CConstaterende datHaaksbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Toeliching TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk22a Haaksbergen Dorp, partiële herziening Hartgerink

Gemeenteraad 27 mei 2026, gemeente HaaksbergenBij agendapunt: Raadsvoorstel TAM-Omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22a Haaksbergen Dorp, partiële herziening Hartgerink’21.581 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hierdoor zijn de appartementen levensloopbestendig. Met de realisatie van de beoogde appartementen kan er worden voorzien in de kwantitatieve behoefte aan levensloopbestendigde woningen binnen de gemeente Haaksbergen.

Kwalitatieve behoefte vanuit de regio Er is een grote behoefte aan betaalbare woningen in Nederland. Om aan te sluiten bij die grote behoefte is het streven dat tweederde (600.000 woningen) van de nieuwe woningen in Nederland t/m 2030 betaalbaar zijn: op landelijk, provinciaal en regionaal niveau. Onder het betaalbare segment vallen de sociale huurwoningen, huurwoningen vanaf de sociale huurgrens tot een max. van € 1.184 per maand en koopwoningen tot € 405.000. Ook Overijssel onderstreept dat het streven dat tweederde van de nieuwe woningen binnen het betaalbare segment moet vallen. Uitgaande van de opgave om tot en met 2030 minimaal 42.300 woningen in Overijssel toe te voegen, wordt er in de provincie gestreefd naar 28.200 betaalbare huur- en koopwoningen. Twente zet zich in om binnen onze planvorming tweederde van de nieuwe woningen betaalbaar te maken. Hiermee streeft Twente naar de realisatie van minimaal 9.400 betaalbare huur- en koopwoningen tot en met 2030. Op basis van de afspraken van de Woondeal (en als onderdeel van de Rijksprogramma’s ‘Wonen, ondersteuning en zorg voor ouderen’ en ‘Een thuis voor iedereen’) heeft Twente een regionale doorvertaling van de woon- en zorgopgave gemaakt in de vorm van een regionale woonzorgvisie en afsprakenkader ouderenhuisvesting.

In het voorjaar van 2024 zijn de regionale woonzorgvisie en het afsprakenkader ouderenhuisvesting vastgesteld. Op het gebied van de realisatie van nultreden woningen, geclusterde en zorggeschikte woningen heeft Twente zich als regio gecommitteerd aan de kwantitatieve aantallen uit het afsprakenkader ouderenhuisvesting. Dit betreft een basisopgave tot en met eind 2030 van 8.060 geschikte woonvormen, bestaande uit 4.500 nultredenwoningen geschikt voor ouderen, 2.000 geclusterde woningen en 1.560 zorggeschikte woningen die onderdeel vormen van het afgesproken woningbouwprogramma uit de Woondeal (19.100 woningen). Daarbij is de ambitie uitgesproken om meer (geclusterde) woonvormen te realiseren. Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van 57 nieuwe appartementen, met optie om uit te breiden naar 59 appartementen waar ook de zorgwoningen zijn toegestaan. Hiervan zijn 40 appartementen als woon-/zorgappartementen aangemerkt. Met de realisatie van deze appartementen kan er voor de doelgroep ouderen en zorgbehoefenden worden voorzien van de woningbouwbehoefte. De overige 17 appartementen kunnen worden ingezet voor diverse andere doelgroepen. Zo worden er o.a. dure en middeldure appartementen gerealiseerd. Hiermee past het voorliggende initiatief in de kwalitatieve behoefte vanuit de regio Twente.

Kwalitatieve behoefte vanuit de gemeente De gemeente Haaksbergen wil voor alle huidige en toekomstige inwoners een fijne leefomgeving bieden. Met de kern Haaksbergen biedt de gemeente Haaksbergen enerzijds

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Haaksbergen Dorp, partiele herziening Hartgerink NL.IMRO.0158.BP1219-0001

26

een compacte kern met alle bijbehorende voorzieningen. Anderzijds bieden Buurse en St. Isidorushoeve ruimte en rust in een landelijk woonmilieu. Die diversiteit van woonmilieus wil de gemeente Haaksbergen behouden. Zo kan iedereen de gewenste wooncarrière in Haaksbergen maken en doorstromen naar de woning en de plek binnen Haaksbergen die bij hem of haar past, als huurstarter en koopstarter, als gezin en als oudere. De gemeente Haaksbergen heeft hier extra aandacht voor starters, ouderen, jonge huishoudens, lagere inkomens, spoedzoekers, statushouders, mensen met zorg- en ondersteuningsbehoefte en inwoners van de kleine kernen en buitengebied. Voorliggend initiatief voorziet vooral in de vraag naar zorgwoningen. Er worden 40 nieuwe levensloopbestendige woon-/zorgappartementen gerealiseerd. Deze voorzien de doelgroep ouderen en mensen met zorg- en ondersteuningsbehoefte in hun woonbehoefte. Daarnaast worden er 17 appartementen gerealiseerd voor de regulier huur en/of verkoop. De appartementen worden gerealiseerd voor het dure en/of middeldure segment. Hiermee wordt de lokale woningvoorraad voor andere doelgroepen aangevuld. Hiermee kan gesteld worden dat het voorliggende plan voorziet in de kwalitatieve behoefte aan woningen binnen de gemeente Haaksbergen.

