CConstaterende datGroningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 ruimtelijke onderbouwing.pdf

gemeenteraad 18 december 2024, gemeente GroningenBij agendapunt: b: Adviesrecht aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen van een schoolgebouw, het vellen van 3 bomen en aanleggen van het voorterrein te Woltersum (raadsvoorstel 16-10-24)21.289 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Welstandsnota Groningen

5.3.2.1 Algemeen De gemeente Groningen heeft haar welstandsbeleid vastgelegd in een welstandsnota. In de welstandsnota is het gemeentelijk grondgebied opgedeeld in verschillende deelgebieden. Voor elk deelgebied zijn welstandscriteria en welstandseisen vastgelegd. Het projectgebied ligt in het deelgebied ‘Groen’. 5.3.2.2 Deelgebied ‘Groen’ Net als ‘Bedrijventerreinen en kantoorlocaties’ zijn de gebiedsgerichte criteria voor ‘Groen’ gebaseerd op het functionele onderscheid van deze gebieden met de rest van de stad, in plaats van op een kenmerkende bouwperiode. Het groengebied valt uiteen in twee subgroepen: parken enerzijds en grootschalig (recreatief) groen, sportterreinen en landelijk gebied anderzijds. Voor het grootschalig (recreatief) groen, de sportparken en het landelijk gebied geldt dat ze zich overwegend aan de oude en nieuwe randen van de stad bevinden. Groningen wordt omringd door verschillenden landschapstypen, die allemaal van grote waarde zijn voor de kwaliteit en ervaring van de stad. De gebieden zijn dun bevolkt, bebouwing is schaars. Aan de noord- en noordwestzijde van de stad is de landschappelijke openheid van het wierdenlandschap kenmerkend. De oostzijde kenmerkt zich daarentegen door de overgang tussen veen en klei, terwijl het zuidoosten door de combinatie van veen en zand uit een coulissen-achtig landschap bestaat.

In het noorden en noordwesten van de stad komt individuele en licht geclusterde bebouwing voor, in de vorm van boerderijen en individuele woningen die vrij in het landschap staan, soms op wierden. Aan de oostzijde is bebouwing in linten kenmerkend, evenals in het zuidoosten waar bovendien mengvormen van lint- en wegdorpen, als ook esdorpen typerend zijn. Welstandscriteria Context •

• • • •

Bouwinitiatieven zetten in op het behoud en de versterking van het groene, landschappelijke karakter van het gebied; nieuwe invullingen respecteren de oorspronkelijke karakteristiek en structuur van het gebied, worden landschappelijk ingepast en voegen zich naar de landschapsstructuur; bouwwerken sluiten aan op het functionele karakter van het gebied; bouwwerken respecteren zichtlijnen in het groengebied en de visuele en ruimtelijke relatie tussen het groengebied en de omgeving; bouwwerken sluiten aan op zichtassen, waterpartijen of centrale ontsluitingen; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Kindcentrum Woltersum

•

bouwwerken contrasteren niet met het groene karakter van het gebied.

Gebouw Grootschalig (recreatief) groen, sportterreinen en landelijk gebied: • • • • • • • •

Bebouwing is eenvoudig en heeft een heldere hoofdvorm; nieuwbouw refereert aan de heersende typologie; de oriëntatie van de bebouwing volgt de landschapsstructuur; de opbouw van de gevel is consequent en goed van verhouding; de functie van het bouwwerk is duidelijk afleesbaar; ruimtelijke afscheidingen worden gerealiseerd met natuurlijke middelen en passen bij het karakter van het park (bomenrijen, heggen, sloten of een combinatie daarvan); afscheidingen binnen dezelfde omgeving zijn gelijksoortig van aard; hekwerken worden uitgevoerd in een hoogwaardig, duurzaam materiaal en zijn transparant van karakter.

Uitwerking • •

Materiaal- en kleurgebruik sluiten aan bij het karakter van de omgeving; van markante, beeldbepalende bebouwing is het bestaande materiaalgebruik en de bestaande detaillering uitgangspunt voor verbouw of aanpassingen.

Grootschalig (recreatief) groen, sportterreinen en landelijk gebied: • •

In het landelijk gebied zijn materiaalgebruik en detaillering verfijnd en ondergeschikt aan de hoofdvorm (ze ondersteunen het ontwerp); divers materiaalgebruik is mogelijk, zolang dit zorgvuldig op elkaar wordt afgestemd.

5.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Welstandsnota De bouwplannen worden getoetst aan de gemeentelijk welstandseisen. Voor het verlenen van de omgevingsvergunning zal er met welstand een akkoord worden bereikt. 5.3.3

Beleidsregel natuurinclusief bouwen gemeente Groningen

5.3.3.1 Algemeen Met het beleidskader Natuurinclusief Bouwen moet de biodiversiteit van de bebouwde omgeving worden versterkt. Met natuurinclusief bouwen zet de gemeente in op drie onderdelen in voor gebouw- en natuurinclusieve maatregelen: • • •

Maatregelen in de gevel, zoals nestkasten voor verschillende soorten vogels en vleermuizen. Vergroening van de gevel en het dak. Directe omgeving van een gebouw natuurinclusief maken, door meer groen te gebruiken en verharding terug te dringen.

