Bijlage 6 rapport ruimtelijke onderbouwing.pdf
Tekst van het document
omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: 1.
ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; 2. verplaatsing van beschermde monumenten; 3. gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; 4. aantasting van de omgeving van een beschermend monument; 5. aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; 6. conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Hierna worden nader ingegaan op de aspecten archeologie en cultuurhistorie.
5.4.1 Cultuurhistorie Analyse De luchtfoto laat Ten Post zien in zijn historisch gegroeide vorm, met het bebouwingslint langs het Damsterdiep, de komvormige landbouwgronden daarachter en eromheen en nog zonder provinciale weg. De boerderijen liggen als eilanden in een zee van landbouwgrond, de bewoners werken bij een van de hout- of steenfabrieken en waren in hoge mate zelfvoorzienend: een eigen moestuin, een koe of enkele varkens werden bij het eigen woonhuis gehouden. In 1876 werd een steenfabriek opgericht langs het Damsterdiep. Hierin werd het zeeklei gebakken tot bakstenen. Met het Damsterdiep als economische vaarweg tussen Groningen en Appingedam, had Ten Post een goede positie als dorp voor ambachten en verwerking van producten. Met de komst van het Eemskanaal in 1877 verloor het Damsterdiep zijn centrale handelsfunctie en de economische positie voor de aanliggende dorpen. Het dorp heeft nog lang gefunctioneerd als zelfvoorzienend dorp. Pas na 1960 veranderde het dorp meer tot een forenzen dorp. Wat gestimuleerd werd door de rondweg die ten westen van ten Post werd ingericht en de uitbreiding van Nije buurt. Toch bestaan er in Ten Post belangrijke verenigingen die het dorp levendig houden. Al is het dorp voor
31
de dagelijkse boodschappen en werkgelegenheid grotendeels afhankelijk van de voorzieningen in grotere omliggende dorpskernen en steden. Op de historische kaarten zie je dat het sportterrein gelegen is aan een historische weg, waar begin deze eeuw een nieuwe wijk de Vlamoven is gebouwd. Met de komst van De Vlamoven is het sportveld ingeklemd tussen bebouwing en heeft de relatie met het Damsterdiep verloren. De noordzijde van het Sportveld heeft nog relatie met het open landschap en de zuidzijde heeft de verbinding met het oude lint behouden. Vertaling naar het plan Het Huis van Ten Post wordt gebouwd in een periode waar veel woningen versterkt of vernieuwd worden. Het DNA van Ten Post staat daarmee onder druk. Het huis van Ten Post zal een toonbeeld worden die de identiteit van Ten Post weet te grijpen en te versterken. De identiteit van het dorp wordt weerspiegeld aan de hand van verschillende factoren: -
Tijd Het Lint Korrelgroote architectuur Karakter
Tijd In de alinea’s hiervoor staat de rijke handels- en ambachtgeschiedenis van Ten Post omschreven. Dit geeft aanknopingspunten voor materiaalgebruik. Ook de tijd- en functielagen van de gebouwen is duidelijk afleesbaar in de architectuur. Zoals de kenmerkende verschillen tussen publieke gebouwen, arbeiderswoningen en villa’s van voormalige directeuren. Het lint De B. Kuiperweg is onderdeel van het historische lint van Ten Post. De gebouwen vormen als geheel het karakter van het lint. Het Huis van Ten Post zal daar ook onderdeel vanuit maken. Het is van belang dat het gebouw ingepast wordt in het historische lint en daarmee het lint versterkt en niet ondermijnt. In het lint zijn ook een paar monumenten en karakteristieke panden te vinden, waarvan er één tegenover het toekomstige Huis van Ten Post staat. Het is een oud kerkje, wat tegenwoordig bewoond wordt. Met de komst van het dorpsplein zal het kerkje en de aangrenzende woningen ook onderdeel uitmaken van het nieuwe gebouw en de buitenruimte. De nieuwe inrichting van de B. Kuiperweg zal zich ook gaan verhouden tot het oude lint, gebruiksvriendelijkheid voor langzaamverkeer en het nieuwe Huis van Ten Post. Korrelgrootte architectuur Gebouw sluit zich aan op de korrelgrootte van het bestaande dorpslint, waarmee het ontwerp de vormentaal en de volumes van de bestaande bebouwing volgt op een eigentijdse manier.
Karakter Het Huis van Ten Post wordt een gebouw voor de inwoners van Ten Post. Het karakter en de logica van het gebouw en de buitenruimte zal moeten aansluiten op dat van de inwoners.
32
Conclusie Bij het ontwikkelen van het plan is rekening gehouden met de cultuurhistorische kwaliteiten van het gebied en haar omgeving. Vanuit het aspect ‘cultuurhistorie’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
5.4.2 Archeologie Op basis van de Erfgoedwet geldt een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Analyse Het plangebied kent een archeologische dubbelbestemming ‘Waarde archeologie 2’ en is daarmee archeologisch beschermd. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart bevindt het projectgebied zich in het Wierdengebied (oost). Op de volgende afbeelding is dat weergegeven.
Ligging van het projectgebied binnen archeologisch cultuurhistorische waardenkaart gemeente Groningen.
waardevol
gebied.
