bijlage 1-2: TOE BP Haaksbergen, O&K-terrein vaststelling (09-08-2023) + bijlagen bij toelichting
Tekst van het document
4.3.1.2 Visie De gemeente Haaksbergen heeft de visie vertaald in een visiekaart. Deze visiekaart geeft de visie voor de komende 10-15 jaar weer. Hierna is een uitsnede van de visiekaart opgenomen. Vervolgens wordt op de ambities ingegaan. In afbeelding 4.4 is een uitsnede van de visiekaart opgenomen, waaruit blijkt dat het onderhavige plangebied in de structuurvisie is aangemerkt als ‘Herontwikkeling bedrijventerrein’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan “Haaksbergen, partiële herziening O&K-terrein” Vastgesteld
Afbeelding 4.4
Uitsnede structuurvisiekaart (Bron: Gemeente Haaksbergen)
In voorliggend geval is vooral ambitie 7 van belang. 4.3.1.3 Ambitie 7: Verbreden van het aanbod aan woonmilieus Haaksbergen is een geliefd dorp. Veel mensen melden in de bewonersenquête dat ze met veel plezier in Haaksbergen wonen. De kwaliteiten die Haaksbergen heeft met het hoge voorzieningenniveau, de nabijheid van grote(re) steden als Hengelo en Enschede, en het mooie buitengebied, zorgen voor een aantrekkelijk woonklimaat voor jong en oud. Diversiteit in woningen en woonmilieus Ook Haaksbergen ontspringt de dans van ‘vergrijzing’ en ‘ontgroening’ niet: veel jongeren keren na hun studie niet meer terug naar Haaksbergen, terwijl het aandeel oudere bewoners naar verhouding toeneemt. Haaksbergen wil graag haar jongere inwoners behouden en/ of haar voormalige inwoners laten terugkeren. Het is daarvoor een belangrijke opgave om het woningaanbod aantrekkelijk en gevarieerd te houden en daarnaast de voorzieningen en werkgelegenheid te bieden waarnaar de mensen op zoek zijn. Juist voor jongeren en ouderen is een goed aanbod aan passende woningen beperkt. Deze groepen hebben meestal behoefte aan wat kleinere, betaalbare woningen in de omgeving van het centrum. In de omgeving van het centrum zijn inbreidingslocaties om hieraan invulling te geven, ruimschoots voorradig.
Bij elke ontwikkeling is aandacht nodig voor de levensloopbestendigheid van woningen, zodat ze voor alle doelgroepen (starters, senioren, gezinnen, 1-2 persoonshuishoudens) aantrekkelijk zijn. De opgave die hiermee samenhangt, is dat mensen zoveel mogelijk in hun woonomgeving moeten kunnen blijven wonen, ook als ze zorgbehoevend worden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan “Haaksbergen, partiële herziening O&K-terrein” Vastgesteld 4.3.1.4 Toetsing van het initiatief aan de ‘Structuurvisie 2030, Haaksbergen: groenste dorp van Twente’ Het plan sluit ruimtelijk en functioneel gezien goed aan op de ambities genoemd in de structuurvisie. Het plangebied is expliciet aangewezen als herontwikkelingslocatie, waarbij de woonfunctie expliciet als passende functie wordt genoemd. Voorliggend plan gaat in aansluiting op het project ‘Kop Parallelweg’ een verder vervolg geven aan de transformatie van dit deel van Haaksbergen. Het plan voorziet in verscheidene woningtypen en segmenten, waardoor het gelet op de aantallen een aanzienlijke bijdrage levert aan de woningdifferentiatie en -behoefte binnen Haaksbergen. Tot slot wordt met het onderbrengen van een werkfunctie in het te handhaven kantoor de cultuurhistorische waarde van betreffend pand behouden. Bestaande gedateerde bebouwing die ontsierend is wordt gesloopt, uitsluitend het karakteristieke kantoor blijft behouden. Daarnaast zoekt het ontwerp enerzijds aansluiting bij de historie van de locatie (fabriek) en nabij bestaande woonbebouwing veelal een landelijke uitstraling. Het plan levert dan ook een forse ruimtelijke kwaliteitsverbetering op en draagt bij aan duurzaamheidsambities van de gemeente Haaksbergen (gasloos bouwen, integreren wateropgave etc.).