Bestaand stedelijk gebied Vervolgens dient beoordeeld te worden of, indien er een behoefte aan een stedelijke ontwikkeling is, de beoogde ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied in de betreffende regio kan worden gerealiseerd. Onder bestaand stedelijk gebied wordt verstaan: het bestaande stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Ook onbebouwd gebied kan onderdeel zijn van het bestaand stedelijk gebied. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Haaksbergen en wordt omgeven door stedelijke functies zoals (woon)bebouwing en doorgaande wegen. Een groot gedeelte van het plangebied is in de huidige situatie bebouwd en/of verhard. Het plangebied is aan te merken als bestaand stedelijk gebied. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat onderhavig plan voldoet aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking'.

5.2

m.e.r.-beoordeling

Met de Omgevingswet verandert de grondslag van de milieueffectrapportage (mer). Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Omgevingswet. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen: de EU-richtlijn mer (mer-richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projectende EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb-richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project. In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen: De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34, eerste lid Omgevingswet).

In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen. De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer-(beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Omgevingswet) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de mer-(beoordelings)plichtige projecten opgenomen. De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Haaksbergen Dorp, partiele herziening Hartgerink NL.IMRO.0158.BP1219-0001

27

echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een plan-milieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct plan-mer-plichtig, maar er moet wel een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer-(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V Omgevingsbesluit. Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als: a. het plan een kleine wijziging van een plan of programma is; b. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 en 4 Omgevingswet) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden.

Er zijn twee mogelijke resultaten: Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt. Toets De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit, hierna Ob. Voorliggend plan heeft betrekking op het slopen van de huidige bebouwing en de realisatie van 3 appartementengebouwen met ruimte voor 57 appartementen of indien gewenst 59. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.

Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging; de voorgenomen functie(wijziging), en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. In kolom 1 van bijlage V van het Ob, wordt de realisatie van 57 woningen (met optie om twee extra appartementen te realiseren) en één commerciële ruimte niet expliciet genoemd. De meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een 'Stedelijk ontwikkelingstraject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. Deze ontwikkeling is niet m.e.r.-plichtig. Op grond van jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2017:1724) geldt er in beginsel bij het toevoegen van een terrein met een (nieuw) ruimtebeslag van meer dan 500 vierkante meter bruto vloeroppervlak in beginsel aangemerkt kan worden als een stedelijke ontwikkeling mits voldoende substantieel van aard. Wanneer deze onder grens niet wordt gehaald wordt de ontwikkeling niet als voldoende substantieel aangemerkt. Er wordt middels dit plan de bouw van 57 appartementen mogelijk gemaakt. De ontwikkeling is concreet beschreven in hoofdstuk 2. Het plangebied heeft momenteel een bedrijfsfunctie.

Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Haaksbergen Dorp, partiele herziening Hartgerink NL.IMRO.0158.BP1219-0001

28

van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant. Als een project voorziet in een (gedeeltelijke) functiewijziging, maar de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft, lijkt gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geen sprake te zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Op basis van deze uitspraak lijken de volgende aspecten voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject relevant: (een uitbreiding) van de bebouwde oppervlakte, de opzet en de vormgeving van de ontwikkeling. Ten aanzien van de relevante aspecten kan tevens een verwijzing worden gemaakt naar de uitspraak van de Raad van State van 29 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1832). Onderhavig plan maakt de realisatie van drie appartementengebouwen mogelijk met 57 appartementen (met optie om twee extra appartementen te realiseren) en een commerciële ruimte. In de huidige situatie is er sprake van een voormalig garagebedrijf met tankstation. Het terrein was volledig verhard. In totaal bedroeg de verharding daarmee 5.237 m². Voor de realisatie van het beoogde plan is de huidige verharding en bebouwing volledig verwijderd.

Daarvoor in de plaats komen drie appartementengebouwen. Tussen de bebouwing is veel ruimte voor groen. Er wordt ca. 2357 m2 aan groen toegevoegd aan het plangebied. De bebouwing zal met het voorgenomen plan dan ook niet toenemen. Daarbij kan worden opgemerkt dat de voorgenomen ontwikkeling qua vormgeving, opzet en schaalgrootte goed past in de omgeving en dat woningen geen milieubelastende objecten zijn waarvan bestaande functies hinder kunnen ondervinden. Daarmee wordt geacht dat het plan niet voorziet in een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in afdeling 16.4 van de Omgevingswet. Gelet op het vorenstaande is onderhavig project derhalve niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling gelet op de aard en omvang niet als substantieel aan te merken zoals bedoeld in artikel 5.129g van het Bkl. Conclusie Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. 11.6 Ob jo. bijlage V J11).

