Bijlage 4 ruimtelijke onderbouwing.pdf
Tekst van het document
van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt. 8.6.2
Situatie projectgebied
Voorgenomen ontwikkeling ziet toe op de realisatie van een kindcentrum. Feitelijk gezien wordt er echter niet een nieuwe school gerealiseerd, maar is deze locatie uiteindelijk gekozen als vervanging voor het oude kindcentrum in Woltersum die verouderd is en waar ook sprake was van aardbevingsschade. Hierdoor is het nieuwe schoolgebouw ook robuuster in het kader van de aardbevingsproblematiek en hiermee een veilig onderkomen voor de kinderen in de toekomst. Het voornemen voldoet dan ook aan maatschappelijke doelstellingen zoals verwoord in artikel 1.3 van de Omgevingswet. 8.6.3
Conclusie
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Kindcentrum Woltersum
HOOFDSTUK 9
BESCHERMING VAN DE NATUUR
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.
9.1
Gebiedsbescherming
9.1.1
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •
9.1.2
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 9.1.3
Situatie projectgebied
Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het projectgebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebieden betreffen Zuidlaardermeergebied, Drentsche Aa-gebied, Leekstermeergebied en Waddenzee, op respectievelijk 11,3, 17,2, 17,7 en 20,3 kilometer afstand (zie figuur 3.1). De dichtstbijzijnde Duitse Natura 2000-gebieden betreffen Hund und Paapsand, Unterems und Außenems en Niedersächsisches Wattenmeer, op respectievelijk 14,3, 19,1 en 20,9 kilometer afstand. Echter hoeft geen toetsing plaats te vinden aan Duitse Natura 2000-gebieden. Dit is
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Kindcentrum Woltersum
weergegeven in afbeelding 9.1, waarin het projectgebied indicatief is aangeduid met een gele marker.
Afbeelding 9.1
Ligging projectgebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: AERIUS calculator)
Gelet op de onderlinge afstand tussen het projectgebied en Natura 2000-gebieden is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Gezien de grote hoeveelheid Natura 2000-gebieden in brede omgeving is er door BJZ.nu een stikstofonderzoek uitgevoerd. Deze is onder bijlage 7 bijgevoegd. Voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het projectgebied ligt niet binnen het concreet begrensde NNN. Het dichtstbijzijnde als NNN aangewezen gebied bevindt zich op minimaal 1,8 kilometer ten oosten van het projectgebied.
Gezien het feit dat sprake is van een ontwikkeling buiten het NNN en gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, wordt gesteld dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Kindcentrum Woltersum
9.2
Soortenbescherming
9.2.1
Algemeen
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 9.2.2
Situatie projectgebied
In voorliggend geval is een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd door Eco Reest BV. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 8 bij deze toelichting. Hieronder wordt ingegaan op de resultaten. Resultaten quickscan natuurwaardenonderzoek Vogels Binnen het projectgebied zijn geen nesten van vogels waargenomen. Ook ontbreekt geschikte bebouwing voor nestplaatsen van soorten met jaarrond beschermd nest. Wel kunnen algemene vogelsoorten tot broeden komen in het aanwezige opgaand groen. Vleermuizen Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn vanwege het ontbreken van geschikte bebouwing en geschikte boomholtes uitgesloten. De aanwezige holtes zijn te laag en te open om geschikte verblijfplaatsen te bieden. Mogelijk vormt het projectgebied onderdeel van een vliegroute en foerageergebied. Dit betreft echter geen essentieel leefgebied en de ontwikkeling heeft geen negatief effect op de functionaliteit ervan. Grondgebonden Zoogdieren Aan de rand van het projectgebied kunnen gelegenheidsrustplaatsen van steenmarter of bunzing aanwezig zijn. Bij werkzaamheden worden geen verblijfplaatsen aangetast. Wel zijn maatregelen ten aanzien van de zorgplicht van toepassing (zie hoofdstuk 5.3).
Amfibieën & overig Groei- en verblijfplaatsen van beschermde flora, vissen, amfibieën, reptielen en ongewervelden zijn gezien de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens uitgesloten. In het projectgebied zijn enkele algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën te verwachten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsartikelen. Tot slot wordt benadrukt dat te allen tijde rekening dient te worden gehouden met de zorgplicht zoals opgenomen in de artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet. De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Onder geschikte zorgplichtmaatregelen voor soorten die niet opgenomen zijn als beschermde soorten vallen onder andere: BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
Kindcentrum Woltersum
-
Aangetroffen dieren de kans bieden te vluchten of naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden te verplaatsen. Potentiële schuilplaatsen te controleren op de aanwezigheid van schuilende dieren. Dieren enkel buiten de kwetsbare perioden te verstoren. Het tijdig ongeschikt maken van schuilplaatsen.
