Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Enschedesestraat 76 Bijlagen
Tekst van het document
Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 16
Kader – Verlichting Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mogelijk vermijden, zoals de watervleermuis, en er zijn soorten die (in beperkte mate) rond lantaarnpalen jagen, zoals de rosse vleermuis. Bij het plaatsen van verlichting bij in- en/of uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien.
Er dient te allen tijde rekening gehouden te worden met verlichting, door verlichting tot een minimum te beperken en directe belichting van de omgeving en onverlichte gebiedsdelen te voorkomen. Om lichthinder te voorkomen en het gebied aantrekkelijker te maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen getroffen worden:
-
verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is;
-
beperk verstrooiing het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur;
-
geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.
verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting); verlaag de hoogte van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven;
Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.
5.2.2 Overige zoogdieren Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: ree, haas, konijn en diverse algemene muizen. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Daarnaast maken een aantal van deze soorten het plangebied gebruik als migratieroute.
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 17
Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Provincie Overijssel heeft de vrijstelling van de ontheffingsplicht voor kleine marterachtige wezel, hermelijn en bunzing ingetrokken. Daarom is het plangebied beoordeeld en gecontroleerd op geschiktheid voor kleine marters. Hermelijn heeft als voorkeurshabitat gevarieerde natte terreinen met oppervlaktewater. De wezel en bunzing hebben als leefgebied met name drogere en kleinschalige agrarische habitats met gevarieerde bossen. Hierbij hebben kleine marterachtigen meerdere jachtgebieden nodig in de directe omgeving van hun verblijfplaats. Waar wezel en bunzing ook in buitenwijken en groene delen van dorpen en steden voorkomen, komt hermelijn maar incidenteel voor aan de randen van de bebouwde kom. Hierbij geldt wel dat kleine marterachtigen drukke omgevingen met aanwezigheid van drukke wegen, paden, recreanten en bedrijvigheid mijden. Het plangebied ligt aan de dorpsrand van Haaksbergen, in de overgang van bebouwing naar het agrarisch gebied, waar dagelijks bedrijvigheid en verkeersdrukte aanwezig is (verkeer op de Enschedesestraat, Haaksbergerstraat en de drukte bij het tankstation). Potentiële verblijfplaatsen als dichte houtstapels of takkenhopen binnen het plangebied zijn niet aanwezig. De groenstructuren ter hoogte van de Leemdijk zijn mogelijk wel geschikt voor kleine marters.
Deze groenstructuren worden mogelijk door kleine marters gebruikt om te foerageren tussen de verschillende jachtgebieden in de omgeving. Verblijfplaatsen van kleine marterachtigen of sporen hiervan zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen en worden ter hoogte van de bedrijfshallen (veelal stenige omgeving met weinig groen en schuilmogelijkheden) ook niet verwacht. Vanuit recente verspreidingsgegevens (NDFF) zijn er geen waarnemingen bekend van kleine marters binnen en in de directe omgeving van het plangebied (NDFF, 2020). Provincie Overijssel heeft per 1 december 2019 ook de vrijstelling van de ontheffingsplicht voor egel ingetrokken. Egel is een zeer algemeen voorkomende soort in Overijssel, de soort komt veel voor in dorpskernen en randen van de stedelijke omgeving. Tuinen, bosranden, struweel en loofbos, liefst met ondergroei, zijn goede leefgebieden voor deze soort. Het plangebied is qua bebouwing en omgeving ongeschikt egel om te foerageren, er is ter hoogte van de bedrijfshallen en tankstation weinig groen aanwezig. Sporadisch kan egel foerageren aan de zuidkant van het plangebied, daarbij moet wel opgemerkt worden dat de aanliggende wegen als een behoorlijke barrière vormt voor egel. Verkeersslachtoffers van egels zijn een belangrijke oorzaak waarom de soort in Overijssel en in de rest van Nederland doen afnemen.
