Bijlage 7 Realiseren 81 woningen ruimtelijke onderbouwing.pdf
Tekst van het document
Hierna wordt op enkele relevante aspecten ingegaan. Waterkwantiteit Conform het relevante beleid van het Waterschap zijn in het projectgebied geen watergangen aanwezig. Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het projectgebied liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen het projectgebied. Veiligheid en waterkeringen Het projectgebied is niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een regionale waterkering. Afvalwaterketen en riolering De bestaande gebouwen waren tot de sloop aangesloten op het gemeentelijk gemengd rioolstelsel. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal nieuwe bebouwing gerealiseerd worden. In de huidige situatie is het gebied eigenlijk grotendeels geheel verhard (sloopresten van bestaande bebouwing en parkeervoorzieningen) waardoor in de nieuwe situatie eigenlijk geheel geen sprake van toename aan verharding zal zijn, eerder juist van een verbetering. Daarnaast wordt het projectgebied, waar mogelijk in de hofjes, zo groen mogelijk ingericht. In de ruimte tussen de gebouwen wordt maximaal groen gecreëerd om hittestress te voorkomen, daarnaast wordt in het projectgebied groen aangelegd dat extensief en ecologisch verantwoord beheer mogelijk maakt.
De biodiversiteit wordt zoveel als mogelijk behouden en waar mogelijk verhoogd door beheer en insectvriendelijke beplanting en nestkasten. Waterkwantiteit Conform het beleid van het Waterschap, dient bij een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2 (in stedelijk gebied) water compenserende maatregelen te worden genomen. Met de realisatie van de beoogde ontwikkeling zal de toename van verharding onder de grens van 500 m 2 blijven aangezien de locatie momenteel al geheel verhard is. Waterveiligheid Deze ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Op maaiveld niveau wordt een prettige verblijfsfeer neergezet met heesters en vaste planten borders, gras en bomen. Deze informele binnenwereld biedt de bewoners gelegenheid om de woning te bereiken, de tuinen en de plaatsjes, voor ontmoeting, om in het zonnetje te zitten, te spelen, kortom voor alles in en rondom de eigen woning.
24
Groningen, Oosterhamrikkade Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, nietuitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. De semi-openbare ruimte binnen in het gebouw (binnenplaats) wordt ingericht met beplanting en bomen, waardoor ook daar hemelwater wordt vastgehouden en langzaam wordt afgevoerd. Tevens zorgt het groen op de binnenplaats in combinatie met de licht kleurige binnenzijde van het gebouw voor een verkoelende werking. De groene omzoming van het gebouw wordt ingericht met verschillende inheemse beplanting waaronder hoog gras en bijenplanten. Hiermee wordt biodiversiteit bevorderd. Afvalwaterketen en riolering Conform het beleid van het Waterschap is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • • • •
hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.
Daarbij dient de ontwikkelaar ervoor te zorgen dat deze ontwikkeling voldoet aan de eisen vanuit de afvoer hemelwater en grondwater. Hiervoor is een rekentool ontwikkeld die helpt om te bekijken hoe hieraan kan worden voldaan. De uitkomst, en de wijze waarop u maatregelen neemt, zijn meegenomen te worden in de technische aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen. Conclusie De in deze Bopa mogelijk gemaakte ontwikkelingen zijn onderzocht voor het projectgebied en in de toekomst worden de hiervoor beschreven ontwikkelingen toegepast. Ook ligt het projectgebied niet in de kern- of beschermingszone van een waterkering. Hierdoor kunnen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse uitgesloten worden.
25
Groningen, Oosterhamrikkade Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit
4.4
Gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. Met betrekking tot deze BOPA zijn de hieronder genoemde beleidsstukken het belangrijkst. 4.4.1
Woonvisie gemeente Groningen – Een thuis voor iedereen
4.4.1.1 Algemeen Groningen staat voor een forse opgave op het vlak van wonen. Die opgave zit in de aantallen maar ook in de kwaliteit en toekomstbestendigheid van de woningen en woonomgeving. Met het vaststellen van de woonvisie 2020 – 2025 in juni 2020 zet de gemeente in op de woonomgeving van morgen. In woonvisie zijn vijf speerpunten geformuleerd: 1. 2. 3. 4. 5.
Bouwen, bouwen en nog eens bouwen, maar wel met kwaliteit Binden door samenwerking: het Woonakkoord Publieke regie en sturing: een gemeente voor iedereen Groningen en de regio: verstedelijkingsstrategie Nieuwe focus op doelgroepen.
In voorliggend geval is met name de eerste speerpunt van belang. Hierna wordt nader op dit punt ingegaan. 4.4.1.2 Speerpunt 1; bouwen, bouwen en nog eens bouwen, maar wel met kwaliteit De komende jaren groeit de gemeente fors. Dat vraagt om heel veel extra woningen. Daar komt bij dat er nog een inhaalslag moet worden gemaakt ter compensatie van de lage productieaantallen uit de vorige crisis. Door meer te bouwen wordt de druk van de woningmarkt gehaald. Geconcentreerd wordt op het woningbouwprogramma in de ontwikkelgebieden Stadshavens, Meerstad en de Suikerzijde. Op gemeentelijke locaties wordt de ontwikkeling versneld. In de bestaande wijken wordt aan de slag gegaan met de leefbaarheid. Binnen de wijkvernieuwing doen we ingrepen in de bestaande woningvoorraad. Van woonwijken naar leefwijken: goed gemengd, duurzaam en toekomstbestendig. Daarbij wordt het ruimtelijk en het sociaal domein met elkaar verbonden. Bij het realiseren van die woningen gaat het om veel meer dan aantallen. De kwaliteit vindt de gemeente van groot belang, zowel in de stedenbouw en als de openbare ruimte. De strategie van de compacte stad wordt gehandhaafd met volop aandacht voor een hoogwaardige en toegankelijke openbare ruimte.