In het volledige rapport (bijlage 8) wordt hier verder op ingegaan onder paragraaf 5.3, met name ten aanzien van de steenmarter en bunzing & overige broedvogels. Ook is ten behoeve van het planvoornemen een Bomen Effect Analyse (BEA) uitgevoerd, de rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 9. Hieronder worden de belangrijkste resultaten uiteengezet. Resultaten Bomen Effect Analyse In totaal zijn binnen het projectgebied 65 bomen en 7 vakken met houtopstanden opgenomen. Het grootste deel van de bomen heeft een goede (28%) of voldoende (63%) conditie. Drie bomen hebben een matige conditie. De conditie van twee bomen zijn slecht, en er is één boom volledig afgestorven. Het grootste deel (75%) van de bomen heeft een toekomstverwachting van meer dan 10 jaar. Elf bomen hebben een toekomst verwachting van 5 tot 10 jaar. Vijf bomen hebben een toekomstverwachting van minder dan 5 jaar. Dit betreft drie gewone peren, een kers en een appelboom. Deze vijf bomen zijn aangemerkt als risicoboom. In totaal zijn zeven vakken opgenomen met een totale oppervlakte van 154 m2 . In alle vakken zijn struikvormers aangetroffen. In totaal zijn tien verschillende struiksoorten aangetroffen. De meidoorn , vlier en de beuk zijn de meest voorkomende struiksoorten. De gemiddelde stamdiameter van de struiken is 5 tot 35 centimeter. De conditie van de struikvormers in 4 vakken is goed.
De conditie van de struiken in twee vakken is voldoende. De conditie van de struiken in één vak is matig. Één houtopstand bestaat uit hakhoutstoven van een oude windsingel. De beplanting heeft een hoogte tot 6 meter. Weer een andere houtopstandis een doorgeschoten beukenhaag met een hoogte van circa 3 meter. In het ontwerpproces is bewust gezocht naar de meest boomvriendelijke versie van het plan. Om tot het definitief ontwerp te komen zijn het ontwerp en de inrichting van het terrein verschillende malen gewijzigd. Alles met het doel om de meest boomvriendelijke variant te vinden. In relatie tot het huidige ontwerp kunnen zes bomen niet duurzaam behouden blijven. Het toegangspad is op de standplaats van twee bomen gepositioneerd. Voor behoud van beide bomen zou het pad in zuidelijke richting verplaatst moeten worden. Het resultaat daarvan is dat het toegangspad op de standplaats van de potentieel monumentale els wordt gepositioneerd waardoor deze boom niet duurzaam behouden kan blijven. In deze els zijn ransuilen gesignaleerd. Het verplaatsen van het toegangspad heeft daarmee niet het gewenste resultaat. Door de bouw van de school, de aanleg van de bovengrondse infrastructuur en de inrichting van de openbare ruimte verdwijnt zowel de boven- als ondergrondse groeiruimte van de zoete kers. De zoete kers kan niet duurzaam behouden blijven.
Voor behoud van de boom dient het gebouw in westelijke richting te worden verplaatst. Het resultaat daarvan is dat het gebouw binnen de invloedsfeer van een andere boom komt te staan. Het verplaatsen van het gebouw heeft daarmee niet het gewenste resultaat, er kunnen niet meer bomen behouden blijven. Door de voorgenomen sloopwerkzaamheden en de herinrichting van het terrein kunnen drie bomen niet duurzaam behouden blijven. Voor de sloop en de herinrichting zijn geen alternatieven mogelijk. De conclusie is dat de mogelijke alternatieven niet realistisch zijn en dat de bomen niet duurzaam kunnen worden behouden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
50
Kindcentrum Woltersum
9.3
Conclusie
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
51
Kindcentrum Woltersum
HOOFDSTUK 10
10.1
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE
Wettelijk kader
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
10.2
Archeologie
Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Situatie Projectgebied Ter plaatse van het projectgebied is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ opgenomen. Voor het bouwen van bouwwerken met een grotere oppervlakte dan 200 m² en een grotere diepte dan 0.45 meter beneden het maaiveld dient een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Gezien het beoogde kindcentrum groter zal zijn, is er door RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen onder bijlage 10. Gezien het projectgebied op een later moment nog is gewijzigd, is niet het gehele gebied in het onderzoek meegenomen. Hieronder wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Op grond van de onderzoeksresultaten en onder verwijzing naar de doelstellingen, kunnen de volgende uitspraken worden gedaan: •
Hoe ziet de bodemopbouw van het projectgebied eruit; in welke mate is deze verstoord?