5.3

Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren

Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij moet ook in beeld worden gebracht of er sprake is van (extra) parkeerbehoefte. De activiteit die mogelijk wordt gemaakt moet getoetst worden aan het gemeentelijk beleid. Het gemeentelijk beleid omtrent mobiliteit en parkeren is opgenomen in de 'Nota parkeernormen Haaksbergen'. De verkeersgeneratie wordt bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Toekomstig parkeren' (uitgave 744). Verkeer Voor de berekening van de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten. Voor zorgwoningen zijn geen specifieke kengetallen aanwezig. Indien er geen zorgaanbieder wordt gevonden zullen de appartementen in reguliere verkoop gaan, daarom moet uitgegaan worden van de maximale mogelijkheden. Voor de zorgwoningen wordt derhalve aansluiting gezocht bij dezelfde categorie die wordt aangehouden voor de reguliere appartementen. Hiervoor wordt aangesloten bij de volgende categorie: - Niet stedelijk, rest bebouwde kom, koop, appartement, vrije sector, <75 m2 - Niet stedelijk, rest bebouwde kom, koop, appartement, vrije sector, 75-100 m² bvo. - Niet stedelijk, rest bebouwde kom, koop, appartement, vrije sector, >100 m2

Voor de commerciële ruimte wordt aangesloten bij de volgende categorie: - Niet stedelijk, rest bebouwde kom, kantoor zonder baliefunctie.

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Haaksbergen Dorp, partiele herziening Hartgerink NL.IMRO.0158.BP1219-0001

29

Aan de hand van de CROW kengetallen en CROW uitgangspunten wordt de berekening voor het aantal verkeersbewegingen voor dit project als volgt: ((5,2 + 6,0)/ 2) = 5,6 per woning -> 5,6 x 42 = 235,2 verkeersbewegingen ((5,6 + 6,4)/ 2) = 6 per woning -> 6 x 15 = 90 verkeersbewegingen ((7,0 + 7,8)/ 2) = 7,4 per woning -> 7,4 x 2 = 14,8 verkeersbewegingen ((7,9 + 9,6)/2) = 8,8 per 100 m2 BVO -> 180 m2 / 100 x 8,8 = 15,84 verkeersbewegingen Voorliggend plan brengt een totale verkeersgeneratie van afgerond 356 per etmaal met zich mee. Dit verkeer wordt afgewikkeld via de Albert Cuyplaan. De Albert Cuyplaan is een van de hoofdwegen van de gemeente Haaksbergen en wordt al intensief gebruikt. Deze extra verkeersbewegingen zullen de druk op de weg niet onevenredig vergroten. Hiermee vormt de verkeersgeneratie geen belemmering voor het voorliggende plan.

Parkeren Voor de beoordeling van de parkeerbehoefte bij ruimtelijke ontwikkelingen hanteert de gemeente Haaksbergen de Nota Parkeernormen Haaksbergen 2024 en verder (vastgesteld 13 november 2024; hierna: de Nota). Deze Nota is gebaseerd op de CROW-publicatie 744 (parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering, 2024) en is van toepassing op alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Haaksbergen. De Nota is als beleidsregel verankerd in het (tijdelijke) omgevingsplan en vormt het toetsingskader voor de bepaling van de parkeereis. De planlocatie is gelegen in de stedelijkheidszone rest bebouwde kom van de gemeente Haaksbergen. Voor de gehele gemeente wordt uitgegaan van stedelijkheidsgraad matig stedelijk, overeenkomstig paragraaf 5.2 en bijlage II van de Nota. De toepasselijke parkeernormen worden ontleend aan bijlage I van de Nota. Berekening parkeerbehoefte Het plan voorziet in de realisatie van drie appartementencomplexen met ruimte voor 57 appartementen, verdeeld over de volgende categorieën: Woningtype

Aantal

Norm (rest beb. kom) Subtotaal

Huur, appartement, sociale huur (alle oppervlakten)

24

0,95

22,8

Woonzorgwoningen

10

n.t.

2,0

Koop, appartement, vrije sector, >100 m2 bvo

3

1,85

5,55

Koop, appartement, 6 vrije sector, 75-100 m2 bvo

1,45

8,7

Koop, appartement, vrije sector, <75 m2 bvo

8

Totaal

51

50,65

Voor de woonzorgwoningen is gerekend met een parkeereis van 2 voor de zorgmedewerkers. De 24 sociale huurappartementen worden berekend op basis van de norm voor huur, appartement, sociale huur, <75 m² bvo in de zone rest bebouwde kom, zijnde 0,95 parkeerplaats per woning. Dit leidt tot een subtotaal van 24 × 0,95 = 22,8 parkeerplaatsen. Voor de 10 woonzorgwoningen wordt een norm van 0,20 parkeerplaats per woning gehanteerd, overeenkomend met de categorie aanleunwoning/serviceflat dan wel een nader onderbouwde maatwerknorm conform de Nota. Dit resulteert in 2,0 parkeerplaatsen. De 3 koopappartementen met een oppervlak groter dan 100 m² bvo worden berekend op basis van de norm 1,85 per woning (3 × 1,85 = 5,55 parkeerplaatsen). De 6

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Haaksbergen Dorp, partiele herziening Hartgerink NL.IMRO.0158.BP1219-0001

