Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Enschedesestraat 76 Bijlagen
Tekst van het document
Afbeelding 4. Foto van een gewone dwergvleermuis in een grot in Europa. Foto: Rinze Kroeskop, 2019.
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 13
Verblijfplaatsen Tijdens het kraam- en baltsonderzoek zijn er geen verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aangetroffen. Wel zijn er tijdens het baltsonderzoek baltsende dieren aangetroffen rond het pand. Met behulp van de warmtebeeldcamera is gekeken of deze mannetjes (de mannetjes gewone dwergvleermuizen baltsen, zie ook kader Paarverblijfplaatsen) binding hebben met de omringende bebouwing. Deze baltsende gewone dwergvleermuizen gaven geen aanleiding tot een verblijfplaats. Verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen zijn dan ook niet in te ontwikkelen bebouwing aanwezig. Vleermuizen baltsen (ook wel sociale roep) in het najaar binnen een territorium om vrouwtjes te vinden en mee te lokken naar hun verblijfplaats om te paren. Zij vliegen daarbij op vaste routes, waarbij ze een zeer sterke binding met een bepaald gebouw(en) en/of beplanting hebben waar zich een paar- en/of baltslocatie bevindt. Baltsende mannetjes zijn dan ook een indicatie voor de aanwezigheid van een balts- en/of paarverblijfplaats. Mogelijk overwinteren deze mannetjes ook op deze locaties, dit is sterk afhankelijk van het winterklimaat. Een locatie met een balts- en/of paarverblijfplaats kan dan ook aangemerkt worden als (vermoedelijke) winterverblijfplaats.
Bij strenge vorst verhuizen ze echter vaak naar massawinterverblijfplaatsen, die niet binnen het plangebied aanwezig zijn of te verwachten door het ontbreken van geschikte gebouwen. De exacte plekken van de balts- en/of paarplekken zijn vaak niet duidelijk, aangezien ze tijdens het baltsen zelden in- of uitvliegen. Wel is de locatie op woningniveau vaak duidelijk. Soms baltsen mannetjes rondom een geheel gebouw of woningblok zonder duidelijke voorkeur voor een bepaalde woning. Binnen een territorium kunnen de mannetjes verschillende verblijfplaatsen hebben. Deze verblijfplaatsen maken onderdeel uit van een netwerk van verblijfplaatsen, gedurende het seizoen kunnen deze verblijfplaatsen sterk wisselen. Kader -Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis, franjestaart en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen.
Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 14
Kader – Paarverblijfplaatsen Definitie paar(verblijf)plaats in het vleermuisprotocol 2017: Een verblijfplaats of de omgeving daarvan zie mijn opmerking hierboven, waar ten minste een baltsend mannetje of meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren of komen zwermen. Welk gedrag is waar te nemen, is afhankelijk van de soort. Te herkennen aan zwermgedrag en/of baltsroepen. (Zwermen bij het invliegen komt bij meer verblijfsfuncties voor.) Een samenhang van waarnemingen kan duidelijk maken wat de waarde van een locatie is. Fanatiek roepende mannetjes zijn een belangrijke indicatie voor een paarverblijfplaats in het gebied. Maar wanneer is de roep nou een indicatie voor een paarverblijfplaats of wanneer is het gewoon een sociaal geluid? Om zeker te kunnen aangeven dat het om een baltsroep gaat voor het vaststellen van een paarverblijfplaats moet er gekeken worden naar verschillende factoren: •
aantal roepen; wanneer een vleermuis <5 roept, gaat het om een sociale roep. Wanneer de roep in lange series met regelmatige intervallen > 10 keer wordt uitgestoten gaat het om een baltsroep;
•
vliegstijl; baltsactiviteiten gaan gepaard met vleugelslagen welke onderbroken worden met een glijdende vlucht;
•
valse landingen; baltsende mannetjes worden vaak herhaaldelijk aanvliegend waargenomen bij bepaalde plaatsen op de muur, dit vaak in de hoeken van een gebouw of onder uitstekende delen van de wand;
•
aantal uren na en voor zonsondergang en -opgang; baltsactiviteiten worden opgebouwd tot 4 uur na zonsondergang (met een piek in het 4e uur) en 4 uur voor zonsopkomst (piek op het 3e uur), om middernacht nemen de baltsactiviteiten iets af;
•
tijd van het jaar; van juli tot augustus is er weinig baltsactiviteit in de eerste uren na zonsondergang, van augustus t/m oktober beginnen de baltsactiviteiten steeds vroeger op de avond;
•
temperatuur en weersomstandigheden; bij hogere temperatuur in de avond zijn er meer baltsactiviteiten, bij heftige regen zijn er geen baltsactiviteiten aanwezig, andere weers- omstandigheden hebben geen invloed op de baltsactiviteiten.