Een andere beschermde soort die rondom Haaksbergen en in de stedelijke omgeving daarvan voorkomt is steenmarter (NDFF, 2020). Steenmarter komt tegenwoordig wel op elk deel van een dorp of aan de randzone daarvan voor. Er zijn geen (prooi)sporen of latrines binnen en rondom de te slopen bedrijfshallen of de te saneren tankstation aangetroffen. Ook zijn verblijfplaatsen, of aanwijzingen hiervan niet gevonden. Het plangebied maakt mogelijk wel onderdeel uit van het leefgebied van steenmarter, maar betreft hier geen essentieel leefgebied voor deze soort. De aanwezigheid van vaste rust of verblijfplaatsen van steenmarter worden daarmee uitgesloten. Andere beschermde soorten worden niet binnen de plangebieden verwacht, zoals eekhoorn en das. Verblijfplaatsen ontbreken van deze soorten, er is geen geschikt leefgebied voorhanden. Gezien de ligging van het plangebied (dorpsrand met dagelijkse verstoring van verkeer) worden deze soorten niet verwacht door het ontbreken van voldoende voedsel voor deze soorten. Mogelijk dat voor enkele soorten een deel van het plangebied (het zuidelijke deel plangebied met agrarisch perceel) wel onderdeel uitmaakt als leefgebied, zoals foerageergebied, maar dit betreft echter geen essentieel leefgebied gezien de ligging in een groene omgeving.
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 18
Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting niet leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime “andere soorten”. Ook na de ontwikkeling blijft het plangebied nog steeds voor deze soorten voorhanden. Daarnaast zijn voor deze beschermde soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen door de provincie Overijssel een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Voor bovenstaande soorten, de soorten met een bescherming als, bunzing, hermelijn, wezel, egel en steenmarter geldt dat negatieve effecten zijn uit te sluiten. Verblijfplaatsen en essentieel leefgebied zijn ter plaatse van de voorgenomen ontwikkelingen (sloop van bedrijfshallen en saneren van tankstation) niet aangetroffen en worden niet verwacht. Mogelijk maakt het plangebied voor een marginaal deel wel onderdeel uit van het leefgebied van de betreffende soorten. De groenstructuren blijven behouden, daarnaast blijft het plangebied ook na de ontwikkelingen nog steeds voor beschermde soorten voorhanden. Een negatief effect op beschermde grondgebonden zoogdieren is daarom uitgesloten. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor grondgebonden zoogdieren niet noodzakelijk.
5.3 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid wordt gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten, vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving en overige (broed)vogels. Onder de vogels met jaarrond beschermde nesten vallen onder andere soorten die hun nesten ook buiten het broedseizoen gebruiken, soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn en soorten die steeds van het zelfde nest gebruik maken en niet of nauwelijks zelf een nest kunnen bouwen. Onder de vogels met jaarrond beschermde leefomgeving vallen soorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats die zij het jaar daarvoor hebben gebruikt of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Jaarrond beschermde nesten Verblijfplaatsen van vogelsoorten, of aanwijzingen (braakballen of uitwerpselen) hiertoe, die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruikmaken zijn niet aangetroffen binnen het plangebied. De gunstige voorjaarsperiode maakt het doorgaans makkelijker om beschermde jaarrondsoorten vast te stellen, omdat deze aan het broeden zijn. Huismussen en gierzwaluwen zijn soorten die broeden in gebouwen.
Gezien de constructie van de daken (bedrijfshallen en tankstation) zonder overstek of dakgoten kunnen gierzwaluw en huismus hier niet broeden. In deze periode worden huismussen doorgaans veelal tjilpend in de dakgoten waargenomen. Er zijn geen tjilpende huismussen aangetroffen in de te slopen bedrijfshallen en de te saneren tankstation. Voor gierzwaluw zijn de bedrijfshallen en tankstation eveneens ongeschikt door de afwezigheid van nestmogelijkheden. Mogelijk dat enkele andere soorten met jaarrond beschermde nesten wel het plangebied in zijn geheel gebruiken als onderdeel van hun leefgebied, zoals buizerd, torenvalk, ooievaar, roek, steenuil, en kerkuil. Het gaat hier met name om het zuidelijke deel van het plangebied, op de agrarische percelen en het braakliggende terreintje.