30

koopappartementen in de categorie 75–100 m² bvo leveren op basis van de norm 1,45 per woning 6 × 1,45 = 8,70 parkeerplaatsen op. De 8 koopappartementen kleiner dan 75 m² bvo resulteren in 8 × 1,45 = 11,60 parkeerplaatsen. De totale berekende parkeerbehoefte bedraagt, na afronding overeenkomstig paragraaf 5.5 van de Nota (afronding vindt plaats in de laatste berekeningsfase naar het dichtstbijzijnde gehele getal), 51 parkeerplaatsen. De initiatiefnemer draagt zorg voor de realisatie van het vereiste aantal parkeerplaatsen op eigen terrein, overeenkomstig uitgangspunt 2 van de Nota. De te realiseren parkeerplaatsen zijn als zodanig opgenomen in het inrichtingsplan en voldoen aan de maatvoeringsrichtlijnen uit bijlage V van de Nota en de toepasselijke CROW-normen (ASVV). Toekomstige wijzigingen en dynamische verwijzing Het TAM-omgevingsplan bevat een dynamische verwijzing naar het op het moment van toetsing geldende gemeentelijke parkeerbeleid. Dit betekent dat indien in de toekomst sprake is van een uitbreiding of functieverandering die leidt tot een andere of hogere parkeerbehoefte, de parkeereis opnieuw dient te worden berekend en getoetst aan het op dat moment geldende parkeerbeleid van de gemeente Haaksbergen.

Een dergelijke wijziging kan betrekking hebben op onder meer een verandering van woningtype, woninggrootte of het toevoegen van een andere activiteit of functie in de commerciële ruimte. Deze verwijzing is opgenomen om te waarborgen dat het parkeerbeleid actueel en handhaafbaar blijft, zonder dat elke beleidsaanpassing een herziening van het TAM-omgevingsplan noodzakelijk maakt. De initiatiefnemer en toekomstige gebruikers kunnen derhalve geen rechten ontlenen aan de parkeernormen zoals die golden ten tijde van de vaststelling van dit plan, voor zover sprake is van een nieuwe aanvraag om een omgevingsvergunning of een andere planologisch relevante wijziging. Ook in geval van uitbreiding of functiewijzing dient altijd te worden voldaan aan de op dat moment geldende parkeernormen. 5.3.1

Conclusie

De totale parkeerbehoefte voor het onderhavige plan bedraagt 51 parkeerplaatsen. Het plan voorziet in de realisatie van dit aantal parkeerplaatsen op eigen terrein. Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan de eisen uit de Nota Parkeernormen Haaksbergen 2024 en verder en dat het aspect parkeren geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.

5.4

Gebiedsbescherming en soortenbescherming

5.4.1

Gebiedsbescherming

5.4.1.1

Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Haaksbergen Dorp, partiele herziening Hartgerink NL.IMRO.0158.BP1219-0001

31

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Situatie plangebied Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Buurserzand & Haaksbergerveen' en ligt op een afstand van circa 2,34 km van de planlocatie aan de Albert Cuyplaan 58. De afstand tot de planlocatie is weergegeven in figuur 5.3. Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar.

Figuur 5.3 Uitsnede Natura 2000-kaart, plangebied onder de blauwe icoon (Bron: Atlas leefomgeving) Voor het voorliggende plan is wel een AERIUS-berekening uitgevoerd om de effecten van stikstof het Natura 2000-gebied te berekenen. Het gehele rapport is te lezen in Bijlage 4. Dit zijn de belangrijkste conclusies: De berekeningen zijn uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2024.1.1. Voor de beoogde situatie is gerekend voor het rekenjaar 2026, omdat uitgegaan wordt dat het plan in dit jaar wordt uitgevoerd. Voor de gebruiksfase is gerekend voor het rekenjaar 2027, omdat wordt geacht dat de bebouwing met een doorlooptijd van half jaar voor het bouwproject en het doorlopen van de procedure van de vergunningaanvraag dan in gebruik kan worden genomen. De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is in alle gevallen berekend voor omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit. Als bijlage bij deze rapportage behoort het AERIUS analysebestand (pdf) met rekenresultaten (bronnen, rekenpunten en resultaten) van de aanleg- en gebruiksfase van de beoogde situatie. Aanlegfase De totale NOx-emissie bedraagt in totaal 56,3 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 1,6 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Gebruiksfase De totale NOx-emissie bedraagt 25,4 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 2,2 kg/j.

Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Haaksbergen Dorp, partiele herziening Hartgerink NL.IMRO.0158.BP1219-0001

32

komt er zowel NOx als NH3 vrij. Door uitvoering van de voorliggende AERIUS-berekening is aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In de aanleg- en gebruiksfase ligt de emissie dan ook niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de aanleg- en gebruiksfase waarbij uitgegaan wordt van de uitgangspunten zoals opgenomen in deze AERIUS-berekening, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx of NH3 plaats in Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. De AERIUS Calculator 2024.1.1 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura-2000-gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. 5.4.1.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Situatie plangebied Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland hoeft het voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Conclusie Het plangebied ligt op circa 2 km afstand van gronden die behoren tot het NNN. De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. 5.4.2

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub g Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Situatie plangebied In het kader van de ontwikkeling is natuuronderzoek uitgevoerd door Bureau Bleijerveld. Het gehele rapport is te lezen in Bijlage 5. Onderstaand zijn de conclusies opgenomen van de quickscan.

