CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

BW348.bijlage gewijzigde MER bijlage aangepast verzoek vvgb 8.8.22

Gemeenteraad 26 oktober 2022, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Uitspreken van het voornemen een verklaring van geen bedenkingen te verlenen ten behoeve van het realiseren van 8 zoutwinningslocaties en het onderliggende leidingentracé onder diverse voorwaarden31.380 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Er zijn op enige afstand van het projectgebied boselementen met oude bomen

2 augustus 2022

MER HAAKSBERGEN

BH5570-IB-RP-220627-1616

83

Projectgerelateerd

aanwezig, die geschikt zijn als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Tijdens het veldbezoek zijn in de te kappen bomen geen zichtbare holtes, of loshangende schors aangetroffen welke door vleermuizen als verblijfplaats gebruikt kunnen worden. Overige beschermde zoogdieren: Op basis van de aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder meer de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het projectgebied aanwezig of te verwachten: ree, haas, konijn en diverse algemene muizen. Deze soorten kunnen het gebied gebruiken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied en als migratieroute. Daarnaast kunnen eekhoorn, steenmarter, kleine marterachtigen, egel en mogelijk das en boommarter voorkomen. Overige zwaarder beschermde soorten waaronder otter en bever kunnen op basis van bekende verspreiding en de ongeschiktheid van het gebied voor deze soorten worden uitgesloten. Verblijfplaatsen van deze soorten zijn tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Het projectgebied maakt derhalve naar verwachting (voor een klein deel) onderdeel uit het leefgebied van deze soorten.

Effecten op egel, bunzing, hermelijn en wezel worden niet verwacht door:  het ontbreken van dekking op het merendeel van de locaties;  de relatief grote hoeveelheid verstoring op de betreffende locaties door de ligging langs wegen in combinatie met de grote hoeveelheid geschiktere delen in de omgeving;  op plekken waar wel enige vorm van dekking aanwezig was zijn geen geschikte voortplantings- of rustplaatsen (takkenrillen, holten etc.) van deze soorten aangetroffen. Broedvogels: De bosschages, singels en houtwallen worden zeker gebruikt door verschillende broedvogels (bijvoorbeeld merel, koolmees, pimpelmees, vink, houtduif, groene specht, buizerd, gaai). De weilanden en boerderijen worden gebruikt door soorten als witte kwikstaart en boerenzwaluw. Er bevinden zich jaarrond beschermde nesten in het gebied (onder meer grote bonte specht, kleine bonte specht, boomklever en boomkruiper). Op basis van het aanwezige biotoop kunnen in het gebied en de ruimere omgeving verschillende soorten voorkomen waarvan de vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd is (buizerd, sperwer, havik, steenuil, kerkuil en mogelijk wespendief, ransuil en boomvalk). Tijdens het veldbezoek zijn in de te kappen beplanting of beplanting grenzend aan het tracé geen potentiele verblijfplaatsen van deze soorten aangetroffen.

Aangenomen wordt dat het onderzoeksgebied onderdeel uit maakt van het foerageergebied van deze soorten. Reptielen: In de ruimere omgeving van het gebied bevindt zich geschikt leefgebied voor reptielen op verschillende heideterreinen. Gelet op het huidige grondgebruik is het projectgebied ongeschikt als leefgebied voor reptielen. Amfibiën: Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het gebied gebruiken als landbiotoop. Daarnaast is in het NNN begrensde gebied een poel aanwezig, dat door deze soorten gebruikt kan worden als voortplantingsbiotoop. De NDFF vermeldt het voorkomen van de heikikker, op enkele honderden meters van het projectgebied. Het gebied waarbinnen gewerkt gaat worden kan als ongeschikt leefgebied voor de soort worden beschouwd. Overige beschermde soorten waaronder kamsalamander en boomkikker kunnen op basis van bekende verspreiding worden uitgesloten in het projectgebied. Vissen: Binnen het projectgebied zijn slechts beperkt watervoerende elementen aanwezig. De Bolscherbeek en de Hagmolenbeek maken onderdeel uit van het gebied. Hierin komen naar verwachting een aantal algemene soorten voor waaronder driedoornige stekelbaars, blankvoorn, ruisvoorn, zeelt, snoek en baars. Het is niet waarschijnlijk dat de paling voorkomt.

