Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Benteloseweg 6 Toelichting
Tekst van het document
Bouwlocatie • •
De toegekende kavel van maximaal 1.000 m² wordt op de slooplocatie of direct aangrenzende gronden gerealiseerd. Wanneer het vanuit ruimtelijk- of milieuoogpunt niet mogelijk is om op de slooplocatie terug te bouwen kan er worden gezocht naar een locatie in twee daartoe aangewezen gebieden, te weten de Wissinkbrink en de Veldmaat, tussen de huidige kern en de Noordsingel. BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
26
Bestemmingsplan “Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Benteloseweg 6” Vastgesteld • • •
• •
Er wordt voldaan aan het beeldkwaliteitsplan Buitengebied Haaksbergen. Hiervoor wordt een schetsplan van de woning, ter beoordeling, aangeleverd voordat de procedure wordt opgestart. Omliggende bedrijven mogen niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. De bouwlocatie wordt landschappelijk ingepast. Hiervoor wordt een erfinrichtingsplan aangeleverd dat door de gemeente wordt beoordeeld. Bij realisatie van het inrichtingsplan wordt een landschapsdeskundige ingeschakeld. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de gebiedskenmerken die zijn genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel. In plaats van een woning kan er onder dezelfde voorwaarden een bedrijfsmatige activiteit worden gerealiseerd. Dit kan alleen wanneer het passend is binnen het vigerende beleid. In het LOG blijft een ‘’nee tenzij’’ principe gelden waarbij de nieuwe woning nu en in de toekomst geen belemmering mag zijn voor bestaande of nieuwe bedrijven.
Overig • • •
De (agrarische) bedrijfsvoering dient volledig beëindigd te worden of beëindigd te zijn en alle omgevingsvergunningen ten behoeve van milieu of bouw worden ingetrokken. De landschappelijke inrichting met bijbehorend beheer wordt voor 10 jaar vastgelegd. Dit wordt geborgd in de te sluiten anterieure overeenkomst, alsmede het bestemmingsplan. Gemengde bedrijven in het extensiveringsgebied of verwevingsgebied, waarbij de intensieve veehouderijtak wordt beëindigd, kunnen voor dat onderdeel Rood voor Rood toepassen. De bouwmogelijkheden ten aanzien van het agrarische bedrijf worden zodanig ingeperkt dat de grondgebonden veehouderijtak behouden kan blijven maar in de toekomst niet kan uitbreiden.
4.3.2.4 Toetsing van het initiatief aan het Rood voor Rood 2015 Het Rood voor Rood beleid gaat uit van het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit ter plekke. Voor de sloop van 1.000 m2 aan landschapsontsierende bebouwing kan een woning van maximaal van 750 m3 met bijgebouw van 150 m2 worden gerealiseerd. Uitgangspunt hierbij is dat er wordt teruggebouwd op de slooplocatie. In voorliggend geval wordt er in totaal 1.350 m2 aan landschapsontsierende bebouwing gesloopt. De initiatiefnemer wil een nieuwe woning van maximaal 750 m3 met bijgebouw van 225 m2 realiseren op de slooplocatie. De initiatiefnemer sloopt 350 m2 meer dan nodig is. Door middel van het Rood voor Rood beleid met maatwerk is het mogelijk om de totale oppervlakte aan bijgebouwen te vergroten. De gemeente hanteert hiervoor de lijn dat er voor elke vierkante meter aan uitbreiding twee keer zoveel gesloopt dient te worden. Om het bijgebouw bij de nieuwe woning met 75 m2 te vergroten wordt er 150 m2 aan sloopmeters ingezet. Deze vorm van maatwerk wordt ook toegepast bij het vergroten van het eerder benoemde bijgebouw bij de karakteristieke boerderij. De initiatiefnemer wenst dit bijgebouw met 50 m2 te vergroten en hiervoor wordt er 100 m2 aan sloopmeters ingezet. Hiermee blijft er 100 m2 aan sloopmeters wat niet ingezet wordt.