De gemeente Groningen vereist Natuur inclusief bouwen (NIB) bij nieuwbouw als die wordt mogelijk gemaakt middels de omgevingswet. In dit geval gaat het om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Natuurinclusieve maatregelen zorgen voor: • • • • • •

Vergroting van de biodiversiteit. Vermindering van wateroverlast en hittestress. Een aangenamer binnenklimaat door de isolerende werking van groen op en aan gebouwen. Een hoger rendement door de combinatie van groene daken en zonnepanelen. Een langere levensduur voor dak en de zonnepanelen. Een positief effect op de gezondheid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Kindcentrum Woltersum

5.3.3.2 Toetsing aan de beleidsregel Natuurinclusief bouwen In voorliggend geval wordt een kindcentrum gerealiseerd dat in open verbinding staat met de omgeving. De functies worden opgenomen in een speelse gebouw zodanig gepositioneerd en georiënteerd dat een ruim en overzichtelijk entree gebied wordt gecreëerd en waar het fietsgebruik wordt gestimuleerd. Een functionele relatie met het park (spelen) is beoogd. Het schoolplein (speelzones) is aantrekkelijk ingericht en in verschillende zones verdeeld. Het nieuwe gebouw wordt duurzaam gebouwd. Daken worden ingericht met vegetatie en zonnepanelen. Dit ten behoeve van waterretentie, biodiversiteit en klimaatadaptatie. De buitenruimtes zijn ingericht met aandacht voor klimaatadaptatie, hittestress, natuur, rust en orde. Met de gewenste ontwikkeling wordt daarmee concreet ingespeeld op de maatschappelijke thema’s energietransitie, duurzaamheid, groot onderhoud, klimaatadaptatie en gedeeld eigenaarschap. Met het nemen van de benodigde maatregelen wordt voldaan aan het natuurinclusieve beleid van de gemeente Groningen. 5.3.4

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

De in het voorliggende onderbouwing besloten ruimtelijke ontwikkeling is in overeenstemming met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de voorgenoemde beleidsstukken.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Kindcentrum Woltersum

HOOFDSTUK 6 6.1

OMGEVINGSVEILIGHEID

Algemeen

Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Kindcentrum Woltersum

6.2

Situatie in en bij het projectgebied

Afbeelding 6.1

Uitsnede risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving)

Uit de inventarisatie blijkt dat er ten zuiden van het projectgebied zich een risicobron bevindt, namelijk een basisnet water. Het betreft een binnenvaartroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het gehele projectgebied bevindt zich echter op een afstand die groot genoeg is van het brandaandachtsgebied en het explosieaandachtsgebied rondom deze binnenvaartroute. Beperkte verantwoording van het groepsrisico In dit geval wordt een nieuw kindcentrum gebouwd binnen het projectgebied. Het gemiddeld aantal personen (en hiermee de personendichtheid) dat binnen het projectgebied gedurende de dag, avond en nacht zal verblijven neemt in beginsel toe. Bij het verantwoorden van het groepsrisico zijn er zowel locatie- als ontwikkelingsspecifieke aspecten die dienen te worden onderbouwd. De volgende locatiespecifieke aspecten zijn van belang: opkomsttijd, dekking waarschuwingsinstallatie en nabijheid bluswatervoorzieningen. Deze worden hierna onderbouwd.

•

•

•

Opkomsttijd: De brandweer dient binnen zes minuten ter plaatse te kunnen zijn. In voorliggend geval kan de brandweer in theorie binnen vijf minuten ter plaatse zijn. De dichtstbijzijnde brandweerpost bevindt zich namelijk aan de Boltweg nr 1 in Ten Boer, op een afstand van circa 2,6 kilometer van het projectgebied; Dekking waarschuwingsinstallatie: In geval van calamiteiten worden de aanwezige personen in bedreigd gebied gewaarschuwd middels een NL-alert. Dit is bijvoorbeeld het geval als er gevaarlijke stoffen vrijkomen bij een brand of ongeval. In het bericht wordt tevens het handelingsperspectief vermeld, zodat de personen die in het bedreigde gebied bevinden weten hoe te handelen; Nabijheid bluswatervoorziening: Er zijn in en rondom het projectgebied voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig.

Eveneens dient in voorliggend geval aan de ontwikkelingsspecifieke aspecten te worden getoetst. Dit betreffen de aspecten bereikbaarheid van hulpdiensten ter plaatse, vluchtmogelijkheden en (zelf)redzaamheid van de aanwezige personen. Hierna worden de voorgenoemde aspecten onderbouwd.

