) verloren. Als gevolg van het toename van het verhard oppervlak dient het verlies aan waterberging te worden gecompenseerd. Ter plaatse van de beoogde zoutwinningslocaties geldt voor waterberging een norm van 55 mm per m2 verhard oppervlak. Voor het pompstation geldt een norm van 40 mm per m2 verhard oppervlak. Het pompstation is geen onderdeel van voorliggende ruimtelijke onderbouwing en wordt derhalve achterwege gelaten. Zoutwinningslocaties De beoogde zoutwinningslocaties krijgen een verhard oppervlakte van circa 2.400 m2. De berekende benodigde compensatie bedraagt dan tenminste 132 m3 (2.400 m2 x 0,055 m).

In overleg met Waterschap Vechtstromen is ervoor gekozen om de benodigde compensatie te realiseren door naast het verharde oppervlakte van de zoutwinningslocatie een ondergronds reservoir te maken. In het reservoir wordt het

48

Zoutwinningsproject Haaksbergen

hemelwater vastgehouden middels een aquaflowsysteem van waaruit het water vertraagd in de bodem infiltreert. De beoogde zoutwinningslocaties H-03 en H-09 liggen niet direct naast een openbare weg. Om deze locaties te kunnen bereiken worden hier toegangswegen aangelegd (zie tevens afbeelding 19). De toename als gevolg van de aanleg van de toegangswegen wordt gecompenseerd door naast de weg een kavelsloot/wadi aan te leggen. Ook hierbij wordt de norm van 55 mm per m2 verhard oppervlak gehanteerd. De omvang van de kavelsloot/wadi wordt voorafgaand aan de realisatie afgestemd met Waterschap Vechtstromen. 4.5. Conclusie Met de voorgenomen ontwikkeling worden de aanwezige waarden niet aangetast. Het voornemen is dan ook uitvoerbaar ten aanzien van de bestaande waarden in het onderzoeksgebied.

49

Zoutwinningsproject Haaksbergen

5. Milieuaspecten 5.1. Inleiding Nieuwe initiatieven hebben te maken met milieuaspecten. Een aantal van deze milieuaspecten zijn ruimtelijk relevant. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op:       

Bodem Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Wet geurhinder en veehouderij Bedrijven en milieuzonering Milieueffectenrapportage

5.2. Bodem Sinds 1 januari 2008 is in het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) vastgelegd hoe we in Nederland omgaan met het hergebruik van schone en licht verontreinigde grond en de bescherming van de bodem. Bij vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de gewenste ontwikkeling. De algemene zorgplicht uit de Wet bodembescherming (Wbb) verplicht iedereen die in of op de bodem handelingen verricht, maatregelen te treffen om aantasting of verontreiniging van de bodem te voorkomen. Het (nationale) preventieve bodembeschermingbeleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). In 2012 is de NRB 2012 vastgesteld. In de NRB staat beschreven hoe een inrichting bodembeschermende maatregelen moet treffen, waarbij het risico bestaat dat verontreinigende stoffen door bedrijfsmatige activiteiten in de bodem terecht komen. De NRB stelt hiervoor een uniformerend kader en is tevens het gereedschap voor het inrichten van de bodembescherming binnen een inrichting. Het uitgangspunt van het nationaal bodembeleid is om door een doelmatige combinatie van maatregelen en voorzieningen een verwaarloosbaar bodemrisico te realiseren. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het ontwerp van de zoutwinningslocaties en de bedrijfsvoering van Nobian zijn erop gericht om bodemverontreiniging te voorkomen.