Voor overige beschermde soorten ligt het projectgebied buiten bekend verspreidingsgebied. Ongewervelden: Rondom het projectgebied is het voorkomen bekend van de grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder (NDFF, ecogrid & eigen bevindingen). Binnen het projectgebied ontbreekt geschikt biotoop voor de soort. Ook voor andere beschermde soorten ongewervelden ontbreekt geschikt biotoop en ligt het gebied buiten bekend verspreidingsgebied.

Natura 2000 In de omgeving van het projectgebied ligt het Natura2000-gebied Buurserzand & Haaksbergerveen (Figuur 7-17). Overige Natura2000 gebieden liggen op grotere afstand dan het hier afgebeelde.

2 augustus 2022

MER HAAKSBERGEN

BH5570-IB-RP-220627-1616

84

Projectgerelateerd

Figuur 7-17: Ligging van het projectgebied nabij Natura 2000-gebied Buurserzand&Haaksbergerveen.

7.6.3

Effectbeschrijving (van toepassing op de Aanlegfase en Productiefase)

Effecten op natuurwaarden ter plaatse van zoutwinningslocaties en distributieleidingen Mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden kunnen optreden tijdens de verschillende fasen van het project. Hierbij kan de volgende onderverdeling worden gemaakt: 1. Aanlegfase Tijdens deze fase worden de zoutwinningslocaties aangelegd en de putten geboord, de distributieleidingen en transportleidingen gelegd en het pompstation gebouwd. Mogelijke negatieve effecten op de natuurwaarden bestaan uit geluidsemissie, grondverzet, verstoring door mensen en machines, en aantasting van leefgebied (bijv. kappen van bomen). In het projectgebied zijn ter plaatse van zoutwinningslocaties en distributieleidingen geen beschermde soorten flora en fauna aangetroffen. Gelet op het terreintype en gebruik, dat in de te ontgraven delen voornamelijk uit intensief landbouwkundig gebruikte percelen bestaat, zijn negatieve effecten op beschermde flora en fauna redelijkerwijs uit te sluiten. 2. Productie- en onderhoudsfase De gebruiksfase duurt tientallen jaren. Bij de zoutwinningslocaties en het pompgebouw wordt vogelvriendelijke groene LED-verlichting toegepast (5-10 lux, overeenkomend met 5 tot 10 lumen/m2). Gelet op de activiteiten tijdens deze fase en de gebiedskenmerken zijn mogelijke negatieve effecten op beschermde flora en fauna redelijkerwijs uit te sluiten. Effecten op het NNN43 1.

Aanlegfase De zoutwinningslocaties zijn buiten de NNN gelegen. Negatieve effecten van het boren van de winningsputten en de aanleg van de zoutwinningslocaties kunnen worden uitgesloten. Het transportleidingentracé doorsnijdt het NNN over een lengte van 38 m. en 1.595 meter door de zone

43

Lit 7: Eelerwoude,Toetsing flora en fauna en NNN Leidingtracé Haaksbergen, 6 mei 2021.

2 augustus 2022

MER HAAKSBERGEN

BH5570-IB-RP-220627-1616

85

Projectgerelateerd

ondernemen met natuur en water, dat buiten de NNN ligt. Tabel 7-8 geeft aan welke beheertypen het tracé raakt. Tabel 7-8: Beheertypen NNN, beschrijving kwaliteit en dimensies aanlegwerkzaamheden. Code beheertype

Beschrijving beheertype

Huidige kwaliteit

Tracé lengte in m.

Tracé breedte in m.