•

Bereikbaarheid: Hulpdiensten dienen bij een calamiteit een gebied of een object goed te kunnen bereiken. Het projectgebied is via de Uiteinderweg goed te bereiken. Daarnaast is

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Kindcentrum Woltersum

• •

er aan alle kanten van het pand voldoende ruimte voor de hulpdiensten om de benodigde werkzaamheden uit te kunnen voeren en de voertuigen te parkeren; Vluchtmogelijkheden: Het projectgebied is via de Dobbestraat goed te ontvluchten in alle richtingen, van de risicobron af; (Zelf)redzaamheid: Dit houdt in dat personen zichzelf en eventueel anderen binnen een bepaald tijdsbestek kunnen veiligstellen bij dreigend gevaar. Hierbij wordt van de personen zelf uitgegaan zonder de hulp van hulpverlenersdiensten. Om de zelfredzaamheid van de aanwezige personen te beoordelen, is gekeken naar de volgende aspecten: o zelfredzaam vermogen; o mogelijkheden tot vluchten of schuilen; o alarmeringsmogelijkheden.

Zelfredzaam vermogen In het te realiseren kindcentrum wordt lesgegeven en kinderopvang geboden aan een doelgroep van kinderen tot 12 jaar oud. Deze doelgroep wordt beoordeeld als een verminderd zelfredzame groep die niet in staat is om zelfstandig van een risicobron te vluchten. Wel zijn te allen tijde zelfredzame personen (leerkrachten, medewerkers kinderopvang en andere medewerkers) aanwezig binnen het kindcentrum. Deze zelfredzame personen zijn in voldoende mate in staat om de verminderd zelfredzame groep (kinderen) te helpen met het ontvluchten van een risicobron. De doelgroep die de acht grondgebonden woningen zal bewonen wordt beoordeeld als een zelfredzame groep, die zelf in staat is om te vluchten van de risicobron. Mogelijkheden tot vluchten of schuilen In geval van een calamiteit dient er van de risicobron af gevlucht te worden. De voorgenomen ontwikkeling maakt het voldoende mogelijk van de risicobron af te vluchten. Geadviseerd wordt om een ontruimingsplan op te stellen. Alarmeringsmogelijkheden Het projectgebied ligt volledig binnen het bereik van het Waarschuwing en Alarmering Systeem. Uit de inventarisatie blijkt dat het projectgebied: • • • •

6.3

niet ligt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen dan wel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); ligt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is, maar dat dit geen belemmering vormt; ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen, maar dat dit geen belemmering vormt; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie

Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Kindcentrum Woltersum

HOOFDSTUK 7

BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN

Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.

7.1

Vigerend beleid

7.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 7.1.2

Rijksbeleid

Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 7.1.3

Provinciaal beleid

In Omgevingsvisie provincie Groningen wordt ruim aandacht besteedt aan de wateraspecten en wordt een aantal doelen nagestreefd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de aspecten 'bescherming tegen overstroming en wateroverlast' en de zorg voor 'voldoende schoon drinkwater'. Beide aspecten worden als essentieel gezien om een schone, gezonde en veilige leefomgeving te creëren binnen de provincie. Bescherming tegen overstroming grote delen van de provincie Groningen liggen onder de zeewaterspiegel. Door de klimaatverandering zal de zeespiegel in de toekomst verder gaan stijgen en door aardgaswinning in de provincie zal de bodem in delen van de provincie verder gaan dalen. Verder heeft het veranderde klimaat ook gevolgen voor de neerslag. Door toename van de neerslag wordt er meer aandacht gevraagd voor de bescherming van laag gelegen delen van de provincie tegen wateroverlast. Om een optimale bescherming tegen overstromingen en wateroverlast te kunnen garanderen en om dit te kunnen bereiken is een aantal concrete uitgangspunten geformuleerd: • • • • • •

Klimaatadaptatie Kustverdediging Wateroverlast uit boezemsystemen Regionale wateroverlast Bodemdaling door delfstoffenwinning Overstromingsrisico's.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Kindcentrum Woltersum

7.1.4

Beleid Waterschap

Waterbeheerprogramma Noorderzijlvest 2022-2027 Met het Waterbeheerprogramma geeft het waterschap Noorderzijlvest inzicht in de manier waarop zal worden omgegaan met zijn taken in het beheergebied in de periode 2022-2027. Met het dagelijks werk zorgt het waterschap voor gezuiverd water, voldoende en gezond water en worden de dijken en kades op orde gehouden. Dit doet het waterschap doorbeheer, onderhoud, vergunningverlening, toezicht en handhaving. Waterschap Noorderzijlvest heeft een eigen crisisorganisatie voor het bestrijden van calamiteiten of crisissituaties. In het uitvoeren van de kerntaken ziet het waterschap veranderingen op zich afkomen. Deze veranderingen gaan met name over digitalisering, biodiversiteit, duurzaamheid en samenwerken. De doelen van het waterbeheerprogramma zijn per thema uiteengezet: Gezuiverd water Het waterschap Noorderzijlvest borgt de continuïteit van het zuiveringsproces van de dertien zuiveringsintallaties. Daarvoor worden de assets op orde gehouden door risico gestuurd onderhoud volgens de principes van assetmanagement. Hiermee wordt ingezet op een doelmatige waterketen waarin kosteneffectief wordt gewerkt, samen met gemeenten. Door in te zetten op het besparen van energie en hergebruik van stoffen in het zuiveringsproces wordt gewerkt aan een duurzame waterketen.

