DB bijlage 6. Ruimtelijke onderbouwing Zoutwinningsproject Haaksbergen
Tekst van het document
Nobian Salt BV Nobian Mining Department
Ruimtelijke onderbouwing Zoutwinningsproject Haaksbergen September 8, 2023 E.J. Westerink Referentie: NH-20230908
Inhoudsopgave 1.
Inleiding 1.1. Aanleiding 1.2. Afbakening plan 1.3. Ligging onderzoeksgebied 1.3.1. Locatiekeuze 1.4. Leeswijzer
4 4 5 5 6 7
2.
Het initiatief 2.1. Inleiding 2.2. Planbeschrijving 2.2.1. Het belang van zoutwinning 2.2.2. Het initiatief en zoutwinningsproces 2.2.3. Verkeer en parkeren
8 8 8 8 8 12
3.
Beleidskader 3.1. Inleiding 3.2. Rijksbeleid 3.2.1. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) 3.2.2. Barro 3.2.3. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) 3.2.4. Structuurvisie ondergrond 3.2.5. Contourennota Mijnbouw 3.3. Provinciaal beleid Overijssel 3.3.1. Omgevingsvisie Overijssel 3.3.2. Omgevingsverordening Overijssel 3.3.3. Toetsing aan provinciaal beleid 3.4. Gemeentelijk beleid 3.4.1. Planologisch regime 3.4.1.1 Bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen (2013) 3.4.1.2 Bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening veegplan 1 3.4.1.3 Bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen (2000) 3.4.2. Structuurvisie 2030; Haaksbergen, groenste dorp van Twente 3.4.3. Stepelerveld, het duurzaamste bedrijventerrein van Twente 3.4.4. Catalogus Gebiedskenmerken Overijssel (12 april 2017) 3.4.5. Gemeentelijk KGO-beleid 3.4.6. Landschapsontwikkelingsplan Haaksbergen en Hof van Twente 3.4.7. Coalitieprogramma 2018-2022 “Samen duurzaam vooruit” 3.4.8. Coalitieprogramma 2022-2026 “Meer voor mekaar” 3.4.9. Raadsafspraken Haaksbergen 2022 2026 3.4.10.Conclusie gemeentelijk beleid 3.5. Conclusie
14 14 14 14 15 16 16 16 17 17 18 19 26 26 27 29 31 32 35 36 36 37 38 39 39 40 40
4.
Waardentoets 4.1. Inleiding 4.2. Natuurwaarden 4.3. Archeologische en cultuurhistorische waarden 4.4. Water 4.5. Conclusie
41 41 41 44 46 49
5.
Milieuaspecten 5.1. Inleiding 5.2. Bodem
50 50 50
5.3. 5.4. 5.5. 5.6. 5.7. 5.8. 5.9. 5.10. 5.11. 5.12. 6.
Bodembeweging Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Bedrijven en milieuzonering M.e.r. beoordeling Kabels en leidingen Stikstof Gezondheid en veiligheid voor de bewoners Conclusie
Uitvoerbaarheid 6.1. Inleiding 6.2. Ruimtelijke uitvoerbaarheid 6.3. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.4. Economische uitvoerbaarheid 6.5. Conclusie
51 54 56 57 58 59 59 60 60 60 61 61 61 61 62 62
1.
Inleiding
1.1. Aanleiding Sinds 1918 is Nobian Salt B.V. (voorheen bekend als AkzoNobel) actief in de regio Twente met het winnen van zout. De zoutwinning is begonnen in Boekelo en vanaf 1933 is het wingebied verplaatst naar de omgeving Hengelo en Enschede. Het huidige wingebied kent alleen nog beperkte en versnipperde mogelijkheden van zoutwinning. De hoeveelheid winbaar zout in deze gebieden is onvoldoende om de zoutproductie op langere termijn veilig te stellen. Voor de continuering van de zoutproductie is het noodzakelijk dat er een nieuw winningsgebied in productiegenomen wordt. Op basis van een proefboring en uitgebreid onderzoek in de regio heeft Nobian Salt B.V. in 2011 besloten om het gebied ten noorden van Haaksbergen te ontwikkelen voor zoutwinning. Per jaar wint Nobian Salt B.V. (hierna: Nobian) in Hengelo circa 2,5 miljoen ton zout door middel van oplosmijnbouw. Dit houdt in dat de in de Twentse ondergrond aanwezige zoutlaag aangeboord wordt door middel van geboorde gaten (putten) in de ondergrond. Deze putten zijn voorzien van meerdere concentrische buizen. Via deze putten wordt water in de ondergrondse zoutlaag geïnjecteerd, waardoor het zout oplost. De hierbij gevormde ruwe pekel wordt door dezelfde put omhoog gebracht en via een pijpleiding naar de fabriek getransporteerd voor verdere verwerking tot zeer zuiver zout.
Nobian is voornemens om in het gebied ten noorden van Haaksbergen in totaal 8 nieuwe zoutwinningslocaties voor zout te realiseren. De beoogde zoutwinningslocaties liggen binnen het winningsvergunningsgebied Isidorushoeve (zie afbeelding 1). In 2012 heeft de minister van Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie de winnings-vergunning voor het winnen van zout verleend. Welke op 8 juni 2012 in werking is getreden. De vergunning is verleend voor een gebied met een oppervlakte van circa 24 vierkante kilometer en geldt voor een periode van 40 jaar. Vervolgens heeft de Minister van Economische Zaken in 2014 ingestemd met het winningsplan Haaksbergen. Het winningsplan wordt geactualiseerd rekening houdend met de laatste mijnbouwkundige inzichten en technieken. Van de 8 nieuwe zoutwinningslocaties liggen er 6 (de meest westelijke) in het bestemmingsplan 'Buitengebied Haaksbergen' (2015) en hebben daar de bestemming Agrarisch met waarden - Landschap. In dit bestemmingsplan is wel een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waarin is bepaald dat de bestemming onder voorwaarden gewijzigd kan worden ten behoeve van de zoutwinning. De andere twee locaties liggen in het bestemmingsplan ''Voorbereidingsbesluit Stepelerveld". De voorgenomen ontwikkeling, de realisatie van 8 nieuwe zoutwinningslocaties in Haaksbergen, past niet binnen de huidige bestemming.
Voor de realisatie van de 8 zoutwinningslocaties wordt bij het bevoegd gezag (Ministerie Economische Zaken en Klimaat) een omgevingsvergunning aangevraagd, in afwijking van het bestemmingsplan, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3° Wabo. De aanvraag gaat daartoe vergezeld van de voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Deze ruimtelijke onderbouwing is een actualisatie van de eerder in 2021 ingediende ruimtelijke onderbouwing die was opgesteld door Eelerwoude (ref. 200022 d.d. 2206-2021).