-

Droge dooradering

Samenhangend netwerk, kwaliteit in orde

1.595

25 + gestuurde boring

N16.03

Droog bos met productie

Vooral weiland en geen bos, weinig waarde

13

25 + gestuurde boring

N04.02

Zoete plas

Hoge ecologische ambitie, waterkwaliteit is in orde

7

Gestuurde boring

N05.01

Moeras

Middelmatig

18

Gestuurde boring

Bij het aanleggen van het transportleidingtracé wordt op sommige plaatsen de techniek van gestuurd boren toegepast. Hierbij wordt stuk van het tracé overbrugd door onder het maaiveld een boorkanaal te boren waarna een leiding door de ontstane boorholte wordt getrokken. Op deze wijze kan een open ontgraving worden vermeden. Omdat er deels door middel van een gestuurde boring wordt gewerkt, is het tijdelijk verlies van areaal (natuur en leefgebied droge dooradering) beperkt en wordt het kappen van bomen in het bos vermeden. Hierdoor is geen sprake van verlies aan areaal, geen verlies aan kwaliteit en geen verlies aan samenhang. In het NNN-gebied worden geen bomen gekapt. Daar waar het tracé een houtwal doorkruist wordt de leiding aangelegd door een gestuurde boring. Er zijn tijdelijke effecten. Uit een schouw van het transportleidingtracé is gebleken dat de aanlegwerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder het verwijderen/rooien van houtopstandenter plaatse van gronden die deel uitmaken van het NNN. Het effect wordt als licht negatief (0/-) beoordeeld. 2. Productiefase Het NNN gebied valt buiten de berekende bodemdalingscontouren en er wordt geen bodemdaling verwacht in het NNN gebied. Aantasting van het functioneren van het NNN door verandering van het watersysteem kan worden uitgesloten. Het effect wordt als neutraal (0) beoordeeld.

Houtopstanden Er worden binnen het projectgebied in totaal ca. 20 bomen gekapt die behoren tot een bomenrij of een bosperceel buiten de bebouwde kom. Daarvoor wordt een kapmelding gedaan c.q. een kapvergunning aangevraagd. Ter compensatie worden nieuwe bomen aangeplant. Effecten op beschermde soorten in Aanlegfase  Effecten op beschermde zoogdieren in aanlegfase: Verblijfplaatsen in te kappen beplanting kan redelijkerwijs worden uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn in de te kappen beplanting geen geschikte holtes of loszittende schors vastgesteld welke door boombewonende vleermuizen als verblijfplaats gebruikt kunnen worden. Geschikte verblijfplaatsen in bomen buiten de invloedssfeer blijven behouden. Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Door de werkzaamheden neemt de kwaliteit van het gebied als foerageergebied voor vleermuizen licht af. Dit wordt met name veroorzaakt door de kap van beplanting langs verschillende delen van het onderzoeksgebied. Dit heeft geen impact op de functionele leefomgeving, omdat de betreffende stukken slechts een zeer klein deel onderdeel uitmaken van het totale areaal aan geschikt foerageergebied. Bovendien neemt de randlengte aan

2 augustus 2022

MER HAAKSBERGEN

BH5570-IB-RP-220627-1616

86

Projectgerelateerd

beplanting die doorgaans door vleermuizen wordt gebruikt om te foerageren niet af. Om negatieve effecten op foerageergebied dat buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden ligt te beperken, zijn een aantal maatregelen noodzakelijk. Ten aanzien van vliegroutes worden negatieve effecten uitgesloten. Indien aanwezig, blijven deze behouden. Op locaties waar de beplanting wordt gekapt zijn geen onderbroken structuren aanwezig of er wordt zodanig gekapt dat de randlengte aan bos niet verder afneemt waardoor er gaten van > 50 meter ontstaan. De effecten van werkzaamheden gedurende de aanleg kunnen worden beperkt door deze uit te voeren buiten de kwetsbare voortplantingsperiode voor vleermuizen, welke duurt van april – juli en werkzaamheden overdag uit te voeren. Daarnaast dient geen extra verlichting te worden geplaatst. Met het treffen van deze maatregelen zijn de effecten als neutraal (0) beoordeeld. Het boren van de winningslocaties zal ook ’s nachts plaatsvinden. De geluidsemissie bij de bron is onbekend, maar zal in de ordegrootte liggen van circa 100 dB(A). Hoewel vleermuizen niet bijzonder gevoelig zijn voor geluidsverstoring, kan de hoge geluidsemissie direct rond de winningslocaties leiden tot verstoring van vleermuizen.