Voordeel van het inventariseren tijdens de baltspiek is dat er makkelijk vastgesteld kan worden wat de territoriumgrenzen van het mannetje zijn, deze kunnen voor gewone dwergvleermuis circa 1,2 tot 10 ha groot zijn. Met deze gegevens kan de dichtheid van de paarplaatsen bepaald worden. Daarnaast is er een voordeel dat ook de aangrenzende gebieden makkelijk beoordeeld kunnen worden en of deze binnen het territorium vallen. Informatie over het territorium is belangrijk wanneer er in het plangebied een paarverblijfplaats wordt aangetroffen. Aan de hand van de informatie over de territoria in de omgeving kan aangegeven worden of er voldoende alternatieve in de omgeving aanwezig zijn. Want ook in de paartijd verhuizen mannetjes regelmatig binnen hun territorium.
Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied wordt door de gewone dwergvleermuis gebruikt door diverse foeragerende en langsvliegende individuen. Tijdens het onderzoek werden gemiddeld 2 tot 4 gewone dwergvleermuizen waargenomen per veldbezoek. Met name rond de kraamperiode werden hier de grootste aantallen vastgesteld. De eikenlaan langs de Oude Enschedeseweg en de omringende lijnvormige groenstructuren worden door de soort gebruikt als vliegroute én foerageergebied. Ook de directe omgeving en landschap met veel groen en lijnvormige elementen vormen voor de gewone dwergvleermuis belangrijk foerageergebied. In het stedenbouwkundig plan gaat speciale aandacht uit naar het behoud van het leefgebied van de vleermuizen. Alle bestaande groenstructuren blijven behouden en zullen op diverse plekken worden versterkt. Verwacht wordt dat de nieuwe ontwikkelingen op deze locatie een positief effect zullen hebben op de aanwezige vleermuizen. Laatvlieger De laatvlieger (afbeelding 5) komt in Nederland vrij algemeen voor (al laat de soort wel een dalende trend zien). Laatvlieger jaagt boven open tot halfopen landschap, vooral in de beschutting van opgaande elementen zoals bosranden, heggen en lanen. Kraamkolonies komen in Nederland voor zover bekend alleen in gebouwen voor.
Deze bevinden zich in de spouwmuur, achter en onder de (dak)betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen. Soms worden ze ook op zolders aangetroffen. De jachtgebieden liggen in een straal van 1 tot 5 km (zelden meer) rondom de kolonie. De laatvlieger jaagt boven open tot halfopen landschap, vooral in de beschutting van opgaande elementen zoals bosranden, heggen en lanen. Vliegroutes volgen waar mogelijk lijnvormige structuren, maar laatvliegers vliegen bij gunstige weersomstandigheden ook wel grote afstanden door open gebied.
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 15
Afbeelding 5. Foto van een laatvlieger in een grot in Europa. Foto: Rinze Kroeskop, 2019.
Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen van de laatvlieger of aanleidingen tot een verblijfplaats zijn niet aangetroffen in de te slopen gebouwen. De dakconstructie van de bedrijfshallen zijn in potentie wel geschikt voor de soort, met name ook door de tussenruimte tussen het dak en het dakbeschot. Ondanks de geschiktheid voor de laatvlieger (dakconstructie) zijn verblijfplaatsen van de soort niet aangetroffen. Foerageergebied en vliegroutes Per veldbezoek werden gemiddeld 2 foeragerende laatvliegers aangetroffen. Deze laatvliegers bevinden zich met name aan de zuidkant van het plangebied, ter hoogte van de groenstructuren en het open veld. De laatvliegers jagen het liefst in de overgang van bos naar open gebied, omdat hier in de luwte van de boomkronen veel voedsel voorhanden is. Duidelijke vliegroutes van de laatvlieger zijn niet vastgesteld. Wel is duidelijk dat de laatvlieger het plangebied gebruikt om te foerageren. Gewone grootoorvleermuis De gewone grootoorvleermuis (afbeelding 6) is een middelgrote vleermuis met opvallend lange oren. De soort komt verspreid over heel Nederland voor, maar nergens in grote aantallen. De gewone grootoorvleermuis gebruikt zeer uiteenlopende soorten verblijfplaatsen.
Ze worden in de zomer aangetroffen op zolders, achter betimmeringen, daklijsten en vensterluiken, in spouwmuren en onder dakpannen, in holten en spleten in bomen en in vogelnest- en vleermuiskasten. Ze vormen meestal groepen van 5 tot 25 dieren, in uitzonderingen tot 80 dieren. Deze gebruiken in kleine groepjes verspreid een groot aantal verblijfplaatsen naast elkaar. Ze verhuizen vaak. Als winterverblijf worden vooral ondergrondse ruimten gebruikt, zoals grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken, ijskelders en (kasteel) kelders. Overwinterende gewone grootoorvleermuizen zijn echter ook op zolders en in kerktorens, en een enkele keer in boomholtes gevonden. De soort is sterk gebonden aan kleinschalig landschap en bosgebieden. Gewone grootoorvleermuizen jagen in de directe omgeving van de verblijfplaats tot op een afstand van maximaal 3 km. Ze volgen hagen en houtwallen, maar vooral in bos of kleinschalig landschap vliegen ze gewoon tussen de bomen door.
Herontwikkeling dorpsrand Haaksbergen | Eelerwoude | 16