Veilig leven met water Het waterschap is verantwoordelijke voor de bijna 70 kilometer lange zeedijk tussen Lauwersoog en Delfzijl. Achter de kust liggen maren, diepen, sloten en kanalen. Langs al dat water ligt ook 450 kilometer aan dijken en kades. Samen met eigenaren en terreinbeheerders zorgt het waterschap voor veilige dijken. De dijken en kades worden onderhouden zodat ze sterk genoeg blijven om water tegen te houden. Het waterschap toetst elke zes jaar of de dijken en kades nog sterk genoeg zijn. Zo weet het waterschap op tijd welke stukken aangepakt moeten worden. Voldoende en gezond water Het waterschap werkt aan een goede aan- en afvoer van water. Het waterschap maakt afspraken over peilen, baggert de watergangen, registreert (grondwater)onttrekkingen en houdt waterstanden en de kwaliteit van het oppervlaktewater goed in de gaten. Beleidsnotitie Water en Ruimte - Noorderzijlvest In de notitie Water en Ruimte wordt het beleid van waterschap Noorderzijlvest ten aanzien van het waterbeheer in bebouwd gebied toegelicht. Deze notitie is een vervolg op de notitie Stedelijk Water die in 2006 is opgesteld. De notitie kan gebruikt worden als informatiebron voor advisering in het Watertoetsproces, waarmee het waterbelang wordt geborgd in ruimtelijke plannen van Rijk, provincies en gemeenten. 7.1.5

Gemeentelijk beleid

Hemelwaterverordening

7.2

Wateraspecten

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame,

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Kindcentrum Woltersum

veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie.

7.3

Watertoetsproces en waterhuishouding projectgebied

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Uit de beantwoording van de vragen van de digitale watertoets volgde de ‘maatwerk advies procedure’. In bijlage 2 bij deze toelichting is het watertoetsresultaat bijgevoegd. Hieronder wordt ingegaan op de waterhuishoudkundige aspecten in het projectgebied. 7.3.1

Waterhuishoudkundige aspecten

Thema Voldoende water •

Wateroverlast Streefbeeld: Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Het projectgebied wordt deels bekleed met vegetatie ten behoeve van de waterretentie, biodiversiteit en klimaatadaptatie. De daken worden voorzien indien mogelijk van zonnepanelen. Deze worden zo dicht mogelijk tegen het dakvlak geplaatst. Biodiversiteit is dan ook het uitgangspunt. De bebouwing is beoogd in het zuidelijke gedeelte van het projectgebied. De buitenruimten van de school functioneert als een groen schoolplein (met verharde en onverharde delen) en wordt ingericht met aandacht voor klimaatadaptatie, hittestress, natuur, rust en orde.

•

Goed functionerend watersysteem Streefbeeld: Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime mogelijk. Het Waterschap streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Randvoorwaarde: Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peil-vakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. De planontwikkeling leidt niet tot nieuwe peilvakken. De planontwikkeling heeft geen gevolgen voor het streefpeil van het oppervlaktewater in of in de omgeving van het projectgebied. Het functioneren van het huidige watersysteem (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) zal door de planuitvoering niet verslechteren.

•

Anticiperen op watertekort Streefbeeld: Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de nadruk bij klimaatveranderingen met name op een meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Kindcentrum Woltersum

Thema Schoon water Streefbeeld: Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. •

Goede oppervlaktewaterkwaliteit Uitgangspunt: In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen worden voorkomen of aangepakt bij de bron. Randvoorwaarde: Conform de Waterwet (Ww) is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook te brengen in oppervlaktewateren. Schoon regenwater mag zonder waterstaatswerk direct geloosd worden op oppervlaktewater. Indien hiervoor een voorziening zoals een drain of buis (waterstaatswerk) wordt aangebracht is hiervoor een vergunning nodig. Er worden in het projectgebied geen uitlogende materialen gebruikt.

•

Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld: Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Uitgangspunt: Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat het hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het projectgebied wordt verwerkt. Voor bestaande gebieden wordt gestreefd naar het afkoppelen van verhard oppervlak. Het ombouwen van bestaande stelsels naar gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur. Afstromend regenwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Verontreinigingen door afvalwater (huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater) worden voorkomen. In de nieuwe situatie zal het pand een kindcentrum bevatten. Het huishoudelijke afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Het regenwater van de nieuwe school wordt naar het oppervlaktewater geleid.