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 19
Aan de noordkant van de Enschedesestraat (overzijde van de rondweg) zijn roekennesten aangetroffen in de eiken. Deze roeken liggen buiten het plangebied en buiten de invloedsferen van de ontwikkelingen. Jaarrond beschermde functionele leefomgeving In deze situatie zijn enkele vogelsoorten aangetroffen dan wel te verwachten waarvan de functionele leefomgeving jaarrond beschermd is. Het gaat om soorten als zwarte roodstaart, koolmees, etc. Overige (broed)vogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van bossen, struwelen en parken. Tijdens het veldbezoek zijn broedende kauwen aangetroffen in een gat in de dakconstructie. Daarnaast kunnen de volgende vogelsoorten gebruikmaken van het plangebied; houtduif, merel, zwarte kraai, boomkruiper, boomklever, roodborst en winterkoning. Tijdens het veldbezoek zijn er zingende soorten als bonte vliegenvanger, zwartkop en boomkruiper waargenomen. Effecten en ontheffing Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen of individuen van jaarrond beschermde vogelsoorten aangetroffen.
Wel kunnen jaarrondsoorten gebruik maken van het plangebied, met name het zuidelijke deel ter hoogte van de agrarischer percelen. Buiten het plangebied en buiten de invloedsferen van de voorgenomen ontwikkelingen zijn in de hooggaande bomen nesten van roeken aangetroffen. Het leefgebied van de jaarrondsoorten buizerd, torenvalk, kerkuil, steenuil en ooievaar blijft ook na de ontwikkeling nog steeds voorhanden. De inrichting zoals weergegeven in bijlage 1 heeft mogelijk een positief effect op deze soorten, omdat de huidige natuurwaarden hier worden versterkt. Negatieve effecten op nestplaatsen of de functionele leefomgeving van jaarrondsoorten worden hiermee uitgesloten. Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving Gelet op de beperkte omvang van de projectlocatie en het beperkte aanbod aan geschikt leefgebied voor deze soorten, gaat het om slechts enkele broedparen van genoemde algemeen voorkomende soorten. Er zijn in de omgeving voldoende alternatieve nestmogelijkheden en leefgebied aanwezig. Genoemde soorten zijn bovendien goed in staat alternatieve nestplaatsen te vinden. Compenserende maatregelen of het aanvragen van een ontheffing is om deze redenen dan ook niet aan de orde. Overige (broed)vogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming.
Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, of nesten van vogels wegnemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat gehandeld wordt in strijdt met deze verbodsbepaling. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen1. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels
1 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang
is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli.
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 20
worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Conclusie: bij de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels.
5.4 Reptielen Voorkomen en functie Beschermde reptielen, zoals ringslang, gladde slang, levendbarende hagedis en hazelworm, zijn gebonden aan specifieke terreinen. In het plangebied ontbreekt dergelijk geschikt biotoop zoals heideterreinen, goed ontwikkelde waterlopen en venranden. In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van levendbarende hagedis (NDFF, 2020). Deze waarnemingen liggen allemaal ten noordoosten en ver af van het plangebied en in het natuurterrein van Buurserzand. Heide en hoogveen vormen de voorkeurshabitat van levendbarende hagedis en zijn tevens belangrijke voortplantingsplaatsen voor de soort. De soort is vochtminnend die in genoemde landschapstypen veel wordt aangetroffen op oevers en vochtige terreindelen (RAVON, 2020). Effecten en ontheffing Op basis van het ontbreken van geschikt biotoop kunnen beschermde reptielen worden uitgesloten binnen het plangebied. Geschikte voortplantingsplaatsen van levendbarende hagedis bestaande uit heide of hoogveen zijn op het terrein niet aanwezig. Negatieve effecten op levendbarende hagedis worden met de ontwikkelingen niet verwacht, nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor reptielen niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor reptielen niet noodzakelijk.
5.5 Amfibieën Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Een aantal soorten zoals bruine kikker en gewone pad kunnen het plangebied gebruiken als landbiotoop. In het plangebied zelf zijn geen waterelementen aanwezig. Geschikt landbiotoop is aanwezig in en aan de randzone van het agrarische perceel ten zuiden van het plangebied. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals kamsalamander of rugstreeppad, worden niet verwacht in het plangebied vanwege ongeschikte habitat voor deze soorten. Zo ontbreken waterelementen met voldoende oevervegetatie in het plangebied. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde amfibieën rondom het plangebied (NDFF, 2020). Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Overijssel een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Met de voorgenomen inrichtingsplannen zoals die weergeven is in bijlage 1 worden huidige natuurwaarden
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 21
versterkt. Hetgeen mogelijk een positief effect zal hebben op leefgebied van (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten”. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, kunnen op basis van de aanwezige biotoop worden uitgesloten, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor amfibieën niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet noodzakelijk.