1.2. Afbakening plan Deze ruimtelijke onderbouwing is bedoeld voor het mogelijk maken van in totaal 8 zoutwinningslocaties met de bijbehorende leidingen en toegangswegen in het buitengebied van Gemeente Haaksbergen. De 8 locaties zullen in een periode van ca. anderhalf jaar worden aangelegd. Het pompstation dat nodig is voor het transport van pekelwater wordt gerealiseerd op bedrijventerrein Stepelerveld. Hiertoe wordt het reeds bestaande bedrijfsgebouw van Nobian omgebouwd tot volwaardig pompstation. In het bestemmingsplan Bedrijventerrein Stepelerveld, fase 1 (door de raad vastgesteld op 16 december 2015) is hier al rekening mee gehouden. Het pompstation wordt gesitueerd op gronden die de bestemming Bedrijventerrein hebben. Op deze gronden zijn bedrijven tot en met categorie 3.2 toegestaan, zoals opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Zoutwinningsbedrijven zijn opgenomen in deze Staat van Bedrijfsactiviteiten en vallen onder de categorie 3.2. Het pompstation past binnen de regels van deze bestemming. In de voorgenomen ontwikkeling worden 8 zoutwinningslocaties gerealiseerd, toegangswegen en leidingen aangelegd ten behoeve van de uitbreiding van de zoutproductie 1.3. Ligging onderzoeksgebied De beoogde winningen zullen plaatsvinden in de winningsvergunning Isidorushoeve (afbeelding 1).
Afbeelding 1: winningsgebied Isidorushoeve van Nobian in Twente (bron: Nobian)
Het gebied waar de zoutwinning plaats vindt is gelegen aan de noordzijde van het dorp Haaksbergen, globaal tussen het bedrijventerrein Stepelerveld en de N18.
Afbeelding 2: kaart met geplande zoutwinningslocaties en het leidingentracé (bron: Nobian)
Op afbeelding 2 is te zien waar Nobian voornemens is de zoutwinningslocaties te realiseren. Het betreft een netwerk van 8 locaties bestaande uit locaties H-01 tot en met H-09 met uitzondering van H-06. De oorspronkelijk ook opgenomen locatie H-06 is na overleg met de omgeving komen te vervallen. 1.3.1. Locatiekeuze De gewenste locatie van de zoutwinningslocaties is zorgvuldig afgewogen, hierbij is er gekeken naar onder andere de volgende uitgangspunten: géén Natuur Netwerk Nederland gebieden; langs bestaande infrastructuur; afstand ten opzichte van woningen met betrekking tot akoestische waarden; afstanden in het kader van de Mijnbouwwet. Detail oriëntatie van de zoutwinningslocaties is vastgesteld met de betreffende omwonenden. Op basis van de modellering van de zoutvoorkomens en de scan van de ruimtelijke beperkingen is er in 2010 een eerste selectie uitgevoerd, waarbij er uiteindelijk drie interessegebieden zijn overgebleven. In deze drie gebieden is onderzocht: wat de diepte en de dikte is van de zoutlaag (zoutvolume); in hoeverre er bovengrondse beperkingen zijn in het gebied voor de zoutwinning; het ruimtelijk beslag van de zoutwinning; inpasbaarheid in de omgeving. Op basis van deze criteria ontstond er een voorkeur voor de locatie Haaksbergen (nabij Sint Isidorushoeve).
Begin 2011 is een proefboring uitgevoerd, waaruit bleek dat er een zeer geschikt zoutkussen aanwezig is voor de toekomstige zoutwinning. Met dit resultaat is uiteindelijk de keuze gevallen op de locatie Haaksbergen.
Bij het inpassen van de zoutwinningslocaties en leidingen wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met het landschap maar ook de wensen van omwonenden en eigenaren: zo veel mogelijk in het buitengebied of op bedrijventerreinen, langs perceelsgrenzen, rekening houdend met bestaande verkavelingsstructuur, toegankelijk vanaf bestaande wegen en met voldoende afstand tot de aanwezige woningen in het gebied. 1.4. Leeswijzer Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 eerst ingegaan op het onderzoeksgebied en de ontwikkeling. Dit betreft een gebiedsbeschrijving en een planbeschrijving. In hoofdstuk 3 komt het beleidskader aan bod. In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het van toepassing zijnde rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid van de gemeente Haaksbergen. Dit hoofdstuk licht toe hoe het voorgenomen plan past binnen de randvoorwaarden die hieruit volgen. Hoofdstuk 4 bevat een waardentoets. Hieruit blijkt welke waarden er in het onderzoeksgebied aanwezig zijn en of deze worden aangetast door de ontwikkeling. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieuaspecten aan bod. In hoofdstuk 6 wordt tot slot ingegaan op de ruimtelijke, maatschappelijke, en economische uitvoerbaarheid.
2. Het initiatief 2.1. Inleiding In dit hoofdstuk wordt een korte beschrijving gegeven van de ligging van het onderzoeksgebied en de omgeving. Daarnaast wordt de voorgenomen ontwikkeling beschreven. 2.2. Planbeschrijving 2.2.1. Het belang van zoutwinning Het zout in Twente is ruim 200 miljoen jaar geleden afgezet door de verdamping van zeewater. Dit deel van Nederland was tot dan toe binnenzee. Nadien is deze zoutlaag bedekt met enkele honderden meters ander gesteente. Nobian locatie Hengelo is de voortzetting van de NV Koninklijke Nederlandse zoutindustrie (KNZ), die in 1918 in Boekelo begon met de winning van steenzout. Het zoutproductiebedrijf zorgt voor de productie van circa 2,5 miljoen ton zout per jaar. Het zout wordt voornamelijk gebruikt voor de productie van basischemicaliën door een proces dat chemische transformatie heet en elders plaatsvindt. Door Nobian Hengelo wordt zout door geleverd aan het op dezelfde locatie gevestigde zoutverwerkingsbedrijf Salins. Daar worden verschillende consumptieve en veterinaire zout-producten gemaakt. De bekendste zijn de tafelzouten, de wateronthardings-tabletten en de likstenen voor vee. Tot slot is wegenzout een bekende toepassing. Naast de zoutwinning is een grote industrie ontstaan voor verwerking van zout in diverse producten.
De opgebouwde know-how en ervaring manifesteert zich in de chemische industrie in Hengelo en omstreken. Met het oog op de bestaande en toekomstige marktvraag naar zout heeft Nobian een prognose gemaakt van haar behoefte aan wincapaciteit. Vanaf 2023 is er een gat tussen de zoutbehoefte en de productiecapaciteit van Nobian. Het realiseren van nieuwe zoutwinningslocaties is derhalve noodzakelijk. De zoutwinning brengt economische activiteit met zich mee in de regio. Nobian werkt bij de aanleg van infrastructuur en bij de aanleg van cavernes zoveel mogelijk met lokale aannemers. Medewerkers van Nobian komen veelal uit Twente, of vestigen zich hier. De fabrieksinstallaties van Nobian behoren tot de modernste in haar soort en maakt dat Nobian over een periode van nog minstens 50 jaar in Twente zout wil winnen. Zij levert daarmee een langdurige en belangrijke bijdrage aan de regionale economie. Door de werkzaamheden van Nobian en alle toeleverende diensten zijn, naast de circa 330 arbeidsplaatsen op de productiesite, veel arbeidsplaatsen in Hengelo en omstreken gerelateerd aan de zoutwinning. Als er geen nieuw winningsgebied ontwikkeld kan worden, zal de fabriek op korte termijn gesloten moeten worden, waarmee veel arbeidsplaatsen verloren zullen gaan.