Geconcludeerd wordt dan ook dat het plan is in overeenstemming met de structuurvisie van de gemeente Haaksbergen. 4.3.2
Woonvisie ‘Goed wonen in Haaksbergen’
4.3.2.1 Algemeen De gemeente Haaksbergen heeft ter voorbereiding op de nieuwe woonvisie een woonbehoefteonderzoek onder haar bevolking laten uitvoeren. Met het onderzoek is een helder beeld ontstaan omtrent de actuele behoefte aan woningen in algemeenheid (aantallen) als woningtypen. Op basis van het onderzoek is de Woonvisie “Goed wonen in Haaksbergen” opgesteld, waarin de uitgangspunten, ambities en voornemens voor de komende 5 jaar zijn verwoord. De visie is op 5 juli 2023 vastgesteld door de gemeenteraad van Haaksbergen. Met deze visie wil de raad meer grip op de woningmarkt. Aan de hand van een verschillende thema’s wil de gemeenteraad inzetten op: • • • • • • •
versnellen van woningbouwproductie realiseren van betaalbare woningen en gemêleerde woonwijken doorstroming op de woningmarkt, door de juiste woning op de juiste plek de bestaande woningvoorraad toekomstbestendig te maken waarborgen van vitaliteit en leefbaarheid in de kernen en het buitengebied bouwen aan een inclusieve samenleving verduurzaming van de bestaande woningvoorraad
De woonvisie wordt uitgewerkt in een uitvoeringsprogramma. Hierin staan de concrete acties voor de komende jaren benoemd. 4.3.2.2 Kwantitatieve behoefte De ambitie van onze gemeente is groter dan de lange termijnbehoefte op basis van de Primos prognose (2020) en het plus scenario. Dit komt mede voort uit de grote landelijke ambitie (in de Nationale woon- en bouwagenda is een lange termijndoel van 900.000 woningen tot 2030 opgenomen) en de afspraken die de provincie Overijssel vervolgens heeft gemaakt met het Rijk en de regiogemeenten in het kader van de Woondeal Twente. In de Woondeal Twente, welke op 21 december door partijen is ondertekend, is afgesproken dat elke regionale gemeente, dus ook de gemeente Haaksbergen, een bijdrage levert aan de regionale woningbouwopgave van 14.100 woningen. Het aantal woningen per regiogemeente wordt “fair share” verdeeld. Hierbij is wel de kanttekening gemaakt dat de bijdrage moet passen bij de lokale opgave en het karakter van de gemeente. Het plus-scenario is gericht op het invullen van de extra (boven-) regionale ambitie: bovenop de basisbehoefte (basis-scenario) om een bijdrage te leveren aan het terugdringen van het woningtekort in de provincie. In het plus-scenario is er in de periode 2020 tot 2030 behoefte aan 385 tot 445 woningen. Tot 2030 wordt een BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan “Haaksbergen, partiële herziening O&K-terrein” Vastgesteld additionele behoefte voor 20 tot 60 grondgebonden koopwoningen verwacht (in totaal circa 500 woningen). Dit kan verklaard worden door het relatief grotere aandeel jonge stellen en gezinnen in het plus-scenario. Ook in het plus-scenario is in de gemeente Haaksbergen vooral behoefte aan appartementen en levensloopbestendige woningen, met name door de toename van het aantal huishoudens van 65 jaar en ouder. 4.3.2.3 Kwalitatieve behoefte De kwalitatieve opgaven doen zich in toenemende mate voor in het segment appartementen en nultredenwoningen. Dit door de eerder genoemde vergrijzing en de kleiner wordende huishoudens. Het grootste deel van de woningvoorraad staat er op dit moment al. Nieuwbouw betreft maar een beperkt deel van de totale opgave op de woningmarkt. De grondgebonden woningen voor gezinnen zijn niet altijd geschikt (te maken) voor de toenemende groep oudere en/kleine huishoudens. Complementair toevoegen aan de voorraad gaat daarom steeds vaker om toevoegen van die woningtypen waar in de bestaande voorraad nog weinig aanbod is. De woningbouwplannen worden daarom adaptief geprogrammeerd. Door adaptief te programmeren is het mogelijk flexibel te blijven, mee te bewegen met ontwikkelingen en in te spelen op kansen.
Als de woningverdeling zoals afgesproken in de Woondeal Twente wordt toegepast op de bouw van circa 500 woningen voor de komende 10 jaar, dan komen de tot de volgende (indicatieve) programmering:
4.3.2.4 Inbreiding voor uitbreiding Bij de bouw van nieuwe woningen wordt ingezet op inbreidingslocaties in en rondom de kern van Haaksbergen. Om een goed beeld te krijgen van de beschikbare locaties in het de kern van Haaksbergen moet de Nota inbreidingslocaties (2025) worden geactualiseerd. 4.3.2.5 Toetsing van het initiatief aan de woonvisie ’Goed wonen in Haaksbergen’ Het O&K terrein in Haaksbergen is aangewezen als één van de sleutelprojecten in de regio. Voorliggend bestemmingsplan maakt in totaal 97 woningen mogelijk. Het gaat om diverse woningtypen, namelijk; 1. 2. 3. 4. 5. 6.
14 vrijstaande woningen (incl. 4 extra woningen op aangrenzende percelen); 8 twee-onder-een kapwoningen; 35 tussen-/hoekwoningen; 16 levensloopbestendige woningen; 12 beneden/bovenwoningen; 12 appartementen.