5.6 Vissen Voorkomen en functie Binnen het plangebied zijn geen watervoerende elementen (sloten, poelen, enzovoort) aanwezig. Derhalve ontbreekt geschikt leefgebied voor vissen en zijn deze dan ook niet aanwezig. Effecten en ontheffing Beschermde vissen zijn niet in het plangebied aanwezig. Er worden dan ook geen effecten op beschermde vissen verwacht. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming voor vissen is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk.
5.7 Ongewervelden Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) worden beschermde soorten als gevlekte witsnuitlibel en platte schijfhoorn niet verwacht. Dit door het ontbreken van geschikt habitat dat onder andere bestaat uit heideterreinen en venranden. In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse waarnemingen bekend van kleine ijsvogelvlinder en grote weerschijnvlinder (zie afbeelding 3). Beide dagvlindersoorten zijn beschermd en opgenomen in de Wet natuurbescherming. Kleine ijsvogelvlinder komt voor in gevarieerde, vochtige gemengde bossen of loofbossen, zoals elzenbroekbos. De waardplant van kleine ijsvogelvlinder (waar de soort de eitjes op af zet) is kamperfoelie (De Vlinderstichting, 2020). De grote weerschijnvlinder komt ook voor in gevarieerde terreinen met de aanwezigheid van vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen. Geschikt biotoop voor de soort is met
Afbeelding 3. Kleine ijsvogelvlinder links, grote weerschijnvlinder rechts. Foto: Bert Haamberg
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 22
name aanwezig ten zuiden van het plangebied. Deze dagvlindersoorten leven doorgaans in het halfopen landschap met de aanwezigheid van landschapselementen. Belangrijke waardplanten voor grote weerschijnvlinder zijn boswilg en soms grauwe wilg (De Vlinderstichting, 2020). Effecten en ontheffing Voor het plangebied geldt dat de soorten kleine ijsvogelvlinder en grote weerschijnvlinder voor kunnen komen binnen het plangebied. De groene structuren aan de zuidkant van het plangebied bieden mogelijk geschikt habitat voor beide soorten om te foerageren. Vooral ook omdat hier de waardplanten schietwilg, boswilg en kamperfoelie aanwezig is. Deze groenstructuren blijven met de ontwikkeling behouden en versterkt waardoor er geen negatief effect optreedt op essentieel leefgebied van beide dagvlindersoorten. Door de groenstructuren te versterken en door te planten met soorten als kamperfoelie en of boswilg kan het voortplantingshabitat voor beide soorten doen toenemen. Vooral omdat het plangebied grenst aan diverse natuurterreinen (Buurserzand) kan snel succesvol resultaten worden behaald. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 23
6 Conclusie 6.1 Beschermde soorten 6.1.1 Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het betreft soorten als ree, haas, konijn en diverse algemene muizensoorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke, en plaatselijke verstoring, er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft.
6.1.2 Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Met de volgende soorten en/of soortgroepen dient rekening te worden gehouden. Vleermuizen Nader onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen wordt ter hoogte van de te slopen bedrijfshallen en te saneren tankstation (noordkant plangebied) noodzakelijk geacht. Tevens dient met de ontwikkeling rekening te houden met verlichting. Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, of nesten van vogels wegnemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen2 uit te voeren.
6.1.3 Algemene zorgplicht Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld de dieren te verplaatsen naar een ander gebied.
2 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang
is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli.
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 24
6.2 Bescherming gebieden Niet stikstof-gerelateerde effecten In de directe omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof- gerelateerde effecten Een AERIUS-berekening is noodzakelijk om de uitstoot en depositie van stikstof, en de gevolgen daarvan op Natura 2000-gebieden te bepalen. Deze noodzakelijke AERIUS-berekening wordt in een later stadium apart uitgevoerd.
6.3 Bescherming houtopstanden Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.
6.4 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied en omliggende gebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Van afname van areaal is geen sprake. Tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten, het NNN kent in Overijssel ook geen externe werking. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
6.5 Uitvoerbaarheid van de plannen Vanuit de eisen van het natuurbeleid NNN is het plan uitvoerbaar. Ook vanuit de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar met betrekking tot de onderdelen gebiedenbescherming en houtopstanden. Er is in deze toetsing vastgesteld dat nader onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is. Uit het onderzoek wordt duidelijk of er mogelijke beschermde functies als verblijfplaatsen aanwezig zijn. Het onderzoek vormt echter geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de plannen, omdat mogelijke negatieve effecten op vleermuizen gecompenseerd kunnen worden door het treffen van mitigerende maatregelen. Daarnaast zullen aanvullende maatregelen worden getroffen tijdens het slopen van de objecten.