Tevens heeft dit gevolgen voor Nobian’s afnemers, voor wie op korte termijn geen alternatieven binnen Europa aanwezig zijn, en dus voor de strategische afhankelijkheid van Nederland en West-Europa van andere regio’s in de wereld voor een belangrijk deel van de maakindustrie. 2.2.2. Het initiatief en zoutwinningsproces Voor de nieuwe zoutwinning worden naast de zoutwinningslocaties tevens transportleidingen aangelegd. Ook wordt er op het bedrijventerrein Stepelerveld een pompstation gerealiseerd door ombouw van het bestaande bedrijfsgebouw. De zoutwinningslocaties zijn gelegen ten westnoordwesten van Haaksbergen en begrensd door de N347, de N18 en bedrijventerrein Stepelo. Het onderzoeksgebied
beslaat circa 1 bij 2,5 kilometer, circa 2,5 vierkante kilometer. Hier bevindt zich relatief ondiep in de ondergrond een zoutkussen, dat aan de zuidwestelijke zijde begrensd wordt door een breuk(zone). Het zoutkussen ten noordwesten van Haaksbergen biedt wellicht mogelijkheden om op vrij geringe diepte Zechstein zout te winnen aangezien de top van het zout hier op ruim 500 meter diepte lijkt te liggen. De dikte van de laag Zechstein zout bedraagt circa 400 meter. Het zout wordt gewonnen door oplosmijnbouw. Op de zoutwinningslocaties worden putten geboord, waaruit zout in de vorm van pekel wordt gewonnen. Per winningslocatie wordt de zoutlaag in de ondergrond aangeboord, middels een zogenaamde diepboring. Hiervoor wordt tijdelijk op de locatie een mobiele boorinstallatie opgesteld. Na afloop van het boren wordt de boorinstallatie verwijderd. Daarmee betreft het boren van de diepboring een tijdelijke activiteit.
Afbeelding 3: Tijdelijke boorinstallatie diepboring (bron: RED Drilling & Services)
Nadat het boorgat op juiste diepte is en er voor de pekelproductie benodigde verbuizing is ingebouwd en gemonteerd, wordt deze aangesloten op het leidingnetwerk. Met behulp van het leidingwerk wordt via het boorgat water in de zoutlaag gepompt, waardoor het zout oplost. Na het afronden van een boring wordt tijdens de productiefase een zouthuisje geplaatst op een vloerstofdichte vloer. Een zouthuisje heeft een oppervlakte van maximaal 30 m2 per locatie en is maximaal 5 meter hoog. Op de locatie is nog een tweede zouthuisje aanwezig waarin elektrotechnische installaties worden ondergebracht. Het zoute water, pekel, wordt naar de fabriek gepompt en onder vacuüm ingedampt tot zogenaamd vacuümzout. Het water wordt hergebruikt om zout op te lossen. Door dit oplossingsproces ontstaan holruimten in de ondergrond, de zogenaamde holruimten of cavernes. De vorm van de caverne wordt vastgelegd door middel van
een sonarmeting. Aan de hand van de sonarmeting wordt vastgesteld of de ontwikkeling van de caverne goed verloopt. De gehele ontwikkeling van één caverne duurt circa 7 jaar. De caverne blijft altijd gevuld met pekel. Tijdens de productiefase ligt er een dunne laag dekenvloeistof op de pekel in de caverne. Op deze manier kan het uitlogen gestuurd worden. Bij het oplossen van zout in de diepe ondergrond door injectie van water ontstaat een caverne. De vorm van deze caverne wordt beheerst door de toepassing van een mijnbouwhulpstof, te weten dekenvloeistof. De dekenvloeistof blijft op de ruwe pekel drijven. De dekenvloeistof mengt zich niet met water of pekel en lost evenmin zout op. Hierdoor wordt het dak van de caverne afgeschermd, wordt oplossing van het steenzout in verticale richting verhinderd en wordt de oplossing van het steenzout in horizontale richting bevorderd. Dit zorgt ervoor dat het zoutdak van de caverne voldoende dik blijft en de stabiliteit wordt gewaarborgd. Door het niveau van de dekenvloeistof continu te meten en aan te passen, is de ontwikkeling van de cavernes te sturen. Bij de locatie van de cavernes wordt onder andere rekening gehouden met de afstand tussen de cavernes (zoveel mogelijk in rijen om bodemdaling te minimaliseren), de dikte van het onderliggende zoutpakket en de toegankelijkheid vanaf de bovengrond.
Tussen de zoutwinningslocaties en de bestaande zoutfabriek van Nobian in Hengelo worden ondergrondse transportleidingen voor water, pekel en naverzadiging aangelegd. De waterleiding zorgt ervoor dat het water bij het zout in de caverne terechtkomt en de pekelleiding zorgt voor de afvoer van de pekel uit de cavernes. De naverzadigingsleiding is noodzakelijk om pekel die bij start van de caverne ontwikkeling nog onderverzadigd is (lage concentratie zout) kan worden doorgeleid naar een andere, bestaande, caverne waar de pekel op sterkte wordt gebracht.
Afbeelding 4: schematische weergave zoutwinning door middel van oplosmijnbouw.
Nadat het zout door oplossingsmijnbouw gewonnen is, wordt de ruwe pekel vanuit de zoutwinningslocaties via een ondergronds leidingnetwerk naar de zoutfabriek in Hengelo getransporteerd en verder verwerkt. Tijdens de productiefase zullen ook werkzaamheden verricht worden aan de boorput. Het gaat hierbij om werkzaamheden ter verbetering van de werking tijdens de productiefase. Er worden periodiek (gemiddeld één keer per 2 jaar) workovers uitgevoerd met een workovermast. Met deze workovermast wordt de diepte van de verbuizingen in de boring aangepast voor de volgende productiefase. Inrichting zoutwinningslocaties Bij de inrichting van elke winningslocatie wordt tevens rekening gehouden met het landschap. Er komen zouthuisjes die in het landschap passen. Het gaat hierbij overigens niet om de bekende zouthuisjes die in de omgeving van Hengelo en Enschede staan. Deze zouthuisjes worden gebruikt bij de zoutwinning van Rötzout. Voor de winning van het dieper gelegen Zechstein zout worden andere huisjes ontworpen. De omvang van het huisje zal naar verwachting iets groter zijn dan de huidige bekende zouthuisjes. Rondom de locatie komt een passende afrastering en verder wordt er een vloeistofkerende vloer rond de boorplaats gerealiseerd en een vloeistofkerende vloer daaromheen. Elke locatie zal landschappelijk ingepast worden, om zo de impact voor omwonenden zo veel mogelijk te beperken.
Zie afbeeldingen 5 en 6 voor een referentie van de zoutwinningslocatie. De inpassing van de zoutwinningslocaties in de omgeving wordt afgestemd met externe stakeholders.