De initiatiefnemer sloopt dus uiteindelijk 100 m2 meer dan noodzakelijk voor de hele ontwikkeling van het erf. Er is een erfinrichtingsplan opgesteld ten behoeve van de landschappelijke inpassing. De uitvoering van het erfinrichtingsplan is juridisch geborgd door middel van een voorwaardelijke verplichting. De nieuwe woonbestemming heeft een omvang die passend is bij een woonbestemming voor de woningen (de rood voor rood- woning en de bestaande karakteristieke woonboerderij welke wordt gesplitst) met bijbehorende voorzieningen. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming met het gemeentelijke rood voor rood beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
27
Bestemmingsplan “Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Benteloseweg 6” Vastgesteld 4.3.3
Landschapsontwikkelingsplan Haaksbergen & Hof van Twente
4.3.3.1 Algemeen De gemeenten Haaksbergen en Hof van Twente hebben een gezamenlijk landschapsontwikkelingsplan laten opstellen (vastgesteld mei 2005). Het landschapsontwikkelingsplan biedt een samenhangende visie op landschapskwaliteit en bouwstenen en inrichtingsprincipes voor landschapsontwikkeling. 4.3.3.2 Landschapsontwikkelingsvisie In de landschapsontwikkelingsvisie is het toekomstbeeld geschetst en de ontwikkeling per legenda-eenheid aangegeven. Hoofddoel van de visie is het onderscheid en de diversiteit tussen de landschapseenheden te vergroten en de samenhang te verbeteren met gerichte investeringen voor de toekomst. Voor de ontwikkeling van het landschap zijn in het landschapsontwikkelingsplan vier thema´s benoemd. Uit raadpleging van de landschapsontwikkelingsvisie en de behorende kaart blijkt dat het plangebied binnen het thema ‘Zorg voor agrarisch werklandschap’ met aanduiding ‘half open dekzandlandschap’ ligt. 4.3.3.3 Zorg voor agrarisch werklandschap’ – ‘half open dekzandlandschap’ Ten behoeve van de landbouwfunctie en de landschapsstructuur wordt in het agrarisch werklandschap (naast de beekzones uit het watersysteem) ingezet op ontwikkeling van erf- en wegbeplanting en behoud van de bestaande landschapselementen.
Weg- en laanbeplanting worden hersteld of aangelegd langs wegen die de opbouw versterken en daar waar ruimte is in het profiel voor een goede groeiplaats. Het sortiment moet passend zijn bij het cultuurhistorisch landschapstype. Karakteristieke erfinrichting wordt gestimuleerd op basis van cultuurhistorische landschapstypes. Binnen dit werklandschap zijn accenten aangeduid die te maken hebben met de oorspronkelijke cultuurhistorische ontginningstypen. 4.3.3.4 Toetsing van het initiatief aan het Landschapsontwikkelingsplan Haaksbergen & Hof van Twente Voorafgaand aan de uitwerking van de landschappelijke inpassing is een zorgvuldige analyse van het landschap en de beleidsuitgangspunten uitgevoerd. Voor een verdere beschrijving van de landschapsmaatregelen wordt verwezen naar de erfinrichtingstekening, zoals dat is opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting en hoofdstuk 3. Naast het Rood voor Rood gedeelte waar een aanzienlijke kwaliteitsslag wordt gemaakt geldt dit eveneens voor de VAB-invulling. De authentieke kenmerken van de karakteristieke boerderij blijven bewaard en worden waar mogelijk versterkt. Met het realiseren van de Rood voor rood-woning komt er geld vrij welke kan worden ingezet voor herstellen van voorgenoemde karakteristieke kenmerken. Op die manier blijft de boerderij behouden en blijft er karakteristieke bebouwing in de gemeente Haaksbergen behouden.