Bron:
33
De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, naast het bepaalde in de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, bestemd voor het behoud van archeologische waarden. Voor het bouwen van bouwwerken met een grotere oppervlakte dan 200 m2 en een grotere diepte dan 0,45 meter beneden maaiveld, waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, geldt dat deze uitsluitend mogen worden gebouwd nadat de aanvrager een archeologisch rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Indien archeologische waarden worden aangetroffen, dient een advies te worden ingewonnen ten aanzien van de voorgenomen werken bij een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. Omdat het plan voorziet in het realiseren van een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 200 m2 en er wordt gegraven tot een diepte van meer dan 0,45 meter, heeft archeologisch onderzoek plaatsgevonden. De resultaten van het archeologische onderzoek zijn opgenomen als bijlage 5 van deze ruimtelijke onderbouwing. Samenvatting en resultaten onderzoek Op basis van de gebiedsgegevens kunnen binnen het plangebied mogelijk (wierde)resten uit de (vroege en late) middeleeuwen en nieuwe tijd worden verwacht in de top van de getij -afzettingen.
In de kleiafzettingen kunnen daarnaast (eventueel overslibde) resten uit oudere perioden, ijzertijd/Romeinse tijd, worden aangetroffen. In het noorden en zuiden van het plangebied moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van ophogingslagen (wierdelagen) uit de periode ijzertijd-middeleeuwen. Uit het booronderzoek blijkt dat binnen het plangebied geen archeologische niveaus aanwezig zijn. Er zijn evenmin archeologische indicatoren aangetroffen. Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt dat in het plangebied geen archeologische resten bedreigd worden. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). Tevens dient dan direct de gemeentelijk archeoloog te worden ingelicht. Conclusie Vanuit het aspect ‘archeologie’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
34
6. Fysieke leefomgeving Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl (zie ook ‘beleidskader Rijk en provincie’, hoofdstuk 4). De vraag bij de vergunningverlening is of het initiatief - de gevraagde activiteit - leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling (van functies aan locaties). Daarom wordt het project in dit hoofdstuk getoetst aan ruimtelijke en milieukundige aspecten.
6.1 Beschermen van de gezondheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: -
-
het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).
Kader Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet moet dit aspect breed worden gemotiveerd. Betrek bij de motivering de maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 Omgevingswet en licht toe hoe dit aspect zich verhoudt tot de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beargumenteer vanuit dat oogpunt dat de kwaliteit van de leefomgeving door de activiteit verbetert dan wel niet (onevenredig) verslechtert. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem.
Deze aspecten worden in de hiernavolgende paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om ter introductie kort te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de buitenplanse omgevingsvergunning is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. Vertaling naar het plan Het plan voorziet onder andere in het realiseren van een school met een bijbehorend schoolplein en in sportfaciliteiten. Deze functies dragen bij aan bewegen en daarmee aan een gezonde levensstijl.
35
Het project voorziet niet in functies die een negatief effect op de gezondheid van bezoekers van het projectgebied of voor omwonenden kunnen hebben. Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
6.2 Geluid door activiteiten In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.). Kader Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen is regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: • • • • •
het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; het bevorderen van bronmaatregelen; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels: het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.
Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het gaat om gebouwen met een: -
woonfunctie; onderwijsfunctie; gezondheidszorgfunctie met een bedgebied of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied.
De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid
36
op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Analyse Het projectgebied ligt binnen de invloedssfeer van wegen en van bedrijven. Om die rede heeft in het kader van voorliggend project heeft onderzoek plaatsgevonden naar wegverkeerslawaai en industrielawaai. De onderzoeksresultaten zijn als volgt. Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt deels binnen het geluidsaandachtsgebied van de provinciale wegen door de nabijgelegen N865 (B. Kuiperweg en Rijksweg zuid) en gemeentelijke wegen door Rijksweg noord. Een deel van het plangebied, waar geen geluidsgevoelige gebouwen worden voorzien, ligt binnen het geluidsaandachtsgebied rond de buiten gebruik gestelde NAM-locatie Ten Post. Het plangebied ligt buiten de andere geluidsaandachtsgebieden van Rijkswegen, spoorwegen en andere industrieterreinen waar grote lawaaimakers zijn toegelaten. Dit onderzoek beperkt zich derhalve tot provinciale en gemeentelijke wegen. De geluidbelasting van de MFA op de omgeving en van Houthandel Reinders op de school wordt in een apart onderzoek beschouwd. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen van de Omgevingsregeling.
Uit het onderzoek (zie bijlage 6) blijkt dat de geluidbelasting op de nieuw te vergunnen MFA op alle gevels ruimschoots voldoet aan de standaardwaarden voor provinciale - en gemeentelijke wegen. Ten aanzien van wegverkeerslawaai is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en brengt de Omgevingswet geen verdere verplichtingen of beperkingen met zich mee. Industrielawaai In het kader van voorliggend project is onderzoek gedaan naar de geluidbelasting van de MFA op de omgeving en van Houthandel Reinders op de nieuwe MFA. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 7 van deze onderbouwing. Ten aanzien van langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en maximale geluidsniveaus wordt door de MFA op alle aanwezige geluidsgevoelige gebouwen voldaan aan de richtwaarden van de VNG-publicatie en aan de standaard grenswaarden van de Bruidsschat. Op het uitsluitend bestemde bouw naast B. Kuiperweg 3/5 worden de grenswaarden van langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en maximale geluidsniveaus overschreden. Mede gezien het feit dat het bouwvlak ook reeds deels samenvalt met het plangebied voor de MFA moet deze bestemming worden heroverwogen.