De winningslocaties liggen echter in open gebied met relatief weinig bosschages en singels, en is daardoor waarschijnlijk slechts van beperkt belang voor vleermuizen. Het effect van geluidsverstoring op vleermuizen wordt als neutraal (0) beoordeeld. Effect op overige beschermde zoogdieren in aanlegfase: De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor soorten als egel, eekhoorn, steenmarter en mogelijk boommarter en das geldt dat ter hoogte van de werkzaamheden geen verblijfplaatsen en essentieel foerageergebied zijn vastgesteld. Doordat de ontwikkeling voor het overgrote deel op bestaande landbouwgronden wordt gerealiseerd die intensief worden bewerkt, leidt dit niet tot een afname van de geschiktheid als foerageergebied voor de betreffende soorten. Het effect wordt als neutraal (0) beoordeeld. Het boren van de winningslocaties zal zowel overdag als ’s nachts plaatsvinden, wat tot geluidsverstoring van zoogdieren kan leiden. Vanwege het open terrein bij de winningslocaties kunnen soorten als boommarter en eekhoorn hier worden uitgesloten. De overige soorten (steenmarter, muizen enz.) zijn flexibeler en minder gevoelig voor geluidsverstoring.

Het is niet aannemelijk dat deze soorten negatieve effecten zullen ondervinden van de tijdelijke booractiviteiten. Het effect van de aanlegwerkzaamheden op overige zoogdieren wordt als neutraal (0) beoordeeld. Effect op broedvogels in aanlegfase: Omdat alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten niet mogen worden gestoord (tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding) moeten verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd worden. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden op vogels met een jaarrond beschermde functionele leefomgeving kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten. De werkzaamheden leiden tot de kap van enige beplanting. Deze maakt echter voor een zeer klein deel uit van de leefomgeving van de betreffende soorten waardoor een significant deel blijft behouden en de functie niet (tijdelijk) verloren gaat. Bovendien worden nieuwe bomen aangeplant waardoor geen sprake is van areaalafname van de leefomgeving.

Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Buizerd, sperwer, kerkuil, steenuil, havik, boomvalk, wespendief en ransuil behoren tot deze bescherming. Verblijfplaatsen van deze soorten zijn ter hoogte van de werkzaamheden niet vastgesteld. In de te kappen beplanting is geen potentiële nestgelegenheid vastgesteld. Het werkterrein waarbinnen de open ontgraving plaatsvindt maakt slechts voor een klein deel onderdeel uit van het territorium van deze soorten waardoor de huidige functie niet (tijdelijk) verloren gaat.

2 augustus 2022

MER HAAKSBERGEN

BH5570-IB-RP-220627-1616

87

Projectgerelateerd

Negatieve effecten op essentieel foerageergebied zijn derhalve ook uit te sluiten. Het effect wordt als neutraal (0) beoordeeld.  Effect op reptielen in de aanlegfase: Op basis van de aanwezige biotoop kunnen beschermde reptielen worden uitgesloten. Negatieve effecten op reptielen zijn dan ook niet aan de orde omdat het projectgebied (bestaande uit intensieve graslanden en eenvormig bos) en de directe omgeving ongeschikt is als leefgebied voor de soort. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor reptielen niet aan de orde. Het effect wordt als neutraal (0) beoordeeld.  Effect op amfibieën in de aanlegfase: De ingreep heeft naar verwachting geen impact op amfibieën. De heikikker komt naar verwachting in de nabijheid van het projectgebied voor, maar buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden op de functionele leefomgeving van de heikikker alsmede op individuen van deze soort kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten. In de nabijheid van het ven waarin de kikkers voorkomen worden de graafwerkzaamheden uitgevoerd in intensief beheerde agrarische percelen dat ongeschikt leefgebied vormt voor de soort. Het effect wordt als neutraal (0) beoordeeld.  Effect op vissen in de aanlegfase: Negatieve effecten op beschermde vissoorten zijn redelijkerwijs uit te sluiten.

Tijdens de werkzaamheden wordt de Bolscherbeek gekruist door het gebruik van een zinker. Door het plaatsen van de zinker wordt de morfologische werking van de beek niet aangetast: het water kan blijven stromen. Mogelijk treedt wel enige verstoring op als gevolg van trillingen die worden veroorzaakt door de gestuurde boring. De effecten worden echter verwaarloosbaar geacht. Het effect wordt als neutraal (0) beoordeeld.  Effect op ongewervelden in de aanlegfase: In het projectgebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde ongewervelden. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor ongewervelden niet aan de orde. Het effect wordt als neutraal (0) beoordeeld. Effecten op beschermde soorten tijdens Productiefase Het gebruik van de winningsputten en de leidingen heeft geen bovengrondse effecten op de natuur. Tijdens de productiefase zijn negatieve effecten op beschermde soorten uit te sluiten. Effecten op Natura 2000 1. Aanlegfase Er zullen geen leidingen of zoutwinningslocaties worden aangelegd in de directe nabijheid van het Buurserzand & Haaksbergerveen. Verstoringsfactoren als geluid of aanwezigheid van mensen zullen daardoor de gebieden niet bereiken.