4.4.1.3 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie gemeente Groningen – Een thuis voor iedereen Zoals blijkt uit bovenstaande beschrijving en de uitwerking van de Ladder voor duurzame verstedelijking (zie eerder in deze Bopa in 4.1.3) moeten er de komende jaren fors meer woningen worden gebouwd. Met het realiseren van 81 woningen binnen het projectgebied wordt hier een bescheiden maar noodzakelijke bijdrage aan geleverd. Qua woningtype is gekozen voor verschillende groottes zodat een bredere doelgroep bediend kan worden dan wanneer eenzelfde soort woningen of appartementen worden gebouwd. Deze woningen zijn daarmee ook uitermate geschikt voor 1- en 2 persoonshuishoudens als voor kleine gezinnen. Juist deze doelgroepen hebben op dit moment moeite om een geschikte woning in de stad Groningen te vinden die voldoet aan de hedendaagse voorkeuren. Ook zijn de woningen voor senioren echter uitermate geschikt. Met het realiseren van de grondgebonden woningen alsook appartementen wordt dan ook bijgedragen aan het realiseren van voldoende woningen in de stad Groningen en het behoud van de leefbaarheid in de wijken. Tevens krijgt een locatie op een inbreidingsplek daarmee een nieuwe functie. Het plan voorziet dan ook zowel in de kwantitatieve als kwalitatieve behoefte.
Daarnaast sluit de ontwikkeling goed aan bij de gemeentelijke ambitie ten aanzien van de ‘compacte stad’, doordat gebouwd wordt op een binnenstedelijke herontwikkelingslocatie.
26
Groningen, Oosterhamrikkade Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan de beleidsuitgangspunten zoals opgenomen in de gemeentelijk woonvisie. 4.4.2
Omgevingsvisie The Next City
4.4.2.1 Algemeen De gemeente Groningen beschikt over een actuele omgevingsvisie: The Next City. In de omgevingsvisie worden strategische keuzes gemaakt voor toekomstige ontwikkeling van de stad, met het accent op de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie is gemaakt voor de ‘oude’ gemeente Groningen. Het landelijk gebied, dat na de gemeentelijke herindeling per 1 januari 2019 bij de gemeente is ingedeeld, wordt uitzonderlijk uitgewerkt. Groningen groeit flink. Over 10 tot 15 jaar is de gemeente met een kwart gegroeid naar circa 250.000 inwoners. Deze groei moet worden opgevangen in de bestaande stad. Dit betekent een heel stevige ontwikkelopgave. In de schaarse ruimte moet veel gebeuren. Het gaat erom dat er een goed evenwicht wordt gevonden tussen de verschillende functies, belangen en wensen. In de omgevingsvisie zijn 12 belangrijke keuzes voor de stad opgenomen, deze staan hierna weergegeven: 1.
Er zijn 20.000 woningen nodig en er wordt een groei van 15.000 banen voorzien. Het opvangen van die groei is een enorme opgave. Groningen houdt vast aan de compacte stad en vangt de groei voor twee derde deel op in (binnen)stedelijk gebied. 2. Voorzieningen (o.a. sport, cultuur) groeien mee met de stad en sluiten aan bij de specifieke behoefte in de wijken. Het is noodzakelijk te investeren in het transformeren en bijbouwen van onderwijsvoorzieningen om de groei op te vangen. 3. Groningen houdt vast aan één centrum. De binnenstad wordt wel groter. Belangrijke (groot)stedelijke voorzieningen komen zoveel mogelijk in of nabij de verruimde binnenstad. De noordwand van de Grote Markt wordt aangepakt. 4. De ontwikkelzones, stedelijke knooppunten en wijkcentra zijn dé plekken waar Groningen gaat verdichten. De gemeente ziet vooral kansen in het transformeren van huidige of voormalige bedrijventerreinen tot gemengde woonwerkgebieden. 5. In de wijken en op verouderde werklocaties mengt Groningen woningen en voorzieningen met bestaande en nieuwe werkgelegenheid. Binnen dergelijke gebiedsniveaus is differentiatie mogelijk en geeft de gemeente ruimte voor nieuwe (woon-) werkmilieus. 6. In de wijken zet Groningen in op meer aanbod aan sociale huurwoningen, huurwoningen voor middeninkomens en koopwoningen. Daarnaast spreidt Groningen sociale huurwoningen meer over de stad. 7.
Groningen zet gericht in op fysieke maatregelen die participatie, ontmoeting, sociale contacten en gezond gedrag in de wijken stimuleren. Groningen verbindt de noordelijke wijken beter met de stad, versterkt de wijkcentra en geeft een nieuwe impuls aan de wijkvernieuwing. 8. Groningen geeft meer ruimte aan groen en leefruimte in de straat. Openbare ruimte is openbaar. Het is daarom niet langer vanzelfsprekend dat de auto de eerste rechten heeft op het gebruik van de openbare ruimte. 9. Groningen versterkt het groen en verbindt stad en regio. Groningen gaat het groen en water beter bereikbaar en beleefbaar maken. Het landelijk gebied blijft open. Door vergroenen van de stad en het versterken van het water maakt Groningen de gemeente klimaatadaptiever. 10. Nieuwbouw en bestaande bouw worden op termijn aardgasloos en energieneutraal. Voor duurzame energieopwekking zet Groningen in op ‘zonneparken op land, grote windmolens op zee’. Als opmaat naar een emissieloze mobiliteit in de binnenstad is de totale bevoorrading van de binnenstad in 2025 emissieloos. 11. De groei van het Openbaar Vervoer maakt dat Groningen moet nadenken over nieuwe overstapplekken, bijvoorbeeld op plekken als de Friesestraatweg, het Suikerfabriekterrein en/of Hoogkerk. 12. Groningen zet opnieuw in op een snellere verbinding Randstad-Groningen-Hamburg. Deze 12 keuzes zijn vertaald in 5 concrete opgaven:
27
Groningen, Oosterhamrikkade Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit
1. 2. 3. 4. 5.