Ten aanzien van langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en maximale geluidsniveaus door Houthandel Reinders wordt op alle gebouwdelen van de MFA voldaan aan de richtwaarden van de VNG-publicatie en aan de standaard grenswaarden van de Bruidsschat. De berekende geluidsniveaus ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking van de MFA en van Houthandel Reinders voldoen aan de richtwaarde van de VNG-publicatie. In het kader van de Bruidsschat wordt indirecte hinder niet beoordeeld. De MFA is zo stil als redelijkerwijs mogelijk is. Het vergunnen van de MFA wordt, met een aanpassing aan de aangrenzende woonbestemming, aanvaardbaar geacht en daarbij wordt Houthandel Reinders niet in haar mogelijkheden beperkt. 37
Conclusie Vanuit het aspect ‘Akoestiek’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
6.3 Kwaliteit van de buitenlucht In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. Kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: -
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Onder de standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit, worden volgens artikel 5.54 Bkl de volgende activiteiten bedoeld: -
Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruik functies: ten hoogste 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of ten hoogste 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Gebouwen met een kantoorfunctie: ten hoogste 100.000 m2 bruto-vloeroppervlak bij één ontsluitingsweg, ten hoogste 200.000 m2 bruto-vloeroppervlak bij twee ontsluitingswegen. Zowel gebouwen voor een kantoorfunctie als een woonfunctie:
38
-
-
één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 die samen opgeteld kleiner of gelijk zijn aan 1,2; of - twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en evenredig grote brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties; Het telen van gewassen in open lucht en het behandelen van gewassen direct voor of na de teelt. Het telen van gewassen in niet-verwarmde kassen of verwarmde kassen niet groter dan 2ha. Het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, voor zover het gaat om witlofrek of teelt van eetbare paddenstoelen.
Analyse Voorliggend project voorziet in een combinatie van functies. De hoofdfuncties betreffen ‘sport’, ‘onderwijs’ en ‘bijeenkomstfunctie’. Deze functies vallen niet onder de standaard gevallen NIBM. Daarom is op de atlas van de leefomgeving gekeken naar de huidige concentratie van fijnstof en stikstofdioxide in de lucht. Deze concentraties zijn redelijk tot goed. Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de standaardgevallen NIBM (artikel 5.54 Bkl), kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Daarbij speelt mee dat de voorziene functies voor een groot deel gericht zijn op het dorp. Veel mensen komen te voet of met de fiets naar het projectgebied. Daarom is redelijkerwijs aan te nemen dat de ontwikkeling niet leidt tot een verslechtering van de bestaande situatie. Conclusie Vanuit het aspect ‘luchtkwaliteit’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
6.4 Geur Kader Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties heeft de gemeente zelf de mate van geurbescherming bepaald in het omgevingsplan. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Analyse Voorliggend project is op basis van het aspect geur milieugevoelig vanwege de school en het kinderdagverblijf. In het kader van voorliggend project vinden geen geur-veroorzakende activiteiten plaats. In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich geen functies die geur veroorzaken en daardoor een negatief effect hebben op voorliggend project. 39
Conclusie Vanuit het aspect ‘geur’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
6.5 Trillingshinder Kader Voor het aspect trillingen vallen alle activiteiten die trillingen veroorzaken onder de afdeling '2.3 Milieubelastende activiteiten bruidsschat omgevingsplan'. De uitzonderingen hierop staan in artikel 22.41 bruidsschat van de bruidsschat. De Omgevingswet beschermd trilling gevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Analyse Trillingen worden doorgaans veroorzaakt door invloed van spoorwegen. In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen spoorwegen aanwezig die trillingen veroorzaken. Voorliggend project ligt in aardbevingsgebied. De kans op trillingen ten gevolge van gaswinning is aanwezig. Daarom is bij het bouwen van het gebouw rekening gehouden met de mogelijkheden van trillingen. Het gebouw voldoet aan de NPR 9998 (aardbevingsbestendig bouwen). Conclusie Vanuit het aspect ‘trilling’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
6.6 Bodemkwaliteit Kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; -
beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.
Analyse In het kader van voorliggend project is een verkennend bodemonderzoek volgens NEN 57401 en een verkennend onderzoek naar asbest in de bodem volgens NEN 57072 uitgevoerd. De rapportage is als bijlage 8 van deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Het bodem-, asbest en verhardingenonderzoek had tot doel: 40
-
Het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de vrijkomende grond inclusief asbest en PFAS; Het vaststellen van de constructieopbouw en bepalen van de teerhoudendheid van het asfalt; Het indicatief vaststellen van de kwaliteit en uitloging van het aanwezige fundatiemateriaal; Het bepalen van de toepassingsmogelijkheden van de vrijkomende materiaal- en Grondstromen; Het bepalen van de veiligheidsklassen ten behoeve van de voorgenomen werkzaamheden.