De bovenste circa 1 m van de bodemopbouw lijkt in het grootste deel van het projectgebied van relatief recent te zijn omgewerkt en mogelijk ook opgebracht, gezien de aanwezigheid van (sub)recente puinfragmenten. Onder deze lagen bevinden zicht kleiafzettingen soms met dunne veen- of humeuze kleilaag rond de 1,8 m –NAP. •
Bevinden zich wierdelagen en/of oeverwallen binnen het te onderzoeken gebied?
Binnen het projectgebied zijn geen wierdelagen of oeverwallen, waargenomen. Wel kan verondersteld worden dat er op enig moment sprake was van watervoerende geulen of waterloop in het projectgebied. •
Wat is de archeologische waarde van het te onderzoeken gebied?
De veronderstelde geulen, waterloop of overgebleven drassige laagte zal het projectgebied niet aantrekkelijk voor bewoning hebben gemaakt. Daarbij komt dat de bodem tot circa 1 m –mv relatief recent lijkt te zijn omgewerkt of opgebracht. De kans op archeologische resten is daarom laag. Uit het onderzoek blijkt dat in het projectgebied geen relevante archeologische rechten bedreigd worden. Echter is het uiterste zuidelijke deel van het projectgebied niet onderzocht. Daarbij komt dat tijdens recente opgravingen bij de sloop-nieuwbouw aan de Dobbestraat 19-33 nabij het BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
52
Kindcentrum Woltersum
projectgebied wel degelijk behoudenswaardige archeologische resten zijn gevonden. Deze resten zijn gerelateerd aan de dorpswierde van Woltersum. Er wordt op bassi hiervan aangenomen dat ook in het projectgebied relevante archeologische waarden kunnen liggen. Er zal daarom in het naast liggende zuidelijke deel van het projectgebied, ter plaatse van de bodemverstorende dingrepen een opgraving dienen plaats te vinden. Hiervoor is een Programma van Eisen en Plan van Aanpak te worden opgesteld, die ter toetsing aan de gemeentelijk archeoloog is voorgelegd. De omgevingsvergunning kan met de indiening van het goedgekeurde PvE inbehandeling worden genomen. De PvE is opgenomen als bijlage 11 bij deze onderbouwing. Vergunningsvoorwaarden Als voorwaarde voor de vergunning geldt dat in de zone waar de bodemverstorende activiteiten in het zuidelijke deel van het plangebied zullen plaatsvinden, conform het PvE een opgraving dient te worden uitgevoerd. Voor de opgraving is tevens een Plan van Aanpak nodig. Het schrijven van het PvE en PvA, de uitvoer van het veldwerk, de documentatie, uitwerking en rapportage van het onderzoek, eventuele conservering, alsmede de deponering van de documentatie en vondsten behoren allen tot de onderzoeksverplichting die is gekoppeld aan de vergunningverlening. De kosten voor al deze archeologische werkzaamheden zijn voor de ontwikkelaar.
ls bij graafwerkzaamheden in het noordelijke deel onverhoopt toch archeologische vondsten (of grondsporen) worden aangetroffen, dan moet hiervan op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet direct melding te worden gemaakt bij Onze Minister, bij voorkeur via de archeoloog van de gemeente Groningen (tel. 14050) of van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te Amersfoort. Om de gemeentelijk archeoloog de vondst te kunnen laten beoordelen, is het noodzakelijk het graafwerk tijdelijk te staken.
10.3 Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het projectgebied gelegen werelderfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • • • • • •
ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
Situatie Projectgebied Het projectgebied kent, op basis van de Rijksmonumenten en Werelderfgoedkaart van Atlas Leefomgeving, geen bijzondere cultuurhistorische waarden. In de directe nabijheid van het projectgebied bevinden zich tevens geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten.
