BW348.bijlage gewijzigde MER bijlage aangepast verzoek vvgb 8.8.22
Tekst van het document
Figuur 6-8: Schematische weergave zoutwinning.
Circa eens in de twee jaar vindt er onderhoud en inspectie aan de pompen, leidingen, put en caverne plaats. Het onderhoud duurt ongeveer twee weken per winningsput. De onderhouds- en inspectieprogramma’s voor putten en leidingen komen voort uit specifieke onderhoudmanagementsystemen van Nobian: Well Integrity Management System (WIMS) voor putten en Pipeline Management Integrity System (PIMS) voor buisleidingen. Beide managementsystemen worden toegepast bij de zoutwinning Haaksbergen.
2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
56
Projectgerelateerd
Er is een beoordeling van risico’s uitgevoerd voor de productiefase, de periode na productiestop, voor abandonnering waarin tot stabiliteit in de caverne(s) wordt gekomen en de nazorgfase27. Er is een stapsgewijze gedetailleerde beoordeling verricht voor de mogelijk betrokken stakeholders. De gevolgde systematiek leidt ertoe dat de geïdentificeerde risico’s acceptabel blijken, maximaal gereduceerd worden dan wel teniet gedaan worden. De geïdentificeerde scenario’s waarvoor risico’s zijn vastgesteld omvatten onder meer: ■ Lekkage uit een caverne, gedurende nazorgfase, verontreiniging op grote diepte bedreigt significant het milieu en de natuurlijke hulpbronnen; ■ Lekkage in een boorput, verontreiniging op grote diepte bedreigt significant het milieu en de natuurlijke hulpbronnen; ■ Lozing van verontreinigd hemelwater op oppervlaktewater (vanaf zoutwinningslocatie) bedreigt significant het milieu en de mens; ■ Lozing van verontreinigd hemelwater door infiltratie in de ondergrond (vanaf zoutwinningslocatie) bedreigt significant het milieu en de mens; ■ Lekkage in het leidingnetwerk, ondiepe verontreiniging bedreigt significant het milieu en de mens; ■ Lekkage in het pompstation, ondiepe verontreiniging bedreigt significant het milieu en de mens; ■ Lekkage met betrekking tot de HVO-opslag, ondiepe verontreiniging bedreigt significant het milieu en de mens.
Voorkomen van wateroverlast Als gevolg van de beoogde ontwikkeling (8 zoutwinningslocaties en een pompstation) gaat onverhard terrein (onder meer grasland) verloren en zal sprake zijn van een toename aan verharding. Deze toename moet gecompenseerd worden in de vorm van waterberging om wateroverlast te voorkomen. De voorkeur gaat uit naar het vasthouden van hemelwater via infiltratie in de bodem. Dit sluit aan op het beleid van het Waterschap dat de voorkeursvolgorde ‘vasthouden - bergen - vertraagd afvoeren’ hanteert.
6.3
Toelichting vereffenings-, afsluit- en nazorgfase
De vereffenings-, afsluitings- en nazorgfase liggen ver in de toekomst. In het Winningsplan wordt uitgebreid aandacht besteed aan deze fasen en de effecten na afsluiten. Er wordt hier volledigheidshalve al wel een nadere toelichting op de drie fasen gegeven. Zoals opgemerkt in paragraaf 6.2 is er een beoordeling van risico’s uitgevoerd voor de productiefase, de periode na productiestop, voor afsluiting (ook wel abandonnering genoemd) waarin tot stabiliteit in de caverne(s) wordt gekomen en de nazorgfase28. Er is een stapsgewijze gedetailleerde beoordeling verricht voor de mogelijk betrokken stakeholders. De gevolgde systematiek leidt ertoe dat de geïdentificeerde risico’s acceptabel blijken, maximaal gereduceerd worden dan wel teniet gedaan worden. Vereffeningsfase Gedurende de vereffeningsfase komt de uitgeproduceerde caverne tot rust. De pekel verzadigt zich en de temperatuur in de caverne neemt die van de omgeving aan. Op deze wijze wordt zekergesteld dat de caverne maximaal geacclimatiseerd is ten tijde van de harde insluiting en wordt voorkomen dat drukeffecten als gevolg van opwarmen en/of afkoelen kunnen plaatsvinden. Abandonneringsfase (buitengebruikstellingsfase) Na beëindiging van de zoutwinning wordt de put definitief veilig afgesloten in overeenstemming met de geldende regels (bij of krachtens de Mijnbouwwet). De ontmanteling houdt in dat bovengrondse 27 28
Lit 24: Vreugdenhil, Template risicosturing voor Zoutwinningsveld Haaksbergen Lit 24: Vreugdenhil, Template risicosturing voor Zoutwinningsveld Haaksbergen
2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
57
Projectgerelateerd
installaties (zouthuis, leidingwerk) en verharding verwijderd worden en dat de zoutwinningslocaties teruggebracht worden in oorspronkelijke staat. Hieraan voorafgaand wordt de eventueel nog in de caverne aanwezige HVO verwijderd. Gezien de vorm van de cavernes zal ca. 80% van de HVO worden teruggewonnen. Ook de distributieleidingen en de kabels worden verwijderd. In een sluitingsplan (art. 39 en 40 Mijnbouwbesluit) worden de maatregelen beschreven waarmee een veilige afsluiting wordt bereikt. Deze fase van abandonnering kan worden uitgesteld als in de caverne buffering of opslag van gas (bijvoorbeeld waterstof of perslucht) plaatsvindt. Daarvoor zijn op dit moment geen concrete plannen en is dan ook nog geen (politiek) besluit genomen. De basis van het sluitingsplan is een analyse van de risico’s die kunnen optreden bij een niet meer producerende caverne. Van onder meer de volgende scenario’s worden de oorzaken en mogelijke gevolgen op de langere termijn nader onderzocht: ■ Lekkage van pekel uit de caverne richting lagen boven het zout, ■ Ontstaan van verbinding tussen cavernes, ■ Instabiliteit van de caverne, ■ Bodemdaling door zoutkruip. Het optreden van bovengenoemde scenario’s hangt veelal samen met verandering in druk en/of temperatuur in cavernes na einde productie en na afsluiting.
Nazorgfase Zowel tijdens de winning als na de ontmantelingsfase vindt er monitoring plaats. De monitoring is gericht op het meten van bodemdaling, trillingen en de constructie van de winningsput. Metingen worden beëindigd 30 jaar na einde van de winning of zoveel eerder of later als uit de metingen blijkt, dat de bodemdaling door zoutwinning niet verder toeneemt. De termijn van 30 jaar is conform het besluit behorende bij de Mijnbouwwet (art. 30, lid 6).
6.4
Ontwikkeling cavernes
Ten behoeve van de zoutwinning worden 8 cavernes ontwikkeld. Deze 8 cavernes (met zoutwinningslocaties, leidingen en pompstation) zijn onderwerp van dit MER. De ontwikkeling is gericht op het vormen van 8 cavernes die in totaal gedurende een periode van circa 9 jaar (2023 t/m 2032) in productie zullen zijn, waarbij sommige cavernes eerder starten en maar ook eerder uitgeproduceerd zijn. De 8 cavernes zullen vanaf circa 2029 tegelijk in bedrijf zijn, zie ook paragraaf 4.5. Om voldoende aanvoer van pekel te houden is het nodig om vanaf 2028 voorbereidingen te starten voor de aanleg van nieuwe cavernes, omdat rekening moet worden gehouden met de teruglopende productie uit de met dit project gevormde 8 cavernes. Om die reden zal Nobian na vergunningverlening voor de 8 zoutwinningslocaties (H01 tot en met H09, met uitzondering van H06) een studie starten om ook na 2028 de zoutproductie op peil te kunnen houden. Continuering van de zoutwinning in het Haaksbergen-gebied is daarvoor een mogelijkheid. In dat geval moeten daarvoor nieuwe wettelijke procedures worden opgestart en doorlopen. De ligging van de cavernes wordt in belangrijke mate bepaald door de grenzen en geologische eigenschappen van het zoutkussen. Voor de exacte locaties van de cavernes is echter ook rekening gehouden met de functies aan het maaiveld.