Daarnaast wordt het erf landschappelijk ingepast waardoor het aansluit op en passend in de omgeving is. Gesteld wordt dat het initiatief met bijbehorende landschapsmaatregelen past binnen het Landschapsontwikkelingsplan. 4.3.4
VAB-beleid Haaksbergen 2011
4.3.4.1 Algemeen Het beleid geldt voor vrijkomende (voormalige) agrarische bebouwing, voor agrarische gebouwen die minstens drie jaar voor deelname-aanvraag van het beleid zijn opgericht en als zodanig in gebruik zijn geweest, voor een gedeelte van de gebouwen van een blijvend agrarisch bedrijf (nevenfunctie) waarbij dit niet mag leiden tot een groter totaal bouwperceel. Het beleid geldt niet voor bouwwerken die zonder vergunning zijn gerealiseerd.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
28
Bestemmingsplan “Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Benteloseweg 6” Vastgesteld Het beleid gaat uit van uitoefening van activiteiten binnen de bestaande bebouwing, sloop van alle vrijkomende agrarische bebouwing die niet worden hergebruikt, de combinatie wonen en werken bij voormalige agrarische bedrijven op basis van de bestaande (bedrijfs)woning en maatwerk voor de bepaling van welke bestemming de woning in relatie tot het bedrijf moet krijgen (bedrijfswoning of niet). In principe is alle bedrijvigheid tot een oppervlakte van minder dan 350 m² als nevenactiviteit toegestaan, met uitzondering van zorgfuncties en kinderopvang (nadere afweging), horecafunctie en detailhandel (alleen als nevenfunctie en ondergeschikt aan hoofdfunctie) en opslag en/of verweking van chemische goederen. In principe wordt het realiseren van bedrijvigheid met meer dan 350 m² als maatwerk gezien. Er mag geen opslag of andere bedrijfsactiviteiten buiten de gebouwen plaatsvinden. Karakteristieke/monumentale voormalige boerderijen en agrarische bedrijfswoningen kunnen in principe voor hergebruik als woonruimte in aanmerking komen. Hierbij is onder voorwaarden splitsing in meerdere woningen mogelijk. Er kan geen extra bedrijfswoning worden toegekend op basis van de nevenfunctie. Uitgangspunt is hergebruik binnen bestaande bebouwing.
Het is echter denkbaar dat in sommige situaties sloop en nieuwbouw gewenst is. Dit is per geval maatwerk. Bij sloop en nieuwbouw moet worden gestreefd naar een substantiële afname van het bouwvolume. Het is van groot belang om de maximale omvang en inpassing van de nieuwbouw in de omgeving, op grond van kwalitatieve criteria, goed te onderbouwen en vast te leggen. In het kader van VAB is het niet toegestaan om bij sloop en nieuwbouw een nieuwe woning te bouwen. Op een slooplocatie van de VAB mag de te slopen oppervlakte niet worden betrokken in een Rood voor Rood initiatief. Bij vervangende toekomstige nieuwbouw is het gewenst om de afweging te maken of nieuwbouw wenselijk is in dezelfde vorm, dezelfde plek en met dezelfde omvang. Er kunnen voor de omgevingskwaliteit betere oplossingen zijn dan de bestaande situatie. Ook dient te worden bezien of een bedrijventerrein betere opties biedt. 4.3.4.2 Toetsing van het initiatief aan het VAB-beleid Haaksbergen 2011 Op de locatie aan de Benteloseweg 6 is een karakteristieke voormalige boerderij aanwezig. De initiatiefnemer is voornemens om deze karakteristieke boerderij te renoveren en hier twee woonheden in te realiseren. In het VAB-beleid is opgenomen dat bij een inhoud van boven 1.500 m3 maximaal 3 wooneenheden zijn toegestaan en bij een inhoud boven 1.000 m3 maximaal 2 wooneenheden.
