Bijlage Adviesrecht gemeenteraad BOPA Woningbouw Woltersum.pdf
Tekst van het document
5.6
Conclusie
De ontwikkeling past binnen het rijks-, provinciaal, regionaal, waterschaps- en gemeentelijk beleid.
32/161
Hoofdstuk 6 6.1
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
Algemeen
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan alleen worden vergund met het oog op een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (ETFAL). De aard, omvang en locatie van de activiteiten bepalen welke milieu- en omgevingsaspecten onderzocht moeten worden als onderdeel van de onderbouwing bij de omgevingsvergunning. De instructieregels van het Rijk staan in hoofdstuk 5 van het Bkl. Deze gelden voor omgevingsplannen en zijn van overeenkomstige toepassing op de BOPA. Hieronder wordt de toetsing van het project aan het beoordelingskader beschreven. Op de relevante onderdelen van het beoordelingskader wordt uitgebreider ingegaan en is verwezen naar desbetreffende paragraaf. 6.1.1 Afweging instructieregels Bkl Voor de volgende thema's wordt in tabel 6.1 voor de ontwikkeling aangegeven of zij relevant zijn of niet: Tabel 6.1 Instructieregels Bkl Thema Dienstenrichtlijn
Paragraaf Bkl Relevant 5.1a Nee. De dienstenrichtlijn is niet van toepassing, omdat het gaat om de bouw van woningen en niet om het toevoegen van een economische dienstactiviteit. Omgevingsveiligheid 5.1.2 Ja. Zie 6.3 Water 5.1.3 Ja. Zie 5.4 Luchtkwaliteit 5.1.4.1 Nee. De ontwikkeling betreft geen aanleg of wijziging van een autoweg, autosnelweg of tunnel voor het wegverkeer. Ook ligt het projectgebied niet binnen een aangewezen aandachtsgebied. Geluid door activiteiten 5.1.4.2 Ja. Zie 6.4. Geluid door (spoor)wegen en 5.1.4.2a Ja. Zie 6.5 industrieterreinen Geluid rond luchthavens 5.1.4.3 Nee. Het projectgebied ligt niet binnen de geluidscontouren van een luchthaven. Trillingen 5.1.4.4 Nee. Het projectgebied ligt niet in de nabijheid van activiteiten waarbij structureel trillingen vrijkomen en voorziet hier zelf ook niet in. Slagschaduw van 5.1.4.4a Nee. Er is geen sprake van windturbines. windturbines Bodemkwaliteit 5.1.4.5 Ja. Zie 6.6
33/161
Geur
5.1.4.6
Cultureel erfgoed 5.1.5 Landschappelijke kwaliteiten 5.1.5 Kunst, PKB-Waddenzee en Waddengebied Ladder voor duurzame 5.1.5.4 verstedelijking Nationale belangen binnen 5.1.6 5.1.7 de fysieke leefomgeving Aanwijzing woningbouw 5.1.7a categorieën Toegankelijkheid openbare 5.1.8 ruimte
Nee. Op ongeveer 300 meter afstand van het projectgebied bevindt zich een paardenstal. In het omgevingsplan Groningen (artikelen 32.104 en 32.106) zijn minimale afstanden opgenomen voor het houden van paarden. Met een afstand van circa 300 meter wordt ruimschoots voldaan aan de vereiste afstand tussen een dierenverblijf en een geurgevoelig object. Ja. Zie 6.7. Nee. Het gebied ligt niet binnen de Waddenzee en het Waddengebied. Nee. De grenswaarde van 12 woningen wordt niet gehaald. Het initiatief is daarmee niet ladder-plichtig. Nee. De ontwikkeling is niet in strijd met nationale belangen. Nee. Voor dit project is het niet nodig om regels te stellen over te realiseren categorieën woningen. Ja. Zie 6.8
Daarnaast zijn er thema's die vanuit het oogpunt van ETFAL relevant zijn om bij de belangenafweging te betrekken. Tabel 6.2 Thema's in het kader van ETFAL Thema Wettelijk kader Gezondheid 5.1.4 Bkl Gezondheids risico's * vanwege veehouderijen Spuitzones vanwege * gewasbeschermingsmiddelen Mobiliteit en parkeren * Natuurbescherming NNN 7.3 Bal
Ecologie: gebiedsbescherming Ecologie: soortenbescherming Ecologie: houtopstanden
34/161
Relevant Ja. Zie 6.9. Nee. De dichtstbijzijnde veehouderij ligt op circa 93 kilometer afstand van het projectgebied. Ja. Zie 6.10
11.1 Bal
Ja. Zie 6.11 Nee. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 2 kilometer afstand. Het project is gezien de aard en omvang niet van invloed op dit beschermd gebied. Voor het aspect gebiedsbescherming zie 6.12 Ja. Zie 6.12
11.2 Bal
Ja. Zie 6.13.
11.3 Bal
Nee. Binnen het plangebied worden geen bomen gekapt; er is daardoor geen meld- of herplantplicht van toepassing.
Welstand
Bruidsschat
Bezonning/ schaduwhinder
*
Windhinder
*
Lichthinder
*
Nee. In de huidige fase van de BOPA wordt enkel een vergunning aangevraagd voor het toestaan van woningbouw. Welstand is hier nog niet aan de orde. De bouwaanvragen zullen worden getoetst aan de geldende welstandseisen. Nee. Gezien de aard en omvang van het project is er naar verwachting geen sprake van bezonning- of schaduwhinder. Nee. Gezien de aard en omvang van het project is er naar verwachting geen sprake van windhinder. Nee. In het projectgebied worden geen activiteiten of bouwwerken mogelijk gemaakt met enige vorm van lichtuitstraling, anders dan reguliere straat- en erfverlichting. Hinder van dergelijke activiteiten vanuit de omgeving is niet te verwachten. Ja. Zie 6.14.
Duurzaamheid en * klimaatadaptatie * In het kader van ETFAL in de belangenafwerking betrokken.
6.2
Mer-beoordeling
6.2.1
Wettelijk kader
In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke activiteiten mer-(beoordelings)plichtig zijn. Activiteiten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt. Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een plan, de locatie van een plan en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W (artikel 16.45, lid 1 van de Omgevingswet). In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen (artikel 11.10 Ob). Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning (artikel 11.11 Ob).
6.2.2 Toetsing Gelet op de aard en omvang van het initiatief wordt deze ontwikkeling niet aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, categorie J11 van Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Dit sluit aan bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak (ECLI:NL:RVS:2025:4134, zaaknummer 202400509/1/R1). De activiteiten vallen daarmee niet onder de mer-plichtige of mer-beoordelingsplichtige projecten zoals opgenomen in Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob).
35/161
6.2.3 Conclusie De ontwikkeling van de Boltjerpolder is niet mer-(beoordelings)plichtig. Volgens de toetsing van de omgevingsaspecten in de volgende paragrafen zijn er geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van het verlenen van de omgevingsvergunning.
6.3
Omgevingsveiligheid
6.3.1 Wettelijk kader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Bkl in paragraaf 5.1.2. Deze paragraaf gaat in de eerste plaats over de veiligheidsrisico's van branden, rampen en crises (artikel 5.2). Binnen aandachtsgebieden dient rekening te worden gehouden met het groepsrisico. Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving.
Verder dient op grond van artikel 5.2 van het Bkl voor de risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening te worden gehouden met het belang van: 1. het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan; 2. de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en 3. de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van die wet. 6.3.2 Toetsing Volgens Bijlage VI van het Bkl wordt een woonfunctie aangemerkt als een kwetsbaar gebouw. Aan de hand van het Register Externe Veiligheid is een inventarisatie gemaakt van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de kaart zijn meerdere typen risico's zichtbaar, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden en verstoring van de openbare orde. Uit de informatie op de Risicokaart (zie Figuur 6.1) blijkt dat het projectgebied zich bevindt binnen een aandachtsgebied voor een gifwolk, afkomstig van mogelijk transport vanuit het Eemskanaal. De woningen zullen gerealiseerd worden binnen het zuidelijke deel van het perceel. Dit risicogebied is daarom van toepassing.
36/161
Figuur 6.1 Risicokaart externe veiligheid (Min IenW, 2025). Hoewel het projectgebied in deze aandachtszone ligt, is de realisatie van nieuwe woningen ruimtelijk aanvaardbaar. De veiligheid van bewoners kan worden gewaarborgd door de volgende omstandigheden en uitgangspunten: Vluchtmogelijkheden: de woningen zijn direct ontsloten op de Bouwerschapweg en bewoners kunnen zich bij een calamiteit snel en veilig verwijderen van de locatie. Zelfredzaamheid bewoners: het betreft reguliere bewoning; er zijn geen zeer kwetsbare of beperkt zelfredzame functies aanwezig. Bewoners kunnen zelfstandig handelen bij een incident. Bluswater en bereikbaarheid: het perceel ligt aan de rand van de dorpskern en is goed bereikbaar voor hulpdiensten. Bluswatervoorzieningen zijn in de nabijheid aanwezig, conform de regels uit de bruidsschat. De ontwikkeling leidt niet tot belemmeringen voor de inzet van hulpdiensten of de bereikbaarheid van bestaande voorzieningen. Bij de verdere uitwerking van het plan zal rekening worden gehouden met actuele bouwregelgeving voor gebouwveiligheid, waaronder eisen voor brandveiligheid en rookbeperking. 6.3.3 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het voorliggend initiatief.
37/161
6.4
Geluid door activiteiten
6.4.1 Wettelijk kader In een Omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is. Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in tabel 6.3 en 6.4 (uit het Bkl). Tabel 6.3: Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00 - 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur LAr, LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) LAmax door aandrijfgeluid van 70 dB(A) transportmiddelen LAmax door andere piekgeluiden 65 dB(A) Tabel 6.4: Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten 07.00 - 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur LAr, LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) LAmax door aandrijfgeluid van 55 dB(A) transportmiddelen LAmax door andere piekgeluiden 45 dB(A)
23.00 - 07.00 uur 40 dB(A) 70 dB(A) 65 dB(A)
23.00 - 07.00 uur 25 dB(A) 55 dB(A) 45 dB(A)
De regels zijn van toepassing op geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige terreinen, zoals woningen, scholen en ziekenhuizen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden beoordeeld of er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat en of de activiteit zelf geen onevenredige geluidshinder veroorzaakt in de omgeving. Geluid door hulpdiensten, zoals de brandweer, valt onder het normale gebruik van de openbare weg en is in artikel 5.73 van het Bkl uitgezonderd van bepaalde toetsingskaders vanwege het bijzondere karakter van deze activiteiten. 6.4.2 Toetsing De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door een dorps woonmilieu met voornamelijk woonbebouwing, agrarische gronden en enkele maatschappelijke functies binnen de dorpskern van Woltersum. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een kleinschalige woonlocatie met maximaal drie woningen in één bouwvolume en bijbehorende voorzieningen, zoals een ontsluitingsweg, parkeervoorzieningen en groeninrichting. De ontwikkeling veroorzaakt geen relevante geluidsemissie, anders dan de gebruikelijke verkeersbewegingen van bewoners en bezoekers die passen binnen het karakter van een dorp als Woltersum. In de dorpskern van Woltersum bevinden zich enkele bedrijven. Er bevinden zich reeds geluidgevoelige gebouwen dichter bij deze bedrijven dan de nieuwe woningen in de Boltjerpolder.
De toevoeging van de woningen legt daardoor geen aanvullende beperkingen op aan de gebruiksmogelijkheden van omliggende
38/161
functies. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. 6.4.3 Conclusie Het aspect geluid door activiteiten vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
6.5
Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen
6.5.1 Wettelijk kader Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.2a instructieregels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Hierin wordt beschreven dat een omgevingsplan rekening moet houden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op nieuwe geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en erin voorziet dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden volgens tabel 6.5. Tabel 6.5: Standaardwaarden en grenswaarden geluid per geluidbronsoort Geluidbronsoort Standaardwaarde Lden [dB] Grenswaarde Lden[dB] Provinciale wegen 50 60 Rijkswegen Gemeentewegen 53 70 Waterschapswegen Lokale spoorwegen 55 65 Hoofdspoorwegen Industrieterreinen 50 Lden/40 Lnight 55 Lden/45 Lnigh In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht: bij vervangende nieuwbouw maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde en het aantal geluidgevoelige gebouwen met meer geluid dan de grenswaarde mag niet wezenlijk toenemen; bij functiewijziging maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde (transformatie); bij zeehavengebonden activiteiten maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde; bij een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen; bij een niet-geluidgevoelige gevel.
Een overschrijding van de grenswaarden is alleen mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarden te voldoen en de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel.
39/161
6.5.2 Toetsing Het projectgebied Boltjerpolder ligt in een omgeving zonder spoorwegen of gezoneerde industrieterreinen. De enige relevante geluidsbron betreft het wegverkeer op de Hoofdweg. Uit de geluidskaart (zie Figuur 6.2) blijkt dat het zuidelijke deel van het perceel, waar de woningen worden gerealiseerd, grotendeels valt binnen de categorie ‘zeer goed’ tot ‘goed’. De delen van het perceel die worden ingericht als collectieve openbare ruimte ondervinden iets meer geluidsbelasting ten opzichte van het zuidelijke deel van het perceel, maar ook deze blijft binnen de categorie ‘zeer goed’ tot ‘goed’. Het geluidsniveau blijft daarmee naar verwachting onder de grenswaarden. Er is sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat.
Figuur 6.2: Geluidsoverlast (RIVM, 2025) 6.5.3 Conclusie De geluidsbelasting door wegverkeer op de locatie is laag en blijft onder de wettelijke grenswaarden. Het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
40/161
6.6
Bodemkwaliteit
6.6.1 Wettelijk kader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i van het Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, atrikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Een bodemgevoelig gebouw is: een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of een woonschip of woonwagen. Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving, waaronder regels over nazorg van de bodem na saneren, regels over graven in de bodem en regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
6.6.2 Toetsing Voor het initiatief van de Boltjerpolder is door WMR Rinsumageest B.V. op 11 november 2025 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd met als doel om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen (zie bijlage 5). In opgeboorde grond zijn sporen van baksteen aangetroffen. Deze worden als niet-asbestverdacht beschouwd en aanvullend onderzoek naar asbest is daarom niet noodzakelijk. In de bodem zijn lichte verhogingen aan PAK en molybdeen aangetroffen, die worden beschouwd als diffuse verontreinigingen door historisch gebruik en ophoging. De gemeten waarden overschrijden slechts de achtergrondwaarden en geven geen aanleiding voor nader onderzoek. In het grondwater zijn lichte overschrijdingen van de streefwaarden voor nikkel, zink, xylenen en naftaleen vastgesteld. Deze worden als natuurlijk of verspreid vanuit de omgeving beschouwd. De gehalten liggen ruim onder de interventiewaarden, waardoor geen risico's voor de volksgezondheid of het milieu worden verwacht. Daarnaast blijkt dat in het eerdere onderzoek per abuis een klein deel van de locatie buiten beschouwing is gelaten. Op dit deel staat een schuur met een asbesthoudend dak. Daarom wordt deze zone als asbestverdacht aangemerkt. Voor deze procedure, die alleen gaat over de planologische toestemming (gebruiksactiviteit), is een inspanning op het niveau van historisch bodemonderzoek voldoende.
Een eventuele nadere beoordeling
41/161
van dit deel wordt meegenomen in een volgende fase, bij de aanvraag voor de bouwactiviteit. Mocht uit het nog uit te voeren onderzoek op de verdachte deellocatie een onaanvaardbare bodemkwaliteit naar voren komen, dan zal deze worden gesaneerd of anderszins geschikt worden gemaakt voor het beoogde bodemgebruik (‘wonen met tuin’). 6.6.3 Conclusie Het verkennend bodemonderzoek heeft aangetoond dat de bodemkwaliteit in de Boltjerpolder geschikt is voor het beoogde gebruik als woonlocatie. De aangetroffen gehalten passen binnen de kwaliteitsklassen ‘landbouw/natuur’ tot ‘wonen’, waarmee de bodem voldoet aan de eisen voor de voorgenomen ontwikkeling. Aanvullend onderzoek is voor het onderzochte deel niet noodzakelijk. Het aspect bodemkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
6.7
Cultureel erfgoed
6.7.1 Wettelijk kader Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Dit volgt uit artikel 5.130, lid 1 van het Bkl. Deze instructie geldt nadrukkelijk ook voor bekende en aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten, waarbij 'aantoonbaar' betekent dat de verwachting is gebasseerd op relevante bodemkundige, archeologische of historische informatie. Onder cultureel erfgoed vallen onder meer archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen en landschappen. Bij de beoordeling van een omgevingsvergunning voor een BOPA moet rekening worden gehouden met het behoud van deze waarden en dient een passend beschermingsregime te worden gewaarborgd. 6.7.2 Toetsing Archeologie Het projectgebied ligt binnen een zone waar archeologische waarden kunnen voorkomen. Voorafgaand aan het bouwen zal een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Dit onderzoek dient bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten te worden aangeleverd. Hiermee wordt geborgd dat archeologische waarden tijdig inzichtelijk worden gemaakt en, indien aanwezig, op een passende wijze worden beschermd. Landschappelijke en cultuurhistorische waarden De Boltjerpolder ligt op de overgang tussen de dorpskern van Woltersum en het open polderlandschap.
Dit gebied heeft belangrijke landschappelijke kenmerken, zoals het historische reliëf, de voormalige waterloop, de openheid en lange zichtlijnen, en de karakteristieke rij witte abelen. In de planuitwerking wordt hiermee rekening gehouden. De ontwikkeling vindt alleen plaats in het zuidelijke deel van het perceel, direct grenzend aan de dorpskern. Het noordelijke deel blijft volledig onbebouwd, zodat
42/161
de zichtlijnen en de landschappelijke openheid behouden blijven. Ook wordt in het openbaar gebied niet gebouwd, om de cultuurhistorische zichtrelaties te beschermen. De woningen krijgen een kleinschalige vormgeving en worden georiënteerd op het open landschap. Daardoor blijft de overgang tussen wierde en polder duidelijk herkenbaar. Om de landschappelijke openheid te waarborgen, worden geen terrein- en erfafscheidingen toegepast, zoals opgenomen in bijlage 1. 6.7.3 Conclusie De ontwikkeling houdt op zorgvuldige wijze rekening met de aanwezige cultuurhistorische, landschappelijke en archeologische waarden in de Boltjerpolder. De openheid van het landschap blijft behouden, de bestaande zichtlijnen blijven intact en het historisch reliëf en de landschappelijke structuren worden gerespecteerd. Archeologisch onderzoek wordt in de volgende fase uitgevoerd, bij de uitwerking van de bouwplannen. Het aspect cultureel erfgoed vormt geen belemmering voor deze aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA).
6.8
Toegankelijkheid openbare ruimte
6.8.1 Wettelijk kader In artikel 5.162 van het Bkl is bepaald dat als een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, in dat omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Hetzelfde uitgangspunt geldt voor een bopa waarmee van het omgevingsplan wordt afgeweken. 6.8.2 Toetsing De ontwikkeling in de Boltjerpolder voorziet naast de realisatie van woningen ook in de aanleg van collectieve openbare ruimte. Deze ruimte vormt een belangrijk onderdeel van het plan en draagt bij aan de verbinding tussen de dorpskern en het omliggende landschap. Bij de verdere planuitwerking zal nadrukkelijk rekening worden gehouden met de toegankelijkheid van de openbare ruimte voor alle doelgroepen, waaronder personen met een functiebeperking. Hierbij wordt aangesloten bij de ontwerpprincipes voor een inclusieve en veilige leefomgeving, zoals het realiseren van obstakelvrije paden, voldoende verlichting, en waar nodig rustpunten of verhardingen die geschikt zijn voor rolstoelgebruikers. Bij de toepassing van verlichting zal rekening worden gehouden met vleermuisroutes en verblijfplaatsen, zodat lichtverstoring voor deze beschermde soorten zoveel mogelijk wordt voorkomen.
In een volgende fase van de BOPA-procedure zullen de exacte inrichtingseisen en maatregelen voor toegankelijkheid verder worden uitgewerkt. Dit deel van het perceel zal in beheer van de gemeente blijven.
43/161
6.8.3 Conclusie Het plan voorziet in de aanleg van nieuwe, collectieve openbare ruimte die ruimte biedt voor wandelen en aansluit op de dorpsstructuur van Woltersum. Bij de nadere inrichting wordt geborgd dat de openbare ruimte voldoet aan de toegankelijkheidseisen uit artikel 5.162 van het Bkl, zodat sprake is van een veilige, inclusieve en goed toegankelijke leefomgeving.
6.9
Gezondheid
6.9.1 Wettelijk kader Een doel van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 van dit artikel wordt benadrukt dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Naast het beschermen van de gezondheid kunnen ruimtelijke ontwikkelingen ook bijdragen aan het bevorderen ervan. Dit kan bijvoorbeeld door ruimte te creëren voor groen, beweging, ontmoetingsplekken, gezonde mobiliteit en aanpassingen aan het klimaat. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn hierover geen instructieregels opgenomen. Gemeenten hebben de vrijheid om zelf beleid te maken dat gericht is op het bevorderen van gezondheid bij nieuwe ontwikkelingen. 6.9.2 Toetsing De bescherming van de gezondheid wordt beoordeeld aan de hand van diverse omgevingsaspecten, waaronder bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder, geurhinder en omgevingsveiligheid. Uit de toetsing van deze thema's blijkt dat de ontwikkeling geen negatieve effecten op de gezondheid heeft. Voor geen van de aspecten worden normen overschreden en er zijn dan ook geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Het is niet noodzakelijk om aanvullende maatregelen te treffen ter bescherming van de gezondheid.
6.9.3 Conclusie Het aspect gezondheid is voldoende geborgd.
6.10 Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen 6.10.1 Wettelijk kader Op agrarische percelen kan sprake zijn van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) beoordeelt of gewasbeschermingsmiddelen en biociden veilig zijn voor mens, dier en milieu voordat ze worden toegelaten. Dat betekent echter niet dat nadelige gezondheidseffecten voor omwonenden volledig kunnen worden uitgesloten. Er zijn nog veel onduidelijkheden over de mogelijke relatie tussen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en de kans op gezondheidsschade. Op grond van het Bkl gelden weliswaar geen specifieke instructieregels, maar bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in elk geval rekening worden gehouden met het belang van de volksgezondheid. In dat kader dienen ook de mogelijke gezondheidsgevolgen door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te worden beoordeeld.
44/161
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies (zoals woningen) en agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Uit diezelfde jurisprudentie volgt dat het mogelijk is om deze afstand te verkleinen indien daaraan een deugdelijke, locatiespecifieke motivering ten grondslag ligt. Bij deze locatiespecifieke beoordeling dient niet alleen te worden gekeken naar het bestaande, feitelijke gebruik van de agrarische gronden. Uitgangspunt vormen de maximale mogelijkheden (rekening houdend met eventuele omschakeling naar andere teeltvormen en intensivering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen). 6.10.2 Toetsing Ten westen en zuiden van het projectgebied bevinden zich agrarische gronden met de bestemming 'Agrarisch'. Deze gronden mogen gebruikt worden voor landbouw of veeteelt. In de huidige situatie is het projectgebied in gebruik als grasland. Hier is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen mogelijk. Voor de beoordeling van de potentiële gezondheidseffecten is van belang dat alleen sprake kan zijn van lage teelten. Over het algemeen is de kans op drift / verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen bij lage teelten kleiner dan bij hoge teelten.
De afstand van 50 meter die volgt uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is gebaseerd op het beleid van de provincie Gelderland uit de jaren negentig voor de toelating van nieuwe gevoelige functies nabij boomgaarden en boomteeltpercelen. In die periode waren gewasbeschermingsmiddelen toegelaten die inmiddels niet meer zijn toegestaan en vervangen door alternatieven met een beperktere potentiële schadelijkheid. Bovendien zijn ook de eisen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen waar het gaat om de toe te passen driftreducerende maatregelen aangescherpt. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is vastgelegd dat bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij de teelt van gewassen in de open lucht een driftreducerende techniek moet worden gebruikt. De spuittechniek moet de drift met ten minste met 75% reduceren ten opzichte van een vastgestelde referentietechniek. Verder is van belang dat in de omgeving van watergangen rekening dient te worden gehouden met bufferzones waarbinnen geen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt. Dat geldt alleen voor sloten en greppels die tussen 1 april en 1 oktober (spuitseizoen) water bevatten. De omvang van de bufferzone is afhankelijk van het specifieke gewas en blijft beperkt tot hooguit enkele meters.
Tussen het projectgebied en de agrarische gronden ligt een sloot, waarlangs beperkingen gelden voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Voor deze beoordeling is van belang hoe de nabijgelegen agrarische gronden feitelijk worden gebruikt, welke teeltvormen op basis van de bestemming maximaal zijn toegestaan en in hoeverre het reëel is dat deze teelten in de praktijk zullen worden toegepast. Uit de beschikbare informatie van Boer & Bunder en historische gegevens blijkt dat de gronden in de afgelopen twintig jaar uitsluitend als grasland zijn gebruikt. Grasland kwalificeert zich als lage teelt, waarbij de kans op drift aanzienlijk kleiner is dan bij hoge teelten. Het langdurige gebruik als grasland en het voorkomen van vee maken het bovendien onaannemelijk dat in de toekomst een intensivering of omschakeling naar gewassen met hogere driftgevoeligheid zal plaatsvinden. Daarnaast is het onwaarschijnlijk dat een omschakeling naar intensievere teelten plaatsvindt, aangezien de gronden bestaan uit zware klei. Door de moeilijke bewerkbaarheid van zware klei is gras een veelvoorkomende gewaskeuze. Ook is bekend dat de westelijke kavel in eigendom is van een paardenfokker, die geen concrete plannen heeft om daar
45/161
gewassen te verbouwen. Hetzelfde geldt voor de kavel aan de zuidzijde, die eigendom is van een kerkgenootschap en waar eveneens geen plannen voor teeltactiviteiten zijn. Gelet op: de sterk aangescherpte driftreducerende eisen uit het Bal; de ligging nabij watergangen waarvoor een bufferzone geldt; het feitelijke langdurige gebruik als grasland (lage teelt) met een aanzienlijk lage drift; de onwaarschijnlijkheid dat hogere teelten worden toegepast gezien de zware kleigrond en het feit dat de eigenaren geen voornemen hebben om gewassen/hogere teelten te verbouwen kan worden geconcludeerd dat afgeweken kan worden van de 50 meter afstand. De afstand tussen de agrarische percelen en het bouwvlak zal hierbij 15 meter bedragen. De toevoeging van woningen op de locatie leidt niet tot een onaanvaardbare blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. 6.10.3 Conclusie Rekening houdend met de aangescherpte driftreducerende eisen uit het Bal, de ligging nabij watergangen, het feitelijk langdurige gebruik en de onwaarschijnlijkheid dat hogere teelten worden toegepast vormt de spuitzone geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
6.11 Mobiliteit en parkeren 6.11.1 Wettelijk kader Mobiliteit en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Omgevingswet en het Bkl bevatten hiervoor geen specifieke instructieregels. Aangetoond dient te worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is voor het opvangen van de beoogde parkeerbehoefte en dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen heeft de Beleidsregel parkeernormen 2024 vastgesteld. Deze beleidsregel vormt het toetsingskader voor het bepalen van de parkeerbehoefte bij nieuwbouw, verbouw en functiewijzigingen. De beleidsregel sluit aan bij de Mobiliteitsvisie en Parkeervisie van de gemeente en is bedoeld om parkeeroverlast te voorkomen en de kwaliteit van de openbare ruimte te behouden. Uitgangspunt is dat de parkeerbehoefte van nieuwe ontwikkelingen op eigen terrein wordt opgelost.
De gemeente hanteert hiervoor een zonering: Zone A: binnenstad en hoogstedelijke gebieden; Zone B: stedelijk gebied met (deels) betaald parkeren, niet zijnde de binnenstad; Zone C: wijken zonder betaald parkeren en het buitengebied (waar dit projectgebied onder valt); Ontwikkelzones: gebieden waarvoor specifieke parkeernormen of maatwerkafspraken gelden. Per zone zijn minimum- en maximumnormen vastgesteld voor auto- en fietsparkeren, waarbij ruimte is voor
46/161
maatwerk via dubbelgebruik en deelmobiliteit. 6.11.2 Toetsing Parkeren Op basis van de parkeercijfers van het CROW is de parkeerbehoefte voor de ontwikkeling in de Boltjerpolder berekend: Tabel 6.6 Parkeerbehoefte woningen Functie Type Wonen Koop, huis, vrijstaand Totaal
Aantal 3 3
Kerncijfer 1,85
Parkeerbehoefte 5,6 6
Uit deze berekening volgt een totale parkeerbehoefte van 6 parkeerplaatsen. In de huidige fase van de ontwikkeling is nog geen definitieve uitwerking van de parkeervoorzieningen beschikbaar. In de verdere planuitwerking zal met deze parkeerbehoefte rekening worden gehouden, conform de gemeentelijke parkeernormen. Op voorhand kan worden geconcludeerd dat voldoende ruimte beschikbaar is op eigen terrein nabij de woningen, om in de benodigde parkeerplaatsen te voorzien. Mobiliteit Het projectgebied wordt ontsloten via de Bouwerschapsweg, die in verbinding staat met de Hoofdweg en de overige dorpsstructuur van Woltersum. De verkeersgeneratie van maximaal 3 woningen is weergegeven in tabel 6.7. Tabel 6.7 Verkeersgeneratie Functiegroep Functietype
Aantal
Wonen
3
Totaal
Koop, huis, vrijstaand
3
Kerncijfer CROW 7,70
Verkeersgeneratie Verkeersgeneratie mvt/etmaal weekdag mvt/etmaal werkdag 23,1 25,6 24
26
Om de verkeersafwikkeling te beoordelen wordt doorgaans het aantal mvt/werkdag gehanteerd. Hier 26 voertuigen per werkdag. Fietsers en voetgangers kunnen veilig gebruik maken van de woonstraten en via de Bouwerschapsweg aansluiting vinden op het dorpsnetwerk. Voorzieningen zoals scholen, winkels en sportaccommodaties in Woltersum zijn hierdoor goed bereikbaar. 6.11.3 Conclusie De verkeersbewegingen die samenhangen met de ontwikkeling kunnen via de nieuw aan te leggen toegangsweg op een goede en verkeersveilige wijze worden afgewikkeld op het omliggende wegennet. Parkeren wordt volledig op eigen terrein gerealiseerd. Voor fietsers en voetgangers is sprake van een goede bereikbaarheid en een veilige aansluiting op de bestaande infrastructuur in en rond Woltersum.
47/161
De nadere uitwerking van de inrichting van het perceel, waaronder de situering van de toegangsweg, parkeervoorzieningen en fiets- en looproutes, vindt plaats in de vervolgfase bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit. In de huidige fase van de planologische toestemming vormt het aspect mobiliteit en parkeren geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
6.12 Ecologie: gebiedsbescherming 6.12.1 Wettelijk kader Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling moet, met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, worden aangetoond welke effecten deze kan hebben op beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied. In Nederland worden diverse gebieden beschermd vanwege hun bijzondere waarde voor flora en fauna. Dit betreft onder andere Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN). Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermen Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn door de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid Natuur (LVVN) en aangewezen en kennen instandhoudingsdoelstellingen die zijn gericht op behoud of herstel van habitattypen en soorten. Nederland kent 162 Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) Het NNN vormt een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, gericht op de bescherming, instandhouding en (waar nodig) het herstel van een gunstige staat van instandhouding van: aanwezige dier- en plantensoorten; typen natuurlijke habitats; leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden beoordeeld of sprake is van mogelijke negatieve effecten, zoals een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur.
Als significante negatieve effecten niet op voorhand zijn uit te sluiten, is een vergunning op grond van de Omgevingswet vereist. 6.12.2 Toetsing Het projectgebied Boltjerpolder ligt niet binnen een Natura 2000-gebied en maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreft de Waddenzee, gelegen op circa 14 kilometer afstand. Voor de voorgenomen ontwikkeling is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd met het rekenmodel AERIUS Calculator (versie 2025.0.1) (zie bijlage 6). In dit onderzoek zijn zowel de aanlegfase als de gebruiksfase doorgerekend, uitgaande van een worstcasescenario zonder interne saldering. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie in alle fasen nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat er geen relevant effect door
48/161
stikstofdepositie optreedt als gevolg van de voorgenomen woningbouw. Negatieve effecten in de vorm van verzuring of vermesting kunnen hiermee worden uitgesloten. 6.12.3 Conclusie De woningbouwontwikkeling leidt niet tot significante negatieve effecten op Natura 2000- of NNN-gebieden. Het projectgebied ligt buiten deze beschermde gebieden en uit het stikstofonderzoek blijkt dat geen toename van stikstofdepositie optreedt. Voor de uitvoering van dit project geldt geen vergunningplicht voor een Natura 2000-activiteit op basis van de Omgevingswet.
6.13 Ecologie: soortenbescherming 6.13.1 Wettelijk kader De activiteit waarvoor een omgevingsvergunning voor een BOPA wordt aangevraagd en die mogelijke gevolgen heeft voor beschermde dieren of planten, wordt aangemerkt als een flora- en fauna-activiteit. In beginsel is het verboden om zonder vergunning een dergelijke activiteit te verrichten. Door de brede definitie van een flora- en fauna-activiteit is het bij de BOPA-activiteit in de meeste gevallen nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een BOPA moet worden onderzocht of er beschermde soorten aanwezig zijn op of direct nabij de locatie. Ook geldt altijd de specifieke zorgplicht (artikel 11.27 Bal), wat inhoudt dat maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. 6.13.2 Toetsing Voor het projectgebied is door Bureau FaunaX B.V. een Quickscan Ecologie uitgevoerd (zie bijlage 7). Het onderzoek bestond uit een bureaustudie en een veldbezoek (16 oktober 2025) en had tot doel inzicht te krijgen in de aanwezigheid van beschermde flora en fauna, beschermde gebieden en houtopstanden. Uit het onderzoek blijkt dat er binnen het plangebied geen beschermde plantensoorten aanwezig zijn.
Het gebied kan mogelijk broedplaats zijn voor algemene (zang)vogels, maar essentiële of jaarrond beschermde nesten komen niet voor. Werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen (maart - juli) plaats te vinden. Indien dit niet mogelijk is moeten de werkzaamheden onder ecologische begeleiding worden uitgevoerd. Ten aanzien van vleermuizen geldt dat binnen het plangebied zelf geen verblijfplaatsen zijn aangetroffen. In de rij abelen langs de westzijde van het plangebied is één boomholte waargenomen, die op basis van ligging en ontbrekende aanvliegroute ongeschikt wordt geacht als verblijfplaats. Omliggende woningen kunnen echter wel verblijfplaatsen herbergen. Negatieve effecten hierop kunnen worden uitgesloten, mits tijdens en na uitvoering van de werkzaamheden geen kunstlicht wordt gericht op omliggende bebouwing in de actieve periode van vleermuizen (globaal maart tot en met november). Essentiële vliegroutes en foerageergebieden worden niet aangetast en er zijn voldoende alternatieven aanwezig in de omgeving. De aanwezigheid van overige beschermde zoogdieren, reptielen en amfibieën in het plangebied is uitgesloten.
49/161
Overige beschermde soorten zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen binnen de provincie. Hiervoor geldt wel de specifieke zorgplicht. De quickscan adviseert aanvullend onderzoek in een vervolgfase, met name: nader onderzoek naar vleermuizen bij verdere planuitwerking en concretisering van verlichting en bouwmassa; nadere beoordeling van de rij abelen indien ingrepen aan deze bomen worden voorzien. Deze onderzoeken zijn noodzakelijk bij de volgende fase van de gefaseerde BOPA, waarin de bouw- en inrichtingsactiviteiten worden uitgewerkt. 6.13.3 Conclusie Soortenbescherming vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling in de Boltjerpolder, mits tijdens de uitvoering rekening wordt gehouden met de broedperiode, lichtuitstraling en de specifieke zorgplicht. Aanvullende ecologische onderzoeken, zoals geadviseerd in de quickscan, zijn noodzakelijk in de vervolgfase van de gefaseerde BOPA en dienen te worden betrokken bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouw- en inrichtingsactiviteiten.
6.14 Duurzaamheid en klimaatadaptatie 6.14.1 Wettelijk kader De Omgevingswet biedt geen specifiek toetsingskader voor duurzaamheid. Wel is duurzaamheid een belangrijk thema waar gemeenten bij het opstellen van hun omgevingsplan rekening mee moeten houden. Duurzaamheid is een breed begrip dat verschillende aspecten omvat, zoals de energietransitie, mobiliteit en hergebruik van materialen. Voor klimaatadaptatie gelden de nationale afspraken, met als doel dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is. Nieuwe ontwikkelingen kunnen bijdragen aan dit doel. 6.14.2 Toetsing Bij de verdere planuitwerking van de ontwikkeling in de Boltjerpolder wordt rekening gehouden met de uitgangspunten voor duurzaam en energiezuinig bouwen. De woningen zullen voldoen aan de geldende eisen voor Bijna Energie Neutraal Gebouwen (BENG) en worden gasloos uitgevoerd. De BENG-norm stelt eisen aan drie indicatoren: Energiebehoefte (BENG 1): beperking van de energiebehoefte door een goede gebouwschil, optimale isolatie en een doordachte oriëntatie; Primair fossiel energiegebruik (BENG 2): beperking van het gebruik van fossiele energiebronnen door toepassing van efficiënte installaties en duurzame technieken; Aandeel hernieuwbare energie (BENG 3): het opwekken van een deel van de energie uit hernieuwbare bronnen, zoals zonnepanelen of warmtepompen. Niet het gehele perceel wordt bebouwd.
Het noordelijke deel van de Boltjerpolder wordt ingericht als
50/161
collectieve openbare ruimte, waar in de inrichting rekening zal worden gehouden met klimaatadaptieve maatregelen, zoals het behoud en versterken van groenstructuren, het beperken van verhard oppervlak en het lokaal infiltreren van regenwater. De ontwikkeling voldoet hiermee aan de gemeentelijke en provinciale ambities op het gebied van duurzaamheid en klimaatadaptatie en draagt bij aan een energiezuinige, groene en toekomstbestendige leefomgeving in Woltersum. 6.14.3 Conclusie Er is rekening gehouden met het thema duurzaamheid en klimaatadaptatie en het thema vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
6.15 Voorwaarden ETFAL De onderhavige BOPA-aanvraag betreft uitsluitend het planologisch toestaan van het gebruik van de locatie voor maximaal drie woningen. De aanvraag ziet nadrukkelijk niet op de uitvoering van bouw- of inrichtingsactiviteiten. In het kader van de beoordeling of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) is beoordeeld welke aspecten in deze fase kunnen worden afgewogen en welke aspecten, gelet op de aard van de gefaseerde aanvraag, in een vervolgfase nader moeten worden uitgewerkt.Uit deze beoordeling volgt dat voor een aantal onderdelen nadere uitwerking of aanvullend onderzoek noodzakelijk is bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouw- en inrichtingsactiviteiten. Het betreft met name de volgende aspecten: Archeologie Het projectgebied ligt in een archeologisch waardevol gebied. Voorafgaand aan de uitvoering van de bouwactiviteiten dient daarom archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De exacte onderzoeksopgave wordt bepaald bij de verdere planuitwerking. Bodem In het uitgevoerde bodemonderzoek is een klein deel van het projectgebied buiten beschouwing gebleven. Dit betreft het deel waar een schuur met een asbesthoudend dak aanwezig is. Voor dit deel is aanvullend (asbest)bodemonderzoek noodzakelijk voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden.
Ecologie (soortenbescherming) Uit de uitgevoerde quickscan ecologie volgt dat aanvullend onderzoek noodzakelijk kan zijn in een vervolgfase, met name ten aanzien van vleermuizen en de rij abelen, indien ingrepen aan bebouwing, bomen of verlichting worden voorzien. Deze onderzoeken worden uitgevoerd en beoordeeld bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouw- en inrichtingsactiviteiten. Deze voorwaarden zijn geen belemmering voor de huidige aanvraag. Zij worden in de volgende fase uitgewerkt, bij de beoordeling van de bouwplannen.
51/161
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat: 1. de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn en 2. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, het verhalen van kosten verzekerd moet zijn. Financiële uitvoerbaarheid Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt. De ontwikkeling ziet toe op de realisatie van maximaal drie woningen in de Boltjerpolder in Woltersum. De gemeente is de initatiefnemer en vraagt de omgevingsvergunning aan. De gemeente heeft hiervoor budget beschikbaar. Kostenverhaal Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet en artikel 8.13 Omgevingsbesluit is hier sprake van een kostenverhaalplichtige activiteit, omdat het gaat op de bouw van één of meer gebouwen met een woonfunctie. Volgens artikel 13.12 Omgevingswet is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de daarvoor geldende kostenverhaalbijdragen zijn betaald; dit verbod geldt niet wanneer het kostenverhaal verzekerd is.
Het kostenverhaal is in de huidige versie van deze gefaseerde BOPA nog niet aan de orde, omdat uitsluitend wordt besloten over de gebruiksactiviteiten. In de volgende fase, bij concrete bouwaanvragen, wordt het kostenverhaal wel van toepassing. De gemeente borgt dit doorgaans via een anterieure overeenkomst of een kostenverhaalsregeling gekoppeld aan de vergunning, zodat aan de wettelijke eisen wordt voldaan. De gemeente heeft de gronden waarop de kostenverhaalplichtige activiteit mogelijk wordt gemaakt in eigendom en is voornemens om de gronden te verkopen aan een ontwikkelaar. De gronden worden voor een marktconform tarief verkocht. Het kostenverhaal zal privaatrechtelijk, via een anterieure overeenkomst worden geregeld tussen gemeente en de koper. De koper verkrijgt het economisch eigendom van het perceel en de volledige zeggenschap hierover en draagt de verantwoordelijkheid voor het gebruik van de grond, het ontwerp en de bouw van de woningen. Het toevoegen van kostenverhaalvoorschriften in de vergunning is daarmee niet noodzakelijk. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.
52/161
Hoofdstuk 8
Conclusie
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit houdt in dat er een balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leegomgeving relevante omgevingsaspecten en andere thema's (voor zover relevant voor het project en de omgeving daarvan) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Uit de beoordeling hiervan volgt of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat wordt hieronder samengevat beschreven: De ontwikkeling in de Boltjerpolder in Woltersum voorziet in de realisatie van maximaal drie woningen in één bouwvorm met een bijzonder architectuurtypologie. Binnen het aangewezen bouwvlak wordt maximaal circa 50% bebouwd. De ontwikkeling is gesitueerd aan de westzijde van het dorp en speelt in op de lokale woningbehoefte van starters en/of ouderen. Daarmee draagt het plan bij aan doorstroming, leefbaarheid en het behoud van voorzieningen in Woltersum.
Door de situering van de woningen in het zuidelijke deel van het perceel en het behoud van het noordelijke deel als open, collectieve openbare ruimte wordt zorgvuldig omgegaan met de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarden. Het historische reliëf, de waterstructuren, zichtlijnen en karakteristieke bomen worden gerespecteerd, waardoor de overgang tussen dorpskern en polderlandschap herkenbaar en beleefbaar blijft. De ontwikkeling sluit hiermee aan op de bestaande dorpsstructuur en versterkt de relatie tussen dorp en landschap.Het initiatief vormt een zorgvuldig ingepaste en duurzame uitbreiding van Woltersum, passend bij de schaal en identiteit van het dorp. Bij de voorbereiding van het plan is aandacht besteed aan participatie (zie hoofdstuk 4). De beoogde ontwikkeling is getoetst aan het relevante beleidskader (zie hoofdstuk 5). Hieruit volgt dat de woningbouwontwikkeling past binnen de beleidsdoelen van het rijk, de provincie en de gemeente. In hoofdstuk 6 zijn de relevante omgevingsaspecten onderzocht. Hieruit blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling zorgvuldig is ingepast en dat de effecten op de fysieke leefomgeving aanvaardbaar zijn. Het plan voldoet aan de instructieregels van het Bkl en draagt bij aan een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving. Tot slot is de economische uitvoerbaarheid van het project aangetoond (hoofdstuk 7).
Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De vergunning voor de BOPA kan worden verleend.
53/161
54/161
Bijlagen
55/161
56/161
Bijlage 1
57/161
Regels en voorschriften
Boltjerpolder, Woltersum – voorwaarden voor planologisch basisbesluit Begrippen Bouwwerkpeil: de hoogte van het dichtstbijzijnd aansluitend terrein zoals bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving; Gemeenschappelijke huishouding: het samen (willen) bewonen van een woonruimte waarbij sprake is van wederzijdse verantwoordelijkheid en taakverdeling; Gebruiksoppervlakte: de vloeroppervlakte binnen de bouwmuren bepaald volgens NEN 2580 met dien verstande dat daarbij aangebouwde bergingen, garages en andere niet voor bewoning geschikte ruimtes niet worden meegeteld; Huishouden: een alleenstaande dan wel twee personen met of zonder kinderen, zoals hieronder opgesomd, die een gemeenschappelijke huishouding voeren of wensen te voeren; • • • • • • • • • •
Categorieën die in ieder geval gekwalificeerd worden als huishouden, zijn: een alleenstaande; een ouder met één of meer kinderen en daarmee gelijk te stellen pleegouder en voogd; ouders met een of meer kinderen en daarmee gelijk te stellen pleegouders en voogden; een samengesteld gezin; twee personen met een liefdesrelatie; twee personen met een eerste-, tweede en derdegraads bloedverwantschap; twee vrienden; twee alleenstaande personen die de woning delen (woningdelen). (Brom)fiets: Vervoermiddel dat tenminste twee wielen bevat en dat wordt aangedreven door middel van spierkracht, trapondersteuning of een verbrandings- of elektromotor met een maximum van 45 km per uur, waaronder ook gehandicaptenvoertuigen.
Motorvoertuig: alle gemotoriseerde voertuigen behalve (brom)fietsen, bestemd om anders dan langs een rails te worden voortbewogen; Parkeergelegenheid: Een gelegenheid voor het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Tuin: het realiseren, in stand houden en gebruiken van een tuin. Wonen: activiteit inhoudende de bewoning van een woonruimte; Woning: een complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden; Woonruimte: een voor mensen bedoelde besloten ruimte of ruimten om in te wonen. Onder woonruimte vallen ook standplaatsen voor woonwagens en ligplaatsen voor woonschepen. In een woonruimte mag maximaal een huishouden wonen;
Zelfstandige woning: een woning met een eigen afsluitbare toegang die een huishouden kan bewonen zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte;
Wijze van meten Voorwaarde 1 Afstanden worden gemeten op de volgende manier: a. afstanden tussen bouwwerken: loodrecht; b. afstanden van bouwwerken tot perceelsgrenzen, bouwgrenzen en te vergelijken grenzen: loodrecht; c. afstanden die afgelegd of overbrugd moeten worden via een route, zoals aansluitafstanden, ontsluitingen en loopafstanden: de kortste afstand die via de route mogelijk is, c.q. de kortste route die redelijkerwijs mogelijk is; Voorwaarde 2 Maten worden gemeten op de volgende manier: lengte, breedte en diepte van een gebouw: tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevelvlakken en/of de buitenkant dakoverstek en/of het hart van de gemeenschappelijke scheidingsmuren buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 meter buiten beschouwing blijven. hoogte van bouwwerken op het land: de hoogte van het aangrenzend terrein. Het aangrenzende terrein is het natuurlijk verloop van het terrein rond het bouwwerk. gebruiksoppervlakte van een woning: de vloeroppervlakte binnen de bouwmuren bepaald volgens NEN 2580, waarbij niet voor bewoning geschikte ruimtes niet worden meegeteld. oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
inhoud van een gebouw: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de gemeenschappelijke scheidingsmuur en de buitenzijde van daken en dakkapellen. dakhelling: langs het dakvlak, ten opzichte van het horizontale vlak. ondergrondse oppervlakte: oppervlakten in dit plan gelden zowel boven- als ondergronds, tenzij het omgevingsplan iets anders meldt.
Gebruiksregels Woonactiviteit Voorwaarde 1 Onder het gebruik woonactiviteiten verstaan wij activiteiten gerelateerd aan het wonen waarbij het niet gaat om het bewonen van een woning. Hieronder wordt in ieder geval verstaan: -
het plaatsen van tuinmeubilair; het plaatsen van voertuigen; het plaatsen van afvalcontainers; het plaatsen van een brievenbus.
Het gebruik van de gronden als tuin is verboden. Voorwaarde 2 In het gebied Boltjerpolder is het gebruik woonactiviteit toegestaan Wonen in een zelfstandige woning Voorwaarde 1 Onder het gebruik ‘wonen in een zelfstandige woning’ verstaan wij het wonen in een zelfstandige woning. Voorwaarde 2 In het gebied ‘woningbouw’ is het gebruik ‘wonen in een zelfstandige woning’ toegestaan. In het gebied ‘woningbouw’ zijn maximaal drie zelfstandige woningen toegestaan. Voorwaarde 4 In het gebied 'woningbouw' is de minimale gebruiksoppervlakte van een zelfstandige woning 50m2.
Ondergeschikt gebruik Voorwaarde 1 Onder ‘ondergeschikt gebruik’ verstaan wij gebruik dat naar aard en omvang past bij het gebruik dat op die locatie is toegestaan. Onder ondergeschikt gebruik kunnen onder meer vallen: Groenvoorzieningen; Water; Kades en oevers; Voetpaden en fietspaden; Parkeergelegenheid; Speelvoorzieningen;
Nutsvoorziening; en Voorzieningen voor dieren en planten. Voorwaarde 2 Ondergeschikt gebruik moet een beperkte functionele en/of ruimtelijke omvang hebben. Het hoofdgebruik moet in overwegende mate in stand blijven en herkenbaar zijn. Voorwaarde 3 In het gebied ‘Boltjerpolder’ is het gebruik ‘ondergeschikt gebruik’ toegestaan. Opvang hemelwater Voorwaarde 1 In het gebied ‘Boltjerpolder’ moet 10% van de toename in verhard en door bouwwerken bedekt oppervlak geloosd worden op het oppervlaktewater, conform het beleid van Waterschap Noorderzijlvest. Voorwaarde 2 PM. Beroep aan huis Voorwaarde 1 Onder het gebruik ‘beroep aan huis’ verstaan wij het uitoefenen van een beroep op: administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch gebied; of een beroep dat hiermee te vergelijken is. Voorwaarde 2 In het gebied ‘beroep aan huis’ is het gebruik voor ‘beroep aan huis’ toegestaan, mits aan alle hieronder genoemde voorwaarden wordt voldaan: -
Het beroep wordt uitgeoefend in combinatie met de activiteit wonen; De activiteit is beperkt van omvang en het wonen blijft belangrijker dan het beroep; Het beroep wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning; Het beroep heeft een ruimtelijke uitwerking of uitstraling die in overeenstemming is met de activiteit wonen; Het beroep wordt uitgeoefend in het hoofdgebouw en/of in aan het hoofdgebouw gebouwde gebouwen.
Voorwaarde 3 In het gebied ‘Woningbouw’ is het gebruik ‘beroep aan huis’ toegestaan.
Bouwregels Voorwaarde 1 Alle hoofdgebouwen staan in het gebied ‘woningbouw’'. Voorwaarde 2 In het gebied ‘woningbouw’ is één hoofdgebouw toegestaan. Voorwaarde 3 In het gebied ‘woningbouw’ zijn bouwwerken anders dan een hoofdgebouw niet toegestaan, tenzij onderdeel van het oorspronkelijk hoofdgebouw. Voorwaarde 4 In het gebied ‘woningbouw’ is de bouwhoogte van een hoofdgebouw niet hoger dan 8 meter. Voorwaarde 5 In het gebied ‘woningbouw’ is de goothoogte van het hoofdgebouw niet hoger dan de op de kaart aangegeven maximum goothoogte. Voorwaarde 6 In het gebied ‘woningbouw’ is de dakhelling minimaal 35 en maximaal 50 graden. Voorwaarde 7 In het gebied ‘woningbouw’ mag maximaal 300m2 bebouwd worden. Voorwaarde 8 In het gebied ‘ woningbouw’ is het diepploegen, egaliseren, afschuiven, ophogen en afgraven van de gronden alleen toegestaan voor zover dit noodzakelijk is voor de fundering van het hoofdgebouw. De herkenbaarheid en beleefbaarheid van het bestaande reliëf mag niet worden aangetast behalve voor zover dat nodig voor het aanbrengen van de noodzakelijke fundering. Voorwaarde 9 In het gebied ‘Boltjerpolder’ is het diepploegen, egaliseren, afschuiven, ophogen en afgraven van de gronden alleen toegestaan indien dit noodzakelijk is voor het realiseren van parkeerplaatsen ten behoeve van de woningen.. Voorwaarde 8 blijft onverminderd van toepassing.
Voorwaarde 10 In het gebied ‘woningbouw’ mag geen enkel bouwwerk het bouwwerkpeil en de grond raken, tenzij dit de fundering en voorzieningen voor riolering, elektra, en telecommunicatie betreft. Voorwaarde 11 In het gebied ‘Boltjerpolder’ zijn terrein- en erfafscheidingen niet toegestaan. Voorwaarde 11