Die functies kunnen beïnvloed worden door de verwachte bodemdaling, mogelijke verstoringen aan maaiveld en bestaande of toekomstige ruimtelijke plannen. Er is op deze wijze gezocht naar balans tussen economische winbaarheid en aanvaardbare effecten van bodemdaling. 2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
58
Projectgerelateerd
6.5
Omgevingscommunicatie
Nobian acht een goede communicatie met de omgeving van groot belang. De Twentse zoutwinning kent vele belanghebbenden, van grondeigenaren en bewoners tot gemeenten en andere overheden. Nobian heeft met deze belanghebbenden vaak al jarenlang een goede relatie. Dat wil het bedrijf graag zo houden, omdat lokaal draagvlak als voorwaarde voor een duurzame zoutwinning wordt gezien. We maken even een stapje terug in de tijd. In 2009 heeft Nobian het traject opgestart om een proefboring in het gebied Haaksbergen te maken. Vanaf eind 2009 zijn hierover gesprekken gevoerd met de gemeente Haaksbergen. In de eerste maanden van 2010 zijn ook de omwonenden uit de Hassinkbrink en Sint Isidorushoeve geïnformeerd. Uit deze sessies bleek dat er voldoende draagvlak was voor het maken van de proefboring in het gebied Wissinkbrink. De proefboring Isidorushoeve-1 (ISH-01) is uitgevoerd in periode van december 2010 tot en met maart 2011. Omwonenden zijn van tevoren geïnformeerd over de planning. In januari 2011 heeft Nobian een rondleiding verzorgd voor omwonenden. Naar aanleiding van de proefboring zijn klachten ontvangen over geluidsoverlast en heeft Nobian maatregelen getroffen. Na afloop van de succesvolle proefboring zijn er in opdracht van Nobian meerdere vervolgonderzoeken uitgevoerd. Op basis hiervan is een ontwerp van het toekomstige boorterrein gemaakt.
In overleg met de gemeente is een perceel op het nieuwe bedrijventerrein Stepelerveld gekozen als locatie voor een pompstation. Ook zijn er mogelijke tracés ontworpen voor transportleidingen naar Hengelo. Hierover zijn gedurende 2011 en 2012 regelmatige gesprekken met de gemeente Haaksbergen gevoerd. Ook andere belanghebbenden zijn in die periode geïnformeerd, waaronder Rijkswaterstaat (met het oog op de inmiddels gerealiseerde N18), het (toenmalige) Waterschap Regge en Dinkel (nu: Vechtstromen) en de Stichting Natuur & Milieu. Met Rijkswaterstaat (RWS) zijn de effecten van bodemdaling op de N18 doorgesproken (zie ook paragraaf 7.4). RWS heeft haar eigen specialisten naar de berekende effecten laten kijken en heeft aangegeven geen problemen te verwachten van de bodemdaling ten gevolge van de zoutwinning. Waterschap Regge en Dinkel (inmiddels Waterschap Vechtstromen) heeft aangegeven een nadere studie te willen zien voor het effect van bodemdaling op het beeksysteem. Het Waterschap komt met de uitgevoerde studie29 tot de conclusie dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater niet in het geding is en dat de kwantitatieve effecten op het beeksysteem acceptabel zijn. De communicatie naar de omgeving is begin 2020 weer opgestart.
In de omgevingscommunicatie wordt onderscheid gemaakt in het in gesprek gaan met omwonenden en bewoners van het gebied en in het overleg hebben met gemeente en NGO’s (bijvoorbeeld Stichting Natuur en Milieu). Door het houden van informatieavonden, doen van publicaties in lokale bladen en afleggen van individuele bezoeken worden belanghebbenden en belangstellenden in de omgeving geïnformeerd. Daarnaast worden signalen die Nobian bereiken vanuit bestuurlijk en ambtelijke kanalen, bijvoorbeeld uit inspecties en/of de Zoutwinninggroep Twente, meegenomen in de informatievoorziening naar de omgeving. De Zoutwinninggroep Twente is een periodiek overleg tussen Nobian en betrokken ambtelijke en bestuurlijke delegaties van de gemeenten Hengelo, Enschede en Haaksbergen aangevuld met vertegenwoordigers van EZK, SodM en Provincie. Hierin worden vragen uit de omgeving of van uit gemeenteraden beantwoord en geeft Nobian inzicht in recente ontwikkelingen rondom de zoutwinning in Twente.
29 Lit 20: Royal HaskoningDHV, Hydrologische effecten door bodemdaling, Zoutwinning Haaksbergen, 22 maart 2021.
2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
59
Projectgerelateerd
Bewoners en omwonenden van het gebied zijn intensief betrokken geweest bij de landschappelijke inpassing van de zoutwinningslocaties en het ontwerp van het zouthuis. Hierbij is de stem van de omwonenden leidend geweest in keuzes die zijn gemaakt. Ter voorbereiding op de behandeling van het verzoek om afgifte van de verklaring van geen bedenkingen zal Nobian een toelichting geven aan de gemeenteraad van Haaksbergen over de wijze waarop het proces van landschappelijke inpassing heeft plaatsgevonden. Op het moment dat het Ontwerpbesluit wordt gepubliceerd zal Nobian actief communiceren dat deze ter inzage ligt en dat er ruimte is voor indienen van zienswijzen. In samenwerking met EZK en de gemeente Haaksbergen zal hierover verder worden gecommuniceerd. Tabel 6-1 geeft een overzicht van de (omgevings)communicatie.
2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
60
Projectgerelateerd
Tabel 6-1: Overzicht (omgevings)communicatie
Datum
Doelgroep
Actie / toelichting
Jan-feb 2020
Gemeenteraad Haaksbergen, B&W
Informatie delen over het project
Mrt 2020
Coördinator ruilverkaveling N18
Uitwisseling informatie
Mrt 2020
Ondernemersvereniging Stepelo, bedrijven
Kennismaking, informatie-uitwisseling
Mrt 2020
Bedrijf Uzin Utz (buurman pompstation)
Effecten op bodemdaling
Jul 2020
Gemeente Haaksbergen
Afstemming aan te vragen vergunningen
Aug 2020
Gemeente Haaksbergen
BREEAM certificering Pompgebouw
Aug 2020
Bedrijven Stepelerveld, gemeente
Uitwisseling informatie
Sep 2020
Vooroverleg EZK
Vergunningentraject
Sep 2020
Commissie Ruimte Haaksbergen
Presentatie plannen
Sep 2020
Statenleden provincie Overijssel
Toelichting project
Okt 2020
Pure Energie (energiemaatschappij)
Informatie uitwisseling
Okt 2020
Virtuele informatieavonden zoutwinning
Omwonenden, bewoners (in totaal circa 60 pers.)
Okt 2020
Keukentafelgesprekken bewoners, eigenaren, gebruikers
Nov-dec 2020
Gemeente Haaksbergen
Nadere afstemming (o.a. Welstand)
Jan-jun 2021
Keukentafelgesprekken
Bewoners, eigenaren, gebruikers
April 2021
Werkgroep landschappelijke inpassing zoutwinningslocaties Omwonenden, bewoners, landschapsarchitect
Aug/Sep 2021
Informatie avonden zoutwinning (3x)
Informatie delen over het project, toelichting op ingediende MER en WABO vergunningen
Sep 2021
Werkgroep landschappelijke inpassing zoutwinningslocaties
Omwonenden, bewoners, landschapsarchitect
Nov 2021
Gemeente Haaksbergen, raad en commissie Ruimtelijke Ordening
Informatie delen over het project, toelichting op ingediende MER en WABO vergunningen
Nov 2021
Werkgroep landschappelijke inpassing zoutwinningslocaties
Omwonenden, bewoners, landschapsarchitect, afstemming landschappelijke inpassing, keuze ontwerp zouthuisjes
Dec 2021/ Jan 2022
Omwonenden (8x keukentafel gesprek)
Bewoners, landschapsarchitect, detail afstemming landschappelijke inpassing
April 2022
Informatie avonden zoutwinning (2x)
Informatie delen over het project, toelichting op ingediende MER en WABO vergunningen
April/Mei
Gemeentelijke regio Hengelo/Enschede/Haaksbergen
Publicatie interview Mijnbouw directeur Nobian in lokale media over zoutwinning in Twente en maatschappelijk belang
Mei 2022
Informatiesessie t.b.v. gemeenteraad Haaksbergen
Informeren over hoe het proces van landschappelijke inpassing is gelopen en het toelichten van de relevante punten uit het MER. Dit ter ondersteuning van het VvGB besluit.