Op basis van het onderzoek worden de volgende conclusies getrokken. Algemeen Onder het asfalt is een fundatielaag aangetroffen bestaande uit baksteen en metselpuin. Daaronder bestaat de grond voornamelijk uit klei. Onder de klinkerverharding bestaat de bovengrond tot circa 0,3 m -mv uit zand met daaronder een fundatielaag (van circa 20 tot 40 cm) bestaande uit baksteen, metselpuin en stenen en de daaronder liggende grond bestaat uit klei. Ter plaatse van het sportveld bestaat de bovengrond uit zand en de ondergrond uit klei, hier zijn zowel in de boven- als ondergrond plaatselijk lichte bijmengingen met baksteen waargenomen. Om het sportveld heen bestaat zowel de boven- als ondergrond uit klei met in de bovengrond een lichte bijmenging aan baksteen. In de ondergrond (1,0-1,5 m -mv) van boring 21 is slib aangetroffen. Grond en grondwater Uit de analyseresultaten blijkt dat zowel in de boven- als ondergrond geen verontreinigingen zijn aangetoond boven de interventiewaarde. Na indicatieve toetsing blijkt dat de boven- en ondergrond ter plaatse van de gehele onderzoekslocatie indicatief voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’. In het grondwater wordt de signaleringsparameter grondwater niet overschreden. In de onverharde bovengrond en plaatselijk ook in de ondergrond zijn PFAS-gehalten gemeten welke de rapportagegrens van 0,1 μg/kg ds overschrijden.
Op basis van het Handelingskader PFAS geldt voor daar waar PFAS is aangetoond een beperking voor toepassing in grondwaterbeschermingsgebieden. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de fractie 0,5-20 mm van het samengestelde mengmonster D1 van de bovengrond naast het sportveld asbest is aangetoond. Het betreft niet hechtgebonden chrysotiel asbest. Het gehalte aan asbest betreft 4,0 mg/kg ds. Hiermee wordt de waarde voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) niet overschreden. Aanvullend onderzoek naar asbest is dan ook niet nodig. Hergebruikmodellen van de grond zijn opgenomen in bijlage 10 van de rapportage Bij werken in de bodem geldt geen veiligheidsklasse volgens de CROW 400, de basishygiëne is van toepassing. De veiligheidsklassen in dit rapport zijn gebaseerd op de CROW 400, tweede gewijzigde druk, d.d. 20 december 2017. De veiligheidsklassen zijn gebaseerd op de SRC-waarden zoals deze golden op 8 januari 2024. Asfalt en fundatiemateriaal Het aanwezige asfalt is beoordeeld als niet-teerhoudend. Het niet-teerhoudende asfalt kan, mits het vrij is van grond, puin en dergelijke, worden aangeboden aan een asfaltcentrale voor warm hergebruik.
41
Het aanwezige fundatiemateriaal voldoet aan de maximale samenstellings- en emissiewaarden voor niet-vormgegeven bouwstoffen. In deze materialen is geen asbest gemeten. Fundatiemateriaal dat geschikt is als niet-vormgegeven bouwstof kan zonder isolerende maatregelen worden toegepast en/of in hetzelfde werk worden hergebruikt. Hergebruikmodellen van het asfalt en fundatiemateriaal zijn opgenomen in bijlage 10 van de rapportage. Conclusie Vanuit het aspect ‘bodem’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
6.7 Wegen, verkeer en parkeren Kader De toename aan functies zorgen voor verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij moet in beeld worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente Groningen baseert zich daarbij op de beleidsregel Parkeernormen 2021. Analyse In het kader van voorliggend project is een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 9 van deze ruimtelijke onderbouwing. In het onderzoek is ingegaan op de verkeerssituatie en de parkeeropgave. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeersgeneratie en de parkeeropgave ten gevolge van de ontwikkeling. Verkeersgeneratie Huis ten Post De gebruikers van het Huis van Ten Post maken ieder gebruik van een gedeelte van het dorpshuis. Om er gebruik van te maken moeten gebruikers zich van en naar het dorpshuis verplaatsen. Een deel van dit verkeer zal met de auto komen. Om te kijken om hoeveel autobewegingen het gaat en welk effect dit heeft op het verkeer in Ten Post, is de verkeersgeneratie bepaald. De verkeersgeneratie per functie is berekend met behulp van kengetallen uit de CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren) en is weergegeven in de volgende tabel.
42
Vanuit het CROW, zijn er alleen kengetallen bekend van de verkeersgeneratie van de gymzaal in het dorpshuis en het kinderdagverblijf. De gymzaal zorgt voor 50 en het kinderdagverblijf voor 30 motorvoertuigbewegingen per dag. In totaal genereren het kinderdagverblijf en de gymzaal afgerond 81 autoritten van en naar het dorpshuis. Voor de andere functies in het Huis van Ten Post beschikt het CROW niet over kengetallen voor verkeersgeneratie. De verkeersgeneratie hiervan is op een alternatieve manier berekend. De verkeersgeneratie van het dorpshuis en de basisschool (exclusief brengen en halen) zijn op basis van het benodigd aantal parkeerplaatsen bepaald. Het benodigd aantal parkeerplaatsen is berekend in de volgende paragraaf. De functie dorpshuis heeft een parkeerbehoefte van 5,5 parkeerplaatsen. Ervan uitgaande dat deze parkeerplaatsen gemiddeld twee keer op een dag gebruikt worden, komen er ongeveer 11 auto’s op het dorpshuis af. Deze auto’s maken allen twee bewegingen (heen en terug) en dus is de verkeersgeneratie van het dorpshuis geschat op 22 bewegingen. Om schijnnauwkeurigheid te voorkomen wordt dit getal afgerond naar 25 bewegingen. De leerkrachten van de basisschool hebben een theoretische parkeerbehoefte van 3,2 parkeerplekken. De plekken kunnen slechts één keer bezet worden en de leerkrachten maken één beweging heen en één beweging terug van de school.