Het gaat dus zowel om grondgebonden als niet-grondgebonden in zowel het goedkope, middeldure als dure segment. Op dit moment is nog duidelijk of en hoeveel woningen er verhuurd zullen worden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan “Haaksbergen, partiële herziening O&K-terrein” Vastgesteld Voorliggend plan past qua aantallen binnen de geraamde kwantitatieve behoefte (circa 500 woningen tot 2030). Daarnaast sluit het plan, gelet op de grote diversiteit aan woningtypen, ook kwalitatief goed aan op de behoefte. Het plan voorziet in de kwalitatieve behoefte van zowel starters, 1-/2 persoonshuishoudens, gezinnen en senioren. Geconcludeerd wordt dat het plan aansluit bij de gemeentelijke woonvisie. 4.3.3
Notitie inbreidingslocaties 2025
4.3.3.1 Algemeen Om tot de periode 2025 een beeld te hebben van aanstaande ontwikkelingen met betrekking tot inbreidingslocaties, heeft de gemeente Haaksbergen de ‘Notitie inbreidingslocaties’ opgesteld. Deze notitie heeft als doel om de komende jaren een leidraad te vormen voor binnenstedelijke herontwikkelingen. Deze notitie kent, in tegenstelling tot de verouderde notitie uit 2006, geen gedetailleerde beschrijvingen van individuele locaties. Hiervoor is bewust gekozen, omdat de toekomst andere details kan vragen dan de nu geldende normen. Hierdoor is er een zeker mate van flexibiliteit ontstaan, wat de bruikbaarheid ten goede komt. In de notitie zijn inbreidingslocaties benoemd die ten tijde van het opstellen daarvan voorhanden waren of in de (nabije) toekomst logische locaties zouden kunnen zijn. Het plangebied wordt expliciet genoemd als inbreidingslocatie waar een verbeterslag haalbaar en wenselijk is. 4.3.3.3 Toetsing van het initiatief aan de Notitie inbreidingslocaties 2025 Het plangebied is specifiek genoemd als potentiele inbreidingslocatie in de ‘Notitie inbreidingslocaties 2025’. Uit paragrafen 4.3.1 en 4.3.2 is gebleken dat aan de ambities van de structuurvisie wordt voldaan en een bijdrage wordt geleverd aan de woningbehoefte.
Door de ontwikkeling van het plangebied met woningbouw wordt een bijdrage geleverd aan de versterking van de bestaande woonmilieus en is er qua woningtypen sprake van verrijking doordat in verschillende segment, levensloopbestendig en duurzaam wordt gebouwd. Het voornemen sluit goed aan bij het bepaalde in de ‘Notitie inbreidingslocaties 2025’. 4.3.4
Welstandsnota gemeente Haaksbergen
4.3.4.1 Algemeen De Welstandsnota van de gemeente Haaksbergen is vastgesteld in 2014 en beschrijft het kader en de ambitie voor de beoordeling van bouwplannen in relatie ook tot de omgeving en met het oog op toekomstige ontwikkelingen. 4.3.4.2 Toetsing van het initiatief aan de Welstandsnota In dit geval wordt er een beeldkwaliteitsplan opgesteld, gezien de omvang en (bijzondere) invulling van het gebied. Dit beeldkwaliteitsplan zal na vaststelling, gelijktijdig met het bestemmingsplan, als aanvulling op de welstandsnota gelden. Bij een omgevingsvergunning voor het bouwen zal er worden getoetst aan de in het beeldkwaliteitsplan gestelde criteria. 4.3.5
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Het initiatief is in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het relevante gemeentelijke beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan “Haaksbergen, partiële herziening O&K-terrein” Vastgesteld
HOOFDSTUK 5
PLANOLOGISCHE EN MILIEUTECHNISCHE UITVOERBAARHEID
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In het kader van de milieukundige uitvoerbaarheid worden in dit hoofdstuk de volgende thema’s behandeld: bodem, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie en cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.
5.1
Bodem
5.1.1
Algemeen
Bij het vaststellen van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.1.2
Situatie plangebied
Ter plaatse van het plangebied zijn verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies uit de onderzoeken opgenomen. Voor beide onderzoeksrapportages wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze toelichting. Bodemonderzoek inpandig Uit het inpandig uitgevoerde bodemonderzoek blijkt dat op diverse locaties sprake is van verhoogde waarden. Het saneringsplan uit 2005 gaat uit van een functionele sanering van de bodem (grond en grondwater) bestaande uit het aanbrengen van een leeflaag (immobiele verontreinigingen) en kernverwijdering (mobiele verontreiniging) en is uitgevoerd om risico’s van de bodemverontreiniging weg te nemen. Deze situatie is voor het huidige gebruik (industrie) reeds bereikt. Voor de herontwikkeling naar een gevoeliger gebruik (wonen) is aanvullende sanering noodzakelijk. Hiervoor is een grondsanering van circa 4.700 m3 van de immobiele toplaag en circa 2.100 m3 van de mobiele kernen nodig. De verdere uitwerking van de saneringsopgave wordt in een gewijzigd saneringsplan nader uitgewerkt. Bodemonderzoek uitpandige terreindelen De bodem tot 2,0 meter diepte voor de verschillende deelgebieden van het O&K terrein (uitpandig) zijn indicatief onderzocht om actuele kwaliteitsgegevens van de grondlagen te verkrijgen ten behoeve van de planvorming van de herontwikkeling.