Afbeelding 5: Artist impression zoutwinningslocatie H-01 (bron: Nobian)
Afbeelding 6: Artist impression van pompgebouw (bron: Nobian) Het pompstation is gepland op het nieuwe bedrijventerrein Stepelerveld, op relatief korte afstand van de eerste zoutwinningslocaties. Het pompstation pompt water naar de putten in het veld en pompt pekel uit het veld naar de fabriek. Beëindiging winning Naar verwachting zal een put ongeveer 7 jaar in productie zijn. Nadat een caverne de maximaal toelaatbare afmetingen heeft bereikt wordt de winning beëindigd. Wanneer de pekel door een retourstroom is verdrongen of wanneer besloten is dat de caverne ook in de toekomst niet voor de berging van een retourstroom gebruikt zal worden, wordt een eindmeting uitgevoerd, waarmee de eindsituatie vastgelegd wordt. Ook wordt de dekenvloeistof zoveel mogelijk uit de caverne en de put verwijderd en worden de productieverbuizingen uitgebouwd. Vervolgens krijgt de caverne tijd om in thermisch evenwicht te komen met haar omgeving om zo spanning door uitzetting van de pekel na afsluiting te voorkomen. Dit is een periode van enkele jaren. Vervolgens wordt een plug geplaatst, waarmee de put wordt gesuspendeerd. Op een later moment (na studies op basis van voornoemde metingen) wordt de put definitief buitengebruik gesteld.
In voorkomende gevallen worden ook de veldleidingen verwijderd; dit is echter tevens afhankelijk van het eventueel voortdurende gebruik van buurcavernes en de lokale leidingeninfrastructuur. Ten behoeve van het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van het mijnbouwwerk zal binnen de daarvoor geldende termijn een sluitingsplan worden ingediend bij Staatstoezicht op de Mijnen. Na circa 10 jaar is de gehele locatie opgeruimd en de bovengrond in haar oorspronkelijke hoedanigheid hersteld. 2.2.3. Verkeer en parkeren Verkeer Transport tijdens de boring De boorinstallatie met bijbehorend equipment, zoals kantoren, opslagvoorzieningen en technische installaties, wordt met behulp van vrachtwagens aangevoerd. Voor het
opbouwen van de boormast zijn gedurende enkele dagen een kraan en heftruck op locatie actief. De opbouw duurt naar verwachting vijf dagen. Tijdens de uitvoering van de (boor)activiteiten voor een put, circa 30 dagen, zijn eveneens transporten (vrachtwagens/tracktors) benodigd voor de aan- en afvoer van materialen en (afval)stoffen. Daarnaast zal om de dag diesel en Adblue worden aangeleverd ten behoeve van de energievoorziening. In de worst-case situatie vinden er ruim 600 transportbewegingen plaats, waarvan een groot deel personenauto's betreffen. Voor het aanvoeren van materieel en materiaal van en naar de locatie zal gebruik worden gemaakt van de openbare weg. Voor de aanvoer van de boorinstallatie met toebehoren vinden naar verwachting circa 25-30 vrachtbewegingen gedurende ongeveer vijf dagen plaats van en naar de locatie, zowel tijdens de opbouw als tijdens het afbreken. De duur van het uitvoeren van de diepboring, inclusief de aan- en afvoer van de installaties etc, vergt circa 1 maand. De boorwerkzaamheden vinden voornamelijk volcontinue plaats. Dit houdt 24 uur per dag, gedurende zeven dag per week in. De acht boringen zullen gefaseerd gerealiseerd worden. Transport in de productiefase Na de aanleg van de boorput wordt de zoutwinningslocatie gedurende de productiefase dagelijks bezocht voor inspectie met een bestelauto.
Daarnaast zal er dekenvloeistof worden aangevoerd of afgevoerd door middel een tankauto. Dit transport vindt normaliter plaats op werkdagen tussen 07.00 en 19.00 uur en vinden elk naar verwachting circa 12 keer per jaar plaats. Transport tijdens de workovers Tevens zullen er tussentijds (maximaal één keer per 2 jaar) workovers worden uitgevoerd. Voor de totale workover is het verwacht aantal transportbewegingen ruim 90. Dit is aanzienlijk lager dan bij het uitvoeren van de diepboring. Tijdens de workover vinden er voornamelijk transportbewegingen plaats van trucks, bussen (met aanhanger), graafmachines, tractoren (met aanhangers of containers). Aan het begin van de workover wordt de workovermast aangevoerd welke uiteindelijk na afronding van de werkzaamheden ook weer wordt afgevoerd. Parkeren Het onderzoeksgebied met de 8 zoutwinningslocaties ligt in de nabijheid van de provinciale wegen N18/N347/N739. De zoutwinningslocaties zijn goed bereikbaar via de lokale kleinere wegen, zoals de Beckumerweg, de Eppenzolderweg en de Hassinkbrinkweg. Tijdens de boring en het productieproces worden de voertuigen geparkeerd nabij of op de zoutwinningslocaties. Er zal derhalve geen parkeeroverlast plaatsvinden in de omgeving van het onderzoeksgebied.
Zowel tijdens de aanlegfase als tijdens de inspectie- en onderhoudsfase (workover) is de toename van het aantal verkeersbewegingen dusdanig beperkt dat dit geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan.
3.
Beleidskader
3.1. Inleiding In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid dat betrekking heeft op het onderzoeksgebied en de voorgenomen ontwikkeling beschreven. Het wordt benaderd vanuit het Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Uit het beleid volgen randvoorwaarden die worden getoetst aan het voorgenomen plan. 3.2. Rijksbeleid 3.2.1. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bevat de visie van het Rijk op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland. Het Rijk streeft naar een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker vooropzet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn regels opgenomen om het beleid uit de SVIR te verwezenlijken. In de structuurvisie schetst het Rijk ambities voor Nederland in 2040. Uitgaande van de verantwoordelijkheden van het Rijk zijn de ambities uitgewerkt in rijksdoelen tot 2028, daarbij is aangegeven welke nationale belangen aan de orde zijn. De tijdshorizon is gesteld omdat in de loop van de tijd nieuwe ontwikkelingen en opgaven kunnen vragen om bijstelling van de rijksdoelen. Voor de ambities zijn rijksinvesteringen slechts één van de instrumenten die worden ingezet. Kennis, bestuurlijke afspraken en kaders kunnen ook worden ingezet.
De huidige financiële rijkskaders (begroting) zijn randvoorwaardelijk voor de concrete invulling van die rijksambities. In de structuurvisie wordt ook aangegeven op welke wijze het Rijk deze belangen wil verwezenlijken. Dit zorgt voor een duidelijk overzicht in één document gezamenlijk met de doelen die het Rijk heeft opgesteld. Het Rijk benoemt 13 nationale belangen waarvoor het Rijk verantwoordelijk is. De desbetreffende belangen zijn vertaald in wetgeving of beleidsregels. De ruimtelijke besluitvorming over het project dient met deze belangen en de daaraan verbonden wet-, regelgeving en beleid rekening te houden. Onderstaand worden de relevante nationale belangen voor de ontwikkeling van zoutwinningslocaties van zout nabij Haaksbergen weergegeven en wordt aangeduid op welke wijze zij bij de besluitvorming zijn meegenomen: Nationaal belang 4: het efficiënt gebruiken van de ondergrond. Vanwege onder meer de beperkte ruimte in de ondergrond, de betekenis van de ondergrond voor het economisch functioneren van Nederland en afstemming op activiteiten in de bovengrond, is efficiënt gebruik van de ondergrond van nationaal belang. Voortzetting van de winning van zout uit de ondergrond is van belang voor de werkgelegenheid in Twente. Dit gebruik leidt niet tot een beperking voor toekomstige gebruiksmogelijkheden zoals geothermie.