7.3.2

Overstromingsrisicoparagraaf

7.3.2.1 Algemeen Onder overstroombaar gebied wordt verstaan: gebieden die normaal gesproken niet onder water staan, maar kunnen overstromen (tijdelijk onder water staan) als gevolg van een extreme gebeurtenis. Het gaat zowel om buitendijkse gebieden die bij hoogwater overstromen (bijvoorbeeld uiterwaarden) als om de beschermde gebieden achter de dijk (binnendijkse gebieden) die alleen bij een calamiteit onder water komen te staan. Inzet is het voorkomen van slachtoffers en van economische schade. 7.3.2.2 Risico-inventarisatie De ernst van een overstroming wordt bepaald door: • • •

de maximale waterdiepte tijdens een overstroming (is af te leiden uit de risicokaart); de kans op een overstroming; de beschikbare tijd voor evacuatie / noodmaatregelen (hoe lang duurt het tot het water er is?)

Op de risicokaart komt naar voren dat dit dijktraject een kleine kans op overstromingen heeft (1/10.000 jaar). Op basis van de overstromingsrisicokaart ligt het projectgebied in een gebied met een maximale waterhoogte van 2 tot 5 meter bij een dijkdoorbraak. Voor de specifieke locatie bedraagt de waterhoogte bij een dijkdoorbraak echter maximaal 1,55 meter. In afbeelding 5.1 is dit weergegeven. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Kindcentrum Woltersum

Afbeelding 5.1

Uitsnede overstromingsrisicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving)

Evacuatie en (nood)maatregelen Bij de ontwikkeling van het projectgebied dient rekening te worden gehouden met mogelijke overstroming(en). Het betreft ook een stuk bewustwording dat bouwen in risicovolle gebieden bepaalde risico's met zich meebrengt en dat hier adequaat mee omgesprongen dient te worden. Het vloerpeil van het kindcentrum wordt voldoende hoog aangebracht. Bovendien bestaan vanaf het kindcentrum evacuatiemogelijkheden in meerdere richtingen. In het kindcentrum bevindt zich tevens een verminderd zelfredzame groep (kinderen tot 12), echter zijn te allen tijde zelfredzame personen zoals docenten, medewerkers van de kinderopvang en overige medewerkers in het kindcentrum aanwezig Dit betreft een zelfredzame doelgroep die in voldoende mate in staat is om de verminderd zelfredzame groep (kinderen) te helpen met het ontvluchten van een eventuele risicobron. Aangeraden wordt om een evacuatieplan voor te maken. Op deze manier is een ieder zich bewust van wat er moet gebeuren wanneer er sprake is van een calamiteit. Daarnaast wordt met de veiligheidsregio afgesproken om bij de risicocommunicatie voor dit gebied burgers te informeren over wat te doen bij een mogelijke overstroming. Vooralsnog wordt voor dit gebied bij een dreigende overstroming ingezet op vroegtijdige evacuatie.

Dit wordt bij de risicocommunicatie meegenomen en wordt meegenomen bij het regionaal coördinatieplan. In de toekomst wordt verkend in hoeverre en op welke manier hoge gebouwen in het gebied schuilmogelijkheden kunnen bieden.

7.4

Conclusie

Met de voorgenomen activiteit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Kindcentrum Woltersum

HOOFDSTUK 8

BESCHERMING GEZONDHEID EN HET MILIEU

Bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties houdt het bevoegd gezag op basis van afdeling 5.1.4 van het Bkl rekening met het beschermen van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen: • • • • •

geluid; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; geur en; trillingen.

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten ‘gezondheid’ en ‘duurzaamheid’ behandeld.

8.1

Geluid door activiteiten

8.1.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • • •

activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 8.1.2

Situatie projectgebied

Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Kindcentrum Woltersum

geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Weg- en railverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: • • •

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

Het te realiseren kindcentrum wordt gerealiseerd binnen het geluidsaandachtsgebied van de Bouwerschapweg waarvoor een maximale snelheid van 60 km/u geldt. Het dichtstbijzijnde punt ligt echter op circa 150 meter en dit is tevens het punt waar men de kern Woltersum binnen treedt of verlaat. De gemiddelde snelheid ligt hier daarom ook aanzienlijk lager dan 60 km/u. In afbeelding 8.1 is daarom een uitsnede van het wegverkeerslawaai in de buurt van het projectgebied weergegeven.

Afbeelding 8.1

Uitsnede wegverkeerslawaai (AtlasLeefomgeving).