De karakteristieke boerderij heeft een inhoud van ruim 1.500 m3 waardoor het mogelijk is om twee wooneenheden te realiseren. Bij een woning in het buitengebied mag bij recht 150 m2 aan bijgebouwen gebouwd worden. In voorliggend geval betekent dit dat er 300 m2 aan bijgebouwen gerealiseerd zou mogen worden bij de twee wooneenheden in het karakteristieke pand. De initiatiefnemer wenst één bijgebouw van 350 m2 te realiseren. Door middel van de inzet van ‘extra’ sloopmeters wenst de initiatiefnemer het bijgebouw te vergroten tot 350 m2. De initiatiefnemer wenst een bestaande werktuigenberging te behouden om de circa 20 hectare aan akkerbouwgrond te kunnen bewerken. In principe wordt alle bedrijvigheid tot een oppervlakte dan 350 m2 gezien als nevenactiviteit en daarmee toegestaan. Een ander uitgangspunt is de sloop van alle vrijkomende agrarische bebouwing die niet wordt hergebruikt. In voorliggend geval betreft het een werktuigenberging van 260 m2 en alle overige vrijkomende agrarische bebouwing wordt gesloopt. 4.3.5
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
29
Bestemmingsplan “Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Benteloseweg 6” Vastgesteld
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit milieueffectrapportage. Opgemerkt wordt dat de planologische wijziging van de bedrijfswoning met inwoning naar een reguliere woning enkel daar waar noodzakelijk wordt aangehaald. De bedrijfswoning met inwoning geniet ten opzichte van een reguliere woning namelijk een gelijksoortige bescherming, waardoor deze functiewijziging vanuit milieukundig oogpunt minder onderbouwing behoeft.
5.1
Geluid
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. In de Wet geluidhinder worden eisen gesteld aan de toelaatbare geluidsbelasting op de gevels van nog niet geprojecteerde geluidsgevoelige gebouwen die liggen binnen de geluidszone van een weg. 5.1.2
Situatie plangebied
5.1.2.1 Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen de zone van een gezoneerd bedrijventerrein. Daarom wordt niet nader op het aspect industrielawaai ingegaan. In paragraaf 5.5 wordt nader ingegaan op de in de omgeving aanwezige (individuele) bedrijvigheid. 5.1.2.2 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op zeer ruime afstand van het plangebied is gelegen. 5.1.2.3 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken
Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m
Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m
De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
30
Bestemmingsplan “Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Benteloseweg 6” Vastgesteld De te realiseren compensatiewoning (en ook de te splitsen bestaande woonboerderij) ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Benteloseweg en de Goorsestraat. De afstand van de te realiseren woningen ten opzichte van de Benteloseweg bedraagt circa 30 meter. De Benteloseweg is een weg die voornamelijk dient ter ontsluiting van de aangelegen woningen en boerderijen. Daardoor is op de Benteloseweg sprake van een beperkte verkeersintensiteit en wordt verwacht dat de geluidsbelasting L DEN op de gevels van de te realiseren woningen aan de voorkeurswaarde van 48 dB zal voldoen. Daarnaast wordt de compensatiewoning op circa 280 meter afstand vanaf de Goorsestraat (N347) gesitueerd. De te splitsen woonboerderij ligt op circa 220 meter afstand. De nieuwe compensatiewoning komt ten noorden van de bestaande boerderij (welke wordt gesplitst in twee woonéénheden) te staan. De compensatiewoning wordt daarmee buiten de wettelijke geluidszone van 250 meter geprojecteerd. De Benteloseweg heeft een wettelijke geluidszone. Het betreft echter geen belangrijke ontsluitingsweg in het buitengebied van Haaksbergen of omliggende dorpen. Daarom wordt, op basis van praktijkervaringen en vergelijkbare locaties, ter plaatse van het plangebied een lage verkeersintensiteit op deze weg verwacht.
De verwachting is daarom dat ook als gevolg van deze weg de geluidsbelasting LDEN op de gevels van de te realiseren woningen aan de voorkeurswaarde van 48 dB zal voldoen. Ten aanzien van het aspect wegverkeerslawaai wordt een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen verwacht. 5.1.3
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de Wet geluidhinder.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Door onderzoeksbureau Terra Agribusiness BV is een verkennend (asbest) bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de te realiseren compensatiewoning. De resultaten van het verkennend onderzoek worden hierna beschreven. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 2 van deze toelichting. 5.2.2
Onderzoeksresultaten
Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707. 5.2.2.1 Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Gehele locatie In het bovengrondmengmonster BM1 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het bovengrondmengmonster BM2 zijn lichte verhogingen PCB (som 7) en zink aangetroffen. In het bovengrondmengmonster BM3 zijn lichte verhogingen zink en lood aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 is een lichte verhoging barium aangetroffen. Vml hbo-tank In het bovengrondmengmonster BM6 vml HBO-tank zijn geen olie gerelateerde verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb7wm1 zijn geen verhogingen aangetroffen.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
31
Bestemmingsplan “Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Benteloseweg 6” Vastgesteld Vml dieseltank 1100 L In het bovengrondmengmonster BM4 is een lichte verhoging minerale olie aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 zijn geen olie gerelateerde verhogingen aangetroffen. Vml dieseltank 1200 L In het bovengrondmengmonster BM5 zijn geen olie gerelateerde verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb4wm1 zijn geen verhogingen aangetroffen. Zoekgebied woning In de boven- en ondergrondmengmonster BM7 en OM1 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster PB27 WM1 is een lichte verhoging barium aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt voor dit onderdeel een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 5.2.2.2 Verkennend bodemonderzoek NEN 5707 ‘asbest in de grond’ Tijdens de maaiveld- inspectie zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen. Ter plaatse van de locatie zijn meerdere inspectiegaten gegraven, bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In de mengmonsters MM1 en MM3 is analytisch geen asbest aangetroffen.