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Haaksbergen Dorp, partiele herziening Hartgerink NL.IMRO.0158.BP1219-0001

33

Vleermuizen (Ow-Habitatrichtlijn, Bal 11.46) Door de sloop van het gebouw kan verstoring, sterfte en verlies van verblijfplaatsen optreden. Daarom dient een nader onderzoek naar de functie van de gebouwen voor vleermuizen plaats te vinden. Het onderzoek naar verblijfplaatsen moet gebeuren in de periode 15 mei – 15 juli en 15 augustus – 30 september. Broedvogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen (Ow-Vogelrichtlijn, Bal 11.37) In de klimop aan de zuidwesthoek van het gebouw kunnen vogels tot broeden komen. Bij sloop in het broedseizoen dient de klimop voor aanvang van het broedseizoen te worden verwijderd. De piek van het broedseizoen beslaat de periode van 15 maart tot 15 juli, maar eerdere en vooral latere broedgevallen zijn mogelijk. In de periode van 1 september tot 1 maart is de kans op broedgevallen gering. Met de sloop van de gebouwen is rekening gehouden met het broedseizoen. De klimop is verwijderd op of na 1 oktober 2025. Hiermee is er rekening gehouden met het broedseizoen van verschillende vogelsoorten. Voor de sloop van de huidige bebouwing en de realisatie van de woningen is een aanvullend vleermuizen onderzoek uitgevoerd. Het gehele rapport is opgenomen in Bijlage 6. Onderstaand zijn de conclusies opgenomen van dit aanvullende onderzoek.

Uit het flora- en faunaonderzoek is naar voren gekomen dat het plangebied geen verblijfplaatsen bevat van vleermuizen of andere niet vrijgestelde beschermde soorten. Als gevolg van de geplande werkzaamheden kunnen negatieve effecten hierom worden uitgesloten. Het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is niet aan de orde evenals het nemen van aanvullende maatregelen. Een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor de voorgenomen activiteit wordt niet noodzakelijk geacht, vanwege het ontbreken van vleermuisverblijfplaatsen in het plangebied. Op basis van de voorgenomen activiteit en werkwijze is een overtreding van de natuurwetten, onderdeel soortenbescherming, niet aan de orde. Vanuit de eisen van de natuurbescherming is het plan derhalve uitvoerbaar. Conclusie Het aspect 'soortenbescherming' vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.

5.5

Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Haaksbergen Dorp, partiele herziening Hartgerink NL.IMRO.0158.BP1219-0001

34

manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Situatie plangebied Met voorliggend plan wordt de realisatie van 57 appartementen, met optie tot realisatie van 2 extra appartementen waar mede de zorgwoningen zijn toegestaan, en een commerciële ruimte mogelijk gemaakt. Als gevolg hiervan zullen 356 extra verkeersbewegingen per etmaal plaatsvinden. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 356 per dag gesteld worden. Van deze verkeersbewegingen zal een deel vrachtverkeer zijn, waardoor het percentage vrachtverkeer op 2% gezet kan worden. In figuur 5.4 is de worst-case berekening weergegeven met 356 extra voertuigbewegingen.

Figuur 5.4 Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.

5.6

Geluid

5.6.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels voor het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. De toepasselijke instructieregels zijn opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a.4. De relevante artikelen voor onderhavig plan zijn: Artikel 5.78s Bkl: dit artikel bevat instructieregels die bepalen dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en dat een omgevingsplan erin voorziet dat dit geluid aanvaardbaar is. Artikel 5.78t Bkl en tabel 5.78t: de standaardwaarden per geluidbronsoort. Voor gemeentelijke wegen bedraagt de standaardwaarde 53 dB (Lden). Geluid dat voldoet aan

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Haaksbergen Dorp, partiele herziening Hartgerink NL.IMRO.0158.BP1219-0001

35

de standaardwaarde is in ieder geval aanvaardbaar. Artikel 5.78u Bkl en tabel 5.78u: de grenswaarden per geluidbronsoort en de voorwaarden waaronder een omgevingsplan een hogere geluidbelasting dan de standaardwaarde mag toestaan. Voor gemeentelijke wegen bedraagt de grenswaarde 70 dB (Lden). Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan. Artikel 5.78ab Bkl: verplichting om bij de afweging van geluidbeperkende maatregelen het belang van een geluidluwe gevel te betrekken. Artikel 5.78ac Bkl: verplichting om het gecumuleerde geluid van meerdere geluidbronsoorten te beoordelen. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidaandachtsgebied. Wanneer de geluidbelasting op de gevel de standaardwaarde overschrijdt, dient het bevoegd gezag te beoordelen of de hogere geluidbelasting aanvaardbaar is, met inachtneming van de voorwaarden als bedoeld in artikel 5.78u Bkl. 5.6.2

Situatie plangebied

Het plangebied is gelegen in het geluidaandachtsgebied van de Albert Cuyplaan, de Goorsestraat en de Hengelosestraat. Om te bepalen of een aanvaardbaar geluidniveau kan worden gegarandeerd, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Munsterhuis Geluidsadvies (Bijlage 7). Het onderzoek richt zich op het bepalen van de geluidbelasting op de gevel ten gevolge van wegverkeersgeluid afkomstig van de Albert Cuyplaan, de Goorsestraat en de Hengelosestraat. De geluidbelasting is vastgesteld conform de meet- en rekenvoorschriften van de Aanvullingsregeling geluid.