In totaal is de theoretische verkeersgeneratie van de basisschool (exclusief brengen en halen) 6,4. Wederom wordt het aantal bewegingen afgerond naar boven om schijnnauwkeurigheid te voorkomen. Er wordt dus ervan uitgegaan dat de basisschool 10 motorvoertuigbewegingen per dag genereert. Ook het halen en brengen van leerlingen zorgt voor een verkeersgeneratie. In de beleidsregel parkeernormen van de gemeente Groningen staat een rekenmethodiek voor het berekenen van het aantal auto’s dat naar een basisschool komt voor het brengen en halen van leerlingen. Het aantal auto’s kan worden berekend door de som van het aantal leerlingen en het percentage leerlingen dat wordt gebracht met de auto te delen door het aantal kinderen per auto. De basisschool heeft circa 60 leerlingen, waarvan naar schatting 25% wordt gebracht en gehaald met de auto en elke auto bevat geschat 1,1 leerlingen (schatting op basis van observaties tijdens het parkeeronderzoek). Aangenomen wordt dat deze auto’s vier bewegingen maken, twee voor brengen, twee voor ophalen. Al met al resulteert het halen en brengen in 54,5, afgerond 55 motorvoertuigbewegingen. Van De Hoeksteen is bekend dat er eens per 3 weken tussen de 15 en 20 parkerende auto’s zijn bij een kerkdienst. Voor de verkeersproductie wordt uitgegaan van de bovenkant van de range en twee ritten per auto (heen + terug), dus 40 in totaal.
Uit het parkeeronderzoek van 23 september 2023 bij de sportclub is geconstateerd dat de maximale parkeerbehoefte als gevolg van de voetbalwedstrijd 23 auto’s is. Uitgaande dat deze auto’s allemaal twee voertuigbewegingen maken, is de verkeersgeneratie bij s.v. TEO op een zaterdag dat het voetbalteam thuis speelt 46 motorvoertuigbewegingen. In totaal komt de maximale verkeersgeneratie op 257 motorvoertuigbewegingen per dag van de voorzieningen in Huis van Ten Post. Deze maximale verkeersgeneratie zal echter in de praktijk niet plaatsvinden op één dag. Zo is de kerk maar één keer per drie weken geopend en is het drukste moment van en naar de voetbalclub op een wedstrijddag (zaterdag), terwijl de basisschool en de kinderopvang dan juist gesloten zijn. Wanneer in hoofdlijnen gekeken wordt naar de verkeersgeneratie van Huis van Ten Post kan een onderscheid gemaakt worden naar een werkdag / weekenddag. Op een 43
werkdag (met de school, kinderopvang, dorpshuis en deels voetbal) zal Huis Ten Post ongeveer 200 motorvoertuigbewegingen genereren. Op een weekenddag (voetbal / dorpshuis/ kerk) zal dit ongeveer 125 motorvoertuigbewegingen zijn, waarvan de meeste op de zaterdag. Een deel van deze motorvoertuigbewegingen vindt ook al in de huidige situatie plaats, doordat de voetbalclub / het dorpshuis zich al op de nieuwe locatie van Huis van Ten Post bevinden. Parkeeropgave De toekomstige functies in het Huis van Ten Post trekken bezoekers aan, die ergens moeten parkeren. Op basis van theoretische parkeernormen van de gemeente Groningen (uit 2021), kan een schatting worden gemaakt van het benodigd aantal parkeerplaatsen op het terrein van het Huis van Ten Post. De berekening van de theoretische parkeerbehoefte voor het Huis van Ten Post is weergegeven in de volgende tabel. Daaruit volgt een theoretische (maximale) parkeerbehoefte van 86,1 parkeerplaatsen.
De bepaling van de theoretische parkeerbehoefte die de basisschool en het kinderdagverblijf nodig hebben voor de auto’s van ouders die hun kinderen naar school brengen of van school halen gaat op een net iets andere wijze dan bij de overige functies. De gemeente Groningen heeft in de beleidsregel parkeernomen 2021 hiervoor een rekenmethodiek opgenomen. De onderstaande berekeningen zijn van toepassing voor respectievelijk de basisschool en het kinderdagverblijf. De gebruikte waardes zijn afkomstig uit ontvangen informatie van de basisschool of zijn standaardwaarden opgesteld door de gemeente Groningen:
44
Voor het halen en brengen zijn dus in totaal – volgens de normen – 10,9 parkeerplaatsen nodig. Op basis van het parkeeronderzoek is geconstateerd dat de voetbalclub op het maatgevende moment genoeg heeft aan 23 parkeerplaatsen. Voor de school kwam het parkeeronderzoek op 4 parkeerplekken, ten opzichte van de 12,3 die er volgens de normen nodig zouden zijn. In de praktijk gaat het grootste deel van de kinderen die naar het kinderdagverblijf daar rechtstreeks naartoe vanaf de basisschool. Vandaar dat er geen extra parkeerbehoefte voor het halen en brengen van/naar het kinderdagverblijf wordt gehanteerd. De bijgestelde parkeerbehoefte in de praktijk die daaruit volgt, is weergegeven in de volgende tabel. De maximale parkeerbehoefte in de praktijk komt daarmee uit op 63 parkeerplaatsen.