Vanwege de grote afstand kunnen negatieve effecten door aanlegwerkzaamheden op Natura 2000-gebieden worden uitgesloten, met uitzondering van stikstofdepositie. 2. Productiefase Het Buurserzand & Haaksbergerveen valt ruim buiten de berekende bodemdalingcontouren en daarom wordt er geen bodemdaling verwacht in de Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen kunnen worden uitgesloten. In een zogenaamde Voortoets44 is nagegaan of de kans op significant negatieve effecten met zekerheid is uit te sluiten en zo niet, welke storingsfactoren nopen tot het uitvoeren van een Passende beoordeling. Gezien de activiteiten en de aard van de werkzaamheden kunnen de volgende verstoringsfactoren van toepassing zijn:  Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht,  Vernatting door bodemdaling,  Verdroging door tijdelijke grondwaterstanddaling,  Verontreiniging (Verandering in grond- en oppervlaktewaterkwaliteit),  Ruimtebeslag (oppervlakteverlies) door vergraving,  Verstoring door geluid-, trilling- en lichthinder, 44

Lit 1: Antea, Voortoets Wnb, zoutwinning Haaksbergen, 24 augustus 2021.

2 augustus 2022

MER HAAKSBERGEN

BH5570-IB-RP-220627-1616

88

Projectgerelateerd

 

Optische verstoring, Verstoring door mechanische effecten.

Geconcludeerd wordt dat gezien de afstand tussen het projectgebied en de effectafstanden van de meeste storingsfactoren een negatief effect ervan in de aanleg- of in de productiefase is uit te sluiten. Wel kan er sprake zijn van vermesting en verzuring door stikstofdepositie. De Natura 2000gebieden in de ruimere omgeving van het projectgebied zijn stikstofgevoelig en in de huidige situatie is sprake van een (deels) overbelaste situatie. Dat wil zeggen dat de huidige depositie boven de KDW (kritische depositie waarde) ligt. Stikstofdepositie kan daarom voor veel habitattypen een bedreiging vormen voor de kwaliteit. Met het oog op het vrijkomen van stikstofoxiden (NOx en NH3) is een met de Aurius rekentool de stikstofdepositie bepaald. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Met de wet is een aanpassing van het Besluit natuurbescherming doorgevoerd, waardoor nu een partiële vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten (zie art 2.9a Wnb en art 2.5 Beluit nb). Het partiële slaat hier op het feit dat de vrijstelling alleen geldt voor stikstofdepositie en niet voor de overige storingsfactoren. Dit houdt in dat bij de aanvraag van een natuurvergunning er geen beoordeling van de stikstofdepositie voor de aanlegfase meer plaats hoeft te vinden. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiks- of operationele fase.

De beoordeling van stikstofdepositie op Natura2000 gebied heeft zich toegespitst op het rekenjaar 2029. Dit is een worst case benadering. Er wordt vanuit gegaan dat vanaf 2028 alle 12 putten in gebruik zijn inclusief het gehele distributienet (pompstation en transportleidingen). Onderzocht is of onderhoud aan alle boorlocaties in één kalenderjaar leidt tot een bijdrage. Deze situatie zal in de praktijk niet voorkomen omdat de productie niet stilgelegd zal worden. Uit de berekening, uitgevoerd met AERIUS Calculator (versie 2020), blijkt dat er in de gebruiksfase geen toename aan stikstofdepositie boven 0,00 mol/ha/jr in omliggende Natura2000-gebieden wordt berekend. Voor de gebruiksfase zijn negatieve gevolgen uitgesloten en een ecologische beoordeling is daarom niet aan de orde. Met deze uitkomst zijn er geen significante gevolgen van stikstofdepositie voor Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat - gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden - de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. Het effect is neutraal. Ten aanzien van Duits Natura2000 gebied blijkt het volgende. De hoogst berekende stikstofdepositie in de aanlegfase aan de grens (nog juist op Nederlands gebied) bedraagt 0,02 mol/ha/jr. Dat is de maximale waarde voor het aangrenzende Duitse Natura2000-gebied.