Nationaal belang 8: het verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's. Om toekomstige kosten en maatschappelijke schade te voorkomen, moeten bij ruimtelijke-en infrastructurele werken de milieueffecten worden afgewogen. De afweging ten aanzien van het in productie nemen van de nieuwe zoutwinningslocaties is onderbouwd in hoofdstuk 5.
Nationaal belang 10: ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. Internationaal zijn afspraken gemaakt over cultureel- of natuurlijk werelderfgoed. Daarnaast behoren ook de beschermde stads- en dorpsgezichten, rijksmonumenten en aangewezen wederopbouwgebieden tot een nationaal belang. Bij de keuze van de zoutwinningslocaties zijn deze belangen meegewogen, hetgeen in hoofdstuk 4.3 van deze ruimtelijke onderbouwing is toegelicht. Nationaal belang 11: ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora en faunasoorten. In internationaal verband heeft Nederland zich met het Biodiversiteitsverdrag en de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (Natura2000) gecommitteerd aan afspraken over soorten (flora en fauna) en leefgebieden van soorten (habitats). Hiertoe zijn ter uitvoering van dit beleid Natura2000 gebieden aangewezen. Daarnaast is het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van nationaal belang, bestaande uit beschermde natuurgebieden alsmede robuuste verbindingszones tussen die gebieden. De provincies werken de NNN in hun ruimtelijke plannen uit. Voor ingrepen in zowel Natura2000 gebieden als in het NNN is elk een verschillend afwegingskader van toepassing. In hoofdstuk 4.2 wordt inzicht gegeven in de afwegingen die voor het in productie nemen van de zoutwinningslocaties zijn gemaakt.
Nationaal belang 13: een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit vindt voor de ontwikkeling van de zoutwinningslocaties plaats in de vorm van een omgevingsvergunning. Voorliggend plan sluit aan bij de doelstellingen van de SVIR. 3.2.2. Barro Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. In het Barro wordt een aantal projecten die van rijksbelang zijn met name genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen. Binnen het Barro worden de volgende onderdelen besproken:
project Mainportontwikkeling Rotterdam; kustfundament; grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; defensie; erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.
In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijkswegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater, waterveiligheid en is het onderwerp duurzame verstedelijking in regelgeving opgenomen. Per 1 juli 2016 zijn er nog enkele wijzigingen van de Barro van kracht geworden. Deze wijzigingen hebben geen directe invloed op het voorliggende plan. Voorliggend onderzoeksgebied ligt niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
3.2.3. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro (artikel 3.1.6 lid 2) bepaalt dat voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen de treden van de ladder moet worden doorlopen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Het realiseren van zoutwinningslocaties is geen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een toets aan de Ladder is daarom niet van toepassing. Dit plan heeft verder geen betrekking op de overige benoemde onderdelen in het Barro en de Bro. 3.2.4. Structuurvisie ondergrond Op 11 juni 2018 is de Structuurvisie Ondergrond (STRONG) vastgesteld. De Structuurvisie Ondergrond is een rijksstructuurvisie in de zin van artikel 2.3 van de Wet op de ruimtelijke ordening, waarin het Rijk de hoofdlijnen van het strategische nationale ruimtelijke beleid vastlegt. Het beleid in deze structuurvisie bindt alleen het Rijk. De ondergrond is van groot maatschappelijk belang.
Het winnen en benutten van delfstoffen zoals aardgas en aardolie draagt bij aan de energievoorziening en heeft onze welvaart verhoogd. Grondwater is de belangrijkste bron voor de drinkwater voorziening. De bodem is een onmisbare productiefactor voor de voedselvoorziening en belangrijk voor natuur en landschap. De bodem is tevens een bewaarplaats voor resten van vroegere menselijke bewoning, die inzicht kunnen geven in onze cultuurhistorie. Bovendien vormt de ondergrond de basis voor de fundering van infrastructuur en bebouwing. De ruimte in de diepe ondergrond lijkt eindeloos en conflicten tussen de verschillende vormen van gebruik doen zich tot op heden nauwelijks voor. Maar als er naar de ambities voor de energievoorziening en drinkwatervoorziening op de langere termijn wordt gekeken, dan is het wenselijk om een visie te ontwikkelen op het gebruik van de ondergrond, om 'botsingen' in de toekomst te voorkomen. Daarbij gaat het niet alleen om het 'verdelen' van de fysieke ruimte in de diepe ondergrond. Voor alle mijnbouwactiviteiten zijn bovengrondse installaties nodig en buisleidingen die ook de ondiepe bovengrond beroeren en grondwaterlagen passeren. Zoutwinning valt onder de Mijnbouwwet als één van de activiteiten in de diepe ondergrond en kan in potentie concurreren met andere ondergrondfuncties.
Er is geen ruimtelijke uitspraak over zoutwinning opgenomen in de Structuurvisie Ondergrond. 3.2.5. Contourennota Mijnbouw In een brief aan de Tweede Kamer heeft de Staatsecretaris voor Mijnbouwzaken aangegeven op welke wijze de Mijnbouwwet gemoderniseerd gaat worden. Belangrijke punten hierin zijn het erkennen van bestaande rechten, het verdelen van lusten en lasten en differentiatie naar soort mijnbouwactiviteit. Dit naast veiligheid en financiële zekerstelling inclusief schadeafhandeling en nazorg. In deze brief wordt ook gewezen op het belang van zoutwinning voor de (regionale) economie en de energietransitie.
3.3. Provinciaal beleid Overijssel 3.3.1. Omgevingsvisie Overijssel Het ruimtelijk beleid van de provincie Overijssel staat vooral in de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening die Provinciale Staten van Overijssel op 1 juli 2009 hebben vastgesteld en geactualiseerd bij besluit van 3 juli 2013. De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt is gericht op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren. Op 12 april 2017 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Overijssel 2017 'Beken kleur' en de Omgevingsverordening Overijssel 2017 vastgesteld. De hoofdambitie van de visie is een toekomst vaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. In het beleid van de provincie staan daarom de zorg voor ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid centraal. De provincie wil ruimtelijke kwaliteit realiseren door vooral in te zetten op het beschermen van bestaande kwaliteiten en deze te verbinden met nieuwe ontwikkelingen.
Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving staat voorop, in combinatie met een goed vestigingsklimaat, een goede woonomgeving en een fraai buitengebied. De essentiële gebiedskenmerken zijn daarbij het uitgangspunt. Om deze ambities waar te kunnen maken bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. De filosofie van dit model is dat de provincie samen met partners een gezamenlijke visie of doel deelt en dat vervolgens elke partij in de eigen verantwoordelijkheidssfeer in actie komt. Het uitvoeringsmodel heeft drie niveaus: generieke beleidskeuzes, ontwikkelperspectieven en gebiedskenmerken. Aan de hand van deze niveaus wordt duidelijk of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en of er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe de ontwikkeling uitgevoerd kan worden. Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de ambities, gebruikt de provincie het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal. Bij een initiatief kan aan de hand van deze drie stappen bepaald worden of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is (generieke beleidskeuzes), waar het past (ontwikkelperspectieven) en hoe het uitgevoerd kan worden (gebiedskenmerken). In onderstaande afbeelding is het uitvoeringsmodel weergegeven.