Maatgevend moment Het Huis van Ten Post kent veel verschillende gebruikers, die op uiteenlopende momenten gebruik maken van het dorpshuis en de bijbehorende parkeerplaatsen. Zo zullen de basisschool en het kinderdagverblijf vooral doordeweeks overdag gebruik maken van het Huis van Ten Post, terwijl het dorpshuis en de voetbalclub juist buiten schooltijden gebruik zullen maken van de faciliteiten in het gebouw. Omdat de functies verschillende aanwezigheidstijden hebben, kunnen de parkeerplaatsen dubbel worden gebruikt. In het geval van dubbelgebruik is de parkeerbehoefte lager en hoeven er minder parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. De parkeerbehoefte op basis van dubbelgebruik is berekend met behulp van aanwezigheidspercentages uit de parkeernormen van gemeente Groningen. De volgende tabel combineert de praktische (maximale) parkeerbehoefte van de verschillende functies met de aanwezigheidspercentages. Daaruit volgt dat het drukste, en daarmee maatgevende, parkeermoment de zaterdagmiddag is. Afgerond zijn er op dat moment 29 parkeerplaatsen nodig om de parkeerbehoefte op te vangen.
45
Uitgaande van een maximaal wenselijk bezettingspercentage van 85%, zouden er ten minst 34 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden ten behoeve van het toekomstige Huis van Ten Post. Dit is inclusief het halen en brengen van de basisschool en het kinderdagverblijf. Het plan voorziet in meer dan 34 parkeerplaatsen, waarmee voldaan wordt aan de parkeeropgave. Conclusie Vanuit het aspect ‘verkeer’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
6.8 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving gewaarborgd wordt. Het gaat daarbij om: -
de bescherming van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van een risicovolle activiteit, en het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving in bredere zin (schade aan gebouwen en het milieu) bij een ongeval bij een risicovolle activiteit.
Kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: -
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en 46
locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Er zijn diverse maatregelen mogelijk. Een ervan is het aanwijzen van een voorschriftengebied bij zeer kwetsbare gebouwen. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: -
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl)
Analyse In het kader van voorliggend project is onderzoek uitgevoerd naar het aspect omgevingsveiligheid. Het rapport is als bijlage 10 van deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Voorliggend plan maakt een zeer kwetsbare functie mogelijk. In de nieuwbouw zal een school gehuisvest worden. Daarnaast zal ook het dorpshuis in het gebouw plaatsnemen met daarbij horende horecafunctie en een sportvoorziening. Het plangebied ligt op circa 45 m van de B. Kuiperweg. De B. Kuiperweg is onderdeel van de provinciale weg N865. De route is geen onderdeel van het basisnet weg. Vanuit het Bkl gelden in dat geval geen aandachtsgebieden. Wel is de Omgevingsverordening van de Provincie Groningen van toepassing. In paragraaf 3.9.7 van deze Omgevingsverordening wordt het onderwerp Transportroutes externe veiligheid behandeld. Er worden vier veiligheidszones onderscheiden met elk hun eigen instructieregels. De ontwikkeling ligt gedeeltelijk binnen Veiligheidszone 2 en 3 en volledig binnen veiligheidszone 4. Het toekomstige pand en de sportvelden liggen buiten veiligheidszone 3. Dit wordt getoond in de volgende afbeelding.
47
Projectgebied en veiligheidszones.
In het rapport met betrekking tot omgevingsveiligheid zijn de provinciale instructieregels doorlopen. Voor een volledige weergave van de regels wordt verwezen naar het onderzoeksrapport. De belangrijkste conclusies op basis van de toetsing aan de veiligheidsregels binnen de veiligheidszones zijn als volgt. Veiligheidszone 2 en 4 In de toekomstige situatie is er sprake van een zeer kwetsbaar gebouw, te weten de basisschool. De 35 kW/m2 contour van een BLEVE van een LPG-tankauto ligt op een afstand van ca. 80 m. De toekomstige ontwikkeling ligt op ca. 45 m van de weg. Personen binnenshuis zouden op deze afstand kunnen komen te overlijden door het scenario BLEVE. Er is dus een kans dat een groep van 10 personen of meer overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met een LPG-tankauto en dus is er formeel sprake van een groepsrisico. Daarbij kan worden opgemerkt dat het aantal transporten van 75 op jaarbasis zeer laag is en daarmee ook de kans op een dergelijke gebeurtenis. De vluchtroutes van het plangebied binnen het gebouw zijn af te leiden uit de bouwtekeningen. Er is rekening gehouden met goede en voldoende vluchtwegen. Vanaf het plangebied kan eenvoudig afstand genomen worden van de risicobron door gebruik te maken van bestaande wegen en de sportvelden in noordelijke richting. Het heeft geen zin om bouwkundige maatregelen te treffen tegen een BLEVE.
Het plan ligt op meer dan 30 m van de weg, maatregelen treffen tegen een plasbrand zijn daarom niet nodig.