De zoutwinningslocaties zijn daarom voorzien van een vloeistofkerende verharding. Tijdens de boorwerkzaamheden en workovers treft Nobian maatregelen om te voldoen aan artikel 28 van het Besluit Algemene Regels Milieu Mijnbouw. Het gaat om het treffen van bodembeschermende maatregelen op de zoutwinningslocaties conform de NRB 2012. Dit betekent dat er combinaties van voorzieningen en maatregelen getroffen worden zodat er sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico. De combinaties van voorzieningen en maatregelen die de bodem moeten beschermen, worden getoetst in een bodemrisico-analyse aan de NRB 2012. Dit wordt meegenomen in de Wabo milieuvergunningaanvraag voor het project Haaksbergen. Om de huidige grond- en grondwaterkwaliteit van de 8 zoutwinningslocaties vast te stellen heeft Stantec B.V. een actualiserend historisch bodemonderzoek uitgevoerd.

50

Zoutwinningsproject Haaksbergen

Deze rapportage is tevens separaat bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing bijgevoegd. Op basis van historische data is de huidige grond- en grondwaterkwaliteit vastgesteld. Daarnaast wordt is tevens de mogelijke impact van de huidige of historische (bedrijfs-)activiteiten op de grond- en grondwaterkwaliteit beoordeeld. Uit het historisch bodemonderzoek kan geconcludeerd worden dat de geplande werkzaamheden, op basis van de resultaten, worden uitgevoerd in grond met licht (tot matig) verhoogde gehalten zware metalen, PAK en PCB. Het grondwater is in het verleden tussen de 0,53 en 1,80 m-mv waargenomen en bevat (licht tot) sterk verhoogde concentraties nikkel en licht verhoogde concentraties barium, benzeen, kobalt, koper en naftaleen. De sterk verhoogde concentratie nikkel is te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. Daarnaast zijn de onverharde terreindelen niet verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van asbest op het maaiveld en/of in de bodem. Voor de werkzaamheden is daarom geen melding in het kader van de Wet bodembescherming noodzakelijk. Wel wordt geadviseerd om tijdens de werkzaamheden waakzaam te zijn op het voorkomen van onvoorziene verontreinigingen in de bodem. Op basis van voorgaande vormt het aspect 'bodem' geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Voorafgaand aan de realisatie van een zoutwinningslocatie wordt een verkennend bodemonderzoek conform de NEN5740 uitgevoerd. Mocht uit het onderzoek volgen dat de aanwezige bodemkwaliteit de beoogde ontwikkeling in de weg staat, dan wordt de aanwezige verontreiniging conform de vigerende wet- en regelgeving verwijderd. Zoals hierboven reeds is aangegeven treft Nobian diverse maatregelen om te zorgen dat er sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico. Met betrekking tot het aspect bodem wordt het plan daarmee uitvoerbaar geacht. 5.3. Bodembeweging Er is geen wet- of regelgeving op het gebied van bodemdaling. In artikel 35, lid 1 f van de mijnbouwwet is bepaald dat er bij een winningsvergunning een beschrijving gegeven dient te worden van de bodembeweging ten gevolge van de winning en van de maatregelen ter voorkoming van schade door bodembeweging. Het uitvoeren van de diepboring zelf leidt niet tot bodembeweging in het gebied. De bodembeweging tijdens de productiefase als gevolg van de zoutwinning is beschreven in het winningsplan Zoutwinning Haaksbergen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De oprichting van de zouthuisjes, waarvoor deze ruimtelijke onderbouwing nodig is, levert geen risico voor bodemdaling op, zodat het voorgenomen bouwplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Zoutwinning veroorzaakt bodemdaling, maar op zeer beperkte schaal.

Hierdoor levert het geen nadelige effecten voor de omgeving op. Nobian heeft de bodemdaling laten onderzoeken. Kort samengevat volgt uit dit onderzoek het volgende (zie hierna verder toegelicht). De bodemdalingskom in Haakbergen zal naar verwachting twee kilometer in doorsnee worden. Vanuit het oogpunt van risico’s en effecten aan de oppervlakte is het noodzakelijk om na te gaan wat de scheefstand (de gemiddelde graduele daling) en de geohydrologische effecten ten

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13362053/1