Op bovenstaande afbeelding is te zien dat ter plaatse van het projectgebied geen geluidshinder wordt ondervonden als gevolg van omliggende wegen. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het te realiseren kindcentrum aangaande het aspect wegverkeerslawaai. Railverkeerslawaai Het projectgebied bevindt zich op circa 6.5 kilometer afstand van de dichtstbijzijnde spoorweg. Op basis van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling dient de afstand van een geluidsgevoelig object in stedelijk gebied tot de dichtstbijzijnde spoorweg ten minste 200 meter te bedragen. In voorliggend geval wordt aan deze afstand voldaan. Tevens zorgen omliggende gebouwen voor een afschermende werking. Een akoestisch onderzoek railverkeerslawaai is daardoor niet noodzakelijk.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Kindcentrum Woltersum

Industrielawaai Het projectgebied is niet in de buurt van een industrieterrein gelegen. Solitaire bedrijvigheid Met het voornemen is sprake van de realisatie van een kindcentrum. De omliggende geluidgevoelige gebouwen dienen in voldoende mate te worden beschermd tegen geluidshinder. Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Het kindcentrum huisvest een basisonderwijsinstelling en kinderopvangorganisatie. Zowel een basisschool of kinderopvang zijn op basis van handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ ingeschaald in milieucategorie 2. Binnen het omgevingstype ‘gemengd gebied’ geldt voor deze functies een richtafstand van 10 meter voor het aspect geluidshinder. Gezien er meerdere woningen grenzen aan het projectgebied en daarmee ook het nieuwe schoolplein is er door Alcedo een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is terug te vinden onder bijlage 3. Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat er in de dagperiode sprake is van overschrijdingen van de richtwaarde.

De overschrijding bedraagt ten hoogste 6 dB(A) en treden op aan de westkant bij de woningen aan de Dobbestraat en aan de zuidkant bij de woningen aan de Hoofdweg. Zonder het realiseren van extra afscherming bedraagt het maximale geluidsniveau ten hoogste 76 dB(A) bij de woningen aan de Dobbestraat en ten hoogste 72 dB(A) bij de woning aan de Hoofdweg 16 en 71 dB(A) bij de woning aan de Hoofdstraat 10. De gevelwering aan de Dobbestraat dient daarmee minimaal 21 dB(A) te bedragen. Het betreft hier nieuwbouwwoningen welke een minimale gevelwering van 20 dB(A) dienen te hebben. Stemgeluid is hoogfrequent, de benodigde geluidswering van 21 dB(A) zal bij de nieuwbouwwoningen daarom ook gehaald worden. Opgemerkt wordt dat ook zonder de extra afscherming in de woningen een goed woon- en leefklimaat gerealiseerd wordt. Voor de woningen aan de Hoofdweg 16 en 10 resteren overschrijdingen van respectievelijk 2 dB(A) en 1 dB(A). De benodigde gevelwering om aan het binnenniveau van 55 dB(A) te voldoen bedragen dan 17 dB(A) en 16 dB(A). Ook slecht geïsoleerde woningen voldoen hier doorgaans aan. Afgewogen is om dan ook geen geluidwerende voorzieningen te treffen. Geconcludeerd wordt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in omliggende woningen.

Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het projectgebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of nieuwe functies de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. Sportvereniging Woltersum – Dobbestraat 17 Ten westen van het nieuwe kindcentrum bevindt zich een sportvereniging. Voor de sportvereniging geldt een grootste richtafstand van 10 meter voor het aspect ‘geluid’ in het omgevingstype ‘gemengd gebied’. De afstand tussen het nieuwe kindcentrum en de vereniging (van bouwvlak sportvereniging tot beoogde locatie kindcentrum) bedraagt minimaal 30 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden van de sportvereniging. Eetcafé Kielerbocht – Hoofdweg 2 Ten zuidoosten/oosten van het projectgebied bevindt zich een eetcafé. Hier zijn, op basis van het geldend bestemmingsplan, functies met een maximale milieucategorie 2 toegestaan. De grootste richtafstand voor dergelijke functies bedraagt maximaal 10 meter voor het aspect ‘geluid’ in het gemengd gebied. Het nieuwe kindcentrum ligt op minimaal 60 meter afstand van het bedrijfsperceel. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden van het eetcafé. Bouwbedrijf H. Pot – Hoofdweg 23

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Kindcentrum Woltersum

Ten zuidwesten van het projectgebied bevindt zich een perceel waar op basis van het geldend bestemmingsplan bedrijven van milieucategorie 1 en 2 zijn toegestaan. In de realiteit is hier een aannemersbedrijf gevestigd waardoor werkzaamheden op externe locaties plaatsvinden. Op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ worden dergelijke functies aangemerkt als een maximale milieucategorie 2 functie. De grootste richtafstand voor dergelijke functies bedraagt maximaal 10 meter voor het aspect ‘geluid’ in het gemengd gebied. Het nieuwe kindcentrum ligt op minimaal 70 meter afstand van het perceel met de bestemming ‘bedrijf’. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden van het perceel. Gelet op het vorenstaande wordt gesteld dat ter plaatse van het kindcentrum sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast worden omliggende milieubelastende functies niet in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd. 8.1.3

Conclusie

De voorgenomen activiteiten houden in voldoende mate rekening met het aspect geluid.