De analyseresultaten zijn grafisch samengevat in figuren 5.1 (kwaliteit toplaag) en 5.2 (kwaliteit ondergrond) van de rapportage. Conclusie is dat twee zones gesaneerd moeten worden, waarvan de omvang in grote lijnen niet anders is dan reeds bekend was. Voor het overige is herontwikkeling naar woningbouw zondermeer mogelijk, met dien verstande dat de aanwezige puinhoudende lagen – voor zover nog niet gedaan is - apart beschouwd moeten worden en bij verhoogde gehalten sanering moet plaatvinden. Opgemerkt wordt dat het bodemonderzoek zich heeft gericht op de uitpandige terreindelen. Bodemkwaliteitsgegevens onder de aanwezige bebouwing en gesloten verharding (asfalt/stelcon) zijn niet verzameld. 5.1.3
Conclusie
Uit milieukundig oogpunt is, na sanering van de aangetroffen bodemverontreinigingen, geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en eventuele nieuwbouwplannen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan “Haaksbergen, partiële herziening O&K-terrein” Vastgesteld
5.2
Geluid
5.2.1
Wettelijk kader
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.2.2
Situatie plangebied
5.2.2.1 Railverkeer- en industrielawaai In voorliggend geval zijn de aspecten railverkeerslawaai en industrielawaai niet van belang. Aangezien het plangebied niet is gelegen in of nabij een zone van een gezoneerd bedrijventerrein en tevens niet is gelegen in de nabijheid van een spoorlijn met een wettelijke geluidszone. Wat betreft de invloed van spoorwegmuseum MBS, als inrichting zijnde, op de nieuwe woningen wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). 5.2.2.2 Wegverkeerslawaai In voorliggend geval is een onderzoek naar het aspect wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierna is de conclusie uit het onderzoek opgenomen. Voor de onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze toelichting. In artikel 74.1 van de Wet geluidhinder is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben. De breedte hiervan is opgenomen in onderstaande tabel. Aantal rijstroken
Stedelijk gebied
1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken
200 meter 350 meter 350 meter
De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •
Wegen die zijn aangeduid als woonerf; Wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.
De voorkeurswaarde voor de geluidbelasting LDEN op de gevels van een woning ten gevolge van de weg bedraagt 48dB. Het projectgebied gebied ligt binnen de wettelijke geluidzone van Parallelweg, Goorsestraat, Stationsstraat en de Lansinkstraat. Al deze wegen hebben een snelheidsregime van 50 km/uur. Verder zijn er een drietal wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur meegenomen in het onderzoek. Dit betreffen de wegen: Kortenaerstraat, M.A. De Ruijterstraat en Trompstraat. Om de geluidbelasting op de te realiseren woningen te berekenen is er in eerste instantie een grid geplaatst over het projectgebied. Op basis van de resultaten is nader onderzoek gedaan naar de woningen met de codes: • • • •
NW03 (hoekwoning) NW 09 en NW10 (appartementen en boven/benedenwoningen); NW 15 en NW 16 (rijwoningen); NW27 een vrijstaande woning.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan “Haaksbergen, partiële herziening O&K-terrein” Vastgesteld Om de exacte geluidbelasting te berekenen op de in paragraaf 4.2 van het onderzoek genoemde woningen zijn 26 toetspunten geplaatst. De geluidbelasting ten gevolge van de M.A. de Ruijterstraat (30 km/uur) bedraagt hoogstens 46 dB(incl. red.) (NW03). Hiermee is het woon- en leefklimaat als aanvaardbaar te categoriseren. De geluidbelasting ten gevolge van de Parallelweg bedraagt hoogstens 51 dB (incl. red.). Deze waarde wordt behaald op alle toetspunten ter plaatse van NW15 en NW16. Met een waarde van 51 dB wordt niet voldaan aan de voorkeurswaarde aan de Wet geluidhinder, wel wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde uit de Wet geluidhinder. De geluidbelasting ten gevolge van de Stationsstraat bedraagt hoogstens 50 dB (incl. red.). Deze waarde wordt behaald op 7,5 meter op de toetspunten 03 en 04 gelegen op NW09. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder, wel wordt voldaan aan maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard. Met het nemen van gevelmaatregelen kan een binnenniveau van 33 dB worden gewaarborgd. Er kan dan ook een hogere waarde worden verleend voor de onderstaande woningen en appartementen:
Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen aangaande het aspect wegverkeerslawaai. Voor wat betreft het aspect cumulatie wordt verwezen naar paragraaf 5.5. 5.2.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Voor de woningen waar de voorkeurswaarde wordt overschreden wordt een hogere waarde verleend.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan “Haaksbergen, partiële herziening O&K-terrein” Vastgesteld 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2
Situatie plangebied
Gelet op de aard en omvang van voorliggend initiatief, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in 5.3.1.1 wordt gesteld dat voorliggend initiatief ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Daarnaast wordt de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Wat betreft de invloed van MBS, als inrichting zijnde, op de nieuwe woningen wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit initiatief.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan “Haaksbergen, partiële herziening O&K-terrein” Vastgesteld transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
De regelgeving omtrent buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie in en bij het plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en de directe omgeving weergegeven.