2022
Belangstellenden en belanghebbenden in regio
Inloopavonden gedurende Zienswijzeperiode
2022/2023
Omwonenden en andere belangstellenden
Regelmatige informatie-avonden en publicaties in lokale media m.b.t. voortgang van zichtbare uitvoeringsactiviteiten
2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
61
Projectgerelateerd
Vanaf maart 2020 zijn de betrokken landeigenaren en gebruikers door Nobian persoonlijk geïnformeerd over de plannen, het tracé van transport- en distributieleidingen en de ligging van de beoogde zoutwinningslocaties. Tot aan de eerste lockdown (15 maart 2020) zijn ook keukentafelgesprekken gevoerd. Gesproken is met in totaal circa 25 landeigenaren en gebruikers. In de periode tussen april en december 2020 zijn in samenspraak met landeigenaren en gebruikers de tracés en zoutwinningslocaties nader vastgesteld. Door dit overleg zijn op enkele plaatsen de tracés aangepast. De landeigenaren en gebruikers zijn hierbij ook geïnformeerd over benodigde onderzoeken (zoals bodem, archeologie) en zijn om toestemming gevraagd. Op deze wijze is voor alle percelen toestemming tot het betreden van percelen verkregen. Vanaf januari 2021 vinden er keukentafelgesprekken plaats om alle werkafspraken concreet te maken en een formeel akkoord te bereiken. Dit houdt in dat: Voor gronden ter plaatse van de leidingentracés een Zakelijk Recht Overeenkomst wordt gesloten, Voor gronden ter plaatse van de zoutwinningslocaties overgegaan wordt tot aankoop van de grond. Met een groot aantal landeigenaren en gebruikers is inmiddels een formeel akkoord bereikt en vastgelegd. Vanaf april 2021 is met bewoners en landeigenaren gesproken over de gewenste aankleding van de zoutwinningslocaties.
6.6
Projectplanning
De planning is dat vanaf tweede helft 2022 met het bouwen van het pompstation en de aanleg van de transportleidingen begonnen kan worden. De start van de boringen en de aanleg van de benodigde distributieleidingen zal volgens de planning eind 2022 plaatsvinden. In de loop van 2023 zijn de eerste zoutwinningslocaties dan gereed en start de productie uit het nieuwe zoutwinningsgebied. Naar verwachting vinden de laatste boringen vóór 2030 plaats. De planning van de werkzaamheden inclusief de uitvoering van de boringen is in Tabel 6-2 opgenomen. Tabel 6-2: Planning werkzaamheden Activiteit
Verwachte start uitvoering
Bouw pompstation
Q4 2022
Maximaal een jaar
Aanleg transport- en veldleidingen
Q4 2022
Maximaal een jaar
Aanleg zoutwinningslocaties 1-5
Q4 2022
Maximaal een jaar
Boring 1
Q4 2022
Twee maanden
Boringen 2-5
Q1-2023 – Q2-2023
Een half jaar
Aanleg zoutwinningslocatie 7, 8 & 9
Q3 2023
Een half jaar
Zoutwinning uit zoutwinningslocaties 1-5, 7, 8 en 9
2024
Circa 8 jaar
2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
Looptijd
BH5570-IB-RP-220627-1616
62
Projectgerelateerd
7 Effectbeoordeling 7.1
Referentiesituatie en referentiejaar
In het MER wordt het voornemen beoordeeld op doelbereik en milieueffecten. Daartoe worden de (milieu)effecten van de voorgenomen activiteit vergeleken met de situatie waarin deze niet plaatsvindt. De situatie zonder het voornemen is de referentiesituatie. Deze bestaat uit de huidige situatie plus de autonome ontwikkeling. Onder de autonome ontwikkeling wordt de situatie verstaan die in de toekomst ontstaat als een voornemen niet gerealiseerd wordt. In dit geval is de autonome ontwikkeling de situatie die ontstaat zonder uitvoering van de zoutwinning. Tot de autonome ontwikkeling behoren, behalve de huidige situatie, alle toekomstige ontwikkelingen waarover in mei 2021 reeds een besluit is genomen. De referentiesituatie wordt gekoppeld aan de planperiode van de bestemmingsplannen. Een bestemmingsplan zou een looptijd van circa tien jaar moeten omvatten. De referentiesituatie wordt daarom 2030. Met het oog op de effecten van bodemdaling is verder gekeken dan 2030. In hoofdstuk 5 is aangegeven dat de bodemdaling tot 50 jaar na start van de winning is berekend.
7.2
Projectgebied en studiegebied
Het MER maakt onderscheid tussen het projectgebied en het studiegebied. Het projectgebied is het gebied waarbinnen de ontwikkelingen (zoutwinningslocaties, boringen, pompstation en leidingen) plaatsvinden. Het studiegebied is het gebied waar effecten kunnen optreden als gevolg van de voorziene ontwikkeling. Daarmee bestaat het studiegebied uit het projectgebied en de aangrenzende gebieden waar mogelijk effecten kunnen optreden. Het studiegebied kan per milieuaspect verschillen.
7.3
Beoordelingsschaal en beoordelingskader
De voorgenomen activiteit leidt tot effecten voor het milieu. Dit zijn overigens niet persé negatieve effecten, het kan ook om positieve effecten gaan. In het MER zijn de effecten van het basisalternatief en de onderscheiden onderdelen op verschillende aspecten in beeld gebracht en vergeleken met de referentiesituatie. Per aspect worden één of meer criteria gebruikt voor de effectbeoordeling. De effecten zijn kwalitatief dan wel kwantitatief beoordeeld met de volgende zeven punts-beoordelingsschaal: Tabel 7-1: Beoordelingsschaal Beoordelingscriterium ++
Sterk positief effect, groot van omvang en zodanig dat een overschrijding van normen wordt opgeheven
+
Positief effect vrij groot of in een kritisch gebied
0/+
Licht positief effect, relatief beperkt, tijdelijk of lokaal
0
Neutraal, geen of geen noemenswaardig effect
0/-
Licht negatief effect, relatief beperkt, tijdelijk of lokaal
-
Negatief, relatief groot effect of in een kritische periode of gebied, mitigerende maatregelen onderzoeken
--
Zeer negatief effect, zodanig dat milieueffect buiten de normen van regelgeving en beleid valt
N.v.t.
Niet van toepassing
In Tabel 7-2 is voor de voorgenomen activiteit aangegeven welke aspecten/criteria van invloed zijn en dus relevant zijn voor de beoordeling.
2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
63
Projectgerelateerd
Tabel 7-2: Beoordelingskader
Thema
Bodem en waterhuishouding § 7.4 en 7.5
Natuur en ecologie § 7.6
Aspect
Criterium
Duur van het effect
Effecten voor functies aan het maaiveld
Permanent
Veranderingen in functies watersysteem
Permanent
Bodemverontreiniging
Beïnvloeding kwaliteit bodem (kwalitatief)
Tijdelijk en permanent
Grond- en oppervlaktewater
Effect tijdelijke grondwaterstandsdaling
Tijdelijk
Bodembeweging
Beschermde habitats, wezenlijke kenmerken en waarden
Beïnvloeding door ruimtebeslag, vergraving, verstoring, verdroging, stikstofdepositie
Tijdelijk en permanent
Beschermde soorten
Beïnvloeding fauna en flora door ruimtebeslag, vergraving, verstoring, verdroging
Tijdelijk en permanent
Cultuurhistorie en archeologie
Cultuurhistorie
Aantasting cultuurhistorisch waardevolle gebieden en/of structuren, patronen en elementen
Permanent
§ 7.7
Archeologie
Aantasting archeologische monumenten, archeologisch waardevol en zeer waardevol gebied, bodemtypen
Permanent
Ruimtebeslag op landbouwgebied
Permanent*
Vergraving van landbouwgebied
Tijdelijk en permanent
Wonen
Ruimtebeslag op (toekomstige) woongebieden
Tijdelijk en permanent
Werken
Ruimtebeslag op (toekomstige) werkgebieden
Tijdelijk en permanent
Recreatie
Ruimtebeslag op recreatieve functies
Tijdelijk en permanent
§ 7.9
Emissie/ immissie fijnstof en stikstof
Overschrijding grenswaarden (kwantitatief)
Tijdelijk en permanent
Hinder
Geluid
Geluidhinder
Tijdelijk
§ 7.10
Licht
Lichthinder
Tijdelijk
Externe veiligheid
Vrijkomen aardgas
Effectgebied (risicocontour, kwantitatief)
Tijdelijk
§ 7.10
Verkeersaantrekkende werking
Verkeershinder (kwantitatief en/of kwalitatief)
Tijdelijk
Hulp- en afvalstoffen
Aard en omvang
Volgen procedures (kwantitatief en/of kwalitatief).