Uit het akoestisch onderzoek volgen de volgende conclusies: De standaardwaarde van 53 dB (Lden) als bedoeld in tabel 5.78t Bkl ten gevolge van gemeentelijk wegen wordt overschreden ter plaatse van meerdere gevels van de appartementen; Geluidbeperkende maatregelen om aan de standaardwaarde van 53 dB te voldoen zijn onderzocht. Vanwege overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige en financiële aard zijn deze maatregelen niet realiseerbaar (zie §5.6.3) Omdat ter plaatse van meerdere gevels niet wordt voldaan aan het de standaardwaarde van 53 dB, dient aangetoond worden dat de karaktristieke geluidwering van de gevels voldoet aan de eisen uit art. 4.103 uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Extra geluidwerende maatregelen zijn noodzakelijk en zijn als voorwaardelijke verplichting geborgd in artikel 4.3.4 van de planregels.

5.6.3

Beoordeling aanvaardbaarheid hogere geluidwaarde

Op grond van artikel 5.78u lid 1 Bkl kan het omgevingsplan een hogere geluidbelasting dan de standaardwaarde toestaan indien cumulatief aan drie voorwaarden is voldaan: (a) geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen, (b) de overschrijding van de standaardwaarde wordt door het treffen van maatregelen zoveel mogelijk beperkt, en (c) het geluid op de gevel is niet hoger dan de grenswaarde uit tabel 5.78u Bkl. Artikel 5.78u lid 3 Bkl bepaalt daarbij dat geluidbeperkende maatregelen in aanmerking worden genomen als zij financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Hierna wordt per voorwaarde gemotiveerd dat aan artikel 5.78u Bkl is voldaan.

Voorwaarde a – geen geluidbeperkende maatregelen mogelijk om aan de standaardwaarde te voldoen: Onderzocht is of door middel van bron- of overdrachtsmaatregelen de geluidbelasting op de gevels kan worden teruggebracht tot de standaardwaarde van 53 dB. De volgende maatregelen zijn afgewogen. Geluidswal of geluidsscherm (overdrachtsmaatregel) Een geluidswal langs de Albert Cuyplaan of de Goorsestraat is stedenbouwkundig niet

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Haaksbergen Dorp, partiele herziening Hartgerink NL.IMRO.0158.BP1219-0001

36

inpasbaar. Een wal neemt aanzienlijke ruimte in beslag die in het ontwerp is bestemd voor groen en openbare verblijfsruimte. Bovendien belemmert een geluidswal het zicht voor automobilisten ter plaatse van de nabijgelegen rotonde (Albert Cuyplaan / Goorsestraat / Hengelosestraat), hetgeen een onaanvaardbare verslechtering van de verkeersveiligheid oplevert. Er is sprake van overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en verkeerskundige aard als bedoeld in artikel 5.78u lid 3 Bkl. Stiller asfalt (bronmaatregel) Het aanbrengen van geluidsreducerend asfalt vereist aanpassing van drie afzonderlijke gemeentelijke wegen. Dit betreft een investering die buiten de projectgrenzen valt en waarvoor afzonderlijke besluiten benodigd zijn. De maatregel is niet financieel doelmatig in verhouding tot het projectbelang en is daarmee niet in aanmerking te nemen op grond van artikel 5.78u lid 3 Bkl. Verlaging maximumsnelheid (bronmaatregel) Een verlaging van de maximumsnelheid op de omliggende wegen levert een beperkte geluidreductie op van doorgaans 1 tot 2 dB per 10 km/u verlaging en is onvoldoende om de overschrijding van de standaardwaarde ongedaan te maken. Bovendien vereist een dergelijke maatregel een afzonderlijk besluit en raakt zij aan het bredere verkeersbeleid van de gemeente, hetgeen overwegende bezwaren van verkeerskundige aard oplevert.

Geconcludeerd wordt dat geen van de onderzochte geluidbeperkende maatregelen toereikend en realiseerbaar zijn om aan de standaardwaarde van 53 dB te voldoen. Aan voorwaarde a van artikel 5.78u lid 1 Bkl is voldaan. Voorwaarde b – overschrijding zoveel mogelijk beperkt Omdat overdrachts- en bronmaatregelen vanwege de hiervoor genoemde bezwaren niet realiseerbaar zijn, is het niet mogelijk om de overschrijding van de standaardwaarde te beperken. Voorwaarde c – geluidbelasting niet hoger dan de grenswaarde De maximale geluidbelasting op de gevel bedraagt 62 dB (Lden). De grenswaarde voor gemeentelijke wegen bedraagt op grond van tabel 5.78u 70 dB (Lden). Het geluid blijft daarmee onder de wettelijke grenswaarde voor geluidgevoelige gebouwen. Aan voorwaarde c van artikel 5.78u lid 1 Bkl is voldaan. Geluidluwe gevel – artikel 5.78ab Bkl Op grond van artikel 5.78ab lid 1 Bkl dient het bevoegd gezag bij het overwegen van geluidbeperkende maatregelen het belang van een geluidluwe gevel te betrekken. Een geluidluwe gevel biedt bewoners de mogelijkheid zich (tijdelijk) aan het geluid te onttrekken en heeft een bewezen positief effect op de gezondheid en het woongenot. Het Bkl definieert niet wat een geluidluwe gevel is. Over het algemeen wordt gehanteerd dat voldoen aan de standaardwaarde betekent dat sprake is van een geluidluwe gevel.