48
De activiteit wordt vanwege ruimtelijke en pragmatische redenen uitgevoerd binnen veiligheidszone 2. Het wijzigen van de locatie zorgt voor een inefficiënte indeling van het plangebied en haar omgeving (de sportvelden). Gezien de functies kan het plan niet kleinschaliger worden gerealiseerd. Er zijn geen mogelijkheden het veiligheidsniveau aan de kant van de risicobron te verhogen. Aan de kant van de risico-ontvanger kan het veiligheidsniveau mogelijk verhoogd worden door bijvoorbeeld communicatie van de risico’s met de personen die zich bevinden binnen de veiligheidszone. Berekening groepsrisico is niet nodig, het groepsrisico is zeer laag. De verwachting is dat het aantal personen in het plangebied met meer dan 50 personen toeneemt. Daarom is advies opgevraagd bij de veiligheidsregio. De beoordeling is als volgt. Beoordeling veiligheidsregio De basis van het advies komt voort uit de omgevingswet (artikel 1.3) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.2). Hierbij wordt ook het Regionale Risicoprofiel (vastgesteld door de burgemeesters van onze regio betrokken, vanuit de Wet veiligheidsregio’s, artikel 3 en 10) en de inbreng op de gemeentelijke omgevingsvisie. Het advies is opgesteld om gezamenlijk invulling te geven aan een duurzame, veilige en gezonde leefomgeving. Hierbij streeft de veiligheidsregio de volgende doelen na: -
-
veilige bouwwerken en omgeving; een zelfredzame en samen redzame samenleving; beschermen van (zeer) kwetsbare groepen; effectieve hulpverlening, waaronder basisbrandweerzorg (zoals bereikbaarheid, bluswatervoorziening, opkomsttijd en landelijke alarmsystemen) en geneeskundige hulpverlening; continuïteit van de samenleving (waaronder zorgcontinuïteit en vitale infrastructuur).
Ruimtelijk besluit/ Omgevingsvergunning Veiligheidsregio Groningen heeft op basis van de hierboven genoemde doelstellingen een beoordeling gedaan op de planontwikkeling in relatie tot omgevingsveiligheid. Daarbij is ze tot de volgende conclusie(s) en aanbeveling(en) gekomen: -
Op de planontwikkeling zijn omgevingsveiligheidsrisico’s van invloed; Provinciale weg N865
Provinciale weg N865
Over het plangebied ligt veiligheidszone 2 en 3. Veiligheidszone 2 is 200 meter breed. Binnen veiligheidszone 2 is van toepassing: een nadere verantwoording van het groepsrisico en inzicht bieden in de manier waarop rekening is gehouden met advies van de Veiligheidsregio Groningen. Binnen veiligheidszone 3 is van toepassing dat kwetsbare personen moeten worden uitgesloten. Veiligheidszone 3 is 30 meter breed, binnen dit gebied mogen er geen gebruiksfuncties voor verminderd zelfredzamen worden geplaatst.
49
Risicobronnen verschillen onderling. Zowel qua kans als qua effect. Voor alle provinciale wegen geldt echter eenzelfde wetgeving. De N865 bij Ten Post hoort bij de provinciale wegen met een beperkte omvang van vervoer gevaarlijke stoffen. Advies: We adviseren u de maatregel te nemen om ontvluchting van de risicobron af mogelijk te maken door (nood) deuren in het gebouw aan de risicoluwe zijde te plaatsen. Hierdoor kan in geval van een calamiteit op de N865 het gebouw aan de risicoluwe zijde verlaten worden. Bouwkundige maatregelen of een kleinere ontwikkeling zien wij niet als proportioneel. De veiligheidsregio Groningen adviseert om de mogelijkheid van gebruiksfuncties voor verminderd zelfredzamen uit te sluiten binnen veiligheidszone 3. Zodoende kan er in de toekomst ook geen gebruiksfunctie voor verminderd zelfredzamen komen. De volgende gebruiksfuncties worden als gebruiksfuncties gezien voor verminderd zelfredzame personen (definitie: Besluit Kwaliteit leefomgeving (Bkl), bijlage 6): a. een woonfunctie voor 24-uurszorg; b. een bijeenkomstfunctie: -
1°. voor kinderopvang; of 2°. voor dagverblijf van personen met een lichamelijke of geestelijke beperking;
c. een celfunctie (gebruiksfunctie voor dwangverblijf van personen); d. een gezondheidszorgfunctie met een bedgebied; e. een onderwijsfunctie: -
1°. voor basisschoolonderwijs; of 2°. voor onderwijs aan minderjarigen met een lichamelijke of geestelijke beperking.
Toetsing Bouwbesluit De nieuwe ontwikkeling kan in het kader van voorliggende omgevingsvergunning later nog door de Veiligheidsregio beoordeeld moeten worden op de activiteit ‘Bouwen’. Deze beoordeling vindt plaats op andere veiligheidsaspecten zoals brandcompartimentering, vluchtroutes, bluswater, bereikbaarheid en overige brandpreventieve voorzieningen. Conclusie De ligging van het plangebied binnen veiligheidszone 2 is acceptabel en niet in strijd met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.9 Natuur Kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN), regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, namelijk de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
50
Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming vindt plaats via twee sporen: de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk project dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het project worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. 2. 3.
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Gezien de formulering van de flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: 51
-
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Analyse In het kader van voorliggend project heeft aan de hand van een ecologische quickscan onderzoek een toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming plaatsgevonden. De quickscan is als bijlage 11 opgenomen. De resultaten van het onderzoek zijn als volgt. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden (Significant) negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten, met mogelijke uitzondering van effecten van stikstof. Daarom is een AERIUS-berekening uitgevoerd om vast te stellen of sprake is van effecten van stikstof op Natura 2000-gebieden. Dit onderzoek is als bijlage 12 van deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt dat zowel tijdens de aanleg- als de gebruiksfase van het project geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op natuurgebieden. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet in (de omgeving van) het NNN, dus het toetsingskader van het NNN is niet van toepassing. Houtopstanden Met de ingreep worden geen houtopstanden gekapt. De regels ten aanzien van houtopstanden zoals vermeld in Hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming zijn niet van toepassing.