Tijdelijk
Lichamelijke gezondheid
Gezondheidseffect op omwonenden
Tijdelijk en permanent
Energieverbruik
Energiebesparende maatregelen
Klimaatverandering
Adaptatie en mitigatie
Landbouw Ruimte en omgeving § 7.8
Luchtkwaliteit
§ 4.12 Verkeer
7.11 Gezondheid § 7.14 Energie § 7.12 Klimaat § 7.13
Permanent
*) De aanduiding ‘permanent’ vervalt nadat de zoutwinningslocatie is geabandonneerd.
2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
64
Projectgerelateerd
7.4
Bodembeweging
7.4.1
Methodiek
In het geval van de voorgenomen activiteit is bodembeweging synoniem met bodemdaling. Het optreden van bodemdaling heeft mogelijk gevolgen voor bebouwing, wegen en ondergrondse leidingen in het gebied (functies aan het maaiveld) en voor het functioneren van het oppervlaktewater- en grondwatersysteem. Deze aspecten worden hier achtereenvolgens behandeld.
7.4.2
Referentiesituatie
Het projectgebied is gelegen op het (lichtglooiende) Oost-Nederlandse Plateau. Op de hoogtekaart (Figuur 7-1) is zichtbaar dat het landschap van zuidoost naar noordwest helt. De hoogte varieert van circa NAP + 28,00 meter tot NAP + 18,00 meter. Op kleine schaal zijn karakteristieke hoogteverschillen aanwezig op overgangen van essen naar beekdalen en ter plaatse van zandruggen. Duidelijk zichtbaar is het natuurlijke verval tussen Haaksbergen en St. Isidorushoeve van ca. 10 meter.
Figuur 7-1: Hoogtekaart onderzoeksgebied
In Figuur 7-2 is de regionale geohydrologische situatie weergegeven, gebaseerd op gegevens uit Regis30. Het gebied is gelegen op het Oostnederlands plateau, welke in het Tertiair door inwendige krachten in de aardkorst omhoog is geduwd. Hierdoor komen relatief dicht aan de oppervlakte ondoorlatende kleien voor behorende tot de Formatie van Breda, Rupel en Dongen. Deze ondoorlatende kleien vormen de geohydrologische basis31, en bevinden zich op een diepte van circa 25 meter beneden maaiveld.
30 REGIS II.I (Regionaal Geohydrologisch Informatie Systeem), DINOloket TNO-NITG, 2020 31 Door de lage doorlatendheid en grote dikte van deze laag heeft eventuele grondwaterstroming beneden de geohydrologische
basis geen invloed op de stroming in de bovenliggende lagen. 2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
65
Projectgerelateerd
Oost
West
Figuur 7-2: Geohydrologische doorsnede onderzoeksgebied (hoogteschaal x 100)
De ondergrond tot aan de geohydrologische basis bestaat uit drie watervoerende pakketten: de deklaag (ook wel freatisch pakket), het eerste watervoerende pakket en het tweede watervoerende pakket (wvp 2a en 2b). Plaatselijk worden de watervoerende pakketten gescheiden door slecht-doorlatende lagen. De deklaag bestaat uit een watervoerend deel, gevormd door zandige afzettingen en een slecht-doorlatend deel, gevormd door kleiige afzettingen. De afzettingen behoren tot de Formatie van Boxtel. Het eerste en tweede watervoerende pakket bestaat uit zandafzettingen van de Boxtel en Drenthe Formaties (Tabel 7-3). Figuur 7-2 geeft de geohydrologische opbouw schematisch weer. Uit de Grondwaterkaart van Nederland32 volgt dat het grondwater in noordwestelijke richting stroomt. Ter plaatse van het studiegebied is de stijghoogte van het grondwater circa NAP + 22,00 meter. Gezien de beperkte dikte van het watervoerende pakket, en het slechts plaatselijk voorkomen van slecht-doorlatende lagen kan worden aangenomen dat de stijghoogten van het diepere grondwater identiek zijn aan de stijghoogten van het freatische grondwater. Het grootste deel van het studiegebied fungeert regionaal gezien als infiltratiegebied. Dat wil zeggen dat het neerslagoverschot wegzijgt naar het watervoerende pakket. Lokaal treedt kwel op, zie Figuur 7-3.
De kwel treedt voornamelijk op in de natuurlijke laagtes (beekdalen) nabij de waterlopen.
32 TNO-DGV, 1973. Grondwaterkaart van Nederland, schaal 1:50.000, 28 Oost Almelo 29 Denekamp 34 Oost Enschede en
Glanerbrug. 2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
66
Projectgerelateerd
Tabel 7-3: Geohydrologische schematisatie Doorlaatfactor
Weerstand
Kh [m/dag]
C [dagen]
Matig fijn, fijn zand en leem
25 - 50
n.v.t.
Boxtel
Klei
n.v.t.
100 - 200
Wvp1
Boxtel
Zand matig grof
25 - 50
n.v.t.
Slecht doorlatende laag 1
Sdl1
Boxtel
Klei
n.v.t.
1.000 – 1.500
Watervoerend pakket 2a*
Wvp2a
Boxtel
Zand matig grof
25 - 50
n.v.t.
Slecht doorlatende laag 2a
Sdl2a
Drenthe
Klei
n.v.t.
50 - 100
Watervoerend pakket 2b
Wvp2b
Drenthe
Zand matig grof
25 - 50
n.v.t.
Geohydrologische schematisatie
Code
Formatie
Lithologie
Deklaag watervoerend gedeelte*
Dkl
Boxtel
Deklaag slecht-doorlatend gedeelte*
Dkl
Watervoerend pakket 1
Geohydrologische basis * ontbreekt plaatselijk
Figuur 7-3: Kwel en infiltratie in de zomerperiode
Het onderzoeksgebied is gelegen in het stroomgebied van de Poelsbeek/ Markveldschebeek, Bolscherbeek en Hagmolenbeek/Hegebeek. De stroomgebieden voeren via de beken in noordwestelijke richting af op het Twentekanaal. Ook de grondwaterstroming is noordwestelijk gericht. De beken hebben slechts een beperkte invloed op de grondwaterstroming. Om de drainerende werking van de beken te beperken zijn op sommige plekken stuwen aangelegd. De beken hebben een beperkte basisafvoer vanuit
2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
67
Projectgerelateerd
het grondwater en vallen slechts deels droog in de zomer. De Bolscherbeek is permanent watervoerend. Het gebied maakt geen deel uit van een grondwaterbeschermingsgebied33.
7.4.3
Effectbeschrijving (van toepassing op Productiefase en Nazorgfase)
Berekende bodemdaling bij zoutwinning In deze effectbeschrijving wordt uitgegaan van de meest conservatieve variant, Referentie variant B. Door de zoutwinning zal binnen het bestaande verval van 10 meter een kom ontstaan ten noordwesten van Haaksbergen dalen. De verwachtte daling na 20 en 50 jaar is met modellen berekend (zie hoofdstuk 4 en 5). In Figuur 7-4 en Figuur 7-5 zijn de te verwachten dalingen weergegeven op het modelraster van het grondwatermodel (100 m bij 100 m). In het centrum van het winningsgebied bedraagt de berekende bodemdaling maximaal circa 17 cm na 20 jaar en circa 34 cm na 50 jaar. De effecten beperken zich tot het Nederlands grondgebied.
Figuur 7-4: Te verwachten bodemdaling na 20 jaar bij 12 cavernes (conservatieve variant 2-B uit paragraaf 5.2).
33
Provincie Overijssel, september 2020, (Ontwerp actualisatie) Omgevingsverordening
2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
68
Projectgerelateerd
Figuur 7-5: Te verwachten bodemdaling na 50 jaar bij 12 cavernes (conservatieve variant 2-B uit paragraaf 5.2).