Een overschrijding van de standaardwaarde met ten hoogste 5 dB kan als relatief geluidluw beschouwd worden. Hiervan kan gezien de locatie nabij doorgaande wegen overwogen worden dat dit ook nog aanvaardbaar is. Het plan kent drie gebouwen met appartementen. Uit het akoestisch onderzoek (Bijlage 7) blijkt dat niet alle appartementen beschikken over een geluidluwe gevel. Voor de appartementen waar geen geluidluwe gevel kan worden gerealiseerd is een overzicht opgenomen in Bijlage 3 van het akoestisch onderzoek. Voor de appartementen zonder geluidluwe gevel kan de akoestische woonkwaliteit op de volgende wijze geborgd worden. De balkons en buitenruimten van deze appartementen kunnen (half-)dicht worden uitgevoerd, waarbij de mogelijkheid tot ventileren behouden blijft. Gedacht kan worden aan schuifbare beglazing, zodat de bewoner zelf de keuze heeft om al dan niet blootgesteld te worden aan geluidhinder. De akoestische kwaliteit van de loggia of het balkon kan verder worden verbeterd door toepassing van een akoestisch absorberend plafond. Met de combinatie van deze maatregelen kan ook voor deze appartementen een geluidluwe buitenruimte en een functioneel geluidluwe gevel worden gerealiseerd. Idealiter zijn verblijfsruimten zoals slaapkamers niet gesitueerd aan de hoogst belaste gevel.

Met name de woningen in gebouw A gelegen aan de oostgevel, aan de zijde Goorsestraat, beschikken niet over een geluidluwe zijde of een relatief geluidluwe zijde (overschrijding van de standaardwaarde met ten hoogste 5 dB). Voor deze woningen is de volgende voorwaardelijke verplichting opgenomen om er voor te zorgen dat sprake is van een

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Haaksbergen Dorp, partiele herziening Hartgerink NL.IMRO.0158.BP1219-0001

37

'evenwichtige toedeling van functies aan locaties': Aan de balkons moeten voorzieningen getroffen te worden, zodat het geluid op (een deel van) het balkon niet hoger is dan 58 dB; Om slaapverstoring te voorkomen dienen de slaapkamers van deze appartementen: 1. van een gebalanceerd ventilatiesysteem voorzien te worden, zodat het niet nodig is om een raam te openen voor ventilatie tijdens het slapen; óf er worden geluidwerende voorzieningen voor de te openen delen geplaatst, zodat op het te openen deel voldaan wordt aan de standaardwaarde van 53 dB. De slaapkamers zijn in de gebouwen B en C en voor gebouw A aan de westgevel gesitueerd aan de minder belaste gevels, waarbij de overschrijding van de standaardwaarde op die gevels maximaal 4 dB bedraagt. Dit wordt beschouwd als relatief geluidluw en is in combinatie met de noodzakelijke geluidwerende voorzieningen volgens artikel 4.103 Bbl aanvaardbaar. Hiermee is sprake van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Gecumuleerd geluid – artikel 5.78ac Bkl Op grond van artikel 5.78ac Bkl dient het gecumuleerd geluid van meerdere geluidbronsoorten te worden beoordeeld wanneer een geluidgevoelig gebouw in de geluidaandachtsgebieden van meer dan één geluidbron is gelegen. In deze situatie is alleen sprake van de geluidbronsoort 'gemeentelijke wegen'. Beoordeling van gecumuleerd geluid is hiermee niet aan de orde.

Zwaarwegend maatschappelijk belang Het plan voorziet in de realisatie van 57 appartementen, met de optie van twee extra appartementen waar mede zorgwoningen zijn toegestaan, op een voormalige bedrijfslocatie in de kern van Haaksbergen. De locatie is als sleutelproject opgenomen bij de provincie. Het toevoegen van levensloopbestendige woningen en zorgappartementen op een binnenstedelijke herontwikkelingslocatie is een zwaarwegend maatschappelijk belang. Zonder de mogelijkheid een hogere geluidwaarde toe te staan is realisatie van het plan op deze locatie niet mogelijk. Het maatschappelijk belang rechtvaardigt de afwijking van de standaardwaarde, mede gelet op het feit dat door verplichte gevelmaatregelen een aanvaardbaar binnenniveau wordt gegarandeerd. 5.6.4

Voorwaardelijke verplichting gevelweringsonderzoek

Ter borging van een aanvaardbaar akoestisch binnenniveau is in artikel 4.3.4 van de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze houdt in dat een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit ten behoeve van de woonfunctie slechts kan worden verleend nadat een gevelweringsonderzoek is ingediend en goedgekeurd door het bevoegd gezag. In dit onderzoek dient te worden aangetoond dat door middel van geluidwerende gevelmaatregelen de karakteristieke geluidwering van de gevel voldoet aan de eisen uit artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Het gezamenlijk geluid van maximaal 62 dB is eveneens opgenomen in artikel 4.1 sub a onder 5 van de planregels. 5.6.5

Conclusie

Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het geluiddoor gemeentewegen op de gevels van de appartementen aanvaardbaar is.