Faciliteren groei van de stad; De werkgelegenheid groeit mee in stad en regio; De groeiende stad blijft leefbaar en aantrekkelijk voor alle inwoners; De energietransitie wordt versneld; Iedereen doet mee en helpt mee in een groeiende stad.
4.4.2.2 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie The Next City Voorliggende ontwikkeling sluit naadloos aan bij keuzes 1, 5, 6 en 10. Er wordt namelijk voorzien in een deel van de woningbouwbehoefte op een locatie in binnenstedelijk gebied, waarbij tevens verduurzaming plaatsvindt doordat de woningen en appartementen gasloos worden gebouwd en zullen voldoen aan de huidige duurzaamheidseisen. Daarnaast maakt de voorgenomen ontwikkeling deel uit van een groter plan waarbij de omgeving rondom het projectgebied wordt aangepakt, zie hoofdstuk 1 tot en met 3. Dit middels groenontwikkeling en faciliteiten wordt ontmoeting, sociale contacten en gezond gedrag gestimuleerd. Dit speelt in op de vitaliteit. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de gemeentelijke omgevingsvisie ‘The Next City’. 4.4.3
Welstandsnota Groningen
Het projectgebied maakt onderdeel uit van het welstandsgebied Korrewegwijk (beschermd stadsgezicht), zoals benoemd in de Welstandsnota van de gemeente Groningen. De welstandscriteria voor Korrewegwijk richten zich op: • • •
Het vorm- en schaalniveau: helder en verband houdend met de historie Zichtlijnen, pleinen en groenstructuren: ruimtelijke gebruiksstructuren uit het verleden blijven leidend. Architectonische typologie en uitwerking: baksteen, vormgeving en detaillering ondersteunen het herkenbare wijkgezicht.
Bij wijzigingen of nieuwbouw is het van belang deze kwaliteiten te herkennen, te versterken en weloverwogen te integreren in het planontwerp. Zo borgt de gemeente dat de ontwikkeling harmonieus past binnen het bewuste beschermde stadsgezicht. De bouwplannen zijn daarom getoetst aan de gemeentelijk welstandseisen, en in enkele commissies ruimtelijke kwaliteit behandeld. Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Het verzoek is voor het eerst op woensdag 25 september 2024 door de Commissie Ruimtelijke kwaliteit behandeld. Het plan is getoetst aan het relevante gemeentelijk beleid, waaronder de criteria voor een goede ruimtelijke ordening, de gemeentelijke welstandsnota, het gemeentelijk erfgoedbeleid, de erfgoedwet en de leidraden voor de openbare ruimte. De commissie heeft het volgende advies: De commissie ziet dat er zorgvuldig is ingegaan op de eerder opmerkingen en dat er aanzienlijke vooruitgang is geboekt, complimenten daarvoor. Het belangrijkste aandachtspunt betreft de privé-buitenruimte aan de Oosterhamrikkade, in het linker (rode) bouwblok. De vraag rijst of de huidige overgang tussen privé en openbare ruimte passend is voor deze locatie. Mogelijk zou een borstwering, kleuraccent of verminderde diepte bijdragen aan een duidelijkere scheiding en een duidelijker onderscheid tussen de poorten en de buitenruimtes.
Dit vraagstuk is nauw verbonden met de inrichting van de openbare ruimte en de voorziene verkeersdrukte. Er wordt momenteel uitgegaan van een verkeersluw profiel, maar het is niet uitgesloten dat deze straat, in combinatie met andere ontwikkelingen in het gebied, juist een profiel vereist dat geschikt is voor intensief verkeer. Beide scenario’s vereisen een andere benadering van de overgang tussen privé en openbaar. De commissie adviseert om in overleg met de andere projectgroep tot een weloverwogen keuze te komen voor de overgang. Het groenplan lijkt, voor zover nu uitgewerkt, een waardevolle bijdrage te leveren aan zowel de vergroening van het gebied als aan de erfafscheidingen. Er is besproken dat de keuze voor beplanting
28
Groningen, Oosterhamrikkade Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit
en de vormgeving van afwatering nog nader wordt onderzocht. De commissie adviseert om voor alle stegen en straten één overkoepelend thema te kiezen om samenhang te waarborgen. Op basis van bovenstaande punten kan de commissie een positief advies uitbrengen, mits de genoemde opmerkingen in de verdere uitwerking van het plan worden meegenomen. De commissie kijkt uit naar de verdere ontwikkeling van het plan. Vervolgens is deze locatie behandeld tijdens de vergadering van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op woensdag 12 maart 2025. De aanvraag is getoetst aan het relevante gemeentelijk beleid, waaronder het stedenbouwkundig beleid, het erfgoedbeleid en de welstandsnota. De commissie adviseert positief op de ontwikkeling aan de Oosterhamrikkade. Het wat preciezer duiden van de privé buiten ruimte aan de Oosterhamrikkade door de ruimte te verhogen wordt als een passende keuze gezien. De commissie is benieuwd hoe bewoners en gebruikers van de openbare ruimte deze vorm van afscheidingen in de praktijk zullen ervaren en benutten. Het onderscheid tussen het wonen in hofjes en het wonen in straatjes komt helder naar voren, terwijl er tegelijkertijd een samenhangende eenheid binnen het hele plan zichtbaar blijft. De straatjes krijgen een robuustere, ruwere uitstraling, terwijl de hofjes een verfijnder karakter hebben.