6.6 Geldigheid rapportage Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 25
Literatuurlijst BAG Viewer (2020). Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). Opgehaald van Kadaster: https://bagviewer.kadaster.nl/lvbag/bagviewer/index.html#?geometry.x=212443.06108398&geometry.y=464095.47845889&zoomlevel=6&objectI d=0262100000017536&detailsObjectId=0262010000002956 De Vlinderstichting. (2020, maart 30). Grote weerschijnvlinder. Opgehaald van De Vlinderstichting: https://www.vlinderstichting.nl/vlinders/overzicht-vlinders/details-vlinder/grote-weerschijnvlinder De Vlinderstichting. (2020, maart 30). Kleine ijsvogelvlinder. Opgehaald van De Vlinderstichting: https://www.vlinderstichting.nl/vlinders/overzicht-vlinders/details-vlinder/kleine-ijsvogelvlinder Eelerwoude. (2020). Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen. Goor: Eelerwoude. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. NDFF (2020, januari 23). Nationale Databank Flora en Fauna. Opgehaald van NDFF- ecogrid: https://ndffecogrid.nl/ van Aalst, J. (2020, maart 24). Imeris. Opgehaald van www.imeris.nl
Bijlage 1 Inrichtingsschets Haaksbergen
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 28
Bijlage 2 Wettelijk kader natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 3. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1). De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • Een vrijstelling geldt; • Er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • Een ontheffing is verkregen.
3 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de
bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 29
Figuur 1. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. Er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. De afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. De ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort.
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 30
Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid. Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.
Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. Zie ook kader – Staat van instandhouding. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort.
Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten inzicht worden gegeven in: 1. 2.
De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort.
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 31
Kader - Staat van instandhouding •
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.
•
Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
•
Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling.
Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies.
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 32
Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
•
in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
•
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
•
ter bescherming van flora en fauna;
•
voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;
•
om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
•
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;
•
in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;
•
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of
•
om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Voor andere ‘nationaal’ beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd;
•
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
•
ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;
•
ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;
•
ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;
•
in het algemeen belang van de betreffende soort.
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 33
Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebied een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie. Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak (zoals stikstof) vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes.
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 34
Bijlage 3 Vleermuizen in gebouwen
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 35
www.eelerwoude.nl
Nader onderzoek vleermuizen Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen
Opdrachtgever: H. W. Diepemaat B.V. De heer L. Diepemaat Enschedesestraat 76 7481 CT Haaksbergen
Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl
Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:
200568 07-12-2020 T. Fokkema R. Kroeskop M. van der Heide Concept 1
© 2020 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.
Inhoudsopgave 1
Inleiding ...................................................................................................................................................... 4
2
Huidige situatie en ontwikkeling ................................................................................................................. 5
2.1
Huidige situatie ....................................................................................................................................... 5
2.2
Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................................... 8
3
Natuurwetgeving ........................................................................................................................................ 9
3.1
Inleiding .................................................................................................................................................. 9
3.2
Bescherming van soorten ....................................................................................................................... 9
4
Methode ................................................................................................................................................... 10
4.1
Bureauonderzoek ................................................................................................................................. 10
4.2