Afbeelding 5.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan “Haaksbergen, partiële herziening O&K-terrein” Vastgesteld Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •
5.4.3
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het initiatief vanuit het oogpunt van externe veiligheid verantwoord is.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2
Gebiedstypen
Volgens de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ als volgt omschreven: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.’ Het plangebied is gelegen in een gemengd gebied (wonen, bedrijvigheid, centrumfuncties, maatschappelijke voorzieningen en verkeer). De volgende tabel geeft de richtafstanden voor de verschillende omgevingstypes weer.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan “Haaksbergen, partiële herziening O&K-terrein” Vastgesteld Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Wat betreft de werkfunctie binnen het te handhaven kantoorgebouw wordt opgemerkt dat deze aan te merken is als een categorie 1 inrichting. Voor dergelijke functies in een dergelijke categorie geldt bij een omgevingstype ‘gemengd gebied’ een richtafstand van 0 meter ten opzichte van milieugevoelige objecten. Aan deze richtafstand wordt voldaan, daarnaast wordt opgemerkt dat dergelijke lichte bedrijfsactiviteiten inpasbaar zijn in ‘gemengde gebieden’. Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting ten gevolge van centrale parkeervoorzieningen op omliggende woningen. Hierna is de conclusie uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 5 bij deze toelichting. Ten aanzien van de openbare parkeervakken binnen het plan dient te worden vermeld dat hiervoor geen grens- en richtwaarden van toepassing zijn.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de maatgevende bron (het dichtslaan van autoportieren) wel beschouwd in analogie met stap 2 van de VNGpublicatie. In de avond- en nachtperiode is wel sprake van overschrijdingen op de gevels van een aantal woningen binnen het plan (gelegen op kortere afstand van de parkeervakken). Geluidhinder in de woningen gedurende de nachtperiode is niet geheel uit te sluiten. Er is hier echter geen sprake van een bedrijfsmatige activiteit maar van een woonomgeving, het betreft geluidsbronnen die niet afwijkend zijn van het reguliere gebruik van een woonwijk. De frequentie van optreden van de geluidspieken vanwege dichtslaande portieren zal in de nachtperiode zeer beperkt zijn. In die zin komt het woon- en leefklimaat vanwege de openbare parkeervakken niet het gedrang. Er is geen aanleiding tot het treffen van aanvullende maatregelen aan de gevels van de woningen. Wat betreft de beroeps- en bedrijfsactiviteiten die worden uitgeoefend op de bestaande woonwerkkavels en de fysiotherapiepraktijk het perceel Kortenaerstraat 39/39a wordt opgemerkt dat ook deze activiteiten behoren tot ‘lichte bedrijfsactiviteiten’. Dergelijke activiteiten zijn aan te merken als maximaal categorie 2, met een bijbehorende richtafstand van 10 meter op basis van omgevingstype ‘gemengd gebied’.
Opgemerkt wordt dat dergelijke functies in algemene zin goed inpasbaar zijn in ‘gemengde gebieden’. Daarnaast is sprake van een bestaande feitelijke situatie en zorgt voorliggend bestemmingsplan juist voor een verlaging van de toegestane milieucategorisering. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan “Haaksbergen, partiële herziening O&K-terrein” Vastgesteld Gesteld wordt dat ter plaatse van de nieuwe en omliggende bestaande woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe woningen binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In onderstaande tabel worden de bedrijfsmatige activiteiten/functies rondom het plangebied genoemd. Tevens is aangegeven tot welke milieucategorie deze activiteit of functie wordt gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen de nieuwe woningen en het bestemmingsvlak van de betreffende milieubelastende functies en wat de daadwerkelijke afstand hiertussen bedraagt. Nr.
Functie
Cat.
Geur
Stof
Geluid
Gevaar
Afstand tot woningen
Voldoet
1
Brandweerkazerne Parallelweg 2 Gemengd (CLV) Parallelweg 4 Voorgezet onderwijs Bouwmeester 10 Voorgezet onderwijs Van Brakelstraat 1
3.1
0
0
30
0
> 60 meter
Ja
2
10
0
10
10
> 30 meter
Ja
2
0
0
10
0
> 57 meter
Ja
2
0
0
10
0
9 meter
Nee
Bedrijventerrein (cat. 2 + bestaand) M.A. de Ruijterstraat 20 en aangrenzend Museum Buurtspoorweg (MBS) Stationsstraat 3
2
0
0
10
10
> 25 meter
Ja
3.21
30
10
50
30
26 meter
Nee
2 3 4 5
6
In voorliggend geval wordt voldaan aan de meeste richtafstanden. Niet voldaan wordt aan de afstand ten opzichte van de bestemmingen behorend bij het Assink Lyceum (Locatie; Van Brakelstraat) en het Museum Buurtspoorweg (MBS). Tot slot bevindt zich op relatief korte afstand een stallingsplaats voor een ventwagen (Visexpress; marktkraam voor verkoop vis) en een koelcel. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is het wenselijk betreffende inrichting tevens te beschouwen. Assink Lyceum en Visexpress Voor zowel het Assink Lyceum als de ventwagen/koelcel van Visexpress geldt dat geluid de grootste richtafstand betreft waar niet aan voldaan wordt. Aan de overige richtafstanden wordt wel voldaan. Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting ten gevolge van de hiervoor genoemde functies op de nieuwe woningen. Hierna is de conclusie uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 5 bij deze toelichting. Ten aanzien van Visexpress en het Assink-college blijkt uit het onderzoek dat op de gevels van de nieuw te realiseren woningen aan de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit en de richtwaarden zowel voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en maximale geluidsniveau in een gemengd gebied wordt voldaan.
Geconcludeerd wordt dat een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd en dat de activiteiten van Visexpress en het Assink-college worden gerespecteerd.