In dit kader heeft de commissie nog één aandachtspunt voor de verdere uitwerking van het plan: in de straten worden momenteel nette, verzorgde hagen voorgesteld. De commissie adviseert om te onderzoeken of deze kunnen worden vervangen door een gevarieerdere beplanting die dezelfde afscheiding tussen de tuintjes creëert, maar beter aansluit bij het stoere, minder gemanicuurde karakter van de straatjes. Daarbij kan ruimte voor de bewoners om zelf invulling aan te geven aan de beplanting bijdragen aan het eigenzinnige karakter van de stegen. Daarnaast heeft de commissie een opmerking voor de gemeente met betrekking tot de inrichting van de Oosterhamrikkade. Het nieuwe plan verwijst op een passende manier naar het oorspronkelijke industriële karakter van de kade, wat zelfs terug te zien is in de keuze van bestratingsmaterialen in de nieuw straten. Echter, in het conceptontwerp van de herinrichting van de straat staat vermeld dat de gemeente van plan is de kinderkopjes te vervangen door ‘fietsvriendelijke’ stenen. De commissie begrijpt dat kinderkopjes niet zo fijn fietsen, maar vreest dat deze wijziging afbreuk zal doen aan zowel het karakter van de plek als de sterke industriële uitstraling van de nieuwe ontwikkeling.
De commissie adviseert de kinderkopjes, die hele sterke identiteitsdragers zijn, te behouden ook omdat de architectuur van de toekomstige bebouwing gebaseerd is op het industriële verleden. 4.4.4
Strategische woningbouwprogrammering 2023- 2032
4.4.4.1 Algemeen Groningen staat voor een forse woningbouwopgave. Om het huidige tekort terug te dringen en de toename van de behoefte bij te houden moeten jaarlijks tenminste 1.500 woningen worden gebouwd. Daarbij is het uitgangspunt dat deze woningen betaalbaar en duurzaam zijn en bijdragen aan een ongedeelde gemeente. Door de toegenomen rente en steeds verder stijgende bouwkosten is dat geen eenvoudige opgave. De Strategische Woningbouwprogrammering (SWP) draagt bij aan oplossing van de woningnood door het vergroten van de gemeentelijke regie op de woningbouw. Dit past bij het streven van het college om meer publieke regie te voeren op belangrijke thema’s. Het vertrekpunt van de SWP is de Woonvisie ‘Een thuis voor iedereen’ (2020). De Woonvisie geeft aan welke doelstellingen we de komende jaren willen bereiken. De SWP vertaalt deze naar de vele woningbouwlocaties die Groningen kent. De SWP geeft aan welke woningtypen en prijsklassen op de verschillende locaties gebouwd moeten worden en welke fasering daarbij wenselijk is. De Strategische Woningbouwprogrammering richt zich op de periode 2023 t/m 2032. De meeste woningen die in het tijdvak 2023 t/m 2027 worden opgeleverd zijn onderdeel van lopende initiatieven. Bijsturen is dan vaak nog maar beperkt mogelijk en kan gepaard gaan met vertraging van de productie in plaats van versnelling.
In de periode na 2027 is bijsturen veel beter mogelijk. Om nieuwe initiatieven richting te kunnen geven en tijdig te zorgen voor voldoende woningbouwlocaties bevat de SWP dan ook een doorkijk naar de periode 2028 t/m 2032.
29
Groningen, Oosterhamrikkade Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit
4.4.4.2 Toetsing van het initiatief aan de Strategische Woningbouwprogrammering 2023-2032 (SWP Op basis van de Strategische Woningbouwprogrammering 2023-2032 (SWP) van de gemeente Groningen kan het plan voor de locatie ‘O-kade’ aan de Oosterhamrikkade als volgt worden getoetst: Beoordeling ten opzichte van gemeentelijk woningbouwbeleid 1. Inpassing in het stedelijk woonmilieu • • •
Het projectgebied ligt binnen het stedelijk woonmilieu, waar de focus ligt op verdichting en vooral appartementenbouw. De ontwikkeling van 81 woningen, waaronder appartementen en grondgebonden woningen, past bij dit profiel. De ligging nabij het centrum en langs het kanaal is geschikt voor deze verdichtingsopgave.
Conclusie: De locatiekeuze en typologie sluiten goed aan bij de SWP-uitgangspunten voor het stedelijk woonmilieu. 2. Programmering: sociaal/middelduur/duur • •
Het gemeentelijk uitgangspunt is 30% sociaal, 40% middensegment (huur/koop) en 30% duur. In de aangepaste planopzet is het aandeel betaalbare woningen (kleinere appartementen) vergroot. Het plan bevat een meer evenwichtige verdeling in lijn met de gewenste programmamix.