Toetsing aan de Referentie Variant Het project van Nobian behelst het aanleggen van 8 cavernes met een volume van maximaal 1 miljoen kubieke meter. Omdat de gevolgen van bodemdaling door zoutwinning pas na langere tijd zichtbaar worden, is gebruik gemaakt van een toets die rekening houdt met mogelijk toekomstige ontwikkelingen, zoals de doorkijk naar gefaseerde ontwikkeling van 3x12 cavernes. Daarbij zijn de meest conservatie convergentiesnelheden (zie paragraaf 5.2) gehanteerd, zoals beschouwd in Referentie variant B. Om die reden is voor het toetsen van effecten op bebouwing, wegen en ondergrondse leidingen en voor het toetsen van de gevolgen op de waterhuishouding (het oppervlaktewater- en grondwatersystemen) de Referentie Variant B gebruikt uit paragraaf 5.2, zie Tabel 7-4. Deze Referentie Variant B omvat een veel bredere ontwikkeling (36 cavernes van gemiddeld 1.7 miljoen m3) dan het basisalternatief (12 cavernes van elk 1 miljoen m3) en de feitelijke projectomvang (8 cavernes van elk 1 miljoen m3). Als uit de toets blijkt dat de effecten van Referentie Variant B acceptabel en veilig zijn, dan is het basisalternatief en het feitelijke project van 8 cavernes ook altijd veilig. Tabel 7-4: Uitgangspunten en kenmerken Referentie Variant B.
Variant
Referentie variant B
Omvang van ontwikkeling
3 opeenvolgende fases, 12 cavernes per fase. Evaluatie en eventueel bijsturen per fase.
Richting van ontwikkeling
Gefaseerde ontwikkeling vanaf Haaksbergen tot voorbij St. Isidorushoeve
Productiecapaciteit
Circa 100 miljoen ton
Veldconfiguratie
Grotere onderlinge afstand door bredere ‘pijlers’, grid met 4 buren
Aantal cavernes
3 x 12
2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
69
Projectgerelateerd
Variant
Referentie variant B
Gemiddeld volume per caverne
1,7 miljoen m3
Omschrijving
Conservatief
Diameter cavernes
125 m diameter
Pijlerbreedte tussen cavernes Aanname zoutkruip
175 m Op basis van proefboring ISH-01 (laboratoriumtest)
Convergentiesnelheid productiefase (% /jaar)
0,252, op basis van veldindeling met 4 buren
Afsluiting na winning
Ja
Convergentiesnelheid nazorgfase (% /jaar)
0,05
Bodemdaling in centrum van kom na 20 jaar (m)
0,19
Bodemdaling in centrum van kom na 50 jaar (m)
0,43
Functies aan het maaiveld – bodemvervorming getoetst aan Referentie Variant B Met het oog op schade aan gebouwen als gevolg van grondverplaatsingen (door bodemdaling) is de berekende maximale relatieve rotatie (β in onderstaande Figuur 7-6) van 2.10-4 ofwel circa 1:5000 (1 centimeter op 50 meter)34. Dit is ruim lager dan alle grenswaarden. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de kans op schade aan bebouwing als gevolg van de zoutwinning zeer klein is. Figuur 7-6: Scheefstand (α) en relatieve kromming (β).
Voor wat betreft de vervorming van kabels en leidingen wordt geconcludeerd dat de berekende waarden ruimschoots liggen onder de zogenaamde toelaatbare voeg-rotaties. Bij de geprognosticeerde horizontale rek zal geen pull-out (uitrekking) ter plaatse van voegovergangen kunnen optreden. Schade bij huisaansluitingen zal niet optreden omdat de woningen evenveel zakken als de leidingen. Eisen voor afschot van rioleringen ligt in de orde van 1:200 tot 1:1000 afhankelijk van het fundatietype. De berekende maximale scheefstand bedraagt circa 1:2000, wat substantieel kleiner is dan de eisen voor afschot. De zoutwinning zal de werking van riolering daarom niet nadelig beïnvloeden. Ter plaatse van de provinciale wegen bedraagt de grootste zakking maximaal 400 mm. De zakkingstrog verloopt geleidelijk over een lengte van circa 1 km naar een zakking kleiner dan 10 mm. Deze hellingen ten gevolge van de bodemvervorming zijn vergelijkbaar met of kleiner dan de natuurlijke niveauverschillen in het gebied. De zettingen hebben naar verwachting geen invloed op het beheer van de wegen. Variant B scoort neutraal (0) ten opzichte van de referentiesituatie. Met deze uitkomst is ook duidelijk dat het feitelijke project met 8 cavernes van 1 miljoen kubieke meter neutraal scoort.
Functioneren van het watersysteem - getoetst aan Referentie Variant B De hydrologische effecten van de bodemdaling zijn bepaald met behulp van een grondwatermodel van Waterschap Vechtstromen (waarin Waterschap Regge en Dinkel in is opgegaan). In deze studie35 zijn de hydrologische effecten en de afgeleide effecten bepaald voor de worst case bodemdalingsvariant voor zowel de situatie na 20 jaar als na 50 jaar ten opzichte van de huidige situatie (referentiesituatie). Het grondwatermodel is gecontroleerd met behulp van peilbuismetingen. Van alle beschikbare peilbuizen zijn de metingen opgevraagd bij het DINO-loket (www.dinoloket.nl) voor de periode 2001-2010. 34 Lit 19: Royal HaskoningDHV, oktober 2020, Effecten van bodemvervorming door zoutwinning. 35 Lit 20: Royal HaskoningDHV, 22 maart 2021, Rapport Hydrologische effecten bodemdaling zoutwinning Haaksbergen.
2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
70
Projectgerelateerd
Voor de situatie na 20 jaar wordt geconcludeerd dat de effecten op de GLG36 gering zijn (maximaal 0,1 meter) en positief voor de landbouw. De effecten op de GHG37 zijn gering (maximaal 0,06 meter) en leiden op enkele locaties tot een toename van de landbouwschade van 5% á 10%. Er is geen effect te verwachten voor de bebouwing in het gebied. Er is geen risico op zetting. De basisafvoer neemt in een aantal beken toe, maximaal 55 m3/dag. Omdat de waterlopen ingericht zijn voor afvoer tijdens hoogwatersituaties, zal een verhoging van de basisafvoer niet tot problemen leiden. Door de afname van het verhang met circa 0,015% over een traject van 1200 meter in het stroomafwaarts gelegen deel binnen het bodemdalingsgebied, zal het peil tijdens hoogwatersituaties toenemen en kan er vaker overstroming optreden. Een hoger beekpeil tijdens hoogwater leidt na 50 jaar niet tot meer overlast voor bebouwing. Na 20 jaar is dat zeker niet het geval. Voor de situatie na 50 jaar zijn de effecten op de GLG in de ordegrootte van maximaal 0,25 meter en positief voor de landbouw. De effecten op de GHG zijn gering (maximaal 0,15 meter) en leiden op enkele percelen tot een toename van de landbouwschade van 5% à 15%. Op een enkele plaats is mogelijk een toename van wateroverlast te verwachten. Er is geen risico op zetting. De basisafvoer neemt in een aantal beken toe, maximaal 145 m3/dag.
Omdat de waterlopen ingericht zijn voor afvoer tijdens hoogwatersituaties, zal een verhoging van de basisafvoer niet tot problemen leiden. Door de afname van het verhang met circa 0,03% over een traject van 1500 meter in het stroomafwaarts gelegen deel binnen het bodemdalingsgebied zal het peil tijdens hoogwater toenemen. Dat kan leiden tot meer en grotere inundatiezones. Enerzijds is inundatie ongewenst: er is risico voor te laag gelegen bebouwing. Anderzijds is inundatie tijdens hoogwater gewenst om de afvoerpieken stroomafwaarts te verkleinen. Een hoger beekpeil tijdens hoogwater leidt na 50 jaar niet tot meer overlast voor bebouwing. Ook klimaatverandering zal leiden tot een verandering van de GLG en GHG. Doordat het warmer wordt treedt er meer verdamping op in de zomer (bij klimaatscenario Wh voor 2050). Er zal echter ook meer neerslag vallen met grotere piekbuien, zowel in de zomer als in de winter. Met het landelijk model van Deltares (LHN) zijn berekeningen uitgevoerd die het effect op de GXG38 bepalen. De resultaten zijn gepubliceerd in de klimaateffectatlas (www.klimaateffectatlas.nl). De resultaten zijn onzeker, maar geven wel een indicatie van wat er te verwachten is. Met betrekking tot het projectgebied is voornamelijk de te verwachten verandering van de GHG van belang.