1
Vergeleken met ‘Constructiewerkplaatsen – gesloten gebouw > 200 m2 p.o.’ en ‘Wagenbouw- en spoorwegwerkplaatsen algemeen’. Stations betreffen milieucategorie 3.2. inrichtingen met vergelijkbare richtafstanden, met dien verstande dat voor het aspect gevaar 50 meter geldt. Daarbij wordt aangegeven dat het mogelijk om BEVI inrichtingen gaat. Dat is hier niet het geval en daarnaast betreft het geen regulier station (qua aard en omvang), waardoor uit is gegaan van 30 meter overeenkomstig de hiervoor genoemde vergelijkbare functies. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan “Haaksbergen, partiële herziening O&K-terrein” Vastgesteld Museum Buurtspoorweg (MBS) In voorliggend geval zijn er nader onderzoeken uitgevoerd naar het Museum Buurtspoorweg (MBS). Hierbij is tevens gekeken naar de geldende milieuvergunning. De volgende aspecten zijn beschouwd en worden hierna nader behandeld; geluid, geur, luchtkwaliteit/stof, gevaar en trillingen. Geluid Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting ten gevolge van MBS op de nieuwe woningen. Hierna is de conclusie uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 6 bij deze toelichting. Opgemerkt wordt dat nadien de invulling van het plangebied in beperkte mate is gewijzigd. Deze wijzigingen leiden echter niet tot andere resultaten of conclusie. Uit het onderzoek blijkt dat: • • • •
• •
•
In de dagperiode wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor de langtijdgemiddelde en maximale geluidsniveaus; In de avondperiode is sprake van overschrijdingen van de grens- en richtwaarden voor de langtijdgemiddelde en maximale geluidsniveaus; Het treffen van bron- en/of overdrachtsmaatregelen is in deze situatie niet mogelijk of stuit op bezwaren van stedenbouwkundige aard; In de woningen wordt voldaan aan de grenswaarde voor het binnenniveau van 55 dB(A)etmaalwaarde voor de maximale geluidsniveaus. Op basis hiervan is ten aanzien van de maximale geluidsniveaus in de woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; In de woningen wordt niet voldaan aan de grenswaarde voor het binnenniveau van 35 dB(A)etmaalwaarde voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus. Door middel van aanvullende gevelweringsmaatregelen van +3 dB ten opzichte van de wettelijk vereiste minimale geluidswering van 20 dB(A) wordt wel voldaan aan een binnenniveau van 35 dB(A)etmaalwaarde; Voor de overschrijdingen van de grenswaarden voor de langtijdgemiddelde en maximale geluidsniveaus in de avondperiode kunnen door de gemeente ruimere voorschriften worden vastgesteld. Wel dienen dan de genoemde aanvullende gevelweringsmaatregelen te worden toegepast zodat in de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering voor het voorgenomen plan. Cumulatie In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidsbelasting van MBS als wegverkeer gecumuleerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 7 bij deze toelichting. Ten aanzien van de gecumuleerde geluidbelasting (geluidbelasting vanwege gezamenlijke bronsoorten weg, rail en industrie) zijn in de VNG-brochure geen grenswaarden gesteld. Ook in de Wet geluidhinder zijn geen grenswaarden opgenomen voor de beoordeling van de gecumuleerde geluidbelasting. Desalniettemin moet in verband met de toets aan een goede ruimtelijke ordening, rekening worden gehouden met het aspect cumulatie. Om toch een uitspraak te doen over de mogelijke mate van geluidhinder vanwege de gecumuleerde geluidbelasting en het waarborgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen het plan is aansluiting gezocht bij de volgens de Wet geluidhinder ten hoogst toelaatbare geluidbelastingen voor bestaande woningen gelegen in de geluidszone van een industrieterrein. Er is hier geen sprake van een gezoneerd industrieterrein, maar een vergelijking van de gecumuleerde geluidbelasting met de ten hoogst toelaatbare grenswaarden van de Wet geluidhinder wordt vaker toegepast.
Hiermee kan in de situatie van het ontbreken van grenswaarden, toch een uitspraak worden gedaan over de mogelijke mate van geluidhinder vanwege de berekende gecumuleerde geluidsbelasting. De maximaal toelaatbare geluidbelasting voor bestaande woningen gelegen in de geluidszone van een industrieterrein bedraagt 60 dB(A), zoals vastgelegd in artikel 45 lid 1 van de Wet geluidhinder. De cumulatieve geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen binnen het plan O&K terrein overschrijdt deze (op grond van de Wet geluidhinder voor bestaande woningen maximaal toegestane) waarde niet. Daarmee is de gecumuleerde geluidsituatie ter plaatse van de te realiseren woningen aanvaardbaar.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan “Haaksbergen, partiële herziening O&K-terrein” Vastgesteld Ten behoeve van de waarborging van een goed woon- en leefklimaat in de woningen wordt geadviseerd om aanvullende gevelweringsmaatregelen aan de nieuwbouw te treffen en om hierbij uit te gaan van de gecumuleerde geluidbelasting van alle gezamenlijke geluidbronnen. Bij een geluidbelasting van ten hoogste 60 dB dient rekening te worden gehouden met een geluidwering van de gevels van 27 dB. Hiermee de in het Bouwbesluit voor nieuwbouw gestelde eis van 33 dB voor de binnenwaarde gewaarborgd. Hiermee wordt de gecumuleerde geluidbelasting buiten en binnen de woningen aanvaardbaar geacht. Geur Er is een geuronderzoek uitgevoerd naar de geurbelasting ten gevolge van MBS op de nieuwe woningen. Hierna is de conclusie uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 8 bij deze toelichting. Opgemerkt wordt dat nadien de invulling van het plangebied in beperkte mate is gewijzigd. Deze wijzigingen leiden echter niet tot andere resultaten of conclusie. Geconcludeerd wordt dat de richtwaarde contour het plangebied niet overlapt, de geurconcentratie bij de geprojecteerde woonbebouwing overschrijdt daarmee de richtwaarde niet.