8.2

Bodemkwaliteit

8.2.1

Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • • •

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • • • •

Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 8.2.2

Situatie projectgebied

In voorliggend geval is door Tauw een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Gezien de begrenzing van het zoekgebied later is bijgesteld, heeft Tauw later een tweede verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om bodemverontreiniging voor het gehele projectgebied in kaart te

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Kindcentrum Woltersum

brengen. Deze onderzoeken zijn bijgevoegd in bijlage 4 en 5. Tauw heeft daarna ook nog een asbestinventarisatie uitgevoerd, bijgevoegd in bijlage 6. Resultaten verkennend bodemonderzoek Deelgebied 1 Grond In de bovengrond zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK en minerale olie aangetroffen. In de zintuigelijke schone kleilaag van de ondergrond (0,5-1,5 m -mv) en de kleilaag met slib bijmenging (1,1-2,5 m -mv) zijn geen verhoogde gehalten aan stoffen uit het standaardpakket grond aangetroffen. De bodemkwaliteit van de bovengrond blijkt na indicatieve toetsing aan het BBK te wisselen tussen klassen ‘wonen’ en ‘industrie’. De bodemkwaliteit van de ondergrond blijkt na indicatieve toetsing aan het BBK te voldoen aan klasse ‘altijd toepasbaar’. PFAS De kleilaag in de bovengrond is beperkt toepasbaar in grondwaterbeschermingsgebieden op basis van de aangetroffen PFAS gehalten. De zandlaag in de bovengrond ter plaatse van de westelijke opstal is beperkt toepasbaar in grondwaterbeschermingsgebieden en voor het toepassen op ontvangende bodem met klasse landbouw/natuur op basis van de aangetroffen PFAS gehalten. Grondwater In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan metalen gemeten. Asbest In de druppelzone van de opstallen is zintuigelijk geen asbest aangetroffen. Analytisch (>0,5 mm) is er geen asbest aangetoond.

Op het overige terrein is zintuigelijk geen asbest aangetroffen. Analytisch is er ook geen asbest aangetoond. Deelgebied 2 Landbodem Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden gesteld dat de bodem op de locatie maximaal licht verontreinigd is. In de bovengrond en plaatselijk in de ondergrond zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond. In het grondwater zijn maximaal licht verhoogde concentraties aan barium of molybdeen gemeten. Na indicatieve toetsing volgens de kaders van het Besluit bodemkwaliteit voldoet de grond wisselend aan klasse altijd toepasbaar en klasse wonen. In de grond zijn PFAS-gehalten gemeten boven de rapportagegrenzen. De tijdelijke toepassingsnorm wordt hierbij in geen van de gevallen overschreden. Wel zijn er beperkingen aanwezig voor de toepasbaarheid van het materiaal. In de grond waarin PFAS is aangetoond zijn beperkingen voor het toepassen van het materiaal in grondwaterbeschermingsgebieden. In het grondwater zijn eveneens verhoogde concentraties aan PFAS gemeten. Voor PFAS in grondwater is geen toetsingskader van kracht. In geen van de samengestelde mengmonsters voor analyse op asbest in grond is asbest aangetoond boven de rapportagegrens. Het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) of de interventiewaarde (100 mg/kg d.s.) wordt niet overschreden.

Aan de hand van de onderzoeksresultaten kan gesteld worden dat de grond op de onderzoekslocatie niet verdacht is op het voorkomen van asbest boven de interventiewaarde (100 mg/kg d.s.). Het aangetroffen gronddepot van circa 20 m3 is onderzocht middels het nemen van 10 grepen. Op basis van een indicatieve toetsing is het depot in te delen als klasse industrie. Echter, het gemeten gehalte aan PFOS overschrijdt de tijdelijke toepassingsnorm, waardoor het materiaal op basis van PFAS als niet toepasbaar wordt beoordeeld. Waterbodem Het slib ter plaatse van vak 1 voldoet conform het toetsingskader toepassen in oppervlaktewater aan klasse altijd toepasbaar. Het slib ter plaatse van vak 3 voldoet conform het toetsingskader toepassen in oppervlaktewater aan klasse A. Ter plaatse van vak 2 is geen slib in de watergang aangetroffen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Kindcentrum Woltersum