Vervolgens zijn de niveaus toegelicht. De '“vishaak” met de drie niveaus uit de Omgevingsvisie van 2009 is daarbij behouden gebleven. Boven het uitvoeringsmodel (in de paraplu) staan de rode draden en centrale beleidsambities weergegeven.
Afbeelding 7: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie (bron: Provincie Overijssel)
Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes vloeien voort uit beleid van EU, Rijk of provincie. Het zijn keuzes die bepalen of een ontwikkeling nodig is of mogelijk. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend. Een voorbeeld van een generieke beleidskeuze is dat gemeenten hun ruimtelijke ontwikkelingsplannen moeten afstemmen met hun buurgemeenten, om te voorkomen dat inefficiënte concurrentie tussen gemeenten ontstaat. Een ander voorbeeld is de 'SER-ladder', die inhoudt dat eerst bestaande bebouwing en herstructureringsmogelijkheden worden benut, voordat er uitbreiding kan plaatsvinden. Ontwikkelingsperspectieven Na de toetsing aan de generieke beleidskeuzes komen de ontwikkelingsperspectieven aan de orde. In de Omgevingsvisie staan zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. De ontwikkelperspectieven zijn flexibel voor de toekomst en geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Gebiedskenmerken Tot slot zijn de gebiedskenmerken van belang, die bestaan uit vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag). Voor elke laag gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
In het resterende deel van deze paragraaf wordt nader ingegaan op de generieke beleidskeuzes, de ontwikkelingsperspectieven en de gebiedskenmerken. 3.3.2. Omgevingsverordening Overijssel De hoofdlijnen van de Omgevingsvisie zijn juridisch geborgd in de Omgevingsverordening. Het gaat om de onderwerpen uit de visie die de provincie zo belangrijk vindt dat deze dwingend worden opgelegd.
In de verordening staan algemene regels op het gebied van de ruimtelijke ordening, mobiliteit, milieu, water en bodem. De verordening als juridisch instrument om de doorwerking van provinciaal beleid af te dwingen, is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevings-verordening geeft regels aan gemeenten die bij het maken van bestemmingsplannen in acht genomen moeten worden. 3.3.3. Toetsing aan provinciaal beleid Generieke beleidskeuzes Ten aanzien van de generieke beleidskeuzes zijn de artikelen 2.1.3, 2.1.5, 2.7.3 en 2.20.2 en titel 2.13 uit de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Artikel 2.1.3: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Bestemmingsplannen (en wijzigingsplannen) voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.
Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel In voorliggend geval worden er 8 zoutwinningslocaties gerealiseerd op agrarische gronden. Als gevolg hiervan is sprake van extra ruimtebeslag door het verharden van de groene omgeving en dan met name de vloeistofkerende vloer rondom het zouthuisje. De winning van zout kan echter niet binnen bestaand stedelijk gebied uitgevoerd worden. De aanleg van zoutwinningslocaties en benodigde leidingtracés in bestaand stedelijk gebied is niet mogelijk. Dit is bij uitstek een functie die in het buitengebied hoort. Er is dan ook in voldoende mate rekening gehouden met het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening Overijssel De zoutwinningslocaties worden landschappelijk ingepast. In overleg met de bewoners wordt een keuze gemaakt op welke wijze een zoutwinningslocatie wordt ‘aangekleed’ en wordt het ontwerp van het zouthuisje afgestemd. Bij de afstemming is een landschapsarchitect betrokken.
Zie voor een nadere toelichting paragraaf 4.3 uit het separaat bijgevoegde milieueffectenrapport. Hiermee wordt het kleinschalige karakter van het landschap versterkt, dan wel teruggebracht. Hier is dus sprake van een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Artikel 2.7.3 Beschermingsregime Natuur Netwerk Nederland Hierna wordt het van toepassing zijnde lid nader toegelicht:
Lid 4: Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als NNN (voorheen EHS) wijzen geen bestemmingen aan of stellen geen regels die activiteiten mogelijk maken die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden.
Afbeelding 8: Ligging NNN gebieden. Rode cirkel geeft globaal het onderzoeksgebied weer. (bron: Provincie Overijssel)
Toetsing van het initiatief aan artikel 2.7.3 van de Omgevingsverordening Overijssel Zoals blijkt op bovenstaande kaart zijn de NNN-gebieden op ruime afstand van de boorlocaties. De boorlocaties zorgen niet voor een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden deze gebieden. Ook is er geen sprake van mindering van oppervlakte van het NNN-gebied of van de samenhang tussen de gebieden. Artikel 2.20.2 Zoutwinning In artikel 2.20.2 van de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel is met betrekking tot zoutwinning het volgende opgenomen: “Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe zoutwinningslocaties indien de zoutwinning kan worden ingepast in de structuur van landbouw, natuur en landschap conform de gebiedskenmerken.” Toetsing van het initiatief aan artikel 2.20.0 van de Omgevingsverordening Overijssel In het voorliggende plan worden de zoutwinningslocaties landschappelijk ingepast. Het type landschap en de voorwaarden vanuit het landschap worden hier als leidraad en basis gebruikt. In de structuurvisie van de gemeente Haaksbergen en het landschapsontwikkelingsplan zijn de gebiedskenmerken nader uitgewerkt voor de gemeente Haaksbergen. Bij de inpassing van de zoutwinningslocaties wordt zo veel mogelijk aangesloten bij deze gebiedskenmerken en wordt het kleinschalige landschap versterkt.
Verderop in deze paragraaf wordt nader ingegaan op de gebiedskenmerken.
Titel 2.13 Drinkwaterbeschermingsgebieden In de Omgevingsverordening zijn gebieden aangewezen voor de bescherming van het drinkwater (waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, boring vrije zones en intrekgebieden). In artikel 2.13.6 is bijvoorbeeld het volgende bepaald: In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 en onverlet het bepaalde in artikel 2.13.4 en artikel 2.13.5, kunnen nieuwe grote of grootschalige risicovolle functies in grondwaterbeschermingsgebieden en nieuwe grootschalige risicovolle functies in intrekgebieden alleen worden toegestaan als dit noodzakelijk is vanuit een zwaarwegend maatschappelijk belang, waarvoor redelijke alternatieven ontbreken en mits voldaan wordt aan het stap vooruit-principe.
Afbeelding 9: Ligging grondwaterbeschermings- en intrekgebieden. Rode cirkel geeft globaal het onderzoeksgebied weer. (bron: Provincie Overijssel)
Toetsing van het initiatief aan Titel 2.13 van de Omgevingsverordening Overijssel De zoutwinningslocaties liggen op grote afstand van de aangewezen gebieden. Zoutwinning zal dan ook geen effect hebben op de bescherming van drinkwaterwinning. Ontwikkelingsperspectieven Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap Het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie 'Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen' voorop. Daarnaast gelden de algemene ruimtelijke kwaliteitsambities: zichtbaar en beleefbaar mooi landschap, sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel en continu en beleefbaar watersysteem.