Duitsland hanteert een drempelwaarde van 7,14 mol/ha/jaar. Als een Nederlands project een stikstofdepositie veroorzaakt die lager of gelijk is aan deze drempelwaarde, is er geen bezwaar tegen het verlenen van toestemming voor die activiteit.

7.6.4

Effectbeoordeling (van toepassing op de Aanlegfase en Productiefase)

De resultaten leiden tot de volgende effectscores voor het thema ‘Natuur’.

2 augustus 2022

MER HAAKSBERGEN

BH5570-IB-RP-220627-1616

89

Projectgerelateerd

Tabel 7-9: Effectbeoordeling natuur. Criterium Beschermd NNN gebied: beïnvloeding door ruimtebeslag, vergraving, verstoring, verdroging Beïnvloeding beschermde flora door ruimtebeslag, vergraving, verdroging Beïnvloeding beschermde fauna door ruimtebeslag, verstoring, verdroging Beïnvloeding Natura2000 gebied door verstoring Beïnvloeding Natura2000 gebied door stikstofdepositie

Uitvoering boringen

Zoutwinningslocaties Distributieleidingen

Transportleidingentracé

Tijdelijk

0

0/-

Permanent

0

0

Tijdelijk

0

0

Duur effect

Permanent

0

0

Tijdelijk

0

0

0

Permanent

0

0

0

Tijdelijk

0

0

0

Permanent

0

0

0

Tijdelijk

0

0

0

Permanent 0 0 0 Score:++ = zeer positief; + = positief; 0/+ = licht positief; 0 = neutraal; 0/- = licht negatief; -= negatief; - - = zeer negatief

7.6.5

Mitigerende en/of compenserende maatregelen

Eventuele negatieve effecten op beschermde soorten kunnen worden geminimaliseerd door het treffen van mitigerende (verzachtende) maatregelen. Wanneer maatregelen ter voorkoming van effecten mogelijk zijn, worden overtredingen van verbodsbepalingen voorkomen. Wanneer dit niet mogelijk is, is de aanvraag van een ontheffing noodzakelijk. Om een ontheffing te kunnen verkrijgen, moet het mogelijk zijn mitigerende dan wel compenserende maatregelen te nemen. Effecten dienen dus voorkomen te worden. In het onderzoeksgebied komen een aantal beschermde soorten voor. Het gaat hierbij onder meer om vleermuizen, broedvogels, vogels met jaarrond beschermde rust- en verblijfplaatsen en grondgebonden zoogdieren. Essentiële functies als verblijfplaatsen van deze soorten zijn ter hoogte van de werkzaamheden niet vastgesteld. Om negatieve effecten op de functionele leefomgeving van de voorkomende soorten te beperken, is het noodzakelijk de opgaande beplanting buiten de broedperiode te verwijderen de periode loopt globaal van half maart tot half juli. Om de impact van de kap van opgaande beplanting tot een minimum te beperken wordt geadviseerd deze in de periode november – februari te verwijderen. Om negatieve effecten op nachtactieve soorten te beperken is het daarnaast noodzakelijk de werkzaamheden overdag uit te voeren.

De optimale periode voor het uitvoeren van de graafwerkzaamheden ligt tussen begin september en februari. Gedurende deze periode wordt verstoring van omringende terreinen tot een minimum beperkt, terwijl in de te ontgraven gebieden de natuurwaarden minimaal zijn. graafwerkzaamheden binnen het broedseizoen zijn ook mogelijk, mits de voorbereidende werkzaamheden (kappen van beplanting en het verwijderen van bijvoorbeeld ruigte in een houtwal) buiten de broedperiode worden uitgevoerd. Bij het afdiepen van de nieuwe zoutboringen dienen strobalen te worden geplaatst zodat lichtverstoring tot een minimum wordt beperkt. Indien de werkzaamheden onder deze voorwaarden worden uitgevoerd, is nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. Voorafgaand aan de werkzaamheden worden objecten (bijvoorbeeld linten) geplaatst/aangebracht en werkzaamheden behorend tot de opstartfase uitgevoerd om ervoor te zorgen dat zich geen broedvogels vestigen op of nabij het tracé. Daarnaast vormt ecologische begeleiding onderdeel van de werkzaamheden. Bij de met het project samenhangende werkzaamheden die in het broedseizoen plaatsvinden vormt de mogelijke aanwezigheid van broedvogels een wezenlijk onderdeel van de begeleiding. Voorafgaand aan deze werkzaamheden worden dan ook regelmatig inspecties uitgevoerd naar broedende vogels.