Conclusie: Het plan draagt positief bij aan de beleidsdoelstelling voor een ongedeelde gemeente en de toevoeging van betaalbare woningen. 3. Versnelling van woningbouwproductie • • •
De Oosterhamrikzone is expliciet benoemd als ontwikkellocatie in de SWP (ca. 3.600 woningen). De gemeente erkent dat in de periode 2023-2027 lopende initiatieven voortgang moeten krijgen om de productie op peil te houden. Dit project is één van de concrete initiatieven waarmee invulling wordt gegeven aan de gewenste versnelling.
Conclusie: Het project levert een directe bijdrage aan de benodigde woningbouwproductie op korte termijn.
4. Kwaliteit en aanpassing na participatie • •
De eerdere planversie is aangepast na overleg met de gemeente en bewoners: o.a. meer diversiteit in woningtypes. Deze aanpassingen dragen bij aan de stedenbouwkundige kwaliteit en leefbaarheid, beide zijn ook expliciete aandachtspunten in de SWP.
Conclusie: Het plan toont aanpasbaarheid en participatieve totstandkoming, wat past bij het gemeentelijk beleid op regie en kwaliteit. 5. Commerciële ruimte •
De toevoeging van 93 m² commerciële ruimte is kleinschalig en kan bijdragen aan de levendigheid en functiemenging, passend in een stedelijk milieu.
Conclusie: de omvang is beperkt en past binnen een gemengd woongebied. Eindconclusie Het aangepaste plan voor de O-kade sluit in grote lijnen goed aan bij de uitgangspunten van de Strategische Woningbouwprogrammering 2023-2032 van de gemeente Groningen. Het draagt bij aan: • • •
het verdichten van het stedelijk woonmilieu, de toevoeging van betaalbare woningen, versnelling van de woningbouw,
30
Groningen, Oosterhamrikkade Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit
•
4.4.5
en een gemengde stad.
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorliggend initiatief uitstekend past binnen de gemeentelijke beleidskaders.
31
Groningen, Oosterhamrikkade Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit
HOOFDSTUK 5
ASPECTEN VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld. De volgende aspecten komen aan bod: • • • • • • • • • • •
Geluid door activiteiten; Bodemkwaliteit; Luchtkwaliteit; Externe veiligheid; Milieuzonering; Geur; Ecologie; Archeologie & cultuurhistorie; Verkeer en parkeren; Besluit milieueffectrapportage; Stedenbouw- en welstand (reeds aan bod gekomen in hoofdstuk 3 en 4)
5.1
Geluid door activiteiten
5.1.1
Algemeen
Onder de Omgevingswet is de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit aan. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken.
Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
32
Groningen, Oosterhamrikkade Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit
5.1.3
Situatie projectgebied
In dit geval is door abt Wassenaar een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 3 van deze toelichting. Het plan ligt binnen de invloedssfeer van de volgende 50 km/h wegen: -
Wouter van Doeverenplein J.C. Kapteynlaan S.S. Rosensteinlaan Petrus Campersingel Oosterhamrikbaan Vrydemalaan E. Thomassen à Thuessinklaan
Binnen het onderzoeksgebied bevinden zich de volgende wegen met een snelheidsregime van 30 km/h: -
Oosterhamrikkade Oliemuldersweg Antonius Deusinglaan.
Wegverkeerslawaai Uit de berekeningen blijkt dat : • • • • -
-
-
de geluidbelasting van alle wegen gecumuleerd ten hoogste 57 dB bedraagt, waarmee niet wordt voldaan aan de standaardwaarde van Lden = 53 dB uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de geluidbelasting vanwege de 50 km/h wegen ruimschoots voldoet aan de standaardwaarde van Lden = 53 dB de geluidbelasting vanwege de 30 km/h wegen niet voldoet aan de standaardwaarde van Lden = 53 dB. Dit wordt met name veroorzaakt door de verharding van de Oosterhamrikkade van klinkers in keperverband en de geringe afstand van de weg tot de appartementen het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als zij: geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 3.35 lid 1 onder a Bkl) de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 3.35 lid 1 onder b Bkl).
Het bevoegd gezag kan geluidbeperkende maatregelen treffen die de overschrijding van de standaardwaarde in mindere mate beperkt, maar die leiden tot minder gecumuleerd geluid (artikel 3.35 lid 4 Bkl) geluidbeperkende maatregelen bij voorkeur aan de bron heeft getroffen (artikel 3.35 lid 5 Bkl) bij voorwaarde 1, 2 en 3 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen van geluidbeperkende maatregelen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. (artikel 3.35 lid 2 Bkl) geluidbeperkende maatregelen als financieel doelmatig heeft beoordeeld. het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 3.38 Bkl).