Soortenbescherming Te verwachten beschermde (vrijgestelde) soorten Het plangebied vormt leefgebied voor enkele algemeen voorkomende beschermde soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Grond- en graafwerkzaamheden in het kader van de voorgenomen ingreep kunnen deze soorten treffen. Het gaat om soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt voor overtreding van verbodsbepalingen bij werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Een ontheffing is daarom niet nodig. Maatregelen om overtreding Wnb te voorkomen Bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van de roekenkolonie (jaarrond beschermd nest) en algemene broedvogels om negatieve effecten op deze soorten - en daarmee overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb - te voorkomen. Door het nemen van de volgende maatregelen wordt overtreding van verbodsbepalingen voorkomen:
52
-
-
(Voorbereidende) werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren. Voor het broedseizoen wordt - geen (wettelijke) standaard periode gehanteerd. Globaal moet voor het broedseizoen rekening worden gehouden met de periode maart tot half augustus. Vanwege de aanwezigheid van de roekenkolonie moet rekening worden gehouden met de periode begin februari tot eind juli. Een controle door een ecoloog kan uitwijzen of de roeken inderdaad klaar zijn met broeden eind juli.
Maatregelen om aan Zorgplicht te voldoen In het kader van de Zorgplicht wordt aanbevolen de volgende maatregelen te treffen: -
Het gebruik van kunstlicht vermijden.
Voor andere beschermde soorten heeft het plangebied geen betekenis of zijn negatieve effecten van de voorgenomen ingreep uitgesloten. Conclusie Vanuit het aspect ‘natuur’ is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
6.10 Water en watersystemen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water en watersystemen. Kader Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW), is een Europese richtlijn. Deze richtlijn is bedoeld om de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in Europa op goed niveau te houden en te krijgen. Het doel is om in 2015 een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewateren te hebben en een goede chemische en kwantitatieve toestand voor alle grondwateren. Voor grondwater betekent dit onder meer dat er geen directe lozingen mogen plaatsvinden en de toename van chemische verontreiniging moet worden voorkomen. Nationaal Water Programma 2022 – 2027 Het Nationaal Waterplan (NWP) geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Nederland heeft te maken met grote wateropgaven die bovendien in de toekomst steeds groter en complexer worden. Dit komt door een aantal samenhangende uitdagingen: klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk. In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om verouderde infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren.
De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: - Een veilige en klimaatbestendige delta. - Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. - Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. 53
Waterbeleid 21e eeuw Met het Waterbeleid 21e eeuw wordt ingespeeld op toekomstige ontwikkelingen die hogere eisen stellen aan het waterbeheer. Het gaat hierbij om onder andere de klimaatverandering, bodemdaling en zeespiegelrijzing. Het Waterbeleid 21e eeuw heeft twee principes voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd, te weten de tritsen: - vasthouden, bergen en afvoeren; - schoonhouden, scheiden en zuiveren. De trits vasthouden, bergen en afvoeren houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt, wanneer nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden. Wanneer vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij de trits schoonhouden, scheiden en zuiveren gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoongehouden wordt. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk van elkaar gescheiden. Wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, wordt het verontreinigde water gezuiverd. Waterschap Om wateroverlast te voorkomen is er een aantal randvoorwaarden waaraan moet worden voldaan. In de Waterschapsverordening van waterschap Noorderzijlvest staan meerdere maatregelen beschreven om wateroverlast te voorkomen. Hieronder staat een opsomming van eisen, die al dan niet in combinatie met elkaar toegepast moeten worden. -
10% van de toename in verhard oppervlak dient gecompenseerd te worden als oppervlaktewater. Dit komt neer op een uitbreiding van de huidige watergang van 310m2. Aanbrengen van infiltratie-, bergings- of vertragingsvoorzieningen. Dit is gebaseerd op een bui van T = 100 +10%. Dit komt neer op 70L per m2 toename verharding. De minimale berging bedraagt dan 217 m3. Er dient ook rekening te worden gehouden met een maximale afstroomsnelheid van 1,33 l/s/ha naar de watergang. Dit dient te worden aangetoond met een berekening.
Los van de bovenstaande eisen dient er een watertoets te worden doorlopen. Deze is doorlopen (zie bijlage 13), en hieruit is gebleken dat het plan invloed heeft op het watersysteem en/of de afvalwaterketen. Wanneer het ontwerp definitief is wordt er contact gemaakt met het waterschap die de gemeente verder zal adviseren. Verordening afvoer hemelwater en grondwater De gemeente Groningen heeft de verordening afvoer hemelwater en grondwater opgesteld om wateroverlast te voorkomen. Deze is alleen van toepassing als er wordt geloosd op het openbare riool. Klimaatverandering treedt steeds sneller op. Daardoor krijgen we ook steeds meer te maken met de effecten daarvan. Zo wordt het steeds heter en worden ook de regenbuien heviger. Dat kan overlast veroorzaken en schadelijk zijn voor de gezondheid van inwoners. Daarom werkt de gemeente er hard aan om haar grondgebied klimaatbestendig te maken. Maar de gemeente kan de effecten van klimaatverandering niet alleen oplossen in de openbare ruimte. Daarvoor zijn ook privéterreinen nodig. Met de verordening afvoer hemelwater en 54