Wanneer ergens broedende (weide)vogels worden aangetroffen worden de werkzaamheden op betreffende locatie uitgesteld tot na de broedtijd.

2 augustus 2022

MER HAAKSBERGEN

BH5570-IB-RP-220627-1616

90

Projectgerelateerd

7.7 7.7.1

Cultuurhistorie en archeologie Methodiek

Voor cultuurhistorie en archeologie wordt de aanleg van zoutwinningslocaties, het tracé van de transportleidingen en distributieleidingen getoetst. Ten aanzien van cultuurhistorie is een bureaustudie uitgevoerd die de basis vormt voor de effectbeoordeling. Het betreft een cultuurhistorisch en landschappelijk bureauonderzoek, waarmee informatie over bekende of verwachte cultuurhistorische, landschappelijke en aardkundige waarden binnen het studiegebied is verkregen. De informatie wordt gebruikt om de huidige situatie in kaart te brengen om zodoende mogelijke verstorende activiteiten op de cultuurhistorische, landschappelijke en aardkundige waarden te kunnen signaleren. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van het Landschapsontwikkelingsplan HaaksbergenHof van Twente. Voor archeologie is aan de hand van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaarten45 (gemeente Haaksbergen en Hengelo) inzichtelijk gemaakt wat de archeologische verwachting is ter plaatse van het winningsgebied, de distributieleidingen en ter plaatse van het tracé van de transportleiding. De archeologische verwachtingskaart geeft een nauwkeurig beeld van de verwachtingssituatie. In vervolg op deze bureaustudie is een geomorfologisch, bodemkundig en archeologisch veldonderzoek uitgevoerd.

De aanbevelingen van het onderzoek46 zijn in februari en mei 2021 voorgelegd aan de regionale archeoloog47 (optredend voor de gemeenten), waarop een vervolgonderzoek heeft plaatsgehad. Ten aanzien van toetsing wordt opgemerkt dat de aantasting van bekende waarden zwaarder weegt dan de aantasting van verwachte waarden. Het zwaarst wegen aantastingen van beschermde waarden en terreinen waar een streven naar behoud geldt (zogenaamde AMK-terreinen48).

7.7.2

Referentiesituatie

Cultuurhistorie Landschappelijk wordt het studiegebied ingedeeld bij de middelhoge zandgronden. De zandgronden zijn van nature voedselarm. In de laatste ijstijd kende Nederland een toendraklimaat en had de wind vrij spel. Zand uit drooggevallen beddingen werd op luwe plekken als golvende dekens of losse welvingen afgezet. We spreken over dekzand. In het studiegebied is sprake van zwakke welvingen. De algehele gradiënt loopt af in westelijke tot noodwestelijke richting. Het hoogteverschil tussen de oost- en westzijde van het studiegebied bedraagt ruim 10 meter. Het studiegebied is zowel gelegen op het Oost-Nederlands plateau als in het dekzandgebied. Het OostNederlands plateau is een licht glooiende hoogte die is ontstaan in de ijstijd. De ondergrond bestaat uit ondoorlatende lagen van keileem en grondmorene. Het plateau vormt de bovenloop en het brongebied van vele beeklopen die noordwestwaarts afstromen. De landschapsstructuur van het plateau wordt bepaald door de afwisseling van grote eenheden natuurgebieden en landbouw. Accenten in dit patroon zijn oude essen en kampen langs de smalle linten van beken, de landgoederen Twickel en Lankheet. Het landschap van het plateau heeft de volgende kenmerken:

45

Archeologische waarden- en verwachtingenkaart, RAAP-rapporten 1954 en 1897. Lit 2 en 3: ADC Rapport 5182, Transportleidingen en zoutwinningslocaties, 18 april 2021. 47 De regionaal archeoloog heeft ingestemd met de gevolgde aanpak. 48 AMK = Archeologische MonumentenKaart 46

2 augustus 2022

MER HAAKSBERGEN

BH5570-IB-RP-220627-1616

91

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11890761/1