5.7

Geur

In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: Zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2) Het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3) Andere agrarische activiteiten zoals het opslaan van vaste mest, compost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (paragraaf 22.3.6.4 bruidsschat). In artikel 5.92 Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is, Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Haaksbergen Dorp, partiele herziening Hartgerink NL.IMRO.0158.BP1219-0001

38

situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden. Toets In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen (agrarische) bedrijven die milieubelastende activiteiten uitoefenen. Er is dan ook geen sprake van eventuele geuroverlast. Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect geur geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

5.8

Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'.

Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Haaksbergen Dorp, partiele herziening Hartgerink NL.IMRO.0158.BP1219-0001

39

verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Situatie plangebied Aan hand van de kaarten met betrekking tot het thema 'Veilige omgeving' zoals opgenomen in de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.

Op deze kaarten staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

Figuur 5.5 Uitsnede risicokaart, planlocatie is onder de blauwe druppel (Bron: Atlas Leefomgeving) Op basis van de risicokaart Nederland (figuur 5.5) zijn er in de directe omgeving van de Albert Cuyplaan 58 geen externe risico’s. De dichtstbijzijnde risicobron ligt op circa 385 meter afstand. Het gaat daarbij om een buisleiding. Gezien de onderlinge afstand en het feit dat het plangebied buiten het aandachtsgebied ligt van deze risicobron, vormt deze risicobron geen belemmering voor dit initiatief. Conclusie Vanuit het aspect omgevingsveiligheid worden geen belemmeringen verwacht voor het voorliggende plan.

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Haaksbergen Dorp, partiele herziening Hartgerink NL.IMRO.0158.BP1219-0001

40

5.9

Trilling

In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect Trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De instructieregels voor trillingen zien uitsluitend op trillingen die door een activiteit worden veroorzaakt ter plaatse van een trillinggevoelig gebouw dat planologisch legaal is (toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit). In het tweede lid van artikel 5.79 zijn een aantal gevallen aangewezen waarin de instructieregels voor trillingen niet van toepassing zijn. Echter zal met het oog op een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (ETFAL) bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, gemotiveerd moeten worden dat de ter plaatse van trillinggevoelige objecten optredende trillingen aanvaardbaar zijn.

Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd); onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Toets Met voorliggend plan wordt een bedrijfslocatie gesloopt aan de Albert Cuyplaan 58. Daarvoor in de plaats worden drie woongebouwen teruggebouwd. In deze woongebouwen komen reguliere woningen en zorgwoningen. Zoals aangegeven werkt rekening houden met trillingen door activiteiten twee kanten op. 1. Bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen dient rekening te worden gehouden met trillingen. Rondom het plangebied zijn hoofdzakelijk woningen gevestigd. In Artikel 5.80 van het Bkl staat de gebruiksfunctie 'wonen' omschreven als een trillinggevoelige functie. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen door activiteiten en de situaties die zijn uitgezonderd van de instructieregels van het Bkl. De activiteit wonen en zorg behoort tot één van de uitzonderingen. 2.

Omgekeerd dient ook rekening te worden gehouden met trillingen bij het toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten. De planlocatie gaat van een bedrijfsfunctie naar een woonfunctie. Hiermee worden er nieuwe trillingsgevoelige gebouwen toegelaten. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen trillingsveroorzakende functies. Conclusie Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'Trillingen'.

5.10

Archeologie en cultuurhistorie

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Haaksbergen Dorp, partiele herziening Hartgerink NL.IMRO.0158.BP1219-0001

41

omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorischedubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Archeologie Op het plangebied geldt een dubbelfunctie 'Waarde - Lage archeologische verwachting'. Onder deze functie is het niet toegestaan om bodemingrepen groter dan 100.000 m2 en dieper dan 0,4 meter uit te voeren zonder archeologisch onderzoek. Binnen het plangebied vinden geen (graaf)werkzaamheden plaats die groter zijn dan de gestelde regels. Archeologisch onderzoek is hierom niet noodzakelijk. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor uitvoering van voorliggend plan.

Cultuurhistorie Het projectgebied bevat geen rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten. Het voorliggend plan heeft geen negatieve gevolgen voor het aspect 'cultuurhistorie'. Conclusie Uit het vorenstaande blijkt dat er geen archeologische en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad met het beoogde initiatief. Geconcludeerd kan worden dat de aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' geen belemmeringen veroorzaken voor het beoogde initiatief.

5.11

Bodem

Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16854828/1