De verlaging van de GLG wordt juist gecompenseerd door de verhoging van de GLG ten gevolge van de bodemdaling. De te verwachten verhoging van de GHG treedt op in het gebied dat door de bodemdaling wordt beïnvloed en is kleiner dan 10 cm. Dit betekent dat het effect van de bodemdaling en de klimaatverandering op de grondwaterstand vrijwel onafhankelijk van elkaar zijn. De verhoging van de GHG door klimaatverandering leidt er wel toe dat de basisafvoer van de beken in de winter toeneemt. De klimaatverandering leidt ook tot een toename van de intensiteit van buien waardoor de piekafvoer in de beken toeneemt. De verwachte verlaging van de GLG door klimaatverandering wordt gecompenseerd door de verhoging van de GLG ten gevolge van de bodemdaling. In de zomer (GLGsituatie) zal de basisafvoer ten gevolge van de bodemdaling toenemen. De beken zullen daardoor minder snel droogvallen. Bij het uitwerken van plannen voor de herinrichting van de Bolscherbeek is een modelstudie uitgevoerd door HKV (PR2279.20, maart 2012), waarbij de effecten tijdens hoogwater zijn beschouwd. Van de door HKV berekende maatgevende situaties is één situatie voor dit MER nader berekend.
36
Gemiddeld laagste grondwaterstand Gemiddeld hoogste grondwaterstand 38 Afkorting die staat voor GLG, GHG en de gemiddelde voorjaars grondwaterstand (GVG). 37
2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
71
Projectgerelateerd
Om de effecten van de bodemdaling te onderzoeken zijn berekeningen uitgevoerd met het Sobek oppervlaktewater-model (beschikbaar gesteld door het Waterschap). Met het Waterschap is afgesproken het 50 jaars-bodemdalingseffect op het beekpeil te bepalen bij heringerichte beek. Figuur 7-7 geeft het effect op het beekpeil weer ten gevolge van de bodemdaling na 50 jaar in een T100 situatie (een neerslagsituatie die eens in de 100 jaar voorkomt) ten opzichte van de situatie na herinrichting van de beek. Een relatieve stijging van het peil is aangegeven met een blauwe band op de waterlopen. Bij de groene trajecten daalt het waterpeil meer dan de bodem. De berekende stijging van het peil bedraagt maximaal circa 0,15 meter in de zone met de grootste bodemdaling. Net zuidelijk van de rode pijl in Figuur 7-7 is de berekende stijging tussen de 0,05 en 0,1 meter. Ten noorden van de rode pijl is de stijging kleiner dan 0,05 meter. Met het berekende peil zijn vervolgens de inundatiezones bepaald die eens in de 100 jaar kunnen ontstaan, voor zowel referentiesituatie (op basis van het aangeleverde peil door HKV) als voor de situatie na 50 jaar bodemdaling (Figuur 7-8).
Figuur 7-7: Berekende effect op het beekpeil t.g.v. bodemdaling na 50 jaar.
2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
72
Projectgerelateerd
Figuur 7-8: Berekende inundatiezones.
Figuur 7-9: Verloop maaiveldhoogte en bebouwing in huidige situatie, in stappen van 0,4 meter.
Onderzocht is wat de te verwachten gevolgen van een peilstijging zijn rond de berekende inundatiezones bij toepassing van het Toetsingsscenario. In Figuur 7-9 is het verloop van het maaiveld weergegeven met de bebouwing. 2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
73
Projectgerelateerd
Achter de noordelijke stuw in Figuur 7-9 wordt inundatie berekend. Daar wordt een geringe peilstijging berekend door de bodemdaling. In de referentiesituatie wordt de bebouwing bij (2) deels ingesloten door de inundatie. Ten gevolge van de bodemdaling is bij slechts enkele modelvlakken (5 x 5 meter) extra inundatie berekend. De bebouwing bij (3) ligt net op de grens van het inundatiegebied en er ontstaat geen extra risico op wateroverlast ten gevolge van de bodemdaling. Direct benedenstrooms van de stuw is geen inundatie berekend, ook niet na bodemdaling. Hier neemt het risico voor de bebouwing bij (1) niet toe. De percelen ten noorden en ten zuiden van de bebouwing bij (4) inunderen in de referentiesituatie. Het inundatiegebied krijgt een iets grotere omvang door de bodemdaling. De bebouwing bij (4), (5) en (6) ligt echter relatief hoog, zodat er geen extra risico ontstaat door wateroverlast. Tussen (5) en (6) ligt een smalle diep gelegen inundatiezone. Vanaf hier naar het zuiden wordt de grootste peilstijging berekend ten gevolge van de bodemdaling (0,1 – 0,15 meter). Doordat de inundatiezone diep ligt, heeft de peilstijging slechts geringe invloed op de grootte van de zone. Zuidelijker, bij (8), is de beek relatief diep ingesneden. Er is geen inundatie berekend, ook niet na bodemdaling.
Samenvattend wordt gesteld dat ten noorden van de rode pijl een geringe verhoging van het beekpeil wordt berekend door bodemdaling. De grootte van de inundatiezones neemt hier iets toe. Er is geen extra risico voor de bebouwing. Door bodemdaling is het zuidelijk van de rode pijl berekende beekpeil hoger dan in de referentiesituatie. Door het verloop van het maaiveld kunnen de inundatiezones hier echter niet veel groter worden. De gebouwen liggen relatief hoog, zodat er geen risico op wateroverlast ontstaat ten gevolge van de bodemdaling. De variant B scoort licht negatief (0/-) ten opzichte van de referentiesituatie. Hiermee is duidelijk dat variant A altijd beter scoort dan licht negatief.
7.4.4
Effectbeoordeling (van toepassing op Productiefase en Nazorgfase)
In hoofdstuk 7.4.3 zijn de effecten van de bodembeweging, die zich bij zoutwinning uitsluitend uit in bodemdaling, getoetst aan een Toetsingsscenario waarbij conservatieve geologische uitgangspunten zijn gehanteerd en tevens de mogelijke doorontwikkeling van het veld naar 3 x 12 cavernes is aangehouden. Hiermee wordt bereikt dat werkelijke effecten altijd substantieel kleiner zullen zijn dan de berekende effecten. Beoordeling van de effecten aan de hand van het toetsingsscenario leiden tot de volgende effectscores voor het thema bodembeweging: Tabel 7-5: Effectbeoordeling bodemdaling Criterium
Duur effect
Variant B
Effecten voor functies aan het maaiveld
Permanent
0
Veranderingen in functies watersysteem
Permanent
0/-
Score:++ = zeer positief; + = positief; 0/+ = licht positief; 0 = neutraal; 0/- = licht negatief; -= negatief; - - = zeer negatief
7.4.5
Mitigerende en/of compenserende maatregelen
Effecten op grondwaterstand (GHG) en daarmee nadelige effecten voor de landbouw en op de bebouwing kunnen, indien nodig, eenvoudig hydrologisch worden gecompenseerd door een stuwpeil te verlagen, door lokaal de kavelsloten te verdiepen of door lokaal op de percelen de drainage te intensiveren. Dit zal wel leiden tot een wat hogere basisafvoer in de beken. Omdat de waterlopen ingericht zijn voor afvoer tijdens hoogwatersituaties, leidt een verhoging van de basisafvoer niet tot problemen.
2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
74
Projectgerelateerd
7.5
Water en bodem
7.5.1
Methodiek
Ingegaan wordt op de effecten van tijdelijke grondwaterstandsverlagingen op het grondwaterpeil. Daarnaast worden effecten beschouwd die kunnen leiden tot een kwaliteitsverandering van grond en grondwater. Het effect van de uitvoering van boringen bij de boorlocaties en de aanleg van de transportleidingen en distributieleidingen wordt getoetst.
7.5.2
Referentiesituatie
In Figuur 7-10 zijn de leidingen en zoutwinningslocaties geprojecteerd op de bodemkaart waarop de . verspreiding van bodemtypen is weergegeven. De bodem bestaat vooral uit zandgronden. De zandgronden bestaan afwisselend uit: Veldpodzolgronden; Beekeerdgronden; Gooreerdgronden; Hoge zwarte enkeerdgronden. De beekeerdgronden en gooreerdgronden liggen overwegend in doorlopende laagten zoals beekdalen. Het zijn zwak tot sterk lemige gronden met een dun tot matig humeus dek. Verspreid op hogere gronden, ter plaatse van de eerdgronden, zijn door plaggenbemesting de (enk)eerdgronden gevormd. De veldpodzolgronden worden voornamelijk aangetroffen in jonge ontginningsgebieden en heidevelden. De aangetroffen gronden zijn nauwelijks gevoelig voor zettingen.
2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
75
Projectgerelateerd
Figuur 7-10: Leidingen en zoutwinningslocaties op bodemkaart (ontleend aan ADC Archeoprojecten).