In het mengmonster MM2 is een gehalte aan asbest aangetoond ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Er dient opgemerkt te worden dat in de fractie <0,5mm asbestverdachte vezels zijn aangetroffen van MM2. Echter wordt niet verwacht dat middels een SEM-analyse de interventiewaarde zal worden overschreden. Op basis van onderhavig onderzoek wordt voor dit onderdeel een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 5.2.3
Conclusie
Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek wordt nader onderzoek niet nodig geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt wordt de bodem geschikt geacht voor het toekomstige gebruik.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
32
Bestemmingsplan “Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Benteloseweg 6” Vastgesteld In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2
Situatie plangebied
In voorliggend geval wordt één compensatiewoning gerealiseerd en wordt een intensieve veehouderij beëindigd. Eveneens wordt de bestaande boerderij gesplitst ten behoeve van twéé wooneenheden. In paragraaf 5.3.1.1 is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van dit project in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, kan worden aangenomen dat het project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Het beëindigen van de veehouderij heeft een positief effect op de luchtkwaliteit rondom het plangebied. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit; het Activiteitenbesluit.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
33
Bestemmingsplan “Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Benteloseweg 6” Vastgesteld Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie in en rondom het plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart Overijssel staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart opgenomen. Het plangebied is indicatief met blauwe cirkel weergegeven.
Afbeelding 5.1 Uitsnede Risicokaart Overijssel (Bron: Nederland.risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; • niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; • niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
34
Bestemmingsplan “Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Benteloseweg 6” Vastgesteld 5.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving wat betreft externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2
Gebiedstypen
Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Het plangebied ligt in het buitengebied, waar geen sprake is van een matige of sterke functiemenging. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype “rustige woonwijk”. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
35
Bestemmingsplan “Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Benteloseweg 6” Vastgesteld 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
5.5.3
Situatie plangebied
100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie wonen betreft geen milieubelastende activiteit. Er is dan ook geen sprake van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Rondom het plangebied bevinden zich enkele milieubelastende functies. Het betreffen voornamelijk de agrarische bedrijven in het noorden, oosten en westen van het plangebied. Deze bedrijven zijn op basis van de plankaart en regels van het vigerende bestemmingsplan bestemd voor intensieve veehouderijen. Dergelijke functies zijn op basis van de VNG-uitgave in te delen in de milieucategorie 3.1 tot en met 4.1 bedrijven (afhankelijk van het type veehouderij) met een (het geur-aspect hier buiten gelaten, dit komt in paragraaf 5.6 aan de orde) grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid. De te realiseren compensatiewoning bevindt zich buiten deze 50 meter contour, waarmee aan de richtafstand wordt voldaan.