Afbeelding 10: ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap'. Rode cirkel geeft globaal het onderzoeksgebied weer. (bron: Provincie Overijssel)
Voorliggend plan voorziet in het plaatsen van een 16 zouthuisjes in het buitengebied van Haaksbergen, 8 voor de putten en 8 voor de elektrotechnische installaties. Binnen dit ontwikkelperspectief is ruimte voor bedrijvigheid. Doordat de zoutcavernes zich op vaste plekken onder de grond bevinden wordt in samenspraak met de omgeving tot een goede oplossing gekomen om zo de eventuele overlast te beperken. Zo wordt de bewoners betrokken bij de ‘aankleding’ van de zoutwinningslocaties. Zie hiervoor tevens het separaat bijgevoegde milieueffectenrapport. Gebiedskenmerken In het provinciale beleid zijn voor alle gebieden gebiedskenmerken aangegeven. Het beleid voor deze gebiedskenmerken is vastgelegd in artikel 2.1.5 van de provinciale verordening. Hierin is bepaald dat inzichtelijk moet worden gemaakt dat voldaan wordt aan dit beleid. Wanneer in het beleid normerende uitspraken worden gedaan, voorziet het bestemmingsplan (voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen) in een bestemmingsplanregeling conform deze normerende uitspraken. Wanneer in het beleid richtinggevende uitspraken worden gedaan, voorziet het bestemmingsplan (voor zover deze uitspraken zich daarvoor lenen) in een bestemmingsplanregeling conform deze richtinggevende uitspraken.
De gebiedskenmerken zijn opgenomen in verschillende lagen; de natuurlijke laag, de agrarische cultuur laag, de stedelijke laag en de lust- en leisure laag. Op basis van deze kenmerken is er ingezoomd op het onderzoeksgebied voor de zoutwinningslocaties en gekeken welke specifieke kwaliteitsvoorwaarden en opgaven (normerend en richtinggevend) voor ruimtelijke ontwikkelingen van toepassing zijn. Natuurlijke laag De natuurlijke laag is ontstaan doordat abiotische en biotische processen inwerken op de ondergrond van bodem en geologie. Van oudsher bestaat er een sterke samenhang tussen het natuur- en watersysteem. Vervolgens heeft de natuurlijke laag
plek en betekenis gekregen in het menselijke occupatieproces. Lange tijd is de natuurlijke laag sturend geweest voor een groot deel van de ruimtelijke ontwikkelingen. Mensen vestigden zich op de droge plekken en wegen werden aangelegd bij goed doorwaadbare plekken in de beek. Pas de laatste eeuw is deze samenhang door technische mogelijkheden verminderd en zijn de kwaliteiten van de natuurlijke laag aangetast. Het beter afstemmen van de ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan voorkomen en ervoor zorgen dat natuurlijke kwaliteiten weer medebepalend worden. Het onderzoeksgebied valt binnen de dekzandvlakte en ruggen en de beekdalen en natte laagtes.
Afbeelding 11: Natuurlijke laag: dekzandvlakte en ruggen (bruine kleur) en beekdalen en natte laagtes (lichtblauwe kleur (vlakken)). Rode cirkel geeft globaal het onderzoeksgebied weer. (bron: Provincie Overijssel)
De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. De ambitie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem en door beplanting met ‘natuurlijke’ soorten. En door de (strekking)-richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen. Het Overijsselse zandlandschap is van oorsprong kletsnat. In de laagtes van het zandgebied verzamelde zich het water. Hier ontwikkelden zich moerassen en broekbossen, waar het water in de loop van het seizoen geleidelijk uit weg sijpelde naar de lager gelegen delen, naar de beken en rivieren. Beeld van de beken: zomers kleine stroom met droge geulen, ’s winters bredere stroomdraad met meestromende geulen. De dynamiek (water en wind) bepaalt de verschijningsvorm; de gedaante wisselt. Dynamisch landschap, open karakter met hogere randen. De ambitie is de beekdalen als functionele en ruimtelijke dragende structuren van het landschap betekenis te geven. Ruimte voor water, continuïteit van het systeem zijn leidend.
Tevens is de ambitie afwenteling van wateroverlast op stroomafwaarts
gelegen gebieden te voorkomen door het beeksysteem als eenheid te beschouwen en het vasthouden van water te bevorderen. Tot slot zijn beekdalen belangrijke verbindingen voor mens, plant en dier. Relatie met voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling, realiseren van 8 zoutwinningslocaties, heeft een beperkte impact op het landschap in Overijssel. Er worden geen eigenschappen van de natuurlijke laag, zoals het verschil tussen hoog en laag en de continuïteit van het watersysteem aangetast. Daarnaast worden de locaties landschappelijk ingepast, waarbij gebruik wordt gemaakt van natuurlijke soorten. Hierdoor past de ontwikkeling binnen de ambities in de natuurlijke laag. Laag van het agrarisch cultuurlandschap In het agrarisch cultuurlandschap gaat het erom dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Vanuit de nederzettingen zijn de omliggende gronden ooit ontgonnen. Daardoor is er een sterke ruimtelijke en functionele relatie met het omringende landschap ontstaan. Afhankelijk van de stand van de techniek en de beschikbaarheid van meststoffen is door de eeuwen heen een geschakeerd patroon van akkers, weiden, hooiland en bebouwing gegroeid. Dit verschil in tijd geeft mede richting aan de ontwikkeling van deze gebieden. Binnen de regionale landschappen is er vaak op korte afstand sprake van verschillen: de es, de flank en het beekdal.
Het onderzoeksgebied valt binnen het jong heide- en broekontginningslandschap en het oude hoevelandschap.
Afbeelding 12: Laag van het agrarisch cultuurlandschap met jonge heide- en broekontginningslandschap (lichtgeel) en oude hoevelandschap (groen). Rode cirkel geeft globaal het onderzoeksgebied weer. (bron: Provincie Overijssel)
Jong heide- en broekontginningslandschap De grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Aanvankelijk kleinschalig en min of meer individueel door keuterboertjes, later werd de ontginning planmatig en grootschalig
aangepakt (tot in de jaren 60 van de 20e eeuw). De grote natte broekgebieden ondergingen een vergelijkbare ontwikkeling, waardoor de natte en de droge jonge ontginningen nu gelijkenis vertonen. Daarnaast zijn vanaf 1750 vanuit de landgoederen en buitens ook veel van de voormalige heidegronden voor de jacht en houtproductie bebost. Dit heeft geresulteerd in grote en kleinere landbouwontginning landschappen en in landschappen van grote boscomplexen en (nooit ontgonnen) heidevelden, zoals op de Sallandse Heuvelrug. Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden. Vaak zijn het ‘inbreiding’ landschappen met rommelige driehoekstructuren als resultaat. Ook sommige recente heringerichte agrarische landschappen worden tot deze categorie gerekend, omdat van het oorspronkelijke landschap niets meer terug te vinden is. De ambitie is de ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden een stevige impuls te geven en soms een transformatie wanneer daar aanleiding toe is. De dragende structuren worden gevormd door landschappelijk raamwerken van lanen, bosstroken en waterlopen, die de rechtlijnige ontginningsstructuren versterken.