Veldonderzoek ...................................................................................................................................... 10
5
Beschermde soorten ................................................................................................................................. 13
5.1
Vleermuizen .......................................................................................................................................... 13
5.1.1
Voorkomen en functie ................................................................................................................. 13
5.1.2
Effecten en ontheffing ................................................................................................................. 18
5.1.3
Te nemen maatregelen ................................................................................................................ 19
5.2
Overige beschermde soorten ............................................................................................................... 20
5.2.1
Voorkomen en functie ................................................................................................................. 20
5.2.2
Effecten en ontheffing ................................................................................................................. 20
6
Conclusie ................................................................................................................................................... 21
6.1
Soortenbescherming ............................................................................................................................ 21
6.2
Uitvoerbaarheid van de plannen .......................................................................................................... 21
6.3
Geldigheid onderzoek ........................................................................................................................... 21
Bijlage 1 Wettelijk kader Natuurwetgeving ........................................................................................................... 23 Bijlage 2 Soortkaart vleermuizen ........................................................................................................................... 28
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 3
1 Inleiding De initiatiefnemer is voornemens om op de locatie Enschedesestraat 76, bedrijfshallen te slopen en een tankstation te saneren. Daarnaast zal men het landbouwperceel aan de zuidkant aan de Leemdijk en Oude Enschedeseweg herontwikkelen. Totaal vormen deze twee locaties 1 plangebied. In dit plangebied zal men in totaal 40 nieuwbouwwoningen ontwikkelen. In verband met deze plannen is reeds een toetsing aan de natuurwetgeving en natuur- uitgevoerd (Eelerwoude, 2020). Uit deze toetsing komt naar voren dat nader onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is. Tijdens de natuurtoets zijn diverse openingen in het pand aangetroffen die geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Nader, gericht vleermuisonderzoek is noodzakelijk om aan te tonen, dan wel uit te sluiten dat aanwezige bebouwing een functie hebben als verblijfplaats voor beschermde soorten. Duidelijk moet worden om welke soort(en) en aantallen het gaat en wat de eventuele functie van de gebouwen is voor deze soort(en). Uit het onderzoek komt naar voren of de voorgenomen ontwikkelingen consequenties hebben voor de eventueel aanwezige beschermde natuurwaarden in het kader van de Wet natuurbescherming en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 4
2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt aan de dorpsrand in Haaksbergen en grenst aan de noordkant aan de Enschedesestraat en aan de zuidkant aan de Leemdijk en Oude Enschedeseweg. Binnen het plangebied (afbeelding 1) zijn bedrijfshallen aanwezig met een tankstation. De verharding en bebouwing verkeren in slechte staat en doen afbreuk aan de uitnodigende uitstraling van Haaksbergen. De bedrijfshallen dateren uit 1935 en het tankstation dateert uit 1985 (BAG viewer, 2020). De bedrijfshallen hebben momenteel een functie als opslag van diverse spullen. Het tankstation is momenteel in gebruik. Het plangebied is opgedeeld in 2 gebieden, het noordelijke deel bestaat uit de bedrijfshallen en het tankstation en het zuidelijke deel bestaat uit een agrarisch perceel met grasland. De noordzijde van dit agrarische perceel bestaat uit een braakliggend veldje (Eelerwoude, 2020). De omgeving van Haaksbergen kenmerkt zich door het kleinschalig cultuurlandschap met diverse landschapselementen. Ten zuiden van het plangebied ligt een groot natuurgebied BuurserzandSteenhaarplassen. Dit natuurgebied kenmerkt zich door uitgestrekte heidevelden en vennen. In de omgeving en dichterbij het plangebied zijn diverse lijnvormige elementen met bomenrijen, lanen en houtwallen aanwezig.
Aan de overzijde van de Enschedesestraat, ten noordwesten van het plangebied is een vijver aanwezig genaamd Wiedenbroek vijver. Binnen het plangebied zelf ontbreken echter waterelementen zoals poelen en sloten. Het plangebied aan de zuidkant wordt voor een gedeelte omzoomd met bomenrijen. Het betreft een bomenrij met soorten als zomereik, beuk, wilg en meidoorn. Aan de oostkant van de bedrijfshallen is een grote parkeerplaats aanwezig met auto’s en vrachtwagens. Deze parkeerplaats wordt aan de noordoostkant (achterzijde) begrenst met een struweelsingel van schietwilg, meidoorn, boswilg en berk. Verlichting is aanwezig rond de bedrijfshallen en het tankstation. In afbeelding 2 worden enkele foto’s van het plangebied getoond. Deze foto’s zijn gemaakt tijdens de natuurtoets in april 2020 (Eelerwoude, 2020).
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 5
Afbeelding 1. Ligging plangebied. Boven met topografische kaart (van Aalst, 2020), onder met luchtfoto 2018 (ESRI, 2020).
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 6
Afbeelding 3. Impressie plangebied, situatie in april 2020.