De bestaande woonboerderij wordt eveneens niet verplaatst en komt hiermee ook niet dichterbij omliggende bedrijvigheid in de buurt. Er zal dan ook sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. Omgekeerd worden omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd. Het aspect ‘geur’ komt in paragraaf 5.6 aan bod en zal daar worden getoetst. 5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
36
Bestemmingsplan “Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Benteloseweg 6” Vastgesteld
5.6
Geur
5.6.1
Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
De Wgv bevat een regeling (art. 14, lid 2 en 3) voor ondermeer voormalige bedrijfswoningen en compensatiewoningen in het kader van Rood voor rood. Het tweede lid van artikel 14 luidt: Voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 6 bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een woning die op of na 19 maart 2000 is gebouwd: • • •
op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij; in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en; in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij;
ten minste 100 meter indien de woning binnen de bebouwde kom is gelegen en ten minste 50 meter indien de woning buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 5.6.2
Situatie plangebied
Het voornemen betreft het realiseren van drie verschillende geurgevoelige objecten. Namelijk de woningen in de bestaande boerderij op basis van VAB-beleid en een nieuwe compensatiewoning. Op grond van artikel 3 lid 2 van de Wet geurhinder veehouderij (Wgv) geldt voor woningen (of andere geurgevoelige objecten) de vaste afstand van 50 meter als woningen onderdeel uitmaken van een veehouderij of op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij. Het betreft een voormalige boerderij die na 19 maart 2000 opgehouden heeft deel uit te maken van de veehouderij. De afstand tussen de voormalige boerderij en de rand van het bouwblok van de dichtstbijzijnde intensieve veehouderij is ongeveer 75 meter. De omliggende veehouderijen worden niet onevenredig in hun belangen geschaad. Bij Rood voor Rood woningen is artikel 14 lid 2 van de Wgv van toepassing. Rood voor Rood woningen zijn woningen (en andere geurgevoelige objecten) die voldoen aan de volgende voorwaarden: • • •
gebouwd na 19 maart 2000; op een kavel die op dat moment in gebruik was als veehouderij; waarbij de veehouderij (deels) buiten werking is gebracht, én;
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
37
Bestemmingsplan “Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Benteloseweg 6” Vastgesteld •
waarbij stallen (of andere bedrijfsgebouwen) zijn gesloopt.
Hierbij geldt een minimale afstand van 50 meter tussen een veehouderij en een woning die buiten de bebouwde kom is gelegen. In voorliggend geval bedraagt de afstand tussen de dichtstbijzijnde intensieve veehouderij en de nieuwe woning minimaal 50 meter. De omliggende veehouderijen worden niet onevenredig in hun belangen geschaad. Eveneens dient aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (omgekeerde werking). Dit kan door middel van een voorgrondbelasting (geurbelasting als gevolg van één veehouderij) en achtergrondbelasting (geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving) aangetoond worden. Door initiatiefnemer is er een voor- en achtergrondbelasting uitgevoerd, deze berekeningen zijn opgenomen in de bijlage 3 bij deze toelichting. Hieruit blijkt dat er ter plaatse van de woningen binnen het plangebied in de toekomstige situatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit is afgestemd met Omgevingsdienst Twente, welke hiermee kan instemmen. 5.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het gewenste plan.
5.7
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.1
Gebiedsbescherming
5.7.1.1 Natura 2000-gebieden Algemeen Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Buurserzand & Haaksbergerveen’ ligt op een afstand van circa 5,79 kilometer van het plangebied. Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een plangebied. Als gevolg van bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het plangebied en het meest nabij gelegen Natura 2000gebied is een negatief effect uitgesloten.
Beoordeling Stikstof (Gebruiksfase) De bestaande bedrijfsbestemming wordt omgezet naar wonen. Als gevolg van deze transitie, neemt de emissie van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) sterk af. De emissie van stikstof tijdens de gebruiksfase is derhalve fors lager dan de huidige en leidt daarom niet tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000- gebied. BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
38
Bestemmingsplan “Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Benteloseweg 6” Vastgesteld Geconcludeerd kan worden dat een vergunning Wet natuurbescherming, onderdeel stikstof niet aan de orde is voor de sloop van de opstallen, bouw en het gebruik van de woningen. 5.7.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt niet binnen het concreet begrensde NNN. De dichtstbijzijnde gronden van het NNN liggen op circa 2,34 kilometer meter van het plangebied. Gezien de afstand tot het NNN en de aard en omvang van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 5.7.2
Soortenbescherming
5.7.2.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Om de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van beschermde soorten in kaart te brengen is een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Het bijbehorende onderzoeksrapport is als bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. 5.7.2.2 Onderzoeksresultaten De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden.
Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de toegankelijke bebouwing gesloopt en de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen het `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. 5.7.3
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Mits bezette vogelnesten beschermd worden, dan leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot wettelijke consequenties in het kader soortenbescherming. Om te voorkomen dat bezette vogelnesten beschadigd of verstoord worden, dient de bebouwing buiten het voortplantingsseizoen gesloopt te worden.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
39
Bestemmingsplan “Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Benteloseweg 6” Vastgesteld
5.8
Archeologie & Cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. De gemeente Haaksbergen heeft een eigen archeologische beleidsadvieskaart, welke is doorvertaald binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening veegplan 1’. 5.8.1.2 Situatie plangebied Het plangebied heeft volgens de archeologische beleidsadvieskaart en op basis van het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde - Hoge archeologische verwachting’. Archeologisch onderzoek is in dergelijke gebieden verplicht bij ingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 cm beneden maaiveld. Op grond van bijbehorende regels is er geen archeologisch onderzoek nodig omdat deze oppervlakte niet wordt overschreden. Archeologisch onderzoek is daarom ook niet benodigd. 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevindt zich in het plangebied een karakteristieke boerderij. Het erf en de (karakteristieke) agrarische bebouwing zijn onderhevig aan transformatie voor een nieuw gebruik als gevolg van voorliggend plan. Het uitgangspunt van gemeente Haaksbergen is het behoud van cultuurhistorisch erfgoed, maar tegelijkertijd vindt de gemeente het van belang dat nieuwe ontwikkelingen op een juiste manier een plek krijgen in het landschap en aansluiten bij de karakteristiek van de erven en gebouwen. Het ensemble in het plangebied aan de Benteloseweg 6 staat aangemerkt als karakteristiek pand: “Boerderij met wederopbouwwoonhuis, markant gelegen in landschap.
De schuren zijn ouder evenals de erfinrichting en -structuur.” Het voornemen hetgeen relevant is in het kader van cultuurhistorie is de wens om in de boerderij twee wooneenheden te realiseren. Op basis van het VAB-beleid is dat mogelijk en de gemeente is voornemens om hier medewerking aan te verlenen, mits er onder andere een renovatieplan wordt opgesteld, waarbij de bestaande cultuurhistorische waarden behouden of al dan niet versterkt worden. Als onderlegger voor het renovatieplan zijn een toelichting op de karakteristieke waarden en een transformatieadvies voor de boerderij nodig. Voorgaande plan en transformatieadvies is opgesteld door het Oversticht, opgenomen in de bijlage bij deze toelichting en gekoppeld als voorwaardelijke verplichting binnen de regels van dit bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
40
Bestemmingsplan “Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Benteloseweg 6” Vastgesteld Conclusie Het erf dat zich in aanleg kenmerkt als een typisch erf van het oude kampenlandschap, ontwikkelt zich in de loop van de 19de eeuw als een jong (ontginnings)erf. De oriëntatie (zuidoost-noordwest) van de boerderij, die op de kaart uit 1832 te zien is, werd herhaald bij de boerderij uit 1850. Deze werd in de loop van de 19de eeuw vergezeld van een parallel gesitueerd bouwwerk aan de noordzijde. Eind jaren 60 van de 20 ste eeuw werd de boerderij met de kern uit 1850 uitgebreid met een nieuw woonhuis en voorzien van een grotendeels nieuwe ‘schil’. Mogelijk werd in dezelfde periode de schuur aan de weg opgericht; de noordelijke schuur volgde vlak daarna. Ondanks de parallelle situering van de bouwwerken is de beslotenheid en het bosje eiken, kenmerkend voor een oud erf, nog wel aanwezig. Om de kernkwaliteiten van het karakteristieke erfensemble in stand te houden Is het van belang de oorspronkelijke richting, zuidoost-noordwest, te respecteren. Daarnaast is de situering van belang: de achterzijde grenst aan het erf, de voorzijde aan het grasland. Daarin spelen de twee, in aanleg 19de-eeuwse gebouwen een prominente rol.