Gelet op bovenstaande bepalingen en overwegingen, waarbij redelijkerwijs geen maatregelen aan de dominante en maatgevende weg - de Oosterhamrikkade met een verharding van klinkers - mogelijk zijn, wordt voorgesteld de berekende geluidbelasting van ten hoogste Lden = 57 dB toe te staan. Dit kan de gemeente Groningen doen middels een maatwerkvoorschrift in de BOPA-vergunning. Deze geluidbelasting ligt ten hoogste 4 dB boven de standaardwaarde en ligt ruimschoots onder de maximale grenswaarde van 70 dB, namelijk 13 dB. Railverkeerslawaai- en industrielawaai In de omgeving van het projectgebied zijn geen spoorlijnen en is geen gezoneerd bedrijventerrein, als bedoeld in de Omgevingswet, aanwezig. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek railverkeerslawaai en
33
Groningen, Oosterhamrikkade Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit
industrielawaai is daarom niet noodzakelijk. Wat betreft de invloed van individuele bedrijvigheid op het projectgebied wordt verwezen naar paragraaf over milieuzonering in dit hoofdstuk. 5.1.4
Conclusie
Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 5.2.2
Situatie projectgebied
In het verleden zijn ter plaatse diverse bodemonderzoeken uitgevoerd, hieruit blijkt dat er gesaneerd moet worden. Daarom heeft Van der Wiel/Enviso voor het projectgebied een bodem- en saneringsplan gemaakt. Hierna wordt kort op de belangrijkste resultaten en conclusies ingegaan. Onderzoeksresultaten In opdracht van VanWonen is door Enviso Ingenieursbureau een saneringsplan opgesteld met betrekking tot de voorgenomen sanering van de aanwezige verontreinigde bodem ter plaatse van de Oosterhamrikkade 2, 4, 6a en 8 te Groningen. Binnen de saneringslocatie is een viertal gevallen van ernstige bodemverontreiniging aanwezig in de zin van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb). Er is geen sprake van humane, ecologische en/of verspreidingsrisico’s en daarom geldt er geen spoedeisendheid tot sanering. De aanleiding voor het opstellen van het saneringsplan is de voorgenomen herinrichting en nieuwbouw op de locatie en de tijdens voorgaande onderzoeken aangetoonde bodemverontreiniging met zware metalen, PAK, minerale olie en vluchtige aromaten. Op grond van de Wbb moet een saneringsplan te worden ingediend bij het bevoegd gezag (gemeente Groningen), voordat met de graafwerkzaamheden en nieuwbouw mag worden gestart. Het doel van het saneringsplan is het beschrijven van de uit te voeren bodemsanering, waarbij zowel uitvoeringstechnische als milieuhygiënische aspecten aan de orde komen.
De uit te voeren sanering wordt zodanig beschreven, dat hierop door het bevoegd gezag in het kader van de Wbb een beschikking kan worden afgegeven.
34
Groningen, Oosterhamrikkade Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit
5.2.3
Conclusie
Opgemerkt wordt dat het projectgebied bouwrijp wordt opgeleverd aan initiatiefnemer. De voorgenoemde sanering wordt daarom in de loop van 2025 uitgevoerd. Op basis hiervan (na sanering) wordt geconcludeerd dat de bodemkwaliteit in de toekomst bij het toekomstig gebruik zal passen. De kwaliteit van de bodem staat een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet in de weg.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Algemeen
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
2.
5.3.2
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Situatie projectgebied
NIBM In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling in vergelijking met categorieën van gevallen, kan worden aangenomen dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Gevoelige functies De voorgenomen te realiseren woningen worden verder in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen, niet aangemerkt als ‘gevoelige functies’. Het Besluit gevoelige bestemmingen behoeft geen nadere aandacht. Op basis van de “grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland”, welke is gepubliceerd door het Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu, zijn op schaal van km² de gemiddelde achtergrondconcentraties van diverse luchtverontreinigende stoffen aangegeven. Na raadpleging hiervan blijkt dat in het projectgebied voor de stoffen NO2 (stikstofdioxide) en fijnstof (PM10 en PM2,5) ruimschoots wordt voldaan aan de Wettelijke grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
35
Groningen, Oosterhamrikkade Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit
5.3.3
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) 5.4.2
Situatie in en bij het projectgebied
In afbeelding 5.1 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart. Het projectgebied is met de rode ster indicatief weergegeven.
Afbeelding 5.1
Uitsnede risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving, bewerkt door BJZ.nu)
Uit de inventarisatie blijkt dat het projectgebied: •
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
36
Groningen, Oosterhamrikkade Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit
• • •
zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Opgemerkt wordt dat ten noordwesten van het projectgebied, op een grote afstand van 785 meter, een spoorweg ligt. Deze spoorweg heeft een PAG-indicatie (Plasbrandaandachtsgebied) en hierover vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De PAG-indicatie betreft een zone van 30 meter breed. Gelet op de afstand tussen de spoorweg en het projectgebied, vormt de PAG-indicatie geen belemmering. Over het spoor worden meerdere typen gevaarlijke stoffen vervoerd. In dit geval is stofcategorie B3 maatgevend. In onderstaande tabel wordt het invloedgebied (1% - letaliteitsafstand) per stofcategorie en modaliteit weergegeven.
Opgemerkt wordt dat het invloedgebied van stofcategorie B2 en B3 tot over het projectgebied reikt. Het groepsrisico ter plaatse van het projectgebied zal als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet met meer dan 10% toenemen. Dit kan zondermeer gesteld worden gelet op de dichtheid van bestaande functies in de omgeving, en bestaande toegestane planologische situatie, waarbij per saldo als gevolg van deze Bopa het aantal personen in het projectgebied slechts beperkt zal toenemen. Gelet op het vorenstaande is een nadere verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk.
37
Groningen, Oosterhamrikkade Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Toetsing verantwoording van het groepsrisico Desondanks is in verband met de locatie van het project in de nabijheid van het invloedsgebied van een spoorlijn het externe veiligheidsrisico door het transport van gevaarlijke stoffen over deze spoorlijn beschouwd. De belangrijkste conclusies naar aanleiding van de beoordeling worden hierna benoemd. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling, gezien onderstaande stappenplan. Stap 1 Gezien de beschikbare ruimte is het niet mogelijk de ontwikkeling volledig buiten het explosieaandachtsgebied te plaatsen. Stap 2 Voor zover bekend zijn geen bronmaatregelen genomen waarmee het risico op een ongeval met gevaarlijke stoffen zoveel mogelijk is teruggedrongen. Omdat het gebied in de verleden situatie bebouwd was, is het aannemelijk dat deze locatie in de huidige situatie bereikbaar zijn voor de hulpdiensten en de aanwezige bluswatervoorzieningen in orde zijn. Het projectgebied ligt op grote afstand van de spoorlijn. In het geval van een calamiteit zijn de aanwezige personen binnenshuis goed beschermd, waardoor de overlevingskans zeer groot is. Stap 3 De afstand en obstakels tussen het spoor en het projectgebied kunnen helpen bij het beschermen van de aanwezigen.