De vaste waterbodem ter plaatse van vak 1 voldoet conform het toetsingskader toepassen in oppervlaktewater aan klasse A. De klei in de droogstaande watergang van vak 2 voldoet conform het toetsingskader toepassen in oppervlaktewater aan klasse B. Tot slot voldoet de vaste waterbodem van vak 3 conform het toetsingskader toepassen in oppervlaktewater aan klasse altijd toepasbaar. In het slib van vakken 1 en 3 en in de vaste waterbodem van het droogstaande vak 2 zijn gehalten aan PFAS gemeten boven de rapportagegrenzen. Voor het slib van vakken 1 en 3 zijn geen beperkingen aanwezig voor de toepasbaarheid van het materiaal in oppervlaktewater. Voor de vaste waterbodem ter plaatse van het droogstaande vak 2 zijn beperkingen aanwezig voor het toepassen in een diepe plas, het verspreiden/toepassen van het materiaal in ophogingen in waterbouwkundige constructies en het toepassen van het materiaal in vrijliggende diepe plassen en niet vrijliggende diepe plassen aan een niet-rijkswater, voor zover in de nabijheid van de diepe plas geen kwetsbaar object is gelegen als bedoeld op pagina 26 van de ‘Handreiking voor het herinrichten van diepe plassen. GenX is niet aangetoond boven de rapportagegrens. In de mengmonsters die zijn samengesteld voor analyse op asbest in waterbodem ter plaatse van vakken 1 en 2 zijn geen gehalten aan asbest boven de rapportagegrenzen gemeten.

In het meest westelijk deel van vak 3 is een verweerde asbestgolfplaat aangetroffen in de watergang. Deze plaat wordt als puntbron ten aanzien van asbest gezien en derhalve is dit deel van de watergang als verdachte deellocatie onderzocht. In het slib zijn diverse stukjes asbesthoudend materiaal aangetroffen. Het slib blijkt sterk verontreinigd met asbest te zijn. Door middel van een afperkend onderzocht is de verontreiniging met asbest afgeperkt en lijkt circa 3 m3 slib sterk verontreinigd met asbest. In het overige deel van vak 3 is geen asbest boven de rapportagegrens aangetoond en derhalve onverdacht op het voorkomen van asbest. Met uitzondering van het asbesthoudende deel van het waterbodem vak 3 zijn er voor het beoogde gebruik geen milieuhygiënische belemmeringen aanwezig. Wel wordt aanbevolen om de asbestgolfplaat op korte termijn te verwijderen en het met asbest verontreinigde slib te verwijderen alvorens de locatie geschikt wordt gemaakt voor het toekomstige gebruik. Formeel gezien dient voorafgaand aan het verwijderen van asbest een asbestinventarisatie volgens SC-540 uitgevoerd te worden om vast te stellen of het te verwijderen materiaal inderdaad asbesthoudend is.

Omdat tijdens het waterbodemonderzoek stukjes asbest (cement, golfplaat) zijn aangetoond in de waterbodem direct ter plaatse van deze golfplaat, wordt het echter niet noodzakelijk geacht om voorafgaand aan de verwijdering een asbestinventarisatie uit te voeren. Het asbestverzamelmonster is in dit geval het bewijs dat de golfplaat asbesthoudend is. Op basis van dit gegeven kan de asbesthoudende golfplaat verwijderd worden door een SC-530 gecertificeerd bedrijf. Asbestinventarisatie Bij de asbestinventarisatie zijn asbesthoudende materialen aangetroffen welke in bijlage 6 van deze onderbouwing bij de tabel in paragraaf 1.2 'Samenvatting en advies' zijn opgesomd. Het rapport is geschikt voor uitgebreide sloop- en/of renovatiewerkzaamheden en tevens geschikt om de in dit rapport genoemde asbesthoudende materialen te saneren. 8.2.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat, indien rekening wordt gehouden met de hiervoor genoemde sanering en verontreinigde materialen juist worden afgevoerd, vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Kindcentrum Woltersum

8.3

Luchtkwaliteit

8.3.1

Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt.

Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Aandachtsgebieden (toevoegen indien van toepassing in de gemeente) Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: • • • 8.3.2

bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. Situatie projectgebied

Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van een kindcentrum met een oppervlakte van circa 380 m2. Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot standaardgevallen NIBM zoals beschreven in artikel 5.54 Bkl, kan worden aangenomen dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Het te realiseren kindcentrum wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Echter: het projectgebied ligt niet binnen de wettelijke zone van een rijksweg of provinciale weg. Een toetsing aan de grenswaarden is daarom niet aan de orde.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Kindcentrum Woltersum

8.3.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.4

Geur

8.4.1

Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • • • •

Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • • 8.4.2

Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden Situatie projectgebied

Het projectgebied bevindt zich buiten de geurcontouren van veehouderijen. Er is dan ook geen sprake van (onaanvaardbare) geurhinder in het projectgebied. 8.4.3

Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Kindcentrum Woltersum

8.5

Trillingshinder

8.5.1

Algemeen

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.

Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 8.5.2

Situatie projectgebied

In voorliggend geval bedraagt de afstand vanaf het projectgebied tot de dichtstbijzijnde spoorlijn circa 870 meter. Dit is ver boven de hiervoor genoemde 100 en 250 meter. 8.5.3

Conclusie

Beschrijving conclusies en eventuele borging van maatregelen in regels.

8.6

Gezondheid

8.6.1

Algemeen

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • •

het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Kindcentrum Woltersum

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.groningen.nl/api/v1/meetings/4910/documents/84310