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 7
2.2 Voorgenomen ontwikkeling De initiatiefnemer wil de locatie op een duurzame manier (natuurinclusief en hoogwaardig) herontwikkelen en hierin samen optrekken met gemeente, provincie en ketenpartners (Eelerwoude i.s.m. Rob Aben Landschapsarchitectuur, 2020). De plannen van de initiatiefnemer bieden oplossingsmogelijkheden voor diverse knelpunten op verschillende schaalniveaus en onderwerpen. De initiatiefnemer wil op de percelen nieuwe woningen realiseren. Het zal in totaal gaan om 40 klimaatbestendige, duurzame woningen (Eelerwoude, 2020). Met de ontwikkeling van de nieuwe woningen wordt rekening gehouden met het landschap (zie ook “Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen” (Eelerwoude, 2020). De ontwikkeling moet op een duurzame manier aansluiten aan de kwaliteit binnen het kleinschalig cultuurlandschap. Het zuidelijke deel van het plangebied wordt aan de noordzijde in de huidige situatie begrensd met een forse groene singel. Deze singel blijft behouden en wordt in de nieuwe situatie versterkt. Hierdoor krijgt de ontwikkeling een groene afronding en wordt deze in zijn geheel ingepast. Tussen de kavels komen drie nieuwe struweelsingels met een breedte van 5 meter.
De bestaande singels met bomen langs de Leemdijk en haaks op de Leemdijk liggen hier al honderden jaren en deze worden versterkt (10 meter breed) zodat ze ook in de toekomst het landschap karakter en vorm blijven geven. Op de locatie van de verdwenen esrand (zuidkant plangebied) met beplanting zal een nieuwe structuur in de vorm van een bomenrij er eveneens voor zorgen dat de ontwikkeling een groene rand krijgt en de kleinschaligheid wordt versterkt. (Eelerwoude, 2020). Eelerwoude heeft in samenwerking met Rob Aben Landschapsarchitectuur een stedenbouwkundig plan opgesteld (kenmerk 8124). Voor deze natuurtoets zijn de effecten getoetst aan de hand van de uitgangspunten en inrichtingsschetsen die in dit stedenbouwkundigplan zijn opgesteld (Eelerwoude i.s.m. Rob Aben Landschapsarchitectuur, 2020).
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 8
3 Natuurwetgeving 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied; de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming.
3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De wet Natuurbescherming is een nationale wet. Indien negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan de wet Natuurbescherming noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 9
4 Methode De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van een verkenning van bestaande inventarisatiegegevens en gericht onderzoek naar vleermuizen.
4.1 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en indien beschikbaar regionale verspreidingsinformatie: • de NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna) is daarnaast geraadpleegd. De NDFF heeft meer dan honderd miljoen gevalideerde waarnemingen door heel Nederland. Deze database bevat beschermde, zeldzame tot zeer zeldzame en algemeen voorkomende plant- en diersoorten in Nederland. Voor dit plangebied is een breder gebied getrokken dan het huidige plangebied en zijn er gevalideerde waarnemingen uit het gebied opgeroepen tot 10 jaar terug. • de landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, is gebruikt om na te gaan of nabij het plangebied in het verleden beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of data van de waarnemingen waren daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer) en kunnen daardoor betrekking hebben op waarnemingen buiten het plangebied. • de flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerdere onderzoeken in de omgeving van Haaksbergen breed uitgevoerd. De data van deze onderzoeken zijn opgeslagen in deze database.
4.2 Veldonderzoek Op basis van aantal veldbezoeken is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen en de functionele leefomgeving van vleermuizen. De onderzoeken zijn uitgevoerd door R. Kroeskop en B. ten Dam. Betreffende personen zijn ecologische adviseur en werkzaam bij Eelerwoude (zie kader – ecologisch deskundige). In tabel 1 zijn de onderzoekdata weergegeven. Hierbij zijn tevens de onderzoekers, starttijd en weersomstandigheden genoteerd. Kader - Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:
-
op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of
-
als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of
-
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of
-
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.
Tabel 1. Type onderzoek, datum, start- en eindtijd, onderzoeker(s) en de weersomstandigheden genoteerd per veldbezoek.