De contour van de richtwaarde van de hogere percentielen (99,5 en 99,9-percentiel) raakt het plangebied, echter raken de contouren de geplande woonbebouwing niet . Middels deze kwantitatieve beoordeling is de te verwachte geurbelasting in kaart gebracht en lijkt er ter plaatse van de nieuwe woningen sprake te zijn van een aanvaardbaar geurhinderniveau. Luchtkwaliteit/stof Er is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd naar de emissie van stikstofdioxide en (super)fijnstof ten gevolge van MBS op de nieuwe woningen. Hierna is de conclusie uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 9 bij deze toelichting. Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het beoogde plan. Gevaar Aan de milieuvergunning van MBS zijn voorschriften verbonden die veiligheidsrisico’s beperken. De voorschriften hebben betrekking op opslag van gevaarlijke stoffen en het opslaan en gebruik van gasflessen. Bovendien zijn eisen gesteld ten aanzien van brandveiligheid. Gelet op de geringe hoeveelheid gevaarlijke stoffen en gasflessen, en de voorschriften die hieraan zijn verbonden, wordt buiten een afstand van 10 meter vanaf de opslag geen relevant risico meer verwacht.
Het plangebied ligt op geruime afstand van de opslagplaats. Het aspect gevaar vormt derhalve geen belemmering. Trillingen Aan de milieuvergunning van MBS zijn geen trillingsvoorschriften verbonden. De gemeente Haaksbergen heeft aangegeven dat geen klachten ten aanzien van trillingen bekend zijn. Desalniettemin is een quickscan trillingshinder uitgevoerd. Hierna is de conclusie uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 10 bij deze toelichting. Opgemerkt wordt dat nadien de invulling van het plangebied in beperkte mate is gewijzigd. Deze wijzigingen leiden echter niet tot andere resultaten of conclusie. Uit de quickscan volgt dat de trillingen voldoen aan de streefwaarden voor trillingshinder. Er is slechts sprake van incidenteel treinverkeer met lage snelheid (rangerend verkeer van museumspoorlijn Buurtspoorweg). Rond wissels kunnen de trillingen lokaal wat hoger zijn, maar ook daar worden geen overschrijdingen van het beoordelingskader verwacht. Omdat er geen trillingshinder in de toekomstige bebouwing wordt verwacht, is nader onderzoek naar trillingen op deze locatie niet nodig. Wel wordt geadviseerd om voor de eerstelijnsbebouwing geen lichte, trillingsgevoelige bouw (zoals houtskeletbouw of open staalconstructies) toe te passen.
Gebouwen met een conventionele bouwwijze (kalkzandsteen, metselwerk of betonnen (prefab of in het werk gestort) constructies met betonnen vloeren (kanaalplaat-, breedplaat-, ribben- of broodjesvloer) voldoen aan de streefwaarden voor trillingshinder. Het aspect trillingen vormt dan ook geen belemmering voor het voorgenomen plan. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan “Haaksbergen, partiële herziening O&K-terrein” Vastgesteld 5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend initiatief.
5.6
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.6.1
Gebiedsbescherming
5.6.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Buurserzand & Haaksbergerveen” ligt op een afstand van ruim 1,7 kilometer. In afbeelding 5.2 is dit weergegeven. Het plangebied is hierop weergegeven met een rode omlijning.
Afbeelding 5.2
Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied ‘Buurserzand & Haaksbergerveen’ (Bron: Provincie Overijssel)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan “Haaksbergen, partiële herziening O&K-terrein” Vastgesteld In het kader van voorliggend bestemmingsplan is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar bijlage 11 bij deze toelichting. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat door intern salderen in zowel de aanleg- als gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.6.1.2 Natuur Netwerk Nederland Het Natuur Netwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt op circa 1,4 kilometer afstand (zie afbeelding 5.3). Gezien de afstand van het plangebied tot de NNN en de aard en omvang van voorliggend initiatief wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN.
Afbeelding 5.3
5.6.2
Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN (Bron: Provincie Overijssel)
Soortenbescherming
5.6.2.1 Algemeen Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet er worden bekeken of hier een vrijstelling voor geldt anders moet er een ontheffing worden gevraagd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan “Haaksbergen, partiële herziening O&K-terrein” Vastgesteld 5.6.2.2 Situatie plangebied Quickscan natuurwaarden In het kader van voorliggend bestemmingsplan is een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar bijlage 12 bij deze toelichting. Vleermuizen bezetten mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied, maar gebruiken het als (niet essentieel) foerageergebied of als lijnvormig element ten behoeve van vliegroutes. Om de voorgenomen werkzaamheden te kunnen uitvoeren moeten de gebouwen op functionele waarden worden onderzocht (vliegroutes en verblijfplaatsen) om overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb te voorkomen. Omdat de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van gierzwaluwen en zwarte roodstaarten niet op voorhand is uit te sluiten, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden om vast te stellen of deze soorten de bebouwing in het plangebied gebruiken als nestgelegenheid. Werkzaamheden (verwijderen beplanting) die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari.
Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren geldt dat ze niet (opzettelijk) gedood mogen worden. Er worden, met uitzondering van de egel, geen beschermde grondgebonden zoogdieren in het plangebied verwacht, het naleven van de zorgplicht wordt hierbij als voldoende geacht. Er is onderzoek gedaan naar de geschiktheid van de bosschage als habitat voor de egel. De bosschage is hiertoe geschikt en voor marterachtigen (egel) wordt dan ook een ontheffing aangevraagd. Nader onderzoek ecologie vleermuizen, gierzwaluwen en zwarte roodstaarten In het kader van voorliggend bestemmingsplan is een nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen, gierzwaluwen en zwarte roodstaarten. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar bijlage 13 bij deze toelichting. Binnen het plangebied zijn drie paarterritoria van de gewone dwergvleermuis aangetroffen waardoor de aanwezigheid van drie paarverblijfplaatsen binnen het plangebied niet zijn uit te sluiten.
Ook is er één massawinterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aangetroffen. Er zijn geen zomer- en kraamverblijfplaatsen en essentiële vliegroutes of foerageergebied voor vleermuizen aangetroffen. Daarnaast zijn er geen nestlocaties van de gierzwaluw en zwarte roodstaart in het plangebied aanwezig. De geplande werkzaamheden resulteren in het vernietigen van verblijfplaatsen van vleermuizen. Er worden daarmee twee verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden, namelijk het opzettelijk verstoren van dieren (art. 3.5, lid 2) en het beschadigen of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen (art. 3.5, lid 4). Het is daarom noodzakelijk om een ontheffing aan te vragen bij provincie Overijssel en zijn aanvullende mitigerende en compenserende maatregelen nodig. 5.6.3
Conclusie
Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan. Vanuit soortenbescherming wordt er een ontheffing aangevraagd voor de gewone dwergvleermuis en de egel.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan “Haaksbergen, partiële herziening O&K-terrein” Vastgesteld
5.7
Archeologie & cultuurhistorie
5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied In het kader van voorliggend bestemmingsplan is een archeologisch bureau- en veld uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar bijlage 14 bij deze toelichting. Er is sprake van een tot in de C-horizont verstoord bodemprofiel, zowel op het fabrieksterrein als in het grasveld. De kans is daarmee klein dat nog archeologische resten aanwezig zijn. Eventueel kunnen nog resten van zeer diepe grondsporen (diepe paalkuilen, waterputten) aanwezig zijn in de nog aanwezige intacte ondergrond, maar dit betreffen geïsoleerde grondsporen. Minder diepe grondsporen en het oorspronkelijke woonniveau zijn waarschijnlijk verdwenen. De archeologische waarde van mogelijk nog aanwezige geïsoleerde restsporen is klein.
Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat, afgezien van resten van zeer diepe grondsporen. Het archeologisch belang hiervan is laag. Om deze reden is geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven. Dit advies is overgenomen door de gemeente Haaksbergen, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente. 5.7.2
Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie plangebied Binnen het plangebied bevinden zich geen (rijks)monumentale objecten. Wel is het kantoorgebouw aan te merken als cultuurhistorisch waardevol en behoudenswaardig. Het Oversticht heeft in haar advies (bijlage 1) geadviseerd om het bebouwingsdeel aan de Parallelweg waar mogelijk te handhaven. Voorliggend plan houdt hier dan ook rekening mee door behoudt van het kantoorgebouw. Het overige deel van de bestaande bebouwing wordt gesloopt, echter is bij de inrichting en ontwerp van de bebouwing langs de Parallelweg aansluiting gezocht bij de industriële uitstraling zoals op dit moment aanwezig. Het aspect cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan “Haaksbergen, partiële herziening O&K-terrein” Vastgesteld 5.7.3
Conclusie
De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.
5.8
Besluit milieueffectrapportage
5.8.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
•
•
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of bestemmingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.8.2
Situatie plangebied
Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: • • •
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Gezien de drempelwaarden (bedrijfsvloeroppervlakte van 2000 woningen of meer) wordt geconcludeerd dat in dit geval geen sprake is van een directe m.e.r.-plicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Bestemmingsplan “Haaksbergen, partiële herziening O&K-terrein” Vastgesteld activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiertoe dient de vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden gehanteerd. In dit geval is er een vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie opgesteld en als bijlage 15 opgenomen bij deze toelichting. Uit deze beoordeling zijn geen relevante negatieve effecten naar voren gekomen die het doorlopen van een plan-MER noodzakelijk maakt. Volstaan kan dan ook worden met de vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie, waarover een besluit zal worden genomen door het bevoegd gezag. 5.8.3
Conclusie
Het plangebied is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving, waardoor het voornemen in het desbetreffende gebied niet m.e.r.beoordelingsplichtig is.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Bestemmingsplan “Haaksbergen, partiële herziening O&K-terrein” Vastgesteld
HOOFDSTUK 6
WATERASPECTEN
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2