Uit de database van het Dinoloket39 zijn peilbuismetingen opgevraagd om inzicht te krijgen in de grondwaterstanden en stijghoogten in het studiegebied (zie Figuur 7-11). Op twee na bevatten de peilbuizen meerdere filtertrajecten. Het stijghoogteverschil tussen de diepere en ondiepe filters duidt op de aanwezigheid van weerstandbiedende lagen in de ondergrond. Gezien het beperkte stijghoogteverschil gaat het om (plaatselijke) slecht ontwikkelde lagen.
39 Grondwater meetreeksen uit het archief van TNO Bouw en ondergrond via Dinoloket.
2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
76
Projectgerelateerd
Figuur 7-11: Locatie van de peilbuizen (Dinoloket, 2020)
In Tabel 7-6 is de indeling van grondwatertrappen weergegeven. De grondwatertrappen geven een indicatie voor de gemiddeld hoogste (GHG) en gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). De GHG en GLG zijn tot klassen gecombineerd, van VII (zeer droog) naar I (zeer nat). Grofweg kan op basis van de grondwatertrappen de volgende driedeling worden gemaakt; droge-, natte- en vochtige gebieden. Tabel 7-6 geeft de driedeling weer. Tabel 7-6: Indeling van de grondwatertrappen Grondwaterstand (cm-mv)
Grondwatertrap I
II1
III
IV1
V1
VI
VII2
GHG
<20
<40
<40
>40
<40
40-80
>80
GLG
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
(>160)
Benaming ecotopensysteem
nat
nat
nat/vochtig
vochtig
vochtig/droog
droog
droog
1) een * achter deze Gt code betekent ‘droger deel’, GHG tussen 25 en 40 cm-mv. 2) een * achter deze Gt code betekent ‘zeer droog deel’, GHG dieper dan 140 cm-mv.
Gronden met een grondwatertrap I of II staan in de winter zo goed als blank; in de zomer is ook trap I slecht begaanbaar. Gronden met een grondwatertrap III of V zijn in de winter nat, maar zijn in de zomer droog tot zeer droog. Watertrap IV biedt een goed gemiddelde: niet al te nat in de winter, en niet al te droog in de zomer. Gronden met een grondwatertrap VI of VII kunnen als (zeer) droog worden beschouwd. In het studiegebied worden alle grondwatertrappen aangetroffen, uitgezonderd grondwatertrap I en IV. In de natuurlijke beekdalgronden wordt vooral grondwatertrap III aangetroffen. Op de hogere gelegen dekzandruggen worden de drogere grondwatertrappen aangetroffen (V* en VII).
2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
77
Projectgerelateerd
7.5.3
Effectbeschrijving (van toepassing op de Aanlegfase en Productiefase)
Tijdelijke grondwaterstandsdalingen (Aanlegfase) In de aanlegfase worden de transportleidingen tussen pompstation en zoutfabriek gelegd en worden de distributieleidingen tussen de zoutwinningslocaties en het pompstation aangebracht. Hierbij is open bemaling aan de orde, waar nodig ondersteund door een bemaling met verticale filters. De bemaling wordt toegepast om tijdelijk een grondwaterstandsdaling te bereiken tot circa 2,2 m-mv. Het toestromende water bestaat uit grondwater en (mogelijk) hemelwater. De tijdelijke verlaging ten opzichte van de GHG is circa 1,7 m. De verlaging wordt met toenemende afstand tot de onttrekkingsput snel kleiner. Indien de bemaling wordt gestopt zal de oorspronkelijke freatische grondwaterstand en stijghoogte afhankelijk van de situatie van bodem en grondwater ter plaatse zich binnen enkele dagen herstellen. Grote en langdurige grondwaterstands- of stijghoogteverlagingen zijn niet voorzien. De bemalingen langs de tracés van transportleidingen en distributieleidingen vinden, waar nodig, kortdurend plaats in partities in een lengte tot 100 meter. De totale duur van de aanleg van de transportleidingen bedraagt naar verwachting circa 7 maanden. Met het oog op de grondwaterstand en de hoogte van het te doorkruisen gebied wordt onderscheid gemaakt tussen een noordelijke en een zuidelijke sectie van de transportleidingen (Figuur 7-12).
De zuidelijke sectie omvat naast de transportleidingen ook de distributieleidingen. Gelet op de feitelijk noodzakelijke verlaging, de uitvoeringsduur en de uitvoeringswijze is de invloed op het freatische grondwater beperkt. De verlagingen zijn berekend voor de GHG en voor de GLG. Voor de noordelijke sectie van de transportleiding is de invloedsfeer van de bemaling (bemalingscontour van 0,05 m.), uitgaande van de GHG, berekend op 50 m40, en uitgaande van de GLG, 40 m.
40
Lit 23: Stantec, Bemalingsadvies Haaksbergen, 2020
2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
78
Projectgerelateerd
Voor de zuidelijke sectie is een invloedsfeer van 120 meter berekend voor de GHG (bemalingscontour van 0,05 m.) en 80 m. voor de GLG. Om de effecten van (relatief korte perioden van) grondwaterstandsdaling beperkt te houden wordt er de voorkeur aan gegeven om de aanleg niet in het groeiseizoen uit te voeren. De bemalingen langs het tracé van de distributieleidingen vinden gedurende circa twee maanden plaats. Gelet op de feitelijk noodzakelijke verlaging, de uitvoeringsduur en de uitvoeringswijze is de invloed op het freatische grondwater zeer beperkt. Voor de uitvoering van de bemaling wordt vergunning aangevraagd bij het waterschap. Het effect van de aanleg van de leidingen scoort licht negatief (0/-) ten opzichte van de referentiesituatie.
Figuur 7-12: Opdeling transportleiding in noordelijke en zuidelijke sectie.
Berging en infiltratie van hemelwater (Productiefase) Iedere zoutwinningslocatie wordt voorzien van een verharding over een oppervlakte van circa 2.400 m2. Met het oog op het Besluit ruimtelijke ordening is een watertoets uitgevoerd. Daarin is bepaald dat een infiltratievoorziening nodig is, zodat het grondwater op peil blijft. Met de watertoets is per zoutwinningslocatie vastgesteld wat de dimensies van zo’n bergings- en infiltratievoorziening moeten zijn. In een overleg heeft het Waterschap aangegeven dat het creëren van extra oppervlaktewater (bijvoorbeeld een kavelsloot) ook als compensatie wordt gezien. Ter plaatse van de zoutwinningslocaties geldt voor de waterberging een compensatieopgave van 55 mm per m2 verhard oppervlak en ter plaatse van het pompstation 40 mm per m2 verhard oppervlak. Per zoutwinningslocatie wordt een berging van ruim 130 m3 aangelegd. Hiertoe wordt naast het verharde oppervlak een ondergronds waterberging gegraven waarin regenwater wordt opgevangen en vastgehouden en dat (met een zogenaamd aquaflowsysteem) vertraagd in de bodem infiltreert. De aanleg van verharde toegangspaden naar enkele zoutwinningslocaties wordt door het graven van een sloot naast het pad gecompenseerd. Bij het pompstation wordt de compensatie bereikt door een combinatie van een ondergrondse waterberging en wadi’s met een gezamenlijk volume van 117 m3.
Het Waterschap wordt gevraagd om instemming. Door het aanbrengen van waterberging is het effect van de maatregelen neutraal (0) ten opzichte van de referentiesituatie.
2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
79
Projectgerelateerd
Bodemkwaliteit Voorafgaand aan en na afloop van de winningsactiviteiten wordt bij iedere boorlocatie een bodemonderzoek uitgevoerd. Op deze wijze kan vastgesteld worden of de boor- en/of winningsactiviteiten hebben geleid tot aantasting van de grond(water)kwaliteit. De te gebruiken stoffen bij het boren en de pekelproductie zullen deel uitmaken van het analysepakket. Door de boorlocatie te voorzien van een vloeistofdichte of -kerende verharding, in combinatie met een opvangvoorziening, wordt voorkomen dat tijdens de boorwerkzaamheden verontreinigende vloeistoffen in grond- en oppervlaktewater terecht komen. Er moet voldaan worden aan de eisen die gesteld worden in het BARMM41 dan wel het Activiteitenbesluit. Het opgevangen water wordt afgevoerd naar een erkende verwerker. Bij normale bedrijfsvoering treden geen emissies naar water en bodem op. Tijdens het boren wordt contact met watervoerende lagen voorkomen door het boorgat te bekleden met stalen bekledingsbuizen (casing) en de ruimte tussen de grondlagen en de bekledingsbuizen met cement op te vullen. Het effect van de maatregelen scoort neutraal (0) ten opzichte van de referentiesituatie.