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 10
Datum
Type onderzoek
28-05-2020
Kraamonderzoek vleermuizen (avondronde)
02-06-2020
Kraamonderzoek vleermuizen (ochtendronde)
29-06-2020
27-08-2020
15-09-2020
Kraamonderzoek vleermuizen (avondronde)
Baltsonderzoek vleermuizen
Baltsonderzoek vleermuizen
Start – eindtijd
Zon onder: 21:46 Starttijd: 20:45 Eindtijd: 23:45 Zon op: 05:24 Starttijd: 03:20 Eindtijd: 06:00 Zon onder: 22:04 Starttijd: 21:00 Eindtijd: 23:15
Zon onder: 20:37 Starttijd: 21:00 Eindtijd: 23:30
Zon onder: 19:54 Starttijd: 20:30 Eindtijd: 23:30
Onderzoeker
Weersomstandigheden
R. Kroeskop B. ten Dam
16 °C- 12 °C, droog, heldere hemel, windkracht 2 Bft
R. Kroeskop B. ten Dam
14 °C- 15 °C, droog, heldere hemel, windkracht 1 Bft
R. Kroeskop B. ten Dam
18 °C- 17 °C, droog, geheel bewolkt windkracht 4 Bft
R. Kroeskop B. ten Dam
17- 17 °C, droog, half bewolkt, windkracht 1 Bft
R. Kroeskop B. ten Dam
23 °C- 18 °C, droog, heldere hemel, windkracht 1 Bft
Vleermuizen Bij de uitvoering van het vleermuisonderzoek is gewerkt conform het ‘Protocol voor vleermuisinventarisaties’ dat in januari 2017 is geëvalueerd door deskundigen van het Netwerk Groene Bureaus, de Zoogdiervereniging en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Het protocol is daarmee aangepast naar de meest recente wetenschappelijke inzichten. Het vleermuisonderzoek heeft zich gericht op het vaststellen van de soortensamenstelling, de aantallen, de gebruiksfunctie van het gebied en het vaststellen van verblijfplaatsen (kraamverblijven, winterverblijfplaatsen, zomerverblijven etc.), vliegroutes en foerageergebieden. Het onderzoek heeft zich vanwege de geschiktheid van het type bebouwing voor deze soorten geconcentreerd op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. Uiteraard is tijdens de veldbezoeken ook aandacht besteed aan eventuele andere beschermde vleermuissoorten binnen het plangebied. Tijdens het vleermuisonderzoek is gebruik gemaakt van de batdetectoren Batlogger M, Petterson D240x, Petterson D100 en Echo Meter Touch Pro voor Android en Apple. Moeilijk waarneembare vleermuissoorten zijn opgenomen en geanalyseerd in de daarvoor speciaal ontwikkelde software. Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 11
Sinds dit jaar werkt Eelerwoude met nieuwe technieken om het vleermuisonderzoek tot een hoger niveau te brengen. Vooral rond de nachturen is het niet altijd goed waarneembaar waar vleermuizen zich bevinden. Eerder werden deze vleermuizen opgemerkt doormiddel van een zaklamp en met behulp van de batdetector, wat tot verstoring van vleermuizen kan leiden. Daarnaast roept dit vaak veel vragen op vanuit de buurt, waardoor de waarnemer ter plaatse veel afgeleid kan worden door vragen van bewoners. De warmtebeeldcamera Pulsar Helion XP 38 is een belangrijk hulpstuk geworden. Deze warmtebeeldcamera is in staat om warmte op te sporen. Overige beschermde soorten In en rond het plangebied komen mogelijk nog een aantal andere beschermde soorten voor. Voor een groot deel zal het gaan om algemeen voorkomende en vrijgestelde beschermde soorten, maar ook de aanwezigheid van een aantal beschermde (nachtactieve) soorten kan niet op voorhand worden uitgesloten. Hierbij dient gedacht te worden aan bijvoorbeeld steenmarter en de egel. Het veldwerk naar de groep van overige soorten is uitgevoerd tijdens en/of na afloop van de veldbezoeken naar vleermuizen.
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 12
5 Beschermde soorten Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldonderzoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
5.1 Vleermuizen 5.1.1 Voorkomen en functie Tijdens het vleermuisonderzoek zijn in het gebied 4 soorten vastgesteld; gewone dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en de watervleermuis. In bijlage 2 wordt de soortkaart van de vleermuizen getoond. Gewone dwergvleermuis De gewone dwergvleermuis (afbeelding 4) is in Nederland de meest algemene vleermuissoort. De soort wordt veelvuldig waargenomen in stedelijk gebied. (Kraam)kolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen aangetroffen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij (mogelijk) vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden, mits deze vorstvrij zijn. Ze jagen hoofdzakelijk in gesloten tot halfopen landschap binnen een straal van 2-5 km van de verblijfplaats. Vliegroutes volgen zoveel mogelijk (donkere) lijnvormige structuren.