Over de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid kan advies worden gevraagd bij de veiligheidsregio, indien initiatiefnemer daar geen ervaring mee heeft. In voorliggend geval heeft VanWonen ruime ervaring met gebieds- en projectontwikkeling en heeft zij reeds kennis over deze onderwerpen. Andere soorten risico In de omgeving is geen opslag voor het bewerken en/of her verpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl) aanwezig. Ook is er geen sprake van het opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). In de nabijheid van het projectgebied is ook geen sprake van het exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Ten slot ligt het projectgebied ook niet in de nabijheid van een inrichting voor het opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Er zijn geen (veiligheids) maatregelen nodig voor de realisatie van het project. 5.4.3
Conclusie
Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Onder de Omgevingswet worden aspecten als geluid- en geurhinder niet meer in het milieuspoor geregeld, zoals voorheen in het Activiteitenbesluit of een milieuvergunning, maar direct in het omgevingsplan. Dit is een van de redenen waarom de VNG heeft besloten dat de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009 met de richtafstanden per bedrijfsactiviteit niet meer goed past bij het integrale karakter van de Omgevingswet en het omgevingsplan. Milieuzonering nieuwe stijl (VNG handreiking mei 2019) anticipeert hierop en gaat uit van de beschikbare gebruiksruimte om activiteiten uit te voeren, onder meer voor geluid. De werkelijke milieubelasting van een bedrijfsactiviteit is dan bepalend of een activiteit op een bepaalde locatie past, en niet meer een richtafstand.
38
Groningen, Oosterhamrikkade Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit
De systematiek uit de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ is opgenomen in veel bestemmingsplannen. Zolang die bestemmingsplannen van kracht zijn wordt deze systematiek nog toegepast. In voorliggend geval zijn de bestemmingsplannen nog van kracht aangezien deze zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In voorliggend geval geldt voor het project gebied het de ‘bedrijven en milieuzonering’ systematiek. Hierna wordt de ontwikkeling op basis hiervan getoetst. 5.5.2
Situatie projectgebied
Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het projectgebied is gelegen in een centrumomgeving, waarbij sprake is van een omliggende woonwijk, maar ook gemengde functies, verkeer, water en bedrijvigheid, waardoor er sprake is van een matige tot sterke functiemenging. In dit geval wordt daarom uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’.
In de onderstaande tabel is te zien welke richtafstanden per milieucategorie gelden dit omgevingstype. In dit geval wordt uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. De richtafstanden behorende bij de te onderscheiden omgevingstypen worden in de navolgende tabel inzichtelijk gemaakt. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Interne en externe werking Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de functie toe? (interne werking).
Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als
39
Groningen, Oosterhamrikkade Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit
het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. Het voornemen ziet toe op het realiseren van woningen, alsmede een commerciële ruimte. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Wat betreft de ‘commerciële ruimte/functie’ in het projectgebied wordt gesteld dat dit een dusdanig functie nabij de woonfuncties betreft, die goed nabij/in-of aanpandig bij woningen kan worden uitgeoefend (milieucategorie 1) en dat deze functie daarom geen nadere toetsing behoeft. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het projectgebied hinder ondervinden van bestaande functies (in de omgeving). Op de percelen rondom het projectgebied zijn (in de toekomst, zie hiervoor hoofdstuk 1 van deze onderbouwing) met name woningen alsook bedrijven uit de milieucategorieën 1 en 2 toegestaan. Daarnaast blijft het bedrijf Wenutbutter behouden, dit bedrijf is cf. het bestaande planologische regime maximaal milieucategorie 2 (met een bijbehorende richtafstand van 10 meter in gemengd gebied). Het projectgebied is gelegen op een afstand van ruim meer dan 10 meter tot omliggende bedrijvigheid, behalve wat betreft het bedrijf Wenutbutter.
Daarom is er door abt Wassenaar een onderzoek uitgevoerd naar dit bestaande, feitelijk aanwezige en vergunde cq. bestemde bedrijf, wat betreft de invloed van het plan op dit bedrijf en vice versa. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 4 bij deze BOPA. Doel van het onderzoek is het beoordelen van de optredende geluidbelasting vanwege de inrichting ter plaatse van de geplande nieuwbouw. De activiteiten van de inrichting vallen onder de werkingssfeer van de “Bruidsschat” van de Omgevingswet (voorheen het Activiteitenbesluit, type B inrichting). Bekeken is de planologische situatie van dit bedrijf alsmede de vergunde situatie van dit bedrijf. Vervolgens is akoestisch onderzoek verricht. Aanleiding voor het onderzoek is de geplande nieuwbouw rondom de inrichting. Hierbij geeft het onderzoek inzicht in: 1. 2. 3.
langtijdgemiddelde geluidniveaus vanwege de inrichting ter plaatse van de gevels van de omliggende woningen maximale geluidniveaus vanwege de inrichting ter plaatse van de gevels van de omliggende woningen toetsing van de berekende geluidniveaus aan de toelaatbare waarden van het Activiteitenbesluit en de toelaatbare waarden genoemd in de Bruidsschat (zie hoofdstuk 3).