7.5.4
Effectbeoordeling (van toepassing op de Aanlegfase en Productiefase)
De resultaten leiden tot de volgende effectscores voor het thema ‘Water en bodem’: Tabel 7-7: Effectbeoordeling water en bodem Criterium
Duur effect
12 boorlocaties
Transportleidingen Distributieleidingen
Tijdelijke grondwaterstandsdaling in aanlegfase
Tijdelijk
0
Verandering grondwaterpeil in productiefase
Tijdelijk
0
0/-
Verandering grond- en Permanent 0 0 grondwaterkwaliteit Score:++ = zeer positief; + = positief; 0/+ = licht positief; 0 = neutraal; 0/- = licht negatief; -= negatief; - - = zeer negatief
7.5.5
Mitigerende en/of compenserende maatregelen
Door de kortdurende bemalingen buiten het groeiseizoen uit te voeren wordt het effect van de grondwaterstandsdaling beperkt. Er zijn daarnaast geen extra mitigerende en/of compenserende maatregelen aan de orde. De grondwaterstanden zijn vergelijkbaar met grondwaterstanden in de referentiesituatie. Er is geen sprake van kwaliteitsveranderingen en/of significante veranderingen in het freatisch (grond)watersysteem ten gevolge van booractiviteiten en bemalingen voor leidingen.
7.6 7.6.1
Natuur Methodiek
Ingegaan wordt op de beïnvloeding van de zoutwinning op beschermde gebieden en beschermde soorten. Het projectgebied omvat de zoutwinningslocaties, de distributieleidingen en het tracé voor de transportleidingen (Figuur 7-13). Om na te gaan wat het belang van het projectgebied is voor beschermde soorten is het volgende stappenplan gevolgd:
41
Besluit algemene regels milieu mijnbouw.
2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
80
Projectgerelateerd
Stap 1: Uitvoering bureauonderzoek. Hierbij is gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en indien beschikbaar regionale verspreidingsinformatie zoals: o De Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), o Landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen (deels gedateerd) om na te gaan of in het verleden beschermde soorten zijn aangetroffen. o De flora- en faunadatabase van Eelerwoude (op basis van eigen onderzoeken in de omgeving). Stap 2: Terreinbezoek waarbij de geschiktheid van het projectgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen is beoordeeld. Om een indruk te krijgen van de aanwezigheid van beschermde dieren en planten is een veldbezoek uitgevoerd op 5 februari 2020. Stap 3. Vaststelling van de effecten. Om vast te stellen of het project effect heeft op beschermde flora en fauna, is een beknopte analyse gemaakt van het project in relatie tot de habitateisen van de doelsoorten uit het gebied. Stap 4. Beschrijving van de effecten op beschermde soorten. Door de resultaten van stap 1 en stap 2 te koppelen zijn de effecten van het voorgestelde project op de aanwezige natuurwaarden inzichtelijk gemaakt. Stap 5: Er is bepaald of er conflicten met de vigerende natuurwetgeving optreden.
Hierbij is rekening gehouden met de onder de Wet natuurbescherming vastgestelde criteria voor onder andere de gunstige staat van instandhouding van de soort, eventuele alternatieven en bij wet genoemde belangen. Indien nodig - om zekerheid te krijgen over de aanwezigheid van beschermde soorten om zodoende een volledige effectinschatting te kunnen maken - wordt aanvullend onderzoek aanbevolen.
Figuur 7-13: Het onderzoeksgebied.
2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
81
Projectgerelateerd
Getoetst wordt de komst van de zoutwinningslocaties, het tracé van de distributieleidingen en transportleidingen en de bouw van het pompstation. De volledige beschrijving is opgenomen in de uitgevoerde Flora en Fauna scan42 (lit. 7).
7.6.2
Referentiesituatie
Het gebied tussen Sint Isidorushoeve en de westzijde van de N739 wordt gekenmerkt door een vrij kleinschalig landschap met landbouwgrond, afgewisseld met landschapselementen, waaronder houtwallen en singels. De Bolscherbeek stroomt hier door het gebied. Deze beek is ter hoogte van de aanwezige rioolwaterzuiveringsinstallatie vispasseerbaar gemaakt Figuur 7-14. Figuur 7-14: Vispassage Bolscherbeek.
De N18 doorkruist het toekomstige transportleidingentracé op deze locatie. Het gebied tussen Haaksbergen en Beckum, gelegen ten noorden van de N18 en ten oosten van de N739, wordt gekenmerkt door een afwisseling tussen vrij open en meer gesloten landschappen. Naast de gronden die in landbouwkundig gebruik zijn, zijn op deze locatie ook een aantal boselementen aanwezig variërend in soortrijkdom en ouderdom. De hoogste natuurwaarden op deze locatie bestaan echter uit een aantal geïsoleerde heideterreintjes en vennetjes. Hier wordt de vegetatie gedomineerd door struikheide op de drogere delen en dopheide op de nattere delen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Ten noorden van Haaksbergen bevindt zich het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Ter plaatse van het distributieleidingentracé en de zoutwinningslocaties is geen sprake van NNN-gebied. Het tracé van de transportleidingen gaat voor een klein deel door NNN-gebied en door de zone ondernemen met natuur en water (zie Figuur 7-15). Het NNN verbindt bos, heide en bloemrijk grasland. De natuurbeheertypen bestaan voornamelijk uit dennen/eiken/beukenbos, droog productiebos, botanisch waardevol grasland, heide en nog om te vormen landbouwgronden.
42
Lit 7: 7. Eelerwoude, Toetsing flora en fauna en NNN Leidingtracé Haaksbergen, 200026, 6 mei 2021.
2 augustus 2022
MER HAAKSBERGEN
BH5570-IB-RP-220627-1616
82
Projectgerelateerd
Figuur 7-15: Ligging van transportleidingen door NNN (groen). Transportleidingen (rood), zone ondernemen met natuur en water buiten NNN (geblokt).
Houtopstanden Voor de aanleg worden binnen het projectgebied ca. 20 bomen gekapt die behoren tot een bomenrij of een bosperceel buiten de bebouwde kom. Hiervoor wordt een kapmelding gedaan. Dit leidt tot een veelal tot een herplantplicht, tenzij sprake is van natuurlijke verjonging. Deze zogenaamde herbebossing dient op een bosbouwkundig verantwoorde wijze te worden uitgevoerd.
Beschermde plantensoorten Het projectgebied wordt gekenmerkt door agrarisch land (maïsakkers en weiland) afgewisseld met bebouwing en bosschages. Veel wegen en percelen zijn omgeven door bomensingels of houtwallen. Deze bosschages, singels en houtwallen bepalen voor een belangrijk deel de natuurwaarden in het gebied. De natuurwaarde van de maïsvelden is nihil. De aangetroffen flora in de aanwezige boselementen is divers. Op locaties waar in het verleden heideterreintjes gelegen hebben (onder meer ter hoogte van de boselementen tussen Haaksbergen en Beckum, is op de nattere delen voornamelijk pijpenstrootje aanwezig.
Figuur 7-16: Bosschage langs perceel
Plaatselijk heeft ook enige verrijking plaatsgevonden als gevolg van stikstofdepositie. Op deze locaties is ook gewone braam aanwezig. De vegetatie van het NNN-perceel ter plaatse van het transportleidingentracé is vermoedelijk een voormalig landbouwperceel dat uit productie is genomen. Tijdens het veldbezoek zijn op het perceel onder meer scherpe boterbloem, pitrus en gestreepte witbol vastgesteld. Goed ontwikkelde vegetaties zijn aanwezig buiten de (werk)grenzen van het projectgebied en buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Gelet op de aanwezige terreintypen, het beheer en de functie van het projectgebied is het niet waarschijnlijk dat daarbinnen beschermde plantensoorten voorkomen. Beschermde zoogdieren: De bomensingels worden vrijwel zeker gebruikt als vlieg- of foerageerroute door vleermuizen. In het projectgebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis en mogelijk ook franjestaart en baardvleermuis. Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen. Door het ontbreken van gebouwen kunnen verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten worden uitgesloten. Potentieel geschikte verblijfplaatsen zijn wel in de directe omgeving van het projectgebied aanwezig, onder meer op aangrenzende erven.