10.4
Bescherming van het cultuurhistorisch landschap
Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
53
Kindcentrum Woltersum
zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen. Situatie Projectgebied Het projectgebied is voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’. Voor deze gronden is het volgende opgenomen: De voor 'Waarde - Landschap' aangewezen gronden zijn, naast het bepaalde in de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, bestemd voor het behoud van de openheid van, het zicht op, de herkenbaarheid van en het reliëf van de wierde. Daarnaast is het plangebied binnen de gebiedsaanduiding ‘Gebieden met reliëfinversie’ in de Provinciale verordening. Het plangebied is gelegen op een wierde, deze is onderdeel van de ontstaansgeschiedenis van Woltersum en nog steeds fysiek afleesbaar. Echter is in voorliggend geval een afweging gemaakt en is beoordeeld dat het maatschappelijk belang van een onderwijsinstelling hier voorrang heeft. Het projectgebied is verder bij drie van de vier kanten omsloten door bebouwing en aan de overige zijde door een bomenrij. Het projectgebied heeft daarmee geen waarde voor het behoud van de openheid van, het zicht op, en de herkenbaarheid van en het reliëf van de wierde. Hierdoor wordt gesteld dat cultuurhistorie geen belemmering vormt voor voorliggend initiatief.
10.5
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische worden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
54
Kindcentrum Woltersum
HOOFDSTUK 11
11.1
M.E.R.- BEOORDELING
Algemeen
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •
In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.
Bij de project-mer-beoordeling is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, met de bijbehorende motivering, op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit). In de motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar: 1. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en 2. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: a. 1˚. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en b. 2˚. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd. Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob. Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: 1. het project, met in ieder geval een beschrijving van: a. de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van sloopactiviteiten; b.
de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; 2. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en 3. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en b. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.
11.2
Situatie projectgebied
Onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van een gesloten lijstenstelsel voor de beoordeling van project-m.e.r. (milieueffectrapportage). Dit houdt in dat de projecten en besluiten die onder de project-m.e.r.-verplichting vallen, zijn opgenomen in de lijst bijlage V van het Omgevingsbesluit. Hierin is onder andere het stedelijke ontwikkelingsproject opgenomen. De jurisprudentie met betrekking tot de ondergrens van het begrip 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject' blijft onder de Omgevingswet van belang. Zo overweegt de Afdeling bijvoorbeeld dat de ontwikkeling van 12 woningen niet als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt beschouwd (ABRS 11 maart 2020, nr. 201901464/1/R1). De in de voorliggende ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling gaat uit van de realisatie van een kindcentrum op een braakliggende locatie. Het bebouwde oppervlak neemt per saldo niet
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
55
Kindcentrum Woltersum
toe, aangezien het huidige kindcentrum volledig gesloopt wordt ten behoeve van het voornemen. Het gaat om een kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen per saldo niet toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen. Op basis van het voorgaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit wordt tevens bevestigd door de in dit hoofdstuk opgenomen milieu- en omgevingsaspecten, evenals de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.
11.3
Conclusie
Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
56
Kindcentrum Woltersum
HOOFDSTUK 12
12.1
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Algemeen
In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.
12.2
Kostenverhaal
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.
12.3
Situatie projectgebied
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in het realiseren van een kindcentrum. De gemeente is eigenaar van alle gronden binnen het projectgebied en is initiatiefnemer van dit project. Voor de ontwikkeling geldt dat er sprake is van een sluitende grondexploitatie. Voor alle kosten is dekking. Hiermee is het project financieel haalbaar.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
57
Kindcentrum Woltersum
HOOFDSTUK 13
13.1
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
Participatie
Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. De gemeente heeft op meerdere momenten de buurt betrokken bij het plan om het kindcentrum op een nieuwe locatie te realiseren en heeft ook participatieavonden georganiseerd om de plannen met de buurt te delen. Met de opmerkingen van omwonenden is zo veel mogelijk rekening gehouden. Geconcludeerd wordt dat er in voldoende mate rekening is gehouden met het aspect participatie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
58
Kindcentrum Woltersum
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
1. Locatie studie
2. Watertoets
3. Akoestisch onderzoek
4. Bodem 1
5. Bodem 2
6. Asbest inventarisatie
7. Stikstofberekening
8. Ecologische Quickscan
9. Bomen Effect Analyse
10. Archeologisch onderzoek
11. PvE Archeologie
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
59