Binnen deze raamwerken is ruimte voor verdere ontwikkeling van bestaande erven en soms de vestiging van nieuwe erven, mits deze een stevige landschappelijke jas krijgen. De ambitie is verder de landschappelijke karakteristieken voor weidevogels in stand te houden en te versterken. Oude hoevenlandschap Landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen ‘bezet’ waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat dezelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. Essenlandschap in het klein met samenhangend systeem van es/kamp, erf op de flank, natte laagtes en – voormalige – heidevelden. Ordening vanuit de erven, die de ‘organische’ vormen van landschap volgt. Spinragstructuur vanuit de erven naar de omliggende gronden en tussen de erven. De ambitie is het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven.
Deze erven bieden veel ruimte voor landbouw, wonen, werken, recreatie, mits er wordt voortgebouwd aan kenmerkende structuren van het landschap: de open esjes, de routes over de erven, de erf- en landschapsbeplantingen. Binnen deze structuren zijn er vol op mogelijkheden om een functioneel grootschalige landbouw in een kleinschalig landschap te ontwikkelen. Relatie met voorgenomen ontwikkeling De realisatie van de zoutwinningslocaties betreffen kleinschalige locaties. Deze worden ingepast aan de hand van het type landschap waarin een zoutwinningslocatie zich bevindt. De landschapsbeplanting en de inrichting van een zoutwinningslocatie wordt dusdanig afgestemd op het type landschap. Hiermee voldoet de voorgenomen ontwikkeling aan de ambities van het agrarisch cultuurlandschap.
Stedelijke laag In de stedelijke laag is de koppeling van de sociale en fysieke dynamiek van de stedelijke functies aan het verbindende netwerk van wegen, paden, spoorwegen en kanalen een belangrijk ordenend principe. Efficiëntie en nabijheid zijn belangrijke vestigingsoverwegingen. Daarbij wordt kwaliteit, eigenheid en onderscheidend vermogen van de regio steeds belangrijker. Relatie met voorgenomen ontwikkeling Het onderzoeksgebied behoort tot het gebied met verspreide bebouwing. Bij de keuze van de zoutwinningslocaties en de leidingtracés is rekening gehouden met het aanwezige verbindende infrastructurele netwerk. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op het huidige verbindende netwerk. Lust- en leisure laag Deze laag is het domein van de belevenis, betekenis en identiteit. De lust- en leisure laag voegt eigen kenmerken toe, zoals landgoederen, recreatieparken en recreatieve routes, maar benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen. Het stelt kwaliteiten zoals de natuur, de productielandschappen en de steden in een ander daglicht en maakt ze beleefbaar en tot een belevenis. Relatie met voorgenomen ontwikkeling De lust- en leisure laag heeft geen rechtstreekse doorwerking op het voorliggende plan. De realisatie van de zoutwinningslocaties - met name bij het plaatsen van de zouthuisjes - dragen bij aan de herkenbaarheid van het Twentse landschap.
Op basis hiervan draagt het project bij aan de ruimtelijke identiteit. 3.4. Gemeentelijk beleid 3.4.1. Planologisch regime
Het winningsplan Haaksbergen bestaat uit een netwerk van meerdere locaties: H-01, H-02, H-03, H-04, H-05, H-07, H-08 en H-09. Op deze zoutwinningslocaties zijn de volgende bestemmingsplannen van toepassing::
Zoutwinningslocaties H-01 en H-02: bestemmingsplan Buitengebied (vastgesteld door de raad op 29 november 2000). Zoutwinningslocaties H-03, H-04, H-05 H-07, H-08 en H-09: buitengebied Haaksbergen (vastgesteld door de raad op 2 juli 2013); buitengebied Haaksbergen, partiële herziening veegplan 1 (vastgesteld door de raad op 1 november 2017);
Op alle locaties is daarnaast de Structuurvisie 2030 (Haaksbergen: groenste dorp van Twente) (vastgesteld door de raad op 17 december 2013) van toepassing. Het toetsingskader in deze structuurvisie en de relatie met de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is nader toegelicht in par. 3.4.2. Op alle locaties is ook rijksbeleid en provinciaal beleid van toepassing. Het toetsingskader van dit beleid en de relatie met de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is nader toegelicht in par. 3.2 en 3.3.
3.4.1.1 Bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen (2013) Het bestemmingsplan 'Buitengebied Haaksbergen' is vastgesteld door de raad op 2 juli 2013 en sinds 22 april 2015 (deels) onherroepelijk. Het onderzoeksgebied kent binnen dit bestemmingsplan de volgende bestemmingen en aanduidingen (zie hierna verder toegelicht voor de bestemmingen en aanduidingen die relevant zijn voor de ontwikkeling): enkelbestemming: Agrarisch met waarden – Landschap, met deels de functieaanduiding landschapswaarden; dubbelbestemming: Leiding met de aanduiding hartlijn leiding – hoogspanning; gebiedsaanduiding: Luchtvaartverkeerzone (voor een deel van het gebied); gebiedsaanduiding: reconstructiewetzone – verwervingsgebied; gebiedsaanduiding: wro-zone – wijzigingsgebied.
Afbeelding 13: uitsnede bestemmingsplan Buitengebied Haaksbergen (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Agrarisch met waarden - Landschap De gronden met de bestemming Agrarisch met waarden - Landschap zijn onder andere bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, niet zijnde de opslag van veevervoer en agrarische producten, het weiden van vee en het verbouwen van gewassen anders dan in het kader van de uitoefening van een agrarisch bedrijf, het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijk waarde van de grond, infrastructurele voorzieningen, waterhuishouding en waterhuishoudkundige voorzieningen en ter plaatse van de aanduiding 'landschapswaarden' het behoud en de bescherming van de landschappelijke waarde zoals deze tot uitdrukking kom in het reliëf (essen en steilranden). De realisatie van zoutwinningslocaties past niet binnen deze bestemming. Landschapswaarden De functieaanduiding 'landschapswaarden' houdt in dat de gronden zijn bestemd voor het behoud en de bescherming van de landschappelijke waarde. Er gelden geen specifieke regels op grond van deze aanduiding. De landschappelijke waarde is de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied. De landschapsvisie behorend bij het
bestemmingsplan wijst het gebied waarop de zoutwinningslocaties zijn voorzien aan als "kampenlandschap/half open dekzandlandschap, behoud en versterking landschapspatroon, behoud landschapselementen". Leiding De voor 'Leiding' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van de in de strook gelegen leidingen en ter plaatse van de 'hartlijn leiding hoofspanning' een hoogspanningsleiding met de daarbij behorende leidingzone en veiligheidszone. Met name zoutwinningslocatie H-08 is dicht bij het leidingtracé gelegen. In paragraaf 5.9 ‘Kabels en leidingen' wordt de aanwezigheid van deze hoogspanningsleiding en de effecten van de zoutwinning op het leidingtracé nader toegelicht. Wijzigingsbevoegdheid zoutwinningslocatie In het bestemmingsplan 'Buitengebied Haaksbergen' is onder artikel 39.8 Wro-zone – wijzigingsgebied een wijzigingsbevoegdheid opgenomen.
Afbeelding 14: ligging van de 'wro-zone - wijzigingsgebied' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)