Om de ruimtelijke kwaliteit van het erf en de karakteristieken te bewaren zou bij herontwikkeling de locatie, de hoofdvorm en de constructie van het zuidelijke stalgebouw, de voormalige boerderij, behouden moeten blijven. Bij herontwikkeling is het van belang: • • •
behoud de hoofdvorm met de lage goothoogte en de grote dakvlakken. herkenbaar houden van de kapconstructie met de sporenparen en hanebalken, en waar mogelijk de gebintconstructie. opbouw met het woonhuis aan de landzijde, de stal aan de erfzijde; dit betekent behoud van de niendeuren (schuivend of draaiend), de mestdeurtjes en het hooiluik en de nieuwe woning als zodanig herkenbaar aan de andere zijde.
Net als het zuidelijke stalgebouw is ook het middelste bouwwerk, het tweede stalgebouw, van belang. Behoud van de locatie en het herkenbaar houden van de hoofdvorm – rechthoekige plattegrond, lage goothoogte, grote dakvlakken – versterkt de ruimtelijke kwaliteit van het erf. Bovendien maakt dit dat het behouden bouwwerk aan de zuidzijde beter tot zijn recht komt. De besloten opzet die kenmerkend is voor een oud erf is in de huidige situatie bewerkstelligd door de schuur aan de weg en het vooruitgeschoven bouwvolume uit het einde van de 20ste eeuw, maar dit kan ook op andere manieren worden opgelost. Vermeldenswaardig is de bouw van het woonhuis in de jaren 60 van de 20 ste eeuw, waarmee de woonfunctie meer aandacht kreeg dan voorheen. Nader onderzoek naar de bouwwerken en terreinen uit die periode is van belang om ook daarvan de waarden te onderkennen. Onderzoek van de erfinrichting en –beplanting valt buiten de scope van deze opdracht. Niettemin is het advies om in de plannen aandacht aan hieraan te besteden. Voorgaande plan en transformatieadvies is daarom gekoppeld als voorwaardelijke verplichting binnen de regels van dit bestemmingsplan. 5.8.3
Conclusie
Archeologisch onderzoek is niet benodigd. Het aspect cultuurhistorie vormt, mits het plan en transformatieadvies welke als voorwaardelijke verplichting binnen de regels van dit bestemmingsplan is opgenomen, wordt nageleefd eveneens geen belemmering.
5.9
Besluit milieueffectrapportage
5.9.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
41
Bestemmingsplan “Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Benteloseweg 6” Vastgesteld Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan.
Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.9.2
Situatie plangebied
5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 5,79 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voorliggend bestemmingsplan wordt aangemerkt als een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. Woningbouw wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. De m.e.r.- plicht geldt bij projecten van een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden.
Het ruimtebeslag van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling ligt ruim beneden de drempelwaarde. Voorliggend bestemmingsplan is dan ook niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. In de nota van toelichting op het Besluit m.e.r wordt het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' geduid. Een stedelijk ontwikkelingsproject wordt als volgt omschreven: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook «dorpen» hieronder vallen. Wat «stedelijke ontwikkeling» inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben. Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.”
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
42
Bestemmingsplan “Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Benteloseweg 6” Vastgesteld In voorliggend geval is er sprake van de sloop van een aanzienlijke hoeveelheid bebouwing, het stoppen van een intensieve veehouderij en het realiseren van één compensatiewoning en de splitsing van de bestaande woonboerderij op een bestaand erf. De voorgenomen ontwikkeling kan dan ook niet worden aangeduid als stedelijke ontwikkeling. Daarnaast blijkt uit Hoofdstuk 5 en Hoofdstuk 6 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Het Besluit m.e.r. is dan ook niet van toepassing. Het opstellen van een aanmeldnotitie m.e.r. is dan ook niet benodigd. 5.9.3
Conclusie
Voorliggend bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van het bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
43
Bestemmingsplan “Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Benteloseweg 6” Vastgesteld
HOOFDSTUK 6 6.1
WATERASPECTEN Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4
Waterschap Vechtstromen
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: • • •
voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
44
Bestemmingsplan “Buitengebied Haaksbergen, partiële herziening Benteloseweg 6” Vastgesteld
6.2 6.2.1
Waterparagraaf Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2