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus Uit de rekenresultaten blijkt dat het geluidniveau op alle rekenpunten in de dag-, avond- en nachtperiode voldoet aan de toelaatbare waarden van de Bruidsschat c.q. het Activiteitenbesluit. De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 50 dB(A) in de dagperiode. In de avond- en nachtperiode is de inrichting niet in werking. Relevante geluidbronnen zijn met name de aan- en afvoer van goederen met twee vrachtwagen en zes bestelbussen, alsmede het gebruik van een palletkar. Maximale geluidniveaus Vanwege het laden en lossen en aan- en afvoerbewegingen zullen maximale geluidniveaus optreden. De maximale geluidniveaus worden veroorzaakt door transportbewegingen zoals het gebruik van een palletkar, het dichtslaan van portieren en het optrekken, remmen, manoeuvreren van vrachtwagens en bestelbussen. In Tabel 5 in het onderzoek zijn de maximale geluidniveaus (LA,max) op de rekenpunten weergegeven voor het optrekken van een vrachtwagen (v) en het gebruik van een palletkar (p). Uit de rekenresultaten blijkt dat de maximale geluidniveaus ten hoogste 89 dB(A) bedragen vanwege een optrekkende (of remmende) vrachtwagen met remontluchting. De maximale geluidniveaus vanwege het gebruik van een palletkar bedragen ten hoogst 77 dB(A).
Deze geluidspieken treden enkele keren in de dagperiode en uitsluitend in de dagperiode op en zijn inherent aan de bedrijfsvoering en niet te vermijden. Omdat de maximale geluidniveaus ter plaatse van alle rekenpunten worden veroorzaakt door laad- en loswerkzaamheden en aanverwante activiteiten, zijn deze maximale geluidniveaus in de Bruidsschat (voorheen
40
Groningen, Oosterhamrikkade Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit
het Activiteitenbesluit) in artikel 22.63 lid 4, uitgezonderd van toetsing. Dit omdat deze maximale geluidniveaus – zoals is aangegeven in de toelichting van het besluit - in de dagperiode doorgaans niet tot hinder leiden. Geconcludeerd wordt dat milieubelastende functies geen belemmering vormen voor de realisatie van woningen binnen het projectgebied. Vanuit milieuzonering wordt er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht. Andersom wordt geconcludeerd dat milieubelastende functies niet worden belemmerd in de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden. Door ABT Wassenaar is de geluidbelasting op de omgeving getoetst op de huidige feitelijke bedrijfsactiviteiten van Wenutbutter. Daarbij wordt bekeken dat planologisch is toegestaan en wat planologisch vergund is. In het kader van milieuzonering kan er niet getoetst worden mogelijk toekomstige ambities van Wenutbutter, waarvan de plannen nog niet bekend van zijn en waar (nog) geen planologische vergunning voor is. Conclusie Ter plaatse van het projectgebied is een goed woon- en leefklimaat te verwachten, daarnaast wordt de omliggende functies niet in haar ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd. 5.5.3
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend initiatief.
5.6
Geur
5.6.1
Algemeen
Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. 5.6.2
Situatie projectgebied
In voorliggend geval zijn er in en rondom het projectgebied geen geurbronnen aanwezig. In voorliggend geval is een geuronderzoek dan ook niet van toepassing. 5.6.3
Conclusie
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
41
Groningen, Oosterhamrikkade Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
5.7.2
Gebiedsbescherming
Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 5.7.3
Soortenbescherming
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. 5.7.4
Situatie projectgebied
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het projectgebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Drentsche Aa-gebied’ is gelegen op circa 10,9 kilometer afstand van het projectgebied. Ten behoeve van het voornemen zijn, in het kader van de stikstofdepositie als gevolg van het project, twee AERIUS-berekeningen uitgevoerd, welke zijn opgenomen in bijlage 5 bij deze onderbouwing. Deze bestaan uit een berekening voor de aanlegfase (realisatie voornemen) en een berekening voor de gebruiksfase (gebruik voornemen). Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
42
Groningen, Oosterhamrikkade Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit
NNN-gebieden Het projectgebied ligt niet binnen concreet begrensd Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het meest nabij gelegen gebied bevindt zich op 2,1km afstand ten noorden van het projectgebied. Gezien de ligging en de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling wordt gesteld dat als gevolg van voorliggend voornemen geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Soortenbescherming In voorliggend geval is de soortenbescherming uit de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In dit geval is sprake van nieuwbouw op een straks compleet bouwrijpterrein. Initiatiefnemer krijgt het eigendom namelijk pas overgedragen, nadat het bouwrijp is gemaakt. Dit is na sloop van de bebouwing of rooien van de opgaande beplanting. Op dat moment is er, gezien er reeds gesloopt is en het intensieve bouwrijp maken, geen bijzondere flora en/of fauna meer te verwachten. Er zullen nog een drietal bomen worden gekapt, de aanvraag hiervoor wordt binnenkort behandeld. Gelet op de kenmerken en het huidige gebruik van de locatie is er evenmin sprake van een foerageergebied.
Van significant negatieve effecten door dit plan lijkt dan ook geen sprake. Gelet op vorenstaande wordt het uitvoeren van een Quickscan natuurwaarden niet noodzakelijk geacht. 5.7.5
Conclusie
Mits bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen, is er geen sprake van mogelijke overtreding van de Wnb als gevolg van het toestaan van voorliggend project.
5.8
Archeologie & cultuurhistorie
5.8.1
